06.1 Stichting Proo Meerjarenbegroting 2022-2026
Tekst van het document
MEERJARENBEGROTING 2022 T/M 2026
Stichting Proo Noord-Veluwe
16-11-2021 1
INHOUDSOPGAVE
VOORWOORD
4
1
5
KADER EN FINANCIËLE POSITIE
1.1 Financiële positie in 2022 1.1.1 Dashboard/kengetallen
5 5
1.2 Kaders (meer)jarenbegroting 1.2.1 Ontwikkeling leerlingaantallen 1.2.2 Prijsbijstellingen 1.2.3 Vereenvoudiging bekostiging 1.2.4 Voorziening onderhoud 1.2.5 Nationaal Programma Onderwijs
7 7 8 8 9 9
2
11
MEERJARENBEGROTING
2.1 Inleiding 2.2 Tabel meerjarenbegroting 2.3 Toelichting op de exploitatiebegroting 2.3.1 Rijksbijdragen 2.3.2 Overige overheidsbijdragen 2.3.3 Overige baten 2.3.4 Personeelslasten 2.3.5 Afschrijvingslasten 2.3.6 Huisvestingslasten 2.3.7 Overige lasten 2.3.8 Financiële baten en lasten 2.3.9 Conclusie
11 11 11 12 13 13 14 15 15 15 16 16
2.4 2.5
Toelichting meerjarenbegroting Investeringsbegroting
16 17
3
BALANS
18
3.1 Inleiding 3.2 Tabel Meerjarenbalans 3.3 Toelichting reserves en voorzieningen 3.3.1 Reserves 3.3.2 Voorzieningen
18 18 18 18 19
3.4
Liquiditeitsbegroting
19
4
RISICO’S
20
2
BIJLAGE 1. AANVULLENDE KENGETALLEN
22
3
VOORWOORD Conform de statuten (artikel 16 lid 4) wordt jaarlijks door het College van Bestuur (CvB) van Stichting Proo, voorafgaand aan het nieuwe kalenderjaar, een financiële begroting ter goedkeuring aan de Raad van Toezicht (RvT) aangeboden. Voor u ligt de meerjarenbegroting 2022 t/m 2026. Gezien de ervaringen van de afgelopen jaren zijn de vermelde resultaten voor de jaren na 2021 vooral richtinggevend. De begroting is opgesteld op basis van prognoses, ervaringscijfers uit de afgelopen jaren, strategisch beleidsplan 2018-2026, schoolplannen en is ingericht volgens de voorschriften van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OC&W) voor de jaarverslaggeving voor de sector Primair Onderwijs. Het financiële beleid is erop gericht de continuïteit van Stichting Proo te borgen en de strategische doelen te verwezenlijken. Daartoe worden de volgende beheersings- en sturingsinstrumenten gehanteerd: planning- en control cyclus, treasury management, risicomanagement, competentiemanagement, administratieve organisatie met bijbehorende interne controle- en beheersingsmaatregelen. Het CvB beoogt om met de genomen maatregelen en de gemaakte beleidskeuzen de continuïteit van de stichting en de kwaliteit van het onderwijs te borgen en te verstevigen. We zien een stabilisatie van de leerlingaantallen. De komende jaren wordt een lichte stijging verwacht.
Voor ons is dat een belangrijke indicator voor de continuïteit en instandhouding van het primair openbaar onderwijs op de Veluwe. De ambities en de daaruit voortkomende bestuurlijke opdracht van Stichting Aurora OnderwijsGroep en de daaruit voortkomende school- en beleidsplannen liggen ten grondslag aan deze meerjarenbegroting. De samenwerking binnen Aurora leidt mogelijk vanaf 2022 tot synergievoordelen. De kwaliteit van onze dienstverlening en informatie neemt toe. Tot dat moment is sprake van beperkte transitiekosten. Leeswijzer In paragraaf 2.1 ligt de nadruk op 2022 aangezien dit het meest actuele begrotingsjaar is. Vervolgens zal de financiële positie op de langere termijn besproken worden in paragraaf 2.2. In paragraaf 2.3 wordt de meerjarenprognose weergegeven en in paragraaf 2.4 is het kader opgenomen. De bestuurlijke en beleidsinterventies blijven de komende periode, evenals de afgelopen jaren, gericht op competente medewerkers, onderwijslocaties met een redelijke omvang, cyclisch risicomanagement, versterken van marktaandeel en/of samenwerking met andere schoolbesturen en hoge onderwijsopbrengsten. De komende jaren nemen de interventies rondom de mogelijke (leer)vertraging bij onze leerlingen, ingegeven door COVID-19, en de uitwerking binnen het Nationaal Programma Onderwijs (NPO) in het bijzonder een belangrijke positie in binnen de PDCA-Cyclus.
Deze (on)zekerheden worden in deze voorliggende begroting aangestipt. In het strategisch beleid is in het kader van het versterken van de onderwijskwaliteit de nadruk gelegd op professionalisering en het gebruik van informatietechnologie. De meerjarenbegroting is voornamelijk een richtinggevend document en wordt met de betrokkenen in de school besproken. We kijken met vertrouwen naar de toekomst! H.A. Vaatstra (MsC) en D.H. van de Voort (MsC) College van Bestuur Aurora OnderwijsGroep
Nunspeet, 2 november 2021
4
1
KADER EN FINANCIËLE POSITIE
1.1
Financiële positie in 2022
1.1.1 Dashboard/kengetallen In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen met een aantal kengetallen/indicatoren die een beeld geven omtrent de financiële positie en die uitsluitend vanuit financieel oogpunt zijn bekeken. Deze kengetallen zijn gekoppeld aan normen, waarbij door middel van een kleur en een tekstuele waardering wordt aangegeven in hoeverre de indicator zich verhoudt tot de norm. Daarbij is inzichtelijk gemaakt in hoeverre de waardering van de indicatoren zich verhoudt tot het risicoprofiel. Het overzicht maakt het mogelijk om snel een idee te krijgen van de stand van zaken met betrekking tot de financiële positie van Stichting Proo. Voor wat betreft de financiële positie is gekozen voor onderstaande indicatoren die ook gebruikt worden door de inspectie als signaleringswaarde voor wat betreft het financieel toezicht. Het betreffen de kengetallen solvabiliteit, current ratio, rentabiliteit en signaleringswaarde bovenmatige reserves. Achtereenvolgens zijn tabellen opgenomen voor realisatie 2020, prognose 2021 en begroting 2022.
Realisatie 2020 INDICATOR/RISICOPROFIEL Solvabiliteit Current ratio Rentabiliteit Signaleringswaarde bovenmatige reserves RISICOPROFIEL
Zeer laag
Laag
Neutraal
Hoog
Zeer hoog 47% 2,33
4% 109% Gemiddeld
Groot
SW OI <30% <0,75 <-10% <100%
Laag
Prognose 2021 INDICATOR/RISICOPROFIEL Solvabiliteit Current ratio Rentabiliteit Signaleringswaarde bovenmatige reserves RISICOPROFIEL
Zeer laag
Laag
Neutraal
Hoog
Zeer hoog 49% 2,46
2% 120% Gemiddeld
Groot
SW OI <30% <0,75 <-10% <100%
Laag
Begroting 2022 INDICATOR/RISICOPROFIEL Solvabiliteit Current ratio Rentabiliteit Signaleringswaarde bovenmatige reserves RISICOPROFIEL
Zeer laag
Laag
Neutraal
Hoog
Zeer hoog 40% 1,61
-7% 72% Groot
Gemiddeld
SW OI <30% <0,75 <-10% <100%
Laag
Legenda INDICATOR/RISICOPROFIEL Solvabiliteit Current ratio Rentabiliteit Signaleringswaarde bovenmatige reserves RISICOPROFIEL
Zeer laag 0-20% <0,5 <-5% <50%
Laag 20 - 30% 0,5 - 0,9 -5 - 0% 50-85% Groot
Neutraal (norm) 30 - 40% 0,9 - 1,1 0 - 5% 85-110% Gemiddeld
Hoog 40 - 50% 1,1 - 1,5 5 - 10% 110-135%
Zeer hoog >50% >1,5 >10% >135% Klein
Hierna wordt een toelichting gegeven op de definities van de indicatoren en de daaraan gekoppelde normen. Tot slot wordt een conclusie getrokken over de huidige financiële positie van Stichting Proo.
5
De gehanteerde normen zijn voor een deel afgeleid van de signaleringswaarden van de onderwijsinspectie. De grenzen van de onderwijsinspectie zijn ter referentie toegevoegd in de gegevenstabel. Voor elke indicator wordt gestreefd naar een waarde die minimaal in de categorie neutraal ligt. De norm bedraagt hierbij de onderkant van de neutrale schaal. Solvabiliteit (eigen vermogen -exclusief voorzieningen- als percentage van het balanstotaal) Dit kengetal geeft de mate aan waarin de instelling in staat is al haar schulden terug te betalen. Tot het eigen vermogen worden niet de voorzieningen gerekend. Voorzieningen zijn feitelijk verplichtingen voor de langere termijn en kennen een duidelijk bestedingsdoel. Berekening van de solvabiliteitsratio exclusief voorzieningen geeft een zuiverder beeld van de solvabiliteit. De onderwijsinspectie hanteert een ondergrens van 30%, de norm van Stichting Proo is hieraan gerelateerd. Oordeel Solvabiliteit: De solvabiliteit zal naar verwachting in 2022 40% bedragen en scoort derhalve als “hoog”. Current ratio of liquiditeitsratio (vlottende activa in verhouding tot de kortlopende schulden) Deze ratio geeft inzicht in het vermogen van de instelling om aan haar verplichtingen op korte termijn te voldoen. De onderwijsinspectie hanteert een ondergrens van 0,75. Oordeel Liquiditeit: De current ratio bedraagt in 2021 naar verwachting 1,61.
Daarmee scoort deze indicator in de categorie “zeer hoog”. Rentabiliteit (resultaat gewone bedrijfsvoering als percentage van de totale baten uit gewone bedrijfsvoering) De onderwijsinspectie hanteert in haar rol als financieel toezichthouder de grenzen: 3-jarig: minimaal 0 2-jarig: minimaal - 5 % 1-jarig: minimaal - 10 % Oordeel Rentabiliteit: De rentabiliteitsratio bedraagt in 2021 naar verwachting -7% en scoort “zeer laag”. Deze score is een gevolg van de overgang naar de vereenvoudigde bekostiging en het bestuursbesluit van het vroege voorjaar om na meevallers in de exploitatie de formatie voor schooljaar 2021/2022 uit te breiden met drie groepen en onder andere extra ambulante tijd voor directie en interne begeleiding. Signaleringswaarde bovenmatige reserves (werkelijke reserves/(aanschafwaarde gebouwen * factor eigen vermogen * bouwindex + waarde materiële instandhouding minus boekwaarde gebouwen + 0,05 * totale baten) Dit kengetal is gepubliceerd in 2020. Bij deze indicator worden de normatieve reserves vergeleken met een berekende waarde. De waarde wordt berekend door de componenten aanschafwaarde van gebouwen, boekwaarde materiële vaste activa min boekwaarde gebouwen en totale baten te vermenigvuldigen met een factor per component. De factoren zijn 1 voor de boekwaarde en 0,05 voor de totale baten.
Voor de aanschafwaarde gebouwen is de factor 0,5 die vermenigvuldigd wordt met de bouwkostenindex. De bouwkostenindex voor 2021 is gebaseerd op de laatst bekende index van 2018 en bedraagt 1,27. Uiteindelijk worden de daadwerkelijke reserves uitgedrukt in een percentage van de absolute signaleringswaarde.
6
Oordeel Signaleringswaarde bovenmatige reserves: Het percentage bedraagt ultimo 2022 72%. Dit betekent dat de reserves beneden de bovengrens blijven. Boven de 100% kan het oordeel van de onderwijsinspectie zijn dat sprake is van onvoldoende inzet van middelen in het onderwijs. Dit is het geval bij de realisatie 2019 en 2020, tevens de prognose 2021. De daling in 2022 is vooral een gevolg van het negatieve resultaat in de begroting. Algemeen oordeel De financiële situatie van Stichting Proo is goed te noemen terwijl de nodige investeringen zijn gepleegd om de kwaliteit te verbeteren. Financiële positie meerjarenbegroting Indicator
2020
Solvabiliteit Liquiditeit Rentabiliteit Indicator reservepositie
2021 47% 2,33 1,8% 109%
2021 45% 2,14 -1,4% 102%
2021 49% 2,46 1,8% 120%
2022 46,66% 2,33 -3517,25% 106%
2023 40% 1,61 -7,3% 72%
2024 35% 1,47 -2,2% 58%
2025 36% 1,48 0,2% 60%
2026 35% 1,39 -0,6% 55%
35% 1,39 0,3% 56%
Uit de tabel blijkt dat de financiële positie van Stichting Proo de komende jaren naar verwachting gezond blijft, ondanks het feit dat de rentabiliteit de komende twee jaren negatief is. Op basis van de solvabiliteit is het na deze twee jaar gewenst dat de resultaten gemiddeld op nihil uitkomen. 1.2
Kaders (meer)jarenbegroting
Stichting Proo wordt in grote mate gefinancierd door het Ministerie van OC&W. Een belangrijke grondslag voor de bepaling van deze financiering is het aantal leerlingen per 1 oktober. Met name de leerlingenaantallen van 1 oktober 2020 en 2021 bepalen de omvang van de normatieve rijksbijdragen van OC&W. 1.2.1 Ontwikkeling leerlingaantallen Onderstaande tabel toont de ontwikkeling van de oktobertellingen. De prognoses voor de jaren 2021/2025 zijn gebaseerd op het feitelijke leerlingenaantal van 1 oktober 2021, gecombineerd met een instroom die gebaseerd is op de instroom per school in het schooljaar 2020/2021. Door een positieve ontwikkeling van het aantal leerlingen is ervan uitgegaan dat er de komende jaren geen locaties gesloten worden. Ten opzichte van de prognose zoals die in de begroting van vorig jaar meegenomen is, zijn er ca. 20 leerlingen minder ingeschreven per 1 oktober. De daling van de afgelopen jaren lijkt over te gaan in een stabilisatie. De prognoses van het model van het Arbeidsmarktplatform laten een lichte stijging zien. De realisatie 2021 is ca. 30 leerlingen minder dan de prognose van het Arbeidsmarktplatform. De verwachting van de directeuren ligt iets boven het niveau van de opgenomen prognose. Het beleid blijft gericht op het versterken van het marktaandeel en heeft op een aantal scholen tot stijging van het aantal leerlingen geleid.
Op basis van de prognose van het Arbeidsmarktplatform zijn de eigen prognoses iets naar boven bijgesteld. Zonder deze aanpassing was het aantal leerlingen vrijwel stabiel op 2.200 gebleven.
7
Ontwikkeling aantal leerlingen Realisatie 2018 2019 2020
2021
2022
2023
Prognose 2024 2025
2026
Aantal leerlingen per 1 oktober
2272
2239
2216
2200
2204
2206
2221
2259
2285
Mutatie t.o.v. voorgaande jaar (absoluut)
-4
-33
-23
-16
4
2
15
38
26
Mutatie t.o.v. voorgaande jaar
-0,2%
-1,5%
-1,0%
-0,7%
0,2%
0,1%
0,7%
1,7%
1,2%
Door een samenspel van instroom en uitstroom is het beeld van de ontwikkeling zeer stabiel. Bovenstaande prognose is gebaseerd op eigen cijfers waarbij de instroom bepaald wordt door het huidige aantal leerlingen in groep 0/1. 1.2.2 Prijsbijstellingen De eerste analyse van de miljoenennota geeft aan dat er beperkt ruimte is voor indexatie van de personele rijksbijdragen en daarmee voor CAO-aanpassingen. Er is uitgegaan van 2% stijging van de personele rijksbijdragen als gevolg van indexatie voor 2022 en 2% voor de salariskosten. Voor de jaren daaropvolgend is geen verdere indexatie meer opgenomen. De huidige CAO loopt tot 31 december 2021. 1.2.3 Vereenvoudiging bekostiging De bekostiging van het primair onderwijs is complex. De meeste beschikkingen zijn op basis van schooljaar terwijl enkele op basis van kalenderjaar zijn, of zelfs tijd gerelateerd zijn zoals groeiformatie. Daarnaast is sprake van gecompliceerde en afgeleide bekostigingsparameters zoals aantal groepen en leerlingen onderbouw. Er is een nieuwe wet met als doel per 1 januari 2023 een vereenvoudiging te bewerkstelligen en zoveel mogelijk over te stappen naar rijksbijdragen per kalenderjaar en vermindering van het aantal verschillende budgetten.
In 2021 is op basis van de teldatum 1 oktober 2020 door de PO-Raad berekend wat de consequenties zijn van invoering van de vereenvoudiging per bestuur bij gelijkblijvende parameters. In het geval van Stichting Proo zou het een vermindering betekenen van bijna €150.000 aan baten. De grootste oorzaak van het verschil hangt samen met het verschil tussen de landelijke GGL (gemiddelde gewogen leeftijd van het onderwijzend personeel) en de bestuurs-GGL. In 2021 was het verschil ruim een jaar. De laatste jaren heeft Stichting Proo een constant hogere GGL gehad dan de landelijke GGL. Geconstateerd is dat het verschil door instroom van veel nieuwe medewerkers vrij snel afneemt. Daarnaast is sprake van een overgangsregeling waarbij het verschil tussen nieuwe en oude bekostiging wordt afgebouwd in drie jaren. De vereenvoudiging van de bekostiging zal in 2023 ingaan. In deze meerjarenbegroting is rekening gehouden met de gevolgen van de invoering van de vereenvoudigde bekostiging in 2023. Balansmutatie Het grootste gevolg van de overgang van schooljaar- naar kalenderjaarbekostiging betreft een balansmutatie. Op dit moment is het uitbetalingspatroon per maand niet constant en met name in de periode tussen augustus t/m december lager dan de periode januari tot einde schooljaar.
In de periode augustus t/m december wordt een vordering op het ministerie opgebouwd die in de periode januari tot augustus tot nihil wordt afgebouwd. Deze vordering vervalt per 1 januari 2023. 2023 gaat van start met een beschikking op kalenderjaarbasis waarbij de uitbetaling tot augustus hoger is dan het jaarbedrag omgerekend per maand. Hierdoor wordt een schuld jegens het ministerie opgebouwd die in de maanden augustus t/m december wordt afgebouwd. Voor het ministerie en voor de liquiditeit is het effect van het vervallen van de vordering neutraal, maar niet voor de reserves van de onderwijsstichtingen. Het gaat om een bedrag van €800.000. Het betreft de posten “Te vorderen personele bekostiging” van €782.000 en “Te vorderen onderwijsachterstandenbeleid” voor €39.000. Concreet 8
betekent dit een flink negatief resultaat, per 31-12-2022 om 23:59 uur (€782.000-). Met dien verstande dat er in het verleden reeds rekening is gehouden met deze balansmutatie. 1.2.4 Voorziening onderhoud In oktober 2020 zijn in het overleg tussen accountants, onderwijswerkgeversorganisaties en Ministerie van OC&W principe afspraken gemaakt over de verwerking van de kosten van groot onderhoud. Het resultaat is dat er per 2023 een keuze is voor een aanpassing van de voorziening onderhoud of activering. Bovenstaande partijen zijn nog in overleg om te komen tot heldere definities van wat onder regulier onderhoud respectievelijk groot onderhoud en onder door de gemeente te vergoeden renovatie valt. Bijkomend probleem bij de interpretatie van de voorziening bij Proo is de ouderdom van de gebouwen, waardoor op enig moment vervangende nieuwbouw of levensduur verlengende renovatie moet plaatsvinden. In principe zijn deze kosten voor de gemeente in het kader van een Integraal Huisvestings Plan (IHP). In vrijwel alle gemeenten waar scholen van Stichting Proo zijn, is het overleg over het IHP nog gaande. In het kader van het IHP vindt een schouw plaats van de onderhoudsbehoefte van de scholen in de diverse gemeenten. De huidige schouw is uit 2017. De omvang van de dotatie aan de voorziening onderhoud is gecontinueerd met als basis 2021 in de meerjarenbegroting. 1.2.5
Nationaal Programma Onderwijs
Als gevolg van de wereldwijde coronapandemie zijn en worden er voor het onderwijs diverse extra projectgelden toegekend onder de noemer Nationaal Programma Onderwijs (NPO). Deze zijn, voor zover bekend, meegenomen in de meerjarenbegroting en hebben vooral, naast 2021, effect op de jaren 2022 en 2023. Alhoewel binnen de sector wordt gepleit voor een langere looptijd geldt vooralsnog een geldigheidsduur van twee jaar. Deze gelden zijn niet structureel. Het deel dat in 2021 nog niet is besteed, wordt in een bestemmingsreserve gestopt voor besteding in 2022 en 2023. Voor schooljaar 2021/2022 wordt op basis van €701 per leerling een bedrag van ruim €1.500.000 ontvangen. Uitbetaling vindt plaats in maandelijkse termijnen. Daarnaast wordt nog €260.000 ontvangen voor scholen met veel achterstandsleerlingen en €210.000 (schooljaren 2021/2022 en 2022/2023) voor een arbeidsmarkttoelage. De arbeidsmarkttoelage is bedoeld voor medewerkers die werken op vestigingen met het grootste risico op onderwijsachterstanden. Voor schooljaar 2022/2023 is voorlopig toegezegd dat minimaal €500 per leerling beschikbaar wordt gesteld, aangevuld met extra middelen voor scholen met veel achterstandsleerlingen. Het bedrag van €500 is afhankelijk van de voortgang op landelijk niveau van het inlopen van de vertragingen en wat nog verder nodig is om de vertragingen in te lopen.
Hoewel volgens het besluit van de minister de middelen als lumpsum beschikbaar worden gesteld, is de doelstelling alle middelen in te zetten om vertragingen in te lopen. Tevens dient de besteding in het bestuursverslag te worden opgenomen en de besteding per school aan het DUO beschikbaar te worden gesteld. Er wordt rekening gehouden met inzet van bovenschoolse ondersteuning en mogelijke kosten in de vorm van transitievergoedingen en verhaal van werkloosheidsuitkeringen bij het einde van de subsidies. Een eventueel resultaat op NPO-middelen in 2021 wordt eveneens met de in 2021 gecreëerde bestemmingsreserve verrekend. Op het moment van opstellen van deze jaarbegroting en meerjarenbegroting zijn nog niet alle plannen 2021/2022 van de scholen volledig uitgewerkt en is nog niet op alle plannen instemming door de MR ontvangen. Hierdoor staat nog niet vast in welke mate de kosten zijn verspreid over extra medewerkers, scholing, materiaal, ICT en dergelijke. Alle voornoemde interventies passen in de “menukaart” en zijn een uitwerking van de schoolscan die vervolgens zijn uitgewerkt in het schoolplan (appendix). In de begroting en meerjarenbegroting is ervan uitgegaan dat 80% wordt besteed aan salariskosten van eigen personeel, 10% aan scholing, 8% aan personeel niet in 9
loondienst (PNIL) en 2% aan afschrijvingen. Totaal wordt daarmee ruim 3 miljoen NPO-subsidie besteed. Dit leidt tot het volgende overzicht: Jaartal
2021 2022 2023 Totaal
Lumpsum
621 1.382 641 2.644
Baten Achterstanden
100 235 122 457
Arbeidsmarktbeleid achterstanden 81 210 112 403
Salaris
427 1.502 1.100 3.029
Lasten PersoScholing neel niet in loondienst (Pnil) 129 60 189
163 76 239
Afschrijvingen
Saldo
33 14 47
375 0 -375 0
Ter bewaking van de inhoudelijke en financiële voortgang wordt nauw samengewerkt door schooldirecties, kwaliteit, formatie, HR en controller.
10
2
MEERJARENBEGROTING
2.1
Inleiding
Hieronder treft u de exploitatiebegroting in duizenden euro’s aan, ingedeeld volgens de inrichtingseisen van het Ministerie van OC&W. Na de cijferopstelling volgt een toelichting van de begroting 2022 in paragraaf 2.2. De aanvullende toelichting van de meerjarenbegroting is opgenomen in 2.3. In paragraaf 2.4 is de investeringsbegroting opgenomen. 2.2
Tabel meerjarenbegroting
2.3
Toelichting op de exploitatiebegroting
Op basis van het strategisch beleidsplan (SBP), de ontwikkeling van het aantal leerlingen en de verdeling hiervan over de groepen is per schooljaar bepaald welke formatie nodig is. Hierbij is ook rekening gehouden met inzet voor vervangingen, betaald verlof op basis van de CAO en de bovenschoolse formatie. Binnen het huidige, tot 2024 verlengde SBP zijn digitalisering en scholing expliciet opgenomen als speerpunten. De strategie in de meerjarenbegroting heeft niet tot gevolg dat de kosten gaan afwijken van de begroting van 2022. De toelichting vindt plaats op het niveau van de subrubrieken waarbij een vergelijking gemaakt wordt met de prognose 2021. Voor zover niet anders aangegeven zijn de opgenomen bedragen in de overzichten in duizenden euro’s.
11
Baten
Prognose 2021
Begroot 2022
Verschil
Verdeling 2022
3.1 3.2 3.5
Rijksbijdragen Overige overheidsbijdragen Overige baten
18.446 201 366
18.304 181 274
-142 -20 -92
97,6% 1,0% 1,5%
3.2
Totaal baten
19.013
18.759
-254
100,0%
2021
Begroot 2022
84,5% 2,2% 7,3% 6,0%
Lasten
4.1 4.2 4.3 4.4
Personeelslasten Afschrijvingen Huisvestingslasten Overige lasten
15.437 422 1.439 1.372
16.993 448 1.473 1.206
1556 26 34 -166
3.2
Totaal lasten
18.670
20.120
1.450
3.2
Saldo baten en lasten
343
-1.361
-1.704
5
Financiële baten en lasten
-5
-5
0
3.2
Resultaat
338
-1.366
-1.704
2.3.1 Rijksbijdragen Als grondslag zijn de begin oktober 2021 bekende gegevens gebruikt. De rijksbijdragen bestaan uit de volgende elementen en bedragen: Baten Rijksbijdragen Personeel regulier Personeel groei/overgang vereenvoudigde bekost. Personeel & Arbeid Materiële Instandhouding Normvergoeding onderwijsachterstanden beleid Prestatiebox Normvergoeding materieel OCW groei Studieverlof Overige Subsidies OCW Samenvoeging Eerste opvang vreemdelingen Doorbetalingen rijksbijdragen SWV/SO Totaal Rijksbijdragen
2021
2022
Prognose
Begroting
10.652 140 2.557 2.113 665 375 20 18 192 445 538 731 18.446
10.709 100 2.726 2.096 973 214 15 411 425 635 18.304
Belangrijke ontwikkelingen zijn: Onder personeel regulier (wordt per schooljaar toegekend) is het NPO-bedrag van €710 per leerling voor 2021/2022, respectievelijk €500 voor schooljaar 2022/2023, opgenomen in de verschillende kalenderjaren. In 2022 is het wegvallen van de vordering op OC&W in verband met de overgang naar de vereenvoudigde bekostiging onder personeel regulier verwerkt. 12
Daarnaast is 2% indexatie opgenomen. Van kleinere invloed is het, gevolg van de fusie Arendshorst-Cantharel, vervallen van de vaste voet van de bekostiging per augustus 2021 en wijzigingen in de hoogte van de bekostigingsparameters per school en per schooljaar (gemiddelde gewogen leeftijd onderwijzend personeel, leerlingen onderbouw, leerlingen bovenbouw en de daaraan gerelateerde kleine scholen toeslag). Personeel groei/overgangsregeling vereenvoudigde bekostiging. Betreft extra bekostiging voor toename van leerlingen gedurende schooljaar 2021/2022 in 2022. De vermindering betreft de overgangsregeling naar 100% van de bekostiging waarbij, ingaande het eerste jaar, 25% gekort wordt op het verschil in budget. Samenvoeging. Per augustus 2021 loopt een bijdrage in verband met een fusie ten einde en ontstaat een nieuwe kleinere bijdrage vanwege een nieuwe fusie. Personeel en Arbeid neemt toe vanwege het feit dat bij deze post een deel van de middelen van de prestatiebox is ondergebracht vanaf schooljaar 2021/2022. Het Ministerie van OC&W heeft het onderwijsachterstandenbeleid voor het primair onderwijs herzien. In 2019 is er nieuw beleid van kracht geworden. In dit beleid maakt het ministerie gebruik van de onderwijsachterstandenindicator die het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) aanlevert. Door deze indicator kan OC&W de onderwijsscores per leerling berekenen.
Daarnaast kunnen de achterstandsscores per basisschoolvestiging achterhaald worden. Deze scores drukken dan de verwachte onderwijsachterstanden op onze scholen uit. Op basis daarvan verdeelt OC&W het onderwijsachterstandenbudget over de scholen. De omvang van de toegekende bijdrage is moeilijk te voorspellen. Voor de komende jaren is uitgegaan van de bijdrage voor het schooljaar 2021/2022 (€540.000). De aanvulling vanuit NPO voor achterstandsleerlingen is tevens opgenomen onder Normvergoeding onderwijsachterstandenbeleid. Het budget van de prestatiebox is vanaf schooljaar 2021/2022 deels onder Personeel & Arbeid opgenomen. Overige Subsidies OC&W betreft aanvullende middelen, ontvangen in 2021, voor het wegwerken van achterstanden zoals de Inhaal- en Ondersteuningsregelingen. Eerste opvang vreemdelingen. Het aantal asielzoekersleerlingen daalt. De capaciteit en het gebruik van de locatie van COA Harderwijk met als doelgroep gezinnen in 2021, is verlaagd. Er is uitgegaan van 10 leerlingen minder met eerstejaarsbekostiging (€100.000). De gemeente Harderwijk denkt vanuit het gesloten convenant aan mogelijke tekorten. Tot schooljaar 2020/2021 is hier geen sprake van.
De bijdragen voor Passend Onderwijs van de samenwerkingsverbanden zijn gebaseerd op het aantal leerlingen en de (concept meerjaren)begroting van de beide samenwerkingsverbanden, waarbij is opgenomen dat de omvang van de bijdragen uit de reserves fors daalt. 2.3.2 Overige overheidsbijdragen Naast de bijdragen van het Ministerie van OC&W krijgt Stichting Proo gelden van niet landelijke overheden (gemeenten). In 2021 zijn middelen voor arbeidsgehandicapte personeelsleden en vergoedingen voor gymzalen ontvangen. In de begroting zijn tevens nog te verwachten baten voor een viertal schakelklassen opgenomen. 2.3.3 Overige baten Baten
Prognose 2021 3.5.1 Verhuur 3.5.2 Detachering personeel 3.5.5 Ouderbijdragen 3.5.6 Overige Totaal overige baten
Begroot 2022 65 117 15 169 366
66 102 18 88 274
13
De verschillen met de prognose zijn beperkt. De post overige baten is een schatting met enige voorzichtigheid, waarbij in 2021 sprake is van incidentele baten. Hieronder zijn o.a. bijdragen van andere besturen voor hoogbegaafdheid en bijdragen van een project inzake “Opleiden in de school” opgenomen. 2.3.4 Personeelslasten Lasten
Prognose 2021 4.1 Personele lasten 4.1.1 Lonen en salarissen 4.1.2 Overige personele lasten 4.1.3 Af: Uitkeringen Totaal personele lasten
Begroot 2022
14.264 1.264 -91 15.437
15.435 1.633 -75 16.993
Lonen en salarissen Voor de belangrijkste post binnen de begroting (personele lasten) is uitgegaan van het aantal groepen zoals opgenomen in de navolgende tabel. De formatie die hiervoor nodig is wordt aangevuld met formatie per school voor directietaken, IB-taken, extra zorg, knelgevallen, duurzame inzetbaarheid, ouderschapsverlof en werkdrukmiddelen. Daarnaast is een schatting per schooljaar per school gedaan naar de noodzaak van groepssplitsing gedurende het schooljaar vanwege instroom van nieuwe leerlingen. Met betrekking tot vervangingen voor ziekte, zwangerschaps- en bevallingsverloven, studieverlof etc. is uitgegaan van ca. 10 fte. De invulling hiervan vindt plaats door voornamelijk poolers, gedeeltelijk door losse invalkrachten en medewerkers die vervanging voor hun rekening nemen als tijdelijke uitbreiding van hun arbeidsovereenkomst. Tevens is formatie nodig voor bovenschoolse taken of taken die bovenschools aangestuurd worden en projecten. De stijging van €1.200.000 is bijna volledig een gevolg van de inzet van NPO-middelen. Opgemerkt dient te worden dat door de onevenwichtigheid op de arbeidsmarkt de verwachting is dat er een beperkte onderbezetting gaat optreden ten opzichte van de benodigde bezetting op basis van de plannen. Aantal groepen per schooljaar Schooljaar
2021/2022
2022/2023
2023/2024
2024/2025
2025/2026
2026/2027
49,5 59 108,5
49 57 106
50 52 102
51 55 106
51 55 106
51 55 106
Aantal groepen onderbouw schooljaar Aantal groepen bovenbouw schooljaar Totaal aantal groepen
Uitgaande van bovenstaande aantallen groepen in combinatie met andere benodigde formatie krijgen we het volgende overzicht van de totaal begrote formatie: Totaal begrote formatie Schooljaar Formatie OP aanvang schooljaar Formatie DIR aanvang schooljaar Formatie OOP aanvang schooljaar Formatie totaal
2021/2022
2022/2023
2023/2024
2024/2025
2025/2026
2026/2027
135 22 40 197
134 22 41 197
123 21 34 178
123 21 35 179
122 21 34 177
122 21 34 177
De teruggang in formatie in de schooljaren 2022/2023 en 2023/2024 hangt samen met vermindering van het aantal groepen, eenmalige verhoging van directietijd en tijd voor Interne Begeleiding in 2021/2022 (vooruitlopend op NPO) en afloop van de NPO-middelen. De formatie in de schooljaren vanaf 2024/2025 is met name bij de overhead doordat pensioenuitstroom niet opgevuld wordt en door minder vervangingen verminderd.
14
Overige personele lasten Bij de overige personele lasten is sprake van een stijging van de kosten van personeel niet in loondienst, en van scholing. Personeel niet in loondienst heeft te maken met insourcen en extra kosten vanwege NPO en scholing, en extra scholing om de bevoegdheid voor bewegingsonderwijs te behalen voor ruim 20 leerkrachten in het kader van de verplichting van 2 uur extra bewegingsonderwijs in 2023. De verwachting is dat met de NPO-middelen tevens de doelstellingen van het SBP worden gehaald. Ca. €50.000 aan personeelskosten is opgenomen voor het insourcen van de administratie. Uitkeringen De ontvangen uitkeringen worden voorzichtig begroot op €75.000. Dit is in lijn met de realisatie van de jaren voor 2020. 2.3.5 Afschrijvingslasten Lasten
Prognose 2021 4.2.2 Afscrijvingen gebouwen 4.2.3 Afschrijvingen inventaris en apparatuur 4.2.5 Afschrijving andere vaste bedrijfsmiddelen Totaal afschrijvingen
Begroot 2022
4 355 63 422
3 369 76 448
De afschrijvingslasten blijven op ongeveer hetzelfde niveau. De kleine stijging is een gevolg van de investeringen in het kader van het NPO. 2.3.6 Huisvestingslasten Lasten
Prognose 2021 4.3.1 Huur 4.3.3 Onderhoud 4.3.4 Energie en water 4.3.5 Schoonmaakkosten 4.3.6 Heffingen 4.3.8 Overige Totaal huisvestingslasten
363 427 213 379 57 0 1.439
Begroot 2022 379 440 243 350 60 1 1.473
De stijging van de huisvestingslasten is voor een belangrijk deel een gevolg van prijsstijgingen. Verwacht wordt dat de extra schoonmaak vanwege de Sars-Cov2 pandemie in 2020 niet meer nodig zal zijn. 2.3.7 Overige lasten Lasten 4.4.1 Administratie- en beheerslasten 4.4.2 Inventaris, app. en leermiddelen 4.4.4 Overige lasten Totaal overige lasten
Prognose 2021 362 562 448 1.372
Begroot 2022 138 568 500 1.206
De overige lasten bestaan uit kosten voor administratie, inventaris en overig, waaronder leermiddelen. De daling is per saldo €166.000. Hier volgt een nadere specificatie per subrubriek.
15
Administratie/beheer De kosten van het administratiekantoor vervallen in 2022. Hier staan beperkte kosten van advies en ondersteuning tegenover en extra kosten bij personeel en ICT. In 2021 zijn in verband met insourcing extra kosten geweest. Inventaris en apparatuur De kosten voor inventaris, apparatuur en ICT blijven vrijwel constant, doordat de licenties van de pakketten voor de financiële en personeels- en salarisadministratie voor een belangrijk deel al vanaf voorjaar 2021 gebruikt worden. Binnen deze post is vanaf 2014 ca. €70.000 extra opgenomen om ten behoeve van het oude en nieuwe SBP duurdere breedband internetverbindingen, draadloos kunnen werken en digitale leermiddelen (licenties) te kunnen realiseren. Overige lasten Het bedrag voor leermiddelen (verbruik) is gehandhaafd op ca. €200.000. De verwachting is dat schoolse activiteiten waaronder schoolreisjes, cultuureducatie en dergelijke die in 2021 geen doorgang konden vinden, in 2022 wel plaats zullen vinden waardoor de kosten verschuiven en incidenteel zullen stijgen. 2.3.8 Financiële baten en lasten De te verwachten bankkosten bedragen €5.000 en blijven daarmee gelijk aan de prognose 2021. 2.3.9 Conclusie Het begrote resultaat over 2022 bedraagt €1.366.000 (-) waarbij de NPO-subsidies en daartegenover staande lasten budgetneutraal zijn opgenomen. 2.4
Toelichting meerjarenbegroting
Het aantal leerlingen lijkt de komende jaren constant waardoor ervan uitgegaan wordt dat bij gelijkblijvend beleid binnen het SBP grote delen van de begroting niet wijzigen in de loop van de tijd. Hieronder worden de belangrijkste wijzigingen ten opzichte van begroting 2022 toegelicht. Rijksbijdragen De rijksbijdragen dalen in 2023 vooral door het aflopen van de NPO-middelen en wijzigingen in de bijdrage voor fusies. Tegen de daling van de NPO-middelen staan dalingen van directe kosten van met name personeel. Zie ook de tabel in paragraaf 1.2.5 over NPO. De bijdrage voor fusies daalt van €411.000 in 2022 naar vrijwel nihil in 2026. Hier staat geen directe vermindering van de kosten tegenover, omdat of de locaties al eerder gesloten zijn zoals de Zuukerschool of de Schakel, of blijven zoals de Korenbloem en de Arendshorst. Vanaf 2024 zijn de rijksbijdragen vrij constant door een positief effect van de mogelijk licht stijgende leerlingaantallen en een daling van de bijdragen voor fusies. Personele lasten Onder invloed van de leerlingaantallen en daarmee te vormen groepen, zoals toegelicht in 2.2 bij de personele lasten, veranderen de salariskosten. Tevens is er sprake van verloop van personeel vanwege het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd. Uitgangspunt is dat de vacatures, indien van toepassing, ingevuld worden door jonge startende leerkrachten.
Ook een aantal directeuren bereikt de pensioengerechtigde leeftijd. In dit geval wordt ervan uitgegaan dat de opvolger dezelfde salariskosten met zich meebrengt. Zoals reeds in paragraaf 2.3.4 is aangegeven, daalt de formatie die niet direct aan het primaire proces is verbonden om de exploitatie in evenwicht te krijgen. Het is de vraag of dat 16
volledig mogelijk is en welke andere oplossingen mogelijk zijn om de kosten op het passende niveau van de baten te brengen. De kleine scholen hebben tot gevolg dat groepen een lage ratio leerling/leerkracht hebben. Een belangrijk deel (ruim 20) van de groepen heeft per 1 oktober 2021 een leerlingenaantal van minder dan 20. In deze groepen was dus ruimte geweest voor ca. 100 extra leerlingen zonder consequenties voor de omvang van de formatie. Samenvoeging daarentegen is niet mogelijk, omdat de groepen dan conform eigen normen te groot worden. Daarbij brengen mogelijke “combinatie”-groepen extra risico’s met zich mee. Medewerkers moeten hiervoor voldoende worden toegerust. De overige personele lasten dalen door het aflopen van de NPO-middelen. 2.5
Investeringsbegroting
Investeringen (x € 1.000) Gebouwen en terreinen Meubilair Inventais en apparatuur Vervoermiddelen Leer- en hulpmiddelen
2021
2022
2023
2024
2025
2026
60 325
120 250
140 100
140 200
140 200
90
120
120
120 200 50 120
120
120
Totaal
475
490
360
490
460
460
De komende jaren worden voornamelijk vervangingsinvesteringen gepleegd. Bovengenoemde bedragen fungeren als een budget. Voor meubilair en ICT is er een (jaar)plan. De investeringen in leer- en hulpmiddelen zijn afhankelijk van technische ontwikkelingen en zijn ongewijzigd ten opzichte van begroting 2020. De post onder 2021 heeft betrekking op de prognose, dus inclusief NPO-middelen. De post van vervoermiddelen heeft betrekking op bedrijfsbusjes die door de conciërges worden gebruikt.
17
3
BALANS
3.1
Inleiding
De balans geeft de financiële situatie weer van de bezittingen en de wijze waarop deze zijn gefinancierd. Op basis van de exploitatiebegroting wordt de balanspositie per ultimo 2022 weergegeven, uitgaande van de laatste formeel vastgestelde balans over 2020. In de kolom “Prognose 2021” is de balanspositie opgenomen met daarin verwerkt de prognose van de investeringen, resultaat en onttrekking aan de voorzieningen. Vorderingen en Kortlopende schulden zijn gelijk aan de eindbalans van 2020, behalve bij de vorderingen waar de vordering op OC&W in mindering is gebracht. In paragraaf 3.3 worden de reserves en voorzieningen nader toegelicht. 3.2
Tabel Meerjarenbalans
Bedragen per 31/12 in duizenden euro's
Werkelijk 2020
Prognose 2021
Begroot 2022
Begroot 2023
Begroot 2024
Begroot 2025
Begroot 2026
Activa Vaste activa Materiele vaste activa Financiële vaste activa
1.978 15
2.031 15
2.073 15
2.013 15
2.089 15
2.150 15
2.206 15
Vorderingen Liquide middelen
1.395 3.404
1.395 3.681
645 2.685
625 2.328
590 2.212
587 2.034
591 2.041
Totaal
6.792
7.122
5.418
4.981
4.907
4.786
4.854
Algemene reserves Bestemmingsreserve Voorzieningen Langlopende schulden Kortlopende schulden
3.089 80 1.559 0 2.064
3.132 375 1.551 0 2.064
1.766 375 1.213 0 2.064
1.736 0 1.243 0 2.002
1.775 0 1.243 0 1.889
1.663 0 1.243 0 1.880
1.719 0 1.243 0 1.892
Totaal
6.792
7.122
5.418
4.981
4.907
4.786
4.854
Begroot 2023
Begroot 2024
Begroot 2025
Begroot 2026
Passiva
3.3
Toelichting reserves en voorzieningen
3.3.1 Reserves Bedragen per 31/12 in duizenden euro's Algemene reserves Bestemmingsreserves CAO 2019/2020 NPO totaal
Werkelijk 2020 3.089
Prognose Begroot 2021 2022 3.132
1.766
1.736
1.775
1.663
1.719
375 375
375 375
0 0
0 0
0 0
0 0
80 80
De bestemmingsreserve CAO 2019/2020 is gevormd in 2019 uit de extra bekostiging in december 2019 en het verschil tussen bekostiging en de uitgestelde CAO (€536.000). In februari 2020 wordt een deel vanuit deze reserve gebruikt via de exploitatie voor het betalen van de eenmalige salarisuitbetalingen (€456.000). De resterende €80.000 is in 2021 gebruikt om de hogere pensioenlasten die het gevolg zijn van de eenmalige uitkering, in 2020 te betalen. In 2021 wordt een nieuwe bestemmingsreserve gevormd uit de nog niet bestede NPO-middelen.
18
3.3.2 Voorzieningen In de volgende tabel is de omvang van de voorzieningen opgenomen per ultimo van het betreffende jaar. Zie de paragraaf voorziening onderhoud in hoofdstuk 1 Kader en financiële positie voor de ontwikkelingen die te verwachten zijn rond de voorziening onderhoud. Voorziening jubilea Voorziening langdurig zieken Voorziening sociaal plan Voorziening onderhoud totaal
2020 168 28 0 1363 1559
2021 168 20 0 1363 1551
2022 168 12 0 1033 1213
2023 168 12 0 1063 1243
2024 168 12 0 1063 1243
2025 168 12 0 1063 1243
2026 168 12 0 1063 1243
De voorziening onderhoud is in afwachting van nieuw beleid constant gehouden waarbij het bedrag van de dotatie en onttrekking is vastgesteld op €280.000. 3.4
Liquiditeitsbegroting
Het volgende overzicht geeft inzicht in de ontwikkeling van de liquide middelen: in duizenden euro's
Prognose 2021
Begroot 2022
Begroot 2023
Begroot 2024
Begroot 2025
Begroot 2026
Beginstand liquide middelen
3.404
3.681
2.685
2.328
2.212
2.034
Cashflow uit opertationele activiteiten Cashflow uit investeringsactiviteiten Casflow uit financieringsactiviteiten
752 -475 0
-506 -490 0
3 -360 0
374 -490 0
282 -460 0
467 -460 0
Eindstand liquide middelen
3.681
2.685
2.328
2.212
2.034
2.041
Vastgesteld is dat Stichting Proo maandelijks geen problemen in liquiditeit ondervindt. Het minimum aan beschikbaarheid van liquide middelen is altijd aan het begin en einde van het kalenderjaar. Dit komt door het uitbetalingspatroon van het Ministerie van OC&W en de uitbetaling van de eindejaarsuitkering. De daling van de liquide middelen in 2022 komt door het negatieve begrote resultaat en de onttrekking uit de voorziening onderhoud. Deelname aan schatkistbankieren blijft gehandhaafd. De opnamelimiet bedraagt €750.000.
19
RISICO’S
4
In deze meerjarenbegroting zijn uitgangspunten gehanteerd op verschillende gebieden. Onderstaand is een korte analyse van de mogelijke risico’s in deze uitgangspunten. Hierbij is éénmalig ondersteuning geweest door Mazars. Mazars heeft een aantal medewerkers, zowel van scholen als van het bestuurskantoor inclusief CvB en RvT, geïnterviewd. Er zijn twee workshops georganiseerd. De eerste workshop was om focus in de risico’s aan te brengen met betrekking tot impact en kans van optreden. In de tweede workshop is gesproken over allerlei beheersmaatregelen. Deze kunnen zowel preventief als curatief zijn. Separaat is met betrekking tot een iets uitgebreidere lijst gekeken naar puur de financiële impact om te komen tot een bepaling van het minimale (weerstands)vermogen dat nodig is om het optreden van de risico’s te kunnen dragen. Aan elk risico wordt een kansscore (hoe groot is de kans dat het risico zich voordoet) en een gevolgscore (hoe groot is het financiële gevolg als het risico zich voordoet) gekoppeld. Deze scoretabellen zien er als volgt uit: 5
10
15
20
1
5 4
8
12
6
16
3 7
KANS
25
20
2
4
3
6
9
12
15
2
4
6
8
10
1
2
3
4
5
IMPACT
Top 7 risico’s Stichting Proo 1. Instroom van de leerlingen, onevenredige verdeling tussen openbaar en bijzonder onderwijs 2. Datalek en gijzeling van de data door ontwikkelingen op het gebied van cybersecurity 3. Onvoldoende externe communicatie door ontbreken van een PR en marketing beleid 4. Extra aandacht voor leerlingen die aanvullende jeugdzorg nodig hebben wordt niet geboden door financiële problemen bij gemeentes 5. Als gevolg van de onevenwichtige arbeidsmarkt waardoor flexer’s een aantrekkelijkere baan kunnen vinden, bestaat de kans dat niet kan worden voorzien van adequate inval 6. Als gevolg van natuurlijk verloop en de afwezigheid van instroom bestaat de kans dat de continuïteit en kwaliteit van onderwijs onder druk komt te staan 7. Als gevolg van combi groepen, bestaat de kans dat de leerkrachten niet altijd over de juiste/ voldoende kennis en ervaring beschikken, waardoor de kwaliteit van onderwijs onder druk kan komen te staan. De belangrijkste risico’s met kans van optreden en impact ten behoeve van bepaling weerstandsvermogen staan in de volgende tabel. 20
De kolom beheersmaatregelen is op dit moment nog niet beschikbaar. Uit deze inventarisatie wordt een bedrag van €556.000 berekend als totale impact waarbij uitgegaan wordt van een kans van 90% op gelijktijdig optreden. Het gevolg is een totaal bedrag aan risicobuffer voor risico’s die een relatief belangrijke kans van optreden hebben en waar relatief eenvoudige beheersmaatregelen op toe te passen zijn. Daarnaast zijn er risico’s met een kleine kans van optreden, maar die wel een grote impact hebben als zij zich voordoen. Enkele die hier genoemd kunnen worden zijn een pandemie, brand op een school, neerstorten van een vliegtuig op een school, conflicten binnen management, bestuur en toezicht, onjuiste beslissingen gebaseerd op onvolledige informatie of onjuiste informatie, onzekerheid met betrekking tot financiering van de overheid etc. Hiervoor is een restpost opgenomen die afhankelijk is van de vaste kosten. Uitgegaan wordt van 2,5% van de totale baten of totale lasten. Uitgegaan is van vaste kosten met een omvang van €15.000.000 waardoor €375.000 aan reserves nodig is. Resumerend is een eigen vermogen voor optredende risico’s nodig van €556.000 * 90% vermeerderd met €375.000. In totaal is dit €875.000. Het ministerie gaat bij het berekenen van de signalering bovenmatige reserves (ultimo 2020) uit van: -
Reserves voor onroerend goed Reserves voor overige materiële vaste activa (= boekwaarde) Reserve gebaseerd op 5% van de baten (t.b.v. risico’s)
€ 91.000 €1.928.000 € 900.000
Hieruit volgt het maximale bedrag aan reserves voor risico’s voor 2020 van €2.920.000 Het risicobedrag van Stichting Proo ligt dus tegen de maximale waarde aan zoals het ministerie dit bepaalt. Dit lijkt logisch gezien de problematiek van Stichting Proo met betrekking tot de kleine scholen als gevolg van segregatie. Ook blijft het bedrag dat nodig is om de risico’s af te dekken, onder het bedrag dat op enig moment als algemene reserves aanwezig is.
21
Bijlage 1. Aanvullende kengetallen Onderstaand een weergave van enkele exploitatie-kengetallen: Rentabiliteit
Werkelijk 2020
Prognose 2021
Begroot 2022
Begroot 2023
Begroot 2024
Begroot 2025
Begroot 2026
(Rijks)bijdragen OCW / totale baten Overige overheidsbijdr. / totale baten Overige baten / totale baten
97,28% 0,81% 1,90%
97,02% 1,06% 1,92%
97,57% 0,96% 1,46%
97,53% 0,98% 1,49%
97,39% 1,04% 1,57%
97,37% 1,05% 1,58%
97,39% 1,04% 1,57%
Personele lasten / totale lasten Afschrijvingslasten / totale lasten Huisvestingslasten / totale lasten Overige lasten / totale lasten
82,37% 2,17% 8,31% 7,16%
82,68% 2,26% 7,71% 7,35%
84,46% 2,23% 7,32% 5,99%
83,71% 2,23% 7,82% 6,24%
82,36% 2,38% 8,49% 6,78%
82,50% 2,30% 8,45% 6,75%
82,43% 2,32% 8,48% 6,77%
Personele lasten / totale lasten Materiële lasten / totale lasten
82,37% 17,63%
82,68% 17,32%
84,46% 15,54%
83,71% 16,29%
82,36% 17,64%
82,50% 17,50%
82,43% 17,57%
Huisvestingsratio
8,33%
7,73%
7,34%
7,84%
8,50%
8,47%
8,50%
Rentabiliteit
1,8%
1,8%
-7,3%
-2,2%
0,2%
-0,6%
0,3%
De verschuivingen tussen de verschillende componenten zijn gering. De huisvestingsratio is de verhouding tussen de som van de huisvestingslasten en de afschrijvingslasten van huisvesting en de totale lasten. De onderwijsinspectie hanteert een bovengrens van 10% als een van de indicatoren voor mogelijke financiële problemen.
22