CConstaterende datPutten
Koppel je AI →
Document · PDF

01.3 ABC verhaal

Gemeenteraad 22 april 2021, gemeente PuttenBij agendapunt: Ingekomen stukken - raadsinformatiebrieven1.485 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Het archeologisch verhaal van de Veluwe in vijf verhaallijnen Vorming van het landschap en de jagers/verzamelaars Daar waar de IJssel aan de oost- en zuidzijde de stuwwalrug van de Veluwe begrenst, zo geeft de voormalige Zuiderzee en de Gelderse Vallei aan de noord- en westzijde de grens aan. De stuwing van land door het landijs tot de huidige Veluwe heeft een landschap gecreëerd dat heel afwijkend is van andere landschappen in Nederland. Door het smeltende landijs werden dalen uitgediept, achtergebleven brokken ijs zorgden voor laagtes in het landschap gevuld met veen of water en de wind deed het zand verstuiven waardoor langgerekte ruggen werden gevormd. De samenstelling van de bodem is grillig en zorgt er voor dat de mens er eeuwenlang gebruik van heeft kunnen maken in de vorm van grind, leem, zand, water, ijzer en hout.

Nunspeet De hoge, droge Veluwe wordt omgeven door natte randen. Op de uitlopers van de hoge, droge Veluwe naar de lager gelegen natte randen zwierven in de prehistorie jagersverzamelaars. Aan de kant van het IJsseldal vinden we hier voorbeelden van zoals bij de Albaplas in Apeldoorn. Meer naar de Zuiderzeekust stoof zand op tot langgerekte dekzandruggen. De rug van Wessinge, een langgerekte dekzandrug in Nunspeet, is hier een voorbeeld van. De Bovenweg slingert zich dan weer links, dan weer rechts van de rug door het landschap. Van de haven van Nunspeet helemaal tot bij ’t Harde in de gemeente Elburg. Op dit landschappelijk prachtige relict zijn diverse vondsten gedaan uit de tijd van de jagers/verzamelaars. Vuurstenen artefacten zijn te vinden op die plekken waar ze seizoensgebonden verbleven. Er wordt verondersteld dat sporen van deze jagers/verzamelaars over de hele rug zijn te verwachten.

1

De eerste boeren, in een grafheuvellandschap Geleidelijk aan veranderde de bestaanswijze van jagen en verzamelen naar landbouw. Er werd niet meer rondgetrokken, maar in kleine nederzettingen gewoond. Met een eenvoudige ploeg werd op akkers graan verbouwd en er werd kleinschalig vee, zoals runderen, varkens, schapen en geiten gehouden. Sporen van de prehistorische akkerbouw zijn nog te herkennen als uitgestrekte arealen van raatakkers – voorheen celtic fields genoemd – die zich als een deken over de Veluwe uitspreiden. Vooral op het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) laten deze fenomenen zich goed zien, vanwege de walletjes die de ‘raten’ vormen van deze akkercomplexen en die hoger zijn dan het omringende maaiveld. Staand in het landschap zijn ze lastiger waar te nemen, maar wie goed kijkt kan bij de Gortelseweg in Vaassen de flauwe welvingen van de wallen waarnemen.

Epe Van deze eerste boeren zijn geen grafheuvels bekend, dat gebruik begint een paar eeuwen later. Het gebruik van begraven in grafheuvels verschilde door de eeuwen heen, zo werd men in eerste instantie begraven, maar later ging men over naar crematie. Ook het al dan niet meegeven van bijgiften en de wijze waarop graven in het landschap gemarkeerd en verspreid werden, verschilden per periode. Kenmerkend uit de vroegste periode zijn de Veluwse Klokbekers die aan de doden werden meegegeven. En hoewel in alle gemeentes op de Veluwe grafheuvels voorkomen – en soms ook in grotere getale – herbergt het grondgebied van Epe iets bijzonders: de zeker zes kilometer lange grafheuvellijn bij Vaassen, ruwweg tussen de buurtschappen Niersen en Schaveren. Toen deze grafheuvels werden aangelegd was het landschap meer open dan nu. Vanaf de ene grafheuvel kon je de volgende grafheuvel al zien liggen, vandaar weer de volgende enzovoort. Hieruit blijkt dat onze voorouders een visie hadden die verder strekte dan alleen de plek van een enkele heuvel: men dacht na over het landschap als geheel. Niet alleen de grafheuvels vormden dat rituele landschap, want recent geofysisch onderzoek laat zien dat zich ook tussen de grafheuvels sporen in de grond bevinden.

2

Oog in oog met de Romeinen Wat hebben de Romeinen gemeen met de voorlaatste IJstijd? Ze kwamen beiden tot halverwege Nederland. De Rijn was voor de Romeinen de verdedigbare grens (limes) van het Romeinse Rijk. Langs de Rijn werden diverse forten gebouwd, van waaruit ze af en toe op expeditie gingen naar het noorden. Soms om hun kracht te laten zien, soms om vriendschappen met de daar aanwezige stammen te sluiten en handel te drijven. De bevriende stammen hielden andere vijandige groepen tegen. Zo bestond er eeuwen een buffer tussen de Germanen en Romeinen. Van de inheemse bevolking op de Veluwe zijn veel sporen gevonden.

Ermelo In Ermelo liggen twee restanten van Romeinse marskampen die plek boden aan respectievelijk 6 en 4 duizend manschappen. Wat we terug vinden van de marskampen is de wal rond het kamp en de daarbij behorende gracht. Het kamp op de Ermelose Heide heeft een oppervlak van 9 hectare, het kamp 4 kilometer naar het westen 6 hectare. Beide kampen hebben een ruitvormige structuur. Is dat toeval dat de Romeinen Ermelo uitkozen? Nee, het was een logisch gevolg van Romeinse protocollen. Romeinse soldaten legden circa 25 à 30 kilometer per dag af, een dagmars. Vanuit één van de forten langs de Rijn moest een legereenheid allereerst de rivier over en marcheerde vervolgens nog circa 15 kilometer alvorens een kampement op te zetten. De volgende dag kwam men met één dagmars uit in wat nu Ermelo heet. Het feit dat de twee Romeinse marskampen hemelsbreed op dezelfde breedtegraad liggen, geeft aan dat de soldaten zich hielden aan hun handboek. Wat de Romeinen kwamen doen, is vooralsnog niet bekend.

3

De ijzersterke middeleeuwen Tussen de 7e en 12e eeuw was de Veluwe een belangrijk centrum van ijzerproductie. Hier werd het meeste ruw ijzer van Noordwest Europa geproduceerd. In het landschap vinden we daar bijzonder veel sporen van terug. Zo zijn er kilometers lange rijen (meer dan 150 km bij elkaar!) ijzerkuilen die getuigen van de winning van klapperstenen, het ijzererts dat in de vroege middeleeuwen werd gebruikt. Voor het maken van ijzer waren ook oventjes nodig, die uit leem werden opgebouwd. Op de Veluwe zijn nog diverse leemkuilen te vinden. Voor het stoken van de oventjes werd gebruik gemaakt van houtskool. Dit houtskool werd gemaakt in zogenaamde kuilmeilers. Deze kuilmeilers zijn aan het maaiveld niet meer te zien, maar liggen, zoals die van de Achterste Steenberg bij Radio Kootwijk, in de ondergrond verborgen. Ook liggen er tientallen slakkenhopen in het landschap, dit zijn de plekken waar het restafval van de ijzerindustrie is gedumpt.

Apeldoorn We zien dat de ijzerindustrie zich concentreert aan de oostkant van de Veluwse stuwwal, met Apeldoorn en Uddel als epicentrum. Zo ligt in het Orderbos, aan de westkant van Apeldoorn, de grootste ijzerslakkenhoop van Nederland. Hier is wel 600.000 ijzerslak gedumpt, goed voor de productie van zo’n 250.000 tot 325.000 kilo ijzer. En aan het Uddelermeer ligt de Hunneschans, een aarden verdedigingswerk waar de functie nooit onomstotelijk van is vastgesteld, maar waar we van uitgaan is dat er een relatie is met de vroegmiddeleeuwse ijzerindustrie. Als een plek waar daadwerkelijk de handel plaatsvond of een plek waar de handelsroute in ijzer verdedigd werd.

4

Hoe de mens ingreep in het landschap Na de middeleeuwen was de Veluwe uitgeput, leeg. Enorme heidevelden en stuifzandvlakten waren aanwezig. Daartussendoor waren talloze wallen zichtbaar die grenzen markeerden, akkers beschermden tegen wildvraat en om schapen te leiden. Wegen voerden door het landschap en brachten mensen van west naar oost. Sommige van die wegen (Hessenwegen) bestonden uit honderden meter brede bundels aan karresporen. De bodem leverde behalve voor de schapen niks meer op. In de 19e eeuw werden gemeenten gemotiveerd om de woeste gronden te verkopen onder de voorwaarde dat de kopers de gronden zouden ontginnen. Dat proces kwam langzaam op gang. Uit het westen kwamen gegoede lui die de kans wel wilden wagen. Pioniers waren het vaak, die om diverse redenen de uitdaging aannamen. De heide werd ontgonnen en bos werd aangeplant. Met de stoomploeg werden de heidevelden van het Kroondomein ontgonnen. Bij andere velden werd de handploeg, getrokken door paarden of runderen, ingezet en zelfs de schep werd gebruikt. Zo werd de Veluwe zoals we haar nu kennen gevormd.

Putten In Putten was Schober neergestreken. In 1848 kocht de Utrechtse advocaat mr. J.H. Schober ruim 80 hectare heide op de Veluwe. Op dit terrein, ten zuidoosten van Putten aan de weg naar Garderen, wilde hij een land-, tuin- en bosbouwbedrijf stichten. Deze ontginning moest aantonen dat de heidevelden die grote delen van de Veluwe bedekten, konden worden omgevormd tot bloeiende bedrijven. Schober noemde zijn landgoed `Schovenhorst’ waar hij experimenteerde met verschillende vormen van land-, tuin- en bosbouw. Hij teelde hop en andere landbouwgewassen en kweekte fruit in kassen en in de buitenlucht. Uiteindelijk bleek bosbouw het meest geschikt. Zijn experimenten maakten duidelijk welke soorten naaldbomen het best op heidegronden groeiden. Mede door de inspanningen op dit landgoed werd de douglasspar een van de meest verbreide boomsoorten in de Nederlandse heidebebossingen. Tegenwoordig presenteert het landgoed zich als een `Wonderebomenwereld’, gericht op recreatie en educatie. De bomen kunnen er worden bekeken vanaf de grond en vanaf de zogenoemde `Bostoren’, hoog boven de boomkruinen.

5

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10016651/1