P-bijlagen-bij-de-toelichting-bijlage-7-aanvullend-bodemonderzoek-burg -d -kooimanweg-14
Tekst van het document
Aanvullend bodemonderzoek Burgemeester D. Kooimanweg 14 te Purmerend Project: M20124
Aanvullend bodemonderzoek Burgemeester D. Kooimanweg 14 te Purmerend
Colofon opdrachtgever
BPD Ontwikkeling BV
document
M20124
versie
1.0
datum
19 oktober 2021
auteur controle
Projectinformatie en samenvatting Onderdeel
Omschrijving
Projectnaam
Burgemeester D. Kooimanweg te Purmerend
Soort onderzoek
Aanvullend onderzoek conform NTA5755, NEN5740 en NEN5897
Projectnummer Prommenz
M20124
Opdrachtgever Contactpersoon opdrachtgever
BPD Ontwikkeling BV
Adres onderzoekslocatie
Burgemeester D. Kooimanweg 14 te Purmerend
Kenmerk rapportage
M20124.rapport.02a
Status
Definitief
Rapportagedatum
19 oktober 2021
Uitvoeringsdatum veldwerkzaamheden
27 t/m 29 juli (bemonstering grond) en 5 augustus 2021 (bemonstering grondwater)
Resultaten grond, en grondwater
Zie paragraaf 4.2 t/m 4.5 Op basis van onderhavig en voorgaande onderzoeken wordt geconcludeerd dat ter plaatse van het overgrote deel van de onderzoekslocatie sprake is van een zogenoemde ‘ophooglaag’ waarmee bij de voorgenomen herontwikkeling rekening gehouden dient te worden. De ophooglaag, met een totale geschatte omvang van 3.190 m3, bestaat uit zandige bodemlagen met veelal een matige tot uiterste bodemvreemde bijmenging tot lagen volledig bestaande uit bodemvreemde bijmenging. In de betreffende ophooglaag zijn sterk verhoogde gehalten aan met name metalen, PAK en PCB aangetroffen. Tevens is ter plaatse van het onbebouwde deel in de ophooglaag sprake van asbest in een concentratie van 159 mg/kg ds. Ter plaatse van het bebouwde deel heeft geen asbestonderzoek plaats kunnen vinden maar is in de ophooglaag wel plaatselijk asbesthoudend plaatmateriaal aangetroffen. Bovendien is plaatselijk in de kleiige ondergrond sprake van een sterke verontreiniging met minerale olie en PCB. Op basis van de beschikbare informatie wordt de verontreiniging geschat op 50 tot 250 m3.
Conclusies en aanbevelingen
Aangezien het grondwater ter plaatse van genoemde locaties niet dan wel ten hoogste licht is verontreinigd is in beide gevallen (ophooglaag en plaatselijke olie-/PCB-verontreiniging) sprake van een immobiele verontreiniging. Gezien de situering van de aangetroffen immobiele verontreinigingen (op afgeschermd bedrijfsterrein en volledig onder verhardingslaag) vormen de betreffende verontreinigingen in de huidige situatie geen risico voor volksgezondheid en milieu en bestaat er, ons inziens, geen directe aanleiding voor (sanerings)stappen. Echter voorafgaand aan de herontwikkeling dienen op de locatie sanerende maatregelen genomen te worden. Doorgaans wordt bij de te nemen vervolgstappen en te volgen wetgeving onderscheid gemaakt tussen bodem en zogenoemde ‘stortlagen’ (>50% bodemvreemd materiaal). Gezien het sterk heterogene karakter van de ophooglaag is het, ons inziens, bij toekomstige werkzaamheden praktisch niet haalbaar om ter plaatse hierin een onderscheid te maken. In overleg met het bevoegd gezag zal een keuze gemaakt moeten worden welke spoor gevolgd gaat worden. Op basis van met name de gegraven gaten bestaat de indruk dat de ophooglaag gemiddeld genomen beoordeeld dient te worden als een ‘stortlaag’.
Indien de ophooglaag beschouwd wordt als een stortlaag dient te worden opgemerkt dat dit soort lagen niet meer beschouwd worden als bodem. Voor het verwijderen of bewerken van deze lagen is de bodemwetgeving zoals beschreven in de Wet bodembescherming niet van toepassing en valt de stortlaag, ons inziens, eveneens niet onder het Besluit Asbestwegen. Voor het ontgraven van dergelijke lagen hoeft geen saneringsplan te worden opgesteld (of BUS-melding) en is de Kwalibo-regeling evenmin van kracht. Hoewel niet wettelijk verplicht wordt in de praktijk vaak wel via een plan van aanpak melding gedaan van de voorgenomen verwijdering bij een lokale overheidsorganisatie (gemeente of Omgevingsdienst). Enkel het Arbeidsomstandighedenbesluit blijft echter wel van toepassing waarbij, in verband met de aanwezigheid van asbest, rekening gehouden dient te worden met de maatregelen voor de veiligheidsklasse ‘zwart-niet vluchtig’ bij eventuele (graaf)werkzaamheden in de ophooglaag (ter plaatse van in ieder geval het onbebouwde deel).
Conclusie en aanbevelingen (vervolg)
Indien de ophooglaag toch beschouwd dient te worden als bodem is de Wet bodembescherming wel van toepassing en dient voorafgaand aan de herontwikkeling rekening gehouden te worden met sanerende maatregelen onder deze wet en dat tevens de Kwalibo-regeling van kracht is. In het kader van deze wetgeving is het van belang om aan te geven dat de ophooglaag (en daarmee samenhangende verontreinigingen) reeds voor 1987 aanwezig is en dat er, in verband met de omvang, sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging. Bij eventuele sanerende maatregelen dient rekening gehouden te worden met het opstellen van een saneringsplan (i.v.m. de parameter PCB is het Besluit Uniforme Saneringen niet van kracht) en daarmee een beoordelingstermijn van bevoegd gezag van (tenminste) 15 tot 21 weken. Tevens dienen de werkzaamheden te worden uitgevoerd door een voor de BRL7000 gecertificeerde instelling en begeleid onder een BRL6000. De plaatselijk aangetroffen minerale olie/ PCB-verontreiniging in de kleiige ondergrond, eveneens naar verwachting ontstaan voor 1987 gezien de historie van de locatie (gelegen onder ophooglaag en bebouwing), valt in ieder geval onder de Wet bodembescherming. De betreffende immobiele verontreiniging dient gesaneerd te worden indien ter plaatse in het kader van de herontwikkeling in deze bodemlaag gegraven dient te worden.
Bij eventuele sanerende maatregelen dient eveneens rekening gehouden te worden met het opstellen van een saneringsplan (i.v.m. de parameter PCB) en uitvoering door BRL6000 en -7000 gecertificeerde instellingen. Bij uitvoering van de saneringswerkzaamheden dient rekening gehouden te worden met de maatregelen voor de veiligheidsklasse ‘rood-vluchtig’ (i.v.m. minerale olie). Benadrukt wordt dat de definitieve veiligheidsklasse en de te nemen voorzorgsmaatregelen bepaald dienen te worden door een (hoger) veiligheidskundige. Tot slot wordt aanbevolen om: tijdig in overleg te treden met het bevoegd gezag (Omgevingsdienst IJmond) om zodoende in een vroeg stadium gezamenlijk een oordeel te kunnen vellen of de ophooglaag beoordeeld dient te worden als bodem of als stortlaag; in het kader van de herontwikkeling na te gaan of het van belang is om meer inzicht te verkrijgen in de aan dan wel afwezigheid van de ophooglaag ten zuiden en noorden van de onderzoekslocatie; in verband met het aantreffen van een ophooglaag en asbesthoudend materiaal onder de betonnen vloer van bebouwing, na sloop, ter plaatse alsnog een asbestonderzoek uit te laten voeren conform de NEN5707
en/of NEN5897 ter vaststelling van het gehalte aan asbest in de betreffende laag. Auteur Projectleider Prommenz
Figuur 1: Topografische ligging onderzoekslocatie (gelegen binnen blauwe ovaal)
Inhoudsopgave PROJECTINFORMATIE EN SAMENVATTING 1 INLEIDING ............................................................................................................. 1 1.1
Aanleiding ....................................................................................................................... 1
1.2
Doel ................................................................................................................................ 1
1.3
Kwaliteitsborging ............................................................................................................. 1
1.4
Aansprakelijkheid ............................................................................................................ 2
1.5
Leeswijzer ....................................................................................................................... 2
2 VOORONDERZOEK................................................................................................. 3 2.1
Onderzoekslocatie ........................................................................................................... 3
2.2
Bodemopbouw en geohydrologie ..................................................................................... 4
2.3
Voorgaand onderzoek...................................................................................................... 4
2.4
Bodemkwaliteitskaart ....................................................................................................... 8
2.5
Mogelijke bronnen voor perfluoralkylverbindingen (PFAS) ................................................. 8
2.6
Conclusie vooronderzoek ................................................................................................. 9
3 UITGEVOERD ONDERZOEK .................................................................................... 10 3.1
Onderzoeksstrategie ...................................................................................................... 10
3.2
Veldwerkzaamheden ...................................................................................................... 11
3.3
Visuele inspectie verdachte activiteiten .......................................................................... 11
3.4
Resultaten veldwerkzaamheden ..................................................................................... 12
3.5
Uitgevoerde analyses grondonderzoek ........................................................................... 16
3.6
Grondwatergegevens en uitgevoerde analyses ................................................................ 18
3.7
Uitgevoerde analyses ophooglaag .................................................................................. 19
4 ONDERZOEKSRESULTATEN ................................................................................... 21 4.1
Toetsingskaders ............................................................................................................ 21
4.2
Resultaten grond ........................................................................................................... 23
4.3
Resultaten asbestonderzoek .......................................................................................... 25
4.4
Resultaten grondwater ................................................................................................... 26
4.5
Resultaten ophooglaag .................................................................................................. 27
4.6
Interpretatie onderzoeksresultaten................................................................................. 27
5 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ......................................................................... 31 BIJLAGE I BIJLAGE II BIJLAGE III BIJLAGE IV BIJLAGE V BIJLAGE VI BIJLAGE VII
M20124
Aanvullend bodemonderzoek Burgemeester D. Kooimanweg 14 te Purmerend
1
Inleiding Prommenz Milieu B.V. heeft in opdracht van BPD Ontwikkeling BV een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het perceel Burgemeester D. Kooimanweg 14 te Purmerend.
1.1 Aanleiding De aanleiding van het aanvullend onderzoek is de voorgenomen herontwikkeling van de onderzoekslocatie van bedrijventerrein naar woonlocatie. Het onderzoek betreft een aanvulling op de reeds uitgevoerde bodemonderzoeken ter plaatse aangezien in deze onderzoeken de bodemkwaliteit en verontreinigingssituatie binnen de onderzoekslocatie nog niet volledig in beeld is gebracht.
1.2 Doel Het doel van het aanvullend onderzoek is: het verkrijgen van meer inzicht in samenstelling, de milieuhygiënische kwaliteit en omvang van de aangetroffen ophooglaag ter plaatse van het onbebouwde terreindeel; vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van onderliggende grondlagen, verificatie van de grondwaterkwaliteit alsmede de verificatie van de aan- dan wel afwezigheid van asbest; het bepalen van de algehele milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater ter plaatse van het bebouwde deel van het perceel Burgemeester D. Kooimanweg 14 aangezien ter plaatse nog geen volledig bodemonderzoek is verricht. Daarnaast is op basis van de milieuhygiënische kwaliteit nagegaan of, en zo ja welke, maatregelen nodig zijn voor het werken in verontreinigde grond. Dit vanwege eventuele toekomstige grondwerkzaamheden.
1.3 Kwaliteitsborging Er bestaat geen andere relatie met de opdrachtgever of eigenaar van de locatie dan de relatie als opdrachtgever en opdrachtnemer. Onder opdrachtnemer worden naast Prommenz Milieu B.V. ook de zusterbedrijven en het moederbedrijf bedoeld. Het bodemonderzoek is uitgevoerd conform de systematiek uit de BRL SIKB 2000 ‘Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek’, protocollen 2001, 2002 en 2018. De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd door Prommenz Milieu B.V. Prommenz Milieu B.V. is erkend door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu en staat als erkend veldwerkbureau geregistreerd onder het certificaatnummer: NC-SIK-20324 (http://www.rwsleefomgeving.nl/ onderwerpen/bodem-ondergrond/erkenningen).
1 I 33
M20124
Aanvullend bodemonderzoek Burgemeester D. Kooimanweg 14 te Purmerend
De uitvoering van de analyses is verricht door het door de Raad van Accreditatie (RvA) geaccrediteerde laboratorium van Eurofins Omegam B.V. te Amsterdam.
1.4 Aansprakelijkheid Bodemonderzoek wordt uitgevoerd door verschillende bodemlagen te bemonsteren. Hiermee wordt getracht een waarheidsgetrouw beeld van de aanwezige bodemkwaliteit te geven. Het is echter niet uit te sluiten dat er plaatselijk (ernstige) verontreinigingen in de bodem voorkomen. De op grond van de in de NEN5740 voorgeschreven werkwijze betreft een steekproef, waardoor het mogelijk is dat plaatselijke verontreinigingen niet worden waargenomen. Prommenz Milieu B.V. staat in voor een uitvoering conform protocol en normen, maar aanvaardt hiervoor geen aansprakelijkheid.
1.5 Leeswijzer Na de inleiding wordt in hoofdstuk 2 het uitgevoerde vooronderzoek beschreven. In hoofdstuk 3 is het uitgevoerde onderzoek beschreven en in hoofdstuk 4 de resultaten. De conclusie van het onderzoek wordt omschreven in hoofdstuk 5.
2 I 33
M20124
Aanvullend bodemonderzoek Burgemeester D. Kooimanweg 14 te Purmerend
2
Vooronderzoek Ter bepaling van de onderzoeksstrategie van een bodemonderzoek wordt doorgaans een vooronderzoek conform de NEN 5725 uitgevoerd. Echter, aangezien onderhavig onderzoek een aanvulling betreft op de reeds uitgevoerde bodemonderzoeken en hierin vooronderzoeken conform de NEN5725 zijn uitgevoerd, is de uitvoering van een vooronderzoek achterwege gelaten. Voor het uitgevoerde vooronderzoek wordt verwezen naar de voorgaande onderzoeken, zijnde: Oriënterend onderzoek Burgermeester D. Kooimanweg 14 te Purmerend, Oranjewoud, documentnr. 19982-131459/115 d.d. februari 2005; Bodemonderzoek Burgemeester D. Kooijmanweg 10c&14 te Purmerend, Antea Group, kenmerk 0420388.00 d.d. 22 februari 2018. In dit hoofdstuk zal de onderzoekslocatie worden beschreven en zullen de relevante resultaten uit bovengenoemde onderzoeken worden verwoord.
2.1 Onderzoekslocatie De onderzoekslocatie wordt gevormd door een groot deel van het perceel Burgemeester D. Kooimanweg 14 te Purmerend. Het tankstation (AVIA Xpress) aan de westzijde almede het onbebouwde deel ten zuiden van de bebouwing vormt geen onderdeel van de onderzoekslocatie. Het perceel Burgemeester D. Kooimanweg 14 vormt een deel van het bedrijventerrein hetgeen gelegen is tussen de Burgemeester D. Kooimanweg en de spoorlijn Zaandam-Hoorn. De regionale ligging van de onderzoekslocatie is weergegeven in de overzichtstekening zoals opgenomen in bijlage 1 (blad 1 van 3). Kadastraal staat het perceel Burgemeester D. Kooimanweg 14 geregistreerd als ‘Purmerend – sectie D, nummer 2969 en 4800. De totale oppervlakte van het betreffende perceel bedraagt 5.650 m2. De oppervlakte van de onderzoekslocatie bedraagt circa 4.900 m2 waarvan het overgrote deel (circa 3.470 m2) is bebouwd met een bedrijfspand welke volledig is voorzien van een betonnen vloer. Het onbebouwde deel is volledig verhard. Aan de noordzijde bestaat de verharding uit tegels terwijl aan de oostzijde de verharding zowel bestaat uit tegels als klinkers en voor een klein deel uit beton dan wel betonplaten. De bedrijfslocatie is al enige tijd voor een groot deel in gebruik als covid-teststraat bij de GGD Zaanstreek-Waterland. In figuur 2, op de volgende pagina, is de volledige locatie weergegeven.
3 I 33
M20124
Aanvullend bodemonderzoek Burgemeester D. Kooimanweg 14 te Purmerend
Figuur 2: Overzicht onderzoekslocatie (gelegen binnen rood kader)
De onderzoekslocatie is tevens in detail weergegeven op de situatietekening in bijlage 1 (blad 2 van 2). De kadastrale gegevens zijn eveneens opgenomen in bijlage 1.
2.2 Bodemopbouw en geohydrologie De regionale globale bodemopbouw ter plaatse is weergegeven in onderstaande tabel 1. De gegevens uit deze tabel zijn ontleend aan de gegevens van TNO (www.dinoloket.nl). Tabel 1: Regionale bodemopbouw Globale diepte beneden maaiveld (m)
Lithostratigrafie
Samenstelling
0 tot 17
Holocene afzettingen
Zand, zeer fijn tot uiterst grof, kleiig tot grindig, lokaal schelphoudend; klei, siltig tot zandig, lokaal humeus; veen, lokaal kleiig
17 tot 20
Formatie van Boxtel
Zand, zeer fijn tot zeer grof, lokaal kleiig, grindig of humeus; leem, lokaal zandig, lokaal humeus; klei, siltig tot zandig; veen, kleiig
De hoogte ter plaatse van de locatie varieert van circa -1,1 tot -0,8 m NAP. De grondwaterstand kan worden verwacht op circa 1,0 m-mv. Op basis van de bekende gegevens van TNO kan geen eenduidige grondwaterstroming worden opgemaakt maar gezien de ten oosten gelegen watergang (sloot) zal deze vermoedelijk oostelijk gericht zijn.
2.3 Voorgaand onderzoek In het kader van de voorgaande bedrijfsactiviteiten en beëindiging hiervan zijn in het verleden reeds meerdere onderzoeken verricht. De meest recente bodemonderzoeken op de locatie staan bekend als: 1) Oriënterend onderzoek Burgermeester D. Kooimanweg 14 te Purmerend, Oranjewoud, documentnr. 19982-131459/115 d.d. februari 2005; 2) Bodemonderzoek Burgemeester D. Kooijmanweg 10c&14 te Purmerend, Antea Group, kenmerk 0420388.00 d.d. 22 februari 2018. De meest relevante bevindingen uit bovenstaande documenten zijn op de volgende pagina’s verwoord.
4 I 33
M20124
Aanvullend bodemonderzoek Burgemeester D. Kooimanweg 14 te Purmerend
Oriënterend onderzoek 2005: Binnen het oriënterend onderzoek is enkel het noordoostelijk deel van de onderzoekslocatie onderzocht alwaar destijds de opslag van LPG gesitueerd was. Uit het betreffende document wordt opgemaakt dat: het betreffende perceel reeds sinds 1957 in gebruik is als aardappelbewaarplaats. Vanaf 1966 is de locatie overigens in gebruik als autogarage met showroom, wasserij en tankstation waarbij in 1971 een grootschalige verbouwing-uitbreiding heeft plaatsgevonden en de bebouwing nagenoeg zijn huidige omvang heeft gekregen; het tankstation (incl. ondergrondse infrastructuur) immer aan de westzijde van het bedrijfspand heeft gestaan (langs Burg. D. Kooijmanweg). Bij amovering van het tankstation en bodemsanering ter plaatse zijn in oktober 1999 een viertal ondergrondse tanks verwijderd. Enkel een 30 m3 benzinetank is niet verwijderd maar gereinigd en gevuld met zand. De betreffende tank is gelegen onder de fundering van de luifel waardoor het technisch/economisch niet verantwoord was om deze te verwijderen. De aanwezige bodemverontreiniging met brandstofcomponenten is nagenoeg volledig gesaneerd, enkel plaatselijk is nog sprake van een (zeer) lichte verontreiniging; bij een onderzoek in 1989 en 2001 reeds is geconstateerd dat het (buiten)terrein integraal is opgehoogd met puin, slakken, sintels en/of gruis. Op het noordoostelijk terreindeel (o.a.
wasplaats en LPG-tank) is destijds een sterk verhoogd gehalte aan minerale olie en naftaleen aangetroffen in het grondwater. De bodem ter plaatse was matig verontreinigd met minerale olie; ten tijde van het oriënterend onderzoek de bodemopbouw op het noordoostelijk terreindeel, na een laagje zand van 10 cm, tot 0,6-1,2 m-mv bestaat uit een bodemvreemde laag van slakken, sintels, kooltjes en/of gruis. Onder deze zogenoemde halfverharding zijn afwisselend klei- en veenlagen aanwezig. Aan het opgeboorde bodemvreemde materiaal is ter plaatse van meerdere boríngen een zwakke tot plaatselijk sterke olie-water-reactie waargenomen. Daarnaast zijn passief verschillende geuren waargenomen (olie-, teer-, stortplaats- en een niet definieerbare geur); de plaatselijke (ten westen en zuiden van de LPG-tank) matige tot sterke verontreiniging van het grondwater met minerale olie en naftaleen bevestigd is. Daarnaast is de bodem direct onder de halfverharding plaatselijk matig verontreinigd met PAK en minerale olie; de onder de tegelverharding aanwezige laag van bodemvreemd materiaal (slakken, sintels, kooltjes en/of gruis), getoetst als bouwstof, dermate verontreinigd is met PAK, minerale olie en/of EOX dat deze niet in aanmerking komt voor hergebruik. Bovendien is in een samengesteld mengmonster van deze laag sprake van een gehalte van 95 mg/kg ds aan asbest.
In onderstaande figuur 3, op de volgende pagina, is een uitsnede weergegeven van de situatietekening van de toenmalige onderzoekslocatie.
5 I 33
M20124
Aanvullend bodemonderzoek Burgemeester D. Kooimanweg 14 te Purmerend
Bodemonderzoek 2018: In het onderzoek uit 2018 is bodemonderzoek verricht ter plaatse van de percelen Burgermeester D. Kooijmanweg 10C en 14. Ter plaatse van het perceel 14 is met name onderzoek verricht op het onbebouwde oostelijke deel van de onderzoekslocatie. Daarnaast zijn enkele boringen inpandig verricht, ten zuidoosten en ten westen van het bedrijfspand. In onderstaande figuur 5 is een uitsnede weergegeven van de situatietekening uit het betreffende bodemonderzoek. Figuur 5: Situatietekening oriënterend onderzoek
Uit het betreffende onderzoek kan, met betrekking tot het perceel 14, worden opgemaakt dat: de bodem ter plaatse van het achterterrein bestaat uit laagje zand tot circa 10 cm-mv (onder een tegels/ klinkers). Hierna volgt tot 0,6 à 1,4 m-mv een laag bestaande uit slakken, sintels, kooltjes, hout en gruis. Onder deze laag bestaat de bodem uit plaatselijk een dunne kleilaag met daaronder zwak kleiïg veen. Daar waar de laag met bodemvreemd materiaal niet aanwezig is bestaat de bodem tot circa 1,0 m-mv uit zand met plaatselijk een kleilaagje. Na de zandlaag volgt ook hier een veenlaag tot de maximaal geboorde diepte van 2,1 m-mv. Ter plaatse zijn meerdere bodemvreemde materialen waargenomen die duiden op een bodemverontreiniging. Passief is in de laag met bodemvreemd materiaal plaatselijk een carbolineum- en ondefinieerbare geur en tevens een matige tot sterke olie- waterreactie waargenomen; in de laag met bodemvreemd materiaal (slakkenlaag met puin) sterk verhoogde gehalten aan koper, nikkel, zink, PAK en PCB zijn aangetroffen. Bovendien is sprake van een matig verhoogd gehalte aan lood en overwegend een lichte tot plaatselijk sterke verontreiniging met minerale olie.
Opgemerkt is dat deze laag (vanwege de samenstelling) geen bodem betreft en de toetsing aan de normen uit de Wbb derhalve indicatief zijn; in de betreffende laag tevens plaatselijk (boring 305 en 311) asbesthoudend plaatmateriaal (cement, golfplaat, hechtgebonden, 10-15% chrysotiel en plaatselijk 2-5% amosiet) is aangetroffen. In het samengestelde monster van de betreffende laag is in de fijne fractie sprake van een gewogen gehalte van 41 mg/kg ds; de onder deze laag plaatselijk aangetroffen kleilaag (boring 311, 0,6-1,1 m-mv) licht is verontreinigd met PCB en lood; in de kleiige bodemlaag onder de bebouwing plaatselijk (boring 301) een sterke olie-waterreactie is geconstateerd. Ter plaatse van boring 302 is zintuiglijk geen olie-waterreactie waargenomen. Zowel kleiige bodemlaag ter plaatse van boring 301 als 302 is licht verontreinigd met minerale olie (respectievelijk 1.329 en 945 mg/kg ds, gestandaardiseerd);
7 I 33
M20124
Aanvullend bodemonderzoek Burgemeester D. Kooimanweg 14 te Purmerend
ter plaatse van de OBAS aan de westzijde van het pand een licht verhoogd gehalte aan minerale olie is gemeten. Ten zuiden van het pand (voormalige calamiteit met leiding-container en oliespoor, boringen 308 en 309) zijn in de grond zintuiglijk geen waarnemingen gedaan die duiden op een verontreiniging met minerale olie. De grond direct onder de verharding bevat een licht verhoogd gehalte aan minerale olie (308 mg/kg ds, gestandaardiseerd); ter plaatse van het achterterrein het grondwater overwegend licht is verontreinigd (met name één of meerdere vluchtige aromaten (BTEXN)). Enkel ter plaatse van peilbuis 102 en 303 is sprake van een sterke verontreiniging met minerale olie en naftaleen en ter plaatse van peilbuis 3 een matige verontreiniging met minerale olie; ter plaatse van de OBAS het grondwater niet is verontreinigd met de geanalyseerde parameters (NEN-pakket) en ten zuiden van het pand (peilbuis 6 en 312) het grondwater niet tot ten hoogste licht is verontreinigd met naftaleen.
2.4 Bodemkwaliteitskaart Volgens de Bodemkwaliteitskaart gemeente Purmerend (LievenseCSO, document SOB00834.RAP001 d.d. 16 december 2019) wordt opgemaakt dat: de bodemfunctie van de locatie gedefinieerd is als ‘Wonen’; de locatie voor wat betreft de bodemkwaliteitszone en verwachte ontgravings- en toepassingsklasses gelegen is in een zogenaamd ‘uitgesloten gebied’. Uitgesloten gebieden zijn gebieden (locaties) waarvan wordt verondersteld dat de bodemkwaliteit heterogeen is dan wel het bodemgebruik een belemmering vormt voor vrij grondverzet. Dit betreft de zogenoemde 'verdachte percelen'. Dit zijn locaties waar (bedrijfs)activiteiten’ hebben plaatsgevonden (of plaatsvinden) waarvan bekend is, of het vermoeden bestaat, dat de bodemkwaliteit op de betreffende locatie c.q. perceel afwijkt van die van de omgeving waardoor er geen sprake is van een naar verwachting homogene bodemkwaliteit.
2.5 Mogelijke bronnen voor perfluoralkylverbindingen (PFAS) Sinds medio 2019 is de stofgroep PFAS als nieuwe parameter aan de te onderzoeken milieubelastende stoffen in grond en grondwater toegevoegd. Op grond van artikel 43 dan wel artikel 55ab van de Wet Bodembescherming dient de aanwezigheid van deze stoffen in de bodem te worden onderzocht tenzij kan worden aangetoond dat de bodem redelijkerwijs niet met PFAS kan zijn belast. Daarnaast dient op basis van het op 8 juli jl. van kracht geworden Tijdelijke Handelingskader PFAS (zie tevens §4.1), deze stofgroep eveneens bij het bepalen van de hergebruiksmogelijkheden van af te voeren grond te worden onderzocht. Of de onderzoekslocatie verdacht is voor verontreinigingen met PFAS en met name de varianten PFOA en PFOS, is nagegaan of sprake kan zijn geweest van activiteiten waarbij deze stof is gebruikt. Bekende toepassingen van PFAS zijn blusschuim, verf, vetvrij karton en papier en waterafstotende materialen zoals kleding, tapijten e.d. Ook aan smeermiddelen en mogelijk zelfs bestrijdingsmiddelen kunnen PFAS zijn toegevoegd. Op basis van de beschikbare informatie uit de voorgaande onderzoeken omtrent de bedrijfsactiviteiten wordt van de locatie niet verwacht dat ter plaatse sprake is van potentiële bronlocaties waar bijvoorbeeld uitgebreid blusschuim is gebruikt of één van de voornoemde producten is gefabriceerd.
Bovendien is de volledige locatie, voor zover bekend, altijd bebouwd of volledig verhard geweest en zijn bij een recent uitgevoerd bodemonderzoek op de aangrenzende percelen Burgermeester D. Kooijmanweg 4-10C geen noemenswaardig verhoogde gehalten aan PFAS aangetroffen. De in totaal
8 I 33
M20124
Aanvullend bodemonderzoek Burgemeester D. Kooimanweg 14 te Purmerend
zes geanalyseerde mengmonsters van de bovengrond waren niet verontreinigd en voldeden allen aan de classificatie ‘Landbouw-natuur’. Overigens is het door de vele verschillende potentiële bronnen lastig om voor een locatie aan te tonen dat deze volledig onverdacht zijn en kan de aanwezigheid van licht verhoogde gehalten aan PFAS evenmin volledig worden uitgesloten. Aangezien er geen specifieke aanwijzingen voor de aanwezigheid van PFAS zijn gevonden, wordt vooralsnog verwacht dat er, net zoals op de aangrenzende percelen, geen noemenswaardige concentraties aan PFAS op de locatie aanwezig zijn.
2.6 Conclusie vooronderzoek Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek wordt geconcludeerd dat ter plaatse van in ieder geval het onbebouwde oostelijke terreindeel sprake is van een heterogene ophooglaag waarin sterk verhoogde gehalten aan metalen, PAK, PCB en plaatselijk minerale olie aanwezig zijn. Tevens is plaatselijk sprake van een matige tot sterke verontreiniging van het grondwater met naftaleen en minerale olie. Echter de daadwerkelijke omvang van de betreffende ophooglaag en bodemkwaliteit onder deze ophooglaag binnen de onderzoekslocatie is nog niet volledig in beeld is gebracht. Tevens is nog geen volwaardig bodemonderzoek verricht ter plaatse van het bebouwde deel van het perceel Burgemeester D. Kooimanweg 14. Op basis van de beschikbare bodeminformatie bestaat er vooralsnog geen aanleiding om binnen het bebouwde deel separate verdachte deellocaties te definiëren. Op basis van de beschikbare informatie wordt niet verwacht dat de ophooglaag, zoals aangetroffen, op het onbebouwde oostelijke terreindeel eveneens wordt aangetroffen onder de bebouwing. Met betrekking tot het voorkomen van asbest kan worden verwacht dat, op basis van basis van de beschikbare informatie, weliswaar asbesthoudend materiaal wordt aangetroffen in de ophooglaag maar niet in concentraties welke de hergebruiksnorm van 100 mg/kg ds overschrijden.
Echter aangezien er enkel nog ‘indicatief’ onderzoek naar asbest is verricht bestaat er een aanleiding is voor de uitvoering van een (volwaardig) verkennend asbestonderzoek ter plaatse van het onbebouwde terreindeel. Er zijn geen specifieke aanwijzingen voor de aanwezigheid van noemenswaardige concentraties aan PFAS en op aangrenzende percelen is geen PFAS aangetroffen boven de norm voor ‘Landbouw-natuur’. Derhalve is er voor gekozen om binnen onderhavig onderzoek de stofgroep PFAS niet direct mee te nemen.
9 I 33
M20124
Aanvullend bodemonderzoek Burgemeester D. Kooimanweg 14 te Purmerend
3
Uitgevoerd onderzoek 3.1 Onderzoeksstrategie Op basis van het verrichte vooronderzoek en het te verwachten verschil in verontreinigingssituatie is de onderzoekslocatie opgedeeld in een tweetal deellocaties, zijnde het bebouwde en onbebouwde deel. In tabel 2 is de onderzoeksstrategie en doelstelling van het onderzoek verwoord. Tabel 2: Onderzoeksstrategie onderzoek Deellocatie
Onderzoeksstrategie
Doelstelling
F: Onbebouwd deel (ten noorden en oosten van bedrijfspand)
NTA5755 1, NEN5897 en/of NEN5707 2
O: Bebouwd deel 1
2
3
NEN5740 3
het verkrijgen van meer inzicht in samenstelling, de milieuhygiënische kwaliteit en omvang van de aangetroffen ophooglaag ter plaatse van het onbebouwde deel; vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van onderliggende grondlagen en verificatie van de grondwaterkwaliteit; verificatie van de aan- dan wel afwezigheid van asbest.
het bepalen van de algehele milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater
1.430
3.410
Nederlandse Technische Afspraak 5755, Onderzoeksstrategie voor nader onderzoek (NTA5755, juli 2010). De strategie van het nader onderzoek dient conform de NTA5755 te worden vastgesteld op basis van een conceptueel model zoals uit de beschikbare voorinformatie naar voren is gekomen. Het conceptueel model omvat diverse aannames over onder andere de ruimtelijke verdeling en verwachte verspreiding van de verontreinigingen op basis waarvan boor- en analyseplan is uitgewerkt. Op basis van de beschikbare gegevens uit het vooronderzoek is aangenomen dat ter plaatse van in ieder geval het oostelijk terreindeel sprake is van een ophooglaag waarin sterk verhoogde gehalten aan metalen, PAK, PCB en minerale olie naar voren komen Niet volledig duidelijk is of deze ophooglaag eveneens voorkomt ten noorden van de bebouwing. Op basis van het voorgaand onderzoek wordt vooralsnog verwacht dat het grondwater ter plaatse ten hoogste zeer plaatselijk noemenswaardig is verontreinigd. Op basis van de beschikbare gegevens is gekozen voor een onderzoeksopzet waarmee genoemde doelstellingen voldoende beantwoord kunnen worden.
NEN5897+C2 – Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat (december 2017), paragraaf 6.5.3.3, strategie voor kleinschalige locaties of NEN5707+C2 – Bodem – Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond (december 2017), paragraaf 6.4.5, strategie voor een verdachte locatie met diffuse bodembelasting, heterogeen verdeeld. Afhankelijk van de zintuiglijk waarneming ten tijde van de veldwerkzaamheden zal worden afgewogen welk protocol het beste past bij de ophooglaag. Strategie voor een onverdachte niet-lijnvormige locatie (ONV-NL)
In tabel 3, op de volgende pagina, is het onderzoeksprogramma samengevat.
10 I 33
Oppervlakte (m 2)
M20124
Aanvullend bodemonderzoek Burgemeester D. Kooimanweg 14 te Purmerend
Tabel 3: Onderzoeksprogramma bodemonderzoek Locatie
Boringen
Uit te voeren analyses
F: Onbebouwd deel (ten noorden en oosten van bedrijfspand)
6 x 1,5-2,0 m-mv 9 x peilbuis 5 7 gaten 1
Ophooglaag/ grond: 8 x standaardpakket grond 2 Ophooglaag/ grond: 2 x asbest + 2 x materiaalmonster Grondwater: 9 x minerale olie en vluchtige aromaten 3
O: Bebouwd deel
10 x 1,0 m-mv 2 x 0,5 m-gws 1 x peilbuis
Grond: 3 x standaardpakket grond 2 Grondwater: 1 x standaardpakket 4
m-mv
meter minus maaiveld
m-gws
meter minus grondwaterstand
1
Te graven gaten in het kader van het uit te voeren asbestonderzoek met minimale omvang van 0,3 x 0,3 x 0,5 m.
2
3
Vluchtige aromaten: benzeen, tolueen, xylenen en naftaleen
4
Zware metalen: barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink; Vluchtige aromatische koolwaterstoffen (BTEXXN en styreen) Vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen (o.a. chlooralifaten); Minerale olie (GC). Een tweetal peilbuizen zullen inpandig worden gesitueerd ter verificatie van de aan- dan wel afwezigheid van de in het voorgaand onderzoek aangetroffen grondwaterverontreiniging op het onbebouwde oostelijke terreindeel
5
Droge stofgehalte; Sedimentkarakteristieken: organische stof en lutum; Metalen: barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink; Organische parameters: som PCB, som PAK en minerale olie.
3.2 Veldwerkzaamheden De veldwerkzaamheden (boor-/graafwerkzaamheden, het nemen van de grondmonsters en het plaatsen van de peilbuizen) zijn uitgevoerd in de periode van 27 t/m 29 juli 2021. Het grondwater ter plaatse van de diverse peilbuizen is op 5 augustus 2021 bemonsterd. In aanvulling/ afwijking van het (oorspronkelijke) onderzoeksprogramma: zijn inpandig een drietal boringen dieper (O4, O5 en O12) doorgezet tot in de zintuiglijk ‘schone’ venige dan wel kleiige ondergrond in verband met het aantreffen van bodemvreemd materiaal in de bovenliggende bodemlaag; is inpandig één extra peilbuis (O13) geplaatst ter verificatie van de grondwaterkwaliteit in verband met het zintuiglijk aantreffen van een mogelijke brandstofverontreiniging; zijn uitpandig op locatie F08 een tweetal extra boringen geplaatst aangezien in eerste instantie werd gestuit op hout dan wel massieve laag op een diepte van 1,3-1,5 m-mv; Opgemerkt wordt dat de locaties voorafgaand aan de boorwerkzaamheden zijn uitgezet met behulp van RTK-dGPS (uitpandig) dan wel met een meetlint (inpandig). Het veldwerk is uitgevoerd conform de BRL-SIKB 2000 - veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonder-zoek en de bijbehorende SIKBprotocollen 2001, 2002 en 2018 (versie 6 d.d. 01-02-2018). Alle veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd door van Prommenz Milieu B.V.
Opgemerkt wordt dat gezien de relatief hoge mate van bodemvreemde bijmenging op het onbebouwde terreindeel bij deze veldwerkzaamheden assistentie is verleend door een mini-kraan.
3.3 Visuele inspectie verdachte activiteiten Voorafgaand aan de monstername is de onderzoekslocatie (zowel uitpandig als inpandig deel) visueel geïnspecteerd op ondermeer de aanwezigheid van activiteiten die mogelijk tot een (oppervlakkige) bodemverontreiniging hebben geleid.
11 I 33
M20124
Aanvullend bodemonderzoek Burgemeester D. Kooimanweg 14 te Purmerend
Bij de visuele inspectie zijn de volgende bijzonderheden geconstateerd: inpandig is het volledige bedrijfspand verhard met een betonnen vloer en uitpandig is de volledige locatie voorzien van een verharding bestaande uit tegels, klinkers en beton(platen). Op de verhardingen zijn overigens geen bijzonderheden aangetroffen (bijv. scheuren in de betonvloer, olievlekken of andersoortige verkleuringen); een groot deel van de dakbedekking bestaat uit asbestverdacht plaatmateriaal; op het oostelijk terreindeel een markering is aangebracht welke waarschuwt dat ter plaatse sprake is van een gastransportleiding van de Gasunie. Uit de gedane KLIC-melding wordt opgemaakt dat deze over het gehele oostelijke terreindeel is gelegen.
3.4 Resultaten veldwerkzaamheden Milieuhygiënisch onderzoek Tijdens de veldwerkzaamheden is de bodem zintuiglijk beoordeeld op de aanwezigheid van bodemvreemde materialen en andere waarnemingen die kunnen duiden op de mogelijke aanwezigheid van verontreiniging in de bodem. De locaties van de uitgevoerde boringen zijn weergegeven op de situatietekening in bijlage 1 (blad 2 van 3). In bijlage 2 is de bodemopbouw per boring weergegeven. De algemene bodemopbouw als volgt worden samengevat:
Onbebouwd deel: Onder de verharding wordt plaatselijk een dunne zintuiglijk ‘schone’ zandlaag aangetroffen van circa 10-15 cm of anders direct de zogenaamde ‘ophooglaag’. De ophooglaag met een laagdikte van 0,5 tot maximaal 1,4 meter is sterk heterogeen van aard en bestaat uit zowel zandlagen met een variabele mate aan bodemvreemde bijmenging als lagen bestaande uit nagenoeg enkel bodemvreemd materiaal (met name kolengruis, slakken, puin en bakstenen). Onder de ophooglaag (variërend vanaf 0,5-1,4 m-mv) wordt een zandige kleilaag aangetroffen met daaronder een veenlaag of plaatselijk direct een veenlaag. Vanaf circa 2,5 m-mv tot aan de maximale boordiepte van 3,5 m-mv is sprake van siltige klei.
Bebouwd deel: Ook inpandig is globaal sprake van een gelijkwaardige opbouw. Onder een groot deel van de bebouwing wordt een (ophoog)laag aangetroffen met een laagdikte van 0,6 tot maximaal 1,4 meter. De betreffende laag is sterk heterogeen van aard en bestaat uit zowel zandlagen met een variabele mate aan bodemvreemde bijmenging (echter enkel beton-, baksteen- en puindelen) als lagen bestaande uit nagenoeg enkel bodemvreemd materiaal (bakstenen en puin). Onder de ophooglaag (of als deze niet aanwezig is) wordt een laagje siltige klei en vervolgens vanaf 1,0-1,6 m-mv veen aangetroffen. Vanaf circa 2,5 m-mv tot aan de maximale boordiepte van 3,5 m-mv is sprake van siltige klei. In tabel 4 op de volgende pagina zijn de relevante zintuiglijke waarnemingen weergegeven.
12 I 33
M20124
Aanvullend bodemonderzoek Burgemeester D. Kooimanweg 14 te Purmerend
Tabel 4: Relevante zintuiglijke waarnemingen Boring F01
Laagdiepte (m-mv) 0,22-0,7 0,7-1,2 0,2-0,5
F02
F03
F04
F05
Grondsoort n.v.t.
Uiterst kolengruishoudend, matig slak- en puinhoudend, zwak zandhoudend Matig slakhoudend, zwak puinhoudend, brokken beton, sporen glas
0,5-0,9
n.v.t.
Uiterst kolengruishoudend, sterk slakhoudend, matig puinhoudend, zwak zandhoudend, matige teergeur
0,9-1,2
Veen, zwak kleiig
Sporen metaal, zwak houthoudend,
1,2-2,0
Veen
Zwak baksteenhoudend
0,2-0,5
Zand, zwak siltig
Zwak slak- en puinhoudend, brokken beton
0,5-0,9
n.v.t.
Uiterst kolengruishoudend, sterk slakhoudend, matig puinhoudend, zwak zandhoudend, matige teergeur
0,9-1,5
Veen
Matig baksteen- en houthoudend
0,2-0,9
n.v.t.
Uiterst kolengruishoudend, sterk slakhoudend, matig puinhoudend, zwak zandhoudend, brokken beton, sporen hout en plastic, matige teergeur
0,9-2,0
Veen
Zwak baksteenhoudend
0,05-0,3
Zand, zwak siltig
0,3-1,0 0,05-1,4 1,4-2,0
Veen
0,05-0,9 F07
n.v.t.
Zwak slak- en puinhoudend, sporen glas Uiterst kolengruishoudend, sterk slakhoudend, matig puinhoudend, zwak zandhoudend, matige teergeur Uiterst kolengruishoudend, sterk slakhoudend, matig puinhoudend, zwak plastic, hout- en zandhoudend, matige olie-water reactie, sterke teergeur, Zwak baksteen- en houthoudend Uiterst kolengruishoudend, sterk slakhoudend, zwak puinhoudend, matig zandhoudend, brokken metaal, sporen plastic, brokken beton, sterke teergeur
0,9-1,1
Sterk houthoudend, matig zandhoudend, zwak kolengruishoudend, matige teergeur
F08b
0,5-1,0
Matig slakhoudend, zwak kolengruishoudend, sporen puin, zwakke teergeur,
F09
1,2-1,5
Matig baksteenhoudend, brokken beton
F10
0,05-0,7
F11
F12
F13
F14 F15 O01
O02 O03 O04
13 I 33
Funderingslaag: gebonden slakken
Zand, zwak siltig
n.v.t. F06
Bijzonderheden
Zand, zwak siltig
Uiterst slakhoudend, matig kolengruishoudend, sporen aardewerk en glas
0,05-0,2
Sterk slakhoudend, matig kolengruishoudend, zwak glashoudend,
0,2-0,7
Sterk slak- en kolengruishoudend, zwak houthoudend, stukken metaal, zwak baksteenhoudend, matige teergeur
0,7-1,0
Zand, kleiig
Zwak hout-, baksteen- en betonhoudend, sporen kolengruis, zwakke teergeur
0,05-0,3
Zand, zwak siltig
Matig slakhoudend, zwak puin-, baksteen en kolengruishoudend, sporen plastic
0,3-0,7
Klei, matig zandig
Sporen plastic
0,7-1,0
n.v.t.
Uiterst slakhoudend, matig kolengruishoudend, zwak zandhoudend
0,24-0,5
Sterk betonhoudend, (zeer grove brokken beton)
0,5-0,9 0,2-0,6
Matig betonhoudend, zwak baksteenhoudend Zand, zwak siltig
Matig puinhoudend, sporen kolengruis, glas en aardewerk
0,6-1,2
Matig baksteenhoudend, sporen kolengruis en grind, zwak puinhoudend,
0,2-0,5
Zwak kolengruishoudend, sporen grind
0,3-1,0
Holle ruimte
0,7-1,0
Volledig puin
0,17-0,3 0,3-0,7
n.v.t.
0,23-0,3
Holle ruimte
0,35-0,5 0,5-1,0
Holle ruimte Volledig puin
Holle ruimte Klei, matig zandig
Zwak baksteenhoudend
M20124
Aanvullend bodemonderzoek Burgemeester D. Kooimanweg 14 te Purmerend
Vervolg tabel 4: Relevante zintuiglijke waarnemingen Boring
Laagdiepte (m-mv)
Grondsoort
Bijzonderheden
O05
0,26-0,9
Zand, zwak siltig
Brokken beton, zwak puinhoudend
O06
0,24-0,3
Holle ruimte
O07
0,32-1,0
n.v.t.
Volledig puin, brokken baksteen, zwak zandhoudend, AVM aangetroffen (5 stukjes, circa 1.100 gram)
O08
0,22-0,6
O09
O10 O11
0,33-0,6
Zand, zwak siltig
Sporen metaal (enkel stukje)
0,7-0,9
n.v.t.
Volledig puin, matig zandhoudend
0,17-1,1
Zand, zwak siltig
Grove brokken beton
n.v.t.
Uiterst puinhoudend, matig baksteenhoudend, brokken beton, zwak zandhoudend
1,1-1,4 0,24-0,65 0,21-0,6
O12
O13
Holle ruimte
0,6-0,8
Holle ruimte Zand, zwak siltig
Brokken beton Matig beton- en baksteenhoudend
0,8-1,4
n.v.t.
Uiterst baksteenhoudend, matig zandhoudend, zwak betonhoudend
0,22-0,7
Zand, zwak siltig
Sterk betonhoudend, matig baksteenhoudend
0,7-0,9
Zand, kleiig
0,9-1,8 1,8-2,4 2,4-2,5
Zwak baksteenhoudend Zwakke olie-water reactie, matige brandstofgeur,
Klei, matig zandig
Zwak slibhoudend, sporen beton en baksteen, matige olie-water reactie en brandstofgeur
Zand, zwak siltig
Zwakke olie-water reactie
In aanvulling op tabel 4 wordt opgemerkt dat eveneens diverse boringen zijn gestuit, zijnde: Boring F03 en F05 op een diepte van 1,4 tot 1,5 m-mv als gevolg van een onbekende harde laag; Boring F08A en F08B op een diepte van 1,5 en 1,3 m-mv door hout dan wel een massieve laag; Boring O01, O02, O07 en O09 op een diepte variërend van 0,7 tot 1,0 m-mv in de ter plaatse aangetroffen puinlaag onder de betonvloer. Bovendien is in het omhoog gebrachte materiaal ter plaatse van boring O07 asbestverdacht materiaal aangetroffen. Bovendien wordt opgemerkt dat de ophooglaag ter plaatse van het noordelijk onbebouwde deel (boring F02 t/m F06) éénduidiger van aard is (zandlaag met bodemvreemd materiaal met daaronder een laag volledig bestaande uit bodemvreemd materiaal) en dat deze op het oostelijk onbebouwde deel aanzienlijk heterogener van aard is. Op dit terreindeel bestaat de ophooglaag eveneens uit zowel lagen met enkel bodemvreemd materiaal alsmede uit zandlagen met een veelal matig tot uiterste bodemvreemde bijmenging maar is de opbouw niet éénduidig. Inpandig wordt de ophooglaag over een groot deel aangetroffen en bestaat eveneens uit lagen met enkel bodemvreemd materiaal alsmede uit bodemlagen met een zwakke tot uiterste bodemvreemde bijmenging.
Onder de bebouwing bestaat het bodemvreemde materiaal echter grotendeels enkel uit puin en beton-/baksteen(delen) maar is geen kolengruis en/of slakken aangetroffen. Asbestonderzoek onbebouwd deel Het veldwerk is bij daglicht uitgevoerd op 27 en 28 juli tussen 07:00 en 18:30 uur (motregen, 7 C, NW 4). Binnen het onderzoek zijn ter plaatse in totaal een zevental gaten gegraven met de minimale afmetingen van 0,3 m x 0,3 m x 0,5 m welke allen zijn doorgeboord met een edelmanboor (12 cm) tot tenminste de ongeroerde onverdachte ondergrond. In verband met de hoge mate van bodemvreemde bijmenging is bij het asbestonderzoek assistentie verleend door een minikraan.
14 I 33
M20124
Aanvullend bodemonderzoek Burgemeester D. Kooimanweg 14 te Purmerend
Per locatie is het opgegraven dan wel opgeboorde materiaal visueel geïnspecteerd op asbestverdacht materiaal en (de meest verdachte laag) vervolgens ‘gezeefd’ met behulp van een hark en/of zeef 20 mm. In tabel 5 zijn de resultaten van het uitgevoerde veldonderzoek weergegeven. Tabel 5: Resultaten veldwerk verkennend asbestonderzoek Gat
F04
Laagdiepte (m-mv)
Zintuiglijke waarneming
Gewicht fractie <20 mm (kg)
Gewicht fractie >20 mm (kg)
0,8 x 0,3
0,05 - 0,9
Ophooglaag: Uiterst kolengruishoudend, sterk slakhoudend, matig puinhoudend, zwak zandhoudend, brokken beton, sporen hout, sporen plastic, matige teergeur, 1 stukje AVM (10 gram)
63,9
272,6
Ø 12 cm
0,9 – 1,4
Veen, zwak baksteenhoudend
n.v.t.
n.v.t.
0,05 – 0,9
Ophooglaag: Uiterst kolengruishoudend, sterk slakhoudend, matig puinhoudend, zwak plastic-, houten zandhoudend, matige olie-water reactie, sterke teergeur, 4 stukjes AVM (85 gram)
60,2
402,7
0,9-1,4
Ophooglaag: Uiterst kolengruishoudend, sterk slakhoudend, matig puinhoudend, zwak plastic-, houten zandhoudend, matige olie-water reactie, sterke teergeur
n.v.t.
n.v.t.
1,4-2,0
Veen, zwak hout- en baksteenhoudend
n.v.t.
n.v.t.
0,05-0,9
Ophooglaag: Uiterst kolengruishoudend, sterk slakhoudend, matig zandhoudend, zwak puinhoudend, brokken metaal, sporen plastic, brokken beton, , sterke teergeur
65,6
439,3
0,9-1,1
Ophooglaag: Sterk houthoudend, zwak zandhoudend, zwak kolengruishoudend, matige teergeur
n.v.t.
n.v.t.
1,1-1,6
Klei, zwak zandig
n.v.t.
n.v.t.
Afmetingen in m. (l x b)
1,1 x 0,3
F06 Ø 12 cm
1,2 x 0,3 F07 Ø 12 cm
F08
0,3 x 0,3
0,1-0,5
59
Ø 12 cm
0,5-1,3
0
n.v.t.
n.v.t.
0,05-0,5
Ophooglaag: Zand, zwak siltig, sterk kolengruis- en slakhoudend, zwak hout- en baksteenhoudend, brokken klei en metaal, matige teergeur, 5 stukjes AVM (31 gram) *
24,7
119,1
0,5-1,0
Ophooglaag: Zand, kleiïg, zwak hout-, baksteen- en slakhoudend, sporen kolengruis, zwakke teergeur, 18 stukjes AVM (264 gram) *
31,9
143,1
n.v.t.
n.v.t.
0,9 x 0,3 F11
Ø 12 cm
0,8 x 0,3 F12 Ø 12 cm
1,0-1,2
Zand, zwak siltig
1,2-1,5
Klei, matig zandig
0,05 – 0,3
Ophooglaag: Zand, zwak siltig, matig slakhoudend, zwak kolengruis, puin- en baksteenhoudend, sporen plastic *
16,5
41,1
0,3-0,7
Ophooglaag: Klei, matig zandig, zwak plastichoudend
n.v.t.
n.v.t.
0,7-1,0
Ophooglaag: Uiterst slakhoudend, matig kolengruishoudend, zwak zandhoudend
n.v.t.
n.v.t.
Zand, zwak siltig
n.v.t.
n.v.t.
28,1
127,3
n.v.t.
n.v.t.
0,05-0,2 1,0 x 0,3 F14 Ø 12 cm m-mv *
Zand, zwak siltig
0,2-0,6 0,6-1,2
Ophooglaag: Zand, zwak siltig, matig puinhoudend, zwak baksteenhoudend, sporen kolengruis, glas en aardewerk * Ophooglaag: Zand, zwak siltig, zwak puin- en baksteenhoudend, sporen kolengruis en grind
Meter minus maaiveld Gezien het relatief hoge gehalten aan ‘fractie >20 mm’ (>50%) is er, in tegenstelling hetgeen op basis van zintuiglijke waarnemingen is verondersteld, geen sprake van een zandlaag.(bodemlaag) maar eerder van een laag bodemvreemd materiaal zoals ook aangetroffen ter plaatse van F04, F06 en F07. In bijlage 2 zijn diverse foto’s opgenomen van de opgegraven ophooglaag.
Gezien de aanwezigheid van asbestverdacht materiaal en het heterogene karakter van de ophooglaag is van de meest verdachte laag van elk gat in het veld één representatief mengmonster samengesteld uit het opgegraven materiaal (van de fractie <20 mm). Daarentegen is vanwege de afwezigheid van bodemvreemde bijmenging ter plaatse van het gegraven gat F08 het opgegraven materiaal ter plaatse 15 I 33
M20124
Aanvullend bodemonderzoek Burgemeester D. Kooimanweg 14 te Purmerend
niet specifiek verdacht ten aanzien van het voorkomen van asbest en derhalve niet verder meegenomen in het asbestonderzoek.
3.5 Uitgevoerde analyses grondonderzoek Overigens dient te worden opgemerkt dat bij de veldwerkzaamheden al snel is gebleken dat zowel ter plaatse van het onbebouwde als bebouwde deel sprake is van een ophooglaag en daarmee naar verwachting geen sprake is van separate verontreinigingssituatie maar van een aaneengesloten verontreiniging. Derhalve zijn de betreffende deellocaties bij het analytisch onderzoek daar waar mogelijk gecombineerd en niet als specifieke separate deellocaties beschouwd. Van de opgeboorde grond zijn, op basis van grondsoort en zintuiglijke waarnemingen, diverse grond(meng)monsters samengesteld en geselecteerd voor chemische analyse. Hierbij dient te worden opgemerkt dat, als gevolg van de heterogene samenstelling en in eerste instantie verkregen resultaten, in aanvulling op het onderzoeksprogramma: een drietal extra grondmonsters zijn onderzocht op een standaardpakket grond in verband met de aanwezigheid van de heterogene ophooglaag onder een groot deel van de bebouwing; een zestal extra grondmonsters zijn onderzocht op een standaardpakket grond in verband met separaat onderzoek naar de diverse deelmonsters (uitsplitsing) van een tweetal samengestelde mengmonsters; een viertal extra grondmonsters zijn onderzocht op de parameter PCB (incl.
organische stof) in verband met separaat onderzoek naar de diverse deelmonsters (uitsplitsing) van een mengmonster in verband met aangetroffen een sterk verhoogd gehalte; een tweetal extra grondmonsters zijn onderzocht op de parameters barium, koper, lood, nikkel en zink (incl. lutum en organische stof) in verband met separaat onderzoek naar de diverse deelmonsters (uitsplitsing) van een mengmonster in verband met het aangetroffen sterk verhoogde gehalte; één mengmonster van de met minerale olie verontreinigde bodemlaag ter plaatse van boring O13 aanvullend is onderzocht op een NEN-pakket en PFAS in verband met eventuele toekomstige afvoer. Een tweetal grondmonsters zijn aanvullend onderzocht op minerale olie (inclusief organische stof) ter verificatie van de boven- en onderliggende bodemlaag. De onderliggende bodemlaag is eveneens aanvullend onderzocht op PCB (inclusief organische stof) in verband met het onverwacht verhoogd gehalte aan PCB in de met minerale olie verontreinigde bodemlaag; meer asbestverdacht plaatmateriaal is onderzocht ter verificatie of er daadwerkelijk sprake is van asbesthoudend (plaat)materiaal. Tevens zijn een viertal extra monsters van het ophoogmateriaal onderzocht op asbest aangezien op meer locaties dan vooraf ingeschat asbestverdacht plaatmateriaal is aangetroffen en vanwege het heterogene karakter van de ophooglaag.
Milieuhygiënisch onderzoek In tabel 6 zijn de diverse (meng)monsters en de eigenschappen ervan weergegeven. Tabel 6: Eigenschappen mengmonsters Mengmonster
Samengesteld uit Boring/deelmonster
Grondsoort/bijzonderheden
MM01.01
O03 (30-70) + O03 (70-100) + O06 (30-60) + O06 (60-80) + O09 (33-50) + O09 (50-70)
Zand, zwak siltig/ plaatselijk stukje metaal
MM02.01
F09 (120-150) + O05 (26-70)
Zand, zwak siltig, brokken beton, puin- of baksteenhoudend,
Analyse
STAP grond
Uitsplitsing MM02.01
16 I 33
MM02.02
F09 (120-150)
Zand, zwak siltig, brokken beton, matig baksteenhoudend
MM02.03
O05 (26-70)
Zand, zwak siltig/ brokken beton, zwak puinhoudend
Barium, koper, lood, nikkel en zink
M20124
Aanvullend bodemonderzoek Burgemeester D. Kooimanweg 14 te Purmerend
Vervolg tabel 6: Eigenschappen mengmonsters Mengmonster
Samengesteld uit Boring/deelmonster
Grondsoort/bijzonderheden
Analyse
MM03.01
F13 (24-50) + O10 (17-60) + O12 (21-60) + O13 (22-70)
Zand, zwak siltig/ beton- en/of baksteenhoudend
STAP grond
Uitsplitsing MM03.01 MM03.02
F13 (24-50)
Zand, zwak siltig/ sterk betonhoudend (grove brokken)
MM03.03
O10 (17-60)
Zand, zwak siltig/ brokken beton (grove brokken)
MM03.04
O12 (21-60)
Zand, zwak siltig/ brokken beton
MM03.04
O13 (22-70)
Zand, zwak siltig/ sterk beton- en matig baksteenhoudend
MM04.01
O03 (100-150) + O05 (90-140) + O06 (80-130) + O08 (60-100)
Klei, zwak siltig-zandig/ geen
MM05.01
F09 (150-170) + F13 (90-130) + O10 (140-160) + O11 (65-100)
Klei, zwak zandig-siltig/ geen
MM06.01
F09 (170-220) + F13 (130-180) + O04 (120-170) + O05 (140-190) + O08 (100-150) + O11 (100-150) + O12 (150200)
Veen/ geen
MM07.01
O13 (90-140)
Klei, zwak zandig/ zwakke olie-water reactie, matige brandstofgeur
Minerale olie
MM08.01
O13 (180-230)
Klei, matig zandig/ zwak slibhoudend, sporen beton en baksteen, matige olie-water reactie, matige brandstofgeur
STAP grond + PFAS*
MM09.01/ MM09.01b
O13 (300-350)
Klei, matig siltig/ geen
Minerale olie en PCB
MM10.01
F02 (20-50) + F03 (20-50) + F05 (5-30)
Zand, zwak siltig/ zwak-matig slakhoudend, zwak puinhoudend, brokken beton, sporen glas
MM11.01
F02 (90-120) + F04 (90-140) + F05 (100-140) + F07 (210-250)
Veen, zwak kleiïg/ geen tot zwakke bodemvreemde bijmenging
PCB
STAP grond
STAP grond
Uitsplitsing MM11.01 MM11.02
F02 (90-120)
Veen, zwak kleiïg/ sporen metaal, zwak houthoudend
MM11.03
F04 (90-140)
Veen, laagjes klei/ zwak baksteenhoudend
MM11.04
F05 (100-140)
Veen/ geen
MM11.05
F07 (210-250)
Veen/ geen
MM12.01
F10 (5-55) + F10 (55-70) + F12 (5-30)
Zand, zwak siltig/ o.a. matig-uiterst slakhoudend, zwakmatig kolengruishoudend
MM13.01
F11 (20-70) + F11 (70-100)
Zand, zwak siltig/ o.a. kolengruis- en slakhoudend, zwakke tot matige teergeur
MM14.01
F14 (20-60) + F14 (60-110) + F15 (20-50)
Zand, zwak siltig/ o.a. kolengruishoudend en matig puin- of baksteenhoudend
STAP grond
STAP grond
Uitsplitsing MM14.01
*
17 I 33
MM14.02
F14 (20-60) + F14 (60-110)
Zand, zwak siltig/ o.a. matig puin- of baksteenhoudend
MM14.03
F15 (20-50)
Zand, zwak siltig/ zwak kolengruishoudend
MM15.01
F07 (110-160) + F10 (70-100) + F11 (120-150) + F12 (100-140) + F14 (120-170) + F15 (50-90)
Klei, zwak zandig-siltig/ geen
MM16.01
F07 (160-210) + F10 (160-200) + F11 (150-200) + F12 (140-190) + F14 (220-250) + F15 (120-170)
Veen/ geen
MM17.01
F02 (200-250) + F04 (200-240) + F06 (200-250)
Veen/ geen
STAP grond
STAP-grond
Ondanks dat de locatie niet specifiek verdacht is met betrekking tot het voorkomen van noemenswaardig verhoogde gehalten aan PFAS is de zintuiglijk met minerale olie verontreinigde bodemlaag aanvullend onderzocht op deze stofgroep in verband met mogelijke afvoer naar een reinigingsinstelling en dan doorgaans ook om deze stofgroep gevraagd wordt.
M20124
Aanvullend bodemonderzoek Burgemeester D. Kooimanweg 14 te Purmerend
Asbestonderzoek Van het aangetroffen asbestverdachte plaatmateriaal in het opgegraven ophoogmateriaal, afkomstig van de locaties F02, F04 en F11 is, conform de NEN5896, kwantitatief asbestonderzoek verricht middels stereo- en polarisatiemicroscopie ter verificatie of er daadwerkelijk sprake is van asbesthoudend plaatmateriaal. Mede naar aanleiding van het materiaalonderzoek (kwantitatieve asbestonderzoek) zijn in totaal een zestal mengmonsters van de in het veld samengestelde fijne fractie (<20 mm) conform de NEN5896 onderzocht op de aanwezigheid van asbest. Opgemerkt wordt dat buiten het uitgevoerde asbestonderzoek tevens op de inpandige boorlocatie O07 in de aangetroffen puinlaag onder de betonverharding asbestverdacht materiaal is aangetroffen. Het betreffende plaatmateriaal is eveneens verpakt en ten behoeve van kwantitatief asbestonderzoek (ter verificatie of er daadwerkelijk sprake is van asbesthoudend plaatmateriaal) aangeboden bij het laboratorium van Eurofins Omegam. In tabel 7 zijn de diverse (meng)monsters en de eigenschappen ervan weergegeven. Tabel 7: Eigenschappen mengmonsters t.b.v. asbestonderzoek Afkomstig van/ samengesteld uit gegraven gat (laag)
Omschrijving/bijzonderheden
O07
O07 (30-100)
5 stukjes plaatmateriaal
F04
F04 (5-90)
1 stukje plaatmateriaal
F06
F06 (5-90)
4 stukjes plaatmateriaal
F11
F11 (5-50) + F11 (50-100)
23 stukjes plaatmateriaal
Mengmonster
Analyse
Materiaalonderzoek Kwantitatief asbestonderzoek
Asbest in ophooglaag (fractie <20 mm) F04
F04 (5-90)
Ophooglaag: met name kolengruis, slakken en puin, matige teergeur, 1 stukje AVM
F06
F06 (5-90)
Ophooglaag: met name kolengruis, slakken en puin matige olie-water reactie, sterke teergeur, 4 stukjes AVM
F07
F07 (5-90)
Ophooglaag: met name kolengruis, slakken, matig zandhoudend, sterke teergeur
F11 (5-50) + F11 (50-100)
Ophooglaag: met name kolengruis, slakken en zand, matige teergeur, 23 stukjes AVM
F11 F12
F12 (5-25)
Ophooglaag: met name slakken, kolengruis en zand
F14
F14 (10-60
Ophooglaag: met name puin, baksteen, slakken en zand
Asbest in puin
3.6 Grondwatergegevens en uitgevoerde analyses In tabel 8, op de volgende pagina, zijn de in het veld gemeten grondwatergegevens en de uitgevoerde analyses op het grondwater weergegeven. Hierbij wordt opgemerkt dat in aanvulling op het onderzoeksprogramma: het grondwater ter plaatse van de extra geplaatste peilbuis (O13), ter verificatie van de grondwaterkwaliteit, is onderzocht op brandstofcomponenten (vluchtige aromaten en minerale olie); in verband met de plaatselijk sterk verhoogde gehalten aan PAK in de aangetroffen ophooglaag het grondwater uit de peilbuizen F01, F04 en F06 t/m F14 aanvullend is onderzocht op PAK.
18 I 33
M20124
Aanvullend bodemonderzoek Burgemeester D. Kooimanweg 14 te Purmerend
Tabel 8: Eigenschappen grondwatermonster Troebelheid (NTU) 2
EC (mS/cm)
Diepte filter (m-mv) *
Grondwaterpeil (m-mv)
pH 1
F01
2,5-3,5
1,10
6,8
16,2
5,6
F06
2,5-3,5
1,20
6,8
21,0
3,6
Peilbuis
3
F07
2,5-3,5
1,15
6,6
9,8
2,9
F08
2,5-3,5
0,89
6,8
20,2
4,1
F09
2,5-3,5
1,12
6,6
22,3
3,3
Zintuiglijke waarneming
Analyse
Licht troebel Helder Licht troebel
Minerale olie, vluchtige aromaten en PAK
F11
2,5-3,5
0,98
6,5
62,5
3,7
F12
2,5-3,5
0,83
6,6
34,5
4,5
F13
2,4-3,4
1,05
6,6
25,0
1,9
Licht troebel
F14
2,5-3,5
0,91
6,4
41,5
3,3
Matig troebel
O10
2,5-3,5
1,05
6,5
24,4
3,3
Licht troebel
STAP grondwater
2,5
Matig troebel, zwakke brandstofgeur
Minerale olie + vluchtige aromaten
O13 1
2
3
1 / 2/ 3
*
2,5-3,5
0,97
6,8
34,3
Matig troebel
de zuurgraad (pH) hangt sterk samen met de biologische en chemische processen welke van nature in de bodem voorkomen maar kan ook worden beïnvloed door menselijk handelen. Over het algemeen varieert de pH van grondwater tussen de 6,0 en 8,5. de troebelheid wordt gemeten in de zogenaamde Nephelometric Turbidity Unit. Over het algemeen kan worden aangenomen dat grondwater van nature in de bodem een troebelheid heeft van 0-10 NTU. de geleidbaarheid (Ec) is primair afhankelijk van de hoeveelheid geladen deeltjes in het grondwater en wordt gemeten in millisiemens per cm. De geleidbaarheid in grondwater is locatie-afhankelijk en kan sterk variëren als gevolg van zowel natuurlijke chemische bodemprocessen maar ook door menselijk handelen. De geleidbaarheid van grondwater is over het algemeen gelegen tussen de 0,2 en 1,5 mS/cm maar kan door verzilting of de aanwezigheid van brak dan wel zout water oplopen tot wel 54 mS/cm (zeewater). opgemerkt dient te worden dat een afwijkende zuurgraad, geleidbaarheid of troebelheid op zich niet bezwaarlijk is maar eventueel gebruikt kunnen worden bij de interpretatie van analyseresultaten. Bij de veldwerkzaamheden is geconstateerd dat de het onderste deel (20-30 cm) van de ophooglaag ‘nat’ is maar dat het bovenste deel van onderliggende veenlaag nog droog is.
Geconcludeerd is dat er sprake is van hangwater in de ophooglaag en dat de daadwerkelijke grondwaterstand dieper in de veenlaag is gelegen (het onderste deel van de veenlaag is echt nat). Op basis van deze zintuiglijke waarnemingen zijn alle peilbuizen geplaatst in de onder de veenlaag aanwezige kleilaag. Opgemerkt wordt dat de grondwaterstand in de peilbuizen ten tijde van de bemonstering van het grondwater hoger is vastgesteld dan ten tijde van de plaatsing hetgeen naar verwachting wijst op een kwelsituatie ter plaatse.
De bovengenoemde grondwaterstand, zuurgraad (pH), troebelheid (NTU) en geleidbaarheid (EC) van het ondiepe grondwater zijn in het veld gemeten. De gemeten waarden met betrekking tot de zuurgraad en geleidbaarheid kunnen als normaal worden beschouwd en geven geen aanleiding voor opmerkingen. Ter plaatse van de peilbuizen is sprake van een verhoogde troebelheid hetgeen overigens overeenkomt met de zintuiglijke waarnemingen (licht tot matig troebel grondwater). De verhoogde troebelheid wordt zeer waarschijnlijk veroorzaakt door het siltige karakter van de ondergrond en geeft, mede gezien de analyseresultaten, geen aanleiding voor eventuele aanvullende stappen.