O-bijlagen-bij-de-toelichting-bijlage-6-aanvullend-bodemonderzoek-burg -d -kooimanweg-4-10C
Tekst van het document
Aanvullend bodemonderzoek Burgemeester D. Kooimanweg 4-10C te Purmerend Project: M20124
Aanvullend bodemonderzoek Burgemeester D. Kooimanweg 4-10C te Purmerend
Colofon opdrachtgever
BPD Ontwikkeling BV
document
M20124
versie
1.0
datum
05 augustus 2021
auteur controle
Projectinformatie en samenvatting Onderdeel
Omschrijving
Projectnaam
Burgemeester D. Kooimanweg te Purmerend
Soort onderzoek
Aanvullend bodemonderzoek conform NTA5755, NEN5740 en NEN5707
Projectnummer Prommenz
M20124
Opdrachtgever Contactpersoon opdrachtgever
BPD Ontwikkeling BV
Adres onderzoekslocatie
Burgemeester D. Kooimanweg 4-10C te Purmerend
Kenmerk rapportage
M20124.rapport.01a
Status
Definitief
Rapportagedatum
5 augustus 2021
Uitvoeringsdatum veldwerkzaamheden
Fase 1: 15, 16, 17 en 24 maart (bemonstering grond) en 24 maart 2021 (bemonstering grondwater) Fase 2: 24 juni en 2 juli 2021 (bemonstering grond en grondwater)
Resultaten grond, en grondwater
Zie paragraaf 4.2 t/m 4.5 Op basis van onderhavig en voorgaande onderzoeken wordt geconcludeerd dat op een vijftal locaties sprake is van een noemenswaardige verontreiniging van de grond waarmee bij de voorgenomen herontwikkeling rekening gehouden dient te worden. Voorafgaand aan de herontwikkeling dienen op ondergenoemde locaties sanerende maatregelen genomen te worden. Ondanks dat het bedrijventerrein reeds vanaf eind jaren ’60 aanwezig is, kan op basis van de beschikbare informatie niet éénduidig worden vastgesteld of de aangetroffen verontreinigingen van historische aard zijn (ontstaan voor 1987) en of eventuele saneringswerkzaamheden beperkt kunnen blijven tot een zogenoemd ‘geval van ernstige bodemverontreiniging’ (>25 m3 sterk verontreinigde grond).
Conclusies en aanbevelingen
De saneringslocaties op de diverse percelen langs de Burg. D. Kooimanweg 4-10 kunnen als volgt kort worden samengevat: zeer plaatselijk aangetroffen sterke verontreiniging van de ondergrond met zink op perceel 4 (totale omvang circa 15 m3); aangetroffen sterke grondverontreiniging met koper, lood en zink in de bovengrond op perceel 10-10A (totale omvang circa 330-390 m3); zeer plaatselijk aangetroffen matige tot sterke verontreiniging met minerale olie in de ondergrond op het oostelijk deel van het perceel 10-10A (totaal circa 18 m3); rondom de ondergrondse brandstoftank aangetroffen lichte tot sterke verontreiniging met minerale olie op het westelijk deel van het perceel 10-10A (totaal circa 10 m3); uitpandig plaatselijk aangetroffen sterke grondverontreiniging met minerale olie in de ondergrond op het perceel 10C (totaal circa 50 m3).
Aangezien het grondwater ter plaatse van genoemde locaties niet dan wel ten hoogste licht is verontreinigd, is in alle gevallen sprake van een immobiele verontreiniging. Gezien de situering van de aangetroffen immobiele verontreinigingen (op afgeschermd bedrijfsterrein, sterk begroeid, onder verhardingslaag dan wel schone bovengrond) vormen de betreffende verontreinigingen in de huidige situatie geen risico voor volksgezondheid en milieu en bestaat er, ons inziens, geen directe aanleiding voor (sanerings)stappen. Echter voorafgaand aan de voorgenomen herontwikkeling, zeker bij grondwerkzaamheden in, of het roeren van de betreffende sterk verontreinigde bodemlagen, dienen wel sanerende maatregelen genomen te worden.
Conclusie en aanbevelingen (vervolg)
Voorafgaand aan de sanerende maatregelen dient een zogenaamde BUSmelding (Besluit Uniforme Saneringen) ter beoordeling aan het bevoegde gezag te worden voorgelegd. De beoordeling neemt doorgaans vijf weken in beslag. Overigens kan in onderhavig geval ook overwogen worden tot het opstellen van een saneringsplan waarbinnen meer maatwerk opgenomen kan worden maar doorgaans ook een langere doorlooptijd kent (15 weken). Aanbevolen wordt om, afhankelijk van de diverse wensen, te bepalen of een BUS-melding of saneringsplan het beste past bij de voorgenomen planvorming. Na goedkeuring kunnen de saneringswerkzaamheden worden gestart waarbij tevens rekening moet worden gehouden met de eis dat saneringswerkzaamheden alleen uitgevoerd mogen worden door een BRL7000 gecertificeerde aannemer. Eventueel vrijkomende en af te voeren sterk verontreinigde grond dient te worden aangeboden bij een erkende verwerker dan wel stortplaats. Bij uitvoering van de saneringswerkzaamheden dient ter plaatse van de verschillende saneringslocaties rekening gehouden te worden met de maatregelen voor de veiligheidsklasse ‘rood-vluchtig’ (i.v.m. minerale olie) of ‘rood-niet vluchtig’ (i.v.m. lood). Enkel bij de saneringswerkzaamheden ter plaatse van perceel 4 is in het kader van de CROW400 geen veiligheidsklasse van toepassing.
Overigens dient voor alle werkzaamheden waarbij grond wordt geroerd in ieder geval een minimaal niveau van risicobeheersing in acht worden genomen hetgeen bekend staat als de basishygiëne. Opgemerkt wordt dat de vaststelling van genoemde voorlopige veiligheidsklasses indicatief is. Door een hogere veiligheidskundige dient dit te worden gevalideerd en dienen tevens de concrete beheersmaatregelen uitgewerkt te worden.
Auteur Projectleider Prommenz
Figuur 1: Topografische ligging onderzoekslocatie (gelegen binnen blauwe cirkel)
Inhoudsopgave PROJECTINFORMATIE EN SAMENVATTING 1 INLEIDING ............................................................................................................. 1 1.1
Aanleiding ....................................................................................................................... 1
1.2
Doel ................................................................................................................................ 1
1.3
Kwaliteitsborging ............................................................................................................. 2
1.4
Aansprakelijkheid ............................................................................................................ 2
1.5
Leeswijzer ....................................................................................................................... 2
2 VOORONDERZOEK................................................................................................. 3 2.1
Onderzoekslocatie ........................................................................................................... 3
2.2
Bodemopbouw en geohydrologie ..................................................................................... 4
2.3
Voorgaand onderzoek...................................................................................................... 4
2.4
Bodemkwaliteitskaart ....................................................................................................... 7
2.5
Mogelijke bronnen voor perfluoralkylverbindingen (PFAS) ................................................. 7
2.6
Conclusie vooronderzoek ................................................................................................. 8
3 UITGEVOERD ONDERZOEK ..................................................................................... 9 3.1
Onderzoeksstrategie ........................................................................................................ 9
3.2
Veldwerkzaamheden ...................................................................................................... 10
3.3
Maaiveld-inspectie verdachte activiteiten ....................................................................... 11
3.4
Resultaten veldwerkzaamheden ..................................................................................... 12
3.5
Uitgevoerde analyses grondonderzoek ........................................................................... 16
3.6
Grondwatergegevens en uitgevoerde analyses ................................................................ 19
4 ONDERZOEKSRESULTATEN ................................................................................... 20 4.1
Toetsingskaders ............................................................................................................ 20
4.2
Resultaten grond ........................................................................................................... 22
4.3
Resultaten asbestonderzoek .......................................................................................... 27
4.4
Resultaten grondwater ................................................................................................... 27
4.5
Interpretatie onderzoeksresultaten................................................................................. 28
5 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ......................................................................... 33 BIJLAGE I BIJLAGE II BIJLAGE III BIJLAGE IV BIJLAGE V BIJLAGE VI BIJLAGE VII BIJLAGE VIII
M20124
Aanvullend bodemonderzoek Burgermeester D. Kooimanweg 4-10C te Purmerend
1
Inleiding Prommenz Milieu B.V. heeft in opdracht van BPD Ontwikkeling BV een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de percelen Burgemeester D. Kooimanweg 4-10C te Purmerend.
1.1 Aanleiding De aanleiding van het aanvullend onderzoek is de voorgenomen herontwikkeling van de onderzoekslocatie van bedrijventerrein naar woonlocatie. Het onderzoek betreft een aanvulling op de reeds uitgevoerde bodemonderzoeken ter plaatse aangezien in deze onderzoeken de bodemkwaliteit en verontreinigingssituatie nog niet volledig in beeld is gebracht.
1.2 Doel Het doel van het aanvullend onderzoek is: het verifiëren van de in het voorgaand onderzoek aangetroffen grondverontreiniging met zink ter plaatse van het perceel Burgemeester D. Kooimanweg 4 en, indien er daadwerkelijk sprake is van een noemenswaardige verontreiniging, (voor zover mogelijk) direct de omvang van de verontreiniging; het verkrijgen van meer inzicht in de omvang van de aangetroffen grondverontreiniging met metalen tussen de percelen Burgemeester D. Kooimanweg 6 en 10A alsmede in de aan- dan wel afwezigheid van asbest in de puinhoudende bovengrond ter plaatse; het verifiëren van de in het voorgaand onderzoek aangetroffen grondverontreiniging met minerale olie ter plaatse van het perceel Burgemeester D. Kooimanweg 10A en, indien er daadwerkelijk sprake is van een noemenswaardige verontreiniging, (voor zover mogelijk) direct de omvang van de verontreiniging; het verifiëren van de in het voorgaand onderzoek aangetroffen grondverontreiniging met minerale olie ter plaatse van het perceel Burgemeester D. Kooimanweg 10C en, indien er daadwerkelijk sprake is van een noemenswaardige verontreiniging, (voor zover mogelijk) direct de omvang van de verontreiniging; het bepalen van de algehele milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater ter plaatse van het bebouwde deel van het perceel Burgemeester D.
Kooimanweg 10C aangezien ter plaatse nog geen bodemonderzoek is verricht. Daarnaast is op basis van de milieuhygiënische kwaliteit nagegaan of, en zo ja welke, maatregelen nodig zijn voor het werken in verontreinigde grond. Dit vanwege eventuele toekomstige grondwerkzaamheden.
1 I 35
M20124
Aanvullend bodemonderzoek Burgermeester D. Kooimanweg 4-10C te Purmerend
1.3 Kwaliteitsborging Er bestaat geen andere relatie met de opdrachtgever of eigenaar van de locatie dan de relatie als opdrachtgever en opdrachtnemer. Onder opdrachtnemer worden naast Prommenz Milieu B.V. ook de zusterbedrijven en het moederbedrijf bedoeld. Het bodemonderzoek is uitgevoerd conform de systematiek uit de BRL SIKB 2000 ‘Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek’, protocollen 2001, 2002 en 2018. De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd door van Prommenz Milieu B.V. Prommenz Milieu B.V. is erkend door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu en staat als erkend veldwerkbureau geregistreerd onder het certificaatnummer: NC-SIK-20324 (http://www.rwsleefomgeving.nl/ onderwerpen/bodemondergrond/erkenningen). De uitvoering van de analyses is verricht door het door de Raad van Accreditatie (RvA) geaccrediteerde laboratorium van Eurofins Omegam B.V. te Amsterdam.
1.4 Aansprakelijkheid Bodemonderzoek wordt uitgevoerd door verschillende bodemlagen te bemonsteren. Hiermee wordt getracht een waarheidsgetrouw beeld van de aanwezige bodemkwaliteit te geven. Het is echter niet uit te sluiten dat er plaatselijk (ernstige) verontreinigingen in de bodem voorkomen. De op grond van de in de NEN5740 voorgeschreven werkwijze betreft een steekproef, waardoor het mogelijk is dat plaatselijke verontreinigingen niet worden waargenomen. Prommenz Milieu B.V. staat in voor een uitvoering conform protocol en normen, maar aanvaardt hiervoor geen aansprakelijkheid.
1.5 Leeswijzer Na de inleiding wordt in hoofdstuk 2 het uitgevoerde vooronderzoek beschreven. In hoofdstuk 3 is het uitgevoerde onderzoek beschreven en in hoofdstuk 4 de resultaten. De conclusie van het onderzoek wordt omschreven in hoofdstuk 5.
2 I 35
M20124
Aanvullend bodemonderzoek Burgermeester D. Kooimanweg 4-10C te Purmerend
2
Vooronderzoek Ter bepaling van de onderzoeksstrategie van een bodemonderzoek wordt doorgaans een vooronderzoek conform de NEN 5725 uitgevoerd. Echter, aangezien onderhavig onderzoek een aanvulling betreft op de reeds uitgevoerde bodemonderzoeken en hierin vooronderzoeken conform de NEN5725 zijn uitgevoerd, is de uitvoering van een vooronderzoek achterwege gelaten. Voor het uitgevoerde vooronderzoek wordt verwezen naar de voorgaande onderzoeken, zijnde: Verkennend bodemonderzoek Burg. D. Kooimanweg 4-10 te Purmerend, Prommenz B.V., kenmerk 17277.rapport(totaal).01 d.d. 19 februari 2018; Bodemonderzoek Burgemeester D. Kooijmanweg 10c&14 te Purmerend, Antea Group, kenmerk 0420388.00 d.d. 22 februari 2018. In dit hoofdstuk zal de onderzoekslocatie worden beschreven en zullen de relevante resultaten uit bovengenoemde onderzoeken worden verwoord.
2.1 Onderzoekslocatie De onderzoekslocatie wordt gevormd door delen van de percelen Burgemeester D. Kooimanweg 4 t/m 10C te Purmerend. De percelen Burgemeester D. Kooimanweg 4 t/m 10C vormen een deel van het bedrijventerrein hetgeen gelegen is tussen de Burgemeester D. Kooimanweg en de spoorlijn ZaandamHoorn. De regionale ligging van de onderzoekslocatie is weergegeven in de overzichtstekening zoals opgenomen in bijlage 1 (blad 1 van 3). Kadastraal staat de locatie geregistreerd als ‘Purmerend – sectie D, nummer 2555, 6177 (perceel 4-6), 6176, 5867 (perceel 10-10A), 5866 (perceel 10B) en 5679 (perceel 10C). De betreffende percelen omvatten in totaal circa 9.000 m2 en zijn ten dele bebouwd (circa 3.000 m2) met een viertal bedrijfspanden en een woning, zijnde: Burgemeester D. Kooimanweg 4: betreft woning welke momenteel bewoond is in het kader van antikraak; Burgemeester D. Kooimaweg 6: betreft leegstaand bedrijfspand (voorheen in gebruik bij Goed Textiel, verkoop van tweedehands textiel en curiosa); Burgemeester D. Kooimanweg 10-10A: bedrijfspand in gebruik bij Distriq Purmerend Krantdepot; Burgemeester D. Kooimanweg 10B: leegstaand bedrijfspand; Burgemeester D. Kooimanweg 10C: grotendeels leegstaand bedrijfspand, enkel het oostelijk deel is nog in gebruik voor het opknappen van kleine bootjes.
Het onbebouwde deel is ten dele begroeid met gras (ten zuiden, oosten en noorden van perceel 4-6) maar voor het grootste deel verhard met klinkers en/of tegels maar plaatselijk met asfalt dan wel grind. In figuur 2 is de volledige locatie weergegeven.
3 I 35
M20124
Aanvullend bodemonderzoek Burgermeester D. Kooimanweg 4-10C te Purmerend
Figuur 2: Overzicht locatie (gelegen binnen rood kader)
De onderzoekslocatie is tevens in detail weergegeven op de situatietekening in bijlage 1 (blad 2 van 2). De kadastrale gegevens zijn eveneens opgenomen in bijlage 1.
2.2 Bodemopbouw en geohydrologie De regionale globale bodemopbouw ter plaatse is weergegeven in onderstaande tabel 1. De gegevens uit deze tabel zijn ontleend aan de gegevens van TNO (www.dinoloket.nl). Tabel 1: Regionale bodemopbouw Globale diepte beneden maaiveld (m)
Lithostratigrafie
Samenstelling
0 tot 17
Holocene afzettingen
Zand, zeer fijn tot uiterst grof, kleiig tot grindig, lokaal schelphoudend; klei, siltig tot zandig, lokaal humeus; veen, lokaal kleiig
17 tot 20
Formatie van Boxtel
Zand, zeer fijn tot zeer grof, lokaal kleiig, grindig of humeus; leem, lokaal zandig, lokaal humeus; klei, siltig tot zandig; veen, kleiig
De hoogte ter plaatse van de locatie varieert van circa -1,2 tot -0,5 m NAP. De grondwater-stand kan worden verwacht op circa 1,0 m-mv. Op basis van de bekende gegevens van TNO kan geen eenduidige grondwaterstroming worden opgemaakt maar gezien de ten oosten en zuiden gelegen watergang (sloot en kanaal De Where aan zuidzijde) zal deze vermoedelijk oostelijk dan wel zuidelijk gericht zijn.
2.3 Voorgaand onderzoek In het kader van de voorgenomen herontwikkeling en daarmee gepaard gaande transacties zijn in het recente verleden reeds een tweetal bodemonderzoeken op de locatie verricht, zijnde: 1) Verkennend bodemonderzoek Burg. D. Kooimanweg 4-10 te Purmerend, Prommenz B.V., kenmerk 17277.rapport(totaal).01 d.d. 19 februari 2018; 2) Bodemonderzoek Burgemeester D. Kooijmanweg 10c&14 te Purmerend, Antea Group, kenmerk 0420388.00 d.d. 22 februari 2018. De meest relevante bevindingen uit de documenten 1) en 2) zijn op de volgende pagina’s verwoord. Burgemeester D. Kooijmanweg 4-6:
4 I 35
M20124
Aanvullend bodemonderzoek Burgermeester D. Kooimanweg 4-10C te Purmerend
de bovengrond is overwegend niet verontreinigd met de geanalyseerde parameters, enkel plaatselijk is sprake van een lichte verontreiniging; de ondergrond is overwegend niet tot licht verontreinigd met enkele metalen. Echter op het zuidoostelijk deel is plaatselijk (boring 12) in de ondergrond (1,1-1,4 m-mv) een sterke verontreiniging met zink aangetroffen. De betreffende bodemlaag, waarin een zwakke bodemvreemde bijmenging is aangetroffen (slib, glas en afval), is tevens matig verontreinigd met koper en lood en licht verontreinigd met diverse overige parameters; in het grondwater is ten hoogste sprake van een licht verhoogd gehalte aan naftaleen.
In onderstaande figuur 3 is een uitsnede weergegeven van de situatietekening met daarop de situering van boring 12 alwaar de sterke verontreiniging in de ondergrond is aangetroffen. Figuur 3: Situatietekening voorgaand onderzoek (boring 12 binnen rode cirkel)
Burgemeester D. Kooijmanweg 10A en B:
Asfaltverharding:
in de aanwezige asfaltverharding, van zeer geringe dikte (4-12 cm), is geen PAK aangetroffen; de funderingslaag (circa 30-70 cm) onder de asfaltverharding is heterogeen van aard en bestaat zowel uit siltig zand, baksteenhoudend zand als een volledige baksteenhoudende laag; ter plaatse van het oostelijk deel is de baksteen- dan wel kolengruishoudende (boven)grond (0,1-0,8 m-mv) onder de betreffende verharding plaatselijk (boring 23 en 24) sterk verontreinigd met zink; de zintuiglijk ‘schone’ bodemlaag (zand) onder de verhardingslaag is niet verontreinigd met de geanalyseerde parameters; in het grondwater ter plaatse is enkel sprake van een licht verhoogd gehalte aan barium en naftaleen.
(voormalige) ondergrondse tank
ter plaatse is zowel een mangat als vulpunt aangetroffen waarmee geconcludeerd is dat er ter plaatse zeer waarschijnlijk nog sprake is van een ondergrondse (brandstof)tank; de bovengrond (boring 31, 0,2-0,7 m-mv) waarin een matige olie-water reactie is aangetroffen is sterk verontreinigd met minerale olie. De klei- en veenlaag in de ondergrond (>1,1 m-mv) zijn op basis van zintuiglijke waarnemingen niet verontreinigd met brandstofcomponenten; het grondwater ter plaatse is ten hoogste licht verontreinigd met naftaleen en xylenen.
Overig deel: 5 I 35
M20124
Aanvullend bodemonderzoek Burgermeester D. Kooimanweg 4-10C te Purmerend
de plaatselijk aangetroffen baksteenhoudende (boven)grond aan de zuidzijde (boring 51, 0,0-0,5 m-mv) en oostzijde (boring 44, 0,5-1,0 m-mv) van de locatie is respectievelijk sterk verontreinigd met koper, lood en zink dan wel matig verontreinigd met koper; de plaatselijk aangetroffen baksteenhoudende bovengrond op de westzijde van de locatie (boring 32, 0,1-0,5 m-mv en 41, 0,1-0,5 m-mv) is licht verontreinigd; de overige geanalyseerde bodemlagen, waaronder de ondergrond ter plaatse van de boringen 47 en 48 (waarin een zwakke brandstofgeur is waargenomen), de asfalthoudende bovengrond ter plaatse van boring 52 en baksteenhoudende kleiige ondergrond, zijn ten hoogste licht verontreinigd met voornamelijk enkele metalen, minerale olie en PCB; het grondwater is licht verontreinigd met minerale olie, naftaleen en xylenen.
In onderstaande figuur 4 is een uitsnede weergegeven van de situatietekening met daarop de situering van de diverse boringen alwaar de sterke verontreinigingen zijn aangetroffen. Figuur 4: Situatietekening voorgaand onderzoek
Overigens zijn destijds de plaatselijk aangetroffen bodemvreemde bijmenging (met name baksteenresten) door de monsternemer (die tevens is gecertificeerd conform BRL SIKB 2000 – Protocol 2018 ‘Maaiveldinspectie en monsterneming van asbest in bodem’) als niet-asbestverdacht beschouwd. In de bodem en op de aanwezige opstallen is geen asbestverdacht materiaal waargenomen. Document 2) heeft ondermeer betrekking op de bodemkwaliteit ter plaatse van het perceel 10C waarbij opgemerkt dient te worden dat enkel uitpandig onderzoek is verricht. Uit het betreffende onderzoek wordt met betrekking tot het perceel 10C opgemaakt dat: de locatie in het verleden in gebruik is geweest als kantoor maar de laatste jaren in gebruik bij een Skoda dealer als showroom. Door de eigenaar van het terrein is aangegeven dat hier recentelijk voor zover bekend geen verdachte activiteiten hebben plaatsgevonden; in 2004 reeds een verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd (Marees & Kistemaker, rapport met kenmerk 247828) waarbij enkel in het grondwater een licht verhoogd gehalte aan chroom en xylenen is gemeten.
In de grond zijn geen verhoogde gehalten aan onderzochte stoffen gemeten; de zintuiglijk ‘schone’ bovengrond niet verontreinigd is met de geanalyseerde parameters; de zintuiglijk ‘schone’ ondergrond licht is verontreinigd met cadmium; de ondergrond (0,9-1,1 m-mv) ter plaatse van boring 402, waarin een sterke olie-waterreactie is aangetroffen, matig is verontreinigd met minerale olie. Vluchtige aromaten zijn niet in verhoogde 6 I 35
M20124
Aanvullend bodemonderzoek Burgermeester D. Kooimanweg 4-10C te Purmerend
concentraties aangetroffen. In de bovenliggende zandige bovengrond (0,05 – 0,9 m-mv) alsmede de venige ondergrond (>1,1 m-mv) is zintuiglijk geen verontreiniging waargenomen. Tevens is in de diverse bodemlagen van de omringende boringen (401, 403, 407 t/m 409) zintuiglijk en/of analytisch geen verontreiniging aangetroffen met brandstofcomponenten; het grondwater ter plaatse (402) is licht verontreinigd met minerale olie, naftaleen en barium.
In figuur 5 is de uitsnede weergegeven van de situatietekening met daarop de situering van boring 402 alwaar een matige verontreiniging met minerale olie is aangetroffen. Figuur 5: Situatietekening voorgaand onderzoek
2.4 Bodemkwaliteitskaart Volgens de Bodemkwaliteitskaart gemeente Purmerend (LievenseCSO, document SOB00834.RAP001 d.d. 16 december 2019) wordt opgemaakt dat: de bodemfunctie van de locatie gedefinieerd is als ‘Wonen’; de locatie voor wat betreft de bodemkwaliteitszone en verwachte ontgravings- en toepassingsklasses gelegen is in een zogenaamd ‘uitgesloten gebied’. Uitgesloten gebieden zijn gebieden (locaties) waarvan wordt verondersteld dat de bodemkwaliteit heterogeen is dan wel het bodemgebruik een belemmering vormt voor vrij grondverzet. Dit betreft de zogenoemde 'verdachte percelen'. Dit zijn locaties waar (bedrijfs)activiteiten’ hebben plaatsgevonden (of plaatsvinden) waarvan bekend is, of het vermoeden bestaat, dat de bodemkwaliteit op de betreffende locatie c.q. perceel afwijkt van die van de omgeving waardoor er geen sprake is van een naar verwachting homogene bodemkwaliteit.
2.5 Mogelijke bronnen voor perfluoralkylverbindingen (PFAS) Sinds medio 2019 is de stofgroep PFAS als nieuwe parameter aan de te onderzoeken milieubelastende stoffen in grond en grondwater toegevoegd. Op grond van artikel 43 dan wel artikel 55ab van de Wet Bodembescherming dient de aanwezigheid van deze stoffen in de bodem te worden onderzocht tenzij kan worden aangetoond dat de bodem redelijkerwijs niet met PFAS kan zijn belast. Daarnaast dient op basis van het op 8 juli jl. van kracht geworden Tijdelijke Handelingskader PFAS (zie tevens §4.1), deze stofgroep eveneens bij het bepalen van de hergebruiksmogelijkheden van af te voeren grond te worden onderzocht.
7 I 35
M20124
Aanvullend bodemonderzoek Burgermeester D. Kooimanweg 4-10C te Purmerend
Of de onderzoekslocatie verdacht is voor verontreinigingen met PFAS en met name de varianten PFOA en PFOS, is nagegaan of sprake kan zijn geweest van activiteiten waarbij deze stof is gebruikt. Bekende toepassingen van PFAS zijn blusschuim, verf, vetvrij karton en papier en waterafstotende materialen zoals kleding, tapijten e.d. Ook aan smeermiddelen en mogelijk zelfs bestrijdingsmiddelen kunnen PFAS zijn toegevoegd. Op basis van de beschikbare informatie uit de voorgaande onderzoeken omtrent de bedrijfsactiviteiten wordt van de locatie niet verwacht dat ter plaatse sprake is van potentiële bronlocaties waar bijvoorbeeld uitgebreid blusschuim is gebruikt of één van de voornoemde producten is gefabriceerd. Er zijn echter geen bodemonderzoeken op of rond de locatie beschikbaar bij de opdrachtgever, gemeente Purmerend en Omgevingsdienst IJmond waarbij PFAS is geanalyseerd. Overigens is het door de vele verschillende potentiële bronnen lastig om voor een locatie aan te tonen dat deze volledig onverdacht zijn en kan de aanwezigheid van licht verhoogde gehalten aan PFAS evenmin volledig worden uitgesloten. Aangezien er geen specifieke aanwijzingen voor de aanwezigheid van PFAS zijn gevonden, wordt vooralsnog verwacht dat er geen noemenswaardige concentraties aan PFAS op de locatie aanwezig zijn.
2.6 Conclusie vooronderzoek Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek wordt geconcludeerd dat op in totaal een vijftal locaties (perceel 4, perceel 10-10A (3x) en perceel 10C) sprake is van een matige dan wel sterke verontreiniging van de grond waarvan de omvang in de voorgaande onderzoeken nog niet specifiek in beeld is gebracht. Tevens is nog geen bodemonderzoek verricht ter plaatse van het bebouwde deel van het perceel Burgemeester D. Kooimanweg 10C. Op basis van de beschikbare bodeminformatie bestaat er vooralsnog geen aanleiding om separate verdachte deellocaties te definiëren en wordt het bebouwde deel vooralsnog als onverdacht beschouwd ten aanzien van het voorkomen van een noemenswaardige bodemverontreiniging. Met betrekking tot het voorkomen van asbest is het overgrote deel van de locatie op basis van de beschikbare informatie niet specifiek verdacht. Enkel ter plaatse van het perceel 10-10A is plaatselijk sprake van een noemenswaardige bodemvreemde bijmenging in de bovengrond hetgeen de aanleiding is voor de uitvoering van een verkennend asbestonderzoek. Er zijn geen specifieke aanwijzingen voor de aanwezigheid van noemenswaardige concentraties aan PFAS maar er kan niet uitgesloten worden dat PFAS in de grond aanwezig is.
Doordat bij toekomstige (sanerings)werkzaamheden naar verwachting grond zal moeten worden afgevoerd is ervoor gekozen om PFAS wel mee te nemen in het onderzoek.
8 I 35
M20124
Aanvullend bodemonderzoek Burgermeester D. Kooimanweg 4-10C te Purmerend
3
Uitgevoerd onderzoek 3.1 Onderzoeksstrategie Op basis van het verrichte vooronderzoek zijn een zestal deellocaties onderscheiden alwaar aanvullend bodemonderzoek verricht dient te worden. In tabel 2 de onderzoeksstrategie en doelstelling van het onderzoek verwoord. Tabel 2: Onderzoeksstrategie bodemonderzoek Deellocatie
A: Burg. D. Kooimanweg 4
B: Burg. D. Kooimanweg 10-10A C: Burg. D. Kooimanweg 10-10A
Onderzoeksstrategie
NTA5755 1
het verifiëren van de in het voorgaand onderzoek aangetroffen grondverontreiniging met zink en, indien er daadwerkelijk sprake is van een noemenswaardige verontreiniging, (voor zover mogelijk) direct de omvang van de verontreiniging
NTA5755 1 NEN5707 2
het verkrijgen van meer inzicht in de omvang van de aangetroffen grondverontreiniging met koper, lood en zink alsmede in de aan- dan wel afwezigheid van asbest in de puinhoudende bovengrond ter plaatse
D: Burg. D. Kooimanweg 10-10A
NTA5755 1 E: Burg. D. Kooimanweg 10C
O: Burg. D. Kooimanweg 10C (bebouwd deel) 1
2
3
9 I 35
Doelstelling
NEN5740 3
Oppervlakte (m 2)
<100
<500 <400
het verifiëren van de in het voorgaand onderzoek aangetroffen sterke grondverontreiniging met minerale olie en, indien er daadwerkelijk sprake is van een noemenswaardige verontreiniging, (voor zover mogelijk) direct de omvang van de verontreiniging
<50
het verifiëren van de in het voorgaand onderzoek aangetroffen matige grondverontreiniging met minerale olie en, indien er daadwerkelijk sprake is van een noemenswaardige verontreiniging, (voor zover mogelijk) direct de omvang van de verontreiniging. Tevens zal de aangetroffen lichte grondwaterverontreiniging worden geverifieerd
<200
het bepalen van de algehele milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater
830
Nederlandse Technische Afspraak 5755, Onderzoeksstrategie voor nader onderzoek (NTA5755, juli 2010). De strategie van het nader onderzoek dient conform de NTA5755 te worden vastgesteld op basis van een conceptueel model zoals uit de beschikbare voorinformatie naar voren is gekomen. Het conceptueel model omvat diverse aannames over onder andere de ruimtelijke verdeling en verwachte verspreiding van de verontreinigingen op basis waarvan boor- en analyseplan is uitgewerkt. Op basis van de beschikbare gegevens uit het vooronderzoek is aangenomen dat ter plaatse van de diverse deellocaties sprake is van matige dan wel sterke grondverontreiniging van zeer beperkte dan wel relatief geringe omvang. Op basis van het voorgaand onderzoek wordt vooralsnog niet verwacht dat het grondwater ter plaatse noemenswaardig is verontreinigd. Op basis van de beschikbare gegevens is gekozen voor een onderzoeksopzet waarmee; 1. de omvang van de sterke verontreiniging met metalen of minerale olie wordt bepaald; 2. de milieuhygiënische kwaliteit van het grondwater ter plaatse van deellocatie E wordt geverifieerd. NEN5707+C2 – Bodem – Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond (december 2017), paragraaf 6.4.5, strategie voor een verdachte locatie met diffuse bodembelasting, heterogeen verdeeld Strategie voor een onverdachte niet-lijnvormige locatie (ONV-NL)
M20124
Aanvullend bodemonderzoek Burgermeester D. Kooimanweg 4-10C te Purmerend
In tabel 3 is het onderzoeksprogramma samengevat. Tabel 3: Onderzoeksprogramma bodemonderzoek Locatie
Boringen
Uit te voeren analyses
A: Burg. D. Kooimanweg 4
5 x 2,0 m-mv
Grond: 7 x koper, lood en zink + 1 x PFAS 2
B: Burg. D. Kooimanweg 1010A
6 x 1,0 m-mv 3 gaten 1
Grond: 6 x koper, lood en zink + 1 x PFAS 2 Grond: 1 x asbest
C: Burg. D. Kooimanweg 1010A
7 x 1,5 m-mv 3 gaten 1
Grond: 6 x koper, lood en zink + 1 x PFAS 2 Grond: 1 x asbest
D: Burg. D. Kooimanweg 1010A
5 x 2,0 m-mv
Grond: 1 x standaardpakket grond 3 + PFAS 2 Grond: 6 x minerale olie + organische stof
E: Burg. D. Kooimanweg 10C
5 x 2,0 m-mv
Grond: 1 x standaardpakket grond 3 + PFAS 2 Grond: 6 x minerale olie + organische stof Grondwater: 1 x minerale olie en vluchtige aromaten 5
O: Burg. D. Kooimanweg 10C (bebouwd deel)
4 x 1,0 m-mv 1 x 0,5 m-gws 1 x peilbuis
Grond: 2 x standaardpakket grond 3 + 2 x PFAS 2 Grondwater: 1 x standaardpakket 4
m-mv
meter minus maaiveld
m-gws
meter minus grondwaterstand
1
Te graven gaten in het kader van het uit te voeren asbestonderzoek met globale omvang van 0,3 x 0,3 x 0,5 m.
2
Gezien de mogelijke saneringswerkzaamheden en daarbij horende grondverzet wordt de grond, ondanks dat deze niet specifiek verdacht op het voorkomen van PFAS, aanvullend onderzocht op deze stofgroep (zijnde 28 stuks uit het Tijdelijk handelingskader. Droge stofgehalte; Sedimentkarakteristieken: organische stof en lutum; Metalen: barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink; Organische parameters: som PCB, som PAK en minerale olie. Zware metalen: barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink; Vluchtige aromatische koolwaterstoffen (BTEXXN en styreen) Vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen (o.a. chlooralifaten); Minerale olie (GC). Betreft grondwater uit bestaande peilbuis 402 van voorgaand onderzoek. Vluchtige aromaten: benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen en naftaleen.
3
4
5
Overigens dient te worden opgemerkt dat bij de veldwerkzaamheden al snel is gebleken dat bij de deellocaties B en C geen sprake is van separate verontreinigingssituatie maar van een aaneengesloten verontreiniging. Derhalve zijn de betreffende deellocaties bij de daadwerkelijke uitvoering als één deellocatie beschouwd.
3.2 Veldwerkzaamheden De veldwerkzaamheden zijn in principe in een tweetal fasen uitgevoerd vanwege een omvangrijkere en nieuwe aangetroffen verontreiniging ter plaatse van deellocatie B-C. De veldwerkzaamheden in de eerste fase (boor-/graafwerkzaamheden, het nemen van de grondmonsters en het plaatsen van de peilbuis), zijn uitgevoerd op 15, 16, 17 en 24 maart 2021. Het grondwater ter plaatse van de peilbuizen ter plaatse van de deellocaties E en O is op 24 maart 2021 bemonsterd. In fase 2, uitgevoerd op 24 juni en 2 juli, zijn aanvullende veldwerkzaamheden verricht ter plaatse van deellocatie B-C.
10 I 35
M20124
Aanvullend bodemonderzoek Burgermeester D. Kooimanweg 4-10C te Purmerend
In aanvulling/ afwijking van het (oorspronkelijke) onderzoeksprogramma: zijn ter plaatse van de deellocatie B-C aanvullend in totaal een zestal extra boringen (B07 t/m B11 en C08) verricht om meer inzicht te verkrijgen in de omvang van de grondverontreiniging; is ter plaatse van deellocatie B-C in het kader van het asbestonderzoek één gat minder gegraven in verband met de gecombineerde uitvoering van het asbestonderzoek ter plaatse van deze deellocaties; zijn ter plaatse van deellocatie B-C aanvullend een viertal peilbuizen geplaatst (C01a t/m C03a en C05a) in verband met een aangetroffen grondverontreiniging met minerale olie; zijn ter plaatse van deellocatie E in totaal aanvullend een vijftal extra boringen (E06 t/m E11) verricht om meer inzicht te verkrijgen in de omvang van de grondverontreiniging. De locaties zijn voorafgaand aan de boorwerkzaamheden uitgezet met behulp van RTK-dGPS (deellocatie A t/m E) dan wel met een meetlint (deellocatie O). Bovendien is bij de situering van de peilbuis ter plaatse van deellocatie O rekening gehouden met de aanwezigheid van de uitpandige grondverontreiniging (deellocatie E) op het oostelijk terreindeel. Al het veldwerk is uitgevoerd conform de BRL-SIKB 2000 - veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek en de bijbehorende SIKB-protocollen 2001, 2002 en 2018 (versie 6 d.d. 01-02-2018).
Alle veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd door van Prommenz Milieu B.V.
3.3 Maaiveld-inspectie verdachte activiteiten Voorafgaand aan de monstername zijn de diverse deellocaties visueel geïnspecteerd op de aanwezigheid van activiteiten die mogelijk tot een (oppervlakkige) bodemverontreiniging hebben geleid. Bij deze visuele inspectie van het maaiveld zijn de volgende bijzonderheden geconstateerd: bij de deellocaties B en C zijn puindelen op het maaiveld aangetroffen waarbij geen onderscheid is te maken tussen de deellocaties. Op basis van de visuele waarnemingen is sprake van één deellocatie. Op het maaiveld is weliswaar bodemvreemd maar geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Opgemerkt wordt dat een deel van zowel deellocatie B als C is verhard (asfalt dan wel grind); ter plaatse van deellocatie D zowel een mangat als vulpunt is aangetroffen waarmee geconcludeerd is dat er ter plaatse zeer waarschijnlijk nog sprake is van een ondergrondse (brandstof)tank; Ter plaatse van de deellocaties A, E en O zijn geen verdachte activiteiten aangetroffen (o.a. geen asbestverdacht of bodemvreemd materiaal op maaiveld). Opgemerkt dient te worden dat de visuele inspectie, als gevolg van het feit dat het deellocaties E en O (maar ook D) volledig zijn verhard, zich beperkt heeft tot een visuele inspectie van de verharding (op bijv. olievlekken of andersoortige verkleuringen).
Tot slot wordt opgemerkt dat in het veld tevens enkele stenen paaltjes zijn waargenomen welke waarschuwen dat ter plaatse sprake is van een gastransportleiding van de Gasunie. Uit de gedane KLICmelding wordt opgemaakt dat deze zowel aan de zuidelijke als oostelijke zijde van de locatie is gelegen.
11 I 35
M20124
Aanvullend bodemonderzoek Burgermeester D. Kooimanweg 4-10C te Purmerend
3.4 Resultaten veldwerkzaamheden Milieuhygiënisch onderzoek Tijdens de veldwerkzaamheden is de bodem zintuiglijk beoordeeld op de aanwezigheid van bodemvreemde materialen en andere waarnemingen die kunnen duiden op de mogelijke aanwezigheid van verontreiniging in de bodem. De locaties van de uitgevoerde boringen zijn weergegeven op de situatietekening in bijlage 1 (blad 2 van 3). In bijlage 2 is de bodemopbouw per boring weergegeven. In tabel 4 is de algemene bodemopbouw per deellocatie samengevat en in tabel 5 zijn de relevante zintuiglijke waarnemingen weergegeven. Tabel 4: Algemene bodemopbouw Deellocatie
A: Burg. D. Kooimanweg 4
B-C: Burg. D. Kooimanweg 10-10A
D: Burg. D. Kooimanweg 10-10A
E: Burg. D. Kooimanweg 10C
O: Burg. D. Kooimanweg 10C (bebouwd deel)
*
Laagdiepte (m-mv)
Grondsoort
0,0 – 1,0
Zand, zwak siltig
1,0 - 1,5
Zand, zwak siltig dan wel klei, zandig
1,5 – 2,0 *
Veen
0,0 – 0,5
Zand, zwak siltig / plaatselijk verharding met funderingslaag
0,5 – 1,5
Zand, zwak siltig, plaatselijk zandige kleilaag
1,5 – 1,8*
Veen
0,0 – 1,0
Zand, zwak siltig
1,0 – 1,5
Klei, zwak zandig / plaatselijk zand, zwak siltig of veen
1,5 – 2,0 *
Veen
0,1 – 1,0
Zand, zeer fijn tot matig fijn, zwak siltig
1,0 – 1,5
Klei, zwak zandig / veen
1,5 – 2,0
Veen
0,0 – 1,0
Betonvloer/ kruipruimte
1,0 – 1,5
Klei, zwak zandig-siltig/ plaatselijk siltig zandlaagje
1,5 – 2,8
Veen
2,8 – 3,0 *
Klei, siltig
maximale boordiepte
Tabel 5: Relevante zintuiglijke waarnemingen Boring
Laagdiepte (m-mv)
Grondsoort
Bijzonderheden
0,0 – 1,1
Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus
Sporen puin
A: Burg. D. Kooimanweg 4
A01
1,1 – 1,4
Zand, matig fijn, kleiïg, matig humeus
Zwak slib- en afvalhoudend
1,4 – 1,8
Klei, matig zandig
Zwak baksteenhoudend
A02
0,13 – 0,6
Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus
Sporen baksteen
A03
0,0 – 0,6
n.v.t.
Piepschuim
0,0 – 0,7
Zand, uiterst fijn, zwak siltig, zwak humeus
Zwak baksteen- en glashoudend
0,7 – 1,2
n.v.t.
Piepschuim
1,1 – 1,5
Zand, matig fijn, zwak siltig
Zwak slibhoudend
A04 A05
12 I 35
M20124
Aanvullend bodemonderzoek Burgermeester D. Kooimanweg 4-10C te Purmerend
Vervolg tabel 5: Relevante zintuiglijke waarnemingen Boring
Laagdiepte (m-mv)
Grondsoort
Bijzonderheden
Zand, matig fijn, zwak siltig
Brokken baksteen, uiterst betonhoudend, matig grindhoudend, zwak glashoudend
0,0 – 0,5
Zand, matig fijn, matig siltig, zwak humeus
Zwak betonhoudend, sporen kolengruis
0,5 – 0,7
Klei, sterk zandig,
Matig slibhoudend
Zand, matig fijn, matig siltig
Zwak baksteen- en betonhoudend
0,0 – 0,7
Zwak baksteen- en betonhoudend
B05
0,0 – 0,5
Zand, uiterst fijn, matig siltig, zwak humeus
Zwak betonhoudend, matig grind- en baksteenhoudend
B06
0,04-0,4
n.v.t.
Funderingslaag van grind, zwak slakhoudend
B07
0,0 – 0,4
Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus
Sterk baksteen- en betonhoudend, matig kolengruishoudend
B08
0,0 – 1,0
Zand, matig fijn, zwak siltig, brokken klei
Sporen baksteen
0,0 - 0,6
Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus
Brokken beton, zwak plastic- en baksteenhoudend
0,6 – 0,8
Zand, matig fijn, zwak siltig
Matig slibhoudend
0,0 – 0,5
Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus,
Brokken beton, zwak plastic- en baksteenhoudend
0,5 – 0,7
Zand, matig fijn, zwak siltig
Zwak baksteen- en betonhoudend
0,2 – 0,8
n.v.t.
Funderingslaag van beton dan wel brokken beton
1,1 – 1,3
Klei, matig zandig, zwak humeus
B-C: Burg. D. Kooimanweg 10-10A B01
0,0 – 0,5 0,5 – 0,7
B02
B03 B04
C01
C01a
C02
0,0 – 0,3 0,3 – 0,7
0,2-0,5 C02a
0,5-0,7 1,0-1,3
C03
Zwak grindhoudend
Zwak grindhoudend
n.v.t.
Sporen baksteen
0,0 – 0,5
Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus,
Zwak baksteen-, glas- en plastichoudend, matig betonhoudend
0,5 – 0,8
Zand, matig fijn, matig siltig
Laagjes slib
0,8 – 1,0
Zand, matig fijn, zwak siltig
Sporen baksteen, sterke olie-water reactie, sterke brandstofgeur,
1,0 – 1,5
Klei, sterk zandig, zwak humeus
Zwakke olie-water reactie, zwakke brandstofgeur
Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus
Matig baksteen- en betonhoudend, brokken asfalt, zwak grindhoudend Matig baksteen- en zwak grind- en slibhoudend, matige olie-water reactie en brandstofgeur,
0,7 – 0,9 0,9 – 1,0
Zand, matig fijn, zwak siltig
1,0 – 1,1
C04
13 I 35
Funderingslaag van baksteendelen
Klei, matig zandig
0,0 – 0,7
C03a
Sporen baksteen Funderingslaag van beton
Zwak slib- en - baksteenhoudend, sterke olie-water reactie, matige brandstofgeur, Matige olie-water reactie en brandstofgeur
1,1 - 1,4
Klei, matig siltig
1,4 – 1,6
Klei, matig siltig, zwak humeus
0,1 – 0,5
n.v.t.
0,5 - 1,1
Zand, matig fijn, matig siltig
Sporen grind
Geen olie-water reactie, zwakke brandstofgeur Funderingslaag: Beton/ grind zwak slakhoudend
C05/ C05a
0,0 – 0,5
n.v.t.
Volledig grind – zwak slakhoudend – dun asfaltlaagje op 0,2 m-mv
C07
0,0 – 0,5
Zand, matig fijn, zwak siltig
Brokken metaal, asfalt en baksteen, stukjes plastic
M20124
Aanvullend bodemonderzoek Burgermeester D. Kooimanweg 4-10C te Purmerend
Vervolg tabel 5: Relevante zintuiglijke waarnemingen Boring
Laagdiepte (m-mv)
Grondsoort
Bijzonderheden
Zwakke olie-water reactie, matige brandstofgeur
D: Burg. D. Kooimanweg 10-10A D01
0,2 – 0,7
Zand, matig fijn, kleiïg, zwak humeus,
D02
1,0 – 1,3
Klei, zwak zandig, matig humeus
Zwak baksteenhoudend
n.v.t.
Houten vloer met holle ruimte en een betonvloer van 0,2-0,4 m-mv
D03
0,0 – 0,4 0,4 – 0,6
D05
D06
0,3 – 0,5
Zand, matig fijn, zwak siltig
Matig betonhoudend Zwak kolengruishoudend
1,1 – 1,4
Klei, zwak zandig, matig humeus
Zwak baksteenhoudend
0,2 – 0,4
Zand, uiterst fijn, zwak siltig
Zwak kolengruishoudend
0,4 – 0,9
Zand, matig fijn, zwak siltig
Zwakke olie-water reactie, matige brandstofgeur
E: Burg. D. Kooimanweg 10C E01 E02 E04
Matige olie-water reactie, zwakke brandstofgeur, Matige olie-water reactie, matige brandstofgeur
0,6 – 0,9
Zwakke olie-water reactie, zwakke brandstofgeur
E06 E07
E10
Zwakke olie-water reactie, geen brandstofgeur 0,1 – 0,4
Zand, matig fijn, zwak siltig
Matig baksteenhoudend
0,7 – 1,1
Matige olie-water reactie, matige brandstofgeur
0,7 – 1,0
Zwakke olie-water reactie, geen brandstofgeur
1,0 – 1,5
Matig baksteen- en betonhoudend, zwak afvalhoudend
O: Burg. D. Kooimanweg 10C (bebouwd deel) O20 O21
O22
O23
O24
O25
0,1 – 1,0
Kruipruimte
0,2 – 0,95 0,95 – 1,0
Betonlaagje
0,2 – 0,95
Kruipruimte
0,95 – 1,0
Betonlaagje
0,2 – 1,0
n.v.t.
Kruipruimte
1,0 – 1,1
Betonlaagje
0,2 – 1,0
Kruipruimte
1,0 – 1,1
Betonlaagje
0,2 – 0,95
Kruipruimte
0,95 – 1,0
Betonlaagje
1,0 – 1,4
Zand, matig fijn, zwak siltig
Sterk baksteen- en betonhoudend
In aanvulling op tabel 5 wordt opgemerkt dat: de verhardingslaag ter plaatse van deellocatie B-C bestaat uit een dunne asfaltverharding en ter plaatse van het oostelijk deel uit een grindverharding waaronder een funderingslaag wordt aangetroffen van heterogene samenstelling (slakhoudend grind, beton- dan wel baksteendelen); boring D01 ter plaatse van deellocatie D is gestuit op circa 0,7 m-mv (vermoedelijk ondergrondse brandstoftank). De boring is 2 meter in zuidwestelijke richting verplaatst en gecodeerd als D06.
14 I 35
M20124
Aanvullend bodemonderzoek Burgermeester D. Kooimanweg 4-10C te Purmerend
Asbestonderzoek deellocatie B-C: Burg. D. Kooimanweg 10-10A Het veldwerk is bij daglicht uitgevoerd tussen 07:00 en 15:30 uur (motregen, 7 C, NW 4). Binnen het onderzoek zijn ter plaatse in totaal een vijftal gaten (0,3 x 0,3 meter) gegraven tot 0,5 m-mv welke allen zijn doorgeboord met een edelmanboor (12 cm) tot de ongeroerde onverdachte ondergrond (met een maximum van 2,0 m-mv). Per locatie is het opgegraven dan wel opgeboorde materiaal visueel geïnspecteerd op asbestverdacht materiaal en vervolgens gezeefd met behulp van een zeef 20 mm. In tabel 6 zijn de resultaten van het uitgevoerde veldonderzoek weergegeven. Tabel 6: Resultaten veldwerk verkennend asbestonderzoek Deellocatie
Afmetingen in m. (l x b)
Laagdiepte (m-mv)
Zintuiglijke waarneming
Gewicht fractie <20 mm (kg)
Gewicht fractie >20 mm (kg)
Zand, zwak siltig, brokken baksteen, uiterst betonhoudend, matig grindhoudend
42,3
17,2
B-C: Burg. D. Kooimanweg 10-10A B01
0,3 x 0,3
0,0 - 0,4
Ø 12 cm
0,4 – 0,7
Zand, zwak siltig, zwak grindhoudend
n.v.t.
n.v.t.
0,0 – 0,5
Zand, zwak siltig, zwak humeus, brokken beton, zwak baksteen-/asfalt- en plastichoudend
42,6
9,3
n.v.t.
n.v.t.
49,6
14 n.v.t.
0,3 x 0,3 C01
0,5 – 0,6
Zand, zwak siltig, sporen puin
0,6 – 0,8
Zand, zwak siltig
0,3 x 0,3
0,0 – 0,5
Zand, zwak siltig, zwak humeus matig betonhoudend, zwak baksteen-/asfalt en grindhoudend
Ø 12 cm
C03
C06
C07 m-mv
Ø 12 cm
0,5 – 0,8
Zand, zwak siltig
n.v.t.
0,3 x 0,3
0,0 – 0,5
Zand, zwak siltig, sporen stenen
59,01
0,1
Ø 12 cm
0,5 – 1,0
Zand, zwak siltig
n.v.t.
n.v.t.
0,3 x 0,3
0,0 -0,4
Zand, zwak siltig, zwak humeus, brokken baksteen, asfalt en ijzer (enkele stukjes plastic)
37
10
Ø 12 cm
0,4 – 0,9
Zand, matig siltig
n.v.t.
n.v.t.
meter minus maaiveld
Opgemerkt wordt dat bij de visuele inspectie van het opgegraven en opgeboorde materiaal in zowel de fractie <20 mm als >20 mm geen asbestverdacht materiaal is aangetroffen. Gezien de afwezigheid van asbestverdacht materiaal is in het veld één representatief mengmonster samengesteld van de opgegraven grond afkomstig uit de gaten B01, C01, C03 en C07 (MMgrond). Gezien de afwezigheid van een noemenswaardige bodemvreemde bijmenging ter plaatse van het gegraven gat C06 is het opgegraven materiaal ter plaatse niet specifiek verdacht ten aanzien van het voorkomen van asbest en derhalve niet opgenomen in het samengestelde mengmonster. Tevens is de onder de aanwezige verharding (asfalt of grind) aangetroffen funderingslaag (plaatselijk halfverharding) met een heterogene samenstelling voor zover mogelijk ter indicatie visueel geïnspecteerd op de aanwezigheid van asbestverdacht materiaal. De boringen B06, C02, C04 en C05 zijn uitgeboord met edelmanboor 12 cm. Per boring is al het opgeboorde materiaal gezeefd over 20 mm en zowel de grove fractie (>20 mm) als fijne fractie (<20 mm) visueel geïnspecteerd op asbestverdacht materiaal. Bij de visuele inspectie van het opgeboorde materiaal is in zowel de fractie <20 mm als >20 mm geen asbestverdacht materiaal aangetroffen.
Ter verificatie van deze visuele waarnemingen zijn van de fractie <20 mm één mengmonster (MMhalfverharding) samengesteld ten behoeve van het laboratoriumonderzoek.
15 I 35
M20124
Aanvullend bodemonderzoek Burgermeester D. Kooimanweg 4-10C te Purmerend
3.5 Uitgevoerde analyses grondonderzoek Van de opgeboorde grond zijn, op basis van grondsoort en zintuiglijke waarnemingen, diverse grond(meng)monsters samengesteld en geselecteerd voor chemische analyse. Hierbij dient te worden opgemerkt dat in afwijking van/ aanvulling op het onderzoeksprogramma: met betrekking tot deellocatie B-C een zestal extra grondmonsters zijn onderzocht op de metalen koper, lood en zink; met betrekking tot deellocatie B-C in totaal een zestal extra grondmonsters zijn onderzocht op minerale olie (incl. organische stof) in verband met een ter plaatse van boring C03 zintuiglijk met minerale olie verontreinigde bodemlaag; één mengmonster van de met minerale olie verontreinigde bodemlaag ter plaatse van deellocatie B-C aanvullend is onderzocht op een NEN-pakket en PFAS in verband met eventuele toekomstige afvoer; met betrekking tot deellocatie B-C één grondmengmonster minder is onderzocht op de stofgroep PFAS aangezien er bij nader inzien sprake is van één verontreiniging met metalen; met betrekking tot deellocatie E een vijftal extra grondmonsters zijn geanalyseerd op de parameter minerale olie (incl. organische stof). Milieuhygiënisch onderzoek In tabel 7 zijn de diverse (meng)monsters en de eigenschappen ervan weergegeven. Tabel 7: Eigenschappen mengmonsters Mengmonster
Samengesteld uit Boring/deelmonster
Grondsoort/bijzonderheden
Analyse
A01 (110-140)
Zand, kleiïg, matig humeus/ zwak slib- en afvalhoudend
Koper, lood, zink en PFAS
A-MM02.01
A01 (140-180)
Klei, matig zandig/ zwak baksteenhoudend
A-MM03.01
A01 (180-230)
Veen/ geen
A-MM04.01
A02 (100-150)
Zand, zwak siltig/ geen
A: Burg. D. Kooimanweg 4 A-MM01.01
A-MM05.01
A03 (100-150)
Klei, matig zandig/ geen
A-MM06.01
A05 (110-150)
Zand, zwak siltig/ zwak slibhoudend
A-MM07.01
A01 (50-100)
Zand, zwak siltig, zwak humeus/ sporen puin
Koper, lood en zink
B-C: Burg. D. Kooimanweg 10-10A
16 I 35
B-MM01.01
B01 (0-50)
Zand, zwak siltig/ brokken baksteen, uiterst betonhoudend, matig grindhoudend, zwak glashoudend
B-MM02.01
B02 (0-50)
Zand, matig siltig, zwak humeus/ zwak betonhoudend, sporen kolengruis
B-MM03.01
B03 (0-30) + B03 (30-70)
Zand, matig siltig, (zwak humeus)/ zwak grind- dan wel baksteen- en betonhoudend
B-MM04.01
B04 (0-50) + B04 (50-70)
Zand, matig siltig/ zwak baksteen- en betonhoudend
B-MM05.01
B05 (0-50)
Zand, matig siltig, zwak humeus/ zwak betonhoudend, matig grind- en baksteenhoudend
B-MM06.01
B01 (70-120) + B03 (70-120) + B04 (70-120) + B05 (50-100) + B06 (60-90)
Zand, zwak siltig/ geen
B-MM07.01
B07 (0-40)
Zand, zwak siltig, zwak humeus, sterk baksteen- en betonhoudend, matig kolengruishoudend
B-MM08.01
B08 (0-50) + B08 (50-100)
Zand, zwak siltig, brokken klei/ sporen baksteen
Koper, lood en zink
M20124
Aanvullend bodemonderzoek Burgermeester D. Kooimanweg 4-10C te Purmerend
Vervolg tabel 7: Eigenschappen mengmonsters Mengmonster
Samengesteld uit Boring/deelmonster
Grondsoort/bijzonderheden
Analyse
B-MM09.01
B01 (0-50) + B03 (0-30) + B03 (30-70) + B04 (0-50) + B04 (50-70) + B05 (0-50) + B07 (0-40) + C07 (0-50)
Zand, siltig/ zwak tot sterke bodemvreemde bijmenging
PFAS
B-MM10.01
B09 (0-30)
Zand, zwak siltig, zwak humeus/ sterk baksteen- en matig betonhoudend
B-MM11.01
B10 (30-60)
Zand, zwak siltig, zwak humeus/ sporen kolengruis
B-MM12.01
B11 (0-50)
Zand, zwak siltig, matig humeus/ sporen baksteen en beton,
C-MM01.01
C01 (0-50)
Zand, zwak siltig, zwak humeus, brokken beton, zwak plastic- en baksteenhoudend
C-MM02.01
C03 (0-50)
Zand, zwak siltig, zwak humeus, zwak baksteen-, glas-, en plastichoudend, matig betonhoudend
C-MM03.01
C06 (0-50)
Zand, matig fijn, zwak siltig/ geen
C-MM04.01
C07 (0-50)
Zand, zwak siltig/ brokken metaal, asfalt en baksteen, stukjes plastic
C-MM05.01
C01 (60-80) + C02 (80-110) + C03 (50-80)
Zand, zwak siltig/ slibhoudend
C-MM06.02
C04 (50-100) + C05 (50-100) + C06 (50-80) + C07 (50-100)
Zand, zwak tot matig siltig/ geen
C-MM07.01
C03 (80-100)
Zand, zwak siltig, sporen baksteen, matige olie-water reactie, zwakke brandstofgeur
Minerale olie
C-MM08.01
C08 (0-50)
Zand, zwak siltig/ geen
Koper, lood en zink
C-MM09.01
C03a (70-90) + C03a (90-100) + C03a (100-110)
Zand, zwak siltig/ geen tot matige bodemvreemde bijmenging, matige tot sterke olie-water reactie, matige tot sterke brandstofgeur
STAP grond + PFAS
C-MM10.01
C03a (110-140) + C03a (140-160)
Klei, matig siltig/ Geen olie-water reactie, zwakke brandstofgeur
C-MM11.01
C03a (160-210) + C03a (210-230)
Veen/ Geen olie-water reactie, geen brandstofgeur
C-MM12.01
C01a (70-90)
Zand, zwak siltig/ geen
C-MM13.01
C02a (70-100)
Zand, matig siltig/ geen
C-MM14.01
C05a (50-100)
Zand, zwak siltig/ geen
Koper, lood en zink
Minerale olie
D: Burg. D. Kooimanweg 10-10A D-MM01.01
D01 (40-60)
Zand, kleiïg, zwak humeus/ zwakke olie-water reactie, matige brandstofgeur
D-MM02.01
D06 (90-130)
Klei, zwak zandig, zwak humeus/ geen
D-MM03.01
D06 (130-180)
Veen/ geen
D-MM04.01
D02 (60-100)
Zand, zwak siltig, zwak humeus, laagjes klei/ geen
D-MM05.01
D04 (40-90)
Zand, matig siltig/ geen
D-MM06.01
D05 (50-100)
Zand, zwak siltig/ geen
D-MM07.01
D03 (60-100)
Zand, zwak siltig/ geen
STAP grond + PFAS
Minerale olie
E: Burg. D. Kooimanweg 10C
17 I 35
E-MM01.01
E01 (70-90)
Zand, zwak siltig/ matige olie-water reactie, zwakke brandstofgeur
E-MM02.01
E02 (60-90)
Zand, zwak siltig/ matige olie-water reactie, matige brandstofgeur
E-MM03.01
E03 (50-90) + E05 (60-90)
Zand, zwak siltig/ geen
E-MM04.01
E04 (60-90)
Zand, zwak siltig/ zwakke olie-water reactie, zwakke brandstofgeur
Minerale olie
M20124
Aanvullend bodemonderzoek Burgermeester D. Kooimanweg 4-10C te Purmerend
Vervolg tabel 7: Eigenschappen mengmonsters Mengmonster
Samengesteld uit Boring/deelmonster
Grondsoort/bijzonderheden
E-MM05.01
E06 (60-90)
Zand, zwak siltig/ zwakke olie-water reactie, geen brandstofgeur
E-MM06.01
E07 (70-110)
Zand, zwak siltig/ matige olie-water reactie, matige brandstofgeur
E-MM07.01
E08 (60-90) + E09 (60-90)
Zand, zwak siltig/ geen
E-MM08.01
E10 (70-100)
Zand, zwak siltig, zwakke olie-water reactie, geen brandstofgeur
E-MM09.01
O25 (100-140)
Zand, zwak siltig/ sterk baksteen- en betonhoudend
E-MM10.01
E01 (90-120) + E02 (90-120) + E04 (90-120) + E07 (110-130)
Klei, matig siltig/ geen
E-MM11.01
E01 (120-150) + E02 (120-150) + E04 (120-150) + E07 (130-180)
Veen/ geen
E-MM12.01
E01 (60-90) + E02 (60-90) + E04 (60-90) + E07 (70-110)
Zand, matig fijn, zwak siltig, zwakke tot matige oliewater reactie en brandstofgeur
STAP grond + PFAS
O-MM01.01
O20 (100-130) + O21 (120-150) + O22 (120-150) + O23 (110-140) + O24 (110-130) + O25 (140-150)
Klei, siltig/ geen
STAP grond + PFAS
O-MM02.01
O20 (150-200) + O21 (150-200) + O22 (150-200) + O23 (150-200) + O24 (130-180) + O25 (150-200)
Veen/ geen
STAP grond
Analyse
Minerale olie
O: Burg. D. Kooimanweg 10C (bebouwd deel)
Asbestonderzoek Bij het uitgevoerde verkennend asbestonderzoek ter plaatse van de deellocatie ‘B-C: Burg. D. Kooimanweg 10-10A’ is op het maaiveld en in de opgegraven grond geen asbestverdacht materiaal (AVM) aangetroffen. Aangezien ter plaatse van de gegraven gaten B01, C01, C03 en C07 wel sprake is van een noemenswaardige bodemvreemde bijmenging is van deze meest verdachte bodemlaag één mengmonster samengesteld van de grondfractie (fractie <20 mm) welke conform de NEN5898 onderzocht op de aanwezigheid van asbest. Aangezien in het opgeboorde funderingsmateriaal/ halfverharding eveneens geen asbestverdacht materiaal is aangetroffen is van deze laag, afkomstig van de boringen B06, C02, C04 en C05, ter verificatie één mengmonster onderzocht op de aanwezigheid van asbest. In tabel 8 zijn beide (meng)monsters en de eigenschappen ervan weergegeven. Tabel 8: Eigenschappen mengmonsters t.b.v. asbestonderzoek Mengmonster
Samengesteld uit gegraven gat (laag)
Grondsoort/bijzonderheden
Analyse
Zand, siltig/ zwak tot sterke bodemvreemde bijmenging, geen AVM aangetroffen
Asbest in grond
Heterogene funderings- dan wel halfverhardingslaag (Grind, zwak slakhoudend – Brokken beton) / geen AVM aangetroffen
Asbest in puin
B-C: Burg. D. Kooimanweg 10-10A
Grond B-C - MMgrond
B01 (0-40) + C01 (0-50) + C03 (0-50) + C07 (0-40)
Funderingslaag/ Halfverharding B-C MMhalfverharding
18 I 35
B06 (4-40) + C02 (0-20) + C02 (50-80) + C04 (0-10) + C04 (40-50) + C05 (0-50)
M20124
Aanvullend bodemonderzoek Burgermeester D. Kooimanweg 4-10C te Purmerend
3.6 Grondwatergegevens en uitgevoerde analyses In tabel 9 zijn de in het veld gemeten grondwatergegevens en de uitgevoerde analyses op het grondwater weergegeven. Tabel 9: Eigenschappen grondwatermonster Peilbuis
Diepte filter (m-mv)
Grondwaterpeil (m-mv)
pH 1
Troebelheid (NTU) 2
EC (mS/cm) 3
Zintuiglijke waarneming
Analyse
B-C: Burg. D. Kooimanweg 10-10A C01a
1,3 – 2,3
C02a
1,3 – 2,3
C03a
1,3 - 2,3
C05a
1,3 – 2,3
0,78
7,2
13,2
2,9
Licht troebel
0,65
6,7
34,8
2,8
0,65
7,0
38,2
3,4
0,40
6,5
51,5
2,6
0,8
6,6
23,5
2,19
Matig troebel
Minerale olie +vluchtige aromaten
7,08
49,7
2,37
Matig troebel
STAP grondwater
Matig troebel
Minerale olie +vluchtige aromaten
E: Burg. D. Kooimanweg 10C 402 *
1,1 – 2,1
O: Burg. D. Kooimanweg 10C (bebouwd deel) O25 * 1
2
3
1 / 2/ 3
1,5 – 2,5
1,01
betreft bestaande peilbuis uit voorgaand onderzoek van Antea. de zuurgraad (pH) hangt sterk samen met de biologische en chemische processen welke van nature in de bodem voorkomen maar kan ook worden beïnvloed door menselijk handelen. Over het algemeen varieert de pH van grondwater tussen de 6,0 en 8,5. de troebelheid wordt gemeten in de zogenaamde Nephelometric Turbidity Unit. Over het algemeen kan worden aangenomen dat grondwater van nature in de bodem een troebelheid heeft van 0-10 NTU. de geleidbaarheid (Ec) is primair afhankelijk van de hoeveelheid geladen deeltjes in het grondwater en wordt gemeten in millisiemens per cm. De geleidbaarheid in grondwater is locatie-afhankelijk en kan sterk variëren als gevolg van zowel natuurlijke chemische bodemprocessen maar ook door menselijk handelen. De geleidbaarheid van grondwater is over het algemeen gelegen tussen de 0,2 en 1,5 mS/cm maar kan door verzilting of de aanwezigheid van brak dan wel zout water oplopen tot wel 54 mS/cm (zeewater). opgemerkt dient te worden dat een afwijkende zuurgraad, geleidbaarheid of troebelheid op zich niet bezwaarlijk is maar eventueel gebruikt kunnen worden bij de interpretatie van analyseresultaten.
De bovengenoemde grondwaterstand, zuurgraad (pH), troebelheid (NTU) en geleidbaarheid (EC) van het ondiepe grondwater zijn in het veld gemeten. De gemeten waarden met betrekking tot de zuurgraad en geleidbaarheid kunnen als normaal worden beschouwd en geven geen aanleiding voor opmerkingen. Ter plaatse van de peilbuizen is sprake van een verhoogde troebelheid hetgeen overigens overeenkomt met de zintuiglijke waarnemingen (licht tot matig troebel grondwater). De verhoogde troebelheid wordt zeer waarschijnlijk veroorzaakt door het venige karakter van de ondergrond en geeft, mede gezien de analyseresultaten, geen aanleiding voor eventuele aanvullende stappen.
19 I 35
M20124
Aanvullend bodemonderzoek Burgermeester D. Kooimanweg 4-10C te Purmerend
4
Onderzoeksresultaten 4.1 Toetsingskaders De analyseresultaten van de grond, het grondwater en halfverhardings-/funderingslaag zijn getoetst aan één of meerdere van onderstaande toetsingskaders. Alle analyse- en toetsingsresultaten zijn per deellocatie opgenomen in de volgende bijlagen: Bijlage 3: deellocatie A: Burg. D. Kooimanweg 4; Bijlage 4: deellocatie B-C: Burg. D. Kooimanweg 10-10A; Bijlage 5: deellocatie D: Burg. D. Kooimanweg 10-10A; Bijlage 6: deellocatie E: Burg. D. Kooimanweg 10C; Bijlage 7: deellocatie O: Burg. D. Kooimanweg 10C (bebouwd deel).
Toetsingskader grond en grondwater De analyseresultaten zijn getoetst aan de achtergrondwaarden voor grond, de streefwaarden voor grondwater en de interventiewaarden voor grond en grondwater conform de Circulaire Bodemsanering 2013. Een nadere toelichting op het toetsingskader van de Circulaire bodemsanering en de daarbij behorende normstellingen is opgenomen in bijlage 8. Hierbij wordt opgemerkt dat de achtergrondwaarde is opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit en dat bij toetsing aan de achtergrondwaarde rekening gehouden dient te worden met artikel 4.2.2 uit deze regeling. Artikel 4.2.2 geeft een lichte verruiming van deze achtergrondwaarde voor een beperkt aantal parameters om zodoende een zeer licht verhoogd gehalte van een beperkt aantal parameters niet direct te moeten classificeren als ‘licht verontreinigd’. Bovendien zijn de analyseresultaten, ten behoeve van eventuele potentiële hergebruiksmogelijkheden van de grond, eveneens ter indicatie getoetst aan de normen zoals opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit (normen voor toepassen op landbodem). In het Besluit bodemkwaliteit worden bij deze toets de volgende classificaties gehanteerd: ‘Altijd toepasbaar’, klasse ‘Wonen’, klasse ‘Industrie’ en ‘Niet toepasbaar’. Met betrekking tot het Besluit bodemkwaliteit wordt volledigheidshalve opgemerkt dat gemeenten gebiedsspecifiek beleid kunnen voeren.
In dat geval gelden de Lokale Maximale Waarden (LMW), zoals deze zijn vastgesteld op een bodemkwaliteitskaart (Bkk).
PFAS Sinds 2012 wordt onderzoek gedaan naar de milieuhygiënische risico’s van de zogeheten per- en polyfluor-alkylverbindingen (PFAS) voor de grond en het grondwater. Deze groep stoffen omvat onder andere PFOS (Perfluoroctaansulfonzuur) en PFOA (Perfluoroctaanzuur).
20 I 35
M20124
Aanvullend bodemonderzoek Burgermeester D. Kooimanweg 4-10C te Purmerend
In juli 2019 zijn in het ‘Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie’ landelijke normen voor hergebruik vastgesteld. Op 2 juli 2020 is het ‘Tijdelijke handelingskader’ geactualiseerd waarbij onder meer onderstaande wijzigingen zijn doorgevoerd: de tijdelijke achtergrondwaarden in de landbodem voor PFOS, PFOA en ‘overige PFAS’ worden verhoogd naar respectievelijk 1,4 µg/kg ds, 1,9 µg/kg ds en 1,4 µg/kg ds; de toepassingsnorm voor hergebruik van grond en baggerspecie op landbodem onder grondwaterniveau is eveneens verruimd naar bovengenoemde normen. Voor het bepalen van een saneringsnoodzaak en -urgentie zijn nog geen landelijke normen vastgesteld. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) heeft wel milieukwaliteitswaarden voor PFAS afgeleid (RIVM briefrapport 2016-0001. A.M. Wintersen et al.). Deze waarden zijn recent nog herzien (RIVM Briefrapport 2018-0060. J.P.A. Lijzen et al.) en opgenomen in specifieke beleidsregels voor PFAS van diverse overheden. In dit onderzoek zijn de resultaten getoetst aan de ‘Beleidsregels PFAS Noord-Holland 2019’. Binnen deze beleidsregels is gesteld dat een locatie niet verontreinigd is als de ‘achtergrondwaarde’ niet wordt overschreden welke voor PFOS, PFOA en overige PFAS is vastgesteld op respectievelijk 1,5 µg/kg ds, 1,7 µg/kg ds en 1,5 µg/kg ds.