L -bestemmingsplan-tarwestraat-2022-toelichting-bijlagen
Tekst van het document
Bestemmingsplan
Tarwestraat 2022 Vastgesteld
Inhoudsopgave Bijlagen bij de toelichting
4
Bijlage 1
Klimaatadaptatie
5
Bijlage 2
Bezonningsstudie
41
Bijlage 3
Verkennend bodemonderzoek
48
Bijlage 4
Akoestisch onderzoek wegverkeer
98
Bijlage 5
Notitie natuurwetgeving
1532
Bijlage 6
Stikstofdepositie
1543
Bijlage 7 3.0
Basisveiligheidsniveau klimaatbestendige nieuwbouw
Bijlage 8 Intentieovereenkomst klimaatbestendige nieuwbouw MRA en Noord-Holland
1569 1605
bestemmingsplan "Tarwestraat 2022" (vastgesteld)
Bijlagen bij de toelichting
4
Bijlage 1 Klimaatadaptatie
1.1 Opdracht en aanleiding Opdracht: concretisering ambities Om te zorgen dat nieuwbouwprojecten (gebiedsontwikkeling), klimaatbestendig zijn heeft het BO ruimte van 10 december 2019 opdracht gegeven de ambities en uitgangspunten beschreven in het Ambitiedocument Klimaatbestendige nieuwbouw1 te testen en door te ontwikkelen. De ambities zijn geconcretiseerd door het formuleren van een basisveiligheidsniveau en dit te testen binnen de MRA Sleutelgebieden. Naast het basisveiligheidsniveau is de Handreiking klimaatbestendige nieuwbouw opgesteld waar toegelicht wordt hoe klimaatadaptatie geborgd kan worden in de verschillende planfases van een ontwikkeling. De woningbouwplannen uit de sleutelgebieden dragen in grote mate bij aan de invulling van de woningbouwbehoefte en hebben daarmee een grote impact op de omgeving. Binnen elk sleutelgebied is ingezoomd op een deelproject om aan te sluiten op het schaalniveau van het basisveiligheidsniveau. De praktijkreflectie heeft plaatsgevonden in de volgende sleutelgebieden: • • • • • • • • •
Stationsgebied Purmerend (deelproject: Golfterrein) Amsterdam Zuidwest – Kerncorridor – Hydepark (deelproject: Stadscentrum Hoofddorp) Zaan-IJ lob – Sloterdijken (deelproject: Sloterdijk I Zuid) Stationsgebieden Almere (deelproject: Floriade) Binnenstedelijke locaties Haarlem (deelproject: Haarlem Nieuw-Zuid) Kronenburg Amstelveen (deelproject: Kronenburg) IJmeer-oevers (deelproject: Strandeiland) Stationsgebied Lelystad (deelproject: Stationsgebied Lelystad) Hilversum MediaCenter (deelproject: Stationsgebied Hilversum)
Aanleiding: een basisveiligheidsniveau voor duidelijkheid. De ontwikkeling van een basisveiligheidsniveau draagt bij aan de concretisering van de ambities over klimaatdaptatie van de regio. Dat sluit aan bij de vraag van overheden en marktpartijen2. Uit de verkenning naar een minimum veiligheidsniveau blijkt dat gemeenten en marktpartijen behoefte hebben aan concrete handvatten om klimaatadaptatie toe te passen bij nieuwe woningbouw en inrichtingsprojecten. Een basisveiligheidsniveau helpt gemeenten vroegtijdig duidelijke doelen te formuleren wat zorgt voor vroegtijdige helderheid en tijdwinst omdat er minder overleg nodig is in de ontwerp- en ontwikkelfase. Dit draagt er aan bij dat in een vroeg stadium maatregelen genomen kunnen worden, wat grote investeringen in de toekomst beperkt. Projectontwikkelaars geven aan dat zij graag in een zo vroeg mogelijk stadium van een ontwikkeling een duidelijk kader van de overheid meekrijgen. Een duidelijk kader voor klimaatbestendige gebiedsontwikkeling zorgt ervoor dat de ontwikkelaars weten wat de bedoeling is en dus waar zij aan toe zijn (risicoreductie inschrijving). Hiermee ontstaat een gelijk speelveld voor iedere inschrijver bij aanbestedingen.
Een regionaal basisveiligheidsniveau zorgt er ook voor dat de kaders van verschillende overheden op elkaar aansluiten waarmee het afwentelen van negatieve gevolgen op naastgelegen gebieden en ongewenste concurrentie voorkomen wordt. Het doel is daarom een basisveiligheidsniveau te ontwikkelen wat met doelvoorschriften invulling geeft aan de klimaatbestendigheidsambities voor de MRA. Het basisveiligheidsniveau moet concreet en meetbaar zijn en toepasbaar op de hele MRA.
https://www.metropoolregioamsterdam.nl/wp-content/uploads/2019/08/Ambitiedocument-klimaatbestendige-nieuwbouw.pdf Rapportage - Klimaatbestendige nieuwbouw MRA: Verkenning minimum veiligheidsniveau (31 juli 2019)
1 2
4
BASISVEILIGHEIDSNIVEAU KLIMAATBESTENDIGE NIEUWBOUW
1.2 Ontwikkeling basisveiligheidsniveau Intentieovereenkomst Dit basisveiligheidsniveau is onderdeel van de intentieovereenkomst van de Metropoolregio Amsterdam tussen overheden, marktpartijen en andere ketenpartners voor klimaatbestendige nieuwbouw. Het basisveiligheidsniveau is een bijlage bij de intentieovereenkomst. Het basisveiligheidsniveau is ontwikkeld in samenwerking met experts vanuit overheden (gemeenten, waterschappen en de provincies) en marktpartijen (ontwikkelaars, woningbouwcorporaties en brancheorganisaties). Hiervoor is gebruik gemaakt van een aantal bouwstenen, namelijk: huidige richtlijnen, beleidsregels en ambities van de overheden binnen de MRA, de geselecteerde sleutelgebieden en basisveiligheidsniveaus uit andere regio’s (klimaattoets 1.0 Eindhoven en Convenant ZuidHolland en de afspraken voor klimaatadaptief bouwen in Utrecht). Ook zijn er in het kader van de Intentieovereenkomst Klimaatadaptieve nieuwbouw een aantal werksessies geweest waarin zowel publieke als private partijen hun inbreng op het Basisveiligheidsniveau konden leveren. Uit de verkenning naar de huidige richtlijnen, beleidsregels en ambities blijkt dat deze in sommige gevallen binnen de MRA ver uiteen liggen. In samenwerking met de experts uit de regio is gezocht naar een basisveiligheidsniveau wat zoveel mogelijk aansluit bij de richtlijnen uit de regio.
Wanneer de bestaande richtlijnen dermate veel verschillen binnen de regio is er aansluiting gezocht bij landelijke standaardisaties (bijvoorbeeld de referentienorm voor een hevige bui). Meekoppelkansen duurzaamheidsthema’s Het basisveiligheidsniveau richt zich op klimaatbestendige nieuwbouw. Maar een klimaatbestendige ontwikkeling biedt ook vele kansen voor andere duurzaamheidsthema’s, zoals energieneutraliteit en circulariteit. Met de selectie en formulering van de voorschriften is hier rekening mee gehouden. Op deze manier worden zoveel mogelijk groene en energieneutrale maatregelen gestimuleerd en kunnen verschillende duurzaamheidsdoelstellingen slim gecombineerd worden.
5
Vitale en kwetsbare functies In het basisveiligheidsniveau wordt verwezen naar vitale en kwetsbare functies. Dit zijn functies die bij uitval tot maatschappelijke ontwrichting en grote schade leiden. Denk aan functies zoals de energievoorziening, de hoofdinfrastructuur en ziekenhuizen. Bij deze functies is vaak ook sprake van lange hersteltijden bij schade en onderlinge afhankelijkheden. Gemalen zijn bijvoorbeeld afhankelijk van de stroomvoorziening om overtollig water weg te kunnen pompen. Daarnaast kunnen vitale en kwetsbare functies noodzakelijk zijn om een gebied te herstellen, bijvoorbeeld na een overstroming. Derhalve worden hier hogere, of specifieke eisen aan gesteld in het basisveiligheidsniveau. De volgende categorieën functies worden aangewezen, voor het basisveiligheidsniveau, als vitaal en kwetsbaar: elektriciteit, drinkwater en infrastructuur (wegen). Welke functies relevant zijn verschilt per ontwikkeling. In de toelichting (hoofdstuk 3.2) bij de verschillende onderwerpen (wateroverlast, droogte, hitte, overstromingen en natuurinclusiviteit) worden voorbeelden gegeven van functies die terug kunnen komen in een ontwikkeling. Kijk voor meer informatie over vitale en kwetbare functies op https://klimaatadaptatienederland.nl/overheden/ vitale-kwetsbare/ .
Samenvatting uitkomsten praktijkreflectie sleutelgebieden De 1.0 versie van het basisveiligheidsniveau is aangescherpt met een praktijkreflectie door de MRA sleutelgebieden (zie bijlage). De belangrijkste uitkomst van de praktijkreflectie is dat binnen de geconsulteerde sleutelgebieden ambtelijk draagvlak is voor een basisveiligheidsniveau op MRA schaal. Tevens heeft de reflectie een inhoudelijke reactie en aanscherping gegeven op het basisveiligheidsniveau.
BASISVEILIGHEIDSNIVEAU KLIMAATBESTENDIGE NIEUWBOUW
Tijdens de reflectie zijn de volgende kansen geïdentificeerd: Er is binnen de sleutelgebieden draagvlak voor een basisveiligheidsniveau op MRA niveau; Het basisveiligheidsniveau levert handvatten om plannen te toetsen op klimaatbestendigheid; Een MRA basisveiligheidsniveau draagt bij aan het verhogen en concretiseren van ambities, zet klimaatbestendigheid op de agenda en wordt binnen sommige gemeentes al verwerkt in het beleid; Het basisveiligheidsniveau vergroot de bewustwording op het gebied van klimaatbestendige nieuwbouw; Het basisveiligheidsniveau vult kennis aan. Met name op het gebied van hittestress voorziet het basisveiligheidsniveau in nieuwe richtlijnen; Het basisveiligheidsniveau kan mogelijk toegepast worden op de volgende punten binnen de sleutelgebieden; • Input voor tenders • Input voor gezamenlijke ontwikkelafspraken en ambities • Input voor beleidsontwikkeling • Input voor ontwerprichtlijnen Tijdens de prakrijkreflectie zijn de volgende aandachtspunten benoemd die van belang zijn in een nadere uitwerking en de toepassing van het basisveiligheidsniveau: Ambitieniveau: Het voorgesteld ambitieniveau van het basisveiligheidsniveau wordt onderschreven door de geconsulteerde sleutelgebieden. In sommige gevallen ligt de ambitie echter boven of onder de huidige gehanteerde normen en beleid.
Tevens is het basisveiligheidsniveau opgesteld in samenspraak met overheden (provincies, waterschappen en gemeenten). In een nadere afstemming om tot een intentieovereenkomst te komen zullen bredere ketenpartners geconsulteerd worden. Het ambitieniveau van het basisveiligheidsniveau kan uit dit traject nog bijgesteld worden. Mogelijkheid tot afwijken: Binnen het thema wateroverlast is er een specifiek voorschrift voor privaatterrein opgenomen. In verschillende gemeentes wordt een vergelijkbaar voorschrift al, naar tevredenheid, gehanteerd. Echter zijn er 6
ook twijfels over de haalbaarheid in gebieden waar beperkte bergingsmogelijkheden zijn. Alleen als aangetoond is dat er werkelijk te beperkte bergingsmogelijkheden zijn, dan kan er gezocht worden naar maatwerkoplossingen om op een verantwoorde manier af te wijken van het basisveiligheidsniveau, in overleg met de verantwoordelijke overheden. Er is gekozen om hier geen regel over op te nemen in het basisveiligheidsniveau omdat de mogelijkheden tot afwijken gebiedsafhankelijk zijn. Ruimtevraag en investeringskosten: De sleutelgebieden kennen ieder een hoog ambitieniveau wat veelal een druk op de ruimtevraag betekent. Het is daarom een zoektocht om een balans te vinden tussen de ruimtelijke kwaliteit, opgave en klimaatadaptatiemaatregelen. Door in een vroeg stadium klimaatbestendig te ontwerpen kunnen verschillende ambities slim gecombineerd worden waardoor de ruimtevraag en investeringskosten beperkt zijn. Met het basisveiligheidsniveau wordt daarom de oproep gedaan om de voorschriften al in een vroeg stadium van de planvorming toe te passen. Van concept naar intentieovereenkomst Tijdens het proces om te komen tot een Intentieovereenkomst klimaatadaptieve nieuwbouw hebben we gewerkt aan de 3.0 versie van het basisveiligheidsniveau. In een aantal werksessies konden zowel marktpartijen als overheden hun input geven op de uitgangspunten en basisveiligheidsniveaus.
Daarbij is het thema Natuurinclusiviteit en biodiversiteit toegevoegd als vijfde pijler, zijn een aantal basisveiligheidsniveaus verder aangescherpt om tot goede consensus tussen alle partijen te komen, en hebben we gezocht naar zo veel mogelijk aansluiting bij de doelen en eisen vanuit de regio’s Zuid-Holland en Utrecht.
1.3 Leeswijzer
In het volgende hoofdstuk wordt de proceshandleiding beschreven. Hierin wordt nader toegelicht wat het basisveiligheidsniveau is en hoe het toegepast kan worden. In hoofdstuk drie wordt het basisveiligheidsniveau inhoudelijk beschreven. Allereerst wordt een overzicht gegeven van de uitgangspunten. Vanaf paragraaf 3.2 worden de basisveiligheidsniveaus per thema toegelicht. BASISVEILIGHEIDSNIVEAU KLIMAATBESTENDIGE NIEUWBOUW
Bijlage praktijkreflectie Zaan-IJ lob – Sloterdijken (deelproject: Sloterdijk I Zuid) Type project:
Kansen toepassing basisveiligheidsniveau:
Projectfase:
Aandachtspunten basisveiligheidsniveau:
Transformatie van bedrijventerrein naar woonwerkgebied Initiatieffase
Ambities:
Investeringsnota17: • Vasthouden van water (60 mm per uur) • Watergang transformatorweg • Ophoging gebied • Stimuleren kavelontwikkelaars • Verminderen van hittestress-effect • Vitale infrastructuur kavels hoog plaatsen. Kavelontwikkelaars worden hiertoe gestimuleerd. In de kaveleisen is de plaatsing op NAP +1,8 m geëist, dit is 0,5 m boven het waterniveau bij overstroming.
17
Basisveiligheidsniveaus sluiten grotendeels aan op huidige ambities en versterkt daarmee de impact. Op sommige punten is ligt het basisveiligheidsniveau boven de huidige normen (60 mm i.p.v. 70 mm wateroverlast).
amsterdam.nl/projecten/sloterdijk1/plannen-publicaties/
25
BASISVEILIGHEIDSNIVEAU KLIMAATBESTENDIGE NIEUWBOUW
Amsterdam Zuidwest – Kerncorridor – Hydepark (deelproject: Stadscentrum Hoofddorp) Type project:
Kansen toepassing basisveiligheidsniveau:
Projectfase:
Aandachtspunten basisveiligheidsniveau:
Ambities:
Invloed van de gemeente en, daarmee toepassingsmogelijkheden van het basisveiligheidsniveau, is beperkt wanneer grond niet in eigendom is.
Transformatie van kantorenpark naar woongebied (Hyde park) en herontwikkeling van enkele centrumlocaties
Mogelijk input voor ontwikkellocaties waar de gemeente tenders uit kan zetten Input voor beleidsontwikkeling
Ontwerpfase (stadscentrum), Op enkele punten wordt het basisveiligheidsniveau Uitvoeringsfase (Hyde park) als zwaar ervaren (wateroverlast en overstromingen) Duurzaamheidsagenda Beukenhorst West18: Zorg voor piekbuiberging Richt natuurlijke afwatering in als dat mogelijk is; Zorg voor zoveel mogelijk compensatie van verharde oppervlakken, of zorg voor voldoende waterbergend vermogen op verharde oppervlakken; Uitvoering stresstest Centrumlocaties: Ambities en kaders in ontwikkeling
18
DUURZAAMHEIDSAGENDA Beukenhorst-West, Versie 1.0 - 23 mei 2018
27
BASISVEILIGHEIDSNIVEAU KLIMAATBESTENDIGE NIEUWBOUW
Stationsgebieden Almere (deelproject: Floriade) Type project:
Kansen toepassing basisveiligheidsniveau:
Projectfase:
Versterking ambities waardoor klimaatbestendigheid minder snel van de agenda verdwijnt onder tijdsdruk en stapeling van ambities.
Combinatie uitbereidingslocatie en wereldtuinbouw-tentoonstelling Ontwerpfase/uitvoeringsfase
Ambities:
Groene stad handboek19: Maximaal 60% verharding in het gebied (in de praktijk is dit minder geworden) Tuinen maximaal 20% verharding Optimale maaiveld glooiing: afwatering oppervlakte water Bouwpeil is ongeveer 20 cm hoger dan de aansluithoogte op straatniveau Zichtbare hemelwaterafvoer
19
Input voor beleidsvorming tenders (elders in Almere).
Aandachtspunten basisveiligheidsniveau:
Hergebruik van hemelwater in woningen is wenselijk maar wordt bemoeilijk wegens het garanderen van drinkwaterkwaliteit.
Floriade handboek groene stad 20-12-2018
28
BASISVEILIGHEIDSNIVEAU KLIMAATBESTENDIGE NIEUWBOUW
Amstelveen Kronenburg (deelproject: Kronenburg) Type project:
Transformatie van een monofunctioneel kantorenpark naar een levendige campus
Projectfase: Ontwerpfase
Ambities:
Stedenbouwkundig plan Kronenburg-Uilenstede juli 202020: -Behouden en uitbreiden van waterpartijen -Vermindering van verharding
Kansen toepassing basisveiligheidsniveau:
Het concept basisveiligheidsniveau helpt met name om de onderwerpen de agenderen. De beleidskaders op het gebied van klimaatbestendigheid lopen in Amstelveen achter op de projecten. Het basisveiligheidsniveau is daarom een middel om het gesprek te voeren
20
over de te hanteren uitgangspunten voor klimaatbestendige ontwikkelingen.
Aandachtspunten basisveiligheidsniveau:
Berging privaatterrein: Het is belangrijk dat een gebied robuust ingericht wordt. Het maakt daarvoor niet uit of het water op privaat of openbaar terrein opgevangen en geborgen wordt. Het voorschrift met betrekking tot bergen op privaatterrein is daarin beperkend. Afvoer zonder schade: In het basisveiligheidsniveau wordt beschreven dat een ontwikkeling niet voor extra aan- of afvoer van water moet zorgen. In sommige gevallen is het wel mogelijk om zonder schade aan-of af te voeren. In deze gevallen zou afwijken toegestaan moeten worden.
STEDENBOUWKUNDIG PLAN KRONENBURG - UILENSTEDE
29
BASISVEILIGHEIDSNIVEAU KLIMAATBESTENDIGE NIEUWBOUW
Stationsgebieden Hilversum MediaCenter (deelproject: Stationsgebied Hilversum) Type project:
Herontwikkeling stationsgebied Hilversum.
Projectfase: Ontwerpfase
Ambities:
Watermanagementplan21: • De minimale ontwerpeis voor inrichting van de openbare ruimte is dat er geen schade door hemelwateroverlast (water in gebouwen) bij neerslag van 70 mm in 1 uur. • In de hele gemeente geldt voor nieuwbouw, aanbouw of verbouw, bij uitbreiding van het dakoppervlak, de verplichting de eerste 60 mm neerslag in 1 uur op eigen terrein te bergen en infiltreren en daarbovenop 20 mm neerslag in 1 uur ter plekke op maaiveld vast te houden zonder schade te voorzaken Stedenbouwkundiplan Stationsgebied Hilversum april 201922: • Beperkte hoeveelheid verharding • Zelfvoorzienend in de berging van hemelwater op piekmomenten (bui T=100). • Aanvullende capaciteit te zoeken in bijvoorbeeld ondergrondse bergingsbassins. • Hittestress wordt beperkt door het veelvuldig gebruik van bomen en groen op maaiveld.
21 22
Kansen toepassing basisveiligheidsniveau:
Het basisveiligheidsniveau sluit aan op de beleidsregels uit het watermanagementplan van de gemeente. De eerste ervaringen hiermee zijn positief en laten zien dat de richtlijnen werkbaar zijn. De gemeente Hilversum is grotendeels grondeigenaar van het plangebied. Dit biedt mogelijkheden om duurzaamheidscriteria op te nemen in aanbestedingen. Het basisveiligheidsniveau kan input geven voor deze criteria.
Aandachtspunten basisveiligheidsniveau:
Beperkte ruimte: De grootste uitdaging voor het stationsgebied is de beperkte ruimte, zowel bovenals ondergronds. Het gebied wordt verdicht en er wordt een parkeerkelder gerealiseerd. Met name de parkeerkelder neemt veel ruimte, ten koste van waterberging, in beslag. In de plannen wordt ruimte voor groen en waterberging gereserveerd, onder andere bij het busstation en op de daken. Er is nog niet berekend of dit voldoende is. Dat zal blijken in een nadere uitwerking van het plan.
Watermanagementplan Stedenbouwkundigplan Hilversum april 2019
30
BASISVEILIGHEIDSNIVEAU KLIMAATBESTENDIGE NIEUWBOUW
Stationsgebied Lelystad (deelproject: Stationsgebied) Type project:
Verdichting stationsgebied en stadshart.
Projectfase: Definitiefase
Ambities:
Nieuwe natuur en duurzaamheid zijn kwaliteits- en identiteitsdragers voor Lelystad. Deze aspecten zijn de belangrijk bouwstenen in de plannen voor het stationsgebied van Lelystad.
Kansen toepassing basisveiligheidsniveau:
De duurzaamheidsambities voor Lelystad worden op dit moment nader uitgewerkt en verankerd in het beleid. Het basisveiligheidsniveau vormt input voor de concretisering van de ambities.
Aandachtspunten basisveiligheidsniveau:
Stapeling aan ambities: Voor de ontwikkeling van het stationsgebied zijn de ambities hoog, maar in sommige gevallen ook tegenstrijdig. Er zijn weinig middelen en de sturing is beperkt. Dit vormt een risico om de ambities op het gebied van klimaatbestendigheid en duurzaamheid de behouden. Relevantie: Lelystad is een jonge gemeente, ontworpen op de tekentafel met een goed uitgedacht watersysteem. Hierdoor zijn niet alle onderwerpen uit het basisveiligheidsniveau even relevant. Het risico op overstromingen is erg laag, woningen hebben geen kelders en binnen de hele gemeente ligt een gescheiden riool systeem, HWA, wordt apart afgevoerd.
In Lelystad zijn veel kansen voor vergroening en verduurzaming. Steun vanuit de MRA zet deze kansen hoger op de agenda en kunnen daaraan bijdragen ze te verzilveren.
31
BASISVEILIGHEIDSNIVEAU KLIMAATBESTENDIGE NIEUWBOUW
Binnenstedelijke locaties Haarlem (deelproject: Haarlem Nieuw Zuid) Type project:
Verdichting stationsgebied en stadshart.
Projectfase: Definitiefase
Ambities:
Gebiedsverkenning OV-knooppunt Haarlem NieuwZuid, juni 2020: • Hemelwater zoveel mogelijk vasthouden • Watercompensatie voor extra verharding • Toevoeging van groene waterrijke plekken om hittestress tegen te gaan • Toepassing van groene daken en gevels
Kansen toepassing basisveiligheidsniveau:
Aandachtspunten basisveiligheidsniveau:
Door de ligging van Haarlem Nieuw Zuid in een polder is het moeilijk om aan alle voorschriften uit het basisveiligheidsniveau te voldoen. De mogelijkheden voor infiltreren van water zijn namelijk beperkt. Voor dergelijke situaties is maatwerk nodig. Het basisveiligheidsniveau geeft een voorschrift voor waterberging op privaatterrein. Er kan ook gekozen worden om dit op gebiedsniveau voor te schrijven zodat er een gedeelde verantwoordelijk is en er voor de beste oplossing gekozen kan worden. De gevolgen van langdurige regenbuien komen niet terug in het basisveiligheidsniveau.
Om klimaatbestendigheid te borgen in projecten zijn duidelijke eisen gewenst. Het basisveiligheidsniveau helpt de gemeente om deze eisen te stellen voor nieuwe ontwikkelingen. In Haarlem is dit geborgd in de richtlijn Duurzaam Bouwen.
32
BASISVEILIGHEIDSNIVEAU KLIMAATBESTENDIGE NIEUWBOUW
IJmeer-oevers (deelproject: Amsterdam Strandeiland) Type project:
Ontwikkeling van een nieuwe stadswijk met 8.000 woningen
Projectfase: Ontwerpfase
Ambities:
Stedenbouwkundig plan Strandeiland: • Strandeiland wordt klimaatbestendig ontwikkeld zodat de leefomgeving bestand is tegen extreme weersomstandigheden, zoals periodes van droogte, hevige regenval en storm. • De openbare ruimte heeft een bergingscapaciteit van 80 millimeter per uur en 120 millimeter per 2 uur. Voor kavels geldt de eis van de hemelwaterverordering. • Bij de ontwerpopgave van de openbare ruimte is groen de standaard op Strandeiland, komt verharding alleen waar het nodig is. De directe groeiomstandigheden (bodemeigenschappen, hoog-droog, laag-nat, zon, wind-luwte) spelen een belangrijke rol in de plant-en boomkeuze. Groen wordt zorgvuldig afgestemd op de locatie specifieke eigenschappen.
Kansen toepassing basisveiligheidsniveau:
De ervaring vanuit Strandeiland leert dat in een vroeg stadium ambities vastleggen helpt om tot een klimaatbestendige ontwikkeling te komen. Het basisveiligheidsniveau kan bijdragen aan het vroegtijdig stellen van ambities. Bestuurlijke vaststelling van het basisveiligheidsniveau of borging in beleid is dan wel noodzakelijk.
Aandachtspunten basisveiligheidsniveau:
Voorschriften die teveel sturen op maatregelen, zoals koele plekken en % schaduw kunnen voor ontwerpers beperkend zijn. Eventueel kan er een onderscheid gemaakt worden in wensen en eisen. Het voorschrift onder hitte met betrekking tot temperaturen in slaapkamervertrekken zou in bredere context gezien moeten worden (niet 1 maatregel). Zo wordt er aangesloten op de TOjuli eis. Bij de uitgangspunten over wateroverlast dient aangegeven te worden dat het stationaire buien betreft.
•
33
BASISVEILIGHEIDSNIVEAU KLIMAATBESTENDIGE NIEUWBOUW
34
BASISVEILIGHEIDSNIVEAU KLIMAATBESTENDIGE NIEUWBOUW
Bijlage 2 Bezonningsstudie
Bezonningsstudie Tarwestraat
Binnenwijkse Ontwikkel Locatie (BOL) Bevindingen 21 maart is (bij benadering) de eerste dag van de lente. Op deze dag zijn de dag en nacht overal op aarde even lang, ook wel de lenteequinox genoemd. De zon staat recht boven de evenaar en vervolgt vanaf deze dag zijn pad richting het noorden. Om deze reden is 21 maart een belangrijk meetpunt voor de bezonningsstudie. Het resultaat van deze datum is dat het een goede indicatie is voor de start van gunstige weersverwachtigngen en buitengebruik, waarbij deze datum als minimum kan worden beschouwd voor schaduwval. De tijdstippen 09:00 uur, 12:00 uur, 15:00 uur en 18:00 uur worden meestal gehanteerd.
In de ochtend valt de schaduw over de groenstrook aan de westkant van de ontwikkeling. Gedurende de middag ligt de schaduw op delen van het parkeerterrein tussen het niwue gebouw en de bestaande woningen. Na 15.00 uur valt de eerste schaduw op de achterzijde van de achtertuinen van woningen aan de oostelijke kant van de Tarwestraat. Voor de volledigheid wordt hieraan tegevoegd dat langs de achtertuinen bomen en struiken staan die ook nu al schaduw veroorzaken. Rond 18.00 uur bereikt de schaduw de achtergevels van de woningen en de gymzaal.
1.
2.
3.
4.
Afbeelding 1: 21 maart 09:00 uur Afbeelding 2: 21 maart 12:00 uur Afbeelding 3: 21 maart 15:00 uur Afbeelding 4: 21 maart 18:00 uur
Bezonningsstudie Tarwestraat
Binnenwijkse Ontwikkel Locatie (BOL) Bevindingen 21 juni, ookwel bekend als de “langste dag van het jaar”, is (bij benadering) de eerste dag van de zomer. Op deze dag staat de zon op zijn hoogst en is de dag op het noordelijk halfrond het langst, ookwel het zomersolsticium genoemd. De dagen worden vanaf dit moment weer korter. Om deze reden is 21 juni een belangrijk meetpunt voor de bezonningsstudie. Aangezien deze datum doorgaans gepaard gaat met gunstige weersverwachtingen en buitengebruik, wegen de waarnemingen zwaarder mee. De tijdstippen 09:00 uur, 12:00 uur, 15:00 uur en 18:00 uur worden meestal gehanteerd. In juni is ook 20:00 uur relevant.
De hoge stand van de zon is de reden voor de korte lengte van de schaduwen in de zomer. De schaduw van het woongebouw valt dan ook nauwelijks verder dan op het direct aansluitende maaiveld rond het gebouw. Pas in de late avond valt het gebouwschaduw op het gebouw van de gymzaal aan de oostkant. De bestaande woningen zijn niet betroffen van schaduwwerking door het nieuwe gebouw gedurende de zomer.
1.
2.
3.
4.
5.
Afbeelding 1: 21 juni 09:00 uur Afbeelding 2: 21 juni 12:00 uur Afbeelding 3: 21 juni 15:00 uur Afbeelding 4: 21 juni 18:00 uur Afbeelding 5: 21 juni 20:00 uur
Bezonningsstudie Tarwestraat
Binnenwijkse Ontwikkel Locatie (BOL) Bevindingen 23 september is (bij benadering) de eerste dag van de herfst. Op deze dag zijn de dag en nacht overal op aarde even lang, ook wel de herfst-equinox genoemd. De zon staat recht boven de evenaar en vervolgt vanaf deze dag zijn pad richting het zuiden. Om deze reden is 23 september een belangrijk meetpunt voor de bezonningsstudie. Het resultaat van deze datum is dat het een goede indicatie is voor het einde van gunstige weersverwachtingen en buitengebruik, waarbij deze datum als minimum kan worden beschouwd voor schaduwval. De tijdstippen 09:00 uur, 12:00 uur, 15:00 uur en 18:00 uur worden meestal gehanteerd.
In het najaar zijn de schaduwen weer een stuk langer. De ochtendzon werpt de schaduw tot ver in de westelijke groenstrook. Gedurende de dag wandelt de schaduw over het parkeerterrein. Rond 18.00 uur bereikt de schaduw de achtertuinen van de woningen aan de oostkant van de Tarwestraat.
1.
2.
3.
4.
Afbeelding 1: 23 september 09:00 uur Afbeelding 2: 23 september 12:00 uur Afbeelding 3: 23 september 15:00 uur Afbeelding 4: 23 september 18:00 uur
Bezonningsstudie Tarwestraat
Binnenwijkse Ontwikkel Locatie (BOL) Bevindingen 22 december, ookwel bekend als de “kortste dag van het jaar” is (bij benadering) de eerste dag van de winter. Op deze dag staat de zon op zijn laagst en is de dag op het noordelijk halfrond het kortst, ookwel het wintersolsticium genoemd. De dagen worden vanaf dit moment weer langer. Om deze reden is 22 december een belangrijk meetpunt voor de bezonningsstudie. Aangezien deze datum doorgaans gepaard gaat met ongunstige weersverwachtingen en buitengebruik, wegen de waarnemingen minder zwaar mee. De tijdstippen 09:00 uur, 12:00 uur, 15:00 uur en 18:00 uur worden meestal gehanteerd.
In december staat de zon zo laag dat in de ochtend bijna de hele situate door schaduw van bestaande en nieuwe bebouwing getroffen wordt. De schauw schuift weer in oostelijke richting waarbij de schaduw zo lang is dat de schaduw geruime tijd ook in de achtertuinen van de woningen aan de Tarwestraat valt en rond 15.00 uur ook op de achtergevels. De zon gaat al snel na 15.00 uur onder.
1.
2.
3.
4.
Afbeelding 1: 22 december 09:00 uur Afbeelding 2: 22 december 12:00 uur Afbeelding 3: 22 december 15:00 uur Afbeelding 4: 22 december 16:00 uur
Bezonningsstudie Tarwestraat
Binnenwijkse Ontwikkel Locatie (BOL) Conclusie • Het gebouw komt op een zo groot mogelijke afstand van de bestaande bebouwing te liggen. De schaduw treft in het voor- en in het najaar vooral in de avonduren op de bestaande woningen langs de Tarwestraat. • De woningen aan het oostelijke uiteinde van het rijtje langs de Tarwestraat worden in de achtertuin en laat in de avond aan de achtergevel getroffen. • Deze situatie doet zich vooral voor in het voor- en najaar, in jaargetijden derhalve waarin het gebruik van de buitenruimte minder intensief is dan in de zomermaanden. • De betreffende woningen beschikken over ruime achtertuinen van meer dan 10 meter diepte. Ook in de bestaande situatie is sprake van schaduwval veroorzaakt door opgaand groen aan de achterzijde van de tuinen en door bijgebouwen op de achterzijde van de tuinen. • Wat betreft de woningen in de nieuwbouw zelf liggen de woningen met de woonkamer ideaal georiënteerd op de zuidzijde. Alleen in de oachtend is er korte tijd sprake schaduw veroorzaakt door het eigen volume. • Gelet op het klimaat en het gebruik van de eigen buitenruimte van de omliggende bebouwing, achten wij de aantasting van schaduwval door de nieuwbouw minimaal.
bestemmingsplan "Tarwestraat 2022" (vastgesteld)
Bijlage 3 Verkennend bodemonderzoek
48
Landview BV Bodemonderzoek
Rapportnummer 2020309
INHOUDSOPGAVE
SAMENVATTING ............................................................................................................................ 2 1.
INLEIDING .............................................................................................................................. 3
2.
VOORONDERZOEK ............................................................................................................... 4 2.1 2.2 2.3
3.
BASISINFORMATIE ........................................................................................................ 4 HISTORISCH ONDERZOEK ........................................................................................... 4 ALGEMENE BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE ............................................... 5
OPZET BODEMONDERZOEK ............................................................................................... 6 3.1 3.2 3.3 3.4
4.
HYPOTHESE VERONTREINIGINGSSITUATIE ............................................................. 6 BEMONSTERINGSSTRATEGIE .................................................................................... 6 CHEMISCHE ANALYSES ............................................................................................... 6 TOETSINGSKADER ....................................................................................................... 7
RESULTATEN BODEMONDERZOEK ................................................................................... 9 4.1 4.2 4.3 4.4
RESULTATEN VELDONDERZOEK ................................................................................ 9 ANALYSERESULTATEN GROND ................................................................................ 10 ANALYSERESULTATEN GROND PFAS...................................................................... 11 ANALYSERESULTATEN GRONDWATER ................................................................... 11
5.
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN................................................................................. 12
6.
SLOTOPMERKINGEN .......................................................................................................... 13
7.
REFERENTIES ..................................................................................................................... 14
BIJLAGEN 1 2 3 4.1 4.2 4.3 5 6
Regionale situatie Lokale situatie met boorpunten Boorprofielen Analysecertificaten laboratorium Toetsing grond volgens BoToVa Toetsing grondwater volgens BoToVa Gegevens vooronderzoek Foto´s huidige situatie
Landview BV Bodemonderzoek
Rapportnummer 2020309
SAMENVATTING Naar aanleiding van de aanvraag van een omgevingsvergunning is door Landview BV een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie Tarwestraat 1 te Purmerend, gemeente Purmerend. Het bodemonderzoek is uitgevoerd volgens de NEN 5740 richtlijnen voor een niet-verdachte locatie. Het veldwerk is, door KIWA gecertificeerde medewerkers, uitgevoerd onder het procescertificaat BRL SIKB 2000, conform de VKB protocollen 2001 en 2002. In de bovengrond en ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aan de standaard parameters geconstateerd. In de bovengrond zijn individuele PFAS-verbindingen boven de 0,8 µg/kg d.s. gemeten. Op basis van het tijdelijk handelingskader valt de grond op de locatie in de klasse “wonen/industrie”. De gehalten aan PFAS-verbindingen zijn echter lager dan 1,5 µg/kg. Op basis van de beleidsregel van de provincie Noord-Holland wordt de locatie als niet verontreinigd beschouwd. In de ondergrond zijn geen individuele PFAS-verbindingen boven de 0,8 µg/kg d.s. gemeten. Op basis van het tijdelijk handelingskader valt de grond op de locatie in de klasse landbouw/natuur. In het grondwater is een lichte verhoging van molybdeen aangetroffen. De overige onderzochte stoffen zijn niet in verhoogde concentraties aangetroffen.
De aangetroffen verhogingen zijn dusdanig gering of verklaarbaar uit omgevingsfactoren, dat voor het instellen van een vervolgonderzoek geen aanleiding wordt gezien. Op de locatie bestaan, op grond van de resultaten van dit onderzoek, geen risico's voor de volksgezondheid of de ecologie bij het beoogde gebruik , wonen met tuin. Bij graafwerkzaamheden op het terrein bestaan er beperkingen in de mogelijkheid tot hergebruik van eventueel vrijkomende grond buiten de locatie. Voor hergebruik van grond buiten de locatie is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing. Indicatief getoetst en volgens de beleidsregel van de provincie Noord-Holland omtrent PFAS is de bovengrond en de ondergrond op de locatie is vrij toepasbaar. Graafwerkzaamheden kunnen volgens de CROW400 worden uitgevoerd, zonder dat er een veiligheidsklasse van toepassing is. De uiteindelijke klasse dient bepaald te worden door een veiligheidsdeskundige. Tijdens het onderzoek is zintuiglijk op het maaiveld en in de bodem geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Tijdens een verkennend bodemonderzoek (NEN 5740) wordt de bodem niet specifiek op asbest onderzocht. Om uit te sluiten of er asbest in de bodem aanwezig is, is uitvoering van een asbestonderzoek conform NEN 5707 noodzakelijk.
De uitvoering van een asbestonderzoek conform NEN 5707 wordt door Landview BV, gezien de resultaten van het verkennend bodemonderzoek niet noodzakelijk geacht. De uiteindelijke toetsende en handhavende taak ligt bij het bevoegd gezag, zijnde de gemeente. Deze samenvatting en de rapportage van de onderzoeksgegevens vormen een geheel.
-2-
Landview BV Bodemonderzoek
1.
Rapportnummer 2020309
INLEIDING
In opdracht van gemeente Purmerend is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd naar de mogelijke aanwezigheid van bodemverontreiniging op de locatie Tarwestraat 1 te Purmerend, gemeente Purmerend. Het onderzoek is verricht door Landview BV, in de periode januari - februari 2020, conform de offerte van 9 januari 2020. Een bodemonderzoek wordt steekproefsgewijs uitgevoerd en betreft daarmee dus een momentopname. Hierdoor hebben de onderzoeksresultaten een beperkte geldigheidsduur. Het bodemonderzoek is uitgevoerd volgens de NEN 5740 richtlijnen voor een niet-verdachte locatie. Het veldwerk is, door KIWA gecertificeerde medewerkers, uitgevoerd onder het procescertificaat BRL SIKB 2000, conform de VKB protocollen 2001 en 2002. Aanleiding voor het onderzoek is het verkrijgen van een omgevingsvergunning. Daarvoor is het noodzakelijk dat de kwaliteit van de bodem wordt vastgelegd. Doel van het onderzoek is aan te tonen dat op de locatie redelijkerwijs inderdaad geen, behalve van nature, verhoogde concentraties verontreinigende stoffen aanwezig zijn in de grond of in het grondwater. Daarnaast wordt op verzoek van de opdrachtgever, in verband met eventuele werkzaamheden op de locatie nagegaan of er PFAS-verbindingen in de grond aanwezig zijn. De locatie is niet direct verdacht voor GenX, waardoor kan worden volstaan met onderzoek op de 28 verbindingen uit het handelingskader.
De chemische analyses van de grond en het grondwater zijn verricht door Eurofins Omegam te Amsterdam. Dit laboratorium is geaccrediteerd door de Raad van Accreditatie. Landview BV is een onafhankelijk en erkend onderzoeksbureau. Er bestaat tussen de opdrachtgever cq. eigenaar van de locatie en Landview BV geen andere relatie dan die tussen opdrachtgever en opdrachtnemer. Het procescertificaat van Landview BV en het hierbij behorende keurmerk zijn uitsluitend van toepassing op de activiteiten inzake de monsterneming en de overdracht van de monsters, inclusief de daarbij behorende veldwerkregistratie, aan een erkend laboratorium of de opdrachtgever. Dit rapport heeft de volgende opbouw. Hoofdstuk 2 bevat een evaluatie van het vooronderzoek NEN 5725. De opzet van het bodemonderzoek en het toetsingskader worden in hoofdstuk 3 weergegeven. De resultaten van het veldonderzoek en analyses staan in hoofdstuk 4. Hoofdstuk 5 bevat de conclusies die hieruit kunnen worden getrokken, samen met aanbevelingen voor eventuele vervolgstappen.
-3-
Landview BV Bodemonderzoek
2.
Rapportnummer 2020309
VOORONDERZOEK
Ten behoeve van het verkennend bodemonderzoek is in november 2019 een vooronderzoek uitgevoerd volgens NEN 5725. Doel van het vooronderzoek is na te gaan of er op, of binnen een straal van 25 meter van, de onderzoekslocatie sprake is van de aanwezigheid van puntbronnen of overige potentieel bedreigende activiteiten. Op basis van de verzamelde gegevens wordt de onderzoeksstrategie opgesteld (zie hoofdstuk 3).
2.1
BASISINFORMATIE
De aanleiding tot het onderzoek is het verkrijgen van een omgevingsvergunning. De regionale situatie rond de onderzoekslocatie staat weergegeven in bijlage 1. De locatie bevindt zich binnen de bebouwde kom van Purmerend. In bijlage 2 is een situatietekening van het terrein gegeven. Tabel 1: overzicht basisgegevens Kadastraal bekend : gemeente Purmerend, sectie A, nummer 6457 (gedeeltelijk) Oppervlakte : circa 4.212 m² Gebruik verleden : agrarisch tot eind jaren ’80 / begin jaren ‘90 Gebruik heden : braakliggend in woonwijk Gebruik toekomst : mogelijk woningbouw
2.2
HISTORISCH ONDERZOEK
De gegevens van het historisch onderzoek zijn verzameld door Landview BV. Hierbij is gebruik gemaakt van informatie verkregen uit gesprekken met de opdrachtgever, eigenaren en of gebruikers van de locatie, zijnde de gemeente Purmerend. Daarnaast is informatie verkregen van de Omgevingsdienst IJmond. De informatie is bij voorkeur digitaal verkregen. Wanneer daartoe de noodzaak bestond, is aanvullende informatie verzameld door middel van archiefbezoek bij de gemeente of andere archieven. Voor verzamelen van de informatie is gebruik gemaakt van onderstaande bronnen. Tabel 2: overzicht geraadpleegde bronnen Aard Bron Bodeminformatie BIS Bodemkwaliteit Bodembedreigende activiteiten Toepassingen asbest Dempingen, activiteiten Voormalige activiteiten Bijzondere waarden Archeologie Verhardingen, bebouwingsgraad Eerdere onderzoeken
website OD IJmond bodemkwaliteitskaart website OD IJmond, www.bodemloket.nl locatie-inspectie, eerdere onderzoeken historische kaarten, opdrachtgever, locatie-inspectie lokale / regionale archieven, historische kaarten https://maps.noordholland.nl/extern/gisviewers/bodemvisie/ http://archeologieinnederland.nl opdrachtgever / gebruiker, locatie-inspectie opdrachtgever, eigen archief
relevantie groot gering X X X X X X X X
X
X
Bodemgebruik en situatie op het terrein: De locatie bevindt zich stedelijk gebied in de wijk Purmer Noord. De te onderzoeken locatie betreft een terrein met een oppervlakte van circa 4.212 m2, waarop zich geen bebouwing bevindt. De locatie ligt in een woonwijk, welke eind jaren ’80 – begin jaren ’90 van de vorige eeuw is gerealiseerd. Op de nu te onderzoeken locatie worden in de toekomst mogelijk woningen gerealiseerd. De locatie is momenteel in gebruik als grasland.
-4-
Landview BV Bodemonderzoek
Rapportnummer 2020309
Volgens de bodemkwaliteitskaarten bevindt de locatie zich in homogeen deelgebied 3 (De Purmer). Uit de kaarten blijkt dat op de locatie grond van kwaliteit “achtergrondwaarde” verwacht kan worden. Bedrijvigheid / Potentiële bronnen van verontreiniging: Bij de aanvraag van de offerte zijn de bij de gemeente Purmerend bekende gegevens aangeleverd. Uit de gegevens van de OD IJmond blijkt, dat er geen gegevens over de locatie bekend zijn (zie bijlage 5). Bodemloket (www.bodemloket.nl) heeft eveneens geen aanvullende gegevens over de locatie of de directe omgeving beschikbaar. Vergelijking tussen luchtfoto’s en topografische atlassen uit verschillende perioden heeft opgeleverd, dat het verkavelingspatroon vanaf begin jaren ’90 niet is gewijzigd. Daarvoor was de locatie in agrarisch gebruik. Uit historisch kaartmateriaal en luchtfoto’s blijkt dat op de grens van de nu te onderzoeken locatie, waar momenteel de openbare weg loopt een sloot heeft gelopen. De sloot loop niet op de nu te onderzoeken locatie. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat er brandstoftanks, met bodemvreemd materiaal gedempte sloten of aangevoerde verstevigingmaterialen op de locatie aanwezig zijn. Bij bodemonderzoeken die in het verleden door Landview BV in de omgeving zijn uitgevoerd, zijn over het algemeen geen noemenswaardige verontreinigingen geconstateerd.
Gezien de aard van de locatie is de kans op het aantreffen van asbestresten in de bodem als gevolg van bedrijfsmatige activiteiten, gebruik van asbesthoudende bouwstoffen, stortingen van asbestafval of asbestcalamiteiten wegens bijv. brand in de bodem zeer gering.
2.3
ALGEMENE BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE
Op grond van kaartmateriaal en gegevens van de Rijksgeologische Dienst (RGD), het voormalige Instituut voor Cultuurtechniek en Waterhuishouding (ICW), de voormalige Stichting voor Bodemkartering (STIBOKA), het DLO Staring Centrum, de Nederlandse Organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek (TNO) en Landview BV kan de volgende bodemopbouw worden verwacht. De locatie is gelegen in een gebied met een maaiveldhoogte van circa 3,7 m -NAP. Het freatisch grondwater bevindt zich op circa 1 m -maaiveld (mv). Dit betreft het ondiepe grondwater dat onder invloed van neerslag staat. De grondwaterstroming is naar het aanwezige oppervlaktewater toe gericht. Gezien de ligging is er waarschijnlijk sprake van lokale kwel (opwaartse stroming van het grondwater). De Pleistocene ondergrond, afgezet tijdens de laatste ijstijd, bevindt zich op een diepte tussen de 10 en 20 m -NAP. Deze goed doorlatende zandlagen worden beschouwd als het 1e watervoerende pakket. Gedurende verschillende overstromingsfasen zijn in het Holoceen, vanaf circa 10.000 jaar geleden, door de zee op de Pleistocene ondergrond mariene sedimenten afgezet en is plaatselijk veenvorming opgetreden. Deze Holocene afzettingen vormen de slecht tot matig doorlatende deklaag. De locatie is gesitueerd op een ontgonnen veenvlakte.
De venen van westelijk Nederland zijn, voor zover niet als brandstof of voor zoutwinning gebruikt, na de ontginning in de Middeleeuwen door ontwatering sterk geklonken. Typisch zijn in sommige gebieden de sloten met hoge waterstanden en de iets hoger dan de omgeving liggende slootranden. Het veen is soms met een dunne laag klei of zand bedekt, waarvan de herkomst niet altijd te achterhalen valt.
-5-
Landview BV Bodemonderzoek
Rapportnummer 2020309
3.
OPZET BODEMONDERZOEK
3.1
HYPOTHESE VERONTREINIGINGSSITUATIE
Op grond van het vooronderzoek is voor de opzet van het bodemonderzoek uitgegaan van een nietverdachte locatie, waar geen noemenswaardige verontreinigingen in de grond worden verwacht. In het grondwater worden, behalve arseen en of barium van nature, geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen verwacht.
3.2
BEMONSTERINGSSTRATEGIE
Uitgaande van een niet-verdachte locatie met een oppervlakte van 4.212 m² worden, conform de NEN 5740 en de BRL SIKB 2000 richtlijnen, de onderstaande werkzaamheden verricht Tabel 3: Werkzaamheden
Aantal grondboringen tot circa 0,5 m –mv Aantal grondboringen tot de grondwaterstand Aantal peilbuizen plaatsen (NEN) en monstername
11 3 1
Aantal analyses bovengrond Aantal analyses ondergrond Aantal analyses grondwater
2 1 1
De grond wordt in principe bemonsterd in trajecten van 0,5 m. Van deze algemene richtlijn kan worden afgeweken als tijdens het veldwerk duidelijk afwijkende lagen, zintuiglijke verontreinigingen of verschillende grondsoorten worden geconstateerd. Een zintuiglijke inspectie van het maaiveld en de opgeboorde grond op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen maakt deel uit van het onderzoek. De grondwaterstand bevindt zich op dusdanige diepte, dat de kwaliteit van het grondwater in het onderzoek dient te worden betrokken. Hiertoe wordt 1 boring verricht, welke met een peilbuis wordt afgewerkt. De filterstelling van de peilbuis is circa 0,5 m tot 1,5 m -grondwaterstand. Na een wachttijd van één week voor het herstel van het bodemchemisch evenwicht zullen 2 grondwatermonsters uit deze peilbuizen worden genomen.
3.3
CHEMISCHE ANALYSES
De grondmengmonsters en het grondwatermonster worden geanalyseerd op de stoffen van de standaardpakketten. Deze stoffen, die zijn geselecteerd door de overheid, vormen de belangrijkste parameters (graadmeters) voor mogelijke verontreinigingen. De analyses worden, conform de AS3000 richtlijnen, uitgevoerd door Eurofins Omegam uit Amsterdam. Dit laboratorium is geaccrediteerd door de Raad van Accreditatie. Grond De grondmonsters worden gekoeld getransporteerd en opgeslagen. De boven- en ondergrond worden onderzocht op de gehalten aan barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel, zink, polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK), polychloorbifenylen (PCB) en minerale olie (GC). De gehalten worden weergegeven in milligram per kilogram droge stof (mg/kg ds). Hiertoe wordt van de grond(meng)monsters het droge stofgehalte vastgesteld. Tevens worden representatieve monsters geanalyseerd op de gehalten aan organische stof en lutum (klei) ter vaststelling van de toetsingswaarden. De grond wordt aanvullend onderzocht op PFAS-verbindingen. De locatie is niet direct verdacht voor GenX, waardoor kan worden volstaan met onderzoek op de 28 verbindingen uit het handelingskader.
-6-
Landview BV Bodemonderzoek
Rapportnummer 2020309
Grondwater De grondwaterstand bevindt zich rond 1 m –mv. De vluchtige aromatische koolwaterstoffen en de vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen worden daarom bij voorkeur in het grondwater onderzocht. De aanwezigheid van deze vluchtige stoffen kan namelijk eerder worden aangetoond in het grondwater dan in de grond. Het grondwater wordt onderzocht op de concentraties aan arseen, barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel, zink, aromatische stoffen (inclusief naftaleen), (vluchtige) halogeen koolwaterstoffen en minerale olie. De concentraties worden weergegeven in microgrammen per liter (µg/l). De pH (zuurgraad), Ec (soortelijke geleiding) en troebelheid worden in het veld bepaald.
3.4
TOETSINGSKADER
Het toetsingskader voor verontreinigende stoffen in grond wordt gevormd door de achtergrond- en interventiewaarden uit de Regeling Bodemkwaliteit en de Circulaire Bodemsanering. Voor de toetsing van de grondwaterkwaliteit wordt het toetsingskader gevormd door de streef- en interventiewaarden. De analyseresultaten worden geïnterpreteerd aan de hand van deze toetsingskaders (zie bijlagen 4.2 en 4.3). De norm voor barium is (tijdelijk) ingetrokken. Indien er sprake is van verhoogde bariumgehalten ten opzichte van de natuurlijke achtergrond als gevolg van een antropogene bron, kan dit gehalte worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium. De toetsingswaarden voor de verschillende stoffen in de grond zijn afhankelijk van de hierin aanwezige hoeveelheid klei (lutum) en organische stof, omdat de verontreinigingen zich aan deze bodemdelen hechten. De achtergrondwaarde (AW2000) van een bepaalde stof komt overeen met de gehalten zoals die op dit moment voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden, waarvoor geldt dat er geen sprake is van belasting door lokale verontreinigingsbronnen. Bij overschrijding van deze achtergrondwaarde of de streefwaarde in het grondwater kunnen we spreken van een lichte verhoging.
Indien het gemiddelde van de achtergrond- of streefwaarde en de interventiewaarde (tussenwaarde) wordt overschreden, kunnen we spreken van een matige verhoging. De interventiewaarde is de waarde waarboven sprake is van een ernstige vermindering of dreigende vermindering van de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, plant of dier. Bij overschrijding van de interventiewaarde spreken we van een sterke verontreiniging. Als grondmengmonsters zijn onderzocht, kunnen de gehalten in afzonderlijke monsters hoger zijn. In een aanvullend of nader onderzoek kunnen vervolgens de enkelvoudige monsters worden geanalyseerd. Alleen met aanvullende analyseresultaten kan doorgaans voldoende inzicht worden verkregen in de omvang van de verontreinigingen. De ernst van een verontreiniging is, conform de Wet Bodembescherming (Wbb), gerelateerd aan een omvangscriterium. Om van een geval van ernstige bodemverontreiniging te kunnen spreken, dient voor ten minste één stof de interventiewaarde te worden overschreden in minimaal 25 m3 grond of 100 m3 grondwater. Als een voldoende beeld van de verontreinigingen is verkregen, kan een inschatting worden gemaakt van de eventuele risico's voor de volksgezondheid en de mogelijke gebruiksbeperkingen van de locatie.
Verontreinigingen die geheel of grotendeels na 1 januari 1987 zijn ontstaan, vallen onder de zorgplicht in de Wbb en dienen in principe zo spoedig mogelijk, ongeacht de ernst van de verontreiniging, te worden verwijderd. -7-
Landview BV Bodemonderzoek
Rapportnummer 2020309
PFAS De grond moet, in verband met het van kracht worden van het tijdelijk handelingskader voor hergebruik PFAS houdende grond en baggerspecie (d.d. 8 juli 2019) eveneens worden onderzocht op PFAS. Op 29 november 2019 is de geactualiseerde versie van het tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie van kracht geworden. Poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS) zijn chemische stoffen die van nature niet in het milieu voorkomen. Deze stofgroep bestaat uit ruim 6000 stoffen. Hiertoe behoren onder meer de stoffen perfluoroctaanzuur (PFOA), perfluoroctaansulfonaat (PFOS) en HFPO-DA (GenX). PFAS zijn stoffen die door mensen zijn gemaakt vanwege hun specifieke eigenschappen, zoals brandwerendheid en vuil- en waterafstotendheid. Zij worden al decennia gebruikt in industriële en andere processen en in vele producten. Ze worden toegepast in allerlei alledaagse toepassingen, zoals verf, blusschuim, pannen, kleding en cosmetica. Kenmerkend voor deze stoffen is dat ze persistent, mobiel en nauwelijks biologisch afbreekbaar zijn. Op grond van het onderzoek dat tot nu toe is gedaan is er vooruitlopend op een definitieve normstelling voor het toepassen van PFAS-houdende grond en baggerspecie een voorlopige norm vastgelegd, die boven de bepalingsgrens ligt.
Uitgangspunt van het tijdelijk handelingskader is dat de kwaliteit van de bodem, het grondwater en het oppervlaktewater hierdoor niet mag verslechteren (stand still). In het tijdelijke handelingskader zijn de onderstaande toetsingsnormen voor het toepassen van grond en baggerspecie op landbodem boven grondwaterniveau opgenomen. Tabel 4: Voorlopige toepassingswaarden voor het toepassen van grond en baggerspecie op de landbodem boven grondwaterniveau(1) (in μg/kg d.s.)(2) Bodemkwaliteitsklasse Wonen of industrie
Bodemfunctieklasse Wonen of industrie
PFOS = 3 PFOA = 7 GenX = 3 Andere PFAS = 3 Landbouw/natuur Wonen of industrie PFAS = 0,8 PFOS = 0,9 Landbouw/natuur, wonen of industrie Landbouw/natuur PFAS = 0,8 PFOS = 0,9 (1) Voor gebieden met een hoge grondwaterstand geldt in plaats van ‘boven grondwaterniveau’: tot ten hoogste 1 meter onder het maaiveld. (2) Op de waarden uit deze tabel hoeft (tot 10% organische stof) geen bodemtypecorrectie toegepast te worden (dit is overeenkomstig de systematiek zoals die op dit moment al voor PAK geldt).
De provincie Noord-Holland heeft op 20 november 2019 haar eigen beleidsregel gepubliceerd. Beleidsregel van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland houdende regels omtrent de Beleidsregel PFAS Noord-Holland 2019 d.d. 20 november 2019. In de beleidsregel is opgenomen dat indien de op een locatie aangetroffen gehalten van PFOS of PFOA in de grond lager zijn dan respectievelijk 1,5 µg/kg en 1,7 µg/kg, en/of in grondwater lager dan 0,01 µg/l, wordt de locatie als niet verontreinigd beschouwd. Stoffen behorend tot PFAS worden individueel per stof beoordeeld. Voor gehalten van andere stoffen behorend tot PFAS gelden de normen en handelwijze in deze beleidsregel zoals die voor PFOS gelden.
-8-
Landview BV Bodemonderzoek
5.
Rapportnummer 2020309
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
In de bovengrond en ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aan de standaard parameters geconstateerd. In de bovengrond zijn individuele PFAS-verbindingen boven de 0,8 µg/kg d.s. gemeten. Op basis van het tijdelijk handelingskader valt de grond op de locatie in de klasse “wonen/industrie”. De gehalten aan PFAS-verbindingen zijn echter lager dan 1,5 µg/kg. Op basis van de beleidsregel van de provincie Noord-Holland wordt de locatie als niet verontreinigd beschouwd. In de ondergrond zijn geen individuele PFAS-verbindingen boven de 0,8 µg/kg d.s. gemeten. Op basis van het tijdelijk handelingskader valt de grond op de locatie in de klasse landbouw/natuur. In het grondwater is een lichte verhoging van molybdeen aangetroffen. De overige onderzochte stoffen zijn niet in verhoogde concentraties aangetroffen. De hypothese dat in de grond geen verhoogde gehalten verontreinigende stoffen aanwezig zijn, wordt in het onderzoek niet geheel bevestigd. De hypothese dat in het grondwater geen verhoogde concentraties aanwezig zijn, behalve mogelijk van nature verhoogde concentraties, wordt in het onderzoek niet geheel bevestigd. De verhoogde gehalten aan PFAS-verbindingen kunnen worden verklaard door de diffuse aanwezigheid van deze stoffen in het milieu.
De licht verhoogde concentraties van molybdeen in het grondwater kan mogelijk worden verklaard door de aanwezigheid van zwevende fijne stofdeeltjes in het grondwater, zonder dat daadwerkelijk sprake is van verontreiniging. Dit is mogelijk ondanks het volgen van de vereiste procedures, zoals de filtratie van het bemonsterde grondwater. Waarschijnlijk is het bodemchemisch evenwicht bij de plaatsing van de peilbuis dusdanig verstoord, dat de gestelde standaard wachttijd van één week onvoldoende is geweest. De aangetroffen verhogingen zijn dusdanig gering of verklaarbaar uit omgevingsfactoren, dat voor het instellen van een vervolgonderzoek geen aanleiding wordt gezien. Op de locatie bestaan, op grond van de resultaten van dit onderzoek, geen risico's voor de volksgezondheid of de ecologie bij het beoogde gebruik, wonen met tuin. Bij graafwerkzaamheden op het terrein bestaan er beperkingen in de mogelijkheid tot hergebruik van eventueel vrijkomende grond buiten de locatie. Voor hergebruik van grond buiten de locatie is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing. Indicatief getoetst en volgens de beleidsregel van de provincie Noord-Holland omtrent PFAS is de bovengrond en de ondergrond op de locatie is vrij toepasbaar. Graafwerkzaamheden kunnen volgens de CROW400 worden uitgevoerd, zonder dat er een veiligheidsklasse van toepassing is.
De uiteindelijke klasse dient bepaald te worden door een veiligheidsdeskundige. Tijdens het onderzoek is zintuiglijk op het maaiveld en in de bodem geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Tijdens een verkennend bodemonderzoek (NEN 5740) wordt de bodem niet specifiek op asbest onderzocht. Om uit te sluiten of er asbest in de bodem aanwezig is, is uitvoering van een asbestonderzoek conform NEN 5707 noodzakelijk. De uitvoering van een asbestonderzoek conform NEN 5707 wordt door Landview BV, gezien de resultaten van het verkennend bodemonderzoek niet noodzakelijk geacht. De uiteindelijke toetsende en handhavende taak ligt bij het bevoegd gezag, zijnde de gemeente.
- 12 -
Landview BV Bodemonderzoek
6.
Rapportnummer 2020309
SLOTOPMERKINGEN
Het onderzoek is op zorgvuldige wijze verricht door Landview BV. Een bodemonderzoek wordt steekproefsgewijs uitgevoerd. Hierdoor hebben de onderzoeksresultaten een beperkte geldigheidsduur. Hoewel de grootste zorgvuldigheid wordt betracht bij de uitvoering van het onderzoek is het, juist door de steekproefsgewijze bemonstering, mogelijk dat plaatselijk afwijkingen in het bodemprofiel aanwezig zijn, welke tijdens het onderzoek niet naar voren zijn gekomen. Landview BV aanvaardt geen enkele aansprakelijkheid voor hieruit voortvloeiende schade of gevolgen van welke aard dan ook. In dit kader wordt tevens opgemerkt dat Landview BV niet kan instaan voor de volledigheid en juistheid van door derden verstrekte informatie en van eventueel door derden uitgevoerd (voor)onderzoek. Het uitgevoerde bodemonderzoek betreft een momentopname. Beïnvloeding van bodemkwaliteit zal ook plaats kunnen vinden na uitvoering van dit onderzoek. Naarmate er een langere tijd is verstreken na uitvoering van het onderzoek, dient meer voorzichtigheid te worden betracht bij het gebruik van de resultaten van het onderzoek. Dit rapport mag uitsluitend in zijn geheel worden gereproduceerd.
- 13 -
Landview BV Bodemonderzoek
7.
Rapportnummer 2020309
REFERENTIES
*
Bodem, Landbodem. Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, NEN 5725:2017. Nederlands Normalisatie-instituut, Delft, oktober 2017.
*
Bodem, Landbodem. Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek, NEN 5740/A1. Nederlands Normalisatie-instituut, Delft, februari 2016.
*
Beoordelingsrichtlijn voor het SIKB procescertificaat voor Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek BRL SIKB 2000. Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer, vigerende versie.
*
Bodem, boorsystemen en monsternemingstoestellen voor grond, sediment en grondwater, die worden toegepast bij bodemverontreinigingsonderzoek, NPR 5741. Nederlands Normalisatieinstituut, Delft, 1994.
*
Wijziging Circulaire bodemsanering. Vigerende versie. Staatscourant, ’s-Gravenhage.
*
Wijziging Regeling bodemkwaliteit. Vigerende versie. Staatscourant, ’s-Gravenhage.
*
Leidraad Bodembescherming. Vigerende aflevering. SDU uitgeverij, 's-Gravenhage.
*
Kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlaktewater in Noord-Holland benoorden het IJ. Regionale studies, Werkgroep Noord-Holland, Instituut voor Cultuurtechniek en Waterhuishouding, Wageningen, 1982.
*
Grondwaterkwaliteit. Een eerste presentatie van grondwaterkwaliteitsgegevens uit het Provinciaal Meetnet Grondwaterkwaliteit, Provincie Noord-Holland, december 1996.
*
Bodemkwaliteitskaart gemeente Purmerend, projectnummer 264910, Anteagroup, september 2014.
*
Tijdreis, over 200 jaar topografie. www.topotijdreis.nl
- 14 -
BIJLAGE 1 REGIONALE SITUATIE
BIJLAGE 3 BOORPROFIELEN
BIJLAGE 4.1 ANALYSECERTIFICATEN LABORATORIUM Locatie Projectnummer
: Tarwestraat 1 te Purmerend : 2020309
Project code:
992201 998735
Tabel 1 van 4 ANALYSECERTIFICAAT Project code Project omschrijving Opdrachtgever
: 992201 : 2020309-Tarwe : Landview B.V.
Monsterreferenties 6216290 = bg1 01 (0-50) 02 (0-50) 05 (0-50) 06 (0-50) 07 (0-50) 08 (0-50) 09 (0-50) 6216291 = bg2 03 (0-45) 04 (0-45) 10 (0-50) 11 (0-50) 12 (0-50) 13 (0-50) 15 (0-50) 6216292 = bg3 01 (50-100) 02 (50-100) 03 (90-130) 04 (45-90) Opgegeven bemonsteringsdatum Ontvangstdatum opdracht Startdatum Monstercode Matrix
: : : : :
Monstervoorbewerking S AS3000 (steekmonster) S gewicht artefact S soort artefact S voorbewerking AS3000
g
20/01/2020 22/01/2020 22/01/2020 6216290 Grond
20/01/2020 22/01/2020 22/01/2020 6216291 Grond
20/01/2020 22/01/2020 22/01/2020 6216292 Grond