K bijlage-3 1-toelichting
Tekst van het document
Wat betreft de concrete ontwikkelingen dient in geval van functiewijziging onderzoek te worden verricht naar de bodemkwaliteit. Bij de vaststelling van wijzigingsplannen dient aandacht te worden besteed aan de bodemgesteldheid. 4.3.2 Analyse Uit Bodemkwaliteitskaart gemeente Purmerend blijkt dat ter plaatse van het plangebied geen bodemverontreinigingen zijn te verwachten. De gronden zijn op de bodemfunctiekaart ingedeeld in de functie wonen. De Bodemkwaliteitskaart geeft weer dat de grond van het plangebied tot 2 m beneden maaiveld vrij toegepast kan worden. Voor alsnog zijn er voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen geen belemmeringen. 4.3.3 Conclusie Het planvoornemen is wat betreft het aspect bodem uitvoerbaar.
26
4.4
Cultuurhistorische waarden
4.4.1 Beleidskader In de toelichting van ruimtelijke plannen moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Het doel hiervan is om cultuurhistorische belangen meer te laten meewegen in de ruimtelijke ordening. Hiertoe is op 1 januari 2012 het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd, waarbij dit voorschrift in artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a is opgenomen. De in de grond aanwezige waarden komen in paragraaf 5.1 (Archeologie) aan bod, de overige cultuurhistorische aspecen worden in deze paragraaf besproken. Op 2 november 2017 heeft de gemeenteraad het Erfgoedbeleid Purmerend 2017 vastgesteld. Dit beleid richt zich op het behoud van het Purmerendse erfgoed. Het spreekt de visie uit dat het erfgoed belangrijk is voor de stad. De gemeente heeft vier ambities met betrekking tot het erfgoed: 1. de karakteristieke historische waarden van Purmerend blijven zo veel mogelijk behouden. Dit wil niet zeggen dat erfgoed onaantastbaar is, ontwikkelingen aan en rond cultuurhistorische waarden blijven mogelijk, mits dit gebeurt met respect voor het 'verhaal' van het object; 2. de historische waarden van onze stad worden versterkt door bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen een zichtbare relatie met het erfgoed te leggen.
Dit geldt vooral voor locaties in de binnenstad en op bijzondere historische locaties. 3. de kennis over het erfgoed wordt toegankelijker; 4. de gemeente werkt samen met de Purmerendse burgers en ondernemers aan de ambities met betrekking tot het erfgoed. Bij dit beleid is een Cultuurhistorische Waardenkaart opgesteld, waar al het erfgoed van Purmerend op is afgebeeld. 4.4.2 Analyse De Cultuurhistorische Waardenkaart toont dat op en in de nabijheid van dit perceel geen sprake is van actuele cultuurhistorische waarden. 4.4.3 Conclusie De ontwikkeling heeft geen negatieve effecten op de in / rond het plangebied aanwezige cultuurhistorische waarden.
4.5
Duurzaamheid
Op 17 december 2020 heeft de gemeenteraad van Purmerend het Klimaatadaptatieplan Zaanstreek Waterland en Purmerend 2021-2024 vastgesteld. Aan het lokale plan is een uitvoeringsagenda met maatregelen, projecten en onderzoeken verbonden. Klimaatadaptatie dient in elk project meegenomen te worden. Op welke manier dit gebeurt is afhankelijk van zaken als de gebouwdichtheid, de grond en de ontwerpruimte. Voor de toelichting op klimaatadaptatie wordt verwezen naar paragraaf 3.4.5 waarin uitvoerig is ingegaan op de duurzaamheidsmaatregelen van voorliggend plan. Het planvoornemen is hiermee voldoende onderbouwd.
Bestemmingsplan "Meeuwstraat 2 - 2023" (vastgesteld)
4.6
Externe veiligheid
4.6.1 Beleidskader In het kader van ruimtelijke procedures conform de Wet ruimtelijke ordening (Wro) dient het aspect externe veiligheid in acht te worden genomen. Het gaat hierbij om risico's ten aanzien van het vervoer, de opslag en het bewerken van gevaarlijke stoffen. De risico's met betrekking tot gevaarlijke stoffen worden geduid in het zogenaamde Plaatsgebonden risico (PR) en het Groepsrisico (GR). Het groepsrisico dient in veelal de meeste ruimtelijke procedures verantwoord te worden. De verantwoording is erop gericht om een weloverwogen besluit te nemen over het groepsrisico. Het uiteindelijke besluit is aan het bevoegd bezag. 4.6.2 Analyse In het kader van externe veiligheid is de Risicokaart Noord-Holland geraadpleegd. Hieruit blijkt dat er in of in de nabijheid van plangebied geen risicovolle inrichtingen liggen. Het project zelf maakt ook geen risicovolle inrichting mogelijk.
Figuur 8. Uitsnede risicokaart (Bron: www.risicokaart.nl)
4.6.3 Conclusie Het planvoornemen wordt wat betreft het aspect externe veiligheid niet in uitvoerbaarheid belemmerd.
28
4.7
Geluid
4.7.1
Wegverkeerslawaai
4.7.1.1 Beleidskader Artikelen 76 en 74 van de Wet geluidhinder (hierna Wgh) schrijven voor dat in ruimtelijke plannen, die betrekking hebben op gronden die langs een verkeersweg gelegen zijn, onderzocht dient te worden of op de gevel van gebouwen de maximale toegestane geluidsbelasting niet wordt overschreden. Langs alle wegen bevinden zich, als gevolg van de Wgh, geluidszones, met uitzondering van woonerven en 30 km/h-gebieden. Binnen de geluidszone van een weg dient de geluidsbelasting op de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen aan bepaalde wettelijke normen te voldoen. De zonebreedte is afhankelijk van een binnen of buitenstedelijke ligging en de hoeveelheid rijstroken van de weg en wordt gemeten uit de rand van de weg. Een naast die rijstrook liggend fietspad ligt dus ook in die zone. Ook een vluchtstrook, niet zijde een rijstrook ligt in de zone. De ruimte boven en onder de weg behoort ook tot de zone. Voor de geluidsbelasting aan de buitengevels van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidszone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De voorkeursgrenswaarde mag in principe niet worden overschreden. Indien uit akoestisch onderzoek blijkt dat deze voorkeursgrenswaarde wel wordt overschreden, is onderzoek naar maatregelen gericht op het verminderen van de geluidsbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten noodzakelijk.
Onderscheid wordt gemaakt in maatregelen aan de kant van de bron (bijvoorbeeld geluidsreducerend asfalt), maatregelen in het overdrachtsgebied (bijvoorbeeld geluidsschermen), maatregelen aan de kant van de geluidsontvanger (bijvoorbeeld geluidsdove gevels) of het vergroten van de afstand tussen de geluidsbron en de ontvanger. Zijn maatregelen onvoldoende doeltreffend, dan wel ontmoeten deze maatregelen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard, dan kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek tot vaststelling van (een) hogere waarde(n) worden ingediend bij burgemeester en wethouders van de gemeente Purmerend. Deze hogere grenswaarde mag, afhankelijk van de situatie, een bepaalde waarde niet te boven gaan (uiterste grenswaarde). De uiterste grenswaarde voor nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen langs bestaande wegen in binnenstedelijk gebied bedraagt 63 dB. Krachtens artikel 110g van de Wet geluidhinder mag het berekende geluidsniveau van het wegverkeer worden gecorrigeerd in verband met de verwachting dat motorvoertuigen in de toekomst stiller zullen worden. Voor wegen met een snelheid lager dan 70 km/h geldt een aftrek van 5 dB. Voor wegen met een maximumsnelheid van 70 km/h of meer geldt een aftrek van 2 dB.
Op alle in akoestische onderzoeken worden genoemde geluidsbelastingen is deze aftrek toegepast, tenzij anders vermeld.
4.7.1.2 Analyse In het kader van de planontwikkeling dient bekeken te worden of er geluidsgevoelige objecten worden gerealiseerd. Op basis van de Wet geluidhinder moeten geluidsgevoelige objecten van gezoneerde wegen onderzocht worden.
De 12 appartementen die met het planvoornemen gerealiseerd gaan worden, zijn geluidsgevoelige objecten. Direct gelegen naast het plangebied loopt zowel de Meeuwstraat/Sternstraat als de Prof. Mr. P.J. Oudlaan. De Prof. Mr. P.J. Oudlaan is een weg waarop een maximumsnelheid van 50 km/uur is toegestaan. De Meeuwstraat/Sternstraat maakt onderdeel uit van een woonerf waar een maximumsnelheid van 30 km/uur is toegestaan waarvoor akoestisch onderzoek niet noodzakelijk
Bestemmingsplan "Meeuwstraat 2 - 2023" (vastgesteld)
is. Voor de Prof. Mr. P.J. Oudlaan is akoestisch onderzoek uitgevoerd.
Het volledige onderzoek is als bijlage toegevoegd, zie Bijlage 4 . Uit dit onderzoek komt naar voren dat de locatie niet volledig voldoet aan de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB. Het betreft hier de appartementen gelegen aan de zijde van de Prof. Mr. P.J. Oudlaan. De overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting bedraagt maximaal 5 dB vanwege deze weg. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt echter niet overschreden. Een hogere waarde procedure wordt gelijktijdig met de procedure van onderhavig bestemmingsplan doorlopen. 4.7.1.3 Conclusie Voor het planvoornemen wordt een hogere waarde verleend. Het planvoornemen is wat betreft het aspect geluidshinder vanwege wegverkeerslawaai uitvoerbaar.
4.7.2
Spoorweglawaai
4.7.2.1 Beleidskader Indien nieuwe woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen de onderzoekszone van een spoorweg mogelijk worden gemaakt, moet onderzoek plaatsvinden naar de geluidsbelasting vanwege deze spoorweg. De zone is afgebeeld op de geluidkaart, te vinden op www.geluidregisterspoor.nl. Grondslag hiervoor is artikel 4.3 Besluit geluidhinder (Bgh).
Binnen deze zone gelden voorkeursgrenswaarden en maximale grenswaarden voor spoorweglawaai (art. 4.9 t/m 4.12 Bgh). Bij overschrijding van de voorkeursgrenswaarden is vaststelling van een hogere waarde mogelijk, mits de maximale grenswaarde daarbij niet wordt overschreden (art. 4.10 t/m 4.12 Bgh). Hogere grenswaarden worden alleen verleend als maatregelen om de geluidsbelasting aan de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. 4.7.2.2 Analyse Het plangebied bevindt zich niet binnen de geluidszone van een spoorweg. 4.7.2.3 Conclusie Er hoeft voor het onderhavige bestemmingsplan geen onderzoek gedaan te worden naar de invloed van spoorweglawaai. 4.7.3 Conclusie Voor het planvoornemen wordt een hogere waarde verleend. Het planvoornemen is wat betreft het aspect geluid uitvoerbaar.
4.8
Geur
4.8.1 Beleidskader In de Duurzaamheidsagenda van de gemeente Purmerend wordt geen toetsingskader op basis van geurpercentielen gepresenteerd. Als toetsingskader voor het onderwerp geur wordt het geurbeleid van Provincie Noord-Holland gehanteerd. In het Provinciaal Milieubeleidsplan 2015-2018 van provincie Noord-Holland staat het geurbeleid 30
voor 2015–2018. Het uitgangspunt is de nationale doelstelling van maximaal 12% geurgehinderden en geen ernstige geurhinder. 4.8.2 Analyse Gezien de aard van het planvoornemen speelt het aspect geur hier geen rol. 4.8.3 Conclusie Het planvoornemen is wat betreft het aspect geur dan ook uitvoerbaar.
4.9
Luchtkwaliteit
4.9.1 Beleidskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een bestemmingsplan uit een oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens tevens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Op 15 november 2007 is wet- en regelgeving in werking getreden die tezamen bekend staat onder de naam 'Wet luchtkwaliteit'. Dit is echter geen formele benaming. Op basis van deze wetgeving kunnen ruimtelijk-economische initiatieven worden uitgevoerd als aan één of meer voorwaarden wordt voldaan: grenswaarden niet worden overschreden; de luchtkwaliteit per saldo verbetert of tenminste gelijk blijft; het initiatief niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit, of; het initiatief is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De kern van titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) bestaat uit luchtkwaliteitseisen, gebaseerd op de Europese richtlijnen. Een overzicht van deze luchtkwaliteitseisen is te vinden in het Compendium voor de Leefomgeving. Verder bevat titel 5.2 van de Wm basisverplichtingen op grond van Europese richtlijnen, namelijk: plannen, maatregelen, het beoordelen van luchtkwaliteit, verslaglegging en rapportage. Titel 5.2 van de Wm regelt het zogenaamde Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).
Daarbinnen werken het rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren.
Het uitgangspunt is dat de grenswaarden voor luchtkwaliteit worden gehaald. In artikel 5.16 lid 1 van de Wm staat opgesomd wanneer een (luchtvervuilend) project toelaatbaar is. Dan moet aannemelijk worden gemaakt, dat het project aan één of een combinatie van de volgende voorwaarden voldoet: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde een project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit een project draagt slechts 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging een project is opgenomen in, of past binnen, het NSL of een regionaal programma van maatregelen. Voor ruimtelijke projecten geldt uiteraard ook het principe van een goede ruimtelijke ordening. Daarnaast kan de amvb Gevoelige bestemmingen relevant zijn.
Met het Besluit gevoelige bestemmingen van 1 december 2008, gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer, wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen'- zoals een school of een verzorgingstehuis- in de nabijheid van provinciale en rijkswegen beperkt. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Het besluit voorziet in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek noodzakelijk is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen
Bestemmingsplan "Meeuwstraat 2 - 2023" (vastgesteld)
en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg.
Waar in de onderzoekszone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een 'gevoelige bestemming' niet toenemen. Dit wordt bereikt door op een dergelijke plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan. 4.9.2 Analyse Aan de hand van de Atlas Leefomgeving (www.atlasleefomgeving.nl) van de RIVM kan de huidige luchtkwaliteit in de omgeving van het plangebied worden waargenomen. Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit als goed wordt beoordeeld en dat tevens geen aanleiding is om een overschrijding van de grenswaarden te verwachten. Het planvoornemen betreft de realisatie van 12 appartementen. Zoals genoemd in paragraaf 2.2 genereert het planvoornemen maximaal 72 motorvoertuigbewegingen per dag. In de huidige planologische situatie waarin een gemengde functie is toegestaan (dienstverlening, kantoren ed.) liggen deze verkeersbewegingen hoger. Het aantal motorvoertuigen in en in de omgeving van het plangebied neemt in de toekomstige situatie af. Er is dan ook sprake van een verbetering van de luchtkwaliteit. 4.9.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen.
4.10 Milieuzonering 4.10.1 Beleidskader Milieuzonering legt een relatie tussen de milieuaspecten van een bedrijf - geluid, geur gevaar en stof - en de omgeving. Daarnaast is de mate waarin een bedrijfstype personen- of goederenverkeer genereert mede bepalend voor de mate van hinder, en dus voor de mogelijkheid tot vestiging of uitbreiding. Bij milieuzonering staan vier vragen centraal: Welke afstand is aanvaardbaar tussen nieuwe bedrijven en nieuwe woningen? Welke afstand is aanvaardbaar tussen nieuwe bedrijven en bestaande woningen? Welke afstand is aanvaardbaar tussen bestaande bedrijven en nieuwe woningen? Mag een concreet bedrijf zich op een bepaalde locatie vestigen? Voor het opstellen van een milieuzonering hanteert de gemeente Purmerend de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009. Met behulp van richtafstanden wordt bepaald welke afstand aanvaardbaar is. Om de toelaatbaarheid van de bedrijfsactiviteiten in dit bestemmingsplan vast te leggen is gebruikgemaakt van een milieuzonering. Een milieuzonering zorgt ervoor dat milieubelastende functies (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) waar nodig ruimtelijk voldoende worden gescheiden. De gehanteerde milieuzonering is gekoppeld aan een Staat van Bedrijfsactiviteiten.
Een Staat van Bedrijfsactiviteiten is een lijst waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten, al naar gelang de te verwachten belasting voor het milieu, zijn ingedeeld in een aantal categorieën. Deze Staat is overgenomen uit de eerdergenoemde VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009. 32
4.10.2 Analyse Op een afstand van circa 115 m ligt het winkelcentrum 'Overwhere'. De functies die in dit winkelcentrum gevestigd zijn, zijn te beschouwen als bedrijven in milieucategorie 1. Hiervoor geldt een grootste richtafstand van 10 m. Met het planvoornemen kan dan ook ruimschoots worden voldaan aan de te hanteren richtafstand. Voor het overige is in de nabijheid van het plangebied geen bedrijvigheid aanwezig. 4.10.3 Conclusie Het planvoornemen is wat betreft het aspect milieuzonering uitvoerbaar.
4.11 Natuurwaarden 4.11.1 Beleidskader In ruimtelijke plannen moet worden aangetoond dat hoe de ontwikkelingen die hierin mogelijk worden gemaakt zich verhouden met de wet- en regelgeving op het gebied van gebieds- en soortenbescherming.
Wet Natuurbescherming Sinds 1 januari 2017 geldt de Wet natuurbescherming. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Daarmee zijn gebiedsbescherming en soortbescherming bij elkaar gebracht in één Nederlandse wet.
Deze wet beschermt de van nature in Nederland in het wild voorkomende planten en dieren en hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen. De Wet Natuurbescherming wijkt in een aantal opzichten af van de Flora- en faunawet; de strekking is echter hetzelfde. In de wet is onder meer bepaald dat beschermde dieren niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en planten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden (algemene verbodsbepalingen). Net als in de Flora en faunawet is de Wet Natuurbescherming een zorgplicht opgenomen, een algemeen geldende fatsoensnorm voor de omgang met flora en fauna. Deze zorgplicht houdt in dat menselijk handelen zo weinig mogelijk nadelige gevolgen voor flora en fauna mag hebben. De soortbeschermingsbepalingen uit de Europese richtlijnen Vogelrichtlijn (VR) en Habitatrichtlijn (HR) zijn in de Wet Natuurbescherming geïmplementeerd: soorten en vegetatietypen waarvoor Natura 2000-gebieden zijn aangewezen, worden beschermd onder de nieuwe Wet Natuurbescherming. Ongeveer 200 soorten verliezen hun bescherming in vergelijking met de eerder vigerende Flora-en faunawet, voornamelijk soorten vaatplanten (muurplanten, orchideeën) en (zee)vissen. De bij de Flora en faunawet gehanteerde gedragscodes blijven bestaan, zij het dat de lijsten met beschermde soorten wijzigen en aangepast moeten worden.
Voor soortbescherming in relatie tot ruimtelijke ingrepen is een aantal artikelen in de nieuwe Wet Natuurbescherming van belang: Zorgbeginsel artikel 1.10 en 1.11: net als bij artikel 2 Ffwet is de intrinsieke waarde van soorten vastgesteld in een doelbepaling en geldt voor alle soorten, los van een beschermingsregime, een zorgplicht. Dit zorgbeginsel is vergelijkbaar met de zorgplicht in de Ffwet. Actieve soortbescherming, artikel 1.12: provincies moeten verplicht beleid opstellen voor de bescherming van soorten, specifiek in hun eigen provincie. Dit beleid is nog in ontwikkeling en de inhoud is nog niet bekend. In de Wet Natuurbescherming worden drie beschermingsregimes onderscheiden:
Bestemmingsplan "Meeuwstraat 2 - 2023" (vastgesteld)
1. Soorten van Vogelrichtlijn: Bescherming van alle in het wild levende volgens in de EU, beschreven in artikel 3.1-3.4 van de Wet Natuurbescherming. Dit beleid verandert deels t.o.v. de Ffwet. Hieronder valt ook het begrip "opzettelijk" is bij doden, vangen en verstoring van nesten etc. opgenomen. Hieronder valt ook het begrip voorwaardelijk opzet". De grote verandering is dat verstoring onder de nieuwe wet is toegestaan, mits de staat van instandhouding van de soort maar niet in het geding komt. Degene die de verstoring begaat, moet dan aantonen dat er geen verstoring van wezenlijke invloed is. Verstoren van broedende vogels (op nest) en eieren blijft verboden. De provincie kan hiervoor vrijstellingen maken en ontheffingen verlenen.
2. Soorten van Habitatrichtlijn: Bescherming van dier- en plantensoorten in artikel 3.5-3.9: A. die strikt beschermd zijn op grond van Habitatrichtlijn bijlage IV, Verdrag van Bern, bijlage I en II, Verdrag van Bonn bijlage I. In het geval van ontheffing of vrijstelling moet aan drie voorwaarden voldaan worden: dat er geen andere bevredigde oplossing bestaat, de handeling noodzakelijk is (diverse redenen mogelijk, waaronder die van groot openbaar belang met redenen van sociale en economische aard) en tot slot alleen wanneer er geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort in haar natuurlijke verspreidingsgebied. B. die streng beschermd zijn op grond van Habitatrichtlijn bijlage V, Verdrag van Bern bijlage III, Verdrag van Bonn bijlage II. Hiervoor moeten maatregelen worden getroffen indien de gunstige staat van instandhouding in het geding is. In geval van ontheffing of vrijstelling moet alleen voldaan worden aan de eis dat de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt. Hiervoor zijn maatregelen verplicht. Ook hier is het opzetvereiste van toepassing, maar in tegenstelling tot vogels is er geen uitzondering dat 'verstoring toegestaan is zolang het niet van wezenlijke invloed is'. Via een AMvB kunnen nadere regels gesteld worden. De provincie kan vrijstellingen maken en ontheffingen verlenen, met in achtneming van de belangen. 3.
Andere soorten: Dit zijn de in de bijlage van artikel 3.10 van Wet Natuurbescherming genoemde soorten. In deze bijlage staan zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Onderdeel A bevat de fauna en onderdeel B de flora. Deze lijst is een nationale toevoeging en betreft soorten die in principe een landelijke achteruitgang kennen. In praktijk is deze bescherming lichter en verwacht wordt dat ontheffingen vrij gemakkelijk verkregen kunnen worden, aangezien er niet de zwaardere belangen gelden voor de soorten van de Europese richtlijnen. Ruimtelijke ontwikkeling is een geldig belang voor een ontheffing (artikel 3.10.2 onderdeel a). Opzettelijk verstoren in algemene zin, wordt voor deze groep niet genoemd als verbod. De provincies kunnen voor deze lijst vrijstellingsbesluiten maken. Op dit moment staan ook zeer algemene soorten op deze lijst; mogelijk zal er een vrijstellingsbesluit of AMvB opgesteld worden hoe hier mee om te gaan. De provincie Noord-Holland heeft nog geen lijst met vrijstellingsbesluiten gemaakt.
Natuurnetwerk Nederland De Provinciale Ruimtelijke Verordening van de provincie Noord-Holland bepaalt dat een bestemmingsplan voor een gebied dat is aangeduid als Natuurnetwerk Nederland (NNN), strekt tot de bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden. In Purmerend zijn alleen enkele delen van het Purmerbos en een stuk agrarische grond tegen Ilpendam aan, als deel van het NNN aangemerkt. Ook ligt er langs de ringvaart van de Wijde Wormer, waar Weidevenne aan grenst, een dergelijk gebied. Het onderhavige project tast 34
deze waarden niet aan. 4.11.2 Analyse Om de uitvoerbaarheid van het planvoornemen te toetsen is in 2022 een inventarisatie van natuurwaarden uitgevoerd, zie Bijlage 5. Op basis van deze uitgevoerde ecologische inventarisatie is gezien de aangetroffen terreinomstandigheden en de aard van het plan een voldoende beeld van natuurwaarden ontstaan. Aanvullend onderzoek in het kader van de Wnb of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid is op basis van dat onderzoek niet noodzakelijk met betrekking tot soortbescherming. Met inachtneming van het broedseizoen van vogels is ontheffing op de Wnb op voorhand niet nodig. Ten aanzien van gebiedsbescherming moet worden aangetoond dat door ontwikkelingen geen negatieve effecten optreden in het kader van de Wet natuurbescherming beschermde Natura 2000-gebieden. Het plangebied ligt op een afstand van circa 1,4 kilometer van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Polder Zeevang, ten noordoosten van het plangebied. In het kader van het voorliggende bestemmingsplan is daarom met het programmapakket AERIUS een stikstofberekening worden uitgevoerd. De rekenresultaten zijn opgenomen in Bijlage 6. Uit deze berekening komt naar voren dat geen rekenresultaten hoger uitkomen dan 0,00 mol/ha/j. Er vindt geen depositie plaats in één of meerdere Natura2000 gebieden.
Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van natuurlijke habitats en soorten. Voor deze activiteit is daarom geen vergunning op grond van de Wnb nodig. Het plan is daarnaast op het punt van provinciaal natuurbeleid niet in strijd met de Provinciale Omgevingsverordening. 4.11.3 Conclusie Het planvoornemen is wat betreft het aspect ecologie uitvoerbaar.
4.12 Planologisch relevante leidingen 4.12.1 Beleidskader Voor ruimtelijke plannen in de omgeving van hogedrukaardgasleidingen en leidingen voor aardolieproducten met een externe veiligheidscontour is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing. Op grond van dit besluit dienen plannen te worden getoetst aan de grensen richtwaarde voor het plaatsgebonden risico (PR) en de oriënterende waarde voor het groepsrisico (GR). 4.12.2 Analyse Zoals gebleken uit paragraaf 4.6 liggen in het plangebied geen relevante leidingen. Ook in de nabijheid van het plangebied is geen sprake van leidingen die van invloed kunnen zijn op het planvoornemen. 4.12.3 Conclusie Het planvoornemen is wat betreft planologisch relevante leidingen uitvoerbaar.
Bestemmingsplan "Meeuwstraat 2 - 2023" (vastgesteld)
4.13 Verkeer en parkeren 4.13.1 Beleidskader Verkeersaantrekkende werking Voor de berekening van de huidige verkeersgeneratie en de toekomstige verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de rekentool 'Verkeersgeneratie & parkeren' van het CROW (zie ook CROW-publicatie 381 “Toekomstbestendig parkeren”). Voor het bepalen van de verkeersgeneratie van een bouwplan moet in de rekentool aangegeven worden 1) wat voor een gemeente (zeer sterk, sterk, matig, weinig, niet stedelijk) het betreft en 2) in welk gebied (centrum, schil centrum, rest bebouwde kom, buitengebied) het bouwplan gerealiseerd wordt. De gemeente Purmerend is een 'sterk stedelijke' gemeente en het plangebied is gelegen in de rest bebouwde kom.
Parkeren De nieuwe appartementen brengen ook een vraag naar parkeervoorzieningen met zich mee. In het planvoornemen zijn parkeervoorzieningen opgenomen om in de parkeerbehoefte te kunnen voorzien. De vraag of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid kan worden beantwoord aan de hand van de Parkeernormennota van de gemeente Purmerend (2016, 1e wijziging 2021). De gemeente Purmerend gaat in haar parkeernormennota uit van gemiddelden. Daarnaast moet de parkeerbehoefte zo veel mogelijk op eigen terrein worden opgevangen.
4.13.2 Analyse Verkeersituatie In de toekomstige situatie vindt de ontsluiting van het plangebied plaats via de bestaande ontsluitingswegen aan de Sternstraat/Meeuwstraat en de Prof. Mr. P.J. Oudlaan. Door aan beide zijden van het terrein te blijven ontsluiten kan het verkeer het plangebied bereiken. De parkeerplaats aan de zuidzijde van het appartementengebouw is voor auto's bereikbaar via de Prof. Mr. P.J. Oudlaan.
De ontwikkeling van de appartementen leidt tot een verkeersgeneratie. Aan de hand van de CROW publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' (2018) is uitgerekend wat de verkeersgeneratie van het planvoornemen is.
Purmerend behoort volgens het CBS tot de categorie sterk stedelijke gemeenten. Het plangebied valt onder de noemer 'rest bebouwde kom'. Voor appartementen (huur, midden/goedkoop) geldt volgens het CROW een verkeersgeneratie van maximaal 4,0 motorvoertuigbewegingen per gemiddelde weekdag. Voor de 12 appartementen komt dit neer op maximaal 48 motorvoertuigbewegingen per gemiddelde weekdag. In de huidige situatie staat de aanwezige bebouwing leeg maar is een Gemengd - 1 functie toegestaan. Het betreft een functie in de vorm van detailhandel, dienstverlening, praktijkruimten, kantoren, en horeca (lichte vorm). Dergelijke functies hebben doorgaans een hogere verkeersaantrekkende werking dan woningen. Met ontwikkeling van het planvoornemen in de vorm van een gering aantal woningen vermindert het aantal verkeersbewegingen en verbetert de verkeerssituatie in (de omgeving van) het plangebied ten opzichte van de huidige planologische situatie. 36
Daarnaast beschikt de nabijgelegen Prof. Mr. P.J Oudlaan over voldoende capactiteit om een dergelijke extra verkeersgeneratie op te kunnen vangen. Het voornemen heeft dan ook geen negatieve verkeerseffecten tot gevolg.
Parkeren In de Nota parkeernormen zijn een aantal uitgangspunten opgenomen waar een parkeerberekening van uit moet gaan. Voor het onderhavige planvoornemen zijn de volgende uitgangspunten relevant: de parkeerbehoefte van het bouwinitiatief dient op eigen terrein gefaciliteerd te worden initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het oplossen parkeerbehoefte bezoekersparkeren openbaar toegankelijk dubbelgebruik parkeerplaatsen parkeereis wordt naar boven afgerond Met het planvoornemen worden appartementen gerealiseerd met een oppervlakte variërend tussen de 64 en 94 m2. Negen woningen hebben een oppervlakte tot 65 m2. Hiervoor geldt een parkeernorm van 1,5 parkeerplaats per woning (woningen 40 - 65 m2, gestapeld). Voor de overige drie appartementen (tussen 82 m2 en 94 m2) geldt een parkeernorm van 1,7 parkeerplaats per woning (woningen 65-120 m2, gestapeld). In totaal komt dit neer op een parkeerbehoefte van afgerond 19 (13,5 + 5,1= 18,6) parkeerplaatsen ten aanzien van het planvoornemen zoals samengevat in navolgende tabel.
In de norm is ruimte voor bezoekers opgenomen. Deze ruimte is uitgedrukt in parkeerplaatsen per eenheid of percentage van het totaal. De parkeerruimte voor bezoekers moet openbaar toegankelijk zijn. In de parkeernormennota is opgenomen dat voor woningen een parkeernorm van 0,3 per woning voor het bezoekersparkeren mag worden aangehouden. Met 12 appartementen is het aandeel bezoekersparkeren 3,6 parkeerplaatsen. Het aantal parkeerplaatsen dat voor dit planvoornemen openbaar toegankelijk moet zijn is 4 parkeerplaatsen.
In de parkeerberekening moet daarnaast rekening worden gehouden met dubbel gebruik van parkeerplaatsen. Onder dubbel of meervoudig gebruik wordt verstaan dat meerdere functies op verschillende momenten gebruik kunnen maken van dezelfde parkeerplaatsen. Bij wonen betekent dit dat het meervoudig gebruik wordt toegepast tussen bewoners (vast deel) en het bezoek. In bijlage II bij de Nota parkeernormen zijn aanwezigheidspercentages opgenomen op basis waarvan het dubbelgebruik berekend kan worden. Met het planvoornemen worden 6 parkeerplaatsen toegerekend aan privaat eigendom. Deze parkeerplaatsen kunnen niet worden meegerekend in de mogelijkheid voor dubbelgebruik. De percentages voor dubbelgebruik afgezet naar de parkeersituatie van het planvoornemen resulteert in navolgende tabel.
Bestemmingsplan "Meeuwstraat 2 - 2023" (vastgesteld)
Deze percentages omgezet naar aantallen komt uit op de volgende netto parkeerbehoefte van 17 parkeerplaatsen op het 'drukste moment'; de werkdagavond.
In het plangebied worden 17 parkeerplaatsen gerealiseerd. Dit zijn genoeg parkeerplaatsen om de parkeerbehoefte op te vangen. Met het planvoornemen wordt dan ook een passende parkeeroplossing geboden.
4.13.3 Conclusie Het planvoornemen is wat betreft verkeer en parkeren uitvoerbaar.
4.14 Water 4.14.1 Beleidskader Nationaal Water Programma 2022-2027 Op 18 maart 2022 is het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) vastgesteld. Dit programma, een uitwerking van de NOVI, bevat de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en het beheer van de rijkswateren en rijksvaarwegen. De drie hoofdambities van het NWP zijn: Een veilige en klimaatbestendige delta Een concurrerende, duurzame en circulaire delta Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met het bodem- en watersysteem. Opgaven voor klimaatadaptatie, water en scheepvaart moeten een integraal onderdeel zijn van alle ruimtelijke ingrepen. Het is hiervoor belangrijk dat adviezen uit de watertoets worden overgenomen in de ontwikkeling van plannen.
Beleid Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier 38
Het Waterplan HHNK (WBP6), vastgesteld op 15 december 2021, bevat het beleid op hoofdlijnen voor het waterbeheer in het beheersgebied van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier voor de periode 2022-2027. De watertoets is het instrument waarmee het Hoogheemraadschap toezicht houdt op behartiging van de waterbelangen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het beleid is om op te schuiven van toetsen van plannen naar samenwerken en meedenken aan de voorkant. De insteek is dat water een leidend principe is voor de ruimtelijke ordening, zonder de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen uit het oog te verliezen. 4.14.2 Analyse Op 16 maart 2020 is middels de digitale watertoets advies gevraagd aan de waterbeherende partij het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Het voorlopige advies is als Bijlage 7 bij deze toelichting opgenomen. Uit dit advies blijkt dat voor het planvoornemen, vanwege een beperkte toename aan verharding, geen compenserende maatregelen noodzakelijk zijn. Het plangebied is gelegen in de zonering van een primaire waterloop. Voor werkzaamheden in de nabijheid van een waterkering is de Keur 2016 van toepassing. Op 15 april 2020 en 20 december 2021 zijn aanvullende vragen gesteld vanuit het HHNK over planvoornemen in relatie tot de zonering primaire waterlopen en of er sprake is van een tijdelijke of permanente grondwaterontrekking en/of lozing, zie Bijlage 8.
In het planvoornemen wordt rekening gehouden met zone rondom de primaire waterkering. Daarnaast is met het planvoornemen geen sprake van een lozing of ontrekking van grondwater en wordt het riool met een gescheiden stelsel aansloten op het gemeentelijk riool. Op deze wijze wordt voldoende rekening gehouden met de adviezen vanuit het HHNK. 4.14.3 Conclusie Het planvoornemen is wat betreft het aspect water uitvoerbaar.
4.15 Milieueffectrapportage 4.15.1 Beleidskader Voor bepaalde grootschalige ontwikkelingen op het gebied van woningen, bedrijvigheid en infrastructuur dient op grond van het Besluit milieueffectrapportage 1994 een milieueffectrapportage opgesteld te worden. Hierin moet worden aangegeven wat de gevolgen zijn van de ontwikkelingen voor het milieu. In het Besluit m.e.r. is aangegeven in welke gevallen er onderzoek gedaan moet worden. Afhankelijk van de grootte van het project zijn er drie mogelijkheden:
bij een project dat voorkomt in onderdeel C van de bijlage van het Besluit m.e.r. en boven de daar genoemde drempelwaarden uitkomt, geldt een directe m.e.r.-plicht. In dat geval dient een m.e.r. opgesteld te worden. Dit geldt ook voor een project die onder de drempelwaarden genoemd in onderdeel C blijft, maar boven de drempelwaarden die in onderdeel D gegeven worden ligt en waarvoor een (kaderstellend) bestemmingsplan opgesteld wordt. indien er geen directe m.e.r.-plicht geldt, kan er wel een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht gelden. Dit geldt voor projecten die in onderdeel D genoemd worden en niet boven onder de drempelwaarde uitkomen. Hierbij moet worden onderzocht of er sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Er gelden geen vormvereisten, maar wel inhoudelijke vereisten: de criteria uit bijlage III van de Europese richtlijn moeten in acht worden genomen. Als de uitkomst is dat het uitgesloten is dat er belangrijke gevolgen voor het milieu zijn, dan dit moet in de toelichting van het bestemmingsplan worden gemotiveerd. Zijn belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet uitgesloten, dan geldt een m.e.r.-plicht.
Bestemmingsplan "Meeuwstraat 2 - 2023" (vastgesteld)
4.15.2 Analyse De voorgenomen activiteiten staan niet opgenomen in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet aan te merken als activiteit waarvoor een directe m.e.r.-plicht bestaat. De activiteiten komen echter wel overeen met hetgeen dat is opgenomen in onderdeel D (categorie D.11.2) van bijlage II van het Besluit mer (zie navolgende tabel). Hierbij is het van belang te weten of de activiteit aan te merken is als stedelijk ontwikkelingsproject. Activiteiten Gevallen D.11.2. De aanleg, wijziging of In gevallen waarin de activiteit betrekking uitbreiding van een heeft op: stedelijk 1: een oppervlakte van 100 hectare of meer, ontwikkelingsproject, 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of met inbegrip van de bouw meer woningen omvat, of van winkelcentra of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 parkeerterreinen. m2 of meer.
Besluit De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening
Het begrip stedelijk ontwikkelingsproject is nergens gedefinieerd. In de toelichting op het Besluit MER zijn wel een aantal voorbeelden van bouwprojecten opgenomen die als stedelijk ontwikkelingsproject kunnen worden aangemerkt. In dat kader wordt verwezen naar woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke. Naar het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State moet worden gekeken naar de concrete omstandigheden van het geval. Onder meer de aard, de omvang en de milieugevolgen van de stedelijke ontwikkeling zijn relevant. In de afweging over in voorliggende situatie sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject kan gekeken worden naar de uitspraak in zake de sloop van een school en nieuwbouw van 12 rijwoningen: Naar het oordeel van de Afdeling kan hetgeen in het plan is voorzien, gelet op de aard en omvang ervan, niet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject. Weliswaar is sprake van een geringe toename van de bebouwingsmogelijkheden en weliswaar verandert het gebruik van het perceel door de realisatie van 12 woningen, maar dat betekent niet dat hetgeen waarin het plan voorziet moet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.
Daarbij is van belang dat sprake is van bestaand bebouwd gebied en dat het ruimtebeslag van de voorziene bebouwing beperkt is (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:100). Nu de voorziene ontwikkeling geen stedelijk ontwikkelingsproject vormt, behoefde er geen reguliere of vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. De voorgenomen activiteiten betreffen de sloop van een voormalig apotheek en de nieuwbouw van een appartementencomplex (drie bouwlagen) met 12 appartementen. Het plangebied is gelegen in het bestaand stedelijk gebied van Purmerend en is in de huidige situatie bebouwd en grotendeels verhard. Hoewel is sprake is van een bebouwingstoename (van één naar drie bouwlagen) blijft het ruimtebeslag van de bouwing grotendeels gelijk. Het planvoornemen kan aan de hand van de hiervoor genoemde jurisprudentie niet als stedelijke ontwikkelingsproject worden aangemerkt. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling is dan ook niet noodzakelijk. 4.15.3 Conclusie Een vormvrij m.e.r.-beoordeling is voor het planvoornemen niet noodzakelijk. Verwacht mag worden dat met het voornemen geen gevolgen voor het milieu optreden.
40
Hoofdstuk 5
Uitvoerbaarheid
De gemeente mag op basis van de Wet ruimtelijke ordening alleen meewerken aan planontwikkelingen die haalbaar en uitvoerbaar zijn. Ingevolge artikel 3.1.6 Bro dient de toelichting van een bestemmingsplan inzichten te bevatten over de uitvoerbaarheid van een plan.
5.1
Economische uitvoerbaarheid
Het voorliggende bestemmingsplan is opgesteld naar aanleiding van een verzoek van de initiatiefnemer. De uit het plan voortkomende kosten zullen door deze partijen worden gedragen. Met de initiatiefnemer heeft op 22 december 2021 een anterieure overeenkomst afgesloten. Hiermee zijn de gemeentelijke kosten, waaronder planschade, voor dit plan verzekerd. De gemeente hoeft geen risicodragende investeringen te doen. Aangezien de kosten anderszins verzekerd zijn, hoeft voor dit bestemmingsplan geen exploitatieplan te worden vastgesteld. Op basis van deze overweging mag het voorliggende bestemmingsplan economisch uitvoerbaar worden geacht.
5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
5.2.1 Algemeen In deze paragraaf wordt ingegaan op het draagvlak dat in de maatschappij en bij andere (overheids-) instanties leeft voor de ontwikkeling. Het moet aannemelijk zijn dat er voldoende draagvlak is, waarbij opgemerkt wordt dat het is niet mogelijk is iedereen tevreden te stemmen. Bij het tegen elkaar afwegen van de diverse belangen kan het altijd mogelijk zijn dat één belang minder gewicht wordt toegekend dan het ander. 5.2.2 Communicatie In mei 2018 zijn de eerste plannen voor de realisatie van appartementen op de Meeuwstraat 2 aan omwonenden gepresenteerd. In Bijlage 2 is hiervan het verslag opgenomen. Vragen en opmerkingen die tijdens de bijeenkomst voorbij kwamen, waren onder andere of de huidige doorgang voor voetgangers zou blijven bestaan, welke overlast men zou kunnen ervaren door de bouwwerkzaamheden en welke maatregelen getroffen worden voor het parkeren bij het complex. Op alle vragen is uitvoerig antwoord gegeven.
In juni 2021 zijn de aangepaste plannen gepresenteerd aan de omgeving. In het aangepaste plan is onder andere rekening gehouden met de eerder geplaatste opmerkingen in de bijeenkomst in 2018. Zo wordt een passende parkeeroplossing geboden, blijft er een fietsverbinding beschikbaar langs het gebouw, worden er ondergronde afvalcontainers geplaatst en is het gebouw licht verschoven om minder schaduw te veroorzaken bij de nabijgelegen woningen. In een periode van twee weken (21 juni t/m 5 juli 2021) kregen omwonenden de gelegenheid om te reageren op de aangepaste plannen. Dit kon door middel van twee georganiseerde bijeenkomsten en door het insturen van een antwoordkaart. Gedurende deze periode zijn een aantal reacties op de plannen binnen gekomen. Er werden onder andere opmerkingen geplaatst over het aantal woningen en het aantal bouwlagen (beide minder hoog). Daarnaast kwam ook de parkeersituatie weer ter sprake, mede ingegeven door de bestaande parkeerproblematiek in de wijk. Ook werd de suggestie geopperd of de ontsluiting via de P.J. Oudlaan kan verlopen zodat drukte in de Meeuwstraat en Sternstraat wordt voorkomen. Verder werd gevraagd of de bestaande bebouwing en functie niet gehandhaafd konden blijven.
Ten slotte willen mensen graag op de hoogte worden gehouden het plan om dat ze geïnteresseerd zijn in een woning en vragen ze zich af of er een mogelijkheid is tot optie op een huurappartement.
Bestemmingsplan "Meeuwstraat 2 - 2023" (vastgesteld)
Naar aanleiding van de ingekomen reacties heeft een extra toets van het plan op het parkeerbeleid van de gemeente Purmerend plaatsgevonden. Het plan voldoet hieraan, dit heeft niet geleid tot wijzigingen. Ter gemoedkoming aan de zorgen over verkeersdrukte zijn de huisnummers van de nieuwe woningen aangepast naar P.J. Oudlaan zodat bezoekend verkeer niet op de Meeuwstraat navigeert maar via de doorgaande weg (P.J. Oudlaan) het plangebied bereikt. Ten slotte worden geïnteresseerden op de hoogte gehouden van het plan. 5.2.3 Overleg ingevolge artikel 3.1.1 Bro Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat een bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een ruimtelijk plan, daarbij overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van Rijk en provincie die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Artikel 3.1.6 Bro bepaalt daarnaast dat in de toelichting de uitkomsten van dit overleg worden beschreven. 5.2.4 Overleg ingevolge artikel 3.8 Wro Het bestemmingsplan is in ontwerp, vergezeld van de daarop betrekking hebbende relevante stukken, gedurende zes weken op het stadhuis ter inzage gelegd.
Het plan werd in die periode tevens digitaal beschikbaar gesteld via de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Gedurende deze zes weken van terinzageligging werd een ieder in de gelegenheid gesteld (schriftelijk of mondeling) zienswijzen over het ontwerp naar voren te brengen. Hiervan is melding gemaakt door middel van voorafgaande kennisgeving in de rubriek 'Bekendmakingen' zoals gepubliceerd in het Purmerends Nieuwsblad alsmede in het Gemeenteblad. Gedurende deze periode zijn zienswijze op het plan ingediend. De ingekomen zienswijzen en de bijbehorende gemeentelijke beantwoording zijn opgenomen in een zienswijzennota. Deze zienswijzennota maakt onderdeel uit van het raadsbesluit van dit bestemmingsplan.
42
Hoofdstuk 6
Juridische planbeschrijving
Dit hoofdstuk bevat de toelichting op de gekozen planvorm, die van een gedetailleerd bestemmingsplan. Tevens geeft het inzicht in de overwegingen die aan de juridische regeling ten grondslag hebben gelegen.
6.1
Planvorm
Het onderhavige plan voorziet in een actueel en adequaat juridisch kader voor ontwikkeling en beheer van het plangebied. Het is een plan op basis van artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012).
Er is gekozen voor een gedetailleerde planvorm. Deze planvorm maakt het mogelijk alle aanwezige functies in het plangebied te voorzien van een gedetailleerde bestemmingsregeling waardoor de ruimtelijke kwaliteit in het gebied als zodanig kan worden beheerd en behouden. Op de verbeelding zijn alle functies zodanig bestemd, dat het direct mogelijk is met de bijbehorende legenda te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied gegeven zijn. Uitgangspunt daarbij is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie geeft omtrent de in acht te nemen horizontale en verticale maten. In de bijbehorende regels zijn de bestemmingsomschrijving, de bouwregels en de gebruiksbepalingen alsmede de eventuele afwijkingsmogelijkheden te vinden. Voor een goede ruimtelijke ordening is het noodzakelijk dat de in het bestemmingsplan gestelde regels zodanig zijn opgesteld dat deze (goed) te handhaven zijn.
6.2
Bestemmings- en algemene regels
De verschillende in het plangebied aanwezige functies zijn in overwegende mate overeenkomstig hun huidige gebruik bestemd.
Bestemmingsplanregels Artikel 3 Verkeer - 2 Bij de bestemming Verkeer - 2 behoren gebieden met een verkeers- of verblijfsfunctie. Binnen deze bestemming is een aantal daarin passende gebruiksvormen toegestaan, zoals parkeren, het verzamelen van huisvuil, groen- en waterpartijen en kleine nutsvoorzieningen, speelvoorzieningen en dergelijke.
Artikel 4 Wonen De gronden met de bestemming Wonen zijn bestemd voor de bewoning van personen en de daarbij behorende voorzieningen. Aan-huis-verbonden beroepen, (kleinschalige) bedrijvigheid en bed & breakfast zijn toegestaan, zolang de woonfunctie in overwegende mate aanwezig blijft en er geen hinder voor de omgeving optreedt. Tevens is parkeren hier toegestaan. Dit om de zes parkeerplaatsen die gedeeltelijk onder het gebouw mogelijk worden gemaakt, te realiseren.
Algemene regels Artikel 5 Anti-dubbeltelregel Het doel van deze bepaling is te voorkomen dat grond die al in aanmerking is genomen of betrokken is bij het verlenen van een vergunning niet nog een keer wordt betrokken bij een
Bestemmingsplan "Meeuwstraat 2 - 2023" (vastgesteld)
aanvraag om omgevingsvergunning. Hierdoor wordt voorkomen dat met gebruikmaking van privaatrechtelijke overeenkomsten, de publiekrechtelijke regels worden ondergraven.
Artikel 6 Algemene bouwregels Hier worden algemene bouwregels gegeven, onder ander met betrekking tot toegestane overschrijding van bouwgrenzen en hoogtematen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
Ondergrondse bouw Het bouwen onder het maaiveld is alleen toegestaan als B&W daar een binnenplanse afwijking voor verlenen. Het onderhavige plantype verbindt daar de regel aan dat qua diepte de ondergrondse bouw beperkt moet blijven tot ten hoogste één bouwlaag en dat het geen significante negatieve effecten op de grondwaterstromen mag hebben. Onder 'ondergronds bouwen' wordt verstaan het realiseren van een kelder of iets soortgelijks. Het leggen van kabels of leidingen, funderingen en het aanbrengen van heipalen in de grond wordt hier niet onder begrepen.
Artikel 7 Algemene gebruiksregels In de algemene gebruiksbepaling is opgenomen wat onder verboden gebruik van de gronden wordt verstaan. Bij het bouwen of aanleggen van een nieuwe functie of voorziening moet in principe binnen de plangrenzen van het plangebied van onderhavig bestemmingsplan gezorgd worden voor voldoende parkeerplaatsen. Hiervoor wordt verwezen naar de 1e wijziging Nota Parkeernormen gemeente Purmerend 2016, vastgesteld op 11 november 2021.
Artikel 8 Algemene afwijkingsregels Dit artikel geeft een regeling voor het geval dit voor een betere technische realisering van bouwwerken dan wel in verband met de werkelijke toestand van het terrein noodzakelijk is. Deze afwijkingsregel dient bij uitzondering te worden toegepast. De noodzaak om van de bestemmingsregeling af te wijken dient te worden aangetoond.
Artikel 9 Algemene wijzigingsregels De regeling in dit artikel geeft ten behoeve van overschrijding van bestemmingsgrenzen de mogelijkheid tot wijziging van een bestemming voor het geval dit voor een betere technische realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel in verband met de werkelijke toestand van het terrein noodzakelijk is. Aan de wijziging is een maximum verbonden. Deze wijzigingsregel dient bij uitzondering te worden toegepast. De noodzaak voor een wijziging dient te worden aangetoond.
Artikel 10 Overgangsrecht Dit artikel betreft het overgangsrecht met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit in werking treedt. Dit gebruik mag worden voortgezet. Wijziging van het afwijkend gebruik is slechts toegestaan indien de afwijking hierdoor wordt verkleind. Daarnaast zijn overgangsregels opgenomen ten aanzien van het bouwen. Een bouwwerk dat afwijkt van de bouwregels van het bestemmingsplan op het moment dat dit in werking treedt, mag gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, of na een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd. De afwijking mag daarbij naar aard en omvang 44
niet worden vergroot. Daarvan mag eenmalig worden afgeweken tot maximaal 10% van de inhoud van het bouwwerk. Het overgangsrecht is niet van toepassing op bouwwerken die reeds in strijd waren met het voorgaande geldende bestemmingsplan.