I Bijlage Quickscan flora & fauna bestemmingsplan Vijfhoek 2021
Tekst van het document
QuickScan Flora en fauna Wet natuurbescherming Beemsterburgwal Purmerend Rapport nr. 2020001 Februari 2020
Taharo Ecologisch advies Valleiweg 51 30911 DB Rhenen www.taharo.nl
1
Inhoudsopgave 1 Inleiding Werkwijze QuickScan flora en fauna
3 3
2 Planbeschrijving Ligging van het plangebied Huidige situatie Toekomstige situatie
4 4 4 4
3 Toetsing gebiedsbescherming Wettelijke gebiedsbescherming Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid
8 8 9
4 Toetsing beschermde houtopstanden
10
5 Toetsing soortbescherming Vogels Vleermuizen Grondgebonden zoogdieren Reptielen Amfibieën Vissen Ongewervelde diersoorten Vaatplanten Conclusies
11 12 12 13 13 14 14 15 15 15
6 Samenvatting
16
7 Geraadpleegde bronnen
17
2
1
Inleiding
Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen geldt dat deze in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid moeten worden uitgevoerd. In het kader van een bestemmingsplanwijziging, om woningbouw te kunnen realiseren, is door middel van een verkennend flora- en faunaonderzoek (quickscan) een beoordeling gemaakt van de mogelijke effecten die het plan kan hebben op beschermde natuurwaarden. Hierdoor wordt duidelijk of het plan in overeenstemming is met de natuurwetgeving. De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Omtrent houtopstanden is de voormalige nationale Boswet eveneens in de Wet natuurbescherming opgenomen. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS).
Werkwijze quickscan flora en fauna In de quickscan zijn de gevolgen van de ruimtelijke ingreep afgezet tegen de aanwezige natuurwaarden vanuit de Wet Natuurbescherming en planologisch beschermde natuurwaarden. Deze werkwijze vloeit voort uit de brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken van december 2016. Om een beeld te krijgen van de natuurwaarden is op 10 februari 2020 van ongeveer 15:30 – 16.30 uur door een ecoloog van Taharo een verkennend veldbezoek gebracht aan het plangebied en de directe omgeving hiervan. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek betroffen: geheel bewolkt, met een westzuidwestenwind van 5 Bft, 8 °C en geen neerslag tijdens het veldbezoek. Tijdens het veldbezoek is gelet op de potentiele aanwezigheid van beschermde soorten op basis van het aanwezige habitat en nest/verblijfsmogelijkheden. Daarnaast is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van ‘expert judgement’ nagegaan welke beschermde planten- en diersoorten voor kunnen komen binnen en nabij het plangebied en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Noord-Holland geraadpleegd.
Aan de hand van het verkennende onderzoek is vervolgens beoordeeld welke beschermde soorten daadwerkelijk voor (kunnen) komen binnen het plangebied en is er vervolgens een inschatting gemaakt van de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling op beschermde natuurwaarden.
3
2
Planbeschrijving
Ligging van het plangebied Het plangebied is gelegen in het oostelijk deel van Purmerend, aan de rand van de stad. Volgens de topografische kaart van Nederland kaartblad 19G (schaal 1:25.000) zijn de coördinaten van het midden van het plangebied X = 124.969, Y = 502.753. In figuur 1 is de topografische ligging van het plangebied weergegeven. Figuur 2 geeft het plangebied weer op luchtfoto.
Figuur 1. Topografische kaart ligging van het plangebied (1:25.000). Het plangebied is rood omcirkeld.
Huidige situatie Het plangebied betreft een parkeerplaats tussen de Beemsterburgwal en de Kanaalstraat, met een binnenpleintje en aan de noordkant een onderbreking van de bebouwing. Hier zijn de gebouwen gesloopt en ligt het terrein braak. Er is binnen het plangebied nagenoeg geen opgaande beplanting en er staan geen bomen. Het plangebied is overal bestraat.
Toekomstige situatie De beoogde ontwikkeling is om op de plaats van de parkeerplaats en de gesloopte gebouwen, een woongebied te maken met onder andere woningen en appartementencomplexen. Hiervoor zal de parkeerplaats deels verdwijnen en zal de plaats van de gesloopte panden opgevuld worden met woningen. Er zal wellicht enige kruidige beplanting verdwijnen en de grond zal bouwrijp gemaakt worden. Figuur 3 geeft een impressie van de toekomstige gewenste situatie.
4
Figuur 2: Luchtfoto met het plangebied rood omlijnd.
Figuur 3. Overzicht van de toekomstige gewenste situatie.
5
Figuur 5. Overzicht plangebied, richting het noorden, de plaats waar de gebouwen gesloopt zijn.
Figuur 6. Gebouwen die aan de oostkant grenzen aan de plaats waar de gebouwen gesloopt zijn.
Figuur 7: Overzicht parkeerplaats, foto genomen richting het zuidwesten.
Figuur 8. Overzicht parkeerplaats, foto genomen richting het noordwesten.
Figuur 9. Overzicht parkeerplaats, foto genomen richting het zuiden.
Figuur 10. Gebouwen die aan de westkant grenzen aan de plaats waar de gebouwen gesloopt zijn.
6
Figuur 11. Detail van gebouw die aan de oostkant grenst, aan de plaats waar de gebouwen gesloopt zijn.
Figuur 12. Detail van gebouw die aan de oostkant grenst, aan de plaats waar de gebouwen gesloopt zijn.
7
3 Toetsing gebiedsbescherming Wettelijke gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden, “Polder Zeevang”, ”Wormer en Jisperveld & Kalverpolder” en “Ilperveld. Varkensland, Oostzanerveld & Twiske” liggen op respectievelijk 2,8 km, 3,6 km en 4,5 km afstand van het plangebied (zie figuur 13). Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Toename in geluid of licht wordt op voorhand uitgesloten. Een netto toename aan stikstofdepositie op een Natura 2000gebied o.a. door een toename van verkeersbewegingen, kan niet geheel uitgesloten worden. Volledige inzicht hieromtrent kan alleen worden verkregen via een Aeriusberekening.
Figuur 13. Ligging plangebied (zie rode pijl) ten opzichte van Europees beschermde gebieden.
8
Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Het plangebied is niet gelegen binnen het Natuurnetwerk Nederland (zie figuur 14). Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNN ligt ongeveer 1,5 km ten zuidwesten van het plangebied.
Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities nagenoeg gelijk blijven waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN niet zullen worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het NNN wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Daarbij staat in het Ontwerp beheerplan 2017 van de provincie Noord-Holland dat het NNN, in tegenstelling tot Natura 2000-gebieden, geen ‘externe werking’ heeft die een toets van gebruik aangrenzend aan het natuurgebied verplicht stelt.
Figuur 14. Ligging Natuurnetwerk Nederland ten opzichte van het plangebied (rode ster)
9
4
Toetsing beschermde houtopstanden
De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Aangezien er geen bomen gekapt worden, is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde.
10
5
Toetsing soortenbescherming
De Wet natuurbescherming heeft, voor wat betreft soortenbescherming, betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. De Wet natuurbescherming regelt dat de provincie bevoegd gezag is en de lijst met te beschermen soorten kan aanpassen op de situatie in provincie Noord-Holland. De soortbescherming in Noord-Holland ziet er hierdoor iets anders uit dan in andere provincies. De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën: Nationaal beschermde soorten (artikel 3.10 Wet Natuurbescherming) Europees beschermde soorten (artikel 3.5 Wet Natuurbescherming) Vogels (artikel 3.1 Wet Natuurbescherming) In het algemeen gelden voor alle drie de categorieën de zogenoemde verbodsregels. Een ontheffing hierop wordt voor de eerste categorie (art. 3.10 WNB) met een lichte toets verleend. Voor de tweede en derde categorie geldt een zware toetsing. De meeste nationaal beschermde soorten zijn in Noord-Holland vrijgesteld, conform het vrijstellingsbesluit van de Provincie Noord-Holland. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.10 Wnb).
Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend. Vanaf 1 januari 2017 moet, onder de Wet natuurbescherming, bij ruimtelijke ontwikkelingen naast de zorgplicht ook rekening gehouden worden met juridisch zwaarder beschermde soorten vanuit nationaal en Europees oogpunt. Beschermde soorten vanuit nationaal oogpunt betreffen soorten uit ‘bijlage A en B’ van de Wet natuurbescherming. Beschermde soorten vanuit Europees oogpunt betreffen soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern, en Bijlage 1 verdrag van Bonn, en alle in Europa inheemse vogels (Vogelrichtlijn). Op de ‘Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten’ van het Ministerie van LNV (augustus 2009) wordt onderscheid gemaakt in verschillende categorieën vogelnesten. Van de meeste vogelsoorten zijn de nesten uitsluitend beschermd wanneer deze tijdens de broed- en nestperiode in gebruik zijn.
Het gaat om soorten die jaarlijks nieuwe nesten maken. Van een aantal soorten roofvogels en uilen, koloniebroeders en gebouw bewonende vogelsoorten (‘categorie 1-4 soorten’) zijn de nesten en de functionele leefomgeving jaarrond beschermend. Ten slotte is er een categorie nesten van vogelsoorten die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed,
11
maar die over voldoende flexibiliteit beschikken om, als die broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen (‘categorie 5-soorten’). Vooralsnog is het uitgangspunt dat deze indeling gehandhaafd blijft, totdat de provincies deze hebben aangepast en vastgesteld. Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten. Treden er effecten op, dan dient er gekeken te worden of er (provinciale) vrijstelling verleend kan worden (al dan niet door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode), of dat er een alternatieve oplossing mogelijk is waardoor er geen negatief effect kan plaatsvinden. Indien dit niet mogelijk is, zal ontheffing aangevraagd moeten worden op basis van een geldig wettelijk belang, waarbij de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten niet in het geding komt. De ontheffing kan dan onder voorwaarden worden verleend. Vogels Het plangebied bestaat uit een geheel bestraatte parkeerplaats zonder bomen of hogere struiken, en zonder bebouwing. Er zijn geen daken aanwezig, geschikt voor gebouwbewonende vogels zoals huismus of gierzwaluw. Er zijn geen grote bomen aanwezig binnen het plangebied. Vanuit de omgeving zijn enkele roofvogels bekend waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn, zoals de boomvalk, buizerd, slechtvalk en sperwer.
Deze vogelsoorten hebben echter geen nestmogelijkheid, of mogelijk foerageergebied binnen het plangebied, gezien het ontbreken van geschikt habitat voor deze vogels. Subconclusie Bij uitvoering van de plannen gaan geen nestlocaties van soorten met een jaarrond beschermde status, of een beschermde status vanuit lokale bescherming, verloren. Indien eventueel in de directe omgeving aanwezige houtige beplanting verwijderd dient te worden in verband met de werkzaamheden, kunnen mogelijk wel nesten verloren gaan of verstoord worden, die niet jaarrond zijn beschermd. Voor de betreffende vogelsoorten geldt dat, indien het verwijderen van het opgaand groen buiten het broedseizoen wordt uitgevoerd, er redelijkerwijs geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot broedvogels. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Bij twijfel over de aan/afwezigheid van een verlaat broedgeval (bijvoorbeeld van een heggemus) dient een controle hieromtrent zekerheid te bieden. De voorgenomen plannen zullen geen afname van essentieel broedhabitat veroorzaken van een vogelsoort, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties is dan ook uitgesloten.
Vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens van de Zoogdiervereniging is het plangebied gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, meervleermuis, watervleermuis, en laatvlieger. Er staan echter geen bomen met holtes of met loszittend schors op
12
het plangebied. Er is eveneens geen bebouwing aanwezig binnen het plangebied. Er wordt mogelijk wel tegen gebouwen aan gebouwd, waarin wellicht wel gebouwbewonende vleermuizen zoals gewone dwergvleermuis, meervleermuis of laatvlieger hun verblijfplaats hebben (zie foto’s 9 t/m12). De aanwezigheid van verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen is in deze gebouwen niet uit te sluiten. Subconclusie Voor de bouw van blok 1 (zie fig. 3) zijn geen belemmeringen voor wat betreft vleermuizen. Voor de bouw van blok 4, evenwel, het blok wat tegen de huidige bebouwing aan, aan de Beemsterburgwal gebouwd gaat worden, is wel een beperking. In de aangrenzende gebouwen zijn mogelijk verblijfplaatsen aanwezig van vleermuizen, waarvan de verblijfplaatsen kunnen verdwijnen als woonblok 4 gerealiseerd gaat worden. Negatieve effecten op vleermuizen in gebouwen aan de Beemsterburgwal kunnen niet op voorhand worden uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Het plangebied vormt matig geschikt habitat voor grondgebonden zoogdieren. De randen van de parkeerplaats en het braakliggend terrein op de plaats van het gesloopte gebouw kunnen als schuilplaats door soorten als veldmuis gebruikt worden. Door de aanwezigheid van voldoende alternatief leefgebied in de omgeving van het plangebied betreft de ontwikkeling geen afname van essentieel leefgebied voor deze soorten.
Daarbij geldt voor al deze soorten een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om tijdens de werkzaamheden voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen, met name een relatief trage soort als de egel die onder dichte beplanting verscholen kan zitten. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Dieren moeten de gelegenheid krijgen om het werkgebied zelfstandig en veilig te kunnen verlaten. Indien noodzakelijk dienen soorten zorgvuldig te worden verplaatst naar buiten het werkgebied. Volgens de verspreidingsgegevens komen in de omgeving van het plangebied de nietvrijgestelde grondgebonden zoogdieren bunzing, hermelijn wezel en boommarter voor. Gezien de binnenstedelijke ligging van het plangebied en het ontbreken van geschikte schuilplekken, zoals takkenhopen etc. ontbreekt het deze dieren aan habitat. De aanwezigheid van strenger beschermde grondgebonden zoogdiersoorten zijn op basis van het ontbreken van geschikt habitat eveneens redelijkerwijs uitgesloten. Subconclusie Met de ontwikkeling binnen het plangebied gaat geen (essentieel) leefgebied van een grondgebonden zoogdiersoort verloren. Inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties van soorten is niet aan de orde.
In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen. Reptielen Volgens verspreidingsgegevens van RAVON komen in de omgeving (0-1 km) geen beschermde reptielen voor. Het plangebied zelf en de directe omgeving biedt geen geschikt
13
habitat voor deze soorten. Het voorkomen ervan binnen het plangebied is daarmee dan ook uitgesloten. Subconclusie Negatieve effecten op reptielen zijn op voorhand uitgesloten. Amfibieën In de omgeving van het plangebied zijn algemene soorten bekend als bruine kikker, bastaardkikker en kleine watersalamander. Bij ruimtelijke ontwikkeling geldt voor deze soorten een provinciale vrijstelling. Binnen het plangebied kan incidenteel een dergelijke soort worden aangetroffen, afkomstig uit bijvoorbeeld sloten in de omgeving. Volgens de verspreidingsgegevens is in de omgeving van het plangebied ook de niet vrijgestelde rugstreeppad bekend. Het plangebied zelf bevat echter geen oppervlaktewater, geschikt als voortplantingsplaats voor rugstreeppad. Voortplantingslocaties van de rugstreeppad kenmerken zich over het algemeen als wateren die zich in de pioniersfase bevinden: ondiepe, meestal geheel vegetatieloze, meestal tijdelijke watertjes. Voorbeelden zijn volgelopen greppels, regenplassen en karrensporen (rijsporen in het algemeen). Daarnaast zijn voortplantings-plaatsen ook te vinden in vennen en ondergelopen graslanden en in duinplassen. In akker- en graslandgebieden plant de soort zich voort in enkele dagen geleden geschoonde sloten, dus sloten die door het schonen weer in de pioniersfase bevinden.
Het water in de omgeving van het plangebied voldoet hier niet aan, en is om die reden niet aan te merken als voortplantingsplaats van de rugstreeppad. Het landhabitat van de rugstreeppad kenmerkt zich door dat de rugstreeppad zich ingraaft in vergraafbare bodems, in of ze schuilen onder elementen zoals tegels, pellets of tractorbanden. In de winter dienen de verblijfplaatsen vorstvrij te zijn. De overwinteringslocatie dient boven het grondwater gelegen te zijn. Er is binnen het plangebied momenteel geen vergraafbaar zand aanwezig en om die reden is er geen landhabitat voor de rugstreeppad aanwezig binnen het plangebied. Subconclusie De voorgenomen plannen zullen geen afname van geschikt essentieel habitat van een amfibieënsoort veroorzaken, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van populaties is dan ook uitgesloten. In het kader van de algemene zorgplicht is het wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor eventueel passerende individuen. Het is echter wel mogelijk dat tijdens de werkzaamheden de juiste omstandigheden worden gecreëerd voor de rugstreeppad. Deze soort staat bekend om zijn vermogen om nieuw leefgebied te koloniseren. Om dit te voorkomen wordt geadviseerd tijdens de werkzaamheden de langdurige opslag van los zand en langdurige (met name in het voorjaar) aanwezigheid van ondiepe plassen te vermijden.
Vissen Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater binnen het plangebied kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten. Subconclusie Negatieve effecten op beschermde vissen zijn op voorhand uitgesloten.
14
Ongewervelde diersoorten Het plangebied biedt geen geschikt (voortplantings)habitat voor deze soorten. Aanwezigheid van een beschermde libel of vlinder is daarmee redelijkerwijs uitgesloten. Aantasting van (deel)populaties van een beschermde libellen- of vlindersoort is met zekerheid niet aan de orde. De aanwezigheid van de overige beschermde ongewervelde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, is eveneens uitgesloten. Binnen het plangebied en in de omgeving is hiervoor geen geschikt habitat aanwezig. Subconclusie Negatieve effecten voor beschermde ongewervelde soorten zijn op voorhand uitgesloten. Vaatplanten In de directe omgeving van het plangebied is zijn bokkenorchis, honingorchis, kluwenklokje en groot spiegelklokje bekend. Er zijn echter geen beschermde soorten vaatplanten binnen het plangebied aangetroffen. Gezien het ontbreken van geschikt biotoop en binnenstedelijke ligging van het plangebied is de aanwezigheid van dergelijke beschermde vaatplanten, redelijkerwijs uitgesloten Subconclusie Negatieve effecten voor beschermde vaatplanten worden op voorhand uitgesloten.
Conclusies Gelet op de potentiele ecologische waarden kan het voorgenomen plan in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, in acht te worden genomen: Ten aanzien van vleermuizen dient nader (protocollair) onderzoek uit te wijzen of door de bouw van de woningen aan de Beemsterburgwal mogelijk rust- of verblijfplaats van een vleermuissoort worden ingesloten. Indien aanwezig dient een ontheffing aangevraagd te worden alvorens met de bouw kan worden begonnen. Ten aanzien van broedvogels zonder jaarrond beschermde nesten dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten; Ten behoeve van (incidenteel) aanwezige algemene soorten dient de zorgplicht in acht te worden genomen. Daarnaast zal met betrekking tot het onderdeel Natura 2000, middels een enkelvoudige Aerius-berekening, inzichtelijk moeten worden gemaakt of er sprake is van een significantie toename van de stikstofdepositie ter plaatse van Natura 2000-gebieden.
Vervolgonderzoek ten behoeve van het NNN en/of toetsing aan het onderdeel houtopstanden is bij dit plan verder niet aan de orde.
15
6
Samenvatting
In onderstaande tabel is samengevat of de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kan hebben op beschermde soorten en/of gebieden, en wat de eventuele vervolgstappen zijn, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is tevens weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel I. Overzicht (potentiele) aanwezigheid beschermde soorten/gebieden en te nemen vervolgstappen PotentiSoortgroep
Sprake van
Vervolgtraject / maatre-
Bijzonderheden /
verstoring
gelen
opmerkingen
Minimaal
Plangebied buiten broedsei-
Globale broedseizoen
maar niet
zoen bouwrijp maken of con-
loopt van maart tot half
onmogelijk
trole vooraf
augustus
Nee
-
-
ja
mogelijk
Vervolgonderzoek naar gebruik van omringende woningen aan de Beemsterburgwal door vleermuizen
Bij aanwezigheid is voor de bouw mogelijk een ontheffing nodig
Nee
Nee
-
-
Nee
Nee
-
-
eel aanwezig
Algemeen
Ja
Broedvogels Jaarrond beschermd Verblijfplaat-
Nee
sen Vleermuizen
Foerageerhabitat Vliegroutes
Grondgebonden zoogdieren Minimaal
Incidenteel mogelijk
soort als de egel
Nee
Amfibieën
Minimaal
Vissen
Nee
Nee
-
-
Ongewervelden
Nee
Nee
-
-
Vaatplanten
Nee
Nee
-
-
Afstand
Sprake van
Incidenteel mogelijk
tot gebied aantasting
-
Heeft betrekking op een
Reptielen
Gebiedsbescherming
Nee
Zorgplicht
Zorgplicht
Vervolgtraject
Heeft betrekking op een soort als de gewone pad
Bijzonderheden / opmerkingen
AERIUS-berekening om het Natura 2000
ca. 2.8 km
Mogelijk
effect van de stikstofuitstoot
Geen overige externe
op beschermde gebieden te
verstorende factoren
toetsen Wezenlijke ecologische Natuurnetwerk Nederland
ca. 1.5 km
Nee
-
waarde en kenmerken blijven gelijk
Houtopstanden
-
Nee
-
Niet van toepassing
16
7
Geraadpleegde bronnen
Algemene Literatuur Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (red.) 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, Leiden / European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Dietz C., O. von Helversen & D. Nill 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. De Fontein/Tirion Uitgevers, Utrecht. Limpens, H., J. Regelink & R. Koelman 2010. Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Ministerie van Economische Zaken 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse fauna 5. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.
Algemene websites bij12.nl (kennisdocumenten van o.a. rugstreeppad, huismus, gierzwaluw en diverse vleermuissoorten) eis-nederland.nl (soortgegevens ongewervelden) floron.nl (soortgegevens planten) ravon.nl (soortgegevens amfibieën, reptielen en vissen) sovon.nl (soortgegevens vogels) synbiosys.alterra.nl/natura2000 (Natura 2000-gebieden) verspreidingsatlas.nl/planten (verspreidingsgegevens planten) vlinderstichting.nl (soortgegevens vlinders en libellen) wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2017-03-01 (wettekst Wet natuurbescherming) www.zoogdiervereniging.nl (soortgegevens zoogdieren)
Provinciale bronnen
https://maps.noord-holland.nl/kaarten/ (NNN en natuurbeheerplan Noord-Holland) rudnhn.nl/Wet_natuurbescherming (implementatie natuurwetgeving binnen provincie Noord-Holland) Ontwerp Natuurbeheerplan 2017 Noord-Holland. Vastgesteld door Gedeputeerde Staten van NoordHolland op dinsdag 17 mei 2016, Haarlem
17