CConstaterende datPurmerend
Koppel je AI →
Document · PDF

I Bijlage-5 1-Bijlagen-bij-de-ruimtelijke-onderbouwing

Gemeenteraad 29 februari 2024, gemeente PurmerendBij agendapunt: Projectafwijking Hobrederweg 40a6.077 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Hobrederweg 40a Ruimtelijke onderbouwing behorende bij aanvraag omgevingsvergunning (uitgebreide procedure) met OLO-nummer 4587027 27 november 2023

omgevingsvergunning Hobrederweg 40a

Inhoudsopgave

Bijlagen bij de ruimtelijke onderbouwing

3

Bijlage 1

Erfinrichtingsplan

4

Bijlage 2

Impressies inpassing

20

Bijlage 3

Quick scan Wet natuurbescherming

33

Bijlage 4

Aerius verschilberekening 1

61

Bijlage 5

Aerius verschilberekening 2

75

Bijlage 6

Randeffecten stikstofberekening

84

Bijlage 7

Aeriusberekening bouwfase

90

Bijlage 8

Berekende emissies vergund en nieuw

98

Bijlage 9

Watertoets

100

2

omgevingsvergunning Hobrederweg 40a

Bijlagen bij de ruimtelijke onderbouwing

3

omgevingsvergunning Hobrederweg 40a

Bijlage 1 Erfinrichtingsplan

4

Erfinrichtingsplan Hobrederweg 40a Middenbeemster

2019

Erfinrichtingsplan Hobrederweg 40a Middenbeemster Beemsterlant’s Varken

2019

Afdeling

Onderzoek en Advies

Opdrachtgever

Afbeelding voorpagina: Projectnummer

M-OA-19--50500.8

© Natuurlijke Zaken De zakelijke dienstverlening van Landschap Noord-Holland Postbus 222 1850 AE Heiloo 088-0064400 www.natuurlijkezaken.nl

Inhoudsopgave Inhoudsopgave ...................................................................................................... 5 1

Inleiding ....................................................................................................... 6

2

Gebiedsbeschrijving ..................................................................................... 6 Ligging ................................................................................................................................... 6 Ontstaansgeschiedenis ......................................................................................................... 7

3

Het boerenerf in de Beemster ...................................................................... 9 Kernwaarden van het Beemstererf ...................................................................................... 9 Het erf aan de Hobrederweg 40a: huidige situatie ............................................................ 10

4

Inrichtingsplan ............................................................................................ 12

Erfinrichtingsplan Hobrederweg 40a - 2019 -

5

1

Inleiding

exploiteert een varkenshouderij aan de Hobrederweg 40 a te Middenbeemster. Op het bedrijf komen regelmatig bezoekers voor een bezoek aan de zichtstal en een rondleiding door het bedrijf. Omdat zij aan milieu-eisen moeten voldoen zijn zij voornemens een bestaande verouderde stal te vervangen door een nieuwe stal. Zij hebben Natuurlijke Zaken van Landschap Noord-Holland verzocht een inrichtingsplan voor het erf te maken.

2

Gebiedsbeschrijving Ligging

Het erf aan de Hobredeweg 40a is gelegen in Unesco Werelderfgoed De Beemster. Het erf ligt op enige afstand van de doorgaande weg. De A7 ligt ca 200 m ten westen van het erf.

Figuur 1 Luchtfoto met Hobrederweg 40a 10 rood omlijnd.

Erfinrichtingsplan Hobrederweg 40a - 2019 -

6

Ontstaansgeschiedenis De Beemster, drooggelegd in 1612, is de eerste grote zeventiende-eeuwse droogmakerij. De naam is waarschijnlijk afgeleid van het vroegere veenriviertje Bamestra. De bodem bestaat grotendeels uit vruchtbare oude zeeklei, terwijl de ondergrond langs de randen van de polder op sommige locaties uit veen bestaat. Het rationele, geometrische ontwerp van de Beemster is zo bijzonder, dat deze droogmakerij in 1999 werd aangewezen als Unesco Werelderfgoed. Op de kopergravure van Floris van Berckenrode uit 1644 is de hoofdstructuur van de Beemster te zien, met het oorspronkelijke sloten- en wegenpatroon. Deze kopergravure vormt de leidraad voor het beleid van het waterschap en voor de ruimtelijke ordeningspraktijk van de gemeente Beemster. Twee rasters van wegen en waterwegen verdelen de Beemster in een reeks van tweemaal zes ideale vierkanten, elk een zeemijl ofwel 1852 meter lang en breed. De snijpunten van het wegenraster liggen precies in het midden van de vierkanten van het waterraster. Daardoor wordt elk vierkant weer in vieren verdeeld. Deze polderblokken meten 926 bij 926 meter. Ze zijn meestal verkaveld in vijf rechthoekige landbouwkavels van 185 bij 926 meter. Elke kavel ligt met de kop aan de weg en eindigt bij een hoofdafwatering. Alleen langs de randen van de Beemster vinden we een afwijkend verkavelingspatroon, dat de slingerende Ringdijk volgt.

Het verkavelingspatroon is nog goed herkenbaar.

Figuur 2 kopergravure 1644 met erf Hobredewerg 40a in roodl

Erven liggen over het algemeen aan de weg. In het geval van de Hobrederweg. In het geval van de Hobrederweg 40 a is dat anders. Hier is al in de 19e eeuw een erf halverwege de kavel gelegen.

Erfinrichtingsplan Hobrederweg 40a - 2019 -

7

Figuur 3 Topografische kaarten van resp 1897(lb), 1900 (rb), 1950 (lm) 1972 (rm), 1983 lo) en 2007 (ro), www.toporijdreis.nl

Erfinrichtingsplan Hobrederweg 40a - 2019 -

8

Op de kaart van 1900 zien we een vierkant erf met een woning en een boomgaard. In 1900 is hier aan de achterzijde een klein erf bijgekomen. Een aantal sloten die haaks op de kavelrichting lagen zijn in 1900 verdwenen. Op de topografische kaart van 1950 (midden links) zien we dat er inmiddels een weg is aangelegd naar de erven toe. Langs deze weg zijn enkele erven verschenen. Op de kaart van 1972 (rechtsmidden) zien we een eerste langgerekte schuur. Daar komt op de kaart van 1983 een tweede schuur bij. En in 2007 zien we de huidige situatie met de schuren die dwars op de kavelrichting zijn gebouwd.

3

Het boerenerf in de Beemster Kernwaarden van het Beemstererf

Het boerenerf in de Beemster kent 7 kernwaarden1: 1. Erfvorm. Ligging in de verkaveling, vierkante of rechthoekige erfvorm aan de ringdijk Het karakteristieke Beemster erf is vierkant, beslaat een halve kavel met een maximale maat van 90x90 m. 2. Erfbegrenzing met sloten en sloten op het erf Het Beemstererf wordt geheel omgeven door sloten. Soms worden delen van het erf afgekaderd met smalle sloten, waardoor het erf wordt ingedeeld in aparte kamers 3. Representatief voorerf en traditionele erfindeling Het Beemstererf kent een voor- en achtererf. De woning met het voorerf vormt het representatieve deel van het erf. De stolp of woning is de blikvanger. Het achtererf is het bedrijfsgedeelte van het erf. Het voorerf is groen en onbebouwd. 4. Plaatsing woning en bijgebouwen op het erf. De woning staat meestal ongeveer midden op de kavel en staat bij een stolp ongeveer een stolpbreedte van de wegsloot af. 5. Doorzicht over het erfpad of een laan Het Beemstererf heeft een oprijlaan met een brug. Dit erfpad ligt asymmeterisch op het erf en loopt dicht langs het woonhuis. Er is een doorzicht over de laan naar het achtergelegen land. Een of beide zijden zijn beplant met laanbomen. 6. Erfranden met een bomenrij Het Beemstererf wordt gemarkeerd met een bomenrij op de erfranden. Soms is de achterzijde van het erf open, soms loopt de bomenrij ook langs de wegkant. 7.

Streekeigen erfbeplanting Kenmerkend voor het Beemstererf is inheemse beplanting. Naast de bomenrij op de erfranden en langs de oprijlaan vinden we inheemse beplanting zoals een boomgaard, leibomen voor de boerderij, poortwachters bij de ingang,

1 Handboek Ontwerp uw eigen erf , maak van uw erf het visitiekaartje van De Beemster, Gemeente Beemster en Landschap Noord Holland, 2014

Erfinrichtingsplan Hobrederweg 40a - 2019 -

9

Het erf aan de Hobrederweg 40a: huidige situatie Het erf aan de Hobrederweg is geen karakteristiek Beemster erf zoals boven omschreven.

Figuur 4 Huidige situatie Hobrederweg 40 a, www.ruimtelijkeplannen.nl

De huidige situatie omschrijven we aan de hand van de kernwaarden. 1. In de huidige situatie is de erfvorm onduidelijk. Aan de kop van de kavel staat een eenvoudige kleine plattelandswoning die in 2 wooneenheden is gesplitst. De woning is gericht op de erftoegangsweg. Het gedeelte van het perceel met de woningen heeft een woon- en tuinbestemming. Daarachter is het agrarisch bouwvlak gelegen. Op het agrarisch bouwvlak staan alleen bedrijfsgebouwen. De gebouwen staan op enige afstand van de woning, zijn haaks op de richting van de woning gebouwd en zijn gericht op de Hobrederweg en niet op de toegangsweg. Door de grote afstand tussen woning en bedrijfsgebouwen en het verschil in richting staat het bedrijfsgedeelte los van de woning.

Erfinrichtingsplan Hobrederweg 40a - 2019 -

10

2. Erfbegrenzing met sloten Aan de oostelijke perceelgrens wordt het erf begrensd door een kopergravure sloot. Aan de achtererfgrens ligt een greppel op grond van de aangrenzende buurman. 3. Representatief voorerf en traditionele erfindeling en 4. Plaatsen woning en bijgebouwen op het erf Door de relatief grote afstand van de kleine woning en de grote bedrijfsgebouwen en de verschillende richtingen van woning en bedrijfsgebouwen is er geen sprake van een traditionele erfindeling. Het voorerf van de woning is groen en representatief ingericht. Er is echter geen relatie met het achterliggende bedrijfserf. 5. Doorzicht over erf of een laan Er is een doorzicht van de toegangsweg langs de bedrijfsgebouwen en over de verharding aan de westkant van de bedrijfsgebouwen.

Figuur 5 Bomenrij van knotwilgen langs oostelijke perceelgrens, Bomenrij langs verharding westkant van de bedrijfsgebouwen en erfbeplanting van het buurerf

Erfinrichtingsplan Hobrederweg 40a - 2019 -

11

6. Erfranden met een bomenrij Het achtererf van de woning 40a wordt voornamelijk gebruikt als paardenweide. Het achtererf achter de woning Hobrederweg 40 is als tuin ingericht. Op het eigen erf is er geen erfbeplanting langs deze perceelrand. Langs de oostelijke zijdelingse perceelsgrens staat een bomenrij van fruitbomen tot aan het bedrijfserf en knotwilgen vanaf het bedrijfserf tot aan de achtergrens. Tussen het woonerf en het bedrijfserf staan enkele bomen. Ook langs de verharding aan de oostzijde van de gebouwen staat een bomenrij. De bedrijfsgebouwen worden door deze bomenrijen gemarkeerd en hierdoor ontstaat een langgerekt van vorm. 7: Streekeigen beplanting De beplanting op het gehele erf is voornamelijk streekeigen en passend voor een erf in een droogmakerij.

4

Inrichtingsplan

De familie wil het bedrijf graag klaar maken voor de toekomst. Zij hebben het voornemen om een nieuwe stal te bouwen naast de bestaande stal. Na de bouw van de nieuwe stal wordt de stal midden op het terrein gesloopt. Hier komt wordt op termijn een nieuw gebouw neergezet dat dienst gaat doen als ontvangstruimte voor bezoekers. Ook wordt hier een voerkeuken in gemaakt. In het inrichtingsplan worden de nieuwe gebouwen ingepast, en wordt zoveel mogelijk toegewerkt naar een erf dat voldoet aan de kenmerken van een Beemsters Erf. Uitgangspunt In de nieuwe situatie wordt het bedrijfserf beschouwd als een op zichzelf staand erf. Het gebouw dat op de plaats gaat komen van de te slopen stal wordt het hoofdgebouw, en vervult in plaats van een bedrijfswoning de functie van blikvanger op het terrein. De relatie met de bestaande woning wordt losgelaten. De mogelijkheden voor inpassing en erfinrichting zijn beperkt omdat de gronden rondom het erf geen eigendom zijn van de familie. Onderstaand bespreken we de nieuwe erfinrichting aan de hand van de kernwaarden van het Beemsters erf. 1. Erfvorm Onderzocht is of het erf de Beemstermaat van 90 m breed of zou kunnen worden. De nieuwe stal zou in dat geval echter niet op het erf passen. De vorm van het bedrijfserf is in de nieuwe situatie wel bijna vierkant van vorm (nl 118 x 110 m).

Dit betekent dat het erf herkenbaarder wordt als een Beemster erf. 2. Begrenzing van het erf met sloten Er is geen ruimte om aan de achter- of westelijk zijerfgrens een sloot aan te brengen. Aan de voorzijde van het erf is een behoorlijk vlak verharding nodig om vrachtverkeer te kunnen laten manoeuvreren.

Erfinrichtingsplan Hobrederweg 40a - 2019 -

12

3. Representatief voorerf en traditionele erfindeling. Door de bouw van het bezoekersgebouw als blikvanger ontstaat er een representatief voorerf De nieuwe stal wordt zo ver mogelijk naar achteren geplaatst, zodat er aan de voorzijde van het gebouw nog een groene ruimte ontstaat. De rest van het voorerf is verhard maar onbebouwd. 4. Plaatsing gebouwen op het erf Het nieuwe ontvangstgebouw komt op de fundamenten van de oude stal. Er is daardoor voor het gebouw nog ruimte voor een border met hortensia en enkele leibomen, waarmee het gebouw een representatieve uitstraling krijgt. De nieuwe stal wordt sober van vormgeving en kleurgebruik (donkergrijs). Het nieuwe ontvangstgebouw zou een wat rijkere uitstraling kunnen hebben met ramen en meer details, zodat dit ook echt de blikvanger wordt. 5. Doorzicht over erfpad of laan Het doorzicht over de verharding blijft aanwezig. De zichtlijn komt nu tussen de gebouwen door en loopt dicht langs het toekomstige hoofdgebouw. Dit is karakteristiek in de Beemster. Onder de overstek van het dak van de nieuwe stal komen op regelmatige afstand kolommen waartegen klimplanten (klimop en klimhortensia) zullen groeien. De kolommen zorgen voor een groen accent. Ze zijn daarnaast een verwijzing naar de laanbomen die op het karakteristieke Beemstererf het erfpad begeleiden. Ze versterken het effect van de zichtlijn.

Figuur 7 Detail doorsnede stal met groene kolom, rechts klimhortensia

6. Erfranden met een bomenrij De erfrand met de knotbomen aan de oostelijke perceelgrens blijft behouden. Langs de westelijke perceelgrens is geen ruimte voor een bomen-j of struikenrij. De erfgrens bestaat hier uit een strook met gras. Langs de voorzijde van het erf komt een bomenrij met bomen van de eerste orde. Gedacht kan worden aan een rij van gewone es of iep. De bomen staan op ongeveer 10 m plantafstand. Mocht het nodig zijn dan kunnen deze bomen te zijner tijd worden opgekroond zodat het verkeer hier geen hinder van ondervindt. 7. Streekeigen beplanting Naast de bestaande bomenrij op de erfranden worden aan de ingang van het erf twee kastanjebomen geplant. Deze poortwachters markeren de ingang. Al eerder genoemd zijn de

Erfinrichtingsplan Hobrederweg 40a - 2019 -

14

leibomen (leilinden) en de hortensiavakken voor het hoofdgebouw. Op het voorerf worden nog solitaire heesters geplant. Er is gekozen voor Gelderse roos( Viburnum opulus) en krent (amelanchier lamarckii). Deze heesters zijn inheems, hebben een aantrekkelijke bloei, mooie herfstverkleuring en krijgen bessen. Ze zorgen niet alleen voor kleur, maar zijn ook interessant voor vogels en insecten.

Figuur 8 Krentenboompje en Gelderse roos als bloeiende heesters vinden een plek op het voorerf

Door de erfinrichting samen met de keuze voor bebouwing met een representatieve uitstraling zal de ruimtelijke kwaliteit van het erf aanzienlijk toenemen.

Erfinrichtingsplan Hobrederweg 40a - 2019 -

15

omgevingsvergunning Hobrederweg 40a

Bijlage 2 Impressies inpassing

20

Bijlage Erfinrichtingsplan Hobrederweg 40a Middenbeemster Visualisaties 2021

Afdeling

Onderzoek en Advies

Opdrachtgever

© Natuurlijke Zaken De zakelijke dienstverlening van Landschap Noord-Holland Postbus 222 1850 AE Heiloo 088-0064400 www.natuurlijkezaken.nl

1

Inleiding

In deze bijlage zijn plattegronden opgenomen van de huidige situatie en van de landschappelijke inpassing. Daarnaast zijn visualisaties gemaakt van de impact op het landschap van de uitbreiding met de nieuwe stal.

Bijlage bij Erfinrichtingsplan Hobrederweg 40a -

- 2021

3

Impact op het landschap

Om vast te kunnen stellen wat de impact op het landschap is van de nieuwe schuur, zijn visualisaties gemaakt van de nieuwe situatie, gezien vanaf de A7, de Hobrederweg en vanaf de Nekkerweg. Hierbij wordt de huidige situatie vergeleken met de nieuwe situatie. Op de luchtfoto hieronder is te zien vanaf welk standpunt de visualisaties gemaakt zijn.

Bijlage bij Erfinrichtingsplan Hobrederweg 40a -

- 2021

Zicht vanaf de A7

Figuur 1 Zicht vanaf de A7 met de huidige situatie boven, en de nieuwe situatie onder (Google streetview)

De nieuwe stal verdwijnt voor een groot gedeelte achter de huidige bebouwing. Alleen het dak is te zien.

Bijlage bij Erfinrichtingsplan Hobrederweg 40a -

- 2021

Figuur 2 Zicht vanaf A7 ingezoomd, boven huidige situatie, onder nieuwe situatie

Als we inzoomen is het verschil beter te zien.

Bijlage bij Erfinrichtingsplan Hobrederweg 40a -

- 2021

Zicht vanaf de Hobrederweg Vanaf de Hobrederweg valt het erf 40a op veel plekken weg achter de erven dit dichter bij de weg liggen. Op de plek die voor de visualisatie gekozen is, is het erf wel goed zichtbaar.

Figuur 3 Zicht vanaf de Hobrederweg. nr 40 a valt grotendeels weg achter de andere erven nr 37 t/m 39

Bijlage bij Erfinrichtingsplan Hobrederweg 40a -

- 2021

Figuur 4 Zicht vanaf Hobrederweg, huidige situatie boven, nieuwe situatie onder

Bijlage bij Erfinrichtingsplan Hobrederweg 40a -

- 2021

Figuur 5 Zicht vanaf Hobrederweg ingezoomd, boven huidig, onder nieuwe situatie

Bijlage bij Erfinrichtingsplan Hobrederweg 40a -

- 2021

Zicht vanaf Nekkerweg Vanaf de Nekkerweg is de nieuwe stal nog het meest zichtbaar. Omdat de wegbeplanting langs de A7 op de achtergrond zichtbaar blijft, is ook hier de visuele impact heel beperkt.

Figuur 6 Zicht vanaf Nekkerweg met huidige situatie boven en de nieuwe situatie onder

Bijlage bij Erfinrichtingsplan Hobrederweg 40a -

- 2021

Figuur 7 Zicht vanaf de Nekkerweg ingezoomd met huidige situatie boven en nieuwe situatie onder

Bijlage bij Erfinrichtingsplan Hobrederweg 40a -

- 2021

omgevingsvergunning Hobrederweg 40a

Bijlage 3 Quick scan Wet natuurbescherming

33

Quickscan Wet natuurbescherming Varkenshouderij Beemsterlant’s Varken, Middenbeemster.

Auteur: 06-06-2019

Afdeling

Onderzoek en advies

Kwaliteitscontrole Opdrachtgever Hobrederweg 40a 1462 LK Middenbeemster Foto’s en afbeeldingen

© Natuurlijke Zaken De zakelijke dienstverlening van Landschap Noord-Holland Postbus 222 1850 AE Heiloo 088-0064400 www.natuurlijkezaken.nl

Inhoudsopgave 1

Inleiding ..................................................................................................... 6 1.1

Aanleiding ............................................................................................................................. 6

1.2

Doel ....................................................................................................................................... 6

1.3

Methodiek en veldwerk ........................................................................................................ 6

2

Plangebied .................................................................................................. 7 2.1

Plangebied ............................................................................................................................ 7

2.2

Planvoornemen en werkzaamheden .................................................................................... 9

3

Wettelijk kader ......................................................................................... 10 3.1

Bescherming van gebieden ................................................................................................. 10

3.2

Bescherming van soorten ................................................................................................... 12

4

5

Resultaten ................................................................................................ 13 4.1

Literatuur onderzoek .......................................................................................................... 13

4.2

Effecten van de ingreep op soorten, op basis van veldbezoek ........................................... 17

4.3

Effecten op beschermde gebieden ..................................................................................... 20

Conclusies ................................................................................................. 21

Literatuur .......................................................................................................... 22 Bijlage 1 Toelichting relevante wetgeving .................................................. 23

Quickscan Wet Natuurbescherming, 06-06-2019 –

5

1

Inleiding

1.1

Aanleiding

Voor de aanleg van een nieuwe varkensstal en de sloop van een uur schuur en varkensstal is een flora en fauna onderzoek nodig. Bij ruimtelijke ontwikkelingen en plannen dienen (mogelijke) volgens de Wet natuurbescherming effecten op natuurwaarden te worden onderzocht. Er wordt in deze rapportage getoetst óf en welke beschermde dier- en plantensoorten voorkomen in en rondom het projectgebied en welke negatieve effecten er (eventueel) kunnen ontstaan. In deze quickscan wordt getoetst of er een conflict zou kunnen optreden met de Wet natuurbescherming.

1.2

Doel

Door middel van een literatuurstudie en een veldbezoek zal deze quickscan de volgende vragen beantwoorden: • Welke beschermde (Wet natuurbescherming) soorten komen er (potentieel) voor in het plangebied? • Welke negatieve effecten kan de (potentieel) aanwezige flora en fauna ondervinden van de ingreep? • Is er gezien de effecten van de ingreep sprake van een (mogelijke) overtreding van Wet natuurbescherming? • Zijn er (mogelijk) effecten op beschermde gebieden (Wet natuurbescherming, NNN, weidevogelleefgebied)? • Is er gezien de effecten van de ingreep een (mogelijke) aantasting van wezenlijke kenmerken uit waarden uit Natuurnetwerk Nederland?

1.3

Methodiek en veldwerk

Door middel van een literatuuronderzoek is gekeken welke beschermde flora en fauna er in (de omgeving van) het plangebied voorkomen. Daarvoor is gebruik gemaakt van verspreidingsatlassen en databanken. Op donderdag 9 mei 2019 heeft een ecoloog van Natuurlijke Zaken, Martijn Struijf, het plangebied bezocht. Het was die dag 15 graden, licht bewolkt en droog. Tijdens het bezoek zijn de aanwezige structuren, ecotopen (leefgebieden) en de (mogelijk) aanwezige flora en fauna geïnventariseerd. Aan de hand van het veldbezoek en het vooraf uitgevoerde literatuuronderzoek is middels een zogenaamde “expert judgement” een inschatting gemaakt van de (potentieel) aanwezige beschermde natuur, flora en fauna.

Quickscan Wet Natuurbescherming,– 06-06-2019 – 6

Figuur 2-2: Foto's van de schuur (plangebied B) en de te verwijderen varkensstal (plangebied B).

Figuur 2-3: Foto's van het grasperceel waar de nieuwe verkenstal gaat komen.

Quickscan Wet Natuurbescherming,– 06-06-2019 – 8

3

Wettelijk kader

Dit hoofdstuk beschrijft in het kort de relevante natuurwetgeving, voor een uitgebreide beschrijving wordt verwezen naar bijlage 1. Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming ingegaan. Deze wet vervangt de voormalige Boswet, Flora- en Faunawet en natuurbeschermingswet 1998. De nieuwe wetgeving volgt dezelfde onderverdeling in bescherming van bossen, bescherming van soorten en bescherming van gebieden. Hieronder wordt een beknopte weergave van deze onderdelen weergegeven.

3.1

Bescherming van gebieden

3.1.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000-gebieden worden middels de Wet natuurbescherming beschermd. Binnen of buiten Natura 2000-gebieden zijn er geen activiteiten toegestaan die een significant negatieve invloed kunnen hebben op de instandhoudingsdoelen van het betreffende gebied. Wanneer effecten niet uitgesloten kunnen worden dient een passende beoordeling gemaakt te worden.

3.1.2 Planologische bescherming: Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen ecologische hoofdstructuur) is een samenhangend netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Dit programma is door de rijksoverheid geïnitieerd en middels de nota ruimte (2006) respectievelijk Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012) en Besluit Algemene Regels Ruimtelijke Ordening (2012) uitgewerkt in een planologische bescherming van het NNN. Deze bescherming houdt in dat nieuwe plannen, projecten of andere handelingen niet de wezenlijke kenmerken en waarden van NNN-gebieden mogen aantasten. De wezenlijke kenmerken en waarden worden per provincie vastgelegd in het natuurbeheerplan. Provincie Noord-Holland heeft het toetsingskader als volgt gevisualiseerd in de ‘Wegwijzer Natuurnetwerk Nederland. De wegwijzer geeft inzicht in de te volgen stappen om inzicht te krijgen of er sprake is van een ‘significante aantasting’.

Quickscan Wet Natuurbescherming,– 06-06-2019 – 10

Figuur 3-1: De wegwijzer geeft inzicht in de te volgen stappen om inzicht te krijgen of er sprake is van een ‘significante aantasting’.

3.1.3 Weidevogelleefgebieden Weidevogelleefgebieden maakten voorheen deel uit van de PEHS (Provinciale Ecologische Hoofdstructuur: voorheen EHS (NNN), Natuurverbindingen en weidevogelleefgebied). De weidevogelleefgebieden zijn “agrarische gebieden die actuele of potentiële waarde hebben voor de weidevogels. Voortzetting van het agrarisch gebruik is een vereiste voor behoud of ontwikkeling van die waarden. Binnen het totale areaal is voor een beperkt aantal hectares (rijks)geld beschikbaar voor het afsluiten van overeenkomsten voor actief weidevogelbeheer. Planologische bescherming en compensatie zijn daarom voor deze categorie gebieden onmisbare aanvullende instrumenten om de weidevogels daadwerkelijk te kunnen beschermen” (Handreiking ruimtelijke bescherming en compensatie natuur en recreatie van de Provincie Noord- Holland). Provinciale Ruimtelijke Verordening

Voor weidevogelleefgebieden geldt artikel 25 van de Provinciale Ruimtelijke Verordening van Provincie Noord-Holland (2016). Het artikel is als bijlage opgenomen. Uit artikel 25 blijkt dat het niet zonder meer toegestaan is om activiteiten te ontplooien die effecten hebben op weidevogelleefgebieden. Indien dergelijke activiteiten wel zijn voorzien omdat geen aanvaardbaar alternatief aanwezig is en er bovendien een groot openbaar belang mee wordt gediend, dan is compensatie vereist.

Quickscan Wet Natuurbescherming, 06-06-2019 –

11

Compensatie Een wijziging van het bestemmingsplan die tot oppervlakteverlies of verstoring leidt in het weidevogelleefgebied is niet toegestaan, tenzij er geen aanvaardbaar alternatief aanwezig en een groot openbaar belang wordt gediend (nee-tenzij) Als een ingreep (onder bovengenoemde voorwaarden wordt toegestaan, moet de initiatiefnemer het weidevogelgebied dat verloren gaat compenseren. Er dient een compensatieplan te worden opgesteld waarin ingegaan dient te worden op de gevolgen van de aanleg van het sportveld. Hierbij dient tevens het verzoek tot herbegrenzing van het weidevogelleefgebied te worden gedaan. De regelgeving voor natuurcompensatie voor weidevogelleefgebieden is verankerd in de Uitvoeringsregeling natuurcompensatie Noord-Holland (Provincie Noord-Holland, 2014).-> zie bijlage

3.2

Bescherming van soorten

Er zijn in de Wet natuurbescherming drie beschermingsregimes te onderscheiden. Deze regimes zijn grotendeels gebaseerd op Europese wetgeving (Vogel- en Habitatrichtlijn). Regime 1: Vogelrichtlijn Alle in het wild levende vogels in Nederland zijn middels 5 verbodsartikelen beschermd (zie kader in bijlage 1). Met opzettelijk wordt voorwaardelijke opzet bedoeld: ‘Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of een plant.’ (memorie van toelichting op Wet natuurbescherming) Regime 2: Soorten van de Habitatrichtlijn Een aantal soorten kennen een strenge bescherming. Dit betreft de soorten van de Habitatrichtlijn, of bijlage II bij het Verdrag van Bern, of bijlage I bij het Verdrag van Bonn. Ook hier is de voorwaardelijke opzet van toepassing. Regime 3: Nationaal beschermde soorten (art 3.10) Het derde beschermingsregime bestaat uit een aantal aanvullende soorten waarvoor de rijksoverheid bescherming noodzakelijk acht. Deze soorten worden genoemd in de bijlage bij de Wet natuurbescherming. Voor de soorten van dit beschermingsregime is het verboden ze opzettelijk te doden of te vangen en om voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen te beschadigen of te vernietigen. Voor deze soorten geldt niet het verbod om te verstoren.

De provincie heeft middels een verordening een aantal soorten uit deze bijlage weer vrijgesteld.

Quickscan Wet Natuurbescherming,– 06-06-2019 –

nest in struiken, hagen, takkenrillen en holtes van bomen. Ze voeden zich voornamelijk met zaden, kleine insecten en zachte plantdelen zoals bladknoppen

4.1.4 Zoogdieren Nabij het plangebied zijn waarnemingen bekend van verschillende vleermuizen zoals gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, watervleermuis en meervleermuis. Naast vleermuizen zijn er ook waarnemingen van bosmuis, veldmuis, huisspitsmuis, noordse woelmuis, haas, hermelijn, konijn, vos en bunzing (artikel 3.10) (Hoogeboom et al.,, 2014). Van deze beschermde zoogdieren zijn in Noord-Holland een aantal soorten vrijgesteld. Dit betreft soorten zoals bosmuis, dwergmuis, egel, haas, konijn, veldmuis, huisspitsmuis en vos. Voor deze diersoorten hoeven er het hele jaar door geen bijzondere maatregelen genomen te worden (Provincie Noord-Holland, 2016), dit geldt niet voor de strikt beschermde vleermuizen, marterachtige (zoals hermelijn en wezel) en noordse woelmuis (habitatrichtlijnsoorten).

4.1.5 Amfibieën In de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van bastaardkikker/middelste groene kikker, gewone pad, bruine kikker, meerkikker en kleine watersalamander (Herder et al.,, 2010). Deze soorten zijn algemeen in Noord-Holland waardoor deze soorten zijn vrijgesteld van de lijst met beschermde diersoorten. Hiervoor hoeven geen bijzondere maatregelen genomen te worden. De beschermde rugstreeppad is wel een enkele keer waargenomen, waarvan de dichtstbijzijnde waarneming zich op twee kilometer van het plangebied bevond (Creemers et al.,, 2019). Overige beschermde soorten als kamsalamander en heikikker leven alleen in het Gooi (heikikker komt in Noord-Holland ook voor op Texel).

4.1.6 Reptielen In Noord-Holland komen een aantal beschermde reptielen voor zoals zandhagedis en hazelworm. Als leefomgeving prefereren zij gebieden als de duinen en bosrijke gebieden. De ringslang is ook een beschermde soort die in Noord-Holland in steeds meer gebieden wordt waargenomen. Rondom het plangebied zijn geen beschermde reptielen waargenomen en wordt binnen deze rapportage verder buiten beschouwing gelaten (Herder et al.,, 2010).

4.1.7 Insecten Nabij het plangebied zijn geen waarnemingen bekend van beschermde insecten. In Noord-Holland komen deze voornamelijk voor in duingebieden (Kaag et al.,., 2012) . Beschermde insecten worden niet verwacht in het plangebied en worden verder buiten beschouwing gelaten in deze rapportage.

4.1.8 Vissen In totaal leven er in Noord-Holland acht beschermde vissensoorten. Waaronder soorten zoals kwabaal, houting en steur etc. Beschermde vissen komen in Noord-Holland voornamelijk voor in het Gooi en de Vechtstreek en kustzone. Beschermde soorten worden in de omliggende sloten daarom

Quickscan Wet Natuurbescherming,– 06-06-2019 – 16

braakballen aangetroffen. De huismussen broeden in de bestaande varkensstal, welke niet wordt aangepast, effecten op de aanwezige huismussen zijn uit te sluiten. De zangvogels die rondom het plangebied zijn waargenomen hebben veelal de voorkeur om te broeden in struweel, holtes van bomen of onder dakpannen van huizen. Onder de dakpannen van de schuur zijn geen nesten aangetroffen en de ruimte onder de dakgoot is afgedicht met een verzinkt gaaspaneel (zie figuur 4-5). De bomenrij naast het perceel zou voor enkele zangvogels geschikt kunnen zijn om in te broeden. Omdat er binnen het plangebied broedende vogels zitten, waaronder boerenzwaluw en mogelijk zangvogels in de naastgelegen bomenrij kunnen de werkzaamheden niet plaatsvinden tijdens het broedseizoen. De eigenaar heeft aangegeven dat er in de nieuwe varkensstal ook rekening wordt gehouden met nieuwe voorzieningen voor de boerenzwaluw. De nieuwe varkensstal krijgt namelijk een overkapping van een aantal meter zodat boerenzwaluw een alternatieve plek krijgt om te broeden. Tevens zijn er ook ideeën om een nieuwe groengevel tegen de nieuwe varkensstal te plaatsen waardoor hier nieuwe broedplekken voor zangvogels terugkomen.

4.2.2 Zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn geen zoogdieren aangetroffen. Wel zijn er sporen gevonden van bunzing. Tijdens het veldbezoek is namelijk gekeken of er rondom het plangebied gangen, holen of prooiresten aanwezig waren. Marterachtigen kunnen zich namelijk vestigen in kleine ruimtes op en rondom het erf. Op de zolder van een schuur in plangebied B zijn prooiresten gevonden van waarschijnlijk bunzing. Op de zolder de prooiresten van een haas aangetroffen en van verschillende zangvogels. Aan de afgebeten vleugelpunten is duidelijk te zien dat dit veroorzaakt is door een zoogdier en het niet gaat om een roofvogel. Doordat de veren voornamelijk afkomstig zijn van zangvogels is het uit te sluiten dat het om een vos gaat. De prooidieren van een vos zou voornamelijk bestaan uit weidevogels. Hierdoor kunnen we er vanuit gaan dat het om een marterachtige gaat. Bunzing is het meest waarschijnlijk omdat steenmarter alleen in de duinen van Noord-Holland actief zijn. Tevens zijn er boven op de zolderverdieping geen latrines van steenmarter aangetroffen. Er zijn geen aanwijzingen van sporen en andere activiteiten dat deze locaties gebruikt worden. De bestaande sleufsilo’s met daarin het opgeslagen kuilgras vormt geen geschikt biotoop voor marterachtige om in te verblijven. Werkzaamheden aan deze silo’s heeft geen effect op verblijfplaatsen of individuen.

Figuur 4-6: Voorbeeld van de prooiresten (veerpennen en resten van haas) bovenop de zolder van de boerenschuur.

Quickscan Wet Natuurbescherming,– 06-06-2019 – 18

Het terrein is ook beoordeeld op de geschiktheid voor de noordse woelmuis. Deze soort leeft bij voorkeur langs de waterkant in rietlanden in dichtbegroeide vegetaties met voldoende dekking. In de greppels rondom plangebied A zijn geen sporen van Noordse woelmuis gevonden, het aanwezige biotoop is ongeschikt voor deze kritische habitatrichtlijnsoort. Rondom het erf van de boerderij is gekeken of er geschikte locaties voor vleermuizen zaten. In de bomenrij waren geen holtes aanwezig en in en rondom de dakbeschoeiing zat te weinig ruimte waar vleermuizen zich kunnen vestigen. Alleen door een scheur in de voorgevel (in plangebied B) is er een ruimte gevonden waar een paar vleermuizen zich kunnen vestigen. Hier is gekeken of er onder deze gevel vleermuizenpoepjes lagen maar die zijn niet aangetroffen waardoor uit te sluiten is dat het een kraamkolonie betreft. Op basis van de ruimte achter de scheur is het wel mogelijk dat er ruimte is voor maximaal 2 tot 3 vleermuizen. Het verwijderen van de schuur kan daarom effect hebben op deze vleermuizen en hiervoor zullen alternatieve verblijfplaatsen geplaatst moeten worden.

Figuur 4-7 Ruimte achter de dakbeschoeiing waar enkele vleermuizen zich kunnen vestigen.

4.2.3 Amfibieën Rondom het plangebied zijn er aan de andere kant van de A7 op twee kilometer afstand rugstreeppadden waargenomen. Rugstreeppadden zijn in staat om meerdere kilometers te overbruggen indien er geschikt habitat aanwezig is. Doordat deze verbinding wordt geblokkeerd door de A7 is de kans zeer gering dat rugstreeppadden het plangebied kunnen bereiken. Op basis van het biotoop op het plangebied (grasland) en de afstand wordt uitgesloten dat rugstreeppadden hier voorkomen en negatieve effecten ondervinden van de werkzaamheden in het plangebied.

Quickscan Wet Natuurbescherming, 06-06-2019 –

19

Bijlage 1 Toelichting relevante wetgeving Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming ingegaan. Deze wet vervangt de voormalige Boswet, Flora- en faunawet en natuurbeschermingswet 1998. De ‘nieuwe’ wetgeving volgt dezelfde onderverdeling in bescherming van bossen (hoofdstuk 4), bescherming van soorten (hoofdstuk 3) en bescherming van gebieden (hoofdstuk 2). Hieronder wordt een beknopte weergave van deze onderdelen weergegeven.

Bescherming van gebieden (hoofdstuk 2) Natura 2000-gebieden worden middels de Wet natuurbescherming beschermd. Binnen of buiten Natura 2000-gebieden zijn er geen activiteiten toegestaan die een significant negatieve invloed kunnen hebben op de instandhoudingsdoelen van het betreffende gebied. Wanneer effecten niet uitgesloten kunnen worden dient een passende beoordeling gemaakt te worden.

Bescherming van soorten (hoofdstuk 3) Er zijn in de Wet natuurbescherming 3 beschermingsregimes te onderscheiden. Deze regimes zijn grotendeels gebaseerd op Europese wetgeving (Vogel- en habitatrichtlijn). Regime 1: Vogelrichtlijn Alle in het wild levende vogels in Nederland zijn middels 5 verbodsartikelen (zie kader 1) beschermd. Met opzettelijk wordt voorwaardelijke opzet bedoeld: ‘Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of een plant.’ (memorie van toelichting op wet natuurbescherming) Verstoring van vogels is geen wettelijke overtreding indien het geen wezenlijke invloed heeft op de gunstige staat van instandhouding van de soort. Voor een ontheffing op de verboden dient een zware toets uitgevoerd te worden. Kader 1: Verbodsbepalingen soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1 Wet natuurbescherming) 1 Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4.

Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Quickscan Wet Natuurbescherming, 06-06-2019 –

23

Regime 2: Soorten van de Habitatrichtlijn Een aantal soorten kennen een strenge bescherming. Dit betreft de soorten van de Habitatrichtlijn, of bijlage II bij het Verdrag van Bern, of bijlage I bij het Verdrag van Bonn. Ook hier is de voorwaardelijke opzet van toepassing. Voor soorten onder dit regime is verstoren te allen tijde verboden. Dit is een verschil met de bescherming van vogels, waar verstoring is toegestaan, mits dit geen effect heeft op de gunstige staat van instandhouding. Het is nog onbekend hoe omgegaan moet worden met vogels die in bijlage II van het Verdrag van Bern staan. Voor deze vogels zou in principe verstoring ook ten alle tijde verboden zijn. Voor een ontheffing op de verboden wordt een zware toets toegepast. Kader 2: Verbodsbepalingen soorten van Habitatrichtlijn (artikel 3.5 Wet natuurbescherming) 1.

2. 3. 4. 5.

Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke

Regime 3: Nationaal beschermde soorten (art 3.10) Het derde beschermingsregime bestaat uit een aantal aanvullende soorten waarvoor de rijksoverheid bescherming noodzakelijk acht. Deze soorten worden genoemd in de bijlage bij de Wet natuurbescherming. Voor de soorten van dit beschermingsregime is het verboden ze opzettelijk te doden of te vangen en om voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen te beschadigen of te vernietigen. Voor deze soorten geldt niet het verbod om te verstoren. De provincie heeft middels een verordening een aantal soorten uit deze bijlage weer vrijgesteld. Kader 3: Verbodsbepalingen nationaal beschermde soorten (artikel 3.10 Wet natuurbescherming) 1. a.

b. c.

Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: In het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; De vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of Vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Quickscan Wet Natuurbescherming,– 06-06-2019 – 24

Ontheffingsgronden soortbescherming Indien er verbodsbepalingen overtreden worden moet een ontheffing worden aangevraagd. Voor handelingen is geen ontheffing van de verbodsbepalingen nodig als:  Er maatregelen mogelijk zijn om het overtreden van de verbodsbepalingen te voorkomen;  Er een vrijstelling geldt op grond van een provinciale verordening, gedragscode, beheerplan Natura 2000, programmatische aanpak of een ministeriële regeling. Een ontheffing (of een vrijstelling) wordt uitsluitend verleend, als voldaan is aan elk van de volgende drie cumulatieve voorwaarden: a. Geen andere bevredigende oplossing; b. Sprake van een in de wet genoemd belang; c. Geen verslechtering/afbreuk aan de staat van instandhouding van de soort. Of er sprake is voor een bij wet genoemd belang is verschillend per beschermingsregime van de soort. De verschillende belangen zijn per regime aangegeven.

Quickscan Wet Natuurbescherming, 06-06-2019 –

Bescherming van bossen (Hoofdstuk 4) Voor bosopstanden (groter dan 1000 m² of dat bestaat uit rijbeplanting van meer dan 20 bomen) buiten de bebouwde kom geldt een meldings- en herplantplicht. Door middel van de provinciale verordening geldt de meldings- en herplantplicht ook voor (evt. geknotte) populieren of wilgen in 1°. wegbeplantingen; 2°. beplantingen langs waterwegen, en 3°. eenrijige beplantingen langs landbouwgronden. In de provinciale verordening staat verder beschreven hoe de melding en herplant gedaan moet worden.

Planologische bescherming: NNN Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen ecologische hoofdstructuur) is een samenhangend netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Dit programma is door de rijksoverheid geïnitieerd en middels de nota ruimte (2006) respectievelijk Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012) en Besluit Algemene Regels Ruimtelijke Ordening (2012) uitgewerkt in een planologische bescherming van het NNN. Deze bescherming houdt in dat nieuwe plannen, projecten of andere handelingen niet de wezenlijke kenmerken en waarden van NNN-gebieden mogen aantasten. De wezenlijke kenmerken en waarden worden per provincie vastgelegd in het natuurbeheerplan.

Quickscan Wet Natuurbescherming, 06-06-2019 –

27

omgevingsvergunning Hobrederweg 40a

Bijlage 4 Aerius verschilberekening 1

61

omgevingsvergunning Hobrederweg 40a

Bijlage 5 Aerius verschilberekening 2

75

omgevingsvergunning Hobrederweg 40a

Bijlage 6 Randeffecten stikstofberekening

84

omgevingsvergunning Hobrederweg 40a

Bijlage 7 Aeriusberekening bouwfase

90

omgevingsvergunning Hobrederweg 40a

Bijlage 8 Berekende emissies vergund en nieuw

98

omgevingsvergunning Hobrederweg 40a

Bijlage 9 Watertoets

100

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13778596/1