I Bijlage 3b-II Quickscan Wet natuurbescherming
Tekst van het document
QUICKSCAN WAGENWEG 10 TE PURMEREND Eindrapport
Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. Leimuiden, 25-11-2019
VERANTWOORDING
Opdrachtgever: Contactpersoon: Adres: Tel: E-mail:
Uitvoering: Adres:
DNS Planvorming B.V. Dhr. R. Dekker Klaprozenweg 75c 1033 NN AMSTERDAM 06 24925791 dekker@dnsplanvorming.nl
Tel: E-mail:
Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V Waaier 64 2451 VW Leimuiden 0172 576072 algemeen@eco-logisch.com
Auteur: Kwaliteitscontrole:
M.G. Bertholet Ing. J. Koorevaar
Projectcode: Status: Datum:
DNNA1903 Definitief 25-11-2019
Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. werkt volgens de kwaliteitsnormen van het Netwerk Groene Bureaus. Dit netwerk werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte. De deskundigen werkende bij Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. voldoen hierdoor aan de volgens het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit gestelde eisen.
Adviesbureau E.C.O Logisch B.V. is aangesloten op de Nationale Databank Flora en Fauna en heeft daarmee toegang tot de meest volledige natuurgegevens in Nederland.
2
SAMENVATTING
De initiatiefnemer is voornemens ruimtelijke ingrepen uit te voeren in het projectgebied aan Wagenweg 10 te Purmerend. De geplande werkzaamheden in het projectgebied betreffen het amoveren van de bebouwing en het verwijderen van bomen en struweel. Het perceel zal bouwrijp worden gemaakt, waarna een appartementengebouw met vijf bouwlagen aan de zuidzijde en vier bouwlagen aan de overige zijden zal worden gerealiseerd. Er zullen in totaal 131 woningen worden gerealiseerd. Onderzocht is of deze ontwikkeling in het projectgebied niet strijdig is met de Wet natuurbescherming. De nadruk van dit onderzoek ligt op de mogelijke aanwezigheid van functies voor beschermde flora en fauna. De bebouwing in het projectgebied biedt mogelijkheden voor verblijfplaatsen van te verwachte soorten de gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis. Het projectgebied kan onderdeel uitmaken van een vliegroute en/of foerageergebied van vleermuizen. Door het uitvoeren van de geplande werkzaamheden kunnen mogelijk aanwezige verblijfplaatsen van vleermuizen worden vernietigd en essentiële vliegroutes en foerageergebied verdwijnen. De groenstructuren in het projectgebied bieden in beperkte mate mogelijkheden om onderdeel uit te maken van een leefgebied van kleine marterachtigen. In het projectgebied is een potentieel jaarrond beschermde nestlocatie aangetroffen.
Door het uitvoeren van de geplande werkzaamheden kan een mogelijk aanwezige jaarrond beschermde nestlocatie van de ransuil worden vernietigd. De bebouwing, bomen en struweel in het projectgebied bieden geschikt broedbiotoop voor algemene broedvogels. Het is wenselijk om de werkzaamheden buiten het broedseizoen van vogels uit te voeren (globaal 15 maart – 15 juli), om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen. Indien broedgevallen ten tijde van de werkzaamheden aanwezig zijn mogen deze niet worden verstoord of vernietigd. Het projectgebied kan fungeren als verblijfplaats en leefgebied van algemene amfibieën, egel en muizen. Tijdens de werkzaamheden kunnen er mogelijk verblijfplaatsen van deze soorten worden vernietigd en individuen mogelijk worden gedood tijdens de werkzaamheden. Algemene amfibieën, egel en muizen zijn van de verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming vrijgesteld in de provincie Noord-Holland. Hiervoor geldt een meldplicht, omdat er gebruik wordt gemaakt van de provinciale vrijstelling van deze soorten. Dit is geen vrijbrief, de zorgplicht blijft van toepassing voor vrijgestelde soorten. Overige beschermde soorten worden in het projectgebied, waar de geplande werkzaamheden plaatsvinden, niet verwacht voor te komen door het ontbreken van geschikt habitat.
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op circa 2,5 kilometer afstand van het projectgebied, effecten op het Natura 2000-gebied naar aanleiding van de geplande werkzaamheden kunnen worden verwacht. Aanvullend onderzoek naar de stikstofdepositie wordt noodzakelijk geacht om te berekenen of de geplande werkzaamheden negatieve effecten zullen hebben op het nabijgelegen Natura 2000-gebied. Effecten op beschermde houtopstanden worden niet verwacht. De te kappen bomen vallen onder de uitzondering welke staan vermeld in artikel 4.1 a. en artikel 4.1 b. van de Wet natuurbescherming. Er is aanvullend onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen nodig alvorens men met het amoveren van de bebouwing kan beginnen. Het onderzoek naar vleermuizen dient afgestemd te zijn op de verwachte aanwezigheid van de gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis. Er is aanvullend onderzoek nodig naar een potentieel jaarrond beschermde nestlocatie nodig alvorens men met de geplande werkzaamheden kan beginnen.
3
INHOUDSOPGAVE
1 Inleiding ........................................................................................................................................ 5 1.1 Aanleiding en doel...................................................................................................................... 5 1.2 Natuurbeschermingswetgeving................................................................................................... 5 1.2.1 Gebiedsbescherming .............................................................................................................. 5 1.2.2 Soortbescherming ................................................................................................................... 5 1.2.3 Houtopstanden ....................................................................................................................... 6 1.2.4 Ontheffing en gedragscode ..................................................................................................... 7 1.3 Leeswijzer .................................................................................................................................. 7 2 2.1 2.2
Projectgebied en ontwikkelingen ................................................................................................. 8 Projectgebied ............................................................................................................................. 8 Ontwikkelingen ........................................................................................................................... 8
3 Soortbescherming ...................................................................................................................... 10 3.1 Bronnenonderzoek ................................................................................................................... 10 3.2 Habitatscan .............................................................................................................................. 10 3.2.1 Zoogdieren ........................................................................................................................... 10 3.2.2 Vogels .................................................................................................................................. 11 3.2.3 Amfibieën ............................................................................................................................. 12 3.2.4 Reptielen .............................................................................................................................. 12 3.2.5 Vissen .................................................................................................................................. 12 3.2.6 Ongewervelden.....................................................................................................................
12 3.2.7 Vaatplanten .......................................................................................................................... 12 3.2.8 Mogelijk aanwezige beschermde soorten en functies ............................................................ 12 3.3 Effecten ................................................................................................................................... 12 3.3.1 Effecten ontwikkelingen ........................................................................................................ 13 3.4 Aanbevelingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming ..................................................... 13 3.4.1 Aanvullende inventarisaties projectgebied ............................................................................. 13 3.4.2 Mitigerende maatregelen....................................................................................................... 13 3.4.3 Ontheffing Wet natuurbescherming ....................................................................................... 14 4 4.1
Gebiedsbescherming ................................................................................................................. 15 Effecten ................................................................................................................................... 16
5
Houtopstanden ........................................................................................................................... 17
6 6.1 6.2
Conclusies en aanbevelingen .................................................................................................... 18 Conclusies ............................................................................................................................... 18 Aanbevelingen ......................................................................................................................... 18
7
Literatuur .................................................................................................................................... 19
Bijlage 1: Foto-impressie ...................................................................................................................... 20 Bijlage 2: Tabel mogelijk aanwezige soorten......................................................................................... 21
4
1
INLEIDING
1.1
AANLEIDING EN DOEL De initiatiefnemer is voornemens in het projectgebied aan Wagenweg 10 te Purmerend de bebouwing te amoveren en de bomen en het struweel te verwijderen. Het perceel zal bouwrijp worden gemaakt, waarna een appartementengebouw met in totaal 131 woningen worden gerealiseerd. Deze ingrepen worden gezien als een ruimtelijke ontwikkeling. De initiatiefnemer van een ruimtelijke ontwikkeling dient er voor zorg te dragen dat de Wet natuurbescherming niet wordt overtreden. Om deze reden is een toetsing van de geplande ontwikkeling aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Hiervoor dient te worden onderbouwd of er door de beoogde ontwikkeling geen beschermde soorten of natuurgebieden negatief worden beïnvloed. Indien overtreding niet zonder meer kan worden uitgesloten is mogelijk aanvullend onderzoek en/of een ontheffing noodzakelijk. In deze quickscan wordt geadviseerd over de vervolgstappen en of de ontwikkeling redelijkerwijs uitvoerbaar is.
1.2
NATUURBESCHERMINGSWETGEVING De Wet natuurbescherming beslaat soortbescherming, gebiedsbescherming en in specifieke gevallen de bescherming van houtopstanden. Daarnaast is gebiedsbescherming in Nederland geregeld via beleid uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Voor wat betreft de soortbescherming in de Wet natuurbescherming zijn er verschillende beschermingsregimes. Het gaat om soorten die op basis van Europese wetgeving beschermd zijn vanuit Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en soorten die nationaal als beschermde soort zijn aangewezen. Middels een provinciale verordening kunnen deze nationaal beschermde soorten worden vrijgesteld van de verbodsbepalingen uit de wet. De vrijgestelde soorten kunnen verschillen per provincie. 1.2.1
GEBIEDSBESCHERMING
Natura 2000-gebieden Het is conform artikel 2.7, tweede lid van de Wet natuurbescherming verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Natuurnetwerk Nederland (NNN) De regels omtrent NNN gebieden zijn door het Rijk en de provincies met elkaar afgesproken. De afspraken zijn vastgelegd in het document 'Spelregels EHS'. Het ruimtelijke beleid voor de NNN is gericht op behoud en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied. In het NNN geldt daarom het ‘nee, tenzij’regime. Of een ingreep mag worden uitgevoerd in de NNN, hangt naast de instandhouding van de omvang van het NNN, in eerste instantie af van de mate van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied.
1.2.2
SOORTBESCHERMING
Zorgplicht De zorgplicht is opgenomen in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming. Artikel 1.11 Wnb (zorgplicht) Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: 1. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, 2. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of; 3. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde.
5
Europees beschermde soorten - Vogels De verbodsbepalingen voor wat betreft vogels zijn opgenomen in artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.1 Wnb. 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Europees beschermde soorten - Overige soortgroepen De verbodsbepalingen voor wat betreft Europees beschermde soorten zijn opgenomen in artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.5 Wnb. 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2.
Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Nationaal beschermde soorten De verbodsbepalingen voor wat betreft nationaal beschermde soorten zijn opgenomen in artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Artikel 3.10 Wnb. 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of; c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
1.2.3
HOUTOPSTANDEN
Houtopstanden De bepalingen voor wat betreft houtopstanden zijn opgenomen in hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming. Hieronder zijn de meest relevante onderdelen uit dit hoofdstuk beschreven. De bepalingen in de Wet natuurbescherming kennen een aantal uitzonderingen. De belangrijkste uitzondering betreft dat de bepalingen geen betrekking hebben op houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Voor het kappen van bomen die wel onder houtopstanden Wnb vallen geldt een meldplicht bij Gedeputeerde Staten en een herplantplicht.
6
1.2.4
ONTHEFFING EN GEDRAGSCODE
Voor het overtreden van de verboden uit de bovengenoemde artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wet natuurbescherming kan een ontheffing worden aangevraagd. Een ontheffing wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: 1. Er bestaat geen andere bevredigende oplossing. 2. Er is sprake van een in de wet genoemd belang voor de betreffende soort of soortgroep. 3. De ontwikkeling leidt niet tot een aantasting van de gunstige staat van instandhouding van de betreffende soort. Ook kan er mogelijk middels een door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit goedgekeurde gedragscode worden gewerkt. Dit is enkel mogelijk indien de handelingen niet van wezenlijke invloed zijn op de aanwezige beschermde soorten. De huidige gedragscodes zijn nog niet afgestemd op dan wel goedgekeurd door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit voor handelingen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen met effecten op Europees beschermde soorten.
1.3
LEESWIJZER In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving van het projectgebied gegeven, met huidige ecologische waarden. In hoofdstuk 3 worden de resultaten van het bronnenonderzoek en de habitatscan weergegeven waarbij de effectanalyse ten aanzien van de onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten is opgenomen. Hoofdstuk 4 geeft weer welke middels de Wet natuurbescherming beschermde gebieden in de omgeving van de projectgebieden voorkomen. Tevens zal hier worden aangegeven in welke mate de geplande ontwikkeling van invloed zal zijn op deze gebieden. In hoofdstuk 5 worden de effecten op de onder de Wet natuurbescherming beschermde houtopstanden beschreven waarbij de eventueel te nemen vervolgstappen zijn weergegeven.
7
2
PROJECTGEBIED EN ONTWIKKELINGEN
2.1
PROJECTGEBIED Het projectgebied is gelegen in de gemeente Purmerend in kilometerhok: X:125 (Rijksdriehoekscoördinaten). Afbeelding 1 geeft de globale ligging van het projectgebied weer.
/
Y:502
Afbeelding 1: Ligging projectgebied
Het projectgebied betreft een perceeloppervlakte van circa 8.250 m². In het projectgebied is een gebouw aanwezig bestaande uit één bouwlaag en aan de westzijde twee bouwlagen. Het gebouw is opgebouwd uit bakstenen met meerdere grote raampartijen en platte daken. Het gebouw betreft een voormalig winkelpand met op de tweede bouwlaag een appartement met dakterras. Het terrein aan de noordzijde van het gebouw is tot de helft van het projectgebied afgezet met hekwerken. Binnen de hekken zijn delen geasfalteerd en delen begroeid met grassen en andere vaatplanten, welke kort worden gehouden. Het terrein aan de noordzijde betreft een dichtgegroeid deel met grotendeels relatief jonge bomen, braamstruweel, brandnetels, grassen en andere vaatplanten. Aan de oostzijde van het projectgebied is een gazon aanwezig met daarlangs meerdere bomen. Op het gazon is een klein voetbalveld aanwezig en wordt gebruikt als speelterrein. Rondom het projectgebied is bestrating aanwezig. In de directe omgeving van het projectgebied zijn gebouwen aanwezig met meerdere winkelketen daarin gevestigd. Aan de oostzijde van het projectgebied zijn woningblokken aanwezig. In bijlage 1 is een sfeerimpressie van het projectgebied weergegeven.
2.2
ONTWIKKELINGEN De geplande ontwikkelingen in het projectgebied betreffen het amoveren de bebouwing en het verwijderen van de bomen en het struweel. Het perceel zal bouwrijp klaar worden gemaakt, waarna een appartementengebouw met vijf bouwlagen aan de zuidzijde en vier bouwlagen aan de overige zijden zal worden gerealiseerd. Er zullen in totaal 131 woningen worden gerealiseerd. Afbeelding 2 geeft deze geplande ontwikkeling op hoofdlijnen weer.
8
Afbeelding 2: Geplande ontwikkeling
9
3
SOORTBESCHERMING
3.1
BRONNENONDERZOEK Om een goede inschatting te kunnen maken welke beschermde soorten mogelijk gebruik maken van het projectgebied heeft een literatuurstudie plaatsgevonden. Hierbij zijn diverse bronnen met verspreidingsgegevens geraadpleegd. De geraadpleegde bronnen zijn onder andere: verspreidingsatlassen van de verschillende soortgroepen, eerder in de regio uitgevoerde onderzoeken, in de regio actieve werkgroepen en PGO’s, databanken met verspreidingsgegevens (waaronder de NDFF) en het aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebieden. Daarnaast zijn alle beschermde natuurgebieden in de omgeving van het projectgebied in kaart gebracht. Uit het bronnenonderzoek volgt een lijst met beschermde soorten welke mogelijk in het projectgebied voor kunnen komen. De geraadpleegde bronnen zijn doorgaans op uurhok-niveau, waardoor ook soorten welke bekend zijn uit de wijdere omgeving van het projectgebied zijn inbegrepen. Deze soorten hoeven niet direct in het projectgebied te worden verwacht. In bijlage 2 wordt een overzicht gegeven van alle beschermde soorten die bekend zijn voor te komen in de omgeving van het projectgebied. Provinciale vrijstelling De ‘Verordening vrijstellingen soorten’ betreft een vrijstelling van het verbod op doden en verstoren bij bestendig beheer en gebruik en ruimtelijke ingrepen.
Voor de provincie Noord-Holland zijn middels artikel 4 van de “Verordening vrijstellingen soorten Noord-Holland” soorten vrijgesteld van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Dit is geen vrijbrief, de zorgplicht blijft van toepassing voor de vrijgestelde soorten.
3.2
HABITATSCAN Tijdens de habitatscan is het projectgebied bezocht om te kijken of de uit de omgeving bekende soorten ook daadwerkelijk in het gebied voor kunnen komen, rekening houdend met het aanwezige habitat, de habitateisen en de verspreidingsgegevens van de betreffende soorten. Daarnaast kunnen er tijdens het veldbezoek nog soorten worden toegevoegd als het habitat geschikt lijkt voor de betreffende soort. De habitatscan heeft plaatsgevonden op zondag 6 oktober 2019 en is uitgevoerd door M.G. Bertholet. Tijdens de habitatscan was het zwaar bewolkt en circa 13°C. 3.2.1
ZOOGDIEREN
De bebouwing in het projectgebied biedt mogelijkheden voor verblijfplaatsen van te verwachte soorten de gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis. De ruimtes onder aluminium dakranden, achter zonwering en houten beplating bieden geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen (afbeelding 3 t/m 6). De groenstrook van hoge bomen in het projectgebied vormt een lijnvormige landschapselementen en kan deel uitmaken van een vliegroute van vleermuizen. De groenstructuren zorgen voor de aanwezigheid van insecten. Hierdoor kunnen deze landschapselementen onderdeel uit maken van een foerageergebied van vleermuizen. Daarnaast zorgen de bomen en de bebouwing voor luwte. Er zijn geen geschikte boomholtes in de bomen aanwezig welke kunnen fungeren als verblijfplaats voor vleermuizen. Het braamstruweel en de overige groenstructuren in het projectgebied (afbeelding 7 en 8) kunnen onderdeel uitmaken van het leefgebied van algemene muizen, de egel en kleine marterachtigen. Er zijn tijdens de habitatscan geen uitwerpselen of andere sporen van kleine marterachtigen aangetroffen. De oeverzone met de groenstructuren en de enkele takkenhopen aan de noordzijde buiten het projectgebied kunnen wel mogelijk fungeren als verblijfplaats van kleine marterachtigen. Ten noorden van het projectgebied is het Burgemeester R. Kooimanpark aanwezig.
Het projectgebied in combinatie met de groenstructuren van het park en andere groenstructuren langs en in het projectgebied kunnen mogelijk onderdeel uitmaken van een leefgebied van kleine marterachtigen. In 2018 heeft er in het aangrenzende projectgebied Dorpsloot aanvullend onderzoek naar kleine marterachtigen plaatsgevonden (DNVW1813). Tijdens dit onderzoek zijn er geen individuen van kleine marterachtigen aangetroffen. Overige beschermde zoogdieren worden niet verwacht voor te komen door het ontbreken van geschikt habitat.
10
Afbeelding 3: Ruimtes achter zonwering en onder dakrand
Afbeelding 4: Ruimtes onder aluminium randen
Afbeelding 5: Ruimtes achter houten beplating
Afbeelding 6: Ruimtes onder aluminium randen
Afbeelding 7: Braamstruweel
Afbeelding 8: Braamstruweel
3.2.2
VOGELS
In een grote conifeer in het projectgebied is een potentieel jaarrond beschermde nestlocatie aangetroffen (afbeelding 9). Dit nest is geschikt bevonden voor bijvoorbeeld de ransuil om tot broeden te komen. De bebouwing, met ruimtes achter de houten beplating, biedt een mogelijk broedbiotoop voor algemene vogels. De bomen en het struweel in het projectgebied bieden geschikt broedbiotoop voor algemene vogels. Daarnaast kunnen de groenstructuren fungeren als foerageergebied van vogels.
Afbeelding 9: Potentieel jaarrond beschermd nest in conifeer
Afbeelding 10: Ruimtes achter houten beplating
11
3.2.3
AMFIBIEËN
In het projectgebied is geen potentieel voortplantingswater aanwezig. Typisch geschikt landbiotoop is eveneens niet aanwezig. De rugstreeppad is een echte pionierssoort die een voorkeur heeft voor braakliggende terreinen met zand en ondiepe poelen. Het projectgebied biedt geen geschikt habitat voor de beschermde rugstreeppad. Het projectgebied, met name de groenstructuren, kunnen onderdeel uitmaken van het leefgebied van algemene amfibieën.
3.2.4
REPTIELEN
In de omgeving van het projectgebied is de beschermde ringslang bekend voor te komen. Door het ontbreken van een watergang, broedhopen en beperkte zonplaatsen biedt het projectgebied geen uitermate geschikt habitat voor de ringslang.
3.2.5
VISSEN
Er is geen watergang in het projectgebied aanwezig. Het voorkomen van beschermde vissen kan derhalve op voorhand worden uitgesloten.
3.2.6
ONGEWERVELDEN
De onderzochte groep ongewervelden bestaat uit dagvlinders, libellen, weekdieren en overige ongewervelden. Er zijn geen beschermde ongewervelden bekend voor te komen in de directe omgeving van het projectgebied. Daarnaast is er ook geen geschikt habitat voor beschermde ongewervelden in het projectgebied aanwezig.
3.2.7
VAATPLANTEN
De beschermde vaatplant die bekend is voor te komen in de omgeving van het projectgebied is wilde ridderspoor. In Nederland komt wilde ridderspoor alleen nog voor in Zuid-Limburg en wordt vaak verward met verwilderde riddersporen. In het projectgebied zijn geen uitermate geschikte standplaatsen voor deze en/of andere beschermde vaatplanten aanwezig. Tijdens de habitatscan zijn er ook geen beschermde vaatplanten aangetroffen.
3.2.8
MOGELIJK AANWEZIGE BESCHERMDE SOORTEN EN FUNCTIES
Het projectgebied herbergt mogelijk meerdere functies voor beschermde diersoorten. In het projectgebied kunnen op basis van het aanwezige habitat de volgende soorten en functies niet op voorhand worden uitgesloten voor te komen. Tabel 1: Te verwachte beschermde soorten en functies Soort / soortgroep
Functies
Bescherming Wnb
Mogelijk aanwezig in:
Vleermuizen
Verblijfplaats(en)
Artikel 3.5 (HR, bijlage IV)
Bebouwing
Vleermuizen
Vliegroutes en foerageergebied
Artikel 3.5 (HR, bijlage IV)
Langs groenstructuren
Kleine marterachtigen
Leefgebied
Artikel 3.10
Groenstructuren
Egel*
Leefgebied / verblijfplaats
Artikel 3.10
Groenstructuren
Algemene muizen*
Leefgebied
Artikel 3.10
Gehele projectgebied
Ransuil
Nesten
Artikel 3.1
Conifeer
Broedvogels
Nesten
Artikel 3.1 (VR)
Bebouwing, bomen en struweel
Algemene amfibieën*
Leefgebied
Artikel 3.10
Gehele projectgebied
*Vrijgestelde soorten provincie Noord-Holland
3.3
EFFECTEN Indien beschermde soorten in het projectgebied of binnen de invloedssfeer hiervan kunnen voorkomen, wordt onderzocht of de voorgenomen ontwikkeling effect heeft op deze soorten. Indien er effecten op deze soorten worden verwacht, zal worden gezocht naar compenserende of mitigerende maatregelen welke genomen kunnen worden tijdens de ontwikkeling om zo te voorkomen dat de Wet natuurbescherming wordt overtreden. Mochten deze maatregelen niet afdoende zijn, of praktisch niet in te passen in de plannen, zal mogelijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk zijn.
12
3.3.1
EFFECTEN ONTWIKKELINGEN
De te verwachten effecten op soorten en functies zijn opgedeeld in tijdelijke en permanente effecten. Deze zijn schematisch weergegeven in tabel 2. Tijdelijke effecten De geplande werkzaamheden zullen mogelijk gepaard gaan met effecten van tijdelijke invloed door geluid, trillingen van het amoveren van de bebouwing, verwijderen groenstructuren, vergraven van grond en nieuwbouw werkzaamheden. Dit verstoort mogelijk de algemene amfibieën, vogels en zoogdieren in de directe omgeving van de werkzaamheden. Permanente effecten Permanente effecten op beschermde natuur als gevolg van de werkzaamheden kunnen niet worden uitgesloten. Tijdens het amoveren van de bebouwing kunnen er verblijfplaatsen van vleermuizen en nestlocaties van algemene vogels worden vernietigd. Er kunnen tijdens het verwijderen van de groenstructuren rust- en verblijfplaatsen van algemene amfibieën, egel en muizen worden vernietigd. Daarnaast kan er tijdens deze kapwerkzaamheden ook een nestlocatie van de ransuil worden vernietigd. Indien de werkzaamheden binnen het broedseizoen van vogels plaatsvinden kunnen mogelijke nestlocaties van algemene broedvogels in de bebouwing, bomen en het struweel worden vernietigd. Tabel 2: Mogelijke effecten op beschermde soorten Soort / soortgroep
Effect
Verbodsbepaling
Vleermuizen
Opzettelijk doden Opzettelijk verstoren Opzettelijk vernielen / beschadigen verblijfplaats
Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Lid 1 Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Lid 2 Artikel 3.5 (HR, bijlage IV) Lid 4
Ransuil
Opzettelijk doden Opzettelijk vernielen / beschadigen nest Opzettelijk verstoren
Artikel 3.1 (VR) Lid 1 Artikel 3.1 (VR) Lid 2 Artikel 3.1 (VR) Lid 4
Broedvogels
Opzettelijk doden Opzettelijk vernielen / beschadigen nest Opzettelijk verstoren
Artikel 3.1 (VR) Lid 1 Artikel 3.1 (VR) Lid 2 Artikel 3.1 (VR) Lid 4
3.4
AANBEVELINGEN TEN AANZIEN VAN DE WET NATUURBESCHERMING
3.4.1
AANVULLENDE INVENTARISATIES PROJECTGEBIED
Het projectgebied herbergt mogelijk functies voor beschermde vleermuizen en broedvogels waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn. Of en waar deze zich in het projectgebied bevinden is nog onbekend. Het wordt noodzakelijk geacht nader onderzoek uit te laten voeren naar verblijfplaatsen van vleermuizen. Het onderzoek naar vleermuizen dient afgestemd te zijn op de verwachte aanwezigheid van de gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis. Tevens wordt het noodzakelijk geacht nader onderzoek uit te laten voeren naar de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten. Het onderzoek naar jaarrond beschermde nesten dient afgestemd te zijn op de mogelijke aanwezigheid van de ransuil.
3.4.2 -
--
-
-
MITIGERENDE MAATREGELEN Er zijn mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen in de bebouwing in het projectgebied aanwezig. Na aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen zullen (indien verblijfplaatsen aanwezig zijn) nader te specificeren mitigerende maatregelen getroffen dienen te worden. Het is aan te bevelen geen verlichting te plaatsen welke verstoring kunnen veroorzaken op een mogelijk aanwezige vliegroute en/of foerageergebied van vleermuizen boven de watergang. Tijdens de geplande werkzaamheden kunnen er mogelijk individuen van algemene amfibieën, egel en muizen worden gedood. Hiervoor geldt een meldplicht, omdat er gebruik wordt gemaakt van de provinciale vrijstelling van deze soorten. Er is mogelijk een jaarrond beschermde nestlocatie aanwezig in de conifeer die wordt gekapt. Na aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten zullen (indien jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn) nader te specificeren mitigerende maatregelen getroffen dienen te worden. Om de plannen voor het projectgebied te realiseren zullen mogelijk bomen en struweel worden verwijderd. Het is aan te bevelen het verwijderen van bomen en struweel buiten het broedseizoen van
13
-
3.4.3
vogels (globaal 15 maart - 15 juli) uit te voeren. De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet verstoord worden. Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen plaats moeten vinden dient een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen. De werkzaamheden dienen, richting te handhaven groen, in één richting te worden uitgevoerd waardoor aanwezige fauna voor de werkzaamheden uit kunnen vluchten.
ONTHEFFING W ET NATUURBESCHERMING
De noodzaak voor een ontheffing van de verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming kan op voorhand niet worden uitgesloten. Uit aanvullende onderzoeken zal moeten blijken of er beschermde functies of dieren in het projectgebied voorkomen en welke negatieve effecten met de werkzaamheden mogelijk gepaard gaan. Indien aanvullende inventarisaties aantonen dat er verblijfplaatsen van vleermuizen en/of jaarrond beschermde nestlocatie van broedvogels aanwezig zijn en vernietiging niet voorkomen kan worden, dient er een ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. Hier kunnen voorwaarden in de vorm van mitigerende maatregelen aan verbonden zijn.
14
4
GEBIEDSBESCHERMING
Binnen het projectgebied zijn geen beschermde natuurgebieden aanwezig. Het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied ligt op circa 2,45 kilometer van het projectgebied en betreft Polder Zeevang (afbeelding 11). Op circa 1,95 kilometer van het projectgebied ligt een gedeelte van het NNN (afbeelding 12).
Afbeelding 11: Projectgebied ten opzichte van Natura 2000-gebied (www.synbiosys.alterra.nl/natura2000)
Projectgebied NNN natuur
Afbeelding 12: Projectgebied ten opzichte van het NNN (maps.noord-holland.nl/natuurbeheerplan)
15
4.1
EFFECTEN Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied bevindt zich op een afstand minder dan drie kilometer van het projectgebied, hierdoor kunnen effecten op het Natura 2000-gebied worden verwacht. Naar aanleiding van de geplande werkzaamheden en de nieuwbouw van circa 131 woningen zal er aanvullend een berekening naar de stikstofdepositie moeten worden uitgevoerd, om te kijken of de geplande werkzaamheden negatieve effecten zullen hebben op het nabijgelegen Natura 2000-gebied. Hier kan op dit moment geen duidelijke uitspraak over worden gedaan.
16
5
HOUTOPSTANDEN
De bepalingen ten aanzien van houtopstanden uit de Wet natuurbescherming is dan van toepassing voor het kappen van de bomen. De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde ‘houtopstanden’). Indien u houtopstanden wilt kappen die onder de Wet natuurbescherming vallen moet u een kapmelding worden ingediend. Er zijn enkele uitzonderingen waarbij een kapmelding niet is vereist, deze staan vermeld in art. 4.1 van de Wet natuurbescherming. Uitzonderingen: a. houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b. houtopstanden op erven of in tuinen; c. fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d. naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e. kweekgoed; f. uit populieren of wilgen bestaande: 1°. wegbeplantingen; 2°. beplantingen langs waterwegen, en 3°. eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; g. het dunnen van een houtopstand; h. uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: 1°. ten minste eens per tien jaar worden geoogst; 2°.
bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantings-eenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en 3°. zijn aangelegd na 1 januari 2013 De Wet natuurbescherming beschermt bomenrijen van minimaal 21 bomen gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde ‘houtopstanden’). De te kappen ‘bomenrij’ betreft in dit geval een conifeer, enkele elzen en wilgen. Effecten op beschermde houtopstanden worden daarom niet verwacht. Daarnaast vallen de te kappen bomen onder de uitzondering welke staan vermeld in artikel 4.1 a. en artikel 4.1 b. van de Wet natuurbescherming.
17
6
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
6.1
CONCLUSIES De bebouwing in het projectgebied biedt mogelijkheden voor verblijfplaatsen van te verwachte soorten de gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis. Het projectgebied kan onderdeel uit maken van een vliegroute en/of foerageergebied van vleermuizen. Het braamstruweel en de overige groenstructuren in het projectgebied kunnen onderdeel uitmaken van het leefgebied van algemene muizen en de egel. In het projectgebied is een potentieel jaarrond beschermde nestlocatie aangetroffen. Dit nest zou bijvoorbeeld geschikt zijn voor de ransuil om tot broeden te komen. De bebouwing, bomen en het struweel in het projectgebied bieden geschikt broedbiotoop voor algemene vogels. Het projectgebied, met name de groenstructuren, kunnen onderdeel uitmaken van het leefgebied van algemene amfibieën. Overige beschermde soorten worden in het projectgebied waar de geplande werkzaamheden plaatsvinden niet verwacht voor te komen door het ontbreken van geschikt habitat. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en delen van het NNN bevinden zich op een afstand binnen drie kilometer van het projectgebied, effecten op het Natura 2000-gebied kunnen worden verwacht. Effecten op beschermde houtopstanden worden niet verwacht. De te kappen conifeer, enkele elzen en wilgen vallen onder de uitzondering welke staan vermeld in artikel 4.1 a. en artikel 4.1 b. van de Wet natuurbescherming.
6.2
AANBEVELINGEN
Er is aanvullend onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen nodig alvorens men met het amoveren van de bebouwing kan beginnen. Het onderzoek naar vleermuizen dient afgestemd te zijn op de verwachte aanwezigheid van de gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis. Er is aanvullend onderzoek naar jaarrond beschermde nestlocaties nodig alvorens men met het kappen van de bomen kan beginnen. Het onderzoek dient afgestemd te zijn op de mogelijke aanwezigheid van een jaarrond beschermde nestlocatie van de ransuil en dient uitgevoerd te worden conform het kennisdocument van de kerkuil. Het is aan te bevelen om de geplande werkzaamheden buiten het broedseizoen van vogels uit te voeren (broedseizoen is globaal 15 maart – 15 juli), om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen. Indien broedgevallen ten tijde van de werkzaamheden aanwezig zijn, mogen deze niet worden verstoord of vernietigd. De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet worden verstoord. Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen plaats moeten vinden dient een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen.
Er is aanvullend onderzoek naar de stikstofdepositie noodzakelijk geacht om te berekenen of de geplande werkzaamheden negatieve effecten zullen hebben op het nabijgelegen Natura 2000-gebied. Tabel 3: Te verwachte beschermde soorten en aanbevolen inventarisaties Soort / soortgroep
Aanvullend onderzoek
Onderzoeksperiode
Vleermuizen
Zomer- en kraamverblijfplaatsen
15 mei t/m 15 juli
Vleermuizen
Paarverblijfplaats(en) en zwermplaatsen
15 augustus t/m 1 oktober
Ransuil
Nesten
1 februari t/m 15 juli
Algemene broedvogels
Nesten, indien niet buiten het broedseizoen gewerkt wordt
Binnen de periode 1 maart t/m 15 juli
18
7
LITERATUUR
BIJ12 2017, Kennisdocument gewone dwergvleermuis, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. BIJ12 2017, Kennisdocument kerkuil, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. BIJ12 2017, Kennisdocument ruige dwergvleermuis, versie 1.0, BIJ12 juli 2017. Dietz, C., O. von Helversen & D. Nill, 2011, Vleermuizen, Tirion Natuur uitgevers BV, Baarn. Haarsma A.J., 2014, Atlas van de Noord-Hollandse zoogdieren, Landschap Noord-Holland. NGB, Soorteninventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming, juli 2017. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging (2017), Vleermuisprotocol 2017, maart 2017.
Internet maps.noord-holland.nl/natuurbeheerplan NDFF www.gbif.org www.piscaria.nl www.provinciaalgeoregister.nl/georegister/ www.ravon.nl www.stowa.nl (limnodata neerlandica) www.synbiosys.alterra.nl/natura2000 www.telmee.nl www.verspreidingsatlas.nl
19
Bijlage 1: Foto-impressie
20
Bijlage 2: Tabel mogelijk aanwezige soorten Tabel 1: Overzicht beschermde soorten in kilometerhok 125/502 Soortgroep Naam Bescherming
Afstand
Amfibieën
bruine kikker1
Wnb A
< 1km
Amfibieën
gewone pad1
Wnb A
< 5km
Amfibieën
kleine watersalamander1
Wnb A
< 5km
Amfibieën
meerkikker1
Wnb A
< 5km
Amfibieën
rugstreeppad
HR IV & Bern II
< 1km
Reptielen
ringslang
Wnb A
< 5km
Vaatplanten
wilde ridderspoor
Wnb B
< 5km
Vleermuizen
gewone dwergvleermuis
HR IV
< 1km*
Vleermuizen
laatvlieger
HR IV & Bern II
< 1km*
Vleermuizen
meervleermuis
HR IV & Bern II
< 2km*
Vleermuizen
rosse vleermuis
HR IV & Bern II
< 2km*
Vleermuizen
ruige dwergvleermuis
HR IV & Bern II
< 1km*
Vleermuizen
watervleermuis
HR IV & Bern II
< 1km*
Vogels
boerenzwaluw
Cat. 5
< 5km
Vogels
boomkruiper
Cat. 5
< 1km*
Vogels
boomvalk
Cat. 4
< 5km
Vogels
buizerd
Cat. 4
< 5km
Vogels
ekster
Cat. 5
< 1km*
Vogels
groene specht
Cat. 5
< 1km*
Vogels
huismus
Cat. 2
< 1km*
Vogels
huiszwaluw
Cat. 5
< 5km
Vogels
koolmees
Cat. 5
< 1km*
Vogels
pimpelmees
Cat. 5
< 1km*
Vogels
ransuil
Cat. 4
< 5km
Vogels
sperwer
Cat. 4
< 5km
Vogels
spreeuw
Cat. 5
< 1km*
Vogels
torenvalk
Cat. 5
< 5km
Vogels
zwarte kraai
Cat. 5
< 1km*
Zoogdieren
bosmuis1
Wnb A
< 5km
Zoogdieren
bunzing
Wnb A
< 5km
Zoogdieren
dwergmuis1
Wnb A
< 5km
Zoogdieren
dwergspitsmuis1
Wnb A
< 5km
Zoogdieren
egel1
Wnb A
< 1km*
Zoogdieren
gewone bosspitsmuis1
Wnb A
< 5km
Zoogdieren
haas1
Wnb A
< 1km*
Zoogdieren
hermelijn
Wnb A
< 5km
Zoogdieren
huisspitsmuis1
Wnb A
< 5km
Zoogdieren
konijn1
Wnb A
< 5km
Zoogdieren
noordse woelmuis
HR IV
< 5km
Zoogdieren
veldmuis1
Wnb A
< 5km
Zoogdieren
wezel
Wnb A
< 5km
Wnb A woelrat1 * = op basis van eerdere waarnemingen van Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. 1 = Vrijstelling provincie Noord-Holland Zoogdieren
< 5km
21