CConstaterende datPurmerend
Koppel je AI →
Document · PDF

H bijlagen-bij-toelichting-overweerse-polderdijk-4

Gemeenteraad 27 oktober 2022, gemeente PurmerendBij agendapunt: Bestemmingsplan Overweerse Polderdijk 421.092 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan

Overweerse polderdijk 4, 2022 Vastgesteld

Inhoudsopgave Bijlagen bij de toelichting

4

Bijlage 1

Bezonningsstudie

5

Bijlage 2

verkennend bodem- en asbestonderzoek

12

Bijlage 3

nader asbestonderzoek

96

Bijlage 4

afperkend bodemonderzoek

180

Bijlage 5

Akoestisch onderzoek

226

Bijlage 6

Stikstofdepositie

1660

Bijlage 7

parkeerdrukonderzoek

1675

Bijlage 8

Digitaal watertoetsformulier

1764

Bijlage 9 3.0

Basisveiligheidsniveau klimaatbestendige nieuwbouw

Bijlage 10 Intentieovereenkomst klimaatbestendige nieuwbouw MRA en Noord-Holland

1773 1809

Bestemmingsplan "Overweerse polderdijk 4, 2022" (vastgesteld)

Bijlagen bij de toelichting

4

Bijlage 1 Bezonningsstudie

Bezonningsstudie Overweersepolderdijk 4 Binnenwijkse Ontwikkel Locatie (BOL)

Dit document betreft een onderzoek naar potentiële schaduwwerking binnen het bouwvlak. De 3D weergaven voor de nieuwe situatie zijn geen realistische weergave van het toekomstig bouwvolume, maar betreft enkel een studie naar de potentiële punten waar schaduwwerking kan optreden, rekening houdend met het gehele bouwvlak, in plaats van het maximaal toegestane grondoppervlak.

Bezonningsstudie Overweersepolderdijk 4

Bezonningsstudie Overweersepolderdijk 4

Binnenwijkse Ontwikkel Locatie (BOL)

Bevindingen 21 maart is (bij benadering) de eerste dag van de lente. Op deze dag zijn de dag en nacht overal op aarde even lang, ook wel de lenteequinox genoemd. De zon staat recht boven de evenaar en vervolgt vanaf deze dag zijn pad richting het noorden. Om deze reden is 21 maart een belangrijk meetpunt voor de bezonningsstudie. Het resultaat van deze datum is dat het een goede indicatie is voor de start van gunstige weersverwachtigngen en buitengebruik, waarbij deze datum als minimum kan worden beschouwd voor schaduwval. De tijdstippen 09:00 uur, 12:00 uur, 15:00 uur en 18:00 uur worden meestal gehanteerd.

Binnenwijkse Ontwikkel Locatie (BOL) In de ochtenduren reikt de schdaduwval in de bestaande situatie tot de schutting bij nummer 6 en de nieuwe situatie zorgt voor een lichte overlast op dezelfde woning. Rond het middaguur bevindt de schaduwval van de huidige situatie zich op de zijn eigen terrein, terwijl de schaduwval van de nieuwe situatie mogelijkerwijs nog steeds licht in de tuin bij nummer 6 reikt.

Rond 3 uur bevindt de schaduwval van de bestaande situatie zich op het eigen terrein. De schaduwval van de nieuwe situatie komt mogelijkerwijs tot net over de schutting van de Schipperslaan 3, maar enkle indien de woning rechts op het erf wordt gesitueerd. Tegen het begin van de avond bevindt de schaduwval van de bestaande situatie zich nog steeds op het eigen terrein. De schaduwval van de nieuwe situatie bevindt zich nu voor een klein deel in de tuin van de Schipperslaan 3 en voor een groter gedeelte raakt hij de woning aan de Hoornselaan nummer 5, indien de woning rechts op het erf wordt gesitueerd.

1.

2.

5.

6.

3.

4.

7.

8.

Afbeelding 1: 21 maart 09:00 uur bestaande situatie Afbeelding 2: 21 maart 09:00 uur nieuwe situatie Afbeelding 3: 21 maart 12:00 uur bestaande situatie Afbeelding 4: 21 maart 12:00 uur nieuwe situatie Afbeelding 5: 21 maart 15:00 uur bestaande situatie Afbeelding 6: 21 maart 15:00 uur nieuwe situatie Afbeelding 7: 21 maart 18:00 uur bestaande situatie Afbeelding 8: 21 maart 18:00 uur nieuwe situatie

Bezonningsstudie Overweersepolderdijk 4

Bezonningsstudie Overweersepolderdijk 4

Binnenwijkse Ontwikkel Locatie (BOL)

Bevindingen 21 juni, ookwel bekend als de “langste dag van het jaar”, is (bij benadering) de eerste dag van de zomer. Op deze dag staat de zon op zijn hoogst en is de dag op het noordelijk halfrond het langst, ookwel het zomersolsticium genoemd. De dagen worden vanaf dit moment weer korter. Om deze reden is 21 juni een belangrijk meetpunt voor de bezonningsstudie. Het resultaat van deze datum is een nauwelijks waarneembare schaduwval en hinder van omliggende woningen op de nieuwbouw, noch levert de nieuwbouw waarneembare schaduwval en hinder voor omliggende woningen. Aangezien deze datum doorgaans gepaard gaat met gunstige weersverwachtingen en buitengebruik, wegen de waarnemingen zwaarder mee. De tijdstippen 09:00 uur, 12:00 uur, 15:00 uur en 18:00 uur worden meestal gehanteerd. In juni is 20:00 uur ook relevant.

Binnenwijkse Ontwikkel Locatie (BOL) Om 9 uur ‘s ochtend reikt de schaduwval van de bestaande situatie tot de schutting van nummer 6, maar in de nieuwe situatie zorgt het voor een lichte overlast. Rond het middaguur blijft in beide situaties de schaduwval op eigen terrein en zorgt dus rond dit tijdstip niet voor overlast.

In de late middag blijft de schaduwval ook in beide situaties op eigen terrein. In de avond is zichtbaar dat de schaduwval van de bestaande situatie op het eigen terrein blijft, maar in de nieuwe situatie zorgt de schaduwval voor een lichte overlap op de garage van nummer 2 en op de woning op de Hoornselaan nummer 5, maar enkel indien de woning op de rechterzijde van de woning wordt gesitueerd. In de avond blijft de schaduwval in de bestaande situatie op het eigen terrein. In de nieuwe situatie zorgt de schaduwval voor overlast op de garage op nummer 2 en op de woing op de Hoornselaan nummer 5, ook hier enkel indien de woning op de rechterzijde van de woning wordt gesitueerd.

1.

2.

5.

6.

3.

4.

7.

8.

5.

9.

10.

Afbeelding 1: 21 juni 09:00 uur bestaande situatie Afbeelding 2: 21 juni 09:00 uur nieuwe situatie Afbeelding 3: 21 juni 12:00 uur bestaande situatie Afbeelding 4: 21 juni 12:00 uur nieuwe situatie Afbeelding 5: 21 juni 15:00 uur bestaande situatie Afbeelding 6: 21 juni 15:00 uur nieuwe situatie Afbeelding 7: 21 juni 18:00 uur bestaande situatie Afbeelding 8: 21 juni 18:00 uur nieuwe situatie Afbeelding 9: 21 juni 20:00 uur bestaande situatie Afbeelding 10: 21 juni 20:00 uur nieuwe situatie

Bezonningsstudie Overweersepolderdijk 4

Bezonningsstudie Overweersepolderdijk 4

Binnenwijkse Ontwikkel Locatie (BOL)

Bevindingen 23 september is (bij benadering) de eerste dag van de herfst. Op deze dag zijn de dag en nacht overal op aarde even lang, ook wel de herfst-equinox genoemd. De zon staat recht boven de evenaar en vervolgt vanaf deze dag zijn pad richting het zuiden. Om deze reden is 23 september een belangrijk meetpunt voor de bezonningsstudie. Het resultaat van deze datum is dat het een goede indicatie is voor het einde van gunstige weersverwachtigngen en buitengebruik, waarbij deze datum als minimum kan worden beschouwd voor schaduwval. De tijdstippen 09:00 uur, 12:00 uur, 15:00 uur en 18:00 uur worden meestal gehanteerd.

Binnenwijkse Ontwikkel Locatie (BOL) Tijdens de ochtenduren is te zien dat de schaduwval van de bestaande situatie tot de schutting reikt, de schaduwval van de nieuwe situatie zorgt wel voor een lichte overlast bij nummer 6. Op het moment van de dag dat de zon op het hoogst staat blijft de schaduwval van beide situaties op het eigen terrein.

Rond een uur of 3 blijft de schaduwval in de bestaande situatie op het eigen terrein en in de nieuwe situatie valt het net in de tuin van de woning op de Schipperslaan 3 . Tegen het begin van de avond is er te zien dat de bestaande situatie net op het eigen terrein blijft en de nieuwe situatie treedt net aan toe tot de tuin van Schipperslaan 3, maar enkel indien de woning op de rechterzijde van de woning wordt gesitueerd.

1.

2.

5.

6.

3.

4.

7.

8.

Afbeelding 1: 23 september 09:00 uur bestaande situatie Afbeelding 2: 23 september 09:00 uur nieuwe situatie Afbeelding 3: 23 september 12:00 uur bestaande situatie Afbeelding 4: 23 september 12:00 uur nieuwe situatie Afbeelding 5: 23 september 15:00 uur bestaande situatie Afbeelding 6: 23 september 15:00 uur nieuwe situatie Afbeelding 7: 23 september 18:00 uur bestaande situatie Afbeelding 8: 23 september 18:00 uur nieuwe situatie

Bezonningsstudie Overweersepolderdijk 4

Bezonningsstudie Overweersepolderdijk 4

Binnenwijkse Ontwikkel Locatie (BOL)

Bevindingen 22 december, ookwel bekend als de “kortste dag van het jaar” is (bij benadering) de eerste dag van de winter. Op deze dag staat de zon op zijn laagst en is de dag op het noordelijk halfrond het kortst, ookwel het wintersolsticium genoemd. De dagen worden vanaf dit moment weer langer. Om deze reden is 22 december een belangrijk meetpunt voor de bezonningsstudie. Het resultaat van deze datum is een waarneembare schaduwval en hinder van omliggende woningen op de nieuwbouw, als zowel levert de nieuwbouw waarneembare schaduwval en hinder voor omliggende woningen. Aangezien deze datum doorgaans gepaard gaat met ongunstige weersverwachtingen en buitengebruik, wegen de waarnemingen minder zwaar mee. De tijdstippen 09:00 uur, 12:00 uur, 15:00 uur en 18:00 uur worden meestal gehanteerd.

Binnenwijkse Ontwikkel Locatie (BOL)

Rond de latere middaguren zien we de schaduw in beide gevallen meer naar het midden schuiven waardoor nu beide situaties schaduwval geven op de woningen op de Schipperslaan 3 en 5. In afbeeldingen 7 en 8 is de zon al onder.

Vanwege de kortste dag is de zon op afbeelding 1 en 2 nauwelijks op. Rond het middaguur hebben in beide situaties schaduwval op de woning aan de Schipperlaan nummer 5 en in het geval van de nieuwe situatie komt daar ook nog lichtelijk de Schipperlaan nummer 3 bij.

1.

2.

5.

6.

3.

4.

7

8.

Afbeelding 1: 22 december 09:00 uur bestaande situatie Afbeelding 2: 22 december 09:00 uur nieuwe situatie Afbeelding 3: 22 december 12:00 uur bestaande situatie Afbeelding 4: 22 december 12:00 uur nieuwe situatie Afbeelding 5: 22 december 15:00 uur bestaande situatie Afbeelding 6: 22 december 15:00 uur nieuwe situatie Afbeelding 7: 22 december 18:00 uur bestaande situatie Afbeelding 8: 22 december 18:00 uur nieuwe situatie

Bezonningsstudie Overweersepolderdijk 4 Binnenwijkse Ontwikkel Locatie (BOL)

Conclusie • De schaduw van de bestaande situatie blijft zo goed als de hele tijd binnen het eigen terrein. • Rond het begin van de lente en herfst levert de nieuwbouw schaduwval op aan de naastgelegen woning op huisnummer 6 en vice versa, maar enkel in de eerste/ laatste uren van de dag. • De rechter woning geeft kans op schaduwwerking bij situering op de rechterzijde van het bouwvlak t.o.v. de Hoornselaan 5 in de namiddag en avonduren. Hier zijn geen gevelopeningen aanwezig, dus levert de schaduwval geen hinder. • Rond de langste dag van het jaar, wanneer de zon op zijn hoogst staat, is er verwaarloosbaar weinig sprake van schaduwval ten opzichte van de huidige situatie • De woningen aan de Schipperslaan ondervinden enkel hinder van schaduwval rond de kortste dag van het jaar. • Gelet op het klimaat en het gebruik van de eigen buitenruimte van zowel de nieuwbouw als omliggende bebouwing, achten wij de aantasting van schaduwval door de nieuwbouw minimaal en ruim voldoende.

Bestemmingsplan "Overweerse polderdijk 4, 2022" (vastgesteld)

Bijlage 2 verkennend bodem- en asbestonderzoek

12

Landview BV Bodemonderzoek

Rapportnummer 2020373

INHOUDSOPGAVE

SAMENVATTING ............................................................................................................................ 2 1.

INLEIDING .............................................................................................................................. 3

2.

VOORONDERZOEK ............................................................................................................... 4 2.1 2.2 2.3

3.

BASISINFORMATIE ........................................................................................................ 4 HISTORISCH ONDERZOEK ........................................................................................... 4 ALGEMENE BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE ............................................... 5

OPZET BODEMONDERZOEK ............................................................................................... 6 3.1 3.2 3.3 3.4

4.

HYPOTHESE VERONTREINIGINGSSITUATIE ............................................................. 6 BEMONSTERINGSSTRATEGIE .................................................................................... 6 CHEMISCHE ANALYSES ............................................................................................... 6 TOETSINGSKADER ....................................................................................................... 7

RESULTATEN BODEMONDERZOEK ................................................................................... 9 4.1 4.2 4.3 4.4

RESULTATEN VELDONDERZOEK ................................................................................ 9 ANALYSERESULTATEN GROND ................................................................................ 11 ANALYSERESULTATEN GROND PFAS...................................................................... 11 ANALYSERESULTATEN GRONDWATER ................................................................... 12

5.

AANVULLEND BODEMONDERZOEK ................................................................................ 12

6.

ASBESTONDERZOEK ......................................................................................................... 13 6.1 6.2 6.3 6.4

ONDERZOEKSOPZET ................................................................................................. 13 TOETSINGSKADER ..................................................................................................... 13 RESULTATEN VELDONDERZOEK .............................................................................. 14 ANALYSERESULTATEN ASBEST IN GROND ............................................................ 14

7.

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN................................................................................. 15

8.

SLOTOPMERKINGEN .......................................................................................................... 17

9.

REFERENTIES ..................................................................................................................... 18

BIJLAGEN 1 2 3 4.1 4.2 4.3 5 6 7

Regionale situatie Lokale situatie met boorpunten/ proefgaten Boorprofielen Analysecertificaten laboratorium Toetsing grond volgens BoToVa Toetsing grondwater volgens BoToVa Gegevens vooronderzoek Foto´s huidige situatie Monsternameplan en -formulier asbest

Landview BV Bodemonderzoek

Rapportnummer 2020373

SAMENVATTING Naar aanleiding van de aanvraag van een omgevingsvergunning is door Landview BV een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie Overweerse Polderdijk 4 te Purmerend, gemeente Purmerend. Het bodemonderzoek is uitgevoerd volgens de NEN 5740 richtlijnen voor een niet-verdachte locatie. Het asbestonderzoek is uitgevoerd volgens de NEN 5707 richtlijnen voor een verdachte locatie met duidelijke kern van verontreiniging. Het veldwerk is, door KIWA gecertificeerde medewerkers, uitgevoerd onder het procescertificaat BRL SIKB 2000, conform de VKB protocollen 2001, 2002 en 2018. In het mengmonster van de baksteen en puinhoudende zandgrond uit de boringen 2, 7 en 10 (mm3) is een matig verhoogd gehalte aan lood geconstateerd. Daarnaast zijn licht verhoogde gehalten aan kwik, zink en som PAK aangetroffen. Het mengmonster is uitgesplitst. In de enkelvoudige grondmonsters zijn hooguit licht verhoogde gehalten aan lood aangetroffen. Indicatief getoetst valt de grond in de klasse industrie. In de overige twee mengmonsters van de grond zijn licht verhoogde gehalten aan lood, kwik, som PAK en/of zink aangetroffen. Indicatief getoetst valt de grond uit de mengmonsters in de klasse wonen. In het mengmonster van de grond uit de boringen 4 en 5 ter plaatse van de voormalige zoutopslagen is geen verhoogd gehalte aan cyanide aangetroffen.

In de 3 onderzochte mengmonsters van de grond zijn geen individuele PFAS-verbindingen boven de 0,7 µg/kg d.s. gemeten. Op basis van het tijdelijk handelingskader valt de grond op de locatie in de klasse “landbouw/natuur”. In het grondwater zijn lichte verhogingen van barium en nikkel aangetroffen. De overige onderzochte stoffen zijn niet in verhoogde concentraties aangetroffen. Tijdens het onderzoek is zintuiglijk op het maaiveld en in de bodem geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Op de locatie is nabij de schuur een verkennend asbestonderzoek volgens de NEN 5707 uitgevoerd. Tijdens het asbestonderzoek is door het laboratorium een gewogen concentratie van 170 mg/kg d.s aan asbest aangetroffen. De toetsingswaarde van 50 mg mg/kg d.s. wordt overschreden. Op basis van de nu bekende gegevens wordt de locatie als asbestverdacht beschouwd. Om de omvang na te gaan en of er elders op de locatie eveneens asbest aanwezig is in de grond is een nader asbestonderzoek conform NEN 5707 noodzakelijk. Aangezien interventiewaarde voor asbest worden overschreden, bestaan er mogelijk risico's voor de volksgezondheid. Sterk verontreinigde grond mag niet buiten de locatie worden toegepast. Werkzaamheden in en op de sterk verontreinigde bodem (o.a. graafwerkzaamheden) worden als saneringswerkzaamheden gezien.

Deze werkzaamheden moeten worden gemeld aan het bevoegd gezag, bijvoorbeeld middels een melding in het kader van Besluit Uniforme Saneringen (BUS-melding). Gezien de geconstateerde verontreinigingen in de grond zullen graafwerkzaamheden op last van de ARBO moeten gebeuren onder extra veiligheidsmaatregelen. Conform de CROW400 wordt het werk ter plaatse van de woning voorlopig ingedeeld in veiligheidsklasse “zwart niet vluchtig” op basis van het gehalte aan asbest. Deze indeling is indicatief en moet worden gecontroleerd door een hogere veiligheidsdeskundige.

-2-

Landview BV Bodemonderzoek

Rapportnummer 2020373

De uiteindelijke toetsende en handhavende taak ligt bij het bevoegd gezag, zijnde de gemeente Purmerend/ omgevingsdienst IJmond. Deze samenvatting en de rapportage van de onderzoeksgegevens vormen een geheel.

1.

INLEIDING

In opdracht van gemeente Purmerend is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd naar de mogelijke aanwezigheid van bodemverontreiniging op de locatie Overweerse Polderdijk 4 te Purmerend, gemeente Purmerend. Het onderzoek is verricht door Landview BV, in de periode mei -juni 2020, conform de offerte van 20 april 2020 en de aanvullende offerte van 4 juni 2020. Een bodemonderzoek wordt steekproefsgewijs uitgevoerd en betreft daarmee dus een momentopname. Hierdoor hebben de onderzoeksresultaten een beperkte geldigheidsduur. Het bodemonderzoek is uitgevoerd volgens de NEN 5740 richtlijnen voor een niet-verdachte locatie. Het asbestonderzoek is uitgevoerd volgens de NEN 5707 richtlijnen voor een verdachte locatie met duidelijke kern van verontreiniging. Het veldwerk is, door KIWA gecertificeerde medewerkers, uitgevoerd onder het procescertificaat BRL SIKB 2000, conform de VKB protocollen 2001, 2002 en 2018. Aanleiding voor het onderzoek is het verkrijgen van een omgevingsvergunning. Daarvoor is het noodzakelijk dat de kwaliteit van de bodem wordt vastgelegd. Doel van het onderzoek is aan te tonen dat op de locatie redelijkerwijs inderdaad geen, behalve van nature, verhoogde concentraties verontreinigende stoffen aanwezig zijn in de grond of in het grondwater. Doel van het verkennend asbestonderzoek is na te gaan of de verdenking van asbest terecht is.

Daarnaast wordt op verzoek van de opdrachtgever, in verband met eventuele werkzaamheden op de locatie nagegaan of er PFAS-verbindingen in de grond aanwezig zijn. De locatie is niet direct verdacht voor GenX, waardoor kan worden volstaan met onderzoek op de 28 verbindingen uit het handelingskader. De chemische analyses van de grond en het grondwater zijn verricht door Eurofins Omegam te Amsterdam. Dit laboratorium is geaccrediteerd door de Raad van Accreditatie. Landview BV is een onafhankelijk en erkend onderzoeksbureau. Er bestaat tussen de opdrachtgever cq. eigenaar van de locatie en Landview BV geen andere relatie dan die tussen opdrachtgever en opdrachtnemer. Het procescertificaat van Landview BV en het hierbij behorende keurmerk zijn uitsluitend van toepassing op de activiteiten inzake de monsterneming en de overdracht van de monsters, inclusief de daarbij behorende veldwerkregistratie, aan een erkend laboratorium of de opdrachtgever. Dit rapport heeft de volgende opbouw. Hoofdstuk 2 bevat een evaluatie van het vooronderzoek NEN 5725. De opzet van het bodemonderzoek en het toetsingskader worden in hoofdstuk 3 weergegeven. De resultaten van het veldonderzoek en analyses staan in de hoofdstukken 4, 5 en 6. Hoofdstuk 7 bevat de conclusies die hieruit kunnen worden getrokken, samen met aanbevelingen voor eventuele vervolgstappen.

-3-

Landview BV Bodemonderzoek

2.

Rapportnummer 2020373

VOORONDERZOEK

Ten behoeve van het verkennend bodemonderzoek is in mei 2020 een vooronderzoek uitgevoerd volgens NEN 5725. Doel van het vooronderzoek is na te gaan of er op, of binnen een straal van 25 meter van, de onderzoekslocatie sprake is van de aanwezigheid van puntbronnen of overige potentieel bedreigende activiteiten. Op basis van de verzamelde gegevens wordt de onderzoeksstrategie opgesteld (zie hoofdstuk 3).

2.1

BASISINFORMATIE

De aanleiding tot het onderzoek is het verkrijgen van een omgevingsvergunning. De regionale situatie rond de onderzoekslocatie staat weergegeven in bijlage 1. De locatie bevindt zich binnen de bebouwde kom van Purmerend. In bijlage 2 is een situatietekening van het terrein gegeven. Tabel 1: overzicht basisgegevens Kadastraal bekend : gemeente Purmerend, sectie D, nummer 7941 (ged.) Oppervlakte : circa 1.756 m² Gebruik verleden : wonen sinds 1920 Gebruik heden : woning met schuur Gebruik toekomst : mogelijk woningbouw

2.2

HISTORISCH ONDERZOEK

De gegevens van het historisch onderzoek zijn verzameld door Landview BV. Hierbij is gebruik gemaakt van informatie verkregen uit gesprekken met de opdrachtgever, eigenaren en of gebruikers van de locatie, zijnde de gemeente Purmerend. Daarnaast is informatie verkregen van de Omgevingsdienst IJmond. De informatie is bij voorkeur digitaal verkregen. Wanneer daartoe de noodzaak bestond, is aanvullende informatie verzameld door middel van archiefbezoek bij de gemeente of andere archieven. Voor verzamelen van de informatie is gebruik gemaakt van onderstaande bronnen. Tabel 2: overzicht geraadpleegde bronnen Aard Bron Bodeminformatie BIS Bodemkwaliteit Bodembedreigende activiteiten Toepassingen asbest Dempingen, activiteiten Voormalige activiteiten Bijzondere waarden Archeologie Verhardingen, bebouwingsgraad Eerdere onderzoeken

website OD IJmond bodemkwaliteitskaart website OD IJmond, www.bodemloket.nl locatie-inspectie, eerdere onderzoeken historische kaarten, opdrachtgever, locatie-inspectie lokale / regionale archieven, historische kaarten https://maps.noordholland.nl/extern/gisviewers/bodemvisie/ http://archeologieinnederland.nl opdrachtgever / gebruiker, locatie-inspectie opdrachtgever, eigen archief

relevantie groot gering X X X X X X X X

X

X

Bodemgebruik en situatie op het terrein: De locatie bevindt zich in stedelijk gebied. De te onderzoeken locatie betreft een terrein met een oppervlakte van circa 1.756 m2, waarop zich een woning bevindt. Het overige deel van de locatie is in gebruik als tuin. Volgens de BAG-viewer van het kadaster is het pand in 1920 gerealiseerd. Daarvoor was het pand in agrarisch gebruik. De locatie ligt aan de rand van een woonwijk, welke eind jaren ’70 – begin jaren ’80 van de vorige eeuw is gerealiseerd. -4-

Landview BV Bodemonderzoek

Rapportnummer 2020373

Volgens de bodemkwaliteitskaarten bevindt de locatie zich in homogeen deelgebied 1 (Overwhere/Wheermolen/Molenkoog). Uit de kaarten blijkt dat op de locatie grond van kwaliteit “achtergrondwaarde” verwacht kan worden. Dit gebied is tussen 1960 en 1980 gefaseerd als woonwijk in gebruik genomen. Voorheen had het een agrarische functie. Ten behoeve van het bouwrijp maken is zand opgebracht. De nu te onderzoeken locatie is echter langer bebouwd. Bedrijvigheid / Potentiële bronnen van verontreiniging: Bij de aanvraag van de offerte zijn de bij de gemeente Purmerend bekende gegevens aangeleverd. Uit de gegevens van de OD IJmond blijkt, dat er geen gegevens over de locatie bekend zijn (zie bijlage 5). Bodemloket (www.bodemloket.nl) heeft eveneens geen aanvullende gegevens over de locatie of de directe omgeving beschikbaar. Vergelijking tussen luchtfoto’s en topografische atlassen uit verschillende perioden heeft opgeleverd, dat het verkavelingspatroon niet is gewijzigd. De dijk is al op de eerste topografische kaarten zichtbaar. Uit historisch kaartmateriaal en luchtfoto’s blijkt dat op de locatie aan de zuidzijde tot circa 1985 een weg heeft gelopen. Dwars door de bestaande school heeft een sloot gelopen (richting noordoostzuidwest). Ten noorden van de onderzoekslocatie heeft eveneens een sloot gelopen.

Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat er brandstoftanks, met bodemvreemd materiaal gedempte sloten of aangevoerde verstevigingmaterialen op de locatie aanwezig zijn. Bij bodemonderzoeken die door Landview BV zijn uitgevoerd op vergelijkbare locaties in de omgeving zijn in de grond regelmatig licht verhoogde gehalten van zware metalen en of polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) aangetroffen, als gevolg van menselijke activiteiten in het verleden. Gezien de aard van de locatie is de kans op het aantreffen van asbestresten in de bodem als gevolg van bedrijfsmatige activiteiten, gebruik van asbesthoudende bouwstoffen, stortingen van asbestafval of asbestcalamiteiten wegens bijv. brand in de bodem zeer gering.

2.3

ALGEMENE BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE

Op grond van kaartmateriaal en gegevens van de Rijksgeologische Dienst (RGD), het voormalige Instituut voor Cultuurtechniek en Waterhuishouding (ICW), de voormalige Stichting voor Bodemkartering (STIBOKA), het DLO Staring Centrum, de Nederlandse Organisatie voor Toegepast Natuurwetenschappelijk Onderzoek (TNO) en Landview BV kan de volgende bodemopbouw worden verwacht. De locatie is gelegen in een gebied met een maaiveldhoogte van circa 1,5 m -NAP. Het freatisch grondwater bevindt zich op circa 1 m -maaiveld (mv). Dit betreft het ondiepe grondwater dat onder invloed van neerslag staat. De grondwaterstroming is naar het aanwezige oppervlaktewater toe gericht. Gezien de ligging is er waarschijnlijk sprake van lokale kwel (opwaartse stroming van het grondwater). De Pleistocene ondergrond, afgezet tijdens de laatste ijstijd, bevindt zich op een diepte tussen de 10 en 20 m -NAP. Deze goed doorlatende zandlagen worden beschouwd als het 1e watervoerende pakket. Gedurende verschillende overstromingsfasen zijn in het Holoceen, vanaf circa 10.000 jaar geleden, door de zee op de Pleistocene ondergrond mariene sedimenten afgezet en is plaatselijk veenvorming opgetreden. Deze Holocene afzettingen vormen de slecht tot matig doorlatende deklaag. De locatie is gesitueerd op een ontgonnen veenvlakte.

De venen van westelijk Nederland zijn, voor zover niet als brandstof of voor zoutwinning gebruikt, na de ontginning in de Middeleeuwen door ontwatering sterk geklonken. Typisch zijn in sommige gebieden de sloten met hoge waterstanden en de iets hoger dan de omgeving liggende slootranden. Het veen is soms met een dunne laag klei of zand bedekt, waarvan de herkomst niet altijd te achterhalen valt. -5-

Landview BV Bodemonderzoek

Rapportnummer 2020373

3.

OPZET BODEMONDERZOEK

3.1

HYPOTHESE VERONTREINIGINGSSITUATIE

Op grond van het vooronderzoek is voor de opzet van het bodemonderzoek uitgegaan van een nietverdachte locatie, waar hooguit licht verhoogde gehalten van zware metalen en of polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) aangetroffen kunnen worden in de mogelijk puin houdende (boven)grond. In het grondwater worden, behalve arseen en of barium van nature, geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen verwacht.

3.2

BEMONSTERINGSSTRATEGIE

Uitgaande van een niet-verdachte locatie met een oppervlakte van 1.756 m² worden, conform de NEN 5740 en de BRL SIKB 2000 richtlijnen, de onderstaande werkzaamheden verricht Tabel 3: Werkzaamheden

Aantal grondboringen tot circa 0,5 m –mv Aantal grondboringen tot de grondwaterstand Aantal peilbuizen plaatsen (NEN) en monstername

8 2 1

Aantal analyses bovengrond Aantal analyses ondergrond Aantal analyses grondwater

2 1 1

De grond wordt in principe bemonsterd in trajecten van 0,5 m. Van deze algemene richtlijn kan worden afgeweken als tijdens het veldwerk duidelijk afwijkende lagen, zintuiglijke verontreinigingen of verschillende grondsoorten worden geconstateerd. Een zintuiglijke inspectie van het maaiveld en de opgeboorde grond op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen maakt deel uit van het onderzoek. De grondwaterstand bevindt zich op dusdanige diepte, dat de kwaliteit van het grondwater in het onderzoek dient te worden betrokken. Hiertoe wordt 1 boring verricht, welke met een peilbuis worden afgewerkt. De filterstelling van de peilbuis is circa 0,5 m tot 1,5 m -grondwaterstand. Na een wachttijd van één week voor het herstel van het bodemchemisch evenwicht zal het grondwatermonster uit de peilbuis worden genomen.

3.3

CHEMISCHE ANALYSES

De grondmengmonsters en het grondwatermonster worden geanalyseerd op de stoffen van de standaardpakketten. Deze stoffen, die zijn geselecteerd door de overheid, vormen de belangrijkste parameters (graadmeters) voor mogelijke verontreinigingen. De analyses worden, conform de AS3000 richtlijnen, uitgevoerd door Eurofins Omegam uit Amsterdam. Dit laboratorium is geaccrediteerd door de Raad van Accreditatie. Grond De grondmonsters worden gekoeld getransporteerd en opgeslagen. De boven- en ondergrond worden onderzocht op de gehalten aan barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel, zink, polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK), polychloorbifenylen (PCB) en minerale olie (GC). De gehalten worden weergegeven in milligram per kilogram droge stof (mg/kg ds). Hiertoe wordt van de grond(meng)monsters het droge stofgehalte vastgesteld. Tevens worden representatieve monsters geanalyseerd op de gehalten aan organische stof en lutum (klei) ter vaststelling van de toetsingswaarden. De grond wordt aanvullend onderzocht op PFAS-verbindingen. De locatie is niet direct verdacht voor GenX, waardoor kan worden volstaan met onderzoek op de 28 verbindingen uit het handelingskader.

-6-

Landview BV Bodemonderzoek

Rapportnummer 2020373

Grondwater De grondwaterstand bevindt zich rond 1 m –mv. De vluchtige aromatische koolwaterstoffen en de vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen worden daarom bij voorkeur in het grondwater onderzocht. De aanwezigheid van deze vluchtige stoffen kan namelijk eerder worden aangetoond in het grondwater dan in de grond. Het grondwater wordt onderzocht op de concentraties aan arseen, barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel, zink, aromatische stoffen (inclusief naftaleen), (vluchtige) halogeen koolwaterstoffen en minerale olie. De concentraties worden weergegeven in microgrammen per liter (µg/l). De pH (zuurgraad), Ec (soortelijke geleiding) en troebelheid worden in het veld bepaald.

3.4

TOETSINGSKADER

Het toetsingskader voor verontreinigende stoffen in grond wordt gevormd door de achtergrond- en interventiewaarden uit de Regeling Bodemkwaliteit en de Circulaire Bodemsanering. Voor de toetsing van de grondwaterkwaliteit wordt het toetsingskader gevormd door de streef- en interventiewaarden. De analyseresultaten worden geïnterpreteerd aan de hand van deze toetsingskaders (zie bijlagen 4.2 en 4.3). De norm voor barium is (tijdelijk) ingetrokken. Indien er sprake is van verhoogde bariumgehalten ten opzichte van de natuurlijke achtergrond als gevolg van een antropogene bron, kan dit gehalte worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium. De toetsingswaarden voor de verschillende stoffen in de grond zijn afhankelijk van de hierin aanwezige hoeveelheid klei (lutum) en organische stof, omdat de verontreinigingen zich aan deze bodemdelen hechten. De achtergrondwaarde (AW2000) van een bepaalde stof komt overeen met de gehalten zoals die op dit moment voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden, waarvoor geldt dat er geen sprake is van belasting door lokale verontreinigingsbronnen. Bij overschrijding van deze achtergrondwaarde of de streefwaarde in het grondwater kunnen we spreken van een lichte verhoging.

Indien het gemiddelde van de achtergrond- of streefwaarde en de interventiewaarde (tussenwaarde) wordt overschreden, kunnen we spreken van een matige verhoging. De interventiewaarde is de waarde waarboven sprake is van een ernstige vermindering of dreigende vermindering van de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, plant of dier. Bij overschrijding van de interventiewaarde spreken we van een sterke verontreiniging. Als grondmengmonsters zijn onderzocht, kunnen de gehalten in afzonderlijke monsters hoger zijn. In een aanvullend of nader onderzoek kunnen vervolgens de enkelvoudige monsters worden geanalyseerd. Alleen met aanvullende analyseresultaten kan doorgaans voldoende inzicht worden verkregen in de omvang van de verontreinigingen. De ernst van een verontreiniging is, conform de Wet Bodembescherming (Wbb), gerelateerd aan een omvangscriterium. Om van een geval van ernstige bodemverontreiniging te kunnen spreken, dient voor ten minste één stof de interventiewaarde te worden overschreden in minimaal 25 m3 grond of 100 m3 grondwater. Als een voldoende beeld van de verontreinigingen is verkregen, kan een inschatting worden gemaakt van de eventuele risico's voor de volksgezondheid en de mogelijke gebruiksbeperkingen van de locatie.

Verontreinigingen die geheel of grotendeels na 1 januari 1987 (en voor asbest na juli 1993) zijn ontstaan, vallen onder de zorgplicht in de Wbb en dienen in principe zo spoedig mogelijk, ongeacht de ernst van de verontreiniging, te worden verwijderd.

-7-

Landview BV Bodemonderzoek

Rapportnummer 2020373

PFAS De grond moet, in verband met het van kracht worden van het tijdelijk handelingskader voor hergebruik PFAS houdende grond en baggerspecie (d.d. 8 juli 2019) eveneens worden onderzocht op PFAS. Op 29 november 2019 is de geactualiseerde versie van het tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie van kracht geworden. Poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS) zijn chemische stoffen die van nature niet in het milieu voorkomen. Deze stofgroep bestaat uit ruim 6000 stoffen. Hiertoe behoren onder meer de stoffen perfluoroctaanzuur (PFOA), perfluoroctaansulfonaat (PFOS) en HFPO-DA (GenX). PFAS zijn stoffen die door mensen zijn gemaakt vanwege hun specifieke eigenschappen, zoals brandwerendheid en vuil- en waterafstotendheid. Zij worden al decennia gebruikt in industriële en andere processen en in vele producten. Ze worden toegepast in allerlei alledaagse toepassingen, zoals verf, blusschuim, pannen, kleding en cosmetica. Kenmerkend voor deze stoffen is dat ze persistent, mobiel en nauwelijks biologisch afbreekbaar zijn. Op grond van het onderzoek dat tot nu toe is gedaan is er vooruitlopend op een definitieve normstelling voor het toepassen van PFAS-houdende grond en baggerspecie een voorlopige norm vastgelegd, die boven de bepalingsgrens ligt.

Uitgangspunt van het tijdelijk handelingskader is dat de kwaliteit van de bodem, het grondwater en het oppervlaktewater hierdoor niet mag verslechteren (stand still). In het tijdelijke handelingskader zijn de onderstaande toetsingsnormen voor het toepassen van grond en baggerspecie op landbodem boven grondwaterniveau opgenomen. Tabel 4: Voorlopige toepassingswaarden voor het toepassen van grond en baggerspecie op de landbodem boven grondwaterniveau(1) (in μg/kg d.s.)(2) Bodemkwaliteitsklasse Wonen of industrie

Bodemfunctieklasse Wonen of industrie

PFOS = 3 PFOA = 7 GenX = 3 Andere PFAS = 3 Landbouw/natuur Wonen of industrie PFAS = 0,8 PFOS = 0,9 Landbouw/natuur, wonen of industrie Landbouw/natuur PFAS = 0,8 PFOS = 0,9 (1) Voor gebieden met een hoge grondwaterstand geldt in plaats van ‘boven grondwaterniveau’: tot ten hoogste 1 meter onder het maaiveld. (2) Op de waarden uit deze tabel hoeft (tot 10% organische stof) geen bodemtypecorrectie toegepast te worden (dit is overeenkomstig de systematiek zoals die op dit moment al voor PAK geldt).

De Provincie Noord-Holland heeft op 20 november 2019 haar eigen beleidsregel gepubliceerd. Beleidsregel van Gedeputeerde Staten van de Provincie Noord-Holland houdende regels omtrent de Beleidsregel PFAS Noord-Holland 2019 d.d. 20 november 2019. In de beleidsregel is opgenomen dat indien de op een locatie aangetroffen gehalten van PFOS of PFOA in de grond lager zijn dan respectievelijk 1,5 µg/kg en 1,7 µg/kg, en/of in grondwater lager dan 0,01 µg/l, wordt de locatie als niet verontreinigd beschouwd. Stoffen behorend tot PFAS worden individueel per stof beoordeeld. Voor gehalten van andere stoffen behorend tot PFAS gelden de normen en handelwijze in deze beleidsregel zoals die voor PFOS gelden. Indien de gehalten van PFOS in de grond tussen 1,5 µg/kg en 110 µg/kg liggen en/of de gehalten in het grondwater tussen 0,01 µg/l en 4,7 µg/l liggen, en indien de gehalten van PFOA in de grond tussen 1,7 µg/kg en 1100 µg/kg liggen en/of de gehalten in het grondwater tussen 0,01 µg/l en 0,39 µg/l liggen, wordt de locatie als verontreinigd beschouwd, maar is bodemsanering niet noodzakelijk.

-8-

Landview BV Bodemonderzoek

Rapportnummer 2020373

4.

RESULTATEN BODEMONDERZOEK

4.1

RESULTATEN VELDONDERZOEK

Het veldonderzoek is, zonder afwijkingen op de uitvoeringsvoorschriften, uitgevoerd op 20 mei 2020 door de heer F. Borst. Tijdens het veldwerk is een aandachtspunt voor mogelijke bodemverontreiniging naar voren gekomen. Op de locatie staat een schuurtje met een dak van asbestverdacht plaatmateriaal. Met de opdrachtgever is afgesproken om de grond rondom het schuurtje aanvullend te onderzoeken op de aanwezigheid van asbest. De resultaten staan weergegeven in hoofdstuk 6. Bij de schuur heeft tevens opslag van olie plaatsgevonden. Een buurman heeft aangegeven dat op de locatie op twee plekken zoutopslag (strooizout) heeft plaatsgevonden. Ter plaatse van de aangewezen punten zijn boringen (4 en 5) verricht. Met de opdrachtgever is afgesproken om de grond te laten onderzoeken op cyanide. Gelijkmatig verdeeld over het terrein zijn handmatig met behulp van de Edelmanboor 3 grondboringen tot de grondwaterstand en 7 boringen tot 0,5 m -mv verricht. Daarnaast is een 1 peilbuisboring verricht, waarin een filter is geplaatst. De peilbuis is geplaatst nabij de voormalige olieopslag. Het algemene, kenmerkende bodemprofiel op de locatie tot een diepte van circa 2,4 m -mv bestaat overwegend uit afwisseling van zand en klei. Daaronder is lokaal een veenlaag aanwezig. Tijdens het veldwerk zijn verder lokaal zwakke bijmengingen met puin of resten baksteen waargenomen.

Zintuiglijk is geen asbestverdacht materiaal op het maaiveld of in de opgeboorde grond aangetroffen. Aangezien de boringen met een Edelmanboor (diameter 12 cm) zijn verricht, is deze informatie slechts indicatief. In de onderstaande tabel staan de zintuiglijke waarnemingen weergegeven. Tabel 5: Zintuiglijk waargenomen bijzonderheden Boring

Traject (m -mv) 0,00 - 0,35 0,35 - 0,60

Grondsoort

Waargenomen bijzonderheden

01

Diepte boring (m -mv) 2,40

Zand Klei

zwak gleyhoudend, resten klei resten baksteen, zwak puinhoudend

02

1,20

0,30 - 0,55 0,55 - 0,90

Zand Klei

resten baksteen, zwak puinhoudend resten baksteen

03 04

1,60 1,20

0,30 - 0,70 0,00 - 0,40 0,70 - 1,00

Zand Zand Klei

matig gleyhoudend zwak gleyhoudend resten baksteen, zwak puinhoudend

06

0,60

0,00 - 0,30 0,30 - 0,60

Klei Zand

resten baksteen, zwak zandhoudend zwak gleyhoudend

07 08 09 10 11

0,50 0,70 0,70 0,50 0,70

0,00 - 0,50 0,30 - 0,70 0,25 - 0,70 0,00 - 0,50 0,25 - 0,70

Zand Zand Klei Zand Klei

resten baksteen zwak gleyhoudend resten baksteen resten baksteen, zwak puinhoudend resten baksteen

Uit de in het veld genomen enkelvoudige monsters van de bovengrond zijn door het laboratorium, volgens de opdracht van Landview BV, drie mengmonsters samengesteld. Uit de monsters van de ondergrond zijn twee mengmonster samengesteld. Daarnaast is van de grond ter plaatse van boring 4 en 5 een mengmonster samengesteld, welke is onderzocht op cyanide. Bij de monstername is soms afgeweken van de trajecten van 0,5 m gezien de geconstateerde verschillen in bodemmateriaal en visuele bijmengingen. In de onderstaande tabel is de monsterselectie weergegeven.

-9-

Landview BV Bodemonderzoek

Tabel 6: Monsterselectie Analysemonster mm1

Traject (m -mv) 0,00 - 0,70

mm2

0,55 - 1,00

mm3

0,00 - 0,55

mm4

0,00 - 0,50

Rapportnummer 2020373

Deelmonsters

Analysepakket

01 (0,35 - 0,60) 06 (0,00 - 0,30) 09 (0,25 - 0,70) 11 (0,25 - 0,70) 02 (0,55 - 0,90) 04 (0,70 - 1,00) 02 (0,30 - 0,55) 07 (0,00 - 0,50) 10 (0,00 - 0,50) 04 (0,00 - 0,40) 05 (0,00 - 0,50)

AS3000: Standaard bodem incl lutum en humus, PFAS (28) Handelingskader AS3000: Standaard bodem incl lutum en humus, PFAS (28) Handelingskader AS3000: Standaard bodem incl lutum en humus, PFAS (28) Handelingskader AS3000: Cyanide vrij en totaal, AS3000: Organische stof (gloeiverlies)

Ter bemonstering van het grondwater is grondboringen 1 afgewerkt met een peilbuis. Het filter is conform NEN geplaatst, gebaseerd op de tijdens het veldonderzoek ingeschatte grondwaterstand van 0,9 m -mv. De verbinding tussen filter en stijgbuis is geklemd. Het filter is voorzien van een filterkous. Tot een halve meter boven het filter is het boorgat opgevuld met filtergrind; hierboven is een halve meter opgevuld met Bentoniet (zwelklei). De peilbuis is niet ingemeten ten opzichte van NAP, omdat bij verkennend bodemonderzoek hieraan geen prioriteit wordt gegeven. Om representatieve grondwatermonsters te verkrijgen is, na het plaatsen van de peilbuis en voor de monstername, een hoeveelheid water afgepompt gelijk aan driemaal de boorgatinhoud. Tijdens het afpompen zijn de Ec en de pH van het opgepompte water gemeten totdat deze constant bleven. Op 27 mei 2020 is het grondwater bemonsterd, door de heer F. Borst. Bij het schoonpompen is een goede toestroming van het grondwater geconstateerd. De filterstelling van de bemonsterde peilbuizen, de grondwaterstand (gws), de zuurgraad (pH), de soortelijke geleiding (Ec), de troebelheid en eventuele zintuiglijke afwijkingen zijn weergegeven in tabel 7. Tabel 7: gegevens grondwater Peilbuis 01

Filterdiepte (m -mv) 1,40 - 2,40

Grondwater-stand (m -mv) 0,87

pH (-) 6,7

EC (µS/cm) 1360

Troebelheid (NTU) 102

De soortelijke geleiding en de zuurgraad van het grondwater, gemeten in het veld, weken niet af van de te verwachten waarden, gezien het bodemtype en de geohydrologische situatie op de locatie. De natuurlijke troebelheid ligt tussen 0 en 10 FTU. Naar onze mening is, ondanks de verhoogde troebelheidswaarde, toch een representatief monster verkregen voor analyse. Bij de interpretatie wordt rekening gehouden met de gemeten hogere troebelheid. De boorpunten (1 t/m 11) zijn aangegeven op de situatietekening van bijlage 2. In bijlage 3 worden de beschrijvingen van de boringen, de peilbuis, de zintuiglijke waarnemingen en de monstername weergegeven. Zintuiglijk waarneembare afwijkingen ten aanzien van de aanwezigheid van bodemvreemde bijmenggingen en de kleur van het bodemmateriaal zijn qua aard en mate beschreven.

- 10 -

Landview BV Bodemonderzoek

4.2

Rapportnummer 2020373

ANALYSERESULTATEN GROND

Ter vaststelling van de toetsingswaarden voor de grond zijn voor dit onderzoek het organische stofgehalte en de lutumfractie van de grondsoorten door het laboratorium bepaald. De analyseresultaten staan weergegeven op de analysecertificaten van bijlage 4.1, waarop tevens de gebruikte analysemethoden zijn aangegeven. De toetsing voor de grond volgens de BoToVa (Bodem Toets- en Validatieservice) van Rijkswaterstaat Leefomgeving staat weergegeven in bijlage 4.2. Tabel 8: Overschrijdingstabel grond Analysemonster mm1

Traject (m -mv) 0,00 - 0,70

> AW (+index)

Zink (0,04) Kwik (0,01) Lood (0,24) PAK 10 VROM (0,05) 0,55 - 1,00 Kwik (0,01) Lood (0,24) PAK 10 VROM (0,04) 0,00 - 0,55 Zink (0,25) Kwik (0,01) Lood (0,72) PAK 10 VROM (0,07) 0,00 - 0,50 : > Achtergrondwaarde : > Interventiewaarde : (GSSD - AW) / (I - AW)

mm2 mm3

mm4 > AW >I Index

> I (+index) -

BBK monster-conclusie indicatief Klasse wonen

-

Klasse wonen

-

Klasse industrie

-

Altijd toepasbaar

In het mengmonster van de baksteen en puinhoudende kleigrond uit de boringen 1, 6, 9 en 11 (mm1) overschrijden de gehalten aan lood, kwik, zink en som PAK de achtergrondwaarden. In het mengmonster van de baksteen en puinhoudende kleigrond uit de boringen 2 en 4 (mm2) overschrijden de gehalten aan lood, kwik en som PAK de achtergrondwaarden. In het mengmonster van de baksteen en puinhoudende zandgrond uit de boringen 2, 7 en 10 (mm3) overschrijdt het gehalte aan lood het gemiddelde van de achtergrond- en interventiewaarde. Daarnaast overschrijden de gehalten aan kwik, zink en som PAK de achtergrondwaarden. In het mengmonster van de bovengrond uit de boringen 4 en 5 is geen verhoogd gehalte aan cyanide geconstateerd (cyanide vrij en totaal).

4.3

ANALYSERESULTATEN GROND PFAS

Ter vaststelling van de toetsingswaarden voor de grond zijn voor dit onderzoek het organische stofgehalte in de grondmonsters door het laboratorium bepaald. De analyseresultaten van de grondmonsters staan weergegeven op de analysecertificaten van bijlage 2, waarop tevens de gebruikte analysemethoden zijn aangegeven. 4.1 Tabel 9: Gemeten gehalten PFAS in µg/kg d.s Analysemonster mm1 mm2 mm3

Traject (m ) 0,00 - 0,70 0,55 - 1,00 0,00 - 0,55

Som PFOA gemeten 0,1 0,2 0,4

Som PFOS gemeten 0,1 0,1 0,4

Som PFOA gecorrigeerd 0,07 0,18 n.v.t.

Som PFOS gecorrigeerd 0,07 0,09 n.v.t.

In de 3 onderzochte mengmonsters van de grond zijn geen individuele PFAS-verbindingen boven de 0,7 µg/kg d.s. gemeten. Op basis van het tijdelijk handelingskader valt de grond op de locatie in de klasse “landbouw/natuur”.

- 11 -

Landview BV Bodemonderzoek

4.4

Rapportnummer 2020373

ANALYSERESULTATEN GRONDWATER

De analyseresultaten staan weergegeven op de analysecertificaten van bijlage 4.1, waarop tevens de gebruikte analysemethoden zijn aangegeven. De toetsing voor het grondwater volgens de BoToVa staat weergegeven in bijlage 4.3. Tabel 10: Overschrijdingstabel grondwater Peilbuis 01 >S >I Index

Filterdiepte (m -mv) 1,40 - 2,40

> S (+index)

> I (+index)

Nikkel (0,03) Barium (0,14)

-

: > Streefwaarde : > Interventiewaarde : (GSSD - S) / (I - S)

In het grondwater uit peilbuis 1 overschrijden de concentraties aan barium en nikkel de streefwaarden. De overige parameters zijn niet verhoogd gemeten.

5.

AANVULLEND BODEMONDERZOEK

Gezien de analyseresultaten van het mengmonster van de baksteen- en puihoudende zand (mm3) is in een 2e fase een aanvullend onderzoek uitgevoerd. Aangezien het gehalte aan lood in het mengmonster mm3 de halve som van de achtergrond- en interventiewaarde overschrijdt, bestaat formeel een vermoeden van ernstige bodemverontreiniging. Alvorens een nader onderzoek wordt ingesteld, worden in eerste instantie enkelvoudige grondmonsters onderzocht voor het verkrijgen van een beeld over de ruimtelijke verdeling van de verontreinigingen. Daarnaast kan meer zekerheid over mogelijke actuele risico's voor de volksgezondheid en eventuele gebruiksbeperkingen worden verkregen. Voor het nagaan of er daadwerkelijk interventiewaarde overschrijdingen op de locatie aanwezig zijn en eventueel een inschatting van de omvang van de verontreinigingen te maken, zijn 3 enkelvoudige monsters geanalyseerd op de gehalten aan lood. Ter vaststelling van de toetsingswaarden voor de grond zijn voor dit onderzoek het organische stofgehalte en de lutumfractie van de grondsoorten door het laboratorium bepaald. De analyseresultaten staan weergegeven op de analysecertificaten van bijlage 4.1, waarop tevens de gebruikte analysemethoden zijn aangegeven. De toetsing voor de grond volgens de BoToVa (Bodem Toets- en Validatieservice) van Rijkswaterstaat Leefomgeving staat weergegeven in bijlage 4.2.

Tabel 11: Overschrijdingstabel grond Analysemonster 02 07 10

Traject (m -mv) 0,30 - 0,55 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50

> AW (+index)

> I (+index)

Lood (0,38) Lood (0,4) Lood (0,39)

-

BBK monster-conclusie indicatief Klasse industrie Klasse industrie Klasse industrie

In de 3 enkelvoudige grondmonsters overschrijdt het gehalte aan lood de achtergrondwaarde. Het gemiddelde van de achtergrond- en interventiewaarde wordt niet overschreden.

- 12 -

Landview BV Bodemonderzoek

6.

Rapportnummer 2020373

ASBESTONDERZOEK

Bij een verkennend asbestonderzoek wordt met een relatief geringe onderzoeksinspanning nagegaan of de verdenking op de aanwezigheid van asbest in de bodem terecht is. Tevens kan een indicatieve uitspraak gedaan worden over het asbestgehalte in de bodem. Een verkennend asbestonderzoek bestaat uit een visuele inspectie van het maaiveld en de opgeboorde of opgegraven grond uit de actuele contactzone of de ondergrond. Een uitspraak over mogelijke verontreiniging van de bodem kan worden gedaan op basis van verzamelde stukken asbesthoudend materiaal en (meng)monsters grond.

6.1

ONDERZOEKSOPZET

Op basis van de tot nu toe bekende gegevens betreft de locatie een verdachte locatie met plaatselijke bodembelasting met een duidelijke verontreinigingskern (schuur). Bij het verkennend bodemonderzoek is tevens gebleken dat de grond lokaal puinhoudend is. We gaan er, in eerste instantie, van uit dat er desondanks geen of nauwelijks asbest aanwezig is, waardoor gewerkt kan worden met een basispakket veiligheidsmaatregelen. De locatie heeft een oppervlakte van circa 175 m2. Het betreft een schuur met asbesthoudende golfplaten en de direct omliggende grond. Het maaiveld wordt uitgebreid visueel geïnspecteerd op de aanwezigheid van asbestverdacht materiaal. Indien asbestverdacht materiaal wordt aangetroffen, moet de locatie mogelijk worden verdeeld in meer en minder verdachte deellocaties met mogelijk verschillende onderzoekshypotheses. De visuele inspectie en de monstername zullen, door KIWA gecertificeerde medewerkers, volgens de NEN 5707, het procescertificaat BRL SIKB 2000 en VKB protocol 2018 worden uitgevoerd. Indien de grond > 50 volume% bodemvreemd materiaal bevat, worden de veldwerkzaamheden conform de NEN 5897 uitgevoerd. Gezien de resultaten van het eerder uitgevoerde bodemonderzoek, kunnen de werkzaamheden echter conform de NEN 5707 worden uitgevoerd. Doel van het verkennend asbestonderzoek is na te gaan of de verdenking van asbest terecht is.

Middels inspectie en meting wordt nagegaan of de verwachting terecht is, dat niet meer dan 50 mg (gewogen) asbest/ kg ds in en op de grond aanwezig is. Rondom de schuur worden handmatig minimaal 3 gaten gegraven (min. 0,3 x 0,3 m) tot in de onverdachte ondergrond (circa 0,5 m –mv). De uitkomende grond wordt geïnspecteerd op de aanwezigheid van asbest en gezeefd over een zeef met een maaswijdte van 20 mm. De grond wordt door het laboratorium onderzocht op de aanwezigheid van asbest.

6.2

TOETSINGSKADER

Indien visueel geen asbesthoudend materiaal is waargenomen en analytisch geen aantoonbaar gehalte aan asbest wordt gevonden, kan worden geconcludeerd dat op de locatie geen asbest is aangetoond. Indien tijdens een verkennend asbestonderzoek een gehalte aan asbest kleiner dan de helft van de interventiewaarde wordt gevonden, is het statistisch aannemelijk dat ook in een nader asbestonderzoek de interventiewaarde niet zal worden overschreden. Bij een gehalte aan asbest groter dan de helft van de interventiewaarde zal een nader asbestonderzoek, gericht op het vaststellen van de omvang van de verontreiniging, uitgevoerd dienen te worden. In een nader asbestonderzoek wordt aanwezig asbest getoetst aan de interventiewaarde van 100 mg/kg ds. Dit gehalte geldt voor de gewogen concentratie aan asbest. De gewogen concentratie aan asbest is gelijk aan de gemeten concentratie aan serpentijnasbest + 10 maal de gemeten concentratie aan amfiboolasbest. Voor asbest bestaat geen omvangscriterium, indien asbest boven de interventiewaarde wordt aangetroffen is op de locatie sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. - 13 -

Landview BV Bodemonderzoek

6.3

Rapportnummer 2020373

RESULTATEN VELDONDERZOEK

De visuele inspectie en monstername van het verkennend asbestonderzoek is op 26 mei 2020 uitgevoerd door de heer F. Borst. Tijdens de visuele inspectie was het zicht groter dan 50 meter en was van het maaiveld meer dan 25% bedekt met verharding of vegetatie. De locatie is verhard met bestrating. De verdachte bodemlaag op de locatie bestaat uit zand. De veldwerkzaamheden zijn volgens de planning uitgevoerd. De veldvochtigheid was tijdens de veldwerkzaamheden hoog genoeg (>10%), waardoor het risico op het vrijkomen van vezels uit de bodem zeer gering was. De inspectie-efficiëntie is ingeschat op 70% (zie bijlage 7). Ter plaatse van waar de proefgaten gegraven konden worden is de locatie vrij gemaakt. Tijdens de visuele inspectie is op het maaiveld geen asbestverdacht plaatmateriaal (stukken groter dan 20 mm) waargenomen. Op basis van de visuele inspectie hoeft de onderzoeksopzet niet te worden gewijzigd. Ter plaatse van de schuur zijn, rondom de bebouwing, 4 proefgaten gegraven van circa 0,3 x 0,3 m tot circa 0,5 m –mv. De verdachte laag heeft een dikte van circa 0,5 m. In de verdachte laag zijn bijmengingen met baksteen en puin waargenomen. Onder de verdachte laag is klei en veen aanwezig. De grond uit de proefgaten is uitgelegd, geharkt en gezeefd. In de grond uit de gaten en in de opgeboorde grond is geen asbestverdacht materiaal waargenomen.

Op basis van de waarnemingen is de onderzoeksopzet niet gewijzigd. Van de uitkomende grond is 1 mengmonster samengesteld (een per deellocatie) en door het laboratorium, volgens de opdracht van Landview BV, onderzocht op de aanwezigheid van asbest (materiaal kleiner dan 20 mm). In de onderstaande tabel staat de monsterselectie weergegeven. Tabel 12: Monsterselectie Analysemonster mmas

Deellocatie Schuur

Traject (m -mv) 0,00 - 0,50

Deelmonsters

Analysepakket

Gat 1, 2, 3 en

AS3000 : Asbest grond NEN5898 < 17.5kg

De locaties van de gaten zijn aangegeven op de situatietekening van bijlage 2. In bijlage 3 worden de beschrijvingen van de gaten, de zintuiglijke waarnemingen en de monstername weergegeven.

6.4

ANALYSERESULTATEN ASBEST IN GROND

Van de grond is 1 mengmonster samengesteld, welke door het laboratorium is onderzocht op het gehalte aan asbest, conform NEN 5898. Het gaat hierbij om materiaal met afmetingen kleiner dan 20 mm. De analyseresultaten van het onderzoek naar asbest staan weergegeven op de analysecertificaten van bijlage 4.1, waarop tevens de gebruikte analysemethoden zijn aangegeven. Tabel 13: Asbest in grond Analysemonster

Traject (m -mv)

Deellocatie

mmas

0,00 - 0,50

Schuur

Gewogen concentratie asbest mg/kg d.s. (fractie < 20 mm) 170

Soort asbest Chrysotiel, zowel hecht als niethechtgebonden

Door het laboratorium is een gewogen concentratie van 170 mg/kg d.s. aan asbest aangetroffen. De toetsingswaarde van 50 mg mg/kg d.s. wordt overschreden.

- 14 -

Landview BV Bodemonderzoek

7.

Rapportnummer 2020373

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN

In het mengmonster van de baksteen en puinhoudende zandgrond uit de boringen 2, 7 en 10 (mm3) is een matig verhoogd gehalte aan lood geconstateerd. Daarnaast zijn licht verhoogde gehalten aan kwik, zink en som PAK aangetroffen. Het mengmonster is uitgesplitst. In de enkelvoudige grondmonsters zijn hooguit licht verhoogde gehalten aan lood aangetroffen. Indicatief getoetst valt de grond in de klasse industrie. In de overige twee mengmonsters van de grond zijn licht verhoogde gehalten aan lood, kwik, som PAK en/of zink aangetroffen. Indicatief getoetst valt de grond uit de mengmonsters in de klasse wonen. In het mengmonster van de grond uit de boringen 4 en 5 ter plaatse van de voormalige zoutopslagen is geen verhoogd gehalte aan cyanide aangetroffen. In de 3 onderzochte mengmonsters van de grond zijn geen individuele PFAS-verbindingen boven de 0,7 µg/kg d.s. gemeten. Op basis van het tijdelijk handelingskader valt de grond op de locatie in de klasse “landbouw/natuur”. In het grondwater zijn lichte verhogingen van barium en nikkel aangetroffen. De overige onderzochte stoffen zijn niet in verhoogde concentraties aangetroffen. De hypothese dat in de grond licht verhoogde gehalten verontreinigende stoffen (standaard parameters) aanwezig zijn, wordt in het onderzoek bevestigd.

De hypothese dat in het grondwater geen verhoogde concentraties aanwezig zijn, behalve mogelijk van nature verhoogde concentraties, wordt in het onderzoek niet geheel bevestigd. De verhoogde gehalten van zware metalen en som PAK in de grond kunnen worden verklaard door de aanwezigheid van puin en baksteen in de grond. In puin en baksteen houdende grond worden regelmatig verhoogde gehalten aan dergelijke stoffen aangetroffen. De geconstateerde gehalten voldoen aan de te verwachte kwaliteit in vergelijkbare omstandigheden. Voor het instellen van een vervolgonderzoek naar deze parameters wordt daarom geen aanleiding gezien. De lokaal verhoogde gehalten aan PFAS-verbindingen kunnen worden verklaard door de diffuse aanwezigheid van deze stoffen in het milieu. In (delen van) Nederland worden in het grondwater veelvuldig verhoogde concentraties barium geconstateerd, waarvoor een natuurlijke oorzaak wordt verondersteld. In het kader van verkennend bodemonderzoek wordt aan een vervolgonderzoek geen hoge prioriteit gegeven. De licht verhoogde concentratie van nikkel in het grondwater kan mogelijk worden verklaard door de aanwezigheid van zwevende fijne stofdeeltjes in het grondwater, zonder dat daadwerkelijk sprake is van verontreiniging. Dit is mogelijk ondanks het volgen van de vereiste procedures, zoals de filtratie van het bemonsterde grondwater.

Waarschijnlijk is het bodemchemisch evenwicht bij de plaatsing van de peilbuis dusdanig verstoord, dat de gestelde standaard wachttijd van één week onvoldoende is geweest. De gemeten (sterk) verhoogde troebelheidswaarde staaft deze veronderstelling. Tijdens het onderzoek is zintuiglijk op het maaiveld en in de bodem geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Op de locatie is nabij de schuur een verkennend asbestonderzoek volgens de NEN 5707 uitgevoerd. Tijdens het asbestonderzoek is door het laboratorium een gewogen concentratie van 170 mg/kg d.s aan asbest aangetroffen. De toetsingswaarde van 50 mg mg/kg d.s. wordt overschreden.

- 15 -

Landview BV Bodemonderzoek

Rapportnummer 2020373

Op basis van de nu bekende gegevens wordt de locatie als asbestverdacht beschouwd. Om de omvang na te gaan en of er elders op de locatie eveneens asbest aanwezig is in de grond is een nader asbestonderzoek conform NEN 5707 noodzakelijk. Aangezien interventiewaarde voor asbest worden overschreden, bestaan er mogelijk risico's voor de volksgezondheid. Aan het bevoegd gezag kan worden gevraagd een uitspraak te doen of aanvullend bodemonderzoek noodzakelijk is en of er sprake is van een spoedeisende sanering. Deze beslissing wordt genomen op basis van de actuele risico's voor de mens en het ecosysteem bij het huidige of beoogde gebruik. Ook worden de actuele verspreidingsrisico's in de afweging betrokken. Indien sprake is van een spoedeisende sanering, zal een tijdstip worden bepaald waarop met de sanering dient te worden begonnen. Daarnaast kan spoed aanwezig zijn voor het nemen van sanerende maatregelen wegens nieuwbouwplannen of overdracht van het terrein. Bij graafwerkzaamheden op het terrein bestaan er beperkingen in de mogelijkheid tot hergebruik van eventueel vrijkomende grond buiten de locatie. De hergebruiksmogelijkheden van eventueel af te voeren grond dienen in overleg met het bevoegd gezag en conform het Besluit Bodemkwaliteit bepaald te worden. Sterk verontreinigde grond mag niet buiten de locatie worden toegepast.

Werkzaamheden in en op de sterk verontreinigde bodem (o.a. graafwerkzaamheden) worden als saneringswerkzaamheden gezien. Deze werkzaamheden moeten worden gemeld aan het bevoegd gezag, bijvoorbeeld middels een melding in het kader van Besluit Uniforme Saneringen (BUS-melding). Nu wordt reeds aangegeven dat de aannemer die de eventuele (sanering) werkzaamheden, in of op de bodem, uit gaat voeren BRL 7000 gecertificeerd moet zijn en dat de saneringswerkzaamheden moeten worden begeleid door een milieukundig begeleider, welke is gecertificeerd voor de BRL 6000. Gezien de geconstateerde verontreinigingen in de grond zullen graafwerkzaamheden op last van de ARBO moeten gebeuren onder extra veiligheidsmaatregelen. Conform de CROW400 wordt het werk ter plaatse van de woning voorlopig ingedeeld in veiligheidsklasse “zwart niet vluchtig” op basis van het gehalte aan asbest. Deze indeling is indicatief en moet worden gecontroleerd door een hogere veiligheidsdeskundige. De uiteindelijke toetsende en handhavende taak ligt bij het bevoegd gezag, zijnde de gemeente Purmerend/ omgevingsdienst IJmond.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11854706/1