CConstaterende datPurmerend
Koppel je AI →
Document · PDF

G toelichting-overweerse-polderdijk-4

Gemeenteraad 27 oktober 2022, gemeente PurmerendBij agendapunt: Bestemmingsplan Overweerse Polderdijk 417.027 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

5.3.2 Analyse Op de locatie aan de Overwheerse polderdijk 4 zijn in 2020 door Landview twee bodemonderzoeken uitgevoerd (kenmerk 20203732 en 20204243, bijlage 2 en 3 ). Uit het verkennend onderzoek blijkt dat de grond licht verontreinigd is met lood, kwik, PAK en/of zink. Het gehalte aan PFAS is verder licht verhoogd en voldoet aan de klasse ‘landbouw/natuur” Het grondwater is licht verontreinigd met barium en nikkel. Op basis van het verkennend bodemonderzoek is er geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging in de bodem of het grondwater. Plaatselijk is in de grond een wel asbestgehalte van 170 mg/kg d.s. aangetoond waardoor nader onderzoek noodzakelijk was. Bij het nader onderzoek is maximaal een gewogen asbestconcentratie van 4,9 mg/kg d.s. aangetoond. Op basis van het nader asbestonderzoek is op de locatie geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging met asbest. De grond mag daarom als ‘asbestvrij’ worden beschouwd, hoewel lokaal asbesthoudend materiaal is aangetroffen. Ten tijde van de werkzaamheden voor het nader asbestonderzoek zijn oliewaarnemingen waargenomen ten zuiden van het gebouw. Dit gaf aanleiding om nader onderzoek uit te laten voeren. In opdracht van de gemeente Purmerend heeft TAUW daarom een afperkend bodemonderzoek uitgevoerd.

Op basis van het onderzoek kan worden geconcludeerd dat de sterke verontreiniging met minerale olie zich beperkt tot boorpunt 1 en 101 en een omvang heeft van circa 8 m3 .

30

Ligging monsterpunten nader asbestonderzoek en olieonderzoek Omdat binnen huidig onderzoek de sterke verontreiniging bij oud boorpunt 101 niet is bevestigd is de omvang mogelijk nog kleiner. Derhalve is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Op basis van het oliechromatogram is sprake van een oude huisbrandolie/gasolie/diesel verontreiniging. De herkomst kan niet eenduidig worden verklaard maar mogelijk hebben morsingen plaatsgevonden. Verwacht wordt dat sprake is van een historische verontreiniging. Aanbevolen wordt om tijdens de ontwikkeling van de locatie rekening te houden met de aanwezigheid van de sterke verontreiniging met minerale olie en de gronden conform de daarvoor geldende protocollen af te graven. 5.3.3 Conclusie De bodemkwaliteit is van dien aard dat deze de realisering van het onderhavige bestemmingsplan niet in de weg staat. Wel is het nodig om bij de omgevingsvergunning aan te tonen dat de grond geschikt is voor de gewenste functie.

5.4

Cultuurhistorische waarden

5.4.1 Beleidskader In de toelichting van ruimtelijke plannen moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Het doel hiervan is om cultuurhistorische belangen meer te laten meewegen in de ruimtelijke ordening. Hiertoe is op 1 januari 2012 het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd, waarbij dit voorschrift in artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a is opgenomen. De in de grond aanwezige waarden komen in paragraaf 5.1 (Archeologie) aan bod, de overige cultuurhistorische aspecten worden in deze paragraaf besproken. Op 2 november 2017 heeft de gemeenteraad het Erfgoedbeleid Purmerend 2017 vastgesteld. Dit beleid richt zich op het behoud van het Purmerendse erfgoed. Het spreekt de visie uit dat het erfgoed belangrijk is voor de stad. De gemeente heeft vier ambities met betrekking tot het erfgoed: 1. de karakteristieke historische waarden van Purmerend blijven zo veel mogelijk behouden. Dit

Bestemmingsplan "Overweerse polderdijk 4, 2022" (vastgesteld)

wil niet zeggen dat erfgoed onaantastbaar is, ontwikkelingen aan en rond cultuurhistorische waarden blijven mogelijk, mits dit gebeurt met respect voor het 'verhaal' van het object; 2. de historische waarden van onze stad worden versterkt door bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen een zichtbare relatie met het erfgoed te leggen. Dit geldt vooral voor locaties in de binnenstad en op bijzondere historische locaties. 3. de kennis over het erfgoed wordt toegankelijker; 4. de gemeente werkt samen met de Purmerendse burgers en ondernemers aan de ambities met betrekking tot het erfgoed. Bij dit beleid is een Cultuurhistorische Waardenkaart opgesteld, waar al het erfgoed van Purmerend op is afgebeeld. 5.4.2 Analyse De Cultuurhistorische Waardenkaart toont dat op en in de nabijheid van dit perceel geen sprake is van actuele cultuurhistorische waarden. 5.4.3 Conclusie De ontwikkeling heeft geen negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden, aangezien dergelijke waarden niet aanwezig zijn in het plangebied of de directe omgeving daarvan.

5.5

Duurzaamheid

Voor de ontwikkeling van dit plan wordt rekening gehouden met duurzaam bouwen. Er kunnen tal van duurzame maatregelen worden getroffen. Hieronder valt bijvoorbeeld het gebruik van stadsverwarming als een duurzame energievoorziening waardoor we gasloos bouwen. Daarnaast kunnen de woningen voorzien worden van een sedumdak, dat bijdraagt aan de waterretentie en hittestress in de wijk. De gehele inrichting moet klimaatbestendig zijn (zo min mogelijk verharding, gevel- en dakbegroeiing, waterretentie, etc.). Het plan zal dan ook volgens het laatste bouwbesluit en de dan geldende BENG norm worden uitgevoerd. Welke maatregelen er getroffen zullen worden en hoe hier aan wordt voldaan, zal pas in een volgende fase duidelijk worden, als de woningen worden ontworpen.

5.6

Externe veiligheid

5.6.1 Beleidskader In het kader van ruimtelijke procedures conform de Wet ruimtelijke ordening (Wro) dient het aspect externe veiligheid in acht te worden genomen. Het gaat hierbij om risico's ten aanzien van het vervoer, de opslag en het bewerken van gevaarlijke stoffen. De risico's met betrekking tot gevaarlijke stoffen worden geduid in het zogenaamde Plaatsgebonden risico (PR) en het Groepsrisico (GR). Het groepsrisico dient in veelal de meeste ruimtelijke procedures verantwoord te worden. De verantwoording is erop gericht om een weloverwogen besluit te nemen over het van het groepsrisico. Het uiteindelijke besluit is aan het bevoegd bezag. 5.6.2 Analyse In het kader van externe veiligheid is de Risicokaart Noord-Holland geraadpleegd. Hieruit blijkt dat er in of in de nabijheid van plangebied geen risicovolle inrichtingen liggen. Het project zelf maakt ook geen risicovolle inrichting mogelijk. Ook ligt het plangebied niet in een contour van een transportroute gevaarlijke stoffen of buisleiding. Zie voor planologisch relevante leidingen ook paragraaf 5.12. 32

5.6.3 Conclusie De wetgeving omtrent externe veiligheid levert geen belemmeringen op voor het onderhavige bestemmingsplan.

5.7

Geluid

5.7.1

Wegverkeerslawaai

5.7.1.1 Beleidskader Artikelen 76 en 74 van de Wet geluidhinder (hierna Wgh) schrijven voor dat in ruimtelijke plannen, die betrekking hebben op gronden die langs een verkeersweg gelegen zijn, onderzocht dient te worden of op de gevel van gebouwen de maximale toegestane geluidsbelasting niet wordt overschreden. Langs alle wegen bevinden zich, als gevolg van de Wgh, geluidszones, met uitzondering van woonerven en 30 km/h-gebieden. Binnen de geluidszone van een weg dient de geluidsbelasting op de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen aan bepaalde wettelijke normen te voldoen. De zonebreedte is afhankelijk van een binnen of buitenstedelijke ligging en de hoeveelheid rijstroken van de weg en wordt gemeten uit de rand van de weg. Een naast die rijstrook liggend fietspad ligt dus ook in die zone. Ook een vluchtstrook, niet zijde een rijstrook ligt in de zone. De ruimte boven en onder de weg behoort ook tot de zone. Voor de geluidsbelasting aan de buitengevels van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidszone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De voorkeursgrenswaarde mag in principe niet worden overschreden. Indien uit akoestisch onderzoek blijkt dat deze voorkeursgrenswaarde wel wordt overschreden, is onderzoek naar maatregelen gericht op het verminderen van de geluidsbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten noodzakelijk.

Onderscheid wordt gemaakt in maatregelen aan de kant van de bron (bijvoorbeeld geluidsreducerend asfalt), maatregelen in het overdrachtsgebied (bijvoorbeeld geluidsschermen), maatregelen aan de kant van de geluidsontvanger (bijvoorbeeld geluidsdove gevels) of het vergroten van de afstand tussen de geluidsbron en de ontvanger. Zijn maatregelen onvoldoende doeltreffend, dan wel ontmoeten deze maatregelen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard, dan kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek tot vaststelling van (een) hogere waarde(n) worden ingediend bij burgemeester en wethouders van de gemeente Purmerend. Deze hogere grenswaarde mag, afhankelijk van de situatie, een bepaalde waarde niet te boven gaan (uiterste grenswaarde). De uiterste grenswaarde voor nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen langs bestaande wegen in binnenstedelijk gebied bedraagt 63 dB. Krachtens artikel 110g van de Wet geluidhinder mag het berekende geluidsniveau van het wegverkeer worden gecorrigeerd in verband met de verwachting dat motorvoertuigen in de toekomst stiller zullen worden. Voor wegen met een snelheid lager dan 70 km/h geldt een aftrek van 5 dB. Voor wegen met een maximumsnelheid van 70 km/h of meer geldt een aftrek van 2 dB.

Op alle in akoestische onderzoeken worden genoemde geluidsbelastingen is deze aftrek toegepast, tenzij anders vermeld

Bestemmingsplan "Overweerse polderdijk 4, 2022" (vastgesteld)

5.7.1.2 Analyse Het voorliggende bestemmingsplan maakt de realisatie van 2 nieuwe woningen mogelijk. Deze woningen liggen binnen de zone van de Hoornselaan en de Gedempte Where. Om vast te stellen wat de geluidsbelasting is op de nieuwe woningen ten gevolge van wegverkeer is akoestisch onderzoek nodig. Onderzocht is of er wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarden, vervolgens of (indien nodig) hogere grenswaarden krachtens de Wgh kunnen worden aangevraagd en waar zo nodig maatregelen moeten worden toegepast. Akoestisch onderzoek is uitgevoerd door Buro Ontwerp en Omgeving (zie bijlage 5).

De hoogste geluidsbelastingen ter plaatse van de ontwikkelingslocatie Overweerse polderdijk 4, afkomstig van de Hoornselaan en de Gedempte Where, staan in de onderstaande tabel:

De hoogste geluidsbelasting afkomstig van de Hoornselaan en de Gedempte Where bedraagt 49 respectievelijk 39 dB, inclusief aftrek op grond van artikel 110g Wgh. Er is sprake van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde op villa 2 van 1 dB. Maatregelen aan de bron of in de overdracht zijn financieel onevenredig aan de omvang van het project. Er zal te zijner tijd een hogere grenswaarde worden vastgesteld. Verder zal de gevelwering 21 dB moeten zijn op basis van de berekende gecumuleerde geluidbelasting. Dit wordt getoetst bij de aanvraag omgevingsvergunning. 5.7.1.3 Conclusie De wetgeving inzake wegverkeerslawaai levert geen belemmering op voor dit bestemmingsplan. 5.7.2

Spoorweglawaai

5.7.2.1 Beleidskader Indien nieuwe woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen de onderzoekszone van een spoorweg mogelijk worden gemaakt, moet onderzoek plaatsvinden naar de geluidsbelasting vanwege deze spoorweg. De zone is afgebeeld op de geluidkaart, te vinden op www.geluidregisterspoor.nl. Grondslag hiervoor is artikel 4.3 Besluit geluidhinder (Bgh). Binnen deze zone gelden voorkeursgrenswaarden en maximale grenswaarden voor spoorweglawaai (art. 4.9 t/m 4.12 Bgh). Bij overschrijding van de voorkeursgrenswaarden is vaststelling van een hogere waarde mogelijk, mits de maximale grenswaarde daarbij niet wordt overschreden (art. 4.10 t/m 4.12 Bgh). Hogere grenswaarden worden alleen verleend als maatregelen om de geluidsbelasting aan de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard.

34

5.7.2.2 Analyse Het plangebied bevindt zich niet binnen de geluidszone van een spoorweg. 5.7.2.3 Conclusie Er hoeft voor het onderhavige bestemmingsplan geen onderzoek gedaan te worden naar de invloed van spoorweglawaai. 5.7.3

Industrielawaai

De Wet geluidhinder bepaalt dat indien bij de vaststelling van een bestemmingsplan aan gronden een zodanige bestemming wordt gegeven dat daardoor een industrieterrein ontstaat, daarbij tevens een rond het betrokken terrein gelegen zone wordt vastgesteld, waarbuiten de geluidsbelasting vanwege dat terrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan. 5.7.3.1 Analyse Het plangebied bevindt zich niet in of in de nabijheid van een industrieterrein. 5.7.3.2 Conclusie Er hoeft voor het onderhavige bestemmingsplan geen onderzoek gedaan te worden naar de invloed van industrielawaai.

5.8

Geur

5.8.1 Beleidskader In de Duurzaamheidsagenda van de gemeente Purmerend wordt geen toetsingskader op basis van geurpercentielen gepresenteerd. Als toetsingskader voor het onderwerp geur wordt het geurbeleid van Provincie Noord-Holland gehanteerd. In het Provinciaal Milieubeleidsplan 2015-2018 van provincie Noord-Holland staat het geurbeleid voor 2015–2018. Het uitgangspunt is de nationale doelstelling van maximaal 12% geurgehinderden en geen ernstige geurhinder. 5.8.2 Analyse Gezien de aard van het project waarvoor het onderhavige bestemmingsplan wordt opgesteld en de omgeving, speelt geur hier geen rol. 5.8.3 Conclusie Er hoeft voor het onderhavige bestemmingsplan geen onderzoek gedaan te worden naar mogelijke geurhinder.

Bestemmingsplan "Overweerse polderdijk 4, 2022" (vastgesteld)

5.9

Luchtkwaliteit

5.9.1 Beleidskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een uit een oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens tevens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Op 15 november 2007 is wet- en regelgeving in werking getreden die tezamen bekend staat onder de naam 'Wet luchtkwaliteit'. Dit is echter geen formele benaming. Op basis van deze wetgeving kunnen ruimtelijk-economische initiatieven worden uitgevoerd als aan één of meer voorwaarden wordt voldaan: grenswaarden niet worden overschreden, of; de luchtkwaliteit per saldo verbetert of tenminste gelijk blijft, of; het initiatief niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit, of; het initiatief is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De kern van titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) bestaat uit luchtkwaliteitseisen, gebaseerd op de Europese richtlijnen. Een overzicht van deze luchtkwaliteitseisen is te vinden in het Compendium voor de Leefomgeving. Verder bevat titel 5.2 van de Wm basisverplichtingen op grond van Europese richtlijnen, namelijk: plannen, maatregelen, het beoordelen van luchtkwaliteit, verslaglegging en rapportage. Titel 5.2 van de Wm regelt het zogenaamde Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Daarbinnen werken het rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Het uitgangspunt is dat de grenswaarden voor luchtkwaliteit worden gehaald. In artikel 5.16 lid 1 van de Wm staat opgesomd wanneer een (luchtvervuilend) project toelaatbaar is. Dan moet aannemelijk worden gemaakt, dat het project aan één of een combinatie van de volgende voorwaarden voldoet: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde een project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit een project draagt slechts 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging een project is opgenomen in, of past binnen, het NSL of een regionaal programma van maatregelen. Voor ruimtelijke projecten geldt uiteraard ook het principe van een goede ruimtelijke ordening. Daarnaast kan de amvb Gevoelige bestemmingen relevant zijn.

Met het Besluit gevoelige bestemmingen van 1 december 2008, gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer, wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen'- zoals een school of een verzorgingstehuis- in de nabijheid van provinciale en rijkswegen beperkt. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Het besluit voorziet in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek noodzakelijk is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg. Waar in de onderzoekszone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een 'gevoelige bestemming' niet toenemen. Dit wordt bereikt door op een dergelijke plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan.

36

5.9.2 Analyse Het project waarvoor het onderhavige bestemmingsplan wordt opgesteld draagt niet bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Het betreft de nieuwbouw van maximaal 2 woningen. Uit toepassing van de NIBM-tool blijkt dat 2 woningen als 'niet in betekenende mate' (NIBM) is aan te merken. 5.9.3 Conclusie Er hoeft voor het onderhavige bestemmingsplan geen onderzoek gedaan te worden naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit.

5.10 Milieuzonering 5.10.1 Beleidskader Milieuzonering legt een relatie tussen de milieuaspecten van een bedrijf - geluid, geur, gevaar en stof - en de omgeving. Daarnaast is de mate waarin een bedrijfstype personen- of goederenverkeer genereert mede bepalend voor de mate van hinder, en dus voor de mogelijkheid tot vestiging of uitbreiding. Bij milieuzonering staan vier vragen centraal: 1. 2. 3. 4.

Welke afstand is aanvaardbaar tussen nieuwe bedrijven en nieuwe woningen? Welke afstand is aanvaardbaar tussen nieuwe bedrijven en bestaande woningen? Welke afstand is aanvaardbaar tussen bestaande bedrijven en nieuwe woningen? Mag een concreet bedrijf zich op een bepaalde locatie vestigen?

Voor het opstellen van een milieuzonering of om te bepalen of sprake is van voldoende afstand tussen de nieuwe woningen en bestaande bedrijven hanteert de gemeente Purmerend de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009. Met behulp van de richtafstanden wordt bepaald of en welke afstand aanvaardbaar is. 5.10.2 Analyse Het onderhavige bestemmingsplan maakt de herontwikkeling mogelijk van een voormalige bedrijfslocatie naar woningen in een bestaande woonwijk. De dichtstbijzijnde bedrijfslocatie ligt op een afstand van meer dan 70 meter, aan de Hoornselaan/Wagenweg. Op basis van het geldende bestemmingsplan zijn hier bedrijven toegestaan uit ten hoogste categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten. De richtafstand voor bedrijven uit categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten bedraagt 30 meter in geval van een rustige woonwijk. Betreffende bedrijfslocatie vormt daarmee geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan. Ook vormen de nieuwe woningen geen belemmering voor bedrijven die daar gevestigd zijn. 5.10.3 Conclusie In het onderhavige bestemmingsplan speelt milieuzonering geen rol.

Bestemmingsplan "Overweerse polderdijk 4, 2022" (vastgesteld)

5.11 Natuurwaarden 5.11.1 Beleidskader In ruimtelijke plannen moet worden aangetoond dat hoe de ontwikkelingen die hierin mogelijk worden gemaakt zich verhouden met de wet- en regelgeving op het gebied van gebieds- en soortenbescherming. Wet Natuurbescherming Sinds 1 januari 2017 geldt de Wet natuurbescherming. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Daarmee zijn gebiedsbescherming en soortbescherming bij elkaar gebracht in één Nederlandse wet. Deze wet beschermt de van nature in Nederland in het wild voorkomende planten en dieren en hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen. De Wet Natuurbescherming wijkt in een aantal opzichten af van de Flora- en faunawet; de strekking is echter hetzelfde. In de wet is onder meer bepaald dat beschermde dieren niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en planten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden (algemene verbodsbepalingen). Net als in de Flora en faunawet is de Wet Natuurbescherming een zorgplicht opgenomen, een algemeen geldende fatsoensnorm voor de omgang met flora en fauna. Deze zorgplicht houdt in dat menselijk handelen zo weinig mogelijk nadelige gevolgen voor flora en fauna mag hebben.

De soortbeschermingsbepalingen uit de Europese richtlijnen Vogelrichtlijn (VR) en Habitatrichtlijn (HR) zijn in de Wet Natuurbescherming geïmplementeerd: soorten en vegetatietypen waarvoor Natura 2000-gebieden zijn aangewezen, worden beschermd onder de nieuwe Wet Natuurbescherming. Ongeveer 200 soorten verliezen hun bescherming in vergelijking met de eerder vigerende Flora-en faunawet, voornamelijk soorten vaatplanten (muurplanten, orchideeën) en (zee)vissen. De bij de Flora en faunawet gehanteerde gedragscodes blijven bestaan, zij het dat de lijsten met beschermde soorten wijzigen en aangepast moeten worden. Voor soortbescherming in relatie tot ruimtelijke ingrepen is een aantal artikelen in de nieuwe Wet Natuurbescherming van belang: Zorgbeginsel artikel 1.10 en 1.11: net als bij artikel 2 Ffwet is de intrinsieke waarde van soorten vastgesteld in een doelbepaling en geldt voor alle soorten, los van een beschermingsregime, een zorgplicht. Dit zorgbeginsel is vergelijkbaar met de zorgplicht in de Ffwet. Actieve soortbescherming, artikel 1.12: provincies moeten verplicht beleid opstellen voor de bescherming van soorten, specifiek in hun eigen provincie. Dit beleid is nog in ontwikkeling en de inhoud is nog niet bekend. In de Wet Natuurbescherming worden drie beschermingsregimes onderscheiden: 1.

Soorten van Vogelrichtlijn: Bescherming van alle in het wild levende volgens in de EU, beschreven in artikel 3.1-3.4 van de Wet Natuurbescherming. Dit beleid verandert deels t.o.v. de Ffwet. Hieronder valt ook het begrip "opzettelijk" is bij doden, vangen en verstoring van nesten etc. opgenomen. Hieronder valt ook het begrip voorwaardelijk opzet". De grote verandering is dat verstoring onder de nieuwe wet is toegestaan, mits de staat van instandhouding van de soort maar niet in het geding komt. Degene die de verstoring begaat, moet dan aantonen dat er geen verstoring van wezenlijke invloed is. Verstoren van broedende vogels (op nest) en eieren blijft verboden. De provincie kan hiervoor vrijstellingen maken en ontheffingen verlenen. 2. Soorten van Habitatrichtlijn: Bescherming van dier- en plantensoorten in artikel 3.5-3.9: 38

A. die strikt beschermd zijn op grond van Habitatrichtlijn bijlage IV, Verdrag van Bern, bijlage I en II, Verdrag van Bonn bijlage I. In het geval van ontheffing of vrijstelling moet aan drie voorwaarden voldaan worden: dat er geen andere bevredigde oplossing bestaat, de handeling noodzakelijk is (diverse redenen mogelijk, waaronder die van groot openbaar belang met redenen van sociale en economische aard) en tot slot alleen wanneer er geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort in haar natuurlijke verspreidingsgebied. B. die streng beschermd zijn op grond van Habitatrichtlijn bijlage V, Verdrag van Bern bijlage III, Verdrag van Bonn bijlage II. Hiervoor moeten maatregelen worden getroffen indien de gunstige staat van instandhouding in het geding is. In geval van ontheffing of vrijstelling moet alleen voldaan worden aan de eis dat de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt. Hiervoor zijn maatregelen verplicht. Ook hier is het opzetvereiste van toepassing, maar in tegenstelling tot vogels is er geen uitzondering dat 'verstoring toegestaan is zolang het niet van wezenlijke invloed is'. Via een AMvB kunnen nadere regels gesteld worden. De provincie kan vrijstellingen maken en ontheffingen verlenen, met in achtneming van de belangen.

3 Andere soorten: Dit zijn de in de bijlage van artikel 3.10 van Wet Natuurbescherming genoemde soorten. In deze bijlage staan zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Onderdeel A bevat de fauna en onderdeel B de flora. Deze lijst is een nationale toevoeging en betreft soorten die in principe een landelijke achteruitgang kennen. In praktijk is deze bescherming lichter en verwacht wordt dat ontheffingen vrij gemakkelijk verkregen kunnen worden, aangezien er niet de zwaardere belangen gelden voor de soorten van de Europese richtlijnen. Ruimtelijke ontwikkeling is een geldig belang voor een ontheffing (artikel 3.10.2 onderdeel a). Opzettelijk verstoren in algemene zin, wordt voor deze groep niet genoemd als verbod. De provincies kunnen voor deze lijst vrijstellingsbesluiten maken. Op dit moment staan ook zeer algemene soorten op deze lijst; mogelijk zal er een vrijstellingsbesluit of AMvB opgesteld worden hoe hier mee om te gaan. De provincie Noord-Holland heeft nog geen lijst met vrijstellingsbesluiten gemaakt. Bijzonder Provinciaal Landschap De Omgevingsverordening van de provincie Noord-Holland bepaalt dat een bestemmingsplan voor een gebied dat is aangeduid als natuurnetwerk Nederland, strekt tot de bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden.

In Purmerend zijn alleen enkele delen van het Purmerbos en een stuk agrarische grond tegen Ilpendam aan, als deel van het NNN aangemerkt. Ook ligt er langs de ringvaart van de Wijde Wormer, waar Weidevenne aan grenst, een dergelijk gebied. Het onderhavige project tast deze waarden niet aan. 5.11.2 Analyse Gemeentebreed is in 2014, 2017 en 2020 gebiedsgericht onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna. Deze gegevens worden beschikbaar gesteld via de online applicatie FloraFaunaCheck.nl. Op 2 november 2021 is met behulp van deze applicatie gekeken of de gewenste ontwikkeling gevolgen heeft voor beschermde planten- en diersoorten. Via deze app komen vanuit de gebiedsgerichte onderzoeksmethode geen data over beschermde soorten op de locatie naar voren. Projectmatig (veld)onderzoek laat zien dat er vleermuizen aanwezig zijn binnen het plangebied en een ontheffing van de Wet natuurbescherming aangevraagd dient te worden. Volgens protoculair vastgestelde methoden wordt het volledige vleermuisonderzoek uitgevoerd in 2022 voor het verzamelen van de data. Op basis hiervan zal een mitigatieplan worden opgezet ter bescherming van de vleermuizen. Tijdens de werkzaamheden zal worden gewerkt volgens een vast werkprotocol. Het onderzoek, het mitigatie en het werkprotocol zullen worden opgenomen bij de aanvraag van de ontheffing van de Wet natuurbescherming.

In Nederland zijn 161 Natura 2000-gebieden aangewezen. Dit zijn gebieden met een Europese

Bestemmingsplan "Overweerse polderdijk 4, 2022" (vastgesteld)

beschermingsstatus. Veel van die gebieden zijn gevoelig voor stikstofdepositie. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft ‘Polder Zeevang’ dat op circa 2,5 kilometer ten noordoosten van het projectgebied ligt. Andere Natura 2000-gebieden op minder dan 10 km afstand zijn het ‘Wormeren Jisperveld & Kalverpolder’ (ca. 3,8 km), ‘Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske’ (ca. 4,6 km), ‘Markermeer & IJmeer’ (ca. 7,8 km) en de ‘Eilandspolder’ (ca. 8,3 km). Op de navolgende kaart is de ligging van het plangebied ten opzichte van de Natura 2000-gebieden weergegeven:

Ligging projectgebied ten opzichte van Natura 2000 gebieden Door Buro Ontwerp en Omgeving is een effectbeoordeling stikstofdepositie (zie bijlage 6) gedaan. Uit de uitgevoerde effectbeoordeling blijkt dat de voorgenomen bouw van twee vrijstaande villawoningen niet leidt tot een stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jr op stikstofgevoelige habitattypen van Natura 2000-gebieden. Met betrekking tot stikstofdepositie kan worden opgemerkt dat er geen vergunning van de Wet natuurbescherming nodig is om de ontwikkeling mogelijk te maken. 5.11.3 Conclusie Vanuit de data verkregen uit het protoculair onderzoek naar vleermuizen, dat momenteel wordt uitgevoerd, zal een mitigatieplan worden opgezet ter bescherming van de vleermuizen. Tijdens de werkzaamheden zal gewerkt worden volgens een vastgesteld werkprotocol. Het onderzoek, het mitigatieplan en het werkprotocol zullen worden opgenomen bij de aanvraag van de ontheffing van de Wet natuurbescherming. Er is geen reden om aan te nemen dat deze ontheffing na het nemen van maatregelen niet kan worden verleend. Het project heeft geen invloed op de in de nabijheid van Purmerend gelegen Natura 2000-gebieden.

40

5.12 Planologisch relevante leidingen 5.12.1 Beleidskader Voor ruimtelijke plannen in de omgeving van hogedrukaardgasleidingen en leidingen voor aardolieproducten met een externe veiligheidscontour is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing. Op grond van dit besluit dienen plannen te worden getoetst aan de grensen richtwaarde voor het plaatsgebonden risico (PR) en de oriënterende waarde voor het groepsrisico (GR). 5.12.2 Analyse Binnen het plangebied liggen geen planologisch relevante leidingen. Ook in de nabijheid van het plangebied is geen sprake van leidingen die van invloed kunnen zijn op het project. 5.12.3 Conclusie De wetgeving inzake planologisch relevante leidingen levert geen belemmering op voor het onderhavige bestemmingsplan .

5.13 Verkeer en parkeren 5.13.1 Beleidskader Het onderhavige ruimtelijke plan heeft invloed op het omliggende wegennetwerk. Het plan genereert verkeer en bovendien zijn er parkeerplaatsen voor woningen noodzakelijk. Het onderhavige plan mag als gevolg van deze invloed het omliggende wegennetwerk niet onevenredig nadelig beïnvloeden. Bovendien dient te worden voldaan aan de parkeernormering. 5.13.2 Analyse Verkeersgeneratie In het onderhavige plan worden 2 woningen toegevoegd ter vervanging van bestaande bedrijfsbebouwing. Voor de berekening van de toekomstige verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de CROW publicatie 381 “Toekomstbestendig parkeren' (december 2018). Voor het bepalen van de verkeersgeneratie moet rekening gehouden worden met de 1) de stedelijkheidsgraad van een gemeente en 2) in welk gebied het bouwplan gerealiseerd wordt. De gemeente Purmerend is een 'sterk stedelijke' gemeente en het plangebied is gelegen in 'de schil'. De woningen vallen in de categorie 'koop, vrije sector'. Hiervoor geldt een kencijfer van minimaal 7,3 tot maximaal 8,1 motorvoertuig bewegingen per woning. Op basis hiervan zal het plan dan ook gemiddeld 16 motorvoertuigbewegingen per etmaal genereren.

Voor het bedrijfsmatige gebruik volgens de huidige planologische toegestane situatie geldt een kengetal van minimaal 3,0 tot maximaal 4,7 motorvoertuig bewegingen per 100 m2 bvo (bedrijf, arbeidsextensief/bezoekersextensief). Aangezien het huidige gebouw een bvo heeft van 220 m2 is er in de huidige situatie sprake van gemiddeld 8 motorvoertuigen per etmaal. Een toename van 8 motorvoertuigbewegingen per etmaal is beperkt en heeft geen relevante gevolgen voor de verkeersafwikkeling. Het verkeer van en naar de twee woningen zal, net als in de huidige situatie worden afgewikkeld via de Overweerse polderdijk - Hoornselaan.

Bestemmingsplan "Overweerse polderdijk 4, 2022" (vastgesteld)

Parkeerbehoefte De parkeerbehoefte van het onderhavige plan wordt berekend aan de hand van de Nota Parkeernormen 2016, vastgesteld op 26 mei 2016. Op basis hiervan wordt een parkeertoets doorlopen die moet vaststellen hoeveel parkeerplekken er nodig zijn ten behoeve van de nieuwe ontwikkeling. Het plangebied bevindt zich in de 'schil'. De nieuwe woningen vallen onder de categorie 'woning > 150 m² niet gestapeld > 120 m² gestapeld'. Hiervoor geldt een parkeernorm van 1,6 parkeerplaatsen per woning. Bij 2 nieuwe woningen resulteert dat in 4 nieuwe parkeerplaatsen die nodig zijn ten behoeve van de nieuwe ontwikkeling. Omdat het parkeren geheel op eigen terrein afgewikkeld moet worden is er geen mogelijkheid voor dubbelgebruik. In het plangebied is voldoende ruimte om de 4 benodigde parkeerplaatsen op eigen terrein te realiseren. 5.13.3 Conclusie Een toename van 8 motorvoertuigbewegingen per etmaal is beperkt en zal, net als in de huidige situatie, worden afgewikkeld via de Overweerse polderdijk - Hoornselaan. Deze bestaande wegen hebben voldoende capaciteit om het extra verkeer zonder problemen te kunnen afwikkelen. Het aspect verkeersgeneratie vormt derhalve geen belemmering. Per woning is een parkeerbehoefte van 2 parkeerplaatsen. Dit kan en zal geheel op eigen terrein worden opgelost. Parkeren vormt geen belemmering voor deze ontwikkeling.

5.14 Water 5.14.1 Beleidskader Nota Waterbeleid 21e eeuw Op basis van beleid dat voortkomt uit de nota 'Waterbeleid 21e eeuw' is een watertoetsproces ingesteld bij de ruimtelijke planvorming. Het watertoetsproces heeft tot doel om elkaar vroegtijdig te informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van het belang van water en dit in ruimtelijke plannen gestalte te geven. Een watertoetsproces leidt onder andere tot een waterparagraaf in het plan. De diepgang van de watertoets en de inhoud van de waterparagraaf kan verschillen naar de aard van de planvorming. De watertoets moet er voor gaan zorgen dat er bij de inrichting van ons land bewust rekening wordt gehouden met water. De waterbeheerder en initiatiefnemer nemen daarvoor samen de waterhuishoudkundige doelstellingen zichtbaar en evenwichtig mee bij alle ruimtelijke plannen of ingrepen. Naast de in de toelichting genoemde Watertoets is er in de Nota 'Waterbeleid 21e eeuw' (Commissie Tielrooij, 2000) het principe van 'Vasthouden - Bergen - Afvoeren' als ordeningsprincipes geïntroduceerd. Dit is bedoeld om het watersysteem op een duurzame en robuuste manier in te richten, teneinde de burgers een prettige en veilige leefomgeving te bieden.

Nationale Waterplan 2016-2021 In het Nationale Waterplan staan vijf ambities centraal. Nederland moet de veiligste delta in de wereld blijven. Deze ambitie wordt vooral ingevuld door onze veiligheidsnormen tegen overstroming te vernieuwen. Het kabinet kiest voor een grotere inzet op verbetering van de waterkwaliteit (meststoffen, bestrijdingsmiddelen, medicijnresten, microplastics). Dit zorgt er voor dat de Nederlandse wateren schoon en gezond zijn en er genoeg zoet water is. Verder wil het kabinet dat Nederland klimaatbestendig en waterrobuust wordt ingericht, dat Nederland een 42

gidsland is en blijft voor watermanagement en -innovaties. Dat is gunstig voor onze economie en ons verdienvermogen. Tot slot wil het kabinet dat Nederlanders waterbewust leven. Deze ambities moeten gezamenlijk ingevuld worden door iedereen die werkt aan de ruimtelijke inrichting van Nederland: alle overheden, bedrijven, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen. Water en ruimtelijke ordening zijn dus steeds meer met elkaar verweven. In het verleden werd water vooral geplooid naar de wensen van inrichters en gebruikers. Steeds vaker verschijnt waterproblematiek in de actualiteit. De hoogwatersituaties van de afgelopen jaren, maar ook verdrogingsverschijnselen, hebben aangetoond dat water een belangrijk aspect is bij ruimtelijke ordening. Daarom moet men water beter inbedden in ruimtelijke plannen. Ook vraagt klimaatverandering om ruimtelijke aanpassingen. Denk hierbij aan zeespiegelstijging, hogere afvoeren van rivieren en hevige regenbuien en perioden van droogte. Het wateraspect moet men zo vroeg mogelijk betrekken bij ruimtelijke planvorming. In structuurvisies en bestemmingsplannen staat de wettelijke verplichting om de gevolgen voor water af te wegen via de watertoets. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moeten planners rekening houden met waterhuishoudkundige eisen op korte en lange termijn.

Het proces van de watertoets voorziet erin dat rekening wordt gehouden met de eisen zoals die vanuit het waterbeheer worden gesteld. Dit is niet alleen van belang voor een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem. Het is ook belangrijk om zoveel mogelijk te voorkomen dat er problemen met water ontstaan nadat men heeft gebouwd. Tenslotte moet men in de waterparagraaf van zowel structuurvisies, bestemmingsplannen en ruimtelijke onderbouwingen verantwoorden hoe het plan rekening houdt met: waterkwantiteit, waterkwaliteit, oppervlaktewater, grondwater, afvalwater en de landschappelijke aspecten van water. Beleid Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn (Waterprogramma 2016-2021) opgesteld. In het Waterprogramma 2016-2021 (voorheen waterbeheersplan) zijn de programma's en beheerstaken van het hoogheemraadschap opgenomen met de programmering en uitvoering van het waterbeheer. Het programma is nodig om het beheersgebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema's waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk.

Bij de ontwikkeling van het Waterprogramma is hieraan invulling gegeven door middel van een partnerproces en de ontwikkeling van gezamenlijke bouwstenen. Daarnaast beschikt het Hoogheemraadschap over een verordening: de Keur 2016. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. 5.14.2 Analyse In het kader van dit bestemmingsplan is overleg opgestart met het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier door middel van het digitaal watertoetsformulier (zie bijlage 8). Het project is aangemeld op 14 oktober 2021 (PRS nummer 2372). Omdat er binnen of rondom het plangebied mogelijk sprake is van (grond)wateroverlast zal er nader overleg plaatsvinden.

Het plangebied is gelegen in peilgebied 5742-1 in polder Overweere. Het ter plaatse geldende streefpeil is NAP -1,81 meter. Het gebied watert af middels een stelsel van secundaire en primaire waterlopen. Bij gemaal Overwhere wordt het uitgeslagen op de Schermerboezem. Het plangebied ligt gedeeltelijk binnen de beschermingszone B van een regionale waterkering. De te ontwikkeling locatie is geen probleem voor de waterveiligheid, mits er geen kelders worden

Bestemmingsplan "Overweerse polderdijk 4, 2022" (vastgesteld)

geplaatst. In het plangebied kan bij hevige regenval sprake zijn van (grond)wateroverlast, waarbij water op het maaiveld blijft staan. Het maaiveld rondom de huidige woning ligt ook lager om de omgeving. (Grond)wateroverlast is een subjectief begrip. Als de initiatiefnemer in of rond het plangebied echter overlast ervaart, wil het hoogheemraadschap met haar kennis graag helpen die overlast inzichtelijk te maken, te verminderen of op te lossen. Ruimtelijk adaptief bouwen of maatregelen ter voorkoming van grondwateroverlast zijn wellicht noodzakelijk om toekomstige overlast te voorkomen. Daarnaast moet de gehele inrichting moet klimaatbestendig zijn (zo min mogelijk verharding, gevel- en dakbegroeiing, waterretentie, etc.). Indien er meer dan 800 m2 extra verharding wordt ontwikkeld op de locatie zal 10% van het geheel gecompenseerd moeten worden. Er wordt met de ontwikkeling op de Overweerse polderdijk ca. 400 m2 verharding voor verkeer, gebouw en ondergrondse containers gepland. Op dit moment meet het bestaande gebouw en de aanwezige verharding ca. 758 m2. Er wordt dus 358 m2 minder bebouwing en verharding gerealiseerd dan nu het geval is, waardoor compensatie niet nodig is. 5.14.3 Conclusie Voor het project is een digitale watertoets doorlopen. Daaruit blijkt dat het project geen nadelige gevolgen heeft voor de waterhuishouding.

Wel kan bij hevige regenval water op het maaiveld blijven staan. Als overlast wordt ervaren kan het hoogheemraadschap helpen om de overlast inzichtelijk te maken en te verminderen of op te lossen.

5.15 Milieu-effectrapportage 5.15.1 Beleidskader Voor bepaalde grootschalige ontwikkelingen op het gebied van woningen, bedrijvigheid en infrastructuur dient op grond van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 een milieu-effectrapportage (mer) opgesteld te worden. Hierin moet worden aangegeven wat de gevolgen zijn van de ontwikkelingen voor het milieu. In het Besluit mer is aangegeven in welke gevallen er onderzoek gedaan moet worden. Afhankelijk van de grootte van het project zijn er drie mogelijkheden: 1. bij een project dat voorkomt in onderdeel C van de bijlage van het Besluit mer en boven de daar genoemde drempelwaarden uitkomt, geldt een directe mer-plicht. In dat geval dient een mer opgesteld te worden. Dit geldt ook voor een project die onder de drempelwaarden genoemd in onderdeel C blijft, maar boven de drempelwaarden die in onderdeel D gegeven worden ligt en waarvoor een (kaderstellend) bestemmingsplan opgesteld wordt. 2. indien er geen directe mer-plicht geldt, kan er wel een vormvrije mer-beoordelingsplicht gelden. Dit geldt voor projecten die in onderdeel D genoemd worden en niet boven onder de drempelwaarde uitkomen. Hierbij moet worden onderzocht of er sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Er gelden geen vormvereisten, maar wel inhoudelijke vereisten: de criteria uit bijlage III van de Europese richtlijn moeten in acht worden genomen.

Als de uitkomst is dat het uitgesloten is dat er belangrijke gevolgen voor het milieu zijn, dan dit moet in de toelichting van het bestemmingsplan worden gemotiveerd. Zijn belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu niet uitgesloten, dan geldt een mer -plicht. Van een directe mer-plicht zal in Purmerend vrijwel nooit sprake zijn. Van een mer -beoordelingsplicht kan sprake zijn bij een stedelijk ontwikkelingsproject, oftewel de bouw van woningen, kantoorgebouwen of andere stedelijke voorzieningen. Hier moet worden beoordeeld of 44

er belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen optreden. Hoe verder het project van de drempelwaarde af ligt, hoe kleiner de nadelen voor het milieu zullen zijn. 5.15.2 Analyse De voorgenomen activiteit is niet opgenomen in onderdeel C van het Besluit mer en is daarom niet aan te merken als een activiteit waarvoor een directe m.e.r.-plicht bestaat. Het is wel opgenomen in onderdeel D (categorie D.11.2) van bijlage II van het Besluit mer De activiteit betreft een stedelijk ontwikkelingsproject, maar het valt ver onder de drempelwaarden die hier genoemd worden.

D.11.2

Activiteiten Gevallen De aanleg, wijziging In gevallen waarin de activiteit betrekking of uitbreiding van heeft op: een stedelijk 1: een oppervlakte van 100 hectare of ontwikkelingsprojec meer, t, met inbegrip van 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of de bouw van meer woningen omvat, of winkelcentra of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van parkeerterreinen. 200.000 m2 of meer.

Besluit De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening --> het bestemmingsplan

Dit betekent dat kan worden volstaan met een vormvrije mer-beoordeling. 5.15.3 Conclusie Uit de effecten die zijn beschreven in voorgaande paragrafen kan worden geconcludeerd dat als gevolg van onderhavige ontwikkeling, bestaande uit herontwikkeling van een voormalige bedrijfslocatie ten behoeve van 2 vrijstaande woningen, er geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De toevoeging van twee vrijstaande woningen is ruimtelijk gezien passend in de omgeving, aangezien het een woonbuurt betreft. Geconcludeerd wordt dat er geen MER noodzakelijk is.

Bestemmingsplan "Overweerse polderdijk 4, 2022" (vastgesteld)

Hoofdstuk 6

Uitvoerbaarheid

De gemeente mag op basis van de Wet ruimtelijke ordening alleen meewerken aan planontwikkelingen die haalbaar en uitvoerbaar zijn. Ingevolge artikel 3.1.6 Bro dient de toelichting van een bestemmingsplan inzichten te bevatten over de uitvoerbaarheid van een plan.

6.1

Privaatrechtelijke uitvoerbaarheid

De gronden zijn eigendom van de gemeente en zullen uiteindelijk via een tender op de markt worden gebracht. Op dit moment heeft een van de buren een recht van overpad, en huurt een andere buur grond aan de oostzijde van het perceel. Aangezien er met de gebruiker van het recht van overpad verschil van inzicht bestond over de reikwijdte van het recht van overpad, is de zaak voorgelegd aan de rechter. In het vonnis van 20 april jl., waartegen geen beroep is aangetekend, is vastgesteld dat het recht van overpad beperkt mag worden tot een strook met een breedte variërend van 3,85 m tot 4,00 m langs de erfgrens met het buurperceel tot de voorkant van de schuur die in de achtertuin van dit buurperceel ligt. Naar aanleiding van het vonnis is de bestemming aangepast. Het bestemmingsplan vormt geen belemmering.

6.2

Economische uitvoerbaarheid

De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw daarvan planologisch mogelijk wordt gemaakt in een bestemmingsplan, een wijziging van een bestemmingsplan of een projectafwijkingsbesluit. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is en er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd én geen locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningbouwcategorieën) hoeven te worden vastgesteld. De grond is in eigendom van de gemeente. Voor de ontwikkeling heeft de gemeente een grondexploitatie opgesteld. In een grondexploitatie zijn alle aan het project verbonden kosten en opbrengsten opgenomen. Het kostenverhaal, waaronder ook de plankosten voor de bestemmingsplanwijziging, wordt gedekt door de opbrengsten uit de grondverkoop. Hierdoor kan gesteld worden dat het kostenverhaal anderszins verzekerd is. Een exploitatieplan is derhalve niet nodig. De vastgoedontwikkeling zal aanvangen nadat de gronden zijn verkocht en geleverd aan de koper.

6.3

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.3.1 Algemeen In deze paragraaf wordt ingegaan op het draagvlak dat in de maatschappij en bij andere (overheids-) instanties leeft voor de ontwikkeling. Het moet aannemelijk zijn dat er voldoende draagvlak is, waarbij opgemerkt wordt dat het is niet mogelijk is iedereen tevreden te stemmen. Bij het tegen elkaar afwegen van de diverse belangen kan het altijd mogelijk zijn dat één belang minder gewicht wordt toegekend dan het ander.

46

6.3.2 Communicatie Mede gezien de kleinschalige omvang van de ontwikkeling zijn met alle direct omwonenden gesprekken gevoerd over de plannen. Er hebben zowel plenaire als 1-op-1 gesprekken plaatsgevonden. Alle omwonenden met wie gesproken is, hebben daarbij hun voorkeur uitgesproken voor twee vrijstaande woningen in plaats van 2-onder-1-kap woningen. Omwonenden gaven verder aan dat zij hun privacy belangrijk vinden. Dit hebben zij tevens bevestigd per email. Bewoners blijven geïnformeerd over het vervolgtraject. 6.3.3 Overleg ingevolge artikel 3.1.1 Bro Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat een bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een ruimtelijk plan, daarbij overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van Rijk en provincie die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Artikel 3.1.6 Bro bepaalt daarnaast dat in de toelichting de uitkomsten van dit overleg worden beschreven. In het kader van het vooroverleg heeft er overleg plaatsgevonden met het hoogheemraadschap (zie hoofdstuk 5.14). Het overleg heeft niet geleid tot een aanpassing van het bestemmingsplan.

6.3.4 Inspraak ingevolge Algemene inspraakverordening gemeente Purmerend De Algemene Inspraakverordening van de gemeente Purmerend bepaalt dat elk bestuursorgaan ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden kan besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. In het onderhavige geval heeft voorafgaand aan het bestemmingsplan uitgebreid participatie plaatsgevonden. uit het participatietraject zijn een aantal dingen naar voren gekomen: voorkeur voor twee vrijstaande woningen in plaats van 2-onder-1-kap woningen, zelfde bouwstijl als omgeving en woningen met een plat dak. Verder gaven zij aan veel belang te hechten aan privacy. 6.3.5 Overleg ingevolge artikel 3.8 Wro Artikel 3:8 Wro bepaalt dat op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is. Deze afdeling bevat bepalingen rond de Uniforme openbare voorbereidingsprocedure. Het ontwerp van dit bestemmingsplan ter inzage gelegen van 17 januari tot en met 28 februari 2022. De kennisgeving is in het Gemeenteblad van 13 januari 2022 geplaatst. Naar aanleiding van de terinzagelegging zijn drie zienswijzen kenbaar gemaakt. In de nota van zienswijzen, behorende bij het raadsbesluit, wordt op deze zienswijzen ingegaan. Deze hebben geleid tot de volgende aanpassing van het bestemmingsplan: Regels De bestemming Verkeer - 2 is omgezet naar Verkeer - 3.

De gronden met de bestemming Verkeer 3 zijn aangewezen voor wegen met een functie voor verplaatsing en gebruik ten dienste van de aangrenzende bestemmingen en bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen en nutsvoorzieningen. Vanwege de bereikbaarheid mogen er geen bouwwerken worden opgericht en is parkeren niet toegestaan.

Bestemmingsplan "Overweerse polderdijk 4, 2022" (vastgesteld)

Hoofdstuk 7

Juridische planbeschrijving

Dit hoofdstuk bevat de toelichting op de gekozen planvorm, die van een gedetailleerd bestemmingsplan met enige mate van flexibiliteit. Tevens geeft het inzicht in de overwegingen die aan de juridische regeling ten grondslag hebben gelegen.

7.1

Planvorm

Het onderhavige plan voorziet in een actueel en adequaat juridisch kader voor ontwikkeling en beheer van het plangebied. Het is een plan op basis van artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening, opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012).

Omdat de plannen voor deze locatie zeer concreet zijn, is gekozen voor een gedetailleerde planvorm. Deze planvorm maakt het mogelijk alle gewenste functies in het plangebied te voorzien van een duidelijke bestemmingsregeling waarmee kaders geboden worden voor de gewenste ontwikkeling. Daarnaast is er een zekere mate van flexibiliteit, door binnen de bestemmingen verschillende functies mogelijk te maken. Op de verbeelding zijn alle functies zodanig bestemd, dat het direct mogelijk is om met het bijbehorende renvooi (verklaring van de bestemmingen) te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied gegeven zijn. Uitgangspunt daarbij is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie geeft omtrent de in acht te nemen maten. In de bijbehorende regels zijn de bestemmingsomschrijving, de bouwregels en de gebruiksbepalingen alsmede de eventuele afwijkingsmogelijkheden te vinden. Voor een goede ruimtelijke ordening is het noodzakelijk dat de in het bestemmingsplan gestelde regels zodanig zijn opgesteld dat deze (goed) te handhaven zijn. Het gemeentebestuur is van oordeel dat de regels in het onderhavige plan voldoen aan deze eis.

7.2

Bestemmingsregeling

Dit bestemmingsplan geeft de kaders voor de transformatie van een voormalige bedrijfslocatie naar 2 grondgebonden vrijstaande woningen. Verder is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de regels die van toepassing zijn op de omliggende gronden. Een aantal regelingen is hieronder toegelicht. Bestemmingsregels Artikel 3 Tuin - 1 De bestemming Tuin - 1 is toegepast voor de bij woningen behorende gronden die als tuin zullen worden gebruikt en waarop alleen vergunningsvrije bebouwing als bedoeld in bijlage II van het Besluit omgevingsrecht is toegestaan. Daarnaast mag de tuin gebruikt worden als parkeergelegenheid ten behoeve van de bij de tuinen behorende woningen. Artikel 4 Verkeer - 3 In dit bestemmingsplan is de bestemming Verkeer - 2 opgenomen voor de toegangsweg die de woningen zal ontsluiten en voor een klein deel van het plangebied dat buiten de uit te geven woonkavels valt. Dit deel heeft in het geldende bestemmingsplan een bedrijfsbestemming. Om te voorkomen dat er straks een kleine snipper bedrijfsbestemming resteert is dit deel meegenomen in het voorliggende bestemmingsplan en als Verkeer - 2 bestemd. Om de bereikbaarheid van de percelen te borgen, is parkeren niet toegestaan. Artikel 5 Wonen 48

De gronden met de bestemming Wonen zijn bestemd voor de bewoning door personen en de daarbij behorende voorzieningen, zoals parkeerplaatsen, tuinen en erven en de daarin geplaatste erfbebouwing (schuren, carports, garages, bergingen etc.), erf- en terreinafscheidingen, tuinmeubilair, speeltoestellen, water en nutsvoorzieningen. Aan-huis-verbonden beroepen, (kleinschalige) bedrijvigheid, kamerverhuur, vakantieverhuur en bed & breakfast zijn toegestaan, zolang de woonfunctie in overwegende mate aanwezig blijft en er geen hinder voor de omgeving optreedt. In het bouwvlak zijn het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken toegestaan, daarbuiten zijn alleen bijbehorende bouwwerken toegestaan. Voor wat betreft deze laatste categorie is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de regeling in het Besluit omgevingsrecht (Bor) voor vergunningvrije bouwwerken. De maximale bouwhoogte van erfafscheidingen vóór de voorgevel is, overeenkomstig het Besluit omgevingsrecht, 1 m. Algemene regels Artikel 6 Anti-dubbeltelregel Het doel van deze bepaling is te voorkomen dat grond die al in aanmerking is genomen of betrokken is bij het verlenen van een vergunning niet nog een keer wordt betrokken bij een aanvraag om omgevingsvergunning. Hierdoor wordt voorkomen dat met gebruikmaking van privaatrechtelijke overeenkomsten, de publiekrechtelijke regels worden ondergraven.

Artikel 7 Algemene bouwregels In dit artikel worden regels gegeven voor bouwwerken die op twee of meer bestemmingen van toepassing zijn. Artikel 8 Algemene gebruiksregels In de algemene gebruiksbepaling is opgenomen wat onder verboden gebruik van de gronden wordt verstaan. Bij het bouwen of aanleggen van een nieuwe functie of voorziening moet in principe op eigen terrein gezorgd worden voor voldoende parkeerplaatsen. Hiervoor wordt verwezen naar de in mei 2016 vastgestelde Nota Parkeernormen gemeente Purmerend 2016. Artikel 9 Algemene afwijkingsregels Dit artikel geeft een regeling voor het geval dit voor een betere technische realisering van bouwwerken dan wel in verband met de werkelijke toestand van het terrein noodzakelijk is. Deze afwijkingsregel dient bij uitzondering te worden toegepast. De noodzaak om van de bestemmingsregeling af te wijken dient te worden aangetoond. Artikel 10 Overgangsrecht Dit artikel betreft het overgangsrecht met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit in werking treedt. Dit gebruik mag worden voortgezet. Wijziging van het afwijkend gebruik is slechts toegestaan indien de afwijking hierdoor wordt verkleind. Daarnaast zijn overgangsregels opgenomen ten aanzien van het bouwen.

Een bouwwerk dat afwijkt van de bouwregels van het bestemmingsplan op het moment dat dit in werking treedt, mag gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, of na een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd. De afwijking mag daarbij naar aard en omvang niet worden vergroot. Daarvan mag eenmalig worden afgeweken tot maximaal 10% van de inhoud van het bouwwerk. Het overgangsrecht is niet van toepassing op bouwwerken die reeds in strijd waren met het voorgaande geldende bestemmingsplan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11854704/1