CConstaterende datPurmerend
Koppel je AI →
Document · PDF

F bijlage-vleermuizenonderzoek-lichtmasten-vv-zob

Gemeenteraad 15 september 2022, gemeente PurmerendBij agendapunt: Verklaring van geen bezwaar voor het plaatsen van lichtmasten bij voetbalvereniging ZOB, Zuidoostbeemster1.789 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

3.3 Volledigheid inventarisatie De onderzoeksinspanning in het vleermuisprotocol is bedoeld voor “kleinere” projecten (niet meer dan één of enkele gebouwen), waarbij slechts een beperkt deel van de populatie en de functies van een gebied wordt onderzocht. Met een gebiedsbrede inventarisatie wordt een veel completer beeld verkregen van een groter gebied met de belangrijke functies voor vleermuizen. De grootte van de deelgebieden binnen dit onderzoek wijkt af van de richtlijnen in het Vleermuisprotocol 2017 en het Vleermuisprotocol 2021. Om dit te ondervangen zijn de inventarisaties op de fiets uitgevoerd en is de onderzoeksinspanning tijdens het kraamseizoen hoger dan de richtlijn van het vleermuisprotocol. Tijdens het kraamseizoen zijn de deelgebieden twee hele nachten geïnventariseerd, in plaats van twee avondrondes en een ochtendronde. De onderzoeksinspanning die Regelink Ecologie & Landschap inzet is naar onze mening zowel ecologisch als praktisch de beste optie.

Met deze inspanning wordt invulling gegeven aan de inzet die volgens artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming nodig is: ‘…Eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt in het wild levende dieren…’ Het Vleermuisvakberaad van het Netwerk Groene Bureaus, waar ook Regelink Ecologie & Landschap aan deelneemt, ontwikkelt momenteel een richtlijn voor gebiedsbrede inventarisaties (mede op initiatief van Regelink Ecologie & Landschap). Vooruitlopend op deze nieuwe richtlijn hebben wij positieve feedback ontvangen op deze aanpak van bevoegde gezagen in de provincies Limburg, Noord-Holland, ZuidHolland, Noord-Brabant, Gelderland en Utrecht. Op basis van de informatie die met het gebiedsbrede onderzoek is verzameld, en in combinatie met maatregelen als het op aangepaste wijze uitvoeren van ingrepen en het realiseren van vervangende verblijfplaatsen, kunnen negatieve effecten op de soorten voorkomen worden. Inventarisaties zijn een steekproef gebaseerd op momentopnames, waardoor het niet is uit te sluiten dat soorten en functies die niet waargenomen zijn op een ander tijdstip wel aanwezig zijn. Dit is acceptabel omdat de Wet natuurbescherming een initiatiefnemer vraagt te doen wat redelijkerwijs van hem verwacht kan worden.

Met de gekozen methoden en inspanning is voldoende invulling gegeven aan artikel 1.11 (zorgplicht) van de Wet natuurbescherming. Wat betreft het onderhavige onderzoek heeft de initiatiefnemer gedaan wat redelijkerwijs van hem verwacht kan worden.

Onderzoek vleermuizen Purmerenderweg 55, Zuidoostbeemster

RA21396-01

8

Bijlage 1.

Wet natuurbescherming

Algemeen Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet is de Nederlandse implementatie van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn, aangevuld met nationale bepalingen. De Wet natuurbescherming vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De Wet natuurbescherming kent drie pijlers, namelijk: •

bescherming van Natura 2000-gebieden,

•

bescherming van soorten,

•

bescherming van houtopstanden.

Daarnaast is er een belangrijke plaats ingeruimd voor de zorgplicht (artikel 1.11). Vanuit deze zorgplicht moeten handelingen achterwege blijven waarvan men kan vermoeden zij nadelige gevolgen kunnen hebben voor beschermde gebieden of soorten. In dit hoofdstuk volgt een eenvoudige weergave van de essentie van de Wet natuurbescherming, voor zover deze betrekking heeft op ruimtelijke ontwikkelingen en festiviteiten. Verbodsartikelen worden voor de leesbaarheid vereenvoudigd weergegeven. Raadpleeg voor de exacte formulering de wetstekst (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2016-34.html).

Bescherming Natura 2000-gebieden Vanuit de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn hebben de lidstaten de verplichting om speciale beschermingszones aan te wijzen. Deze speciale beschermingszones heten Natura 2000-gebieden. Elk Natura 2000-gebied heeft instandhoudingsdoelstellingen ten aanzien van: •

leefgebieden voor vogelsoorten, voor zover nodig voor de uitvoering van de Vogelrichtlijn, en/of

•

natuurlijke habitats en de habitats van soorten, voor zover nodig voor de uitvoering van de

Habitatrichtlijn. Verboden (volgens artikel 2.7, lid 2) is elke activiteit (in de wet: project of handeling) zowel binnen als buiten een Natura 2000-gebied die, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen: •

de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren

of, •

een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen.

De activiteit kan alleen doorgang vinden als Gedeputeerde Staten van de provincie waarin de activiteit plaatsvindt een vergunning verlenen. Voor diverse werkzaamheden in nationaal belang (zoals werkzaamheden rond de hoofdspoorwegen) is de minister van Economische Zaken bevoegd gezag.

Bescherming van soorten De Wet natuurbescherming kent drie beschermingsregimes: 1.

beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn,

2.

beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn,

3.

beschermingsregime andere soorten.

1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Onder het beschermingsregime Vogelrichtlijn vallen alle van nature in Nederland in het wild levende vogels. Op basis van artikel 3.1 is het verboden om: Onderzoek vleermuizen Purmerenderweg 55, Zuidoostbeemster

RA21396-01

14

1.

opzettelijk vogels te doden of te vangen;

2.

opzettelijk vogelnesten, -rustplaatsen en -eieren te vernielen of te beschadigen of vogelnesten weg te nemen;

3.

eieren van vogels te rapen en deze onder zich te hebben;

4.

opzettelijk vogels te storen.

Het verbod om vogels opzettelijk te storen geldt niet wanneer dit niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de betreffende soort. Bij werkzaamheden in het broedseizoen kan het verlaten van nesten als gevolg van verstoring leiden tot het indirect doden van dieren of het aantasten van de functionaliteit van nesten en dus tot een overtreding van artikel 3.1, lid 1 en 2. De vogelsoorten die jaar op jaar gebruik maken van hetzelfde nest zijn verdeeld over vier categorieën waarvan de nesten een jaarronde bescherming genieten. Ook is er een vijfde categorie van vogels waarvan een inventarisatie van de nesten gewenst kan zijn. 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Onder het beschermingsregime Habitatrichtlijn vallen alle dieren uit: •

de Habitatrichtlijn, bijlage IV, onderdeel a,

•

het Verdrag van Bern, bijlage II,

•

het Verdrag van Bonn, bijlage I,

en alle planten uit: •

de Habitatrichtlijn, bijlage IV, onderdeel b,

•

het Verdrag van Bern, bijlage I.

Volgens artikel 3.5 is het verboden om, voor zover het soorten betreft uit bovenstaande bijlagen: 1.

opzettelijk dieren te doden of te vangen;

2.

opzettelijk dieren te verstoren;

3.

opzettelijk eieren van dieren te vernielen of te rapen;

4.

voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen;

5.

opzettelijk planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied te plukken, te verzamelen, af te snijden,

te ontwortelen of te vernielen. In de genoemde bijlagen van de verdragen van Bern en Bonn staan ook diverse vogelsoorten genoemd. Dit betekent dat voor deze soorten het (ver)storen ook verboden is wanneer dit geen effect heeft op de instandhouding van de betreffende soort. 3. Beschermingsregime andere (nationale) soorten Onder het ‘beschermingsregime andere soorten’ vallen een aantal soorten waarvoor er geen Europese verplichting ligt tot bescherming. Nederland geeft zo uitvoering aan de algemene verplichting van het Biodiversiteitsverdrag om de staat van instandhouding van dier- en plantensoorten te beschermen. Volgens artikel 3.10. is het verboden om, voor zover het soorten uit deze lijst betreft: 1.

opzettelijk dieren te doden of te vangen;

2.

voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen;

3.

opzettelijk planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied te plukken, te verzamelen, af te snijden,

te ontwortelen of te vernielen.

Onderzoek vleermuizen Purmerenderweg 55, Zuidoostbeemster

RA21396-01

15

Onder dit beschermingsregime vallen ook een groot aantal zeer algemene zoogdieren en amfibieën. Een groot deel van deze algemene soorten zijn door de provincies en het ministerie van EZ voor ruimtelijke ontwikkelingen vrijgesteld van de Wet natuurbescherming. Ontheffing en vrijstellingen Ontheffingen worden verleend door de Minister van Economische zaken of Gedeputeerde Staten, en geven een initiatiefnemer de mogelijkheid om onder voorwaarden de wet te overtreden. Vrijstellingen worden gegeven door de Minister van Economische zaken of Provinciale Staten en beschrijven handelingen en situaties waarin de wet niet van toepassing is. Ontheffing voor het overtreden van de verbodsbepalingen of het verkrijgen van een vrijstelling kan alleen wanneer er: •

geen andere bevredigende oplossing bestaat;

•

geen negatief effect is op de staat van instandhouding van de soort;

•

en er voldaan is aan de in de wet genoemde belangen (artikel 3.3, lid 4b, artikel 3.8, lid 5b en

artikel 3.10, lid 2). Voor het beschermingsregime overige soorten is het voldoende als er voldaan wordt aan een in de wet genoemd belang.

Bescherming van houtopstanden Een houtopstand beslaat een oppervlakte van 10 are of meer, of bestaat uit een rijbeplanting van meer dan twintig bomen, gerekend over het totaal aantal rijen. Volgens artikel 4.2 vallen buiten de bescherming houtopstanden: •

houtopstanden binnen door de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom houtopstanden;

•

houtopstanden op erven of in tuinen en fruitbomen en windschermen om boomgaarden;

•

naaldbomen bedoeld als kerstbomen en niet ouder dan twintig jaar en kweekgoed;

•

uit populieren of wilgen bestaande wegbeplantingen, beplantingen langs waterwegen en eenrijige beplantingen langs landbouwgronden;

•

het dunnen van een houtopstand;

•

uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa en die: o

ten minste eens per tien jaar worden geoogst;

o

bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid bestaande uit een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter;

o

zijn aangelegd na 1 januari 2013.

Volgens artikel 4.2 is het verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen zonder daar melding van te doen bij Gedeputeerde Staten. Dit geldt niet voor het periodiek vellen van griend- of hakhout. Binnen drie jaar moet het gevelde deel weer zijn herplant. Vrijstellingen gelden er wanneer het vellen gebeurt middels een goedgekeurde gedragscode of de werkzaamheden voortvloeien uit instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden of nodig zijn voor aanleg en het onderhoud van brandgangen op natuurterreinen.

Onderzoek vleermuizen Purmerenderweg 55, Zuidoostbeemster

RA21396-01

16

Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN; voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) bestaat uit planologisch beschermde gebieden die zijn aangewezen om ecologische verbindingen te realiseren tussen belangrijke natuurgebieden. Deze natuurgebieden en de verbindingen daartussen vormen samen een ecologisch netwerk. De wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN mogen niet door een ingreep worden aangetast. Alle (mogelijke) effecten van een voorgenomen ingreep moeten daarop dan ook worden getoetst. De provincie waarbinnen het plangebied valt geeft invulling aan het NNN en is daartoe het bevoegd gezag. Voor meer informatie over het NNN en het toetsingskader zie http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/natuur-en-biodiversiteit/natuurnetwerk-nederland.

Wet dieren De Wet natuurbescherming kent geen verbod op het verwonden van dieren. Dit is namelijk al verboden in de Wet dieren. Volgens artikel 2.1 van de Wet dieren, eerste lid, is het namelijk verboden om: •

zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van het dier te benadelen.

De Wet dieren kent een ontheffingsmogelijkheid, maar alleen als het belang van het welzijn van dieren zich er niet tegen verzet. Een ontheffing is niet nodig wanneer vaststaat dat het mogelijk verwonden van dieren een ‘redelijk doel’ dient, of ‘noodzakelijk’ is. In deze rapportage wordt niet getoetst aan de Wet dieren.

Onderzoek vleermuizen Purmerenderweg 55, Zuidoostbeemster

RA21396-01

17

Bijlage 2.

Kaart vleermuiswaarnemingen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11743503/1