CConstaterende datPurmerend
Koppel je AI →
Document · PDF

D -memo-portefeuillehouder-26-september-2023-herijking-armoedebeleid

Gemeenteraad 28 september 2023, gemeente PurmerendBij agendapunt: Herijking armoedebeleid3.026 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

MEMO

Aan Van Tel. nr Datum Onderwerp

: Gemeenteraad : Mario Hegger : 1589174 : 26 september 2023 : Reactie op voorstellen tijdens Commissie over Armoedebeleid

Tijdens de Commissie van 13 september jl. heeft u de herijking van het Armoedebeleid besproken. U heeft daarbij een aantal concrete ideeën besproken -ter aanvulling op het voorliggende beleid- die nadere uitwerking vragen. In deze memo gaan we in op uw ideeën en voorstellen. Algemeen De herijking van het Armoedebeleid is onder andere gericht op het verbeteren en verruimen van de minimaregelingen.We proberen daarin zoveel mogelijk ruimte te creëren voor maatwerk. Het onderzoek naar de Meedoenpas is daarbij een belangrijke ontwikkeling en we denken dat dit een groot verschil kan betekenen voor bewoners. Doen wat nodig is, is het credo. Tegelijkertijd staat het helder op het netvlies van het Rijk dat er in het systeem dingen moeten veranderen. We verwachten dat met al deze wijzigingen de bestaanszekerheid uiteindelijk beter zal worden. Armoede is een actueel onderwerp, maar we hebben geen idee hoe dit er op langere termijn uit zal zien. We moeten ons realiseren dat het Armoedebeleid dat nu wordt vastgesteld voor een langere tijd geldt en gebaseerd moet zijn op weloverwogen maatregelen voor problematiek waarvan we verwachten dat het langere tijd gaat spelen. Tijdens de Commissie zijn er ook enkele ideeën naar voren gehaald die onderdeel zijn van het Participatiebeleid maar effect (kunnen) hebben op bestaanszekerheid.

De bijverdienpremie en giften zijn “instrumenten” die moeten stimuleren dat mensen aan het werk gaan. Deze zijn van toepassing op een relatief kleine groep dat in armoede leeft. Deze instrumenten zitten dus meer aan de kant van reintegratie/participatie dan armoedebeleid. We moeten een zorgvuldige afweging maken bij de inzet van instrumenten en regelingen. Enerzijds willen we mensen helpen om mee te kunnen doen, dat kan ook betekenen mensen te stimuleren te gaan werken. We zoeken daarin naar de balans. Teveel doen kan een keerzijde hebben. Want hoe meer regelingen we creëren, hoe hoger het inkomen (naast de uitkering) en hoe minder de stimulans om te gaan werken. Armoedeval wordt hierdoor juist groter. Het inkomen uit werk moet namelijk een stuk hoger liggen dan de uitkering (inclusief alle regelingen). Het doel is niet om armoedeval te voorkomen, maar om bestaanszekerheid te verbeteren en tegelijkertijd te stimuleren dat mensen gaan werken. Armoedeval is een risico waar we aandacht voor hebben. Verhoging van de inkomensgrens - Huidig beleid: 120% van de bijstandsnorm Gemeenten bepalen zelf welke inkomensgrens zij hanteren voor de bijzondere bijstand en bijzondere vergoedingen (minimaregelingen). De meeste gemeenten hanteren een inkomensgrens van 110, 120 of 130% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm.

Heeft iemand een inkomen dat hoger is dan die grens, dan is er sprake van draagkracht en bestaat er geen recht op een vergoeding.

Gemeente Purmerend heeft een andere manier om de draagkracht van een inwoner vast te stellen. Dit doen we omdat we hierdoor een bredere groep inwoners/huishoudens kunnen bereiken. Wij hanteren een inkomensgrens van 100% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm + 20 % van de gehuwden norm. Om het eenvoudig te houden: 120 % van de bijstandsnorm. Daarnaast wordt er ook gekeken naar de vaste woonlasten. Heeft iemand hoge woonlasten, dan worden deze volgens een bepaalde berekening in mindering gebracht op de draagkracht. Door deze manier van berekenen kan het zijn dat iemand met hogere inkomsten (boven de 120%) en een hoge huur, toch voor bijzondere bijstand en/of bijzondere vergoedingen in aanmerking komt. Ter illustratie een voorbeeld uit de praktijk: De bijstandsnorm voor een alleenstaande(ouder) bedraagt € 1.155,79. Als hier 20% van de norm wordt opgeteld (wat de meeste gemeenten doen) is 120% van de alleenstaande norm € 1.386,95. In Purmerend wordt op de norm van € 1.155,79 20% van de gehuwdennorm opgeteld. (€ 1.651,12X20% = € 330,22.) De “120%” voor een alleenstaande bedraagt in Purmerend (€ 1.155,79 + 330,22 =) € 1.486,01 (129%). Is het inkomen van de persoon hoger dan dit bedrag dan is er (mogelijk) sprake van draagkracht. Dit is mede afhankelijk van de woonlasten.

Voorbeeld: Aanvraag bijzondere bijstand of minimaregelingen of Energietoeslag: Aanvrager (alleenstaande) heeft inkomen van € 1.963,25. (is ca 170% van de bijstandsnorm) Het vrij te laten inkomen bedraagt 120% van de “norm” dat is € 1.486,01. Het inkomen van aanvrager ligt hier € 477,24 boven. Aanvrager heeft aan woonlasten € 693,-. In de draagkrachtberekening wordt er rekening mee gehouden dat € 225,54 in de bijstandsnorm verwerkt zit en het meerdere als aftrekpost geldt als er sprake is van draagkracht. Rekensom: De draagkracht wordt altijd op jaar basis berekend. 12 x € 1.963,25 = € 23.559,Af: 12 x € 1.486,01 = € 17.832,15 -/Af: woonlasten (€ 693,- minus € 225,54) € 467,46 x 12= € 5.609,52 -/Draagkracht: € 117, 33 Ongeacht het soort aanvraag wordt rekening gehouden met een draagkracht van € 117,33 op jaarbasis. Aanvrager heeft dus recht op een vergoeding, voor zover de kosten meer bedragen dan € 117,33. Bij energietoeslag van € 1.300 heeft aanvrager recht op € 1.182,67. Vervolgens kan aanvrager ook aanspraak maken op de minimaregelingen. Er wordt dan geen rekening meer gehouden met draagkracht, omdat deze al is verrekend met de energietoeslag. In dit voorbeeld heeft iemand met een inkomen van 170% van de bijstandsnorm nog recht op een voorziening.

Bij de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand en de minimaregelingen kijken we dus niet alleen naar het inkomen, maar ook naar de uitgaven (vaste woonlasten). Hierdoor bieden we meer maatwerk en bereiken we een bredere groep inwoners/huishoudens. Dit betekent ook dat als het inkomen bij (meer) aan het werk gaan stijgt, dit niet direct hoeft te leiden tot het volledig

wegvallen van de regelingen als het inkomen boven de 120% komt. Per situatie kan dit dus verschillen. De keerzijde van deze systematiek is dat deze ingewikkeld kan zijn voor de betrokken inwoner. Er zijn namelijk meerdere variabelen die kunnen leiden tot een andere uitkomst. Iedere situatie is uniek. -

Aanpassing inkomensgrens naar 130% of 140%

Zoals uit het hier bovenstaande voorbeeld blijkt hanteert Purmerend geen strakke 120%, maar afhankelijk van de vaste lasten kan men met een hoger inkomen nog in aanmerking komen voor de minimaregelingen of bijzondere bijstand. Als de inkomensgrens wordt aangepast naar 130% heeft de in het voorbeeld genoemde persoon met een inkomen van ruim € 2.100 nog recht op een minimaregeling of bijzondere bijstand. Bij het hanteren van een inkomensgrens van 140% heeft deze persoon nog recht op een regeling bij een inkomen van ca € 2.300,-. Dat is ongeveer het dubbele van de bijstandsuitkering. Alleen voor gezinnen geldt dat de inkomensgrens ook werkelijk 120% is van het bijstandsinkomen. Maar ook hier geldt, dat als er een hoger inkomen is en er tevens sprake is van hoge woonlasten, dat men ook bij een hoger inkomen in aanmerking komt voor een lokale regeling. Als dit gezin, net zoals in het voorbeeld een inkomen heeft dat € 477,24 hoger is dan 120%, dan heeft dit gezin een inkomen van 149%. Uitgaande van dezelfde woonlasten als in het voorbeeld, heeft ook dit gezin recht op de lokale regelingen. Bij het hanteren van een grens van 130% kan dit gezin ook met een inkomen van € 2.623,- aanspraak maken op een regeling. Bij 140% zelfs met een netto inkomen van € 2.790,-.

Wachttijd (referte periode) individuele inkomenstoeslag naar 24 maanden De inkomenstoeslag is bedoeld voor mensen waarvan we weten dat zij langdurig aangewezen zijn op de uitkering. Zij kunnen niet sparen voor bijv. een koelkast en kunnen daarom in aanmerking komen voor een inkomenstoeslag. Deze regeling is belangrijk voor mensen die langdurig niet kunnen werken. Op dit moment is de referteperiode om in aanmerking te komen voor de individuele inkomenstoeslag 60 maanden. Dit wordt als lang ervaren. Over het algemeen is binnen ongeveer drie jaar (36 maanden) vaak wel duidelijk of er nog zicht is op inkomensverbetering. Op landelijk niveau wordt gepleit voor een ruimere toepassing van deze regeling, vergelijkbaar met de onlangs verruimde mogelijkheden voor giften aan mensen met een bijstandsuitkering en de verruiming van de ‘kostendelersnorm’. In de herijking is een voorstel gedaan om deze referteperiode te verlagen naar 36 maanden. In de praktijk betekent dit dat mensen eerder in aanmerking kunnen komen voor de inkomenstoeslag. Het bedrag blijft wel hetzelfde. Het is relevant om te weten dat de hoogte van de toeslag verschilt per gemeente, maar dat de hoogte die Purmerend hanteert relatief hoog is. Een verlaging van de periode naar 24 maanden is uiteraard mogelijk. Mensen komen dan eerder in aanmerking voor de inkomenstoeslag.

Voor de gemeente betekent dit wel extra kosten (zie tabel hieronder). Financiële consequenties aanpassing inkomensgrens en verlaging referteperiode inkomenstoeslag Hieronder is een inschatting gemaakt van de kosten als de referteperiode van de individuele inkomenstoeslag wordt aangepast van 36 maanden naar 24 maanden en voor het overige beleid de inkomensgrens wordt aangepast naar 130% of 140%. Deze berekening is gebaseerd op CBS cijfers.

Kosten extra verruiming minimaregelingen De referteperiode voor de individuele inkomenstoeslag wijzigen van 36 maanden naar 24 maanden. 121 extra deelnemers. Bedrag voor internetvergoeding behouden en loskoppelen van de sporten cultuurregeling waarbij één bedrag per huishouden wordt gehanteerd van €100. Met ingang van 1 januari 2024. Ca. 1900 huishoudens bij 120%; 2.551 huishoudens bij 130% en 3.061 huishoudens bij 140%. Een Meedoen-regeling creëren waar met als doel dat zij meer mee kunnen doen en gezonder kunnen leven waarbij een bedrag wordt gehanteerd van €425 per jaar. Met ingang van 1 januari 2024. Ca. 650 personen (120%). Uitbreiding met 200 personen bij 130% en 450 personen bij 140%. De mogelijkheid voor aanvraag van computer verruimen zodat elk kind dat een huiswerkcomputer nodig heeft hiervoor in aanmerking komt tot een bedrag van max €450 per kind (1x per 5 jaar, Nibud-norm). Dit leidt tot een toename van 75 huiswerkcomputers. Bij 130% een extra toename van 21 huiswerkcomputers; Bij 140% extra toename van 40 huiswerkcomputers Het behalen van zwemdiploma A verruimen zodat ook volwassenen zonder diploma de mogelijkheid hebben hun diploma te halen. Met ingang van 1 januari 2024. Schatting 30 personen per jaar extra. Meerkosten:

Financiële gevolgen aanpassing beleid Individuele inkomenstoeslag Internet en meedoen-regeling Computerregeling Zwemdiploma voor volwassenen Totaal meerkosten

1

2024 e.v.

extra verruiming (130%)

extra verruiming (140%)

€ 52.000

€ 63.000

€ 63.000

€ 190.000

€ 40.000

€ 90.000

€ 260.000

€ 148.000

€ 310.000

€ 34.000 1

€ 9.450

€ 18.000

€ 25.000

€14.000

€37.500

2024 e.v.

extra bij 130%

extra bij 140%

€ 52.000 € 135.000 € 34.000 € 25.000

€ 63.000 € 188.000 € 9.450 € 14.000

€ 63.000 € 400.000 € 18.000 € 37.500

€ 246.000

€ 274.450

€ 518.500

In het beleidsstuk staat 86.000 opgenomen. Dit moet 34.000 zijn en zal in de beleidsnotitie worden verwerkt.

Als het beleid wordt aangepast naar een inkomensgrens van 130% dient rekening gehouden te worden met een toename van de kosten met € 274.450, waarvoor financiële dekking gezocht moet worden. Bij verhoging naar 140% van de bijstandsnorm dient zelfs rekening te worden gehouden met € 518.500. Zoals uit de werkwijze van Purmerend blijkt ligt de inkomensgrens voor een alleenstaande en alleenstaande ouder op 129%. Door ook rekening te houden met hoge woonlasten kunnen mensen met een hoger inkomen ook in aanmerking komen voor de lokale regelingen. Verhoging giften van €1200 naar €2400 Wettelijk is bepaald dat mensen in de bijstand giften mogen ontvangen tot €1200 per jaar, zonder dat gekort worden op hun uitkering. In Purmerend gaan we flexibel met deze regel om. We kijken naar de omstandigheden en dat is maatwerk. We zijn er voorstander van om te kijken naar wat iemand nodig heeft en niet waar iemand recht op heeft. Lang niet iedereen heeft een netwerk waarin mensen het financieel ruim genoeg hebben om dergelijke hoge bedragen te kunnen missen. In de praktijk zien we dat dit incidenteel voorkomt en in die gevallen houden we rekening met de omstandigheden van de inwoner. In sommige gemeentes, zoals Amsterdam, Haarlem en Zaanstad is ervoor gekozen om de giften te verruimen tot €1800.

Met die verhoging verwachten zij hun inwoners meer ruimte te kunnen bieden om mensen die leven van een bijstandsuitkering met giften te ondersteunen. Het zou een overweging kunnen zijn om ook in Purmerend mee te gaan met deze lijn. Daarnaast houden we nog steeds maatwerk als uitgangspunt om tot een afweging te komen als dit geldbedrag overschreden wordt. Meer bestaanszekerheid en/of stimuleren van werk? Leidend in ons beleid en regelingen zijn steeds de volgende vragen: 1. Hoe zorgen we voor meer bestaanszekerheid? 2. Hoe stimuleren we dat mensen aan het werk gaan? Bij het maken van beleid en het toepassen van regelingen moeten we steeds goed beseffen wat we ermee willen bereiken. Enerzijds willen we dat mensen bestaanszekerheid hebben. De regelingen zijn gericht op meer financiële leefruimte en voorkomen van schulden. Anderzijds willen we mensen stimuleren om aan het werk te gaan en zelfredzaamheid vergroten. De uitkering is immers een vangnet voor diegenen die (tijdelijk) niet kunnen werken. Dat moet ook zo blijven. Hoe meer regelingen er bestaan naast deze uitkering, hoe groter de drempel om te gaan werken. Je moet dan behoorlijk veel meer verdienen om werk lonend te laten zijn. Kortom; hoe meer voordelen mensen ervaren van de uitkering, hoe hoger het inkomen, hoe minder de prikkel om te gaan werken.

We zoeken altijd naar de balans waarbij de mensen die het financieel zwaar hebben geholpen worden en de mensen die kunnen werken ook gestimuleerd worden om te gaan werken. -

Huidige bestand

Daarvoor is inzicht in het bestand belangrijk. Het grootste deel van het bijstandsbestand bestaat uit mensen die niet bemiddelbaar zijn naar werk of nóg niet bemiddelbaar. Het kleinste deel is op korte termijn in staat om te werken. Deze mensen gaan richting Werkom. De focus is erop gericht om zoveel mogelijk mensen richting werk (uit de bijstand) te helpen. We zien tegelijkertijd dat dit steeds ingewikkelder wordt. Mensen die kunnen werken zijn in deze arbeidsmarkt meestal al aan de slag. De groep mensen met arbeidsbelemmeringen wordt steeds groter; taal, cultuur en fysieke en psychische omstandigheden spelen een grote rol. De vraag is dus steeds hoe mensen gestimuleerd worden om aan het werk te gaan. Uit ervaring weten we dat een eenmalige financiële prikkel voor de meeste mensen niet

altijd helpend is. Wel kan een extra premie als beloning bij uitstroom zorgen voor meer lucht in de financiële situatie. Het gegeven dat het grootste deel van de groep lange tijd of zelfs structureel in de Participatiewet zit houdt in dat deze groep lange tijd in armoede leeft. Een bijverdienpremie gaat deze groep niet helpen. Een verruiming van de minimaregelingen wel en voor mensen die geen zicht hebben op inkomensverbetering ook een verlaging van de referteperiode voor de individuele inkomenstoeslag. Bijverdienpremie (artikel 19 reintegratieverordening, Participatiebeleid) Op dit moment maken we geen gebruik van de mogelijkheid om een bijverdienpremie toe te passen naast deeltijdwerk. Deze mogelijkheid bestaat wettelijk wel, maar daar moet beleid op worden ontwikkeld; max. 2 keer per jaar mag een bijverdienpremie worden verstrekt tot een bedrag van max. 2979 euro per jaar als dit bijdraagt aan de arbeidsinschakeling., daarna is het maatwerk en moet elke keer bekeken worden of iemand nog in aanmerking komt. We verwachten niet dat deze premie het stimuleren van werk vergroot. De premie zorgt er wel voor dat mensen meer te besteden hebben. Deze premie heeft namelijk geen invloed op de toeslagen e.d. Het is de vraag of het aantal mensen in de bijstand als gevolg van deze premie omlaag zal gaan. De premie geldt alleen voor mensen die aan het werk zijn/kunnen.

Deze groep is momenteel relatief klein. Als de premie wel stimulerend werkt, dan gaan de bijstandskosten inderdaad omlaag. Echter, dit betreft rijksgeld. Daar tegenover staan de extra kosten die we lokaal uitgeven aan de premies. Het is daarom wel zo dat we extra budget moeten uittrekken voor deze extra maatregel. Dit is niet in de begroting verwerkt. Het is ook niet mogelijk om vooraf een doorrekening te maken van de te verwachten kosten. Tegemoetkoming opstartkosten (artikel 17 reintegratieverordening, Participatiebeleid) In het verleden heeft de raad besloten dit artikel uit de re-integratieverordening versobert toe te passen. Mensen komen op dit moment (onder bepaalde voorwaarden) eenmalig in aanmerking voor noodzakelijke werk gerelateerde opstartkosten (reiskosten, kleding etc.) met een maximum van 750 euro wanneer zij regulier werk aanvaarden. Dit artikel wordt nu minimaal toegepast. Dit artikel zou ook dermate aangepast kunnen worden dat er een eenmalige premie uitgekeerd kan worden na het aanvaarden van werk. In dat geval komen meer mensen in aanmerking. Hoewel we niet verwachten dat dit meer mensen prikkelt om aan het werk te gaan, geeft het mensen wel meer financiële ruimte en kan het wellicht armoedeval in sommige situaties voorkomen. Belangrijk te beseffen hierbij is dat deze regeling alleen van toepassing is op mensen die kunnen en gaan werken.

Het grootste deel dat in de bijstand zit kan dat momenteel niet. In het voorliggende beleidsplan is voorgesteld om te komen met een voorstel voor wijziging van artikel 17 gelijktijdig met de aanpassingen van de re-integratieverordening. Om meer vaart achter deze aanpassing te zetten komen wij begin 2024 met een concreet voorstel waarbij de achterliggende gedachte is dat werk moet lonen. Stadspas/meedoenpas De “meedoenpas” zal de komende tijd onderzocht worden. De uitwerking van de pas vraagt zorgvuldigheid en gedegen afweging. In Q2 van 2024 komen we terug met voorstellen.

Aanpassing plaatje In het beleidsplan stond een plaatje met het woord ‘minderwaardig werk’. De uitleg daarbij is dat het gaat om werk dat door de maatschappij minder wordt beloond. Er hangt geen waardeoordeel aan. Echter, wij begrepen dat de woordkeuze ongelukkig overkomt en daarom is deze aangepast. Brief van Caritas De brief van Caritas is middels een standaard antwoord beantwoord. Omdat op dat moment ambtelijk de aandacht is uitgegaan naar de vragen vanuit Groen Links die op de brief betrekking hadden, is inhoudelijk niet op de brief gereageerd. Daarvoor maken wij excuses bij het bestuur van Caritas en gaan bestuurlijk alsnog in gesprek over de voorstellen. In de praktijk is het zo dat veel wordt samengewerkt in de uitvoering met deze belangrijke partner. In aanloop van het armoedebeleid is Caritas dan ook betrokken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13226800/1