CConstaterende datPurmerend
Koppel je AI →
Document · PDF

D 11 Bijlage 09 BP - Quickscan flora en fauna PostNL-locatie Purmerend

Gemeenteraad 25 maart 2021, gemeente PurmerendBij agendapunt: Bestemmingsplan Gedempte Where 1 (PostNL)8.020 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Toetsing Wet natuurbescherming Sloop en herontwikkeling - Gedempte Where 1 te Purmerend

Opdrachtgever:

Metafoor Ruimtelijke Ontwikkeling B.V. T.a.v. de heer N. Cuperus Bolderweg 2 1332 AT Almere

Opdrachtnemer: Eelerwoude Onze vestigingen 088-1471100 info@eelerwoude.nl www.eelerwoude.nl

Projectgegevens: Projectnummer: Datum: Projectleider: Opgesteld: Gecontroleerd: Status: Versie:

10127 29-05-2020 J. Marchal M. Oomen M. Hoofd Definitief 3

© 2019 Eelerwoude Dit rapport is enkelzijdig opgemaakt.

Inhoudsopgave 1 1.1 2

Inleiding ................................................................................................................................ 4 Aanleiding ........................................................................................................................ 4 Huidige situatie en ontwikkeling........................................................................................... 5

2.1

Huidige situatie ............................................................................................................... 5

2.2

Voorgenomen ontwikkeling ............................................................................................ 7

3

Natuurwetgeving en -beleid ................................................................................................. 8

3.1

Inleiding ........................................................................................................................... 8

3.2

Bescherming van soorten ................................................................................................ 8

3.3

Bescherming van gebieden ............................................................................................. 8

3.4

Bescherming van houtopstanden ................................................................................... 9

3.5

Natuurnetwerk Nederland ............................................................................................ 10

4

Methode ............................................................................................................................. 12

4.1

Bureauonderzoek .......................................................................................................... 12

4.2

Terreinbezoek................................................................................................................ 12

5

Beschermde soorten ........................................................................................................... 14

5.1

Planten .......................................................................................................................... 14

5.2

Zoogdieren .................................................................................................................... 14

5.3

Vogels ............................................................................................................................ 18

5.4

Reptielen ....................................................................................................................... 19

5.5

Amfibieën ...................................................................................................................... 19

5.6

Vissen ............................................................................................................................ 20

5.7

Ongewervelden ............................................................................................................. 20

6

Conclusie ............................................................................................................................. 22

6.1

Bescherming soorten .................................................................................................... 22

6.2

Bescherming gebieden .................................................................................................. 23

6.3

Bescherming houtopstanden ........................................................................................ 23

6.4

Natuurnetwerk Nederland ............................................................................................ 23

6.5

Geldigheid onderzoek ................................................................................................... 24

Sloop en herontwikkeling - Gedempte Where 1 te Purmerend Definitief

3

1 Inleiding 1.1 Aanleiding De Noord Hollandse Projectontwikkeling Maatschappij 2 B.V. is voornemens om het pand aan de Gedempte Where 1 te Purmerend te slopen om op de locatie een herontwikkeling te realiseren (Figuur 1). In verband met deze voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling is een toetsing van de plannen aan de natuurwetgeving en het natuurbeleid noodzakelijk. Met deze toetsing moet duidelijk worden of, en zo ja hoe, deze ontwikkeling gerealiseerd kan worden binnen de kaders van de natuurbescherming. Eerste stap in deze toetsing is het uitvoeren van een verkennend onderzoek. Middels een bureauonderzoek en een veldbezoek wordt aan de hand van de aanwezige terreintypen en waarnemingen van soorten beoordeeld welke beschermde gebieden, en plant- en diersoorten aanwezig (kunnen) zijn. Op basis daarvan worden uitspraken gedaan over de (mogelijke) effecten van de voorgenomen ontwikkeling en de eventueel noodzakelijke vervolgstappen. Voorliggende rapportage gaat hier verder op in.

Figuur 1. Ligging van het plangebied (roze markering): het pand aan de Where 1 te Purmerend. Bron: Google maps, 2019.

Sloop en herontwikkeling - Gedempte Where 1 te Purmerend Definitief

4

2 Huidige situatie en ontwikkeling 2.1 Huidige situatie Het plangebied aan de Gedempte Where 1 te Purmerend in Noord-Holland ligt op en deels naast het terrein van het voormalige postkantoor, met het terrein van een vervallen bedrijfspand met deels afgetimmerde ramen en spouwgaten (Figuur 2). Het pand grenst aan noordwestelijke zijde aan de stoep van de Hoornselaan. Een wandelpad genaamd Molenschans loopt achter het pand langs de noordoostelijke zijde en parallel aan het kanaal de Where naar de weg Gedempte Where. Tussen het pand en het wandelpad in ligt een groenstrook bestaande uit struiken en enkele bomen. Langs het water ligt eveneens een groenstrook. Aan het lage pand (max. twee bouwlagen) ligt aan zuidoostelijke zijde een afgesloten verhard parkeerterrein. Dit bijbehorende parkeerterrein grenst aan een openbaar parkeerterrein met enkele bomen en een groene strook met vuurdoornstruiken, en beiden maken onderdeel uit van het plangebied. Aan de zuidwestelijke zijde staat aan de straat een rij met bomen. Zowel op het parkeerterrein als langs de straatkanten en het wandelpad staan straatlantarens. Zie Figuur 3 voor een impressie van het onderzoeksgebied.

Figuur 2. De begrenzing van het plangebied (roze kader). Bron Google, 2019

Sloop en herontwikkeling - Gedempte Where 1 te Purmerend Definitief

5

Figuur 3. Impressie van het plangebied 9-9-2019

Sloop en herontwikkeling - Gedempte Where 1 te Purmerend Definitief

6

2.2 Voorgenomen ontwikkeling De initiatiefnemer is voornemens om het pand te slopen en het groen te verwijderen om een herontwikkeling te realiseren. De herontwikkeling betreft een woningbouwplan, met een appartementengebouw met circa 160 woningen en kleinschalige horeca (max. 150 m2 bvo). Een impressie van het plan is weergegeven in Figuur 4. Bij deze toetsing zijn de volgende ontwikkelingen meegenomen: het slopen van het pand, de bomen kap en het verwijderen van de groenstroken. De exacte planning is nog niet bekend.

Figuur 4. impressie van de voorgenomen ontwikkeling.

Sloop en herontwikkeling - Gedempte Where 1 te Purmerend Definitief

7

3 Natuurwetgeving en -beleid 3.1 Inleiding De Wet natuurbescherming bestaat uit drie onderdelen: de bescherming van soorten, de bescherming van gebieden en de bescherming van houtopstanden. De kern van het natuurbeleid wordt gevormd door het Natuurnetwerk Nederland, dat een samenhangend netwerk vormt van natuurgebieden. De provincies zijn het bevoegd gezag. Alleen bij ruimtelijke ingrepen op een beperkt aantal terreinen is het Rijk het bevoegd gezag. In dit hoofdstuk wordt kort ingegaan op de relevante wetgeving en het natuurbeleid voor het onderzoeksgebied.

3.2 Bescherming van soorten Het uitgangspunt bij het onderdeel soortenbescherming is dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten. De wet kent een drietal beschermingsregimes; beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn, beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn en beschermingsregime “andere soorten”. Daarnaast zijn landelijk de nesten van een aantal vogelsoorten jaarrond beschermd. Elk beschermingsregime heeft zijn eigen verbodsbepalingen. Voor ieder ruimtelijk plan is het verplicht om te toetsen of deze leidt tot overtreding van de betreffende verbodsbepalingen. Wanneer er sprake is van een overtreding dient er onderzocht te worden of er een vrijstelling geldt. Indien dit niet mogelijk het geval blijkt te zijn, is het nodig om na te gaan of een ontheffing kan worden verkregen. Bijlage 1 gaat verder in op het wettelijk kader bij toetsing aan de Wet natuurbescherming, onderdeel soortenbescherming. Gevolgen onderzoeksgebied De bescherming van soorten is overal en altijd van toepassing bij ontwikkelingen. In hoofdstuk 5 wordt verder ingegaan op de aanwezigheid van beschermde soorten en welke effecten de voorgenomen ontwikkeling heeft op deze soorten.

3.3 Bescherming van gebieden Met het onderdeel gebiedenbescherming worden binnen de Wet natuurbescherming de Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Voor alle gebieden gelden instandhoudingsdoelstellingen. De kern van de bescherming is dat deze instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar mogen worden gebracht. Activiteiten mogen geen negatieve effecten hebben op de waarden waarvoor het gebied is aangewezen. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt

Sloop en herontwikkeling - Gedempte Where 1 te Purmerend Definitief

8

een vergunningplicht. Hierdoor is in Nederland een zorgvuldige afweging gegarandeerd bij projecten die gevolgen kunnen hebben voor natuurgebieden. Gevolgen onderzoeksgebied Niet stikstof-gerelateerde effecten: In de directe omgeving van het plangebied liggen diverse Natura 2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft het gebied Polder Zeevang en ligt op een afstand circa 3 kilometer van het plangebied. De aard van de uitgevoerde werkzaamheden maakt dat de effecten uitsluitend tot het plangebied of in de zeer directe zone eromheen beperkt blijven. Gezien de afstand tot de Natura 2000-gebieden, de invulling van de tussenliggende gebieden en de uitgevoerde werkzaamheden is er geen sprake van mogelijk negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied, zij het door een rechtstreekse invloed, cumulatieve invloed of externe werking. Een toetsing op grond van de Wet natuurbescherming wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Stikstof-gerelateerde effecten Tijdelijke effecten (aanlegfase): Met de voorgenomen tijdelijke werkzaamheden (het slopen van het pand en bomen kap) worden mobiele werktuigen gebruikt die stikstof uitstoten.

Gezien de huidige uitspraken met betrekking tot de PAS is onduidelijk welke werkzaamheden zondermeer zijn toegestaan en voor welke werkzaamheden wel of niet een berekening en/of onderbouwing en/of natuurvergunning noodzakelijk is. Er zal derhalve een stikstofdepositieberekening met Aerius gemaakt moeten worden. Effecten op de lange termijn (gebruiksfase): De nieuwe situatie betekent een verandering van de verkeersintensiteit ten opzichte van de huidige situatie. Het huidige pand kent geen stikstofuitstoot meer. Een toetsing voor de nieuwe situatie is noodzakelijk geacht. Er zal een stikstofdepositieberekening met Aerius gemaakt moeten worden.

3.4 Bescherming van houtopstanden Het omhakken of rooien van bossen is gelet op de Wet natuurbescherming niet zomaar toegestaan. Dit geldt ook bij het rooien of het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging van bomen tot gevolg hebben. Hieronder valt ook beschadiging door vee. Onder bos wordt verstaan: • alleen bossen die buiten de ‘bebouwde kom Boswet’ liggen • alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are (1.000 m2) • bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat. De gemeente stelt de grenzen van de ‘bebouwde kom Boswet’ bij besluit vast. Deze grenzen kunnen afwijken van de ‘bebouwde kom Verkeerswet’. Het besluit wordt door de provincie goedgekeurd. De grenzen zijn bij de gemeente na te vragen. De bescherming van houtopstanden kent twee belangrijke instrumenten: meldingsplicht en herplantplicht. Een kapmelding is verplicht bij de kap van bomen buiten de bebouwde kom indien kap plaatsvindt in een houtopstand. Veelal geldt een 1 op 1 herplantplicht. Provincies bepalen welke gegevens bij een melding moeten worden aangeleverd. Voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel is er geen herplantplicht.

Sloop en herontwikkeling - Gedempte Where 1 te Purmerend Definitief

9

De voorgenomen kap van een houtopstand hoeft niet gemeld te worden als het gaat om: • houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom: • houtopstanden op erven of in tuinen • fruitbomen en windschermen om boomgaarden • naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar • kweekgoed • uit populieren of wilgen bestaande: o wegbeplantingen, o beplantingen langs waterwegen, en o eenrijige beplantingen langs landbouwgronden. • het dunnen van een houtopstand van: • uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: o ten minste eens per tien jaar worden geoogst o bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en o zijn aangelegd na 1 januari 2013. • het vellen van houtopstanden ter uitvoering van een instandhoudingsmaatregel of een passende maatregel • het vellen van houtopstanden voor de aanleg en het onderhoud van brandgangen op natuurterreinen • het vellen van houtopstanden en herbeplanten op een wijze die is beschreven in een goedgekeurde gedragscode. De provincie kan een kapverbod opleggen.

Mag er wel worden gekapt, dan moeten er meestal ook nieuwe bomen worden aangeplant. De provincie kan een ontheffing of vrijstelling verlenen. Dit hangt ervan af of er hiervoor een provinciale verordening is opgesteld. Mogelijk is ook een omgevingsvergunning nodig. Het aanvragen van deze vergunning en het indienen van een kapmelding moet apart van elkaar uitgevoerd worden. Daarnaast geeft de gemeente Purmerend middels een op te vragen bomenlijst aan welke zij wil beschermen. Gevolgen onderzoeksgebied Binnen het plangebied staan twee grote populieren, een esdoorn, plataan en opslag van jonge bomen, die verwijderd worden. Het plangebied valt binnen de begrenzing van de bebouwde kom boswet. Hierdoor is een nadere toetsing van houtopstanden niet aan de orde. Daarnaast staat langs de weg Gedempte Where een rij lindebomen die behouden blijven.

3.5 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het NNN was voorheen genaamd de Ecologische Hoofdstructuur (EHS).

Sloop en herontwikkeling - Gedempte Where 1 te Purmerend Definitief

10

Het netwerk faciliteert het beter verbinden van natuurgebieden - met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Wanneer bij een ontwikkeling mogelijke effecten op het NNN denkbaar zijn, is het noodzakelijk een NNN-toetsing uit te voeren. Gevolgen onderzoeksgebied Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het NNN. Het plangebied ligt op ongeveer 1700 meter van begrensd NNN-gebied (genaamd ‘Ringvaart van de Wijder Wormer’). Doordat NNNgebieden geen externe werking kennen, kunnen met de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN worden uitgesloten. Een toetsing aan het NNN-beleid wordt daarom niet noodzakelijk geacht.

Sloop en herontwikkeling - Gedempte Where 1 te Purmerend Definitief

11

4 Methode De aanwezige natuurwaarden zijn in beeld gebracht op basis van bestaande inventarisatiegegevens en een verkennend veldbezoek.

4.1 Bureauonderzoek Voor het bureauonderzoek is, indien beschikbaar, gebruik gemaakt van landelijke, provinciale en regionale verspreidingsinformatie. • De landelijke verspreidingsinformatie uit atlassen, die deels gedateerd is, is gebruikt om na te gaan of nabij het plangebied in het verleden beschermde soorten zijn aangetroffen. Exacte locaties of data van de waarnemingen waren daarbij veelal niet bekend. Deze gegevens hebben vaak betrekking op atlasblokken (5x5 kilometer) en kunnen daardoor betrekking hebben op waarnemingen buiten het onderzoeksgebied. • De flora- en faunadatabase van Eelerwoude is eveneens geraadpleegd. Eelerwoude heeft meerder onderzoeken in de nabije omgeving uitgevoerd. De data van deze onderzoeken zijn opgeslagen in deze database.

4.2 Terreinbezoek Op basis van een eenmalig veldbezoek is de geschiktheid van het plangebied voor de verwachte soorten en/of soortgroepen beoordeeld. Het veldbezoek is uitgevoerd door Mariëlle Oomen, ecologisch adviseur bij Eelerwoude (zie kader). Bij het onderzoek is gebruik gemaakt van een verrekijker (Luxon 12x50). Het veldbezoek is overdag uitgevoerd op 9 augustus 2019 bij 15°C, licht bewolkt en windkracht 1 Bft. Het betreft een deskundigenoordeel gebaseerd op de fysieke gesteldheid van het terrein (biotopenonderzoek). Daarnaast zijn ook de aangetroffen belangwekkende soorten genoteerd.

Sloop en herontwikkeling - Gedempte Where 1 te Purmerend Definitief

12

Kader – ecologisch deskundige De veldmedewerkers van Eelerwoude beschikken over een uitgebreide ervaring met de betreffende soortgroepen en voldoen aan de criteria van ‘ecologisch deskundige’. Met een ecologisch deskundige wordt bedoeld een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soortspecifieke ecologie. De ervaring en kennis dienen te zijn opgedaan doordat de deskundige:

-

op HBO- dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of

-

op MBO-niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt de Wet natuurbescherming, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of

-

als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals bijvoorbeeld een bureau welke is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; en/of

-

zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals bijvoorbeeld Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk Gebied; en/of

-

zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenmonitoring en/of -bescherming.

Sloop en herontwikkeling - Gedempte Where 1 te Purmerend Definitief

13

5 Beschermde soorten Dit hoofdstuk beschrijft de tijdens het veldbezoek waargenomen soorten, al dan niet aangevuld met gegevens uit de literatuur en andere informatiebronnen. Vervolgens worden eventuele effecten beschreven als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling.

5.1 Planten Voorkomen en functie Aan één zijde bestaat het struweel voornamelijk uit vuurdoornstruweel. De groenstrook met struiken zoals kornoelje en enkele bomen (esdoorn, populier, plataan) heeft een schaarse onderbegroeiing van onder andere soorten zoals klimop en opslag van jonge bomen. Er zijn tijdens het veldbezoek geen beschermde plantensoorten aangetroffen. De aangetroffen plantsoorten zijn kenmerkend voor een voedselrijke bodem. Op grond van een deskundigenoordeel is een biotoopanalyse uitgevoerd met betrekking tot de potentiële aanwezigheid van beschermde planten in het onderzoeksgebied. Gelet op de aanwezige habitat, het intensive beheer en de functie van het plangebied komen binnen de grenzen van het plangebied geen beschermde plantensoorten voor. Effecten en ontheffing Beschermde plantensoorten zijn niet aangetroffen tijdens het veldbezoek en zijn op basis van de biotoopanalyse niet te verwachten. Ook zijn er geen gegevens van beschermde planten in of in de omgeving van het plangebied bekend uit verspreidingsatlassen. Derhalve zijn negatieve effecten op beschermde plantsoorten uit te sluiten, en is een nader onderzoek of ontheffing Wet natuurbescherming niet aan de orde. Conclusie: Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde flora niet noodzakelijk.

5.2 Zoogdieren 5.2.1 Vleermuizen Voorkomen en functie In het plangebied is tijdens de veldbezoeken beoordeeld of de locatie geschikt is voor vleermuizen. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen verblijfplaats, vliegroute en foerageergebied. In het plangebied kunnen de volgende vleermuissoorten voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en mogelijk ook watervleermuis.

Sloop en herontwikkeling - Gedempte Where 1 te Purmerend Definitief

14

Verblijfplaats Vleermuizen maken gedurende het jaar gebruik van een netwerk van vaste rust- en verblijfplaatsen. Zie ook kader - vleermuisverblijfplaatsen Deze verblijfplaatsen kunnen de volgende functies hebben: • kraamverblijfplaats • zomerverblijfplaats • paar- en/of baltsverblijfplaats • winterverblijfplaats Kader - vleermuisverblijfplaatsen Onder de vleermuizen zijn gebouw bewonende en/of boom bewonende soorten aanwezig. De gewone dwergvleermuis en laatvlieger zijn hoofdzakelijk gebouwbewonend. De watervleermuis is voornamelijk boombewonend en de ruige dwergvleermuis bewoont zowel bomen als gebouwen. Voorbeelden van verblijfplaatsen in gebouwen zijn ruimtes in spouwmuren en achter boeiboorden en gevelbetimmering. Holten en spleten in bomen en ruimtes achter loszittend schors zijn voorbeelden van verblijfplaatsen in bomen. Vanuit de verschillende functies van de verblijfplaats worden weer andere eisen gesteld aan bijvoorbeeld het klimaat, de toegankelijkheid en de expositie van het verblijf ten opzichte van de zon. Als kraamverblijfplaats worden meestal gebouwen en/of bomen uitgekozen waarbinnen een constant klimaat heerst. Bij gebouwen zijn dit voornamelijk woningen met een spouwmuur of een geïsoleerd dak. Sommige vleermuizen hebben aan een opening van 1-2 cm voldoende om naar binnen te kruipen. Bij bomen gaat het meestal om dikke, oude bomen met een dikke restwand.

Het pand biedt potentiële verblijfplaatsen voor gebouwbewonende soorten zoals de gewone dwergvleermuis en de laatvlieger. Het pand heeft open stootvoegen en ruimte onder de dakranden. Ook de bomen in de groenstrook kunnen potentiele verblijfplaatsen voor boombewonende vleermuizen zoals de ruige dwergvleermuis bieden. Dit doordat kleine kieren en scheuren/loszittend schors aanwezig zijn. Groetere holten ontbreken waardoor de bomen geen potentie hebben voor soorten als rosse vleermuis. Foerageergebied en vliegroutes Het plangebied en de omgeving zijn geschikt als foerageergebied, onder meer door de aanwezigheid van het groen in de omgeving langs het kanaal en de aan de overkant aanwezige bosschages. Vleermuizen gebruiken lijnvormige elementen om zich langs te verplaatsen, zoals boomrijen en watergangen, welke als vliegroute kunnen dienen. Deze zijn binnen het plangebied aanwezig zoals het groen langs het kanaal en de lindebomenrij langs de weg Gedampte Where. Zie ook kader – foerageergebieden en vliegroutes.

Sloop en herontwikkeling - Gedempte Where 1 te Purmerend Definitief

15

Kader - Foerageergebieden en vliegroutes Foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd indien bij het verdwijnen ook een verblijfplaats ongeschikt wordt. Bijvoorbeeld door het onderbreken van een vliegroute wordt een foerageergebied onbereikbaar, waardoor de vleermuizen onvoldoende voedsel kunnen vinden. Bij het verdwijnen van foerageergebieden of vliegroutes wordt derhalve onderzocht of er voldoende bereikbare alternatieven zijn. Vleermuizen maken gebruik van lijnvormige landschapselementen zoals bomenrijen en singels om zich langs te verplaatsen. Een aaneengesloten kronendak heeft hierbij de voorkeur. Van vleermuizen is bekend dat onderbrekingen in de lijnstructuur maximaal 100 tot 200 meter mogen bedragen (kleinere en langzaam vliegende soorten 50 meter). Wanneer de onderbrekingen groter zijn dan deze afstand kunnen sommige soorten deze afstand niet overbruggen en zullen ze uitwijken naar alternatieve vliegroutes en foerageergebieden.

Effecten en ontheffing Alle vleermuissoorten zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming met beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. Het opzettelijk verstoren, vangen en doden van individuen van beschermde soorten, alsmede het beschadigen of vernielen van vaste verblijfplaatsen, inclusief de functionele leefomgeving, is verboden vanuit de Wet natuurbescherming. De functionaliteit van de verblijfplaatsen van vleermuizen dienen te allen tijde gegarandeerd te blijven. Plaatselijke factoren met betrekking tot vleermuizen: Verblijfplaatsen: Binnen het plangebied bieden met name het pand potentiële verblijfplaatsen voor vleermuizen. De bomen zijn matig geschikt als potentieel verblijf omdat grotere holten en kieren ontbreken. Nader onderzoek is noodzakelijk om de aan- of afwezigheid van verblijfplaatsen vast te stellen. Vliegroutes: De watergang (kanaal de Where) vormt een lijnvormig element waar vleermuizen gebruik van kunnen maken als vliegroute. De bomen in het plangebied staan ook in lijn, al vormen zij geen verbindend element tussen groengebieden en zijn alternatieven aanwezig als het kanaal en ander groen langs het kanaal. Ook blijven bomen langs de Gedempte Where behouden. Een (essentiële) vliegroute wordt daardoor niet aangetast.

Belangrijk is om uitstraling van verlichting richting het kanaal zo veel mogelijk te voorkomen, in verband met een eventuele vliegroute ter plaatse. Zie ook kader verlichting. Foerageergebied: Het plangebied kan worden gebruikt als foerageergebied, hoewel het geen essentieel foerageergebied betreft door de zeer beperkte grootte en aanwezig groen en omdat in de directe omgeving (aan de andere zijde van het kanaal) alternatief foerageergebied in de vorm van bosschages en groenstroken aanwezig is, zoals het Dirk Grootplantsoen. Conclusie: Nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen in het pand en de beplanting is noodzakelijk.

Sloop en herontwikkeling - Gedempte Where 1 te Purmerend Definitief

16

Kader – Verlichting Een aantal nachtactieve dieren, zoals vleermuizen, uilen en marters, zijn gevoelig voor verlichting. Er zijn soorten die kunstlicht zoveel mogelijk vermijden, zoals de watervleermuis, en er zijn soorten die (in beperkte mate) rond lantaarnpalen jagen, zoals de rosse vleermuis. Bij het plaatsen van verlichting bij in- en/of uitvliegopeningen, vliegroutes en foerageergebieden kunnen barrières ontstaan waardoor de vleermuizen van de verblijfplaatsen, vliegroute en/of foerageergebied afzien.

Er dient te allen tijde rekening gehouden te worden met verlichting, door verlichting tot een minimum te beperken en directe belichting van de omgeving en onverlichte gebiedsdelen te voorkomen. Om lichthinder te voorkomen en het gebied aantrekkelijker te maken voor vleermuizen kunnen verschillende maatregelen getroffen worden:

-

verlichting alleen plaatsen waar het echt nodig is

-

beperk verstrooiing het licht tot een minimum door gebruik van aangepaste armatuur

-

geen verlichting plaatsen bij in- en/of uitvliegopeningen en vliegroutes

verlichting alleen aan op momenten wanneer het nodig is (dynamische verlichting) verlaag de hoogte van de lichtmasten zodat boomkronen onverlicht blijven

Hieronder staan enkele voorbeelden om lichtverstrooiing te voorkomen.

5.2.2 Overige zoogdieren Voorkomen en functie Op basis van de aanwezige biotoop, sporen, literatuurgegevens en expertise zijn onder andere de volgende algemeen voorkomende zoogdieren binnen het plangebied aanwezig of te verwachten: egel, mol en diverse algemene muizen, allen soorten die het plangebied kunnen benutten als (onderdeel van hun) leef- en foerageergebied. Deze soorten zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming en vallen onder het beschermingsregime “andere soorten”. In de provincie Noord-Holland is voor deze soorten bij een ruimtelijke inrichting een vrijstelling van de ontheffingsplicht opgesteld. Andere beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt zijn bijvoorbeeld steenmarter en rode eekhoorn. Deze komen in de ruimere omgeving buiten Purmerend voor. Verblijfplaatsen van deze soorten zijn dan ook niet in het plangebied aangetroffen en ook geen sporen daarvan.

Sloop en herontwikkeling - Gedempte Where 1 te Purmerend Definitief

17

Effecten en ontheffing De voorgenomen werkzaamheden zullen naar verwachting leiden tot een beperkt verlies van leefgebied van genoemde (algemeen) voorkomende zoogdieren met het beschermingsregime andere soorten. Voor deze beschermde soorten is bij een ruimtelijke inrichting door de provincie Noord-Holland een vrijstelling van ontheffing opgesteld. Voor overige beschermde soorten zonder vrijstelling zoals steenmarter en rode eekhoorn geldt dat negatieve effecten zijn uit te sluiten. Verblijfplaatsen en essentieel leefgebied liggen niet binnen het plangebied. Een negatief effect op beschermde grondgebonden zoogdieren is daarom uitgesloten. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor grondgebonden zoogdieren niet noodzakelijk.

5.3 Vogels Voorkomen en functie Alle vogels zijn als soort beschermd in de Wet natuurbescherming. Onderscheid kan gemaakt worden tussen broedvogels en vogels met jaarrond beschermde nesten. Vogels met jaarrond beschermde nesten komen elk jaar terug bij hun nest. Deze nesten mogen dan ook niet buiten het broedseizoen verwijderd worden. Broedvogels De aangetroffen vogels binnen en direct rondom het plangebied vallen onder de algemene broedvogels van bossen, struwelen en parken. Onder andere de volgende vogelsoorten kunnen gebruik maken van het onderzoeksgebied; ekster, houtduif, koolmees, merel en winterkoning. Vogels met jaarrond beschermde nesten Van vogelsoorten die jaarrond van vaste rust- en verblijfplaatsen gebruik maken zijn verblijfplaatsen, of andere aanwijzingen (braakballen of uitwerpselen) hiertoe, niet aangetroffen binnen het plangebied. Wel is het mogelijk dat vogels met jaarrond beschermde nesten, zoals buizerd en havik, het plangebied gebruiken als onderdeel van hun foerageergebied. Huismussen en gierzwaluwen maken voor hun nestlocatie doorgaans gebruik van bebouwing met dakpannen. Dit ontbreekt in het plangebied: het pand heeft een plat dak. Andere potentiële verblijfplaatsen zijn ook afwezig. Daarnaast zijn tijdens het veldbezoek geen mussen of gierzwaluwen aangetroffen.

Effecten en ontheffing Broedvogels Alle vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming. Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, alsook op het wegnemen van eieren en/of nesten van vogels. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Deze verbodsbepalingen kunnen in veel situaties worden voorkomen door verstorende werkzaamheden

Sloop en herontwikkeling - Gedempte Where 1 te Purmerend Definitief

18

buiten het broedseizoen uit te voeren. De periode van 1 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er met deze werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord. Voor de Wet natuurbescherming zijn echter alle bewoonde vogelnesten beschermd, ongeacht het tijdstip van het jaar en ongeacht de zeldzaamheid van de soort. Vogels met jaarrond beschermde nesten Van een aantal vogelsoorten zijn de nesten het hele jaar door beschermd. Ook de functionele leefomgeving is daarbij beschermd. Bij de aantasting van de nestlocatie en/of de functionele leefomgeving is een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk. Tijdens het veldbezoek zijn geen jaarrond beschermde nesten of sporen daartoe aangetroffen. Het is wel mogelijk dat vogels met jaarrond beschermde nesten die een nest hebben in de omgeving van het plangebied, van het gebied gebruik maken als onderdeel van hun foerageergebied. Echter, het plangebied vormt geen essentieel foerageergebied, omdat in de omgeving geschikt alternatief aanwezig is bestaande uit onder andere de bosschages en groenstroken aan de andere zijde van het Kanaal. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is voor vogels niet noodzakelijk.

Bij de aanvang van en tijdens de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met (in gebruik zijnde) nesten van vogels en de jongen die nog in het gebied kunnen voorkomen. De zorgplicht is te allen tijde van kracht.

5.4 Reptielen Voorkomen en functie Beschermde reptielen, zoals gladde slang, levendbarende hagedis en hazelworm, zijn gebonden aan specifieke terreinen. In het plangebied ontbreekt een dergelijke geschikte biotoop, zoals heideterreinen, venranden en goed ontwikkelde watergangen. Effecten en ontheffing Volgens de verspreidingsgegevens komen er geen beschermde reptielen voor in het plangebied. Bovendien ontbreek de geschikte biotoop in het plangebied. Er zijn ook geen beschermde reptielen aangetroffen. Op basis daarvan kunnen beschermde reptielen en negatieve effecten daarop worden uitgesloten. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is voor reptielen niet aan de orde. Conclusie: Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor reptielen niet noodzakelijk.

5.5 Amfibieën Voorkomen en functie Een aantal soorten zoals bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander kunnen het plangebied gebruiken als landbiotoop. Deze soorten zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming

Sloop en herontwikkeling - Gedempte Where 1 te Purmerend Definitief

19

en vallen onder het beschermingsregime “andere soorten”. In de provincie Noord-Holland is voor deze soorten bij een ruimtelijke inrichting een vrijstelling van de ontheffingsplicht opgesteld. Andere beschermde amfibieën als kamsalamander of rugstreeppad worden niet verwacht in het plangebied vanwege het ontbreken van een geschikte habitat voor deze soorten. Zo zijn er geen poelen en/of vergraafbare grond in het onderzoeksgebied. Er zijn ook geen verspreidingsgegevens bekend van beschermde amfibieën rondom het onderzoeksgebied. Effecten en ontheffing De ingreep zal naar verwachting leiden tot een beperkt verlies van leefgebied van genoemde (algemeen) voorkomende amfibieën met het beschermingsregime andere soorten. Voor deze beschermde soorten geldt bij een ruimtelijke inrichting door de provincie Noord-Holland een vrijstelling van ontheffing. Beschermde soorten kunnen worden uitgesloten vanwege het ontbreken van een geschikte habitat. Negatieve effecten voor beschermde amfibieën kunnen worden uitgesloten. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Conclusie: Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor amfibieën niet noodzakelijk.

5.6 Vissen Voorkomen en functie Binnen het plangebied zijn geen waterelementen aanwezig, hierdoor ontbreekt dan ook geschikte habitat voor vissen. Effecten en ontheffing Door het ontbreken van waterelementen zijn geen vissen in het plangebied aanwezig. Een ontheffing of nader onderzoek is niet noodzakelijk. Conclusie: Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde vissen is niet van toepassing.

5.7 Ongewervelden Voorkomen en functie Van de groep ongewervelden (dagvlinders, libellen, kevers, kreeftachtigen en weekdieren) worden beschermde soorten als gevlekte witsnuitlibel en platte schijfhoorn niet verwacht. Dit door het ontbreken van een geschikte habitat die onder andere bestaat uit heideterreinen, poelen, goed ontwikkelde watergangen en venranden. Ook zijn er geen verspreidingsgegevens bekend van beschermde ongewervelden in en rondom het onderzoeksgebied.

Sloop en herontwikkeling - Gedempte Where 1 te Purmerend Definitief

20

Effecten en ontheffing Door het ontbreken van water en geschikte habitat in het plangebied zijn er geen beschermde ongewervelden aanwezig. Er is geen sprake van negatieve effecten op beschermde ongewervelden. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is voor ongewervelden niet aan de orde. Conclusie: Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde ongewervelden niet noodzakelijk.

Sloop en herontwikkeling - Gedempte Where 1 te Purmerend Definitief

21

6 Conclusie Op basis van deze quickscan worden de onderstaande conclusies getrokken.

6.1 Bescherming soorten De voorgenomen werkzaamheden om het pand te slopen, bomen te kappen en groen te verwijderen voor herontwikkeling, zal naar verwachting leiden tot een beperk verlies van leefgebied van enkele overige beschermde soorten. Hiervoor zijn door de provincie Noord-Holland vrijstellingen van de ontheffingsplicht opgesteld. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten, omdat er voldoende leefgebied aanwezig blijft en het relatief algemene soorten betreft. Voor deze soorten geldt dan ook een vrijstelling van ontheffingsplicht indien het een ruimtelijke ontwikkeling betreft. Nader onderzoek naar deze overig beschermde soorten (algemeen voorkomende amfibieën en zoogdieren) of een ontheffing Wet natuurbescherming is daarom niet noodzakelijk. Nader onderzoek naar verblijfplaatsen vleermuizen is wel noodzakelijk. In het te slopen bedrijfspand en de te kappen bomen zijn mogelijk verblijfplaatsen aanwezig, omdat het gebouw en enkele bomen potentieel geschikt is voor vleermuisverblijfplaatsen. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met het broedseizoen van vogels. Dit wordt hieronder verder uitgelegd.

6.1.1 Nader onderzoek naar vleermuizen Naar aanleiding van deze toetsing kunnen verblijfplaatsen van vleermuizen in het pand en in de bomen niet worden uitgesloten. Op basis daarvan is nader onderzoek naar vleermuizen noodzakelijk. Dit onderzoek moet voor de start van de werkzaamheden worden uitgevoerd. Bij de uitvoering van vleermuisonderzoek wordt gewerkt conform het vigerende ‘Vleermuisprotocol’ (2017) dat door het Ministerie van Economische Zaken is goedgekeurd en wordt gehanteerd door het Netwerk Groene Bureaus. Het vleermuisonderzoek kan slechts in een beperkte periode van het jaar worden uitgevoerd. Het onderzoek voor dit plangebied in deze toetsing bestaan uit: 2 bezoeken tussen 15 augustus en 1 oktober, in 2019 3 bezoeken tussen 15 mei - 15 juli, in 2020 Tussen de bezoeken zit in de regel 20 tot 30 dagen. Het onderzoek is in september 2019 gestart. Afhankelijk van wat wordt aangetroffen bij het nader onderzoek kan dit consequenties hebben voor de planning en wijze van de uitvoering van werkzaamheden. Daarnaast kunnen zogenaamde compenserende en mitigerende maatregelen nodig zijn.

Sloop en herontwikkeling - Gedempte Where 1 te Purmerend Definitief

22

6.1.2 Rekening houden met vogels Voor alle beschermde, inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Wet natuurbescherming een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren. Ook handelingen die een vaste rust- of verblijfplaats van beschermde vogels verstoren zijn niet toegestaan. In de praktijk betekent dit dat verstorende werkzaamheden alleen buiten het broedseizoen1 mogen worden uitgevoerd. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er met de werkzaamheden geen bezette nesten worden verstoord.

6.2 Bescherming gebieden Niet stikstof-gerelateerde effecten: In de directe omgeving van het plangebied liggen diverse Natura 2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft het gebied Polder Zeevang en ligt op een afstand circa 3 kilometer van het plangebied. De aard van de uitgevoerde werkzaamheden maakt dat de effecten uitsluitend tot het plangebied of in de zeer directe zone eromheen beperkt blijven. Gezien de afstand tot de Natura 2000-gebieden, de invulling van de tussenliggende gebieden en de uitgevoerde werkzaamheden is er geen sprake van mogelijk negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden, zij het door een rechtstreekse invloed, cumulatieve invloed of externe werking. Een toetsing op grond van de Wet natuurbescherming wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Stikstof-gerelateerde effecten Met de voorgenomen tijdelijke werkzaamheden (aanlegfase) worden mobiele werktuigen gebruikt die stikstof uitstoten. Er zal derhalve een stikstofdepositieberekening met Aerius gemaakt moeten worden om de depositie van stikstofstof inzichtelijk te maken. In de nieuwe situatie (gebruiksfase) zal de verkeersintensiteit veranderen, waardoor tevens een berekening noodzakelijk is om de toename van stikstofdepositie in kaart te brengen.

6.3 Bescherming houtopstanden Het plangebied valt binnen de begrenzing van de bebouwde kom boswet. Hierdoor is een nadere toetsing van houtopstanden niet aan de orde.

6.4 Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het NNN- gebied. Een toetsing aan het NNN- beleid wordt daarom niet noodzakelijk geacht.

1

In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval wordt verstoord, ongeacht de datum. Globaal gaat het echter om de periode van 1 maart tot 15 juli.

Sloop en herontwikkeling - Gedempte Where 1 te Purmerend Definitief

23

6.5 Geldigheid onderzoek Dit rapport gaat in op de effecten van de ontwikkeling zoals beschreven in hoofdstuk 2.2 Wijzigingen of aanpassingen in de ontwikkeling kunnen tot andere conclusies ten aanzien van de effecten op beschermde soorten leiden.

Sloop en herontwikkeling - Gedempte Where 1 te Purmerend Definitief

24

Literatuurlijst •

•

•

• • •

•

Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) (2016). Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Centre & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers R.C.M. & van Delft J.J.C.W. (2009). De amfibieën en reptielen van Nederland, Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European invertabrate Survey – Nederland, Leiden. Limpens, H., P. Twisk & G. Veenbaas (2004). Met vleermuizen overweg. Brochure over vleermuizen en de wijze waarop bij planning, aanleg, reconstructie en beheer van wegen praktische invullingen kan worden gegeven aan de wettelijke zorgplicht voor vleermuizen. Dienst Weg- en Waterbouwkunde, Delft / Zoogdiervereniging, Arnhem. Ministerie van Economische Zaken (2016). Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Ministerie van Economische Zaken, versie 1.3. SOVON Vogelonderzoek Nederland. (2002). Atlas van de Nederlandse broedvogels, - Nederlandse fauna 5. Leiden, Nederland: KNNV Uitgeverij & European invertabrate Survey – Nederland. Vogel R.L., Bouwma I., Koese B., Kranenbarg J., La Haye M., Odé B., Sierdsema H., Sparrius L., Verburg P. & Zollinger R. (2013). Het belang van Nederland buiten de Ecologische Hoofdstructuur voor soorten van de Vogelrichtlijn en van bijlage V van de Habitatrichtlijn. Sovon-rapport 2013.015. Sovon, Nijmegen.

Weeda, R., Westra, C., Westra, E. J., & Westra, T. (1985-1994). Nederlandse oecologische flora: Wilde planten en hun relaties 1 t/m 5. Amsterdam, Nederland: IVN in samenw. met de Vara en de VEWIN.

Soortinformatie: • - www.zoogdiervereniging.nl • - www.ravon.nl • - www.sovon.nl • - www.floron.nl • - www.verspreidingsatlas.nl

Provincie Noord-Holland, Natura 2000-gebieden en NNN: - Provincie Noord-Holland https://noord-holland-extern.tercera-ro.nl/MapViewer/(19-9-2019) Provincie Noord-Holland https://www.noordholland.nl/Onderwerpen/Natuur/Natura_2000/Natura_2000_beheerplannen (199-2019) Provincie Noord-Holland https://maps.noord-holland.nl/Groenprojecten/desk.htm (19-9-2019

-

Provincie Noord-Holland https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/default.aspx?main=natura2000 (19-9-2019)

Bijlage 1 Wettelijk kader natuurwetgeving Bescherming van soorten Zorgplicht De Wet natuurbescherming erkent de intrinsieke waarde van in het wild levende planten- en diersoorten, of de soort nu beschermd is of niet (= zorgplicht). Deze zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wilde levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld, maar kan door toepassing van bestuursdwang wel worden gehandhaafd. Beschermingsregimes Op het onderdeel soortbescherming deelt de Wet natuurbescherming soorten in drie beschermingsregimes in: 1.

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Alle vogels cf. artikel Vogelrichtlijn 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Soorten uit Bijlage IV Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd 2. 3. Beschermingsregime “andere soorten” Soorten die uit nationaal oogpunt bescherming behoeven. Elk van deze beschermingsregimes heeft zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Verbodsbepalingen De Wet natuurbescherming gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. In de wet worden ten aanzien van de beschermde soorten een aantal verbodsbepalingen genoemd (figuur 1). De verbodsbepalingen zijn gekoppeld aan het beschermingsregime van de soort (resp. Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of de groep ‘Overige soorten’). Dat betekent dat deze verbodsbepalingen niet overtreden mogen worden, tenzij voor de soort(en): • Een vrijstelling geldt; • Er gewerkt wordt met een goedgekeurde Gedragscode (feitelijk een collectieve ontheffing); • Een ontheffing is verkregen.

2 De brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016 impliceert dat de

bescherming uit de Vogelrichtlijn prevaleert boven de bescherming van vogels uit de verdragen van Bonn en Bern

www.eelerwoude.nl

Figuur 1. Overzicht verbodsbepalingen Wet Natuurbescherming (bron: brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016).

Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen (en deze toch te mogen overtreden) via een ontheffing of een vrijstelling moet aan drie criteria worden voldaan: 1. Er is geen andere bevredigende oplossing voor de handeling (=alternatievenafweging); 2. De afwijking is gebaseerd op een in de wet genoemd belang (b.v. openbare veiligheid of volksgezondheid); 3. De ingreep of handeling mag geen afbreuk doen aan en/of verslechtering betekenen voor de staat van instandhouding van de soort. Als aan (alle) drie deze vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk in de vorm van een provinciale verordening of een (goedgekeurde) gedragscode. Voorgaand figuur geeft een overzicht van de verbodsbepalingen per beschermingsregime. De verbodsbepalingen voor de groep van overige, ‘nationale’ soorten zijn geïnspireerd op de Habitatrichtlijn en op een aantal punten versoepeld. Zo is het opzettelijk verstoren van beschermde soorten (en hun verblijfplaatsen) uit deze groep van overige soorten niet langer verboden. Wel is het nog steeds verboden om vaste verblijfplaatsen van dieren onder dit beschermingsregime opzettelijk te beschadigen of te vernielen.

Voor vogels geldt dat verstoren niet verboden is als de verstoring maar niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort (artikel 3.1, lid 4 en lid 5). Het beschadigen van in gebruik zijnde vogelnesten tijdens het broedseizoen blijft verboden, maar het verstoren dus niet meer, tenzij er sprake is van een wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de specifieke soort(en). Het is aan de initiatiefnemer om zich op de

www.eelerwoude.nl

hoogte te (laten) stellen, en waar nodig aan te tonen, dat de op zich verstorende activiteit geen bedreiging vormt voor de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort. Tot slot geldt het opzettelijk doden of vangen en het verbod om vaste verblijfplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te vernielen of beschadigen, niet voor bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis in of op gebouwen of de daarbij behorende erven of roerende zaken (artikel 3.10 lid 3). Kader - Opzettelijkheid In de Wet natuurbescherming is bij meer verbodsbepalingen dan onder de Flora en faunawet het opzetvereiste toegevoegd, in lijn met de artikelen van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. In de Flora en faunawet was alleen sprake van het opzetvereiste bij verontrusting (artikel 10). Hierdoor was de Flora en faunawet strenger dan de verbodsbepalingen van de Habitatrichtlijn. Niet-opzettelijke handelingen waarbij de verbodsbepalingen overtreden worden, zijn nu niet langer verboden. Daar is van belang dat het Europees Hof van Justitie in zijn jurisprudentie heeft bepaald dat onder opzet ook voorwaardelijke opzet moet worden begrepen: “Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of plant….”.

Andere bevredigende oplossing(en) De initiatiefnemer moet aantonen en beargumenteren dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn waardoor overtreding van de verbodsbepaling(en) kan worden voorkomen, bijvoorbeeld door planaanpassing of het aanpassen van de uitvoeringsperiode. Het is aan het bevoegd gezag (doorgaans dus de provincie) om de alternatieve oplossingen te beoordelen en hierover te besluiten. De onderbouwing moet gebaseerd zijn op objectieve en controleerbare gegevens. Belangen Voor de soorten die beschermd zijn onder de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn kan alleen ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de in deze richtlijnen genoemde belangen. Voor de groep van overige, nationaal beschermde soorten wordt uitgegaan van de in de Habitatrichtlijn genoemde belangen, plus een aantal aanvullende belangen. In het Kader Wettelijk Belang wordt een overzicht gegeven van deze belangen. Staat van instandhouding van de soort Tot slot moeten de effecten van de voorgenomen handeling(en) worden beoordeeld aan de staat van instandhouding (SvI) van de soort. De SvI varieert per soort en per handeling, en is niet vastgelegd in de wet. Een handeling op een zeldzame beschermde soort zal eerder leiden tot een negatief effect op de SvI dan bij een algemene soort. Belangrijk is ook de trend (aantalsontwikkeling) en de ruimtelijke verspreiding van de soort.

Bij de beoordeling moet rekening worden gehouden met cumulatieve (versterkende) effecten, bijvoorbeeld door andere handelingen of ontwikkelingen in de omgeving en met reeds verleende ontheffingen voor dezelfde populaties van deze soort(en). Bij de beoordeling mogen compenserende en mitigerende (verzachtende) maatregelen worden betrokken. Het ecologische toetsingscriterium verschilt per beschermingsregime. Om te beoordelen of aan deze criteria wordt voldaan, moeten inzicht worden gegeven in: 1. 2.

De SvI (van de populatie) van de soort (in zijn natuurlijke verspreidingsgebied). Het effect van de handeling of ontwikkeling op de soort.

www.eelerwoude.nl

Kader - Staat van instandhouding •

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn: “De maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de betreffende soort”.

•

Beschermingsregime soort Habitatrichtlijn: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.

•

Beschermingsregime Overige soorten: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.

Voorkomen van overtreding verbodsbepalingen In sommige situaties kunnen maatregelen worden getroffen waardoor negatieve effecten en overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kunnen worden voorkomen. Bijvoorbeeld door de kap van bomen met broedende vogels uit te stellen tot na de broedtijd. Al kan de boom ook een nest bevatten van een vogelsoort waarbij het nest jaarrond beschermd is, waardoor overtreding niet kan worden voorkomen. Het plannen van werkzaamheden buiten de kwetsbare periode(n) van beschermde soorten is een veel toegepaste maatregel. Andere mogelijkheden om overtreding te voorkomen zijn wellicht het aanpassen van de werkvolgorde, gebruik te maken van andere apparatuur of de werkzaamheden te faseren in ruimte en tijd (zoals in het voorbeeld). Vrijstellingen Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen die leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen in de wet. Dit zijn bijvoorbeeld de provinciale vrijstellingen en de gedragscodes. Ook kan er sprake zijn van een vrijstelling als de handeling is opgenomen in een beheerplan voor een Natura 2000gebied of programma in het kader van een programmatische aanpak. Tot slot kan het Rijk voor handelingen en activiteiten waarvoor zij bevoegd gezag is een vrijstelling geven in de vorm van een Ministeriele Regeling.

Vrijstellingen kunnen alleen gelden voor de verbodsbepalingen en de voorwaarden zoals genoemd bij de verschillende beschermingsregimes. Provinciale verordening Provinciale Staten kunnen vrijstelling van de verbodsbepalingen verlenen. Zo zijn met een provinciale verordening een aantal vooral algemeen voorkomende en beschermde zoogdieren als egel en rosse woelmuis vrijgesteld van de ontheffingsplicht. Door deze mogelijkheid ontstaan echter wel verschillen in de bescherming van soorten tussen de verschillende provincies.

www.eelerwoude.nl

Kader - Wettelijk Belang Voor vogels beschermd onder de Vogelrichtlijn kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: •

in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;

•

in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;

•

ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;

•

ter bescherming van flora en fauna;

•

voor onderzoek en onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt;

•

om het vangen, onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan.

Voor soorten beschermd onder de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern of het Verdrag van Bonn kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: •

in het belang van de bescherming van wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;

•

ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen eigendom;

•

in het belang van volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijk gunstige effecten;

•

voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van kunstmatige vermeerdering van planten, of

•

om onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen, onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben.

Voor andere ‘nationaal’ beschermde soorten kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: •

de belangen die gelden voor soorten van de Habitatrichtlijn zoals hierboven genoemd;

•

in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied;

•

ter voorkoming van schade en overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes of begraafplaatsen;

•

ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden;

•

ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren;

•

in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw;

•

in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;

•

in het kader van bestendig beheer of onderhoud van landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied;

•

in het algemeen belang van de betreffende soort.

www.eelerwoude.nl

Programmatische aanpak De Wet natuurbescherming biedt de mogelijkheid om een programmatische aanpak toe te passen. Een dergelijk programma kan zowel door het Rijk als door provincies worden opgesteld. Onder de Flora en faunawet is reeds ervaring opgedaan onder de ‘Generieke’ of ‘Gebiedsgerichte aanpak’. Tevens is voor een aantal grootschalige ontwikkelingen en plangebieden Generieke ontheffing verleend zoals voor de gemeente Tilburg, het Havengebied Rotterdam en Vliegveld Twente. Het biedt de mogelijkheid om door middel van een actieve leefgebiedenbenadering te streven naar een betere verbinding tussen economie en ecologie. Beheerplan Natura 2000-gebied Tot slot zijn handelingen die onderdeel uitmaken van een beheerplan voor een Natura 2000-gebied of een programmatische aanpak (zoals stikstof) vrijgesteld, mits de handelingen zijn getoetst aan de criteria voor afwijking van de soortenbeschermingsregimes.

www.eelerwoude.nl

www.eelerwoude.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9773572/1