c1. Overzicht Beemster, wijzigingen en toelichting APV Beemster 2021
Tekst van het document
Het eerste lid is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.
Artikel 3.11 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke 1. Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotischpornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen: a. indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt; b. anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde regels. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.
Dit artikel uit de model Apv aangaande ‘handhaving straatprostitutie’ is facultatief en wordt vooralsnog niet overgenomen. Wellicht is er later wel behoefte om dit artikel alsnog in de Apv op te nemen. Artikel van model Apv overgenomen. Dit artikel is nieuw voor Beemster.
(facultatieve) artikel van model Apv overgenomen. Hierdoor is het bepaalde onder lid 1, sub b, komen te vervallen.
56
Artikel 3.10 Sekswinkels Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een sekswinkel te exploiteren. Afdeling 5 Overgangsbepaling Artikel 3.16 Overgangsbepaling [gereserveerd]
n.v.t.
Hoofdstuk 4 Bescherming van het milieu en het netuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente Afdeling 1 Geluidhinder en verlichting
Hoofdstuk 4. Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente Afdeling 1. Voorkomen of beperken (geluid)hinder en hinder door verlichting
Artikel 4.1 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: a. Besluit: het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer; b. inrichting: een inrichting type A of type B, als bedoeld in het besluit; c. houder van een inrichting: degene die als eigenaar, leidinggevende of anderszins een inrichting drijft; d. collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden. e. incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit de gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen. f. Geluidsgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige gebouwen, met uitzondering van gebouwen behorende bij de betreffende inrichting; g. Geluidsgevoelige terreinen: terreinen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige terreinen met uitzondering van terreinen behorende bij de betreffende inrichting. h. Onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt. Artikel 4.2 Aanwijzing collectieve festiviteiten 1. De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit zijn niet van toepassing op door het college per kalenderjaar aan te wijzen dagen of dagdelen. 2.
De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 4.113, eerste lid, van het
Artikel 4:1 Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: - collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; - gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer; - gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer; - houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; - incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen; - inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, met dien verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer; - onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.
n.v.t. n.v.t.
Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten 1. De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5 gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van
Dit artikel komt niet (meer) voor in de model Apv en is daarom komen te vervallen. Dit artikel komt niet (meer) voor in de model Apv en is daarom komen te vervallen. Tekstuele verbetering.
Geluid staat tussen haakjes, omdat deze afdeling ook betrekking heeft op andere hinder dan geluidhinder. Artikel van model Apv overgenomen. In het nieuwe artikel wordt aangesloten bij het Activiteitenbesluit milieubeheer.
Artikel geactualiseerd conform model Apv. De leden 6 tot en met 9 zijn nieuw toegevoegd. De normen (db’s en tijden) van het huidige uitvoeringsbesluit zijn in deze leden verwerkt.
57
besluit gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer kernen van de gemeente. 4. Het college maakt de aanwijzing voor het begin van het nieuwe kalenderjaar bekend. 5. Het college kan, wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. 6. Het bevoegd bestuursorgaan kan, ten aanzien van de geluidsnormen tijdens collectieve festiviteiten, nadere regels stellen ter voorkoming of beperking van geluidsoverlast.
Artikel 4.3 Kennisgeving incidentele festiviteiten 1. Het is een inrichting toegestaan maximaal 4 incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de
sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer kernen van de gemeente. 4. Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend. 5. Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het college een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. 6. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan 70 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter en 55 dB(A) in in- en aanpandige gevoelige gebouwen. 7. De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten. 8.
Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5, uiterlijk beëindigd: - om 23:00 uur indien muziek buiten het bebouwde gedeelte van de inrichtingen ten gehore wordt gebracht; en - om 01:00 uur indien muziek binnen het bebouwde gedeelte van de inrichtingen (inpandig) plaatsvindt. 9. Het college kan voor een bepaald gebied en of een inrichting een lager maximum vaststellen dan het bepaalde in het zesde lid. Artikel 4:3 Melding incidentele festiviteiten 1. Het is een inrichting toegestaan op maximaal 12 dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5, niet van toepassing zijn, mits de houder van
Artikel geactualiseerd conform model Apv. Ten aanzien van het eerste lid was er verschil tussen Purmerend (12 festiviteiten) en Beemster (4 festiviteiten). Er is voor gekozen om dit gelijk te trekken en het aantal op 12 te stellen. De leden 2, 3 en 4 zijn nieuw. Ook de leden 6 tot en met 11 zijn nieuw toegevoegd. De normen (db’s en tijden) van het
58
aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. 2. Een kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. 3. Het eerste lid van artikel 4.113 van het Besluit is niet van toepassing in de gevallen genoemd in het eerste en tweede lid van dit artikel. 4. Het bevoegd bestuursorgaan kan, ten aanzien van de geluidsnormen tijdens incidentele festiviteiten, nadere regels stellen ter voorkoming of beperking van geluidsoverlast.
de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college. 2. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 12 dagen of dagdelen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college. 3. Het college stelt een formulier vast voor het doen van de melding. 4. De melding is gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. 5. De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. 6. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting bedraagt niet meer dan 70 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter en 55 dB(A) in in- en aanpandige gevoelige gebouwen. 7. De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie.
Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten. 8. Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5, uiterlijk beëindigd: - om 23:00 uur indien muziek buiten het bebouwde gedeelte van de inrichting ten gehore wordt gebracht en; - om 01:00 uur indien muziek binnen het bebouwde gedeelte van de inrichting (inpandig) plaatsvindt. 9. De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, geldt voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte. 10. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor
huidige uitvoeringsbesluit zijn in deze leden verwerkt.
59
Artikel 4.4 Verboden incidentele festiviteiten [gereserveerd] Artikel 4.5 Onversterkte muziek [gereserveerd]
het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen. 11. Het college kan voor een bepaald gebied en/of een bepaalde inrichting een lager maximum vaststellen dan het bepaalde in het zesde lid. Artikel 4:4 (Vervallen) Artikel 4:5 Onversterkte muziek 1. Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onder f, en vijfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer binnen inrichtingen is de in het tweede lid opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat: a. de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden als de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen; b. de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein; c. de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder en verblijfsruimten als bedoeld in artikel 1.1, onder d, van het Besluit geluidhinder; d. bij het bepalen van de geluidsniveaus als vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast. 2. Tabel
Dit artikel is komen te vervallen. Artikel van model Apv overgenomen. Het derde lid (de duur van 6 uur) is in lijn met beleid van omliggende gemeenten. De meeste omliggende gemeenten hanteren namelijk ook 6 uur als norm.
7.00- 19.00- 23.0019.00 23.00 7.00 uur uur uur LAr.LT op de gevel van 50 45 gevoelige dB(A) dB(A) gebouwen LAr.LT in inen 35 30 aanpandige dB(A) dB(A) gevoelige gebouwen LAmax op de gevel van 70 65 gevoelige dB(A) dB(A) gebouwen LAmax in inen 55 50 aanpandige dB(A) dB(A) gevoelige gebouwen
40 dB(A)
25 dB(A)
60 dB(A)
45 dB(A)
60
n.v.t. n.v.t.
3. Voor de duur van 6 uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid. 4. Als versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing. 5. Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in de artikelen 4:2 en 4:3. Artikel 4:5a (Gereserveerd) Artikel 4:5b Geluidhinder in de openlucht 1. Het is verboden buiten een inrichting in de openlucht een geluidsapparaat, toestel of machine in werking te hebben op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3. Het college kan terreinen of wateren aanwijzen waar het verbod niet van toepassing is op het in werking hebben van bepaalde in de aanwijzing aangewezen categorieën van geluidsapparaten, toestellen of machines, voor zover wordt voldaan aan de door het college vast te stellen voorschriften ter voorkoming of beperking van geluidhinder. 4. De in het derde lid bedoelde voorschriften kunnen onder meer betrekking hebben op: a. het maximale geluidsniveau; b.
de situering van geluidsbronnen; c. de frequentie en tijden van gebruik. 5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Bouwbesluit 2012 of de Provinciale Milieuverordening Noord-Holland. 6. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Dit (facultatieve) artikel aangaande ‘traditioneel schieten’ is op gereserveerd gezet. (facultatieve) artikel van model Apv overgenomen omdat hier vanuit de organisatie en omgeving behoefte aan is. De Beleidsregels voor het gebruik van knalapparaten in de gemeente Beemster vallen onder het nieuwe derde lid.
61
n.v.t.
Artikel 4:5c (Geluid)hinder door dieren Degene die buiten een inrichting de zorg heeft voor een dier, voorkomt dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder veroorzaakt.
n.v.t.
Artikel 4:5d (Geluid)hinder door motorboten 1. Het is verboden in de wateren in beheer bij de gemeente te varen met een grotere snelheid dan 6 km per uur. 2. Het is verboden om in door het college aangewezen wateren binnen de gemeente te varen met een motorboot, waaronder ook begrepen worden vaartuigen met een buitenboordmotor en jetski’s. 3. Het verbod in het tweede lid geldt niet voor fluisterboten en handmatig aangedreven boten. 4. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste en tweede lid gestelde verbod. 5. Het in het tweede lid bepaalde geldt niet voor zover het Binnenvaartpolitiereglement, het Algemeen reglement van politie voor rivieren en rijkskanalen, of de provinciale scheepvaartverordening van toepassing is. 6. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 4:6 Overige geluidhinder 1. Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Bouwbesluit 2012 of de
Artikel 4.6 Geluidhinder 1. Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of van het Besluit op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. 3. Het verbod geldt niet voor het gebruik van knalapparaten ter bescherming van gewassen tegen faunaschade, indien wordt voldaan aan de Beleidsregels
(facultatieve) artikel van de model Apv overgenomen, omdat Purmerend dit artikel ook al had. Dit verschil is nu geharmoniseerd. Geluid staat tussen haakjes, omdat dit artikel ook betrekking heeft op andere hinder dan geluidhinder (bijvoorbeeld stank). Overigens wordt met de zinsnede ‘’degene die buiten een inrichting de zorg heeft voor een dier’’ bedoeld dat dit Apv artikel geen betrekking heeft op geluidhinder die wordt veroorzaakt door een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Een inrichting is kortgezegd een bedrijfsmatige activiteit en hier gelden specifieke (geluids)normen voor die in de Wet milieubeheer staan. Dit artikel komt niet voor in de model Apv, maar is ontleend uit de Apv van Purmerend. Vanwege de harmonisatie is ervoor gekozen om dit artikel ook in de Apv van Beemster op te nemen. Er is voor gekozen om dit artikel onder hoofdstuk 4, afdeling 1 te plaatsen omdat deze regel is te scharen onder geluidhinder. Het verbod om met een grotere snelheid dan 6 km per uur te varen geldt voor alle boten, ongeacht de aandrijving. Het tweede lid, de aangewezen wateren waar het verboden is om te varen, heeft betrekking op de gemotoriseerde vaartuigen. Het is wel toegestaan om in deze wateren te varen met fluisterboten en boten welke handmatig worden voortbewogen (bijvoorbeeld roeien of peddelen).
Reden hiervoor is dat de fluisterboten en handmatig aangedreven boten geen overlast veroorzaken. Artikel van model Apv overgenomen. Zie het verschil met artikel 4:5b, welke gaat over geluidhinder in de open lucht. De Beleidsregels voor het gebruik van knalapparaten in de gemeente Beemster vallen onder artikel 4:5b, derde lid.
62
voor het gebruik van knalapparaten in de gemeente Beemster. 4. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Provinciale milieuverordening. 5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Afdeling 2 Bodem-, weg- en milieuverontreiniging Artikel 4.7. Straatvegen Het is verboden op een door het college ten behoeve van de werkzaamheden van de gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode. n.v.t.
Provinciale Milieuverordening Noord-Holland. 4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
n.v.t.
Artikel 4:7b Verbod gebruik plastic confetti e.d. Het is verboden confetti en dergelijke, van een ander materiaal dan afbreekbaar papier, op de weg te gebruiken. n.v.t.
Artikel 4.7a Gevelreiniging 1. Het is verboden zonder vergunning van het college: a. aanslag, verf, conserveerlagen of enige andere dergelijke stof van gevels, muren, puien, bruggen of andere voorwerpen te verwijderen; b. voegen van gevels, muren, puien, bruggen of andere voorwerpen met behulp van pneumatisch en/of elektrisch gereedschap te bewerken;
Afdeling 2. Bodem-, weg- en milieuverontreiniging Artikel 4:7 Straatvegen Het is verboden op een door het college ten behoeve van de werkzaamheden van de gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode. Artikel 4:7a Verbod oplaten ballonnen 1. Het is verboden ballonnen, van welk materiaal dan ook, door middel van hete lucht afkomstig van vuur, dan wel door middel van helium of andere gassen, op te laten stijgen. 2. Onder een ballon wordt in ieder geval verstaan: herdenkingsballon, biologisch afbreekbare ballon, vuurballon, gelukslampion, alle wensballonen, papierballon en geluksballon.
Onveranderd.
De gemeenteraad van Purmerend heeft de wens uitgesproken om het oplaten van ballonnen en wensballonnen te ontmoedigen. Het college van Purmerend heeft besloten geen gebruik meer te maken van kanonnen die plastic confetti de lucht in schieten. Er is echter een grondslag inde Apv nodig voor een dergelijk besluit. Vandaar dat de artikelen 4:7a en 4:7b zijn opgenomen in de nieuwe Apv van Purmerend. En in verband met de harmonisatie is ervoor gekozen ook in de Apv van Beemster op te nemen. De artikelen zijn met name bedoeld om milieuvervuiling door zwerfafval tegen te gaan en dierenleed te voorkomen. Zie bovenstaand.
Dit artikel is komen te vervallen. Op grond van het Besluit lozen buiten inrichtingen is het verplicht om een melding te doen als je water ten gevolge van een (gevel)reiniging wilt lozen. Loos je niet, dan hoef je ook geen melding te doen. De meldingsplicht hoeft dus niet in de Apv te worden geborgd.
63
c. stoffen aan te brengen ter voorbereiding van de onder a. bedoelde verwijdering. 2. Dit verbod geldt niet voor het schoonmaken van glasoppervlakken en niet van verf of conserveerlagen voorziene gladde natuurstenen, aluminium of kunststof oppervlakken met water en huishoudzepen. Artikel 4.8 Natuurlijke behoefte doen Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen. Artikel 4.9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen. Artikel 4.9a Verontreiniging door distels, brandnetels en Jacobskruiskruid 1. De rechthebbende van gronden is verplicht deze te zuiveren van akkerdistels (cirsiumsoorten), akkermelkdistel (sonchussoorten), distel (cardiussoorten), maradistel (silybiumsoorten), wegdistel (onopordonsoorten), ridderzuring (rumex obtusifolius), grote brandnetel (urtica dioica) en Jacobskruiskruid (Jacobaea vulgaris), voordat de distels tot knopvorming en de brandnetels en het Jacobskruiskruid tot bloei komen, indien deze distels, brandnetels of Jacobskruiskruid overlast voor de aangrenzende gronden kunnen veroorzaken.
2. Onder rechthebbende wordt in dit artikel verstaan: de gebruiker of bij het ontbreken daarvan, de eigenaar van de grond, met dien verstande dat voor de eigenaar de zakelijk gerechtigde in de plaats treedt wanneer de grond in vruchtgebruik of in erfpacht zijn uitgegeven. In geval van inscharing geldt als rechthebbende: degene bij wie het vee in de weide is of wordt gebracht. 3. Indien naar het oordeel van burgemeester en wethouders de bij het eerste lid opgelegde verplichting niet of onvoldoende
Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen. Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.
Ongewijzigd.
Artikel 4:9a Bestrijding overlastgevende en gevaarlijke planten De grondeigenaar of degene die een recht op gebruik van de grond heeft, is verplicht te voorkomen dat de plant Reuzenberenklauw (Heracleaum mantegazzianum) tot bloei komt en de grond te zuiveren van: a. de Japanse duizendknoop (Fallopia japonica); b. alle soorten distels; c. Jacobskruiskruiskruid; d. invasieve exotische planten; e. overige door het college aangewezen overlastgevende en gevaarlijke planten; voordat deze tot knopvorming of tot bloei komen.
Dit artikel komt niet voor in de model Apv, maar is in de nieuwe Apv behouden omdat het onwenselijk is dat dergelijke overlastgevende en gevaarlijke planten tot bloei komen. Het nieuwe artikel is compacter geformuleerd. Verder is de opsomming van de betreffende planten kritisch tegen het licht gehouden. Een exoot is overigens een plant die niet van nature in Nederland voorkomt. Deze exoten komen door menselijk handelen in ons land terecht. Het gaat hierbij niet om soorten die elders in Europa inheems zijn en door klimaatsverandering oprukken naar Nederland.
Ongewijzigd.
Een klein deel van de exoten voelt zich prima thuis in zijn nieuwe omgeving. Deze soorten kunnen zich vestigen in onze natuur en zich snel vermeerderen. Dit zijn de zogenaamde invasieve exoten. Per 3 augustus 2016 geldt een Europees verbod op bezit, handel, kweek, transport en import van een aantal schadelijke exotische planten en dieren. Deze soorten staan op de zogenaamde Unielijst. Deze invasieve exoten zijn op de Unielijst geplaatst omdat ze in delen van de EU schade toebrengen (of dat in de toekomst waarschijnlijk zullen gaan doen)
64
wordt nagekomen, kunnen zij de rechthebbende van de betreffende grond gelasten de grond te zuiveren. 4. Het college stelt bij de in het derde lid bedoelde lastgeving de termijn vast waarbinnen de grond van distels, brandnetels of Jacobskruiskruid dient te zijn gezuiverd. Deze termijn is zodanig, dat de zuivering voltooid dient te zijn voordat de distels tot knopvorming en/of de brandnetels en/of het Jacobskruiskruid tot bloei komen. 5. Alvorens de in het derde lid bedoelde lastgeving uitgaat, wint het college het advies in van een door hen aan te wijzen deskundige. In dit advies wordt mede betrokken de te volgen bestrijdingsmethode indien het college op grond van de artikelen 125 en 131 van de Gemeentewet, bij nalatigheid van de rechthebbende om binnen de krachtens het vierde lid gestelde termijn gevolg te geven aan de verstrekte last, besluit op kosten van de rechthebbende de grond van distels, brandnetels of Jacobskruiskruid te doen zuiveren. Afdeling 3 Het bewaren van houtopstanden
Artikel 4.10 Begripsbepalingen 1. In deze afdeling wordt verstaan onder houtopstand: hakhout, een houtwal of een of meer bomen; 2. In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan: rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben.
Artikel 4.11 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden
aan de biodiversiteit en/of ecosysteemdiensten. Ze kunnen ook nadelige gevolgen hebben voor de menselijke gezondheid, veiligheid of de economie. Met invasieve exotische planten, zoals dit in de Apv is opgenomen, wordt dus bedoeld de exotische planten die voorkomen op de Unielijst. Verder kan het college overige overlastgevende en gevaarlijke planten aanwijzen die onder het verbod van artikel 4:9a vallen.
Afdeling 3. Het bewaren van houtopstanden
Artikel 4:10 Definities 1. In deze afdeling wordt verstaan onder: - houtopstand: hakhout, een houtwal of een of meer bomen; - hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen; - bomenkaart: geometrisch informatieobject met daarop aangegeven de beschermde bomen: de bijzondere, monumentale en andere beschermenswaardige bomen, door het college vastgesteld. 2. In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan: rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben. Artikel 4:11 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden
Voor de artikelen die vallen onder deze afdeling is ervoor gekozen om de huidige artikelen van Purmerend over te nemen en niet de model Apv te volgen. Reden hiervoor is dat het Purmerendse systeem goed doordacht is én gebleken is dat het goed werkt. De definitie ‘hakhout’ is overgenomen van de model Apv. Het begrip ‘bomenkaart’ is toegevoegd. zodat deze nu op de praktijk aansluit. Praktisch gezien wordt al vanaf de invoering van de bomenlijst niet met een lijst maar met een kaart gewerkt. De huidige kaart is al een digitaal geoinformatie systeem én er is een tabel aan gekoppeld met alle relevante informatie voor de beschermde status.
Artikel van Apv Purmerend overgenomen. Er zijn enkele tekstuele verbeteringen gedaan. De regels genoemd onder lid 3,
65
1. Het is verboden om de houtopstanden te vellen of te doen vellen welke staan vermeld op de bomenlijst. 2. Het is verboden houtopstanden in de openbare buitenruimte binnen de grenzen van de bebouwde kom Wet natuurbescherming te vellen of te doen vellen. 3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor houtopstanden in een boomgaard die vanwege het in standhouden van de boomgaard moet worden geveld, mits de gevelde houtopstand herplant wordt. 4. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het in het eerste en tweede lid gestelde verbod. 5. Ontheffing voor het vellen van publieke houtopstanden of houtopstanden welke staan vermeld op de bomenlijst kan, indien alternatieven voor behoud uitputtend zijn onderzocht, slechts bij uitzondering worden verleend indien: a. een zwaarwegend algemeen maatschappelijk belang opweegt tegen duurzaam behoud van de boom; of b. naar boomdeskundige maatstaven instandhouding niet langer verantwoord is ter voorkoming van letsel of schade. 6. Het bevoegd gezag kan een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorwaarden. 7. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet beslissen) van toepassing.
1. Het college stelt een bomenkaart vast waarop de bijzondere, monumentale en andere beschermenswaardige bomen in de gemeente worden vermeld en stelt de criteria vast op basis waarvan de houtopstand wordt opgenomen op deze kaart. 2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de houtopstanden te vellen of te doen vellen die staan vermeld op de in het eerste lid genoemde bomenkaart. 3. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor: a. het in opdracht van de burgemeester, ter bescherming van openbare orde of veiligheid, direct vellen van houtopstand; b. een boom die moet worden geveld vanwege acuut gevaar in verband met instabiliteit of besmettelijke ziekte wanneer dit vooraf is gemeld bij het college; c. houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of krachtens een aanschrijving of last van het college; d. houtopstand die voorkomt op een locatie die is aangewezen als ontwikkellocatie op de meest actuele, strategische plankaart van de vigerende structuurvisie en die uitsluitend in het kader van gebiedsontwikkeling geïnitieerd door de gemeente wordt geveld; e. houtopstand in een boomgaard die vanwege het in standhouden van de boomgaard moet worden geveld, mits de gevelde houtopstand herplant wordt; f.
het vellen van een dode boom of het dunnen van bomen wanneer dit tenminste vier weken voor het begin ervan is gemeld bij het college. 4. De vergunning kan uitsluitend worden verleend indien: a. een zwaarwegend maatschappelijk belang naar het oordeel van het bevoegd gezag zwaarder weegt dan het belang van instandhouding van de houtopstand; b. de instandhouding van de houtopstand niet langer verantwoord is in verband met risico op letsel of schade; c. in het geval de houtopstand voorkomt op de waardevolle bomenlkaart vanwege de structuur: door het vellen van de houtopstand de kwaliteit van de structuur wordt verbeterd. 5. Het college kan een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften.
sub b en f zijn op advies van de bomenbeheerders van de gemeente overgenomen. Deze regels zijn ontleend uit de Apv van Zaanstad. De regel genoemd onder lid 3, sub e, komt over van de Apv Beemster.
66
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
6. Het college kan nadere regels stellen. 7. Op de vergunning bedoeld in het tweede lid is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet beslissen) van toepassing. Artikel 4:11a Afstand tot de erfgrens De afstand tot de erfgrens als bedoeld in artikel 5:42 Burgerlijk Wetboek wordt vastgesteld op 0,5 meter voor bomen en op nihil voor heggen, struiken en gevelbegroeiing.
Artikel 4:11b Herplant- en instandhoudingsplicht 1. Indien in strijd met artikel 4:11, tweede lid houtopstand zonder vergunning geveld is, kan het college aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevond dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herbeplanten overeenkomstig de door het college te geven aanwijzingen en binnen een door het college te stellen termijn. 2. Indien houtopstand die voorkomt op de bomenkaart ernstig in het voortbestaan wordt bedreigd, kan het college aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door het college te geven aanwijzingen en binnen een door het college te stellen termijn, voorzieningen te treffen waardoor die bedreiging wordt weggenomen. Artikel 4:11c Bestrijding bomenziekte
Dit artikel komt niet voor in de model Apv, maar is nieuw toegevoegd. Voorheen was omtrent de afstand tot de erfgrens niets geregeld in de Apv waardoor de regels van het Burgerlijk Wetboek gelden. Die stellen dat bomen op 2 meter van een kavelgrens moeten staan, gerekend vanuit het hart van de boom. Bij nieuwe bomen die worden geplant, houden we rekening met voldoende afstand tot erfgrenzen, maar bestaande bomen staan nogal eens dichter dan die 2 meter. Dat is vooral het geval in de stad en in de dorpen. Als bewoners erover klagen, kunnen wij niets anders dan de boom kappen. Gelet op het belang van grote bomen is in de Apv de afstand verkleind tot 0,5 meter bij bomen die er al staan op het moment van vaststelling van de nieuwe Apv. Het artikel is ontleend van de Apv van Amsterdam. Artikel van Apv Purmerend overgenomen.
Artikel van Apv Purmerend overgenomen.
67
n.v.t.
Artikel 4.12 Vergunning van rechtswege (vervallen) Artikel 4.12a Bestrijding iepziekte 1. Indien zich op een terrein een of meer iepen bevinden die naar het oordeel van het college gevaar opleveren voor verspreiding van de iepziekte of voor vermeerdering van iepenspintkevers, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het college is aangeschreven, verplicht binnen de bij de aanschrijving vast te stellen termijn: a. indien de iepen in de grond staan, deze te vellen; b. de iepen te ontschorsen en de schors te vernietigen; c. of de niet ontschorste iepen of delen daarvan te vernietigen of zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen. 2. Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren.
1. Indien houtopstand naar het oordeel van het college gevaar oplevert voor verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van de ziekteverspreiders, zoals insecten, is de zakelijk gerechtigde van de desbetreffende houtopstand of degene die uit andere hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen, indien hij daartoe door het college is aangeschreven, verplicht binnen de bij de aanschrijving aangegeven termijn en op een wijze zoals bepaald in de aanschrijving a. de houtopstand te vellen; b. de gevelde houtopstand zodanig te behandelen dat verspreiding van de boomziekte wordt voorkomen. 2. Het is verboden zonder ontheffing van het college bomen zoals bedoeld in het eerste lid of delen daarvan voorhanden te hebben of te vervoeren. Artikel 4:11d Schadevergoeding Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende door toepassing van artikel 4:11, artikel 4:11b of artikel 4:11c schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te komen en waarvan de vergoeding niet anderszins is verzekerd, kent het college hem op verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe. Artikel 4:12 (Vervallen) n.v.t.
Artikel van Apv Purmerend overgenomen.
Dit artikel is komen te vervallen.
68
3. Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing op geheel ontschorst iepenhout en op iepenhout met een doorsnede kleiner dan 4 centimeter. Afdeling 4 Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast Artikel 4.13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz. 1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer , in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: a. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; c. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of d. mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen. 2. Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen. 3.
Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien krachtens de Wet ruimtelijke ordening of door of krachtens de Provinciale Verordening NoordHolland. Artikel 4.14 Stankoverlast door gebruik van meststoffen [gereserveerd] Artikel 4.15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.
Afdeling 4. Maatregelen tegen ontsiering, stankoverlast, hinder en gevaar Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke 1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: a. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; c. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of d. mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen. 2. Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door of krachtens de Wet ruimtelijke ordening of de Provinciale Ruimtelijke Verordening provincie Noord-Holland.
Ongewijzigd.
Artikel 4:14 (Vervallen)
Dit artikel is komen te vervallen.
Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame 1. Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.
Het tweede lid is nieuw en volgt uit de model Apv. Het artikel is een aanvulling op de Omgevingsnota Beemster.
69
Artikel 4.16 Vergunningsplicht lichtreclame [gereserveerd] Afdeling 5 Kamperen buiten kampeerterreinen Artikel 4.17 Begripsbepaling In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. Artikel 4.18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan is bestemd of mede bestemd. 2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod van het eerste lid. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8. kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van: a. de bescherming van natuur en landschap b. de bescherming van een stadsgezicht 5. Op de ontheffing is paragraf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 4.19 Aanwijzing kampeerplaatsen 1. Het verbod van artikel 4:18, eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.
2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Activiteitenbesluit milieubeheer. Artikel 4:16 (Vervallen) Afdeling 5. Kamperen buiten kampeerterreinen Artikel 4:17 Definitie In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan, de beheersverordening, exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit is bestemd of mede bestemd. 2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein. 3. De leden van de bij de Sportvisserij Nederland aangesloten hengelportvereniging en- federaties die vissend overnachten aan het water zijn vrijgesteld van het verbod van 1 juni tot en met 31 augustus van elk jaar. 4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 5. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van: a.
natuur en landschap; of b. het uiterlijk aanzien van de gemeente. 6. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen 1. Het verbod van artikel 4:18, eerste lid, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.
Dit artikel is komen te vervallen.
Ongewijzigd.
Het nieuwe derde lid is overgenomen van de Apv Purmerend. Daarnaast is het eerste lid aangevuld en is het vierde lid anders geformuleerd.
Kleine tekstuele wijziging, inhoudelijk ongewijzigd.
70
2. Het college kan daarbij nadere regels stellen in het belang van de gronden, genoemd in artikel 4:18, vierde lid onder a en b. Hoofdstuk 5 Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente Afdeling 1 Parkeerexcessen Artikel 5.1 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: a. voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder al, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990) met uitzondering van kleine wagens zoals: kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen en rolstoelen; b. parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1, onder ac,van het RVV 1990. Artikel 5.2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d. 1. Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan: a. het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; b. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling. 2. Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: a. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; b. voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon. 3. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: a.
drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van ... meter met als middelpunt een van deze voertuigen; b. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken. 4. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.
Artikel 5.3 Te koop aanbieden van voertuigen
2. Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd in artikel 4:18, vijfde lid. Hoofdstuk 5. Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente Afdeling 1. Parkeerexcessen en stopverbod Artikel 5:1 (Vervallen)
Artikel 5:2 Voertuigen van autobedrijf en dergelijke 1. Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan: a. het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; of b. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling. 2. Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: a. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; of b. voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon. 3. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: a. drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een van deze voertuigen; b. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken. 4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 5. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen
Dit artikel is komen te vervallen, omdat de definities in het nieuwe artikel 1:1 zijn opgenomen.
Artikel van model Apv overgenomen. Hierdoor is het vijfde lid nieuw. Verder is de afstand onder lid 3 sub a ingevuld. De afstandseis genoemd in lid 3 onder a is op 25 meter gesteld. Deze afstand wordt ook in diverse andere gemeenten gehanteerd.
Artikel van model Apv overgenomen.
71
1. Het is verboden op door het college aangewezen wegen of weggedeelten een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen. 2. Het college kan ontheffing van dit verbod verlenen. 3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 5.4 Defecte voertuigen Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren. Artikel 5.5 Voertuigwrakken 1. Het is verboden een voertuigwrak op de weg te plaatsen of te hebben. 2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Artikel 5.6 Kampeermiddelen e.a. 1. Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: a. langer dan vijf achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente; b. op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2.
Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod. 3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Provinciaal wegenreglement of de Provinciale landschapsverordening. 4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
1. Het is verboden op een door het college aangewezen plaats een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 5:4 Defecte voertuigen Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren. Artikel 5:5 Voertuigwrakken 1. Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Artikel 5:6 Kampeermiddelen en andere voertuigen 1. Het is verboden een woonwagen, kampeerwagen, caravan, camper of dergelijk voertuig dat voor recreatie of anderszins uitsluitend of mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt op de weg te plaatsen of te hebben langer dan : a. drie achtereenvolgende dagen in de periode van 1 november tot 1 maart; b. acht achtereenvolgende dagen in de periode van 1 maart tot 1 november. 2.
Het is verboden een magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen of ander dergelijk voertuig dat uitsluitend of mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt op de weg te plaatsen of te hebben langer dan gedurende drie achtereenvolgende dagen. 3. Het is verboden de voertuigen bedoeld in het eerste en tweede lid te plaatsen of te hebben op door het college aan te wijzen plaatsen waar het naar zijn oordeel schadelijk is voor het aanzien van de gemeente. 4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 5. Het eerste en tweede lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Provinciaal wegenreglement Noord-Holland of
Dit artikel is nagenoeg ongewijzigd.
Artikel van model Apv overgenomen.
Er is voor gekozen om het systeem van Purmerend over te nemen. Dit systeem, met de data genoemd in het eerste lid, wijkt af van het artikel van de model Apv. Voor Beemster houdt dit in dat het bepaalde in het eerste lid voortaan geldt voor de gehele gemeente. Het systeem van Purmerend wordt als vollediger en juister geacht dan de model Apv. Het tweede lid is ook nieuw en is overgenomen van Purmerend. Het nieuwe derde lid is wel ontleend van de model Apv en is een voortzetting van de oude regel genoemd onder lid 1, sub b.
72
beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 5.7 Parkeren van reclamevoertuigen 1. Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken. 2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. 3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 5.8 Parkeren van grote voertuigen 1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte. 3. Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur. 4. Het verbod in het tweede lid is voorts niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden. 5.
Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen. 6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 5.9 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen
de Landschapsverordening NoordHolland. 6. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 5:7 Reclamevoertuigen 1. Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel van model Apv overgenomen. Het nieuwe artikel is inhoudelijk ongewijzigd.
Artikel 5:8 Grote voertuigen 1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte. 3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie (lid 1 sub a) respectievelijk 8 (lid 1 sub b) achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden. 4. Het tweede lid is voorts niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur. 5. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 6. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel van model Apv overgenomen. Hierdoor zijn de derde en vierde leden in volgorde omgedraaid. Het artikel is verder inhoudelijk ongewijzigd.
Artikel 5:9 Uitzichtbelemmerende voertuigen
Artikel van model Apv overgenomen. Het artikel is inhoudelijk ongewijzigd.
73
1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. 2. Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is. n.v.t.
Artikel 5.10 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen 1. Het is verboden een voertuig met stankverspreidende stoffen daar te parkeren waar bewoners of gebruikers van nabijgelegen gebouwen of terreinen daarvan hinder of overlast kunnen ondervinden. 2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Artikel 5.11 Aantasting groevoorzieningen door voertuigen 1. Het is verboden met een voertuig te rijden door dan wel deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook. 2. Dit verbod is niet van toepassing: a. op de weg b. op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of vanwege de overheid; c. op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die mede of uitsluitend voor dit doel zijn bestemd.
1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. 2. Het verbod is niet van toepassing gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.
Artikel 5:10 Parkeren of laten stilstaan van voertuigen anders dan op de rijbaan 1. Het is verboden een voertuig te parkeren op een door het college aangewezen, niet tot de rijbaan behorend weggedeelte. 2. Het verbod is niet van toepassing op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam. n.v.t.
Artikel van model Apv overgenomen. Dit artikel is nieuw voor Beemster.
Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen 1. Het is verboden een voertuig te parkeren of te laten stilstaan op een door het college aangewezen, niet tot de rijbaan behorend weggedeelte. 2. Dit verbod is niet van toepassing op: a. de weg; b. voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam; c. voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
Artikel van model Apv overgenomen. Het artikel is hierdoor anders geformuleerd en het vierde lid is komen te vervallen.