C gewijzigd Overzicht wijzigingen en toelichting Algemene plaatselijke verordening Purmerend
Tekst van het document
Overzicht wijzigingen en toelichting Algemene plaatselijke verordening Purmerend Leeswijzer: in de linker kolom (‘Tekst Apv 2003’) staat de tekst van de huidige Apv. De teksten die gewijzigd zijn, zijn in deze kolom lichtblauw gemaakt. In de middelste kolom (‘Tekst Apv 2021’) staat de tekst van de nieuwe Apv, waarbij in het rood is aangeven wat er precies is gewijzigd. In de rechter kolom staat een korte toelichting, soms voor een aantal artikelen tezamen. De nieuwe Apv is in artikelvolgorde in de tabel weergegeven. Aangezien de Apv uit 2003 een andere nummering en hoofdstukindeling kent, is in de linker kolom telkens het oude artikel, dat inhoudelijk overeenkomt, naast het nieuwe artikel gezet. Tekst Apv Purmerend 2003 Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1 Begripsomschrijvingen In deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan onder: a. Weg: 1. de weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede de daaraan liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen; 2. de - al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen en andere natuurterreinen, vaartuigen; 3.
de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen, welke uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimten toegang geven en niet afsluitbaar zijn; 4. andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet afsluitbare stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen; de afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij niet door of vanwege degene die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn afgesloten. b. Openbaar water: alle wateren die - al dan niet met enige beperking - voor het publiek bevaarbaar of anderszins toegankelijk zijn. c. Bebouwde kom: de bebouwde kom waarvan Gedeputeerde Staten de grenzen hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 27, tweede lid, van de Wegenwet. d. Rechthebbende: een ieder die over enige zaak enige zeggenschap heeft krachtens zakelijk of persoonlijk recht. e. Voertuigen: alle rij- en voertuigen, met uitzondering van: a treinen; b kruiwagens, kinderwagens, rolstoelen en dergelijke kleine voertuigen.
Tekst Apv Purmerend 2021 Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1:1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: - bebouwde kom: de bebouwde kom waarvan Gedeputeerde Staten de grenzen hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 27, tweede lid van de Wegenwet. - bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; - bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, met inbegrip van een gedeelte daarvan, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren; - bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994; - college: het college van burgemeester en wethouders; - gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van de Woningwet; - gemeente: gemeente Purmerend; - handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; - motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; - openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; -
openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties;
Toelichting Artikel van model Apv overgenomen. Hierdoor zijn de definities van ‘vaartuigen’ en ‘woonschepen’ komen te vervallen. De definities ‘college’, ‘gemeente’, ‘motorvoertuig’ en ‘parkeren’ zijn nieuw. De definitie van ‘weg’ is vereenvoudigd. Een uitgebreide definitie van ‘weg’ is overbodig geworden door de definitie van ‘openbare plaats’.
1
f. Vaartuigen: alle vaartuigen, daaronder mede verstaan drijvende werktuigen, alsmede woonschepen, glijboten en ponten. g. Woonschepen: schepen uitsluitend of hoofdzakelijk als woning gebezigd of tot woning bestemd. h. Bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. i. Gebouw: elk bouwwerk dat een voor personen toegankelijke overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. j. Handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van zaken of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen. k. Bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. l. Openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties daaronder wordt verstaan. Artikel 2 Beslissingstermijn 1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de dag waarop de aanvraag is ontvangen. 2. Het bevoegde bestuursorgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste acht weken verdagen. 3. Voor een vergunning als bedoeld in artikel 54, eerste lid, wordt de in het eerste en tweede lid bedoelde termijn gesteld op twaalf weken. 4.
In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in de artikelen 14, 15, 74 en 80.
- parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; - rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht; - voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens en kinderwagens, en rolstoelen; - weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.
n.v.t.
Artikel 1:3 (Vervallen) Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen
Artikel 4 Voorschriften en beperkingen
Artikel 1:2 Beslistermijn 1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen 8 weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste 8 weken verdagen. 3. Voor een vergunning als bedoeld in artikel 3:3 bedraagt de in het eerste en tweede lid bedoelde termijn 12 weken. 4. In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing als beslist wordt op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2:10 tweede lid, een vergunning als bedoeld in artikel 2:11, een vergunning als bedoeld in artikel 2:12 of een vergunning als bedoeld in artikel 4:11.
Artikel van model Apv overgenomen, maar het vierde lid is uitgebreider dan het model (hier hebben we meer vergunningen opgenomen). Inhoudelijk is het artikel grotendeels ongewijzigd. Het vroegere artikel 80 had betrekking op het vergunningenstelsel dat gold bij handelsreclame. In de nieuwe Apv wordt echter gewerkt met een algemene regel (zie artikel 4:15), waardoor geen specifieke regel meer gesteld hoeft te worden over de beslistermijn die geldt bij het verbod tot het voeren van hinderlijke of gevaarlijke reclame. De termijn voor eenmalige verlenging als bedoeld in het tweede lid bedraagt 6 weken. Dit is in lijn met de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. In het nieuwe vierde lid is voor de onderdelen waarvoor ook een omgevingsvergunning moet worden ingediend, de termijn van eenmalige verlenging op 6 weken gesteld. Artikel van model Apv overgenomen. Op grond van dit
2
1. Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2. Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. n.v.t.
Artikel 5 Intrekking, schorsing of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden gewijzigd, geschorst of ingetrokken: a. indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een dergelijke termijn, binnen een redelijke termijn; e. indien de houder dit verzoekt. Artikel 6 Termijnen Voor zover sprake is van termijnen in uren, bepaald door terugrekening van een tijdstip of gebeurtenis, en deze eindigen op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, worden de termijnen geacht te eindigen om 12.00 uur op de voorgelegen dag, die geen zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is. Artikel 7 Tijdsduur vergunning of ontheffing
1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.
artikel kunnen voorschriften en beperkingen aan een vergunning worden verbonden als dit verband houdt met de belangen in verband waarmee de vergunning is gesteld. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat voorschriften en beperkingen betrekking hebben op (het behoud van) de toegankelijkheid van de openbare ruimte.
Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. Artikel 1:6 Intrekking, wijziging of schorsing van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken, gewijzigd of geschorst als: a. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten, opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking, wijziging of schorsing noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of e. de houder dit verzoekt. Artikel 1:7 Termijnen 1. De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. 2. De vergunning als bedoeld in artikel 2:25 wordt voor bepaalde tijd verleend. 3.
De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke
Dit artikel volgt uit de model Apv en is nieuw voor Purmerend.
Artikel van model Apv overgenomen, maar inhoudelijk ongewijzigd.
Artikel van model Apv overgenomen. Hierdoor is de regel uit de Apv van 2003 over termijnen vervallen. Daarnaast geldt een vergunning in beginsel voor onbepaalde tijd. Dit is in overeenstemming met de Dienstenrichtlijn. Verder is aan het artikel toegevoegd dat een evenementenvergunning niet voor onbepaalde tijd verleend kan worden.
3
Een vergunning of ontheffing wordt voor een bepaalde tijd verleend. Indien geen bepaalde tijdsduur is vermeld, wordt zij geacht voor onbepaalde tijd te zijn verleend. Artikel 3 Weigering aanvraag 1. Een vergunning of ontheffing kan worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. 2. Voor een vergunning als bedoeld in artikel 112 wordt de in het eerste lid bedoelde termijn bepaald op twaalf weken.
Hoofdstuk 2 Openbare orde Paragraaf 1 Bestrijding van ongeregeldheden
Artikel 8 Samenscholing en ongeregeldheden 1. Het is verboden op de weg deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden. 2. Een ieder die op of aan de weg aanwezig is bij enig voorval, waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis, waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een opsporingsambtenaar zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.
aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft. Artikel 1:8 Weigeringsgronden 1. Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. de openbare veiligheid; c. de volksgezondheid; d. de bescherming van het milieu. 2. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. 3. Voor een vergunning als bedoeld in artikel 2:25 bedraagt de in het tweede lid bedoelde termijn 14 weken.
Hoofdstuk 2. Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu Afdeling 1. Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden
Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden 1. Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden. 2. Degene die op een openbare plaats: a. aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; b. aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of c. zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing; is verplicht op bevel van een opsporingsambtenaar zijn weg te vervolgen of zich in de door hem
Artikel van model Apv overgenomen. In de Apv van 2003 waren geen algemene weigeringsgronden opgenomen. De weigeringsgronden stonden bij de diverse vergunningen ‘op maat’ genoemd, afhankelijk van het hoofdstuk waarin de bepaling was opgenomen. Ten aanzien van het derde lid geldt dat men voorheen 12 weken voor aanvang van het evenement een vergunning moest aanvragen. Deze termijn is gewijzigd ter voorbereiding op de aankomende Omgevingswet. Onder de Omgevingswet dient een (evenementen)vergunning binnen 8 weken verleend te worden. Daarnaast is het gedurende een periode van 6 weken mogelijk om bezwaar te maken tegen de vergunning. Om de aanvraag en eventueel bezwaar goed af te kunnen handelen is de termijn daarom naar 14 weken gegaan. Onder ‘’openbare orde’’ en ‘’openbare veiligheid’’ valt onder andere de toegankelijkheid van de openbare ruimte. Titel van het hoofdstuk geactualiseerd conform model Apv. Titel van de afdeling geactualiseerd conform model Apv. Mede hierdoor zijn een aantal titels van afdelingen in de nieuwe Apv komen te vervallen. Artikel van model Apv overgenomen. Alleen voor het tweede lid onder c is er, conform de Apv Purmerend 2003, voor gekozen om het ruimere begrip ‘opsporingsambtenaar’ en niet het beperktere begrip ambtenaar van de politie te hanteren, zodat ook de boa’s van Purmerend een dergelijk bevel mogen geven. Enkele zaken zijn tekstueel gewijzigd.
Inhoudelijk is het artikel niet gewijzigd.
4
3. Het is verboden zich te begeven of te bevinden op terreinen, wegen of weggedeelten, wanneer deze door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van wanordelijkheden zijn afgezet. 4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod. 5. Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen, samenkomsten tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging of vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. Paragraaf 2 Betogingen, samenkomsten en vergaderingen n.v.t. Artikel 9 Kennisgeving betogingen, samenkomsten en vergaderingen op openbare plaatsen 1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging, een samenkomst tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging of een vergadering te houden, moet daarvan voor de openbare aankondiging ervan en ten minste 48 uur voordat deze gehouden zal worden, schriftelijk kennis geven aan de burgemeester, met inachtneming van hetgeen in artikel 11 hierover is bepaald. 2. Onder openbare plaats wordt verstaan een plaats als bedoeld in artikel 1, eerste lid, juncto tweede lid, van de Wet openbare manifestaties.
aangewezen richting te verwijderen. 3. Het is verboden zich te begeven naar of zich te bevinden op openbare plaatsen die door het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet. 4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het derde lid. 5. Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. n.v.t. Artikel 2:2 (vervallen) Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 48 uren voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester. 2. De kennisgeving bevat: a. naam en adres van degene die de betoging houdt; b. het doel van de betoging; c. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; d. de plaats en, voor zover van toepassing, de route; e. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en f. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. 3.
Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. 4. Als het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur. 5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid genoemde termijn
Artikel van model Apv overgenomen. De definitie van openbare plaats is al opgenomen in artikel 1:1. Het vierde lid is nieuw ten opzichte van de regels van de Apv van 2003.
5
Artikel 10 Afwijking termijn De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in artikel 9, eerste lid, genoemde termijn van 48 uur verkorten en een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen. Artikel 11 Te verstrekken gegevens 1. Bij de kennisgeving kan de burgemeester een opgave verlangen van: a. naam en adres van degene die de betoging, samenkomst of vergadering houdt; b. het doel van de betoging, samenkomst of vergadering; c. de datum waarop de betoging, samenkomst of vergadering wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging d. de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging e. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; f. maatregelen die degene die de betoging, samenkomst of vergadering houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. 2. Degene die de kennisgeving doet ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van kennisgeving is vermeld. Paragraaf 3 Vertoningen e.d. op de weg Artikel 12 Voorwerpen Feest, muziek, wedstrijden en optochten e.d. Vervallen n.v.t.
van 48 uur verkorten en/of een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen. Artikel 2:4 (Vervallen)
Artikel 2:5 (Vervallen)
Dit artikel is komen te vervallen, omdat het is opgenomen in artikel 2:3.
Dit artikel is komen te vervallen, omdat het is opgenomen in artikel 2:3.
n.v.t. n.v.t.
Dit artikel is komen te vervallen.
Artikel 2:6 Verspreiden geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen 1. Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen. 2. Het college kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. 3. Het verbod is niet van toepassing op het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen. 4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 5. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
Dit artikel volgt uit de model Apv en was al opgenomen in de Apv van Beemster. Vanwege de harmonisatie is dit artikel daarom ook in de nieuwe Apv van Purmerend opgenomen.
6
n.v.t. n.v.t. n.v.t.
Paragraaf 4 Bruikbaarheid van de weg Artikel 13 Voorwerpen of stoffen op, in, boven of over de weg 1. In dit artikel wordt verstaan onder binnenstad: de Wagenweg, de Purmersteenweg tot de hoek met de Burgemeester D. Kooimanweg alsmede het gebied gelegen tussen de Gedempte Where, de Gedempte Singelgracht/Westerstraat, Nieuwstraat en Plantsoengracht. 2. Het is verboden zonder vergunning van het college de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de bestemming daarvan. 3. Het in het tweede lid bepaalde is niet van toepassing op: a. vlaggen, wimpels en vlaggenstokken indien ze geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of zaken; b. zonneschermen, mist ze zijn aangebracht boven het voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg en mits: - geen onderdeel zich minder dan 2,2 meter boven dat gedeelte bevindt; - geen onderdeel van het scherm, in welke stand dat ook staat, zich op minder dan 0,5 meter van de rijbaan bevindt;
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 2:7 (Vervallen) Artikel 2:8 (Vervallen) Artikel 2:9 Vertoningen op openbare plaatsen 1. Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur, gids of met een draaiorgel op te treden op door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu aangewezen openbare plaatsen. 2. De burgemeester kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. 3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod. 4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Afdeling 2. Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan een openbare plaats 1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een openbare plaats, de openbare weg en het openbaar groen daaronder begrepen, anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. 2. De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag als het in het eerste lid bedoelde gebruik een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 3.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan een vergunning worden geweigerd: a. als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de openbare plaats, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de openbare plaats of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare plaats; b. als het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met
Dit artikel volgt uit de model Apv en was al opgenomen in de Apv van Beemster. Vanwege de harmonisatie is dit artikel daarom ook in de nieuwe Apv van Purmerend opgenomen.
Het artikel van de model Apv is overgenomen. Het betreft hier variant 1. Het nieuwe artikel is niet alleen compacter, maar ook breder geformuleerd. Voorheen had het artikel betrekking op het plaatsen van voorwerpen of stoffen op, in, boven of over de weg. In de nieuwe Apv heeft het artikel betrekking op het plaatsen van voorwerpen op of aan een openbare plaats. De openbare weg en het openbaar groen worden daaronder begrepen. Op verzoek van collega's is ''openbaar groen'' expliciet opgenomen in het nieuwe artikel. Een aantal aannemers hebben namelijk de neiging om keten en containers op het openbaar groen te plaatsen. Vanuit schadebeperking en beheer willen we dat niet.
7
- geen onderdeel verder dan 1,5 meter buiten de opgaande gevel reikt; c. de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig op de weg gebracht worden in verband met laden of lossen ervan en mits degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten ervoor zorgt, dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg daarvan gereinigd is; d. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard; e. bloembakken en soortgelijke voorwerpen mits die voldoende zijn beveiligd tegen neervallen op de weg; f. uitstallingen, niet zijnde terrassen, terrasschotten of uitstallingen als bedoeld in artikel 93, voor zover deze zich maximaal 1,20 meter buiten de opgaande gevel van het gebouw waartoe zij behoren, bevinden; 4. Het in het tweede lid bedoelde verbod is niet van toepassing op niet in de binnenstad gelegen gebieden voor zover er minimaal 10 werkdagen voor de aanvang van het plaatsen en/of aanbrengen van de voorwerpen, schriftelijk mededeling over is gedaan aan het college voor zover het betreft: a. machines en constructies zoals hoogwerkers, containers, ecotoiletten, keetwagens, bouwhekken en steigers nodig voor (bouw-)werkzaamheden die tijdelijk op de weg worden geplaatst voor zover; 1.
degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten ervoor zorg draagt dat de in de aanhef bedoelde machines en constructies zich daar niet langer bevinden dan veertien achtereenvolgende dagen; 2. deze niet binnen een afstand van 5 meter vanaf een kruising worden geplaatst; 3. bij plaatsing op trottoir- of voetgangersgedeelte er minimaal 1,5 meter van dat trottoir of voetgangersgedeelte wordt vrijgehouden; 4. de ruimte die in beslag wordt genomen niet meer bedraagt dan de gevelbreedte van de woning waaraan de bouwwerkzaamheden plaatsvinden; 5. bij plaatsing op de rijbaar er minimaal 3,5 meter rijbreedte wordt vrijgehouden;
de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak. 4. Het verbod is niet van toepassing op: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24; b. terrassen als bedoeld in artikel 2:27, tweede lid; c. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17; d. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard; e. door het college aan te wijzen categorieën van voorwerpen; f. situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Wegenverordening Noord-Holland. 5. De weigeringsgrond, bedoeld in het derde lid, onder a, is niet van toepassing als in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. 6. De weigeringsgrond, bedoeld in het derde lid, onder b, is niet van toepassing op bouwwerken. 7. De weigeringsgrond, bedoeld in het derde lid, onder c, is niet van toepassing als in de voorkoming van overlast wordt voorzien door de Wet milieubeheer. 8. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
8
6. (nood)uitgangen niet belemmerd worden; 7. het verkeer niet in gevaar wordt gebracht; en 8. de machines en constructies permanent goed zichtbaar zijn voor verkeersdeelnemers en afdoende zijn gemarkeerd; b. voorwerpen anders dan bedoeld onder a. of (goed verpakte) stoffen nodig voor (bouw-)werkzaamheden die tijdelijk op de weg worden geplaatst voor zover: 1. deze op het trottoir, voetgangersgedeelte of in een parkeervak worden geplaatst; 2. degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten ervoor zorgt dat de voorwerpen of stoffen zich daar niet langer bevinden dat drie achtereenvolgende dagen; 3. er minimaal 1,5 meter trottoir- of voetgangersgedeelte wordt vrijgehouden; 4. de ruimte die in beslag wordt genomen niet meer bedraagt dan de gevelbreedte van de woning waaraan de werkzaamheden plaatsvinden; 5. de hoogte van de (opgestapelde) voorwerpen of stoffen niet meer bedraagt dan 1,5 meter; 6. (nood)uitgangen niet belemmerd worden; 7. het verkeer niet in gevaar wordt gebracht; en 8. na verwijdering van de voorwerpen of stoffen de weg onmiddellijk wordt gereinigd door degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten. 5.
Het college kan binnen vijf werkdagen na ontvangst van de mededeling besluiten het plaatsen van voorwerpen op, in, boven of over de weg als bedoeld in het vierde lid te verbieden, indien daardoor de openbare orde en/of de openbare veiligheid in gevaar komt. 6. Het is verboden op, aan, over of boven de weg voorwerpen of stoffen waarop gedachten en gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen, te doen aanbrengen of te hebben, indien deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging schade toebrengen aan de weg, gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg. 7. Het college kan nadere regels stellen voor het op, aan, over of boven de weg plaatsen, aanbrengen of hebben van
9
voorwerpen of stoffen waarop gedachten en gevoelens worden geopenbaard. 8. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het in het tweede lid bedoelde gebruik, voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j., of onder k. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 9. Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing op: a. evenementen als bedoeld in artikel 111; b. terrassen als bedoeld in artikel 23, derde lid; c. standplaatsen als bedoeld in artikel 93 d. overige gevallen waarin krachtend een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de wel is verleend; 10. Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, of het Provinciaal wegenreglement. 11. Een vergunning bedoeld in het tweede lid kan worden geweigerd: a. indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; b. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak. n.v.t.
Artikel 2:10a Vastmaken van voorwerpen 1. Het is verboden voorwerpen vast te maken aan bomen of aan objecten die zijn bestemd voor of gebruikt worden ten behoeve van de openbare dienst. 2. Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.
Op advies van handhaving is dit artikel nieuw toegevoegd aan de Apv. Reden hiervoor is dat tot op heden geen grondslag is voor het verwijderen van voorwerpen (bijvoorbeeld fietsen een aanhangwagens) die zijn bevestigd aan bomen, lantaarnpalen en andere gemeentelijke objecten die een belemmering vormen bij werkzaamheden of anderszins overlast veroorzaken. Artikel 2.10a bevat een algemeen verbod op het vastmaken van voorwerpen aan voorwerpen bestemd voor de openbare dienst (bijvoorbeeld lantaarnpalen, straatmeubilair en bomen). Van dit verbod kan in uitzonderlijke gevallen ontheffing worden verleend.
10
Artikel 14 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1.Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2. de vergunning wordt verleend: a. als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; of b. door het college in de overige gevallen. 3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan wat in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat, alsmede alle niet-openbare ontsluitingswegen van gebouwen. 4. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het Rijk, de provincie, de gemeente of het waterschap bij het uitvoeren van zijn/haar taak. 5. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, het Provinciaal wegenreglement, de waterschapskeur, de telecommunicatiewet of de Algemene verordening ondergrondse infrastructuur Purmerend 2016. Artikel 15 Maken en veranderen van een uitweg 1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag: a.
een uitweg te maken naar de weg; b. van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg; c. verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd in het belang van: a. de bruikbaarheid van de weg; b. het veilig en doelmatig gebruik van de weg; c. de bescherming en het uiterlijk aanzien van de omgeving;
Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, de aard of de breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van de aanleg van een weg. 2. De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, als de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. 3. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. 4. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur, de Wegenverordening Noord-Holland, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Algemene verordening ondergrondse infrastructuur Purmerend. 5. Op de aanvraag om een vergunning, bedoeld in het eerste en tweede lid, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 2:12 Maken of veranderen van een uitweg 1.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 wordt de vergunning slechts geweigerd: a. ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg; b. als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; c. als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of d. als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een
Artikel van model Apv overgenomen, maar inhoudelijk ongewijzigd. De definitie van ‘weg’ is verplaatst naar artikel 1:1.
Artikel van model Apv overgenomen. Daarom zijn in de nieuwe Apv andere weigeringsgronden opgenomen. Bovendien zijn de weigeringsgronden anders geformuleerd (in plaats van kan weigeren naar wordt slechts geweigerd).
11
d. de bescherming van de groenvoorziening van de gemeente. 3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of het Provinciaal wegenreglement . Paragraaf 5 Veiligheid van de weg Artikel 16 Bestrijding gladheid 1. De rechthebbende op een (gedeelte van een) gebouw is verplicht: a. het voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg voor dat gebouw over een breedte van twee meter van sneeuw en/of ijs te ontdoen; dan wel, als dat niet mogelijk is, b. ervoor te zorgen dat de gladheid op het voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg voor dat gebouw over een breedte van twee meter op andere wijze afdoende wordt bestreden. 2. De in het eerste lid bedoelde rechthebbende is tevens verplicht ervoor te zorgen dat sneeuw die of ijs dat bij het wegruimen op het voor voertuigen bestemde gedeelte van de weg terecht is gekomen, terstond daarvan verwijderd wordt. 3. In geval van gestapelde bouw rust de in het eerste en tweede lid bedoelde verplichting op de (Vereniging van) eigena(a)r(en) ervan. 4. In dit artikel wordt verstaan dan wel mede verstaan onder: a. gebouw: het bijbehorende erf b. het voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg: hetgeen de artikelen 4 en 44 van het RVV 1990 verstaan onder door voetgangers te gebruiken weg(gedeelt)en. Artikel 17 Winkelwagens 1.
De rechthebbende op een bedrijf die ten behoeve van het winkelend publiek winkelwagens ter beschikking stelt, mede ten behoeve van het vervoer van winkelwaren over de weg, is verplicht deze te voorzien van de naam van het bedrijf of van een ander herkenningsteken. 2. Het is verboden zich zonder toestemming van de in het eerste lid bedoelde rechthebbende, met een winkelwagen op de weg te bevinden buiten de onmiddellijke omgeving van het bedrijf als
andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur of de Wegenverordening Noord-Holland. n.v.t. Artikel 2:13 (Vervallen)
Artikel 2:14 Winkelwagentjes 1. Een winkelier die winkelwagentjes ter beschikking stelt, is verplicht de wagens: a. te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken; en b. die zich bevinden binnen een straal van 200 meter van zijn bedrijf terstond te verwijderen of te doen verwijderen. 2. Het is verboden een winkelwagentje na gebruik onbeheerd op een openbare plaats achter te laten.
De titel van deze afdeling is niet meer opgenomen in de model Apv. Dit artikel is niet meer opgenomen in de model Apv. Reden hiervoor is dat strijd met Europese verdragen is aangenomen (dwangarbeid). Jurisprudentie hierover luidt dat bewoners de verplichting hebben ingevolge de Apv om gladheid op aangrenzend trottoir te bestrijden. Van bewoners kan niet worden gevergd dat zij bij sneeuwval hun trottoir voortdurend sneeuwvrij houden. Rb Amsterdam d.d. 20 01 1993, VR 1994, 158.
Artikel van model Apv overgenomen. Het tweede lid van het nieuwe artikel 2:14 richt zich tot de gebruiker (bijvoorbeeld degene die boodschappen doet). Degene die een winkelwagentje gebruikt mag deze na gebruik niet onbeheerd op een openbare plaats achterlaten.
12
bedoeld in het eerste lid, dan wel, indien het bedrijf gelegen is in een winkelcentrum, buiten de onmiddellijke omgeving van dat centrum. Als onmiddellijke omgeving van het bedrijf of winkelcentrum wordt aangemerkt de weg of het weggedeelte, grenzende aan dat bedrijf of winkelcentrum en tevens een aan die weg of dat weggedeelte aansluitende parkeerplaats, zoals aangegeven op de bijlagen. 3. Het is verboden een winkelwagen die is gebruikt op de weg, onbeheerd daarop achter te laten anders dan op een daartoe aangewezen plaats. 4. De rechthebbende als bedoeld in het eerste lid die winkelwagens ter beschikking stelt van het publiek, is verplicht er voor te zorgen dat in ieder geval de wagens, die zich in, dan wel binnen een straal van 200 meter van de onmiddellijke omgeving bevinden, na het winkelsluitingstijdstip niet onbeheerd op of langs de weg achterblijven. 5. Het in het eerste en vierde lid bepaalde geldt niet voor zover de Wet milieubeheer van toepassing is. Artikel 18 Hinderlijke beplanting of voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of daaraan op andere wijze hinder of gevaar oplevert.
3. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer.
Artikel 19 Openen straatkolken e.d. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of enigerlei andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken. Artikel 20 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp 1. Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of (brom)fietsers bestemde deel van de weg op enigerlei wijze prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2,2
Artikel 2:16 Openen straatkolken en dergelijke Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.
Artikel 2:15 Hinderlijke of gevaarlijke beplanting of voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.
n.v.t.
Artikel van model Apv overgenomen. Het begrip ‘wegverkeer’ moet ruim worden geïnterpreteerd. Dit begrip omvat al het verkeer op de weg, zoals auto’s, fietsen en voetgangers. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat een gevaarlijke situatie ontstaat doordat overstekende voetgangers het zicht wordt belemmerd. Een dergelijke situatie valt ook onder dit artikel. En dergelijke is uitgeschreven. Verder ongewijzigd.
Dit artikel is niet meer opgenomen in de model Apv. Zie in dit verband het nieuwe artikel 2:15.
13
meter boven dat gedeelte van de weg. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen die op een grotere afstand dan 0,75 meter uit de uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte delen van een afscheiding zijn aangebracht. 3. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. 4. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 van toepassing is. n.v.t.
Artikel 100 Rookverbod in bossen 1. Het is verboden te roken in bossen of binnen een afstand van dertig meter daarvan gedurende de door het college aangewezen periode. 2. Het is verboden in bossen of binnen een afstand van honderd meter en in de openlucht gelegen plaats daarvan, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. 3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende, als tuin ingerichte, erven. 4. Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod geldt voorts niet voor zover het bepaalde in artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. n.v.t. n.v.t. Artikel 21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting e.d. 1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de
Artikel 2:17 Kelderingangen en dergelijke 1. Kelderingangen en andere lager dan de aangrenzende weg gelegen betreedbare delen van een bouwwerk mogen geen gevaar voor de veiligheid van de weggebruikers opleveren. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 1˚ of 3˚, van het Wetboek van Strafrecht. Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen 1. Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan: a. te roken gedurende een door het college aangewezen periode; b. voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3˚, van het Wetboek van Strafrecht. 3. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.
Artikel 2:19 (Vervallen) Artikel 2:20 (Vervallen) Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting en dergelijke 1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk,
Dit artikel volgt uit de model Apv en was al opgenomen in de Apv van Beemster. Vanwege de harmonisatie is dit artikel daarom ook in de nieuwe Apv van Purmerend opgenomen.
Artikel van model Apv overgenomen. Daarom is het artikel anders geformuleerd en zijn enkele tekstuele aanpassingen gedaan. Voorheen was dit artikel opgenomen in hoofdstuk 5, in de nieuwe Apv is het artikel opgenomen in hoofdstuk 2.
Er zijn een paar kleine tekstuele wijzigingen gedaan. Verder ongewijzigd.
14
aanwijzingen van het college, voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer, de openbare verlichting, de openbare orde en veiligheid, de stadsverwarming of de brandweer worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2. Het college maakt van tevoren aan de rechthebbende als bedoeld in het eerste lid zijn besluit bekend over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van een voorwerp, bord of voorziening als bedoeld in het eerste lid. 3. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de Waterstaatswet 1900, de onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht van toepassing is. Artikel 22 Verwijdering e.d. voorzieningen voor verkeer en verlichting e.d. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een bord of een andere voorziening ten behoeve van het openbaar verkeer, de openbare verlichting, de openbare orde en veiligheid, de stadsverwarming of de brandweer te verwijderen, te wijzigen, te beschadigen, de werking ervan te beletten of te belemmeren. n.v.t.
n.v.t.
vanwege en overeenkomstig de aanwijzingen van het college, voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer, de openbare verlichting, de openbare orde en veiligheid, de stadsverwarming of de brandweer worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2. Het college maakt van tevoren aan de rechthebbende als bedoeld in het eerste lid zijn besluit bekend over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van een voorwerp, bord of voorziening als bedoeld in het eerste lid. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet of de Belemmeringenwet Privaatrecht. n.v.t.
Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn 1. Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat. 3. Het verbod is niet van toepassing op objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn. 4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs 1. Het is verboden:
Dit artikel is niet opgenomen in de model Apv. Zie in dit verband het nieuwe artikel 2:16.
Dit artikel volgt uit de model Apv en was al opgenomen in de Apv van Beemster. Vanwege de harmonisatie is dit artikel daarom ook in de nieuwe Apv van Purmerend opgenomen. Overigens is op deze kaart is te zien dat er een hoogspanningslijn door Beemster en door een heel klein deel van Purmerend loopt. http://geodata.rivm.nl/netkaart.html
Dit artikel volgt uit de model Apv en was al opgenomen in de Apv van Beemster. Vanwege de
15
AFDELING 8 Toezicht op grootschalige evenementen
Artikel 111 Begripsomschrijving 1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan: elke voor publiek toegankelijke activiteit dan wel serie van activiteiten die als geheel kunnen worden aangemerkt, op het gebied van cultuur, sport, vermaak, ontspanning of promotie met ten minste een lokale uitstraling, met uitzondering van: a. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; b. activiteiten als bedoeld in artikel 94, 98; c. markten als bedoel in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet; d. activiteiten, niet zijnde door de burgemeester aangewezen vechtsportevenementen, in een gebouw of op een terrein overeenkomstig de bestemming van dat gebouw of terrein. 2. Onder evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid; b. een braderie; c. een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 9; d. een draaiorgel.
a. voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen; b. bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de provinciale vaarwegenverordening. Afdeling 3. Evenementen
Artikel 2:24 Definities 1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a. bioscoop- en theatervoorstellingen die worden georganiseerd in een gebouw overeenkomstig de bestemming van dit gebouw; b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet en artikel 5:22; c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; d. het in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet gelegenheid geven tot dansen; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; f. activiteiten als bedoeld in de artikelen 2:9 en 2:39; g. sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid, onder f. h. activiteiten, niet zijnde door de burgemeester aangewezen vechtsportevenementen, in een gebouw of op een terrein overeenkomstig de bestemming van dat gebouw of terrein. 2. Onder evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid; b. een braderie; c. een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3; d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;
harmonisatie is dit artikel daarom ook in de nieuwe Apv van Purmerend opgenomen.
Voorheen was deze afdeling opgenomen in hoofdstuk 5. In de nieuwe Apv wordt de model Apv gevolgd en daarom is de afdeling nu opgenomen in hoofdstuk 2. Artikel van model Apv grotendeels overgenomen. Ten opzichte van het artikel van de model Apv zijn de volgende onderdelen toegevoegd aan het artikel in de nieuwe Apv van Purmerend: - Lid 1 sub a: zinsnede ‘’die worden georganiseerd in een gebouw overeenkomstig de bestemming van dit gebouw’’ toegevoegd. - lid 1 sub h. - lid 2 sub g. - de voorwaarden genoemd onder lid 3 sub d. Deze voorwaarden zijn uitgebreider dan het model. Daarnaast is de definitie van ‘evenement’ gewijzigd en worden bioscoop- en theatervoorstellingen (met de toevoeging: in de daarvoor bestemde gebouwen ) (lid 1 sub a), kansspelen (lid 1 sub c), gelegenheid geven tot dansen (lid 1 sub d), vertoningen op openbare plaatsen en speelgelegenheden (lid 1 sub f), sportwedstrijden (lid 1 sub g) niet gerekend tot evenement. In de Apv van 2003 was opgenomen dat artikel 98 (crossterreinen) geen evenement is. In de nieuwe Apv keert deze uitzondering niet terug en dat is in overeenstemming met de model Apv. Optreden met een draaiorgel valt in de nieuwe Apv onder artikel 2:9 en wordt niet meer gezien als evenement. Verder is in de nieuwe Apv expliciet geregeld dat een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of
16
Artikel 112 Vergunning evenementen 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2. Geen vergunning is vereist voor een eendaags evenement met een lokale uitstraling, zoals een straatfeest, buurtbarbecue of een daarmee gelijk te stellen evenement in de openlucht, mits: a. de organisator ten minste 10 werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester; b. het aantal bezoekers dat gelijktijdig aanwezig is niet meer dan 150 personen bedraagt; c. het plaatsvindt tussen 08.00 uur en 23.00 uur en op zondag tussen 13.00 en 23.00 uur; d. er geen alcoholische dranken tegen betaling worden verstrekt; e. de weg waarop of waaraan het evenement plaatsvindt geen
e. een straatfeest of buurtbarbecue; f. een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s. g. een markt in de openbare ruimte waar hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden. 3. In deze afdeling wordt onder klein evenement verstaan een eendaags evenement waarbij: a. het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 150 personen; b. de activiteiten plaatsvinden tussen 08.00 uur en 23.00 uur en op zondag tussen 13.00 en 23.00 uur; c. de activiteiten niet plaatsvinden op de rijbaan, (brom)fietspad of anderszins een belemmering vormen voor het verkeer en de hulpdiensten; d. met betrekking tot het plaatsen van objecten geldt dat 1. slechts kleine objecten worden geplaatst van minder dan 25m2 en het totaal van de objecten tezamen niet meer dan 50m2 bedraagt; 2. een strook van de weg van tenminste 3,5 meter obstakelvrij wordt gehouden voor hulpdiensten; 3. er geen tent geplaatst wordt waarvoor een gebruiksmelding is vereist; en 4. er een contactpersoon aanwezig en bereikbaar is tijdens het evenement. Artikel 2:25 Evenementenvergunning 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2.
Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen. 3. Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, als de organisator ten minste 14 dagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester.
-gala’s worden gerekend tot evenement (lid 2 sub f). Ook lid 2 sub g is nieuw, welke regel inhoudt dat snuffelmarkten in de openbare ruimte vergunningplichtig zijn. In de Apv van 2003 was al geregeld dat voor een klein evenement geen vergunning aangevraagd hoeft te worden en dat een melding voldoende is. Deze eisen waren opgenomen in het oude artikel 112 en keren grotendeels terug in het nieuwe artikel 2:24. De eis dat geen alcoholische dranken tegen betaling verstrekt mogen worden is komen te vervallen, omdat men hiervoor een artikel 35 Drank- en horecawet ontheffing kan aanvragen. Daarnaast is gewijzigd dat het (kleine) evenement niet mag plaatsvinden op de rijbaan of (brom)fietspad, omdat het als onwenselijk wordt beschouwd dat op deze plaatsen (kleine) evenementen plaatsvinden.
Artikel van model Apv grotendeels overgenomen. Ten opzichte van het artikel van de model Apv zijn de volgende onderdelen toegevoegd aan het artikel in de nieuwe Apv van Purmerend: - Lid 7 sub b. - Lid 9. - Lid 10. Verder zijn de weigeringsgronden niet meer in dit artikel opgenomen, maar zijn de algemene weigeringsgronden van artikel 1:8 van toepassing. De extra weigeringsgronden van lid 7 zijn nieuw. De weigeringsgrond van lid 7 sub b volgt uit het evenementenbeleid van Purmerend en heeft daarmee een expliciete grondslag. Ook lid 9 (evenementenkalender) volgt uit het evenementenbeleid.
17
wijkonstsluitingsweg is en geen onderdeel uit maakt van een route voor het openbaar vervoer; f. met betrekking tot het plaatsen van objecten op de openbare weg/grond; 1. slechts kleine objecten worden geplaatst van minder dan 25m2 en totaal objecten tezamen 50m2; 2. een strook van de weg van tenminste 3,5 meter obstakelvrij wordt gehouden voor hulpdiensten; 3. er geen tent geplaatst wordt waarvoor een gebruiksvergunning is vereist. g. er een contactpersoon aanwezig en bereikbaar is tijdens het evenement. 3. De vergunning bedoeld in het eerste lid en een melding bedoeld in het tweede lid kunnen respectievelijk worden geweigerd en verboden: a. in het belang van de openbare orde; b. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; c.in het belang van de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen; d. in het belang van de zedelijkheid of gezondheid; e. in het belang van een kwalitatief en professioneel aanvaardbaar niveau of een gedifferentieerd aanbod; f. in het belang van een krachtens de Gemeentewet ingestelde markt; g. wegens strijd met het geldend bestemmingplan. 4. Het verbod van het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover artikel 10 van de Wegenverkeerswet 1994 van toepassing is. 5. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in het eerste lid. 6.
De burgemeester kan nadere regels stellen voor het organiseren van evenementen als bedoeld in dit artikel. n.v.t.
4. De burgemeester kan binnen 10 dagen na ontvangst van de melding besluiten een klein evenement te verbieden, als er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 5. Het verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994. 6. Het derde lid is niet van toepassing op een krachtens artikel 2:24, tweede lid, onder f, aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s. 7. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning weigeren als: a. de organisator of de aanvrager van de vergunning voor een vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, onder f, in enig opzicht van slecht levensgedrag is; b. van een evenement voor het aankomend jaar niet vóór 25 oktober van het voorgaande jaar melding is gedaan aan de burgemeester. 8. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. 9. De burgemeester stelt ieder kalenderjaar een evenementenkalender vast. 10. De burgemeester kan nadere regels stellen voor het organiseren van evenementen als bedoeld in deze afdeling.
De termijnen genoemd in het nieuwe derde en vierde lid zijn ontleend van de Apv van Beemster, al zijn de termijnen in de nieuwe Apv gebaseerd op dagen (geen werkdagen).
Artikel 2:26 Ordeverstoring 1. Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. 2. Het is verboden bij een evenement zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde.