B1 -bijlage-1-toelichting-en-regels-bp-Purmerenderweg-34-OUD
Tekst van het document
Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Bij groepsrisico is niet een contour bepalend, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Bij groepsrisico wordt gewerkt met een oriëntatiewaarde en niet met een grenswaarde. Hoe meer mensen dicht op de bron zijn bij een bepaalde calamiteit, hoe groter het effect. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) stelt dat bij elk bestemmingsplan, waar een relevant groepsrisico aanwezig is, dit risico moet worden verantwoord, ook wanneer dit onder de oriëntatiewaarde ligt. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico des te zwaarder de verantwoording is.
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Pagina 27 Bestemmingsplan Purmerenderweg 34 – ZOB
Het Bevi is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie. Vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor Het toetsingskader voor het onderdeel transportroutes gevaarlijke stoffen is het Besluit transportroutes externe veiligheid (Btev). Dit besluit is op 1 april 2015 in werking getreden. Bepaald moet worden of binnen de invloedsfeer van deze transportassen gevoelige functies mogelijk zijn. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Voor sommige transportassen wordt rekening gehouden met het Plasbrandaandachtsgebied (PAG). Het PAG is het gebied tot 30 meter van de transportas waarin, bij de realisering van kwetsbare objecten, rekening dient te worden gehouden met de effecten van een plasbrand. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen.
Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het PR in acht te nemen en het GR te verantwoorden. Het Bevb vervangt hiermee de circulaires Zonering langs hogedruk aardgasleidingen (1984) en Zonering langs transportleidingen voor brandbare vloeistoffen (1991). Planspecifiek Om te beoordelen of er risico’s Externe Veiligheidsrisico’s zijn, is de risicokaart van de provincie geraadpleegd. De risicokaart toont dat er geen Bevi-inrichtingen en buisleidingen aanwezig zijn nabij het plangebied. Het plan ligt niet binnen plaatsgebonden risicocontouren van deze typen risicobronnen.
Figuur 13. Risicokaart van de provincie. Plangebied nabij blauw punt.
Op circa 500 meter, ten westen van het plangebied ligt de weg A7. Ten oosten ligt de N247 op circa 4 kilometer afstand en ten zuiden ligt de N244 op ongeveer 1,1 kilometer afstand. Over deze wegen worden gevaarlijke stoffen getransporteerd. Er gelden geen plaatsgebonden risicocontour van deze transportroutes tot over het bestemmingsplan. Het groepsrisico zal evenmin wijzigen omdat voorliggend plan het vervangen van een woning inhoud. Het aantal mensen op de locatie, bepalend voor het groepsrisico, zal niet wijzigen. Gezien bovenstaande conclusies zijn van uit het aspect Externe veiligheid geen aanvullende randvoorwaarden van toepassing op het plan. Het aspect Externe Veiligheid vormt geen belemmering voor het plan. Pagina 28 Bestemmingsplan Purmerenderweg 34 – ZOB
Waterbeheer Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Nationaal Water Programma 2022-2027 Op 18 maart 2022 is het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) vastgesteld. Dit programma, een uitwerking van de NOVI, bevat de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en het beheer van de rijkswateren en rijksvaarwegen. De drie hoofdambities van het NWP zijn: • Een veilige en klimaatbestendige delta • Een concurrerende, duurzame en circulaire delta • Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met het bodem- en watersysteem. Opgaven voor klimaatadaptatie, water en scheepvaart moeten een integraal onderdeel zijn van alle ruimtelijke ingrepen. Het is hiervoor belangrijk dat adviezen uit de watertoets worden overgenomen in de ontwikkeling van plannen. Beleid Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Het Waterplan HHNK (WBP6), vastgesteld op 15 december 2021, bevat het beleid op hoofdlijnen voor het waterbeheer in het beheersgebied van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier voor de periode 2022-2027.
De watertoets is het instrument waarmee het Hoogheemraadschap toezicht houdt op behartiging van de waterbelangen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het beleid is om op te schuiven van toetsen van plannen naar samenwerken en meedenken aan de voorkant. De insteek is dat water een leidend principe is voor de ruimtelijke ordening, zonder de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen uit het oog te verliezen. Planspecifiek Watersysteem Onderstaand is een uitsnede van de legger van het waterschap ingevoegd. Het planperceel grenst aan secundaire waterlopen. Voorgenomen planontwikkeling waarbij de bestaande bebouwing gesloopt en een nieuwe woning wordt gebouwd, heeft geen gevolgen voor het onderhoud van watergangen en/of waterkeringen.
Figuur 14. Legger oppervlaktewater. Plangebied globaal aangeduid met rood kader.
Lozen van afvalwater In voorliggend plan betreft het enkel huishoudelijk afvalwater. Het systeem voor huishoudelijk afvalwater is aangesloten op het bestaande vuilwaterriool van het perceel. Pagina 29 Bestemmingsplan Purmerenderweg 34 – ZOB
Afvoer hemelwater en waterberging Het hemelwater is afgekoppeld naar de omliggende gronden van de tuin. In de bestaande situatie is het grootste gedeelte van het perceel reeds verhard of bebouwd terrein. Door de sloop van de extra bedrijfsgebouwen zal er minder verhard oppervlakte zijn in de nieuwe situatie. Uitloging bouwmaterialen door regenwater In voorliggend plan worden geen uitloogbare materialen toegepast. Watertoets Door de digitale watertoets is bepaald welke procedure moet worden doorlopen voor het planvoornemen. Het betreft de korte procedure, waardoor vooroverleg met het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier over deze waterparagraaf niet noodzakelijk is. De watertoets is te vinden in bijlage 4. Gezien bovenstaande vormt het aspect water geen belemmering voor onderhavig plan.
Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. Planspecifiek Er is meer dan voldoende ruimte om de parkeerbehoefte op eigen terrein op te lossen. Het plan betreft vervangende nieuwbouw. Er zal dus geen extra verkeersdruk op de Purmerenderweg komen door het plan.
Besluit Milieueffectrapportage 4.10.1 Algemeen In de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd dat voorafgaande aan het ruimtelijke plan dat voorziet in een grootschalig project met belangrijke nadelige milieugevolgen een milieueffectrapport (MER) opgesteld dient te worden. De activiteiten waarvoor een MER-rapportage opgesteld moet worden zijn opgenomen in de bijlage van het Besluit m.e.r. Een bestemmingsplan kan m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn op de volgende manieren: • Een plan kan m.e.r.-plichtig zijn indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is; • Een plan kan m.e.r.-plichtig zijn indien sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit de onderdelen C en D overschrijden en waarbij het plan wordt genoemd in kolom 3 (plannen). • Een plan kan m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn indien het plan wordt genoemd in kolom 4 (besluiten) en er sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit onderdeel C en D overschrijden. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel C is in dit geval sprake van een m.e.r.-plicht. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel D is het plan m.e.r.-beoordelingsplichtig. In het Besluit m.e.r.
neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Pagina 30 Bestemmingsplan Purmerenderweg 34 – ZOB
Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, de zogenaamde 'vergewisplicht'. Het komt er op neer dat voor een bestemmingsplan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen in onderdeel D en beneden de drempelwaarden vallen, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. 4.10.2 Situatie plangebied Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op circa 824 meter van het plangebied. Zoals in paragraaf 4.3.2. van deze toelichting is beschreven is er voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake van een stikstofdepositie dat significant negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstelling van Natura 2000-gebieden. Het voornemen is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig.
Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet noodzakelijk. Daarom is geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. 4.10.3 Drempelwaarden Besluit m.e.r. Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen waardoor, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden, sprake is van een m.e.r-beoordelingsplichtig plan. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject.' Aangezien hier in dit geval sprake van is dient te worden getoetst of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
Indien het project wordt vergeleken met de drempelwaarden uit de D-lijst kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject en daarmee tevens geen m.e.r.beoordelingsplichtige activiteit. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag of er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Besluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan.
Pagina 31 Bestemmingsplan Purmerenderweg 34 – ZOB
De voorliggende ontwikkeling houdt de herbouw van een woning in op een agrarisch perceel. Het gaat om een kleinschalige ontwikkeling waarbij het aantal verkeersbewegingen niet onevenredig toeneemt. Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een functie die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen en andere milieugevoelige functies. Gelet op het vorenstaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.. Tevens blijkt uit dit hoofdstuk dat de ontwikkeling geen belangrijke nadelige milieugevolgen heeft, die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. 4.10.4 Conclusie Het projectgebied is niet binnen een kwetsbaar gebied gelegen, is kleinschalig van aard en heeft ook geen belangrijke milieugevolgen voor de omgeving, waardoor het voornemen in het desbetreffende gebied niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is.
Pagina 32 Bestemmingsplan Purmerenderweg 34 – ZOB
5 Juridische planbeschrijving Plansystematiek Het bestemmingsplan heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen voor de bebouwing en het gebruik van de gronden binnen het plangebied. Het bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van een extra woning binnen de reeds aanwezige bestemming Wonen mogelijk. Bij het opstellen van voorliggend bestemmingsplan is aansluiting gezocht op het vigerende bestemmingsplan ter plaatse ‘Buitengebied Beemster 2012 - Partiële herziening 2021 (vastgesteld 26-10-2021)’ en bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Gestreefd is naar uniformering en standaardisering van bestemmingen en planregels. De Wet ruimtelijke ordening biedt mogelijkheden voor het opstellen van verschillende bestemmingsplanvormen, van zeer gedetailleerd tot zeer globaal. Voor iedere bestemming is een toegesneden bebouwingsregeling opgenomen. In het kader van de landelijke uniformering en standaardisering voldoet het plan aan de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012.
Opzet van de regels Overeenkomstig de SVBP2012 zijn de regels van voorliggend bestemmingsplan onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. In hoofdstuk 2 zijn de bestemmingsregels opgenomen. Hoofdstuk 3 en 4 bevatten de algemene regels respectievelijk de overgangs- en slotregels. Hierna wordt de inhoud van de regels per hoofdstuk kort toegelicht. In paragraaf 5.3 wordt nader ingegaan op de bestemmingen die in het bestemmingsplan zijn opgenomen. Onderstaande beschrijving is een algemeen beschrijving van bestemmings- of wijzigingsplanregels. Omdat verwezen wordt naar het moederplan zijn de regels in dit plan zeer beknopt. Hoofdstuk 1 - Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat twee artikelen. In het eerste artikel zijn de begrippen opgenomen die van belang zijn voor de toepassing van het plan. Het tweede artikel betreft de wijze van meten, waarin wordt aangegeven hoe bij de toepassing van de bestemmingsregels wordt gemeten. Hoofdstuk 2 - Bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn regels gegeven voor de binnen het plangebied voorkomende bestemmingen, zoals die zijn aangegeven op de verbeelding. Per bestemming zijn in de bestemmingsomschrijving de toegelaten gebruiksvormen van de gronden aangegeven. Daarnaast is per bestemming bepaald welke vormen van bebouwing zijn toegestaan.
In beginsel zijn hoofdgebouwen uitsluitend toegestaan binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken, waarbij dient te worden voldaan aan de voorgeschreven maatvoering (met name de maximale goot- en/of bouwhoogte). De verschillende bestemmingen bevatten, indien nodig, specifieke gebruiksregels. Per bestemming is daarnaast bepaald in welke gevallen burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bestemmingsplan. In paragraaf 5.3 wordt nader ingegaan op de afzonderlijke bestemmingen. Hoofdstuk 3 - Algemene regels Dit hoofdstuk bevat de volgende algemene regels: • de anti-dubbeltelbepaling; • algemene bouwregels; • algemene aanduidingsregels; • algemene afwijkingsregels; • algemene wijzigingsregels; • overige regels.
Pagina 33 Bestemmingsplan Purmerenderweg 34 – ZOB
Hoofdstuk 4 - Overgangs- en slotregels Hoofdstuk 4 van de regels bevat twee artikelen. In het eerste artikel is het overgangsrecht opgenomen, zoals dat ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Het tweede artikel bevat de slotregel. In de slotregel is aangegeven hoe de regels kunnen worden aangehaald.
De bestemmingen In het plangebied zijn de bestemming Wonen, Water en Tuin opgenomen. Voor de regels is het vigerende bestemmingsplan gebruikt. De regels zijn overgenomen en enkel niet relevante regels zijn verwijderd. De bestemmingsplangrens volgt het huidige agrarisch bouwvlak met de voorliggende tuin. Door het volgen van het agrarisch bouwvlak komt dit gehele bouwvlak te vervallen en daarmee is geen agrarisch bedrijf op de locatie meer mogelijk. In het voorgaande bestemmingsplan, de partiele herziening Buitengebied 2012, is als instrument het keukentafeloverleg ingevoerd. Dit instrument is ten behoeve van mogelijk toekomstige ontwikkelingen. De aanleiding hiervan is dat vanwege de bijzondere landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten van het gebied en de daarmee samenhangende UNESCO-status het wenselijk is om een dergelijke ontwikkeling goed te begeleiden. Om betrokken initiatiefnemers te helpen bij het opstellen van een plan waarvoor het college ook een vergunning kan verlenen, is het gewenst dat de gemeente samen met de betrokkene de mogelijkheden en de beperkingen verkent vóórdat een aanvraag om omgevingsvergunning wordt ingediend. Dit 'begeleidingsproces' is vormgegeven als keukentafeloverleg. In voorliggend plan zijn de werkafspraken opgenomen als bijlage bij de regels 4.
Pagina 34 Bestemmingsplan Purmerenderweg 34 – ZOB
6 Maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid Naast ruimtelijke uitvoerbaarheid wordt de beoogde ontwikkeling van het plangebied ook getoetst aan economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.
Economische uitvoerbaarheid Op grond van de Grondexploitatiewet dient een exploitatieplan te worden vastgesteld bij het vaststellen van het bestemmingsplan of ander ruimtelijk plan, tenzij de economische uitvoerbaarheid anderszins is gegarandeerd. De procedurekosten voor het plan worden middels de gemeentelijke legeskosten op initiatiefnemer verhaald. Vanuit het plan vloeien geen overige kosten of risico’s voort die voor rekening van de gemeente zijn. De economische uitvoerbaarheid van het plan is daarmee verzekerd.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid Vooroverleg en inspraak De initiatiefnemer heeftoverleg met de omgeving gevoerd over het plan. Gevraagd is wat omwonenden van het plan vonden en of er nog bedenkingen zijn waar rekening mee gehouden moet worden. Van het overleg is een participatieverslag gemaakt. Dit participatieverslag is als bijlage 5 bij voorliggend bestemmingsplan gevoegd. Het ontwerpbestemmingsplan is tevens toegezonden aan de Provincie Noord-Holland in het kader van het vooroverleg. De Provincie heeft het ten aanzien van het plan laten weten dat het bouwplan in lijn is met artikel 6.9, 6.49 en 6.59 van de Omgevingsverordening. Het erf is weliswaar door kassenbouw niet zichtbaar vanaf de Purmerenderweg maar wel vanaf de Oostdijk. Vanaf hier is er thans zicht op een amorf erf. Door de voorgestelde bouw van een woning in de maatvoering en verhouding van een Beemster stolpboerderij wordt aan de kavel de identiteit van een Beemster erf gegeven. De bijgevoegde erfinrichting met duidelijke voor en achterzijde, doorlopende laanstructuur haaks op de weg, erfbegrenzing in de vorm van beplanting en boomgaard aan de voorzijde naast de stolpboerderij geeft aan dit Beemster erf de juiste invulling. De provincie adviseert positief over de ruimtelijke kwaliteit.
Ze hadden geen verdere opmerkingen meer omtrent dit plan en hoefden het niet opnieuw te bekijken.‘ Zienswijze Het ontwerpbestemmingsplan wordt gedurende een periode van 6 weken ter inzage gelegd. Gedurende die periode van de tervisielegging wordt eenieder in de gelegenheid gesteld zijn of haar zienswijzen op het plan in te dienen. In deze paragraaf of in een aparte nota van zienswijze zal verslag worden gedaan van de zienswijzen op het ontwerpbestemmingsplan.
Pagina 35 Bestemmingsplan Purmerenderweg 34 – ZOB
7 Bijlagen 1. Quickscan Wet natuurbescherming Purmerenderweg 34 te Zuidoostbeemster, Blom ecologie B.V., kenmerk: BE/2021/632/r, 25 juni 2021; 2. Aeriusberekening Purmerenderweg 34 te Zuidoostbeemster, Plannen-makers, 2 november 2023; 3. Verkennend Bodemonderzoek Purmerenderweg 34, Grondslag bv, project 34304, 25 februari 2021; 4. Watertoets, Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, 17 april 2023; 5. Participatieverslag Purmerenderweg 34, Architectenbureau Ruben Wennekers, 16 maart 2023. 6. Akoestisch onderzoek Wet geluidhinder Purmerenderweg te Zuidoostbeemster, Weel Geluidadvies, kenmerk: PLA.23.06, 7 juni 2023; 7. Natuurtoets Purmerenderweg 34, Zuidoost Beemster, Elsken ecologie, 22 oktober 2023
Pagina 36 Bestemmingsplan Purmerenderweg 34 – ZOB
Regels bestemmingsplan “Purmerenderweg 34 ZOB- 2023” Planstatus: ontwerp Plan identificatie: NL.IMRO.0439.BPPURMWEG34ZOB2023-on01
Inhoudsopgave 1 Inleidende regels ....................................................................................................................... 3 Artikel 1 Begrippen .............................................................................................................................. 3 Artikel 2 Wijze van meten ................................................................................................................... 9 2 Bestemmingsregels.................................................................................................................. 10 Artikel 3 Tuin ..................................................................................................................................... 10 Artikel 4 Water .................................................................................................................................. 11 Artikel 5 Wonen................................................................................................................................. 13 Artikel 6 Waarde - Cultuurhistorie .................................................................................................... 17 3 Algemene regels ......................................................................................................................
18 Artikel 7 Anti-dubbeltelregel ............................................................................................................. 18 Artikel 8 Algemene bouwregels ........................................................................................................ 18 Artikel 9 Algemene gebruiksregels .................................................................................................... 18 Artikel 10 Algemene afwijkingsregels ............................................................................................... 19 Artikel 11 Overige regels ................................................................................................................... 21 4 Overgangs- en slotregels .......................................................................................................... 22 Artikel 12 Overgangsrecht ................................................................................................................. 22 Artikel 13 Slotregel ............................................................................................................................ 22
2
1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen 1.1 plan: het bestemmingsplan Purmerenderweg 34 ZOB- 2023 met identificatienummer NL.IMRO.0439.BPPURMWEG34ZOB2023-on01 van de Gemeente Purmerend. 1.2 bestemmingsplan: de geometrisch bepaalde planobjecten met bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen; 1.3 de verbeelding: de verbeelding bestaande uit het blad met het nummer NL.IMRO.0439.BPPURMWEG34ZOB2023-on01; 1.4 aanbouw: een gebouw met een primaire woonfunctie dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 1.5 aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.6 aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.7 aan-huis-verbonden bedrijf: een bedrijf dat in, aan of bij een woning wordt uitgeoefend door een (mede)bewoner van de op het bouwperceel gesitueerde woning, waarbij de woning in hoofdzaak haar woonfunctie behoudt en dat is gericht op het verlenen van diensten; de bedrijfsuitoefening dient een ruimtelijke uitwerking en uitstraling te hebben die met de woonfunctie in overeenstemming is; 1.8 aan-huis-verbonden beroep:
een beroep dat in, aan of bij een woning wordt uitgeoefend door een (mede)bewoner van de op het bouwperceel gesitueerde woning, waarbij de woning in hoofdzaak haar woonfunctie behoudt en dat is gericht op het verlenen van diensten; de beroepsuitoefening dient een ruimtelijke uitwerking en uitstraling te hebben die met de woonfunctie in overeenstemming is;
3
1.9 achtererfgebied: erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1 m van de voorkant, van het hoofdgebouw; 1.10 agrarisch bedrijf: een bedrijf, gericht op het voortbrengen van producten door het telen van gewassen of het houden van dieren, daaronder niet begrepen een productiegerichte paardenhouderij, houtteelt, zaadveredeling en de teelt van watergebonden organismen als planten, algen, weekdieren, schelpdieren en vissen; 1.11 bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde; 1.12 bed and breakfast: een kleinschalige vorm van verblijfsrecreatie zonder eigen kookvoorziening die zich met name richt op de trekkende toeristen, die voor één of enkele nachten een onderkomen zoeken; de indeling en invulling van de kamers is sterk afhankelijk van de bestaande bebouwing; 1.13 bestaand: a. bij bouwwerken: bestaand ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan; b. bij gebruik: bestaand ten tijde van het vaststellen van het bestemmingsplan; 1.14 bestaande situatie (stikstofdepositie): 1. de activiteit die is toegestaan ten tijde van het vaststellen van dit bestemmingsplan op grond van: a. een vergunning als bedoeld in artikel 2.7, lid 2 van de Wet Natuurbescherming, of b.
een omgevingsvergunning waarbij de toestemming op grond van artikel 2.2aa onderdeel a van het Besluit omgevingsrecht is aangehaakt, of 2. indien een vergunning als bedoeld onder 1a ontbreekt: het feitelijke en planologisch legale gebruik ten tijde van het vaststellen van het bestemmingsplan; 1.15 bestemmingsgrens: de grens van een bestemmingsvlak; 1.16 bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.17 bijgebouw: een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door zijn vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch en functioneel opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 1.18 bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk; 4
1.18 bouwgrens: de grens van een bouwvlak; 1.20 bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.21 bouwperceelgrens: de grens van een bouwperceel; 1.22 bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, zijn toegelaten; 1.23 bouwwerk: elke constructie van enige omvang, van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.24 detailhandel: het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; 1.25 erker: een uitbouw aan een woning, die zich bevindt aan de voor- of zijgevel of beide, en ondergeschikt is aan de woning; 1.26 escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend; 1.27 gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.28
gevellijn: de achtergevel en de verlengde lijn van de (bedrijfs)woning dan wel het gebouw waarvan de (bedrijfs) woning deel uitmaakt; 1.29 hoofdgebouw: gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is, zoals de bedrijfsgebouwen, bedrijfswoning of woning; 5
1.30 huishouden: een alleenstaande, dan wel twee of meer personen, die een duurzame (gemeenschappelijke) huishouding voer(t)(en) of wil(len) voeren, waar bij een gemeenschappelijke huishouding sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan (kamerverhuur wordt daaronder niet begrepen); 1.31 keukentafeloverleg: methode van overleg om te bezien of een nieuwe ontwikkeling uitvoerbaar is en om vervolgens overeenstemming te bereiken over de landschappelijke en/of stedenbouwkundige inpassing van bebouwing en/of het gebruik die het gevolg is van deze nieuwe ontwikkeling, waarvan de werkwijze is opgenomen in de door de raad vastgesteld beleidsregels in de nota 'Werkafspraken Keukentafeloverleg Beemster', die als bijlage 3 bij de regels van dit plan is opgenomen; 1.32 kopergravuresloot: een waterloop met cultuurhistorische waarde; 1.33 nutsvoorzieningen: voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes en apparatuur voor telecommunicatie; 1.34 omgevingsaspecten: de omgevingsaspecten omvatten in ieder geval natuurwaarden, erfgoedwaarden, bodemkwaliteit, waterkwantiteit en -kwaliteit, luchtkwaliteit, externe veiligheidsbelangen, bedrijfshinder en andere hinderaspecten, verkeersbelangen en parkeren.
1.35 omgevingsvergunning: een vergunning voor het uitvoeren van een project dat invloed heeft op de fysieke leefomgeving; 1.36 omgevingsvergunning voor het bouwen: omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk; 1.37 omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden: omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden; 1.38 omgevingsvergunning voor het afwijken: omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met dit plan met toepassing van de in dit plan opgenomen regels inzake afwijking;
6
1.39 onderkomen: voor verblijf geschikte - al dan niet aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voertuigen, vaartuigen, arken, toercaravans, voor zover deze niet als bouwwerk zijn aan te merken, alsook tenten; 1.40 overkapping: een bouwwerk dat een overdekte ruimte vormt zonder dan wel met ten hoogste een wand; 1.41 paardenbak: een buitenrijbaan ten behoeve van paardrijactiviteiten, met een bodem van zand, hout, boomschors of ander materiaal om de bodem te verstevigen en al dan niet voorzien van een omheining; 1.42 paddock: een ruimte waar één of meerdere paarden ter ontspanning en naar eigen inzicht vrij kunnen bewegen en al dan niet (deels) overkapt; 1.43 permanente bewoning: het gebruik van een (bedrijfs-)woning als vaste woonplaats; 1.44 prostitué/prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; 1.45 prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; 1.46 raamprostitutie: een seksinrichting waarbij de prostitué/prostituee vanachter de ramen door handeling, houding, woord, gebaar of op andere wijze, passanten tot prostitutie beweegt, uitnodigt dan wel aanlokt; 1.47 seksinrichting: een voor het publiek toegankelijke gebouw dan wel onderkomen waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen
worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden; onder een seksinrichting worden in ieder geval verstaan een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf, waaronder tevens begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar; 1.48 sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd;
7
1.49 stolpwoning: van oorsprong voor agrarisch doel (inclusief wonen) opgericht gebouw op een vierkante plattegrond, bestaande uit één bouwlaag met pyramidaal dak, dat rust op een constructie van poeren en dwarsbalken; 1.50 straatprostitutie: op of aan de weg of op een andere voor het publiek toegankelijke plaats, door handeling, houding, woord, gebaar of op andere wijze, passanten tot prostitutie bewegen, uitnodigen dan wel aanlokken; 1.51 thuiswerk: degene die thuis prostitutie bedrijft en voldoet aan de volgende voorwaarden: • • • • •
het werk vindt uitsluitend plaats in de eigen woning, waar hij of zij ook volgens het bevolkingsregister staat ingeschreven; werving van klanten gebeurt uitsluitend langs informele weg, adverteren mag slechts incidenteel; aan de buitenkant van het perceel mag niet blijken dat er prostitutie wordt bedreven; er mag door anderen of andere bewoners van de woning geen prostitutie worden bedreven; er mag geen sprake zijn van overlast of aantasting van het woon- of leefklimaat;
1.52 uitbouw: een gebouw met een primaire woonfunctie dat als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw, welk gebouw door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 1.53 vaste woonplaats: het gebruiken van woonruimte als hoofdverblijf zoals bedoeld in de Wet basisregistratie personen dan wel diens rechtsopvolger. Als criterium voor de vaststelling of iemand een woonruimte als hoofdverblijf in gebruik heeft, geldt dat hij of zij op het betreffende adres staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie, terwijl tevens uit het geheel van feiten en omstandigheden blijkt dat het betreffende adres als zijn of haar hoofdverblijf fungeert; 1.54 voorerfgebied: erf dat geen onderdeel is van het achtererfgebied; 1.55 wonen: het huisvesten van één (afzonderlijke) huishouden in een (bedrijfs-)woning, waarbij deze woning uitsluitend mag worden gebruikt voor permanente bewoning; 1.56 woning: een gebouw of gedeelte van een gebouw, bestaande uit een complex van ruimten, dat is bedoeld en dient voor de huisvesting van één huishouden. Waar in deze regels wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen, wordt geduid op de wettelijke regelingen, zoals die luidden op het moment van het ter inzage leggen van het ontwerp van dit plan. 8
Artikel 2 Wijze van meten Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens: de kortste afstand van het verticale vlak in de zijdelingse perceelsgrens tot enig punt van het op dat bouwperceel voorkomende bouwwerk; 2.2 de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; 2.3 de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; 2.4 de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.5 de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.6 de breedte en diepte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken of het hart van scheidingsmuren; 2.7 de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, nederwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; 2.8 het peil: de hoogte van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang van een gebouw of,
indien de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst, de door het bevoegd gezag vastgestelde hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw- of bestemmingsgrenzen niet meer dan 0,5 m bedraagt.
9
2 Bestemmingsregels Artikel 3 Tuin 3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d.
tuinen; ontsluiting aanliggende percelen; water; duikers, bruggen en dammen.
3.2 Bouwregels 3.2.1 Algemeen Op deze gronden mogen uitsluitend erkers aan aanliggende woningen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, worden gebouwd met uitzondering van karakteristieke bouwwerken. 3.2.2 Bijbehorende bouwwerken (erkers) Voor het bouwen van een erker gelden de volgende regels: a. erkers zijn niet toegestaan bij karakteristieke bouwwerken b. de diepte niet meer mag bedragen dan 1,5 m; c. de breedte niet meer mag bedragen dan 2/3 van de gevelbreedte van de woning. 3.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde, gelden de volgende regels: a. uitsluitend op in het achtererfgebied mag worden gebouwd; b. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3 m; c. de oppervlakte van een overkapping mag niet meer bedragen dan 15 m2.
10
Artikel 4 Water 4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d.
waterhuishouding; waterberging; waterlopen; bruggen en dammen, uitsluitend voor zover aanwezig ten tijde van de ter inzage legging van dit bestemmingsplan;
met de voor de hiervoor en voor het verkeer in en over het water noodzakelijke bouwwerken, geen gebouw zijnde. 4.2 Bouwregels 4.2.1 Gebouwen Er mogen geen gebouwen worden gebouwd. 4.2.2 Bouwwerken geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde gelden de volgende regels: a. per bouwperceel mag maximaal één brug of dam worden gebouwd; b. bestaande bruggen en dammen mogen op dezelfde locatie worden vervangen; c. de breedte van bruggen en dammen mag niet meer bedragen dan de breedte ten tijde van de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan; d. een dam dient te worden voorzien van een duiker, waarvan de doorsnede tenminste 1 m bedraagt; e. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m, gemeten ten opzichte van de hoogte van de aangrenzende oever; f. er moet worden voldaan aan de regels van de keur en de geldende beleidsregels van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. 4.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in artikel 4 lid 2.2 voor het vervangen van een brug of een dam op een andere locatie, voor het verbreden van een bestaande brug of dam of voor het bouwen van een tweede brug of dam ten behoeve van de ontsluiting van een agrarisch perceel, mits: a.
bij het vervangen van een brug of dam op een andere locatie de bestaande brug of dam wordt gesloopt; b. er in geval van het bouwen van een tweede brug of dam sprake is van een bedrijfseconomische noodzaak; c. de rijbreedte van de brug of dam bij een woonperceel niet meer bedraagt dan 3 m, waarbij de bruto-breedte van de brug of dam in technische verhouding moet staan tot de rijbreedte; d. de rijbreedte van de brug of dam bij een (agrarisch) bedrijfsperceel niet meer bedraagt dan 6 m, waarbij de bruto-breedte van de brug of dam in technische verhouding moet staan tot de rijbreedte; e. een bredere inrit alleen wordt overwogen wanneer dat schriftelijk wordt aangetoond met een draaicirkeldiagram. Dit geldt voor alle gebruikers in het buitengebied. Gelet 11
op de smalste wegbreedtes aanwezig in Beemster i.c.m. de langste voertuigcombinaties, is over het algemeen max. 10 m rijbreedte voor alle gebruikers voldoende. Indien nodig kan hier in maatwerk gevallen van worden afgeweken mits onderbouwd; f. met de verbrede of nieuwe brug of dam of de verplaatste brug of dam de kernkwaliteiten van UNESCO-werelderfgoed Droogmakerij de Beemster, zoals die in bijlage 2 zijn aangegeven, worden behouden en/of versterkt; g. er geen sprake is van een onevenredige aantasting van de verkeersveiligheidssituatie; h. er kan worden voldaan aan de regels uit de keur en de geldende beleidsregels van Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. 4.4 Specifieke gebruiksregels Tot een verboden gebruik van deze gronden wordt in ieder geval gerekend het gebruik als ligplaats voor woonschepen of recreatie- of pleziervaartuigen. 4.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 4.5.1 Vergunningsplicht Het is verboden zonder of in afwijking van omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden, sloten en andere watergangen te vergraven en/of te dempen. 4.5.2 Uitzonderingen Het in artikel 4 lid 5.1 bedoelde verbod is niet van toepassing op: a.
werken of werkzaamheden die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen of die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan; b. bouwwerkzaamheden zoals de aanleg van een dam met duiker overeenkomstig artikel 4 lid 2.2. 4.5.3 Toetsingscriteria De omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden wordt geweigerd indien door de uitvoering van de in artikel 4 lid 5.1 bedoelde werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen, de natuurwaarden en cultuurhistorische waarden in onevenredige mate kunnen worden aangetast.
12
Artikel 5 Wonen 5.1 Bestemmingsomschrijving De voor "Wonen" aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen, al dan niet in combinatie met ruimte voor beroeps- en bedrijfsuitoefening aan huis; 5.2 Bouwregels 5.2.1 Algemeen a. Op deze gronden mag uitsluitend ten behoeve van de bestemming worden gebouwd. b. de zijdelingse afstand van de gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde tot de aanwezige sloten mag niet minder dan 3,6 m bedragen; c. de zijdelingse afstand van de gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot de aanwezige kopergravuresloten mag niet minder dan 7,2 m bedragen. 5.2.2 Woningen Voor het bouwen van woningen gelden de volgende regels: a. er mag uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd, waarbij per bouwvlak maximaal één woning is toegestaan; b. de oppervlakte van de stolp mag niet minder dan 225 m2 (15 x 15 m) en niet meer dan 400 m2 (20 x 20 m) bedragen; c. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3,75 m; d. de dakhelling mag niet minder dan 45º en niet meer dan 52 º bedragen; e. de afstand van vrijstaande en aan één zijde aaneengebouwde hoofdgebouwen tot de zijdelingse perceelsgrens, mag niet minder dan 2,5 m bedragen. 5.2.3 Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen Voor het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen gelden de volgende regels: a.
aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen mogen worden gebouwd binnen bestemmingsvlakken, waarbij aanbouwen, uitbouwen en overkappingen niet zijn toegestaan bij karakteristieke bouwwerken; b. de bouwhoogte van aan- of uitbouwen mag niet meer bedragen dan de hoogte van de eerste bouwlaag van de woning, met een maximum van 4 m; c. de diepte van aan- of uitbouwen mag niet meer bedragen dan 3 m loodrecht gemeten vanuit de gevel waaraan wordt aangebouwd; d. aan de zijgevel van de woning gebouwde aan- of uitbouwen mogen tot maximaal 1 m achter het verlengde van de achtergevel van de woning worden gebouwd; e. de goothoogte en bouwhoogte van bijgebouwen en overkappingen mogen niet meer bedragen dan respectievelijk 3 m en 6 m; f. bijgebouwen moeten zijn voorzien van een kap haaks op de weg, waarvan de dakhelling niet minder dan 30º en niet meer dan 60º mag bedragen; g. ten aanzien van de maximale oppervlakte aan aan-, uit-, en/of bijgebouwen gelden de volgende regels: 1. voor zover de oppervlakte van het bebouwingsgebied 100 m2 of kleiner is bedraagt de oppervlakte ten hoogste 50% van het bebouwingsgebied; 13
2. voor zover de oppervlakte van het bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan 300 m2 is bedraagt de oppervlakte ten hoogste 50 m2 plus 20% van de oppervlakte van het deel van het bebouwingsgebied groter dan 100 m2 3. Voor zover de oppervlakte van het bebouwingsgebied groter dan 300 m2 is bedraagt de oppervlakte ten hoogste 90 m2 plus 10% van de oppervlakte van het deel van het bebouwingsgebied groter dan 300 m2 met een maximum van 150 m2; 5.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde, gelden de volgende regels: a. de hoogte van een erf- of terreinafscheiding mag 1 m achter de voorgevel of het verlengde daarvan niet meer dan 2 m en daarvoor niet meer dan 1 m bedragen; b. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouw of overkapping zijnde, mag niet meer bedragen dan 5 m. 5.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in: a. artikel 5 lid 2.2 sub a voor het splitsen van een bestaande woning met inachtneming van de volgende regels: 1. de uitwendige hoofdvorm van het betrokken gebouw, bepaald door de goothoogte, bouwhoogte, nokrichting, dakvorm, dakhelling, gevelindeling en grondoppervlakte blijft zoveel mogelijk gehandhaafd bij karakteristieke hoofdgebouwen; 2.
het aantal te splitsen eenheden van een gewoon hoofdgebouw, een woning zijnde, mag niet meer dan 4 bedragen en het aantal te splitsen eenheden van een karakteristiek hoofdgebouw, een woning zijnde, mag niet meer dan 2 bedragen; 3. de inhoud van enige wooneenheid mag niet minder bedragen dan 120 m2; 4. artikel 5 lid 2.3 sub g is van overeenkomstige toepassing;; b. artikel 5 lid 2.2 sub a ten behoeve van het deels bouwen buiten het bouwvlak en/of het vergroten van de woning met inachtneming van de volgende regel: 1. de afwijking mag uitsluitend worden toegepast op gronden aansluitend aan het bestaande bouwvlak; c. voor het plat afdekken of voor een kap niet haaks op de weg mits de openheid van het landschap niet wordt aangetast; d. artikel 5 lid 2.3 sub f voor het plat afdekken of voor een kap niet haaks op de weg, mits met deze afwijking de kernkwaliteiten van UNESCO-werelderfgoed Droogmakerij de Beemster, zoals die in bijlage 1 zijn aangegeven, worden behouden en/of versterkt. e. artikel 5 lid 2.3 sub g voor een grotere gezamenlijke oppervlakte dan 48 m2 voor percelen die groter zijn dan 5.000 m2, met inachtneming van de volgende regels: 1. de afwijking kan worden verleend tot 5 m2 per 0,1 hectare berekend over de eerste hectare, vermeerderd met 10 m2 per hectare berekend over de volgende hectares; 2.
voor de berekening worden delen van 0,1 hectare of delen van een hectare naar boven toe op een geheel afgerond; 3. de afwijking mag uitsluitend worden toegepast ten behoeve van bijgebouwen voor hobbyboeren; 14
f.
4. voor de berekening van de oppervlakte worden gronden met de agrarische bestemming samengeteld met gronden met de bestemming 'Wonen' voor zover deze gronden direct aan elkaar grenzen en de agrarische gronden in eigendom zijn bij de aanvrager; 5. de gezamenlijke oppervlakte van de met toepassing van deze afwijkingsmogelijkheid op te richten bijgebouwen mag niet meer dan 100 m2 bedragen; artikel 5 lid 2.3 sub g voor een grotere gezamenlijke oppervlakte dan 48 m2 ter vervanging of vernieuwing van bestaande legale bijgebouwen, die ten tijde van de ter inzage legging van het ontwerpbestemmingsplan de in artikel 5 lid 2.3 onder b tot en met g genoemde maten overschrijdt, mits de afwijking niet wordt vergroot.
5.4 Specifieke gebruiksregels 5.4.1 Strijdig gebruik Als strijdig gebruik wordt aangemerkt: a. het aanleggen of aanwezig hebben van een paardenbak; b. het in gebruik hebben van gronden en bouwwerken zonder de aanleg en instandhouding van de mitigerende maatregelen zoals aangegeven in artikel 5.4.3. 5.4.2 Beroep- en of bedrijfsuitoefening aan huis Een woning en de daarbij behorende aan-, uit- en bijgebouwen op gronden als bedoeld artikel 5 lid 2.3 mogen worden gebruikt voor beroeps- en bedrijfsuitoefening aan huis, mits: a. de gezamenlijke vloeroppervlakte niet meer bedraagt dan 30% van het bruto vloeroppervlakte van de betreffende woning en de bijbehorende aan-, uit- en bijgebouwen; b. het beroeps- en/of bedrijfsuitoefening aan huis betreft van milieucategorie 1 of 2, opgenomen in bijlage 1 bij deze regels of daarmee wat betreft de milieuhinder vergelijkbare activiteiten. Daarbij zijn in ieder geval de volgende functies (ook) toelaatbaar: a. veeartsenpraktijk; b. hoefsmederij; c. ambachtelijke be- en verwerking van agrarische producten (kaasmakerij, imkerij, etc.); d. agrarisch natuur- en landschapsbeheer; e. hoveniersactiviteiten; f. kinderboerderij; g. kano-, roeiboot- en fietsenverhuur; h. sociale functie, zoals een kinderopvang of een zorgboerderij; i. milieueducatie / rondleidingen; j. musea / tentoonstellingsruimte / atelier; c.
het geen detailhandel of horeca betreft; d. op de bij de betreffende woning behorende gronden geen buitenopslag plaatsvindt van goederen ten behoeve van het aan huisgebonden beroep en bedrijf; e. in de omgeving van de betreffende woning geen onevenredige vergroting van de verkeers- en parkeerdruk optreedt.
15
5.4.3 Voorwaardelijke verplichting sloop De sloop en vervanging van de schuur waarin blijkens de ‘Natuurtoets Purmerenderweg 34, Zuidoost Beemster’, opgenomen als bijlage 7 bij de toelichting, een broedplaats van de kerkuil is aangetroffen, is slechts toegestaan indien afdoende mitigerende maatregelen ter vervanging van de broedplaats van de kerkuil zijn getroffen. De plaatsing dient conform het Soortenmanagementplan van de gemeente Purmerend te zijn en in overleg met de stadsecoloog van de gemeente Purmerend te geschieden. 5.5 Afwijken van de gebruiksregels 5.5.1 Paardenbak en/of paddock In afwijking van artikel 5 lid 4.1 mogen een paardenbak en/of paddock worden aangelegd onder de volgende voorwaarden: a. uitsluitend eigendomspercelen groter dan 3.500 m2 komen voor deze afwijking in aanmerking; b. per perceel mogen slechts één paardenbak en paddock worden aangelegd op gronden binnen het bestemmingsvlak en buiten het bouwvlak; c. de paardenbak en/of paddock dienen in het verlengde van de bestaande bebouwing te worden gesitueerd; d. lichtmasten mogen worden gebouwd waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 5 m, e.
de paardenbak mag van een omheining worden voorzien waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 1,5 m 5.5.2 Bed and breakfast Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen in afwijking van bepaalde in artikel 5 lid 1 sub a ten behoeve van een bed and breakfast, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de bed and breakfast mag uitsluitend worden gerealiseerd in de bestaande woning en/of de bestaande aan- en uitbouwen en/of bijgebouwen; b. de bed and breakfast verschaft aan niet meer dan 8 personen gelijktijdig nachtverblijf; c. parkeren ten behoeve van de bed and breakfast vindt plaats op eigen terrein; d. een bed and breakfast in de woning is uitsluitend toegestaan in combinatie met de woonfunctie. e. het gebruik van aan- en uitbouwen en bijgebouwen als bed and breakfast mag niet meer dan 70 m2 bedragen mits wordt voldaan aan artikel 5 lid 2.3.
16
Artikel 6 Waarde - Cultuurhistorie 6.1 Bestemmingsomschrijving De voor Waarde - Cultuurhistorie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor bestemd voor het behoud van de aanwezige cultuurhistorische en landschappelijke waarden. 6.2 Bouwregels Op deze gronden mag ten behoeve van de onderliggende bestemming worden gebouwd met inachtneming van de aanwezige cultuurhistorische waarden. 6.3 Nadere eisen Het bevoegd gezag kan voor de bouw van bouwwerken bij afwijking van de bouwregels ten dienste van de onderliggende bestemming eisen dat: a. de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport overlegt waaruit blijkt dat de cultuurhistorische en landschappelijke waarden van het terrein dat wordt verstoord in voldoende mate is vastgesteld en met deze waarden actief rekening wordt gehouden; b. alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend, advies wordt ingewonnen bij een door het bevoegd gezag aan te wijzen deskundige; c. er geen onevenredige afbreuk de kernkwaliteiten van UNESCO-werelderfgoed Droogmakerij de Beemster en/of van UNESCO-werelderfgoed De Stelling van Amsterdam, zoals die in bijlage 2 en 3 zijn aangegeven, worden behouden en/of versterkt.
17
3 Algemene regels Artikel 7 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 8 Algemene bouwregels a. Het is verboden op een terrein of bouwperceel zodanig te bouwen, dat daardoor op een aangrenzend terrein of bouwperceel een toestand zou ontstaan, die ter plaatse niet meer met de regels zou overeenstemmen, of voor zover al daar een afwijking van de regels bestaat, zodanig te bouwen, dat deze afwijking nog zou worden vergroot. b. Voor het bouwen van gebouwen op en onder de onder a genoemde gronden geldt dat een op grond van de hoofdbestemming toelaatbaar geluids- en gevaargevoelig gebouw of een uitbreiding van een geluids- en gevaargevoelig gebouw niet mag worden gebouwd. c. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaald onder b ten behoeve van het bouwen van nieuwe dan wel het uitbreiden van bestaande geluids- en gevaargevoelige gebouwen, mits: 1. de geluidsbelasting vanwege het industrieterrein op de gevels van geluidsgevoelige gebouwen niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde, of een verkregen hogere waarde; 2. het externe veiligheidsrisico voor gevaargevoelige gebouwen niet hoger zal zijn dan de toegestane waarden voor individueel een groepsrisico in de Wet milieubeheer.
Artikel 9 Algemene gebruiksregels 9.1 Strijdig gebruik Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan: a. het bouwen en het gebruik van gronden en bebouwing binnen het plan, indien dit leidt tot een toename van de stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar ten opzichte van de bestaande situatie (stikstofdepositie) - als bedoeld in artikel 1.17 - op de maatgevende voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden; b. het gebruik van gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens ten behoeve van een seksinrichting en/of escortbedrijf, sekswinkel, thuiswerk, raamprostitutie en straatprostitutie; c. het gebruik van bijgebouwen bij een woning als zelfstandige woning. 9.2 Parkeervoorzieningen a. Bij de uitoefening van de bevoegdheid tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk of het gebruiken van gronden of bouwwerken geldt dat in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien. Of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid, wordt bepaald aan de hand van het gemiddelde (afronding naar boven) bepaalde in de actuele ASVV. 18
b. In afwijking van sub a hoeft niet voldaan te worden aan de ASVV-norm in het geval Burgemeester en wethouders besloten hebben af te wijken van deze norm op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht, c. In het geval de gemeenteraad gedurende de planperiode beleidsregels heeft vastgesteld die parkeernormen bevatten, dient hieraan voldaan te worden. Hetzelfde geldt voor eventuele wijzigingen of vervanging van deze beleidsregels. 9.3 Afwijken van de gebruiksregels a. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in artikel 9 lid 1, voor het bouwen en het gebruik van gronden en bebouwing binnen het plan wanneer dat leidt tot een stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar, mits 1. deze stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar geheel wordt gecompenseerd door vermindering van stikstofdepositie elders én 2. hiervoor een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is verleend óf 3. hiervoor een door GS afgegeven Verklaring van geen bedenkingen is verleend die in het kader van een omgevingsvergunning is verstrekt, waarbij de toestemming op grond van artikel 2.2aa onderdeel a van het Besluit omgevingsrecht is aangehaakt. b.
De onder a.2 bedoelde vergunning of de onder a.3 bedoelde verklaring is niet vereist wanneer het bouwactiviteiten, sloopwerkzaamheden of aanlegactiviteiten betreft die op grond van de in werking getreden Wet stikstofreductie en natuurverbetering hiervoor zijn vrijgesteld.