B-toelichting-wijzigingen-titel-2-legesverordening-2023-ivm-invoer-omgevingswet
Tekst van het document
MEMO Inleiding Vanwege de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2023 wijzigt Titel 2 dienstverlening vallend onder de fysieke leefomgeving/omgevingsvergunning ingrijpend. Voor het overgrote deel zijn het nieuwe artikelen. In de bijlage is een uitgebreide toelichting hierover opgenomen. Titel 2 is omgezet naar activiteiten die onder de Omgevingswet uitgevoerd kunnen worden. De grootste wijzing hierin zijn: - Er wordt een tarief opgenomen voor een omgevingsinitiatief (vooroverleg) - Bij bouwactiviteiten is een knip gezet tussen de bouwtechnische en de ruimtelijke activiteit. - Er zijn tarieven opgenomen voor milieubelastende activiteiten.
Voorstellen wijzigingen De voorstellen zijn als volgt opgebouwd: 1. kopje met type wijziging 2. weergave van het huidige artikel 3. voorstel nieuw artikel 4. toelichting wijziging Huidige en nieuwe artikelen Titel 2 is gewijzigd aan de activiteiten genoemd in de Omgevingswet. De activiteiten in titel 2 zijn onderverdeeld in 14 paragrafen. Omdat het hier een nieuwe wet is, is hieronder een uitgebreider toelichting opgenomen. Toelichting Voor een goed begrip van deze is enige kennis van de Omgevingswet (Ow) en bijbehorende regelgeving onontbeerlijk. De volgende regelgeving is van belang: • Omgevingswet (Stb. 2016, 156, nadien gewijzigd): benoemt onder andere activiteiten, bevoegd gezag en bevat overgangsrecht. • Omgevingsbesluit (Stb. 2018, 290, nadien gewijzigd): werkt uit wie bevoegd gezag is. In de legesverordening staan alleen activiteiten waarvoor het college van burgemeester en wethouders bevoegd gezag is. Bevat ook overgangsrecht. • Besluit bouwwerken leefomgeving (Stb. 2018, 291, nadien gewijzigd): hierin o.a. vergunningplichtige en vergunningvrije bouwactiviteiten. • Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) (Stb. 2018, 292; nadien gewijzigd) bevat instructieregels voor overheden over de kwaliteit van de leefomgeving. Het Bkl is voor de legesheffing voor zover nu is te overzien niet van belang. • Besluit activiteiten leefomgeving (Stb.
2018, 293, nadien gewijzigd): niet meer de inrichting, maar bepaalde milieubelastende activiteiten worden vergunningplichtig. • Omgevingsregeling (Stcrt. 2019, 56288, nadien gewijzigd): bevat in hoofdstuk 14 de tarieven van de rechten die door het Rijk worden geheven volgens een bepaalde systematiek. Geeft een aardige inkijk. Hiervoor gelden overigens niet de formele belastingregels. • Invoeringswet Omgevingswet (IwOw) (Stb. 2020, 172): gaat over intrekken of wijzigen van wetten. Bevat ook overgangsrecht.
• Invoeringsbesluit Omgevingswet (Stb. 2020, 400): bevat overgangsrecht in art. 7.1 (de zogenaamde bruidsschat). • Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Stb. 2019, 382): knip in bouwtechnische toets (kwaliteitsborger) en ruimtelijke toets (gemeente) voor bouwwerken in gevolgklasse 1. Overgangsrecht 1. Tijdelijk deel omgevingsplan incl. bruidsschat Paragraaf 4.2.1 (artikel 4.6) IwOw en hoofdstuk 22 (artikel 22.1 en 22.2) Ow regelen dat elke gemeente bij inwerkingtreding van de Ow beschikt over een omgevingsplan. Dit omgevingsplan komt van rechtswege tot stand. Het omgevingsplan dat van rechtswege ontstaat, bestaat direct bij aanvang uit een tijdelijk deel en een nieuw deel. Het tijdelijk deel is beschreven in artikel 22.1 Ow en wordt gevormd door de bestaande planologische regels, zoals bestemmingsplannen, bepaalde regels uit de erfgoedverordening en de verordening over hemelwater en grondwater als bedoeld in artikel 10.32a van de Wet milieubeheer. Daarnaast gaat een pakket rijksregels van rechtswege deel uitmaken van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Deze regels heten de bruidsschat. Deze bruidsschat staat in artikel 7.1 IbOw.
Gemeenten krijgen volgens afspraak tot eind 2029 de tijd om zelf een afweging te maken hoe ze de onderwerpen uit het tijdelijke deel willen overhevelen naar het nieuwe deel van het omgevingsplan, rekening houdend met de instructieregels van het Rijk of de provincie. 2. Verordeningen - vergunningen of ontheffingen Vergunningen of ontheffingen in verordeningen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving mogen tot 2030 in die verordeningen blijven staan, maar kunnen vanaf 1 januari 2022 worden overgeheveld naar het omgevingsplan (artikel 2.4 Ow). Vanaf 2030 moeten vergunningen of ontheffingen voor activiteiten die de fysieke leefomgeving (blijvend en tastbaar) wijzigen in het omgevingsplan staan. Andere vergunningstelsels met gevolgen voor de fysieke leefomgeving kunnen na 2030 desgewenst in de verordening blijven staan, tenzij ze van belang zijn voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Als gemeenten regels uit verordeningen gaan overhevelen naar het omgevingsplan, waar kiezen ze dan voor: algemene regel (zorgplicht), meldingsplicht of vergunningplicht? Als het een vergunningplicht in het omgevingsplan wordt, wordt het verbod om zonder een omgevingsvergunning een bepaalde activiteit te verrichten.
Een in het omgevingsplan opgenomen activiteit wordt een omgevingsplanactiviteit genoemd, bijvoorbeeld een omgevingsplanactiviteit bestaande uit – bij wijze van voorbeeld – het kappen van een boom. 3. Vergunningen of ontheffingen bedoeld in art. 2.2 Wabo Voor de ‘artikel 2.2 Wabo-vergunningen’ die in bijvoorbeeld de APV zijn opgenomen (zoals sloopvergunning monumenten, uitwegvergunning, kapvergunning, handelsreclamevergunning, alarminstallatievergunning, vergunning opslag roerende zaken en eventueel ‘aangehaakte vergunningen) geldt op grond van overgangsrecht dat deze vanaf 2022 als omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit worden aangemerkt (artikel 22.8 Ow in samenhang met artikel 2.1a Ob). Grondslagen voor model-tariefbepalingen De tariefbepalingen in Titel 2 betreffen zowel dienstverlening als andere handelingen op aanvraag. Deze formulering houdt verband met de heffingsgrondslagen. Artikel 13.1a Ow geeft een grondslag voor het heffen van rechten voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning, het
2
wijzigen van voorschriften van een omgevingsvergunning en het intrekken van een omgevingsvergunning. Deze grondslag laat onverlet de bevoegdheid van gemeenten om rechten (leges) te heffen voor dienstverlening op aanvraag. Tariefbepalingen die niet de in artikel 13.1a Ow genoemde handelingen betreffen, zijn dus gebaseerd op artikel 229, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet. Paragraaf 2.1 Algemene bepalingen Artikel 2.1 Definities Dienstverlening en besluiten waarvoor leges worden geheven Artikel 2.2 bevat in de onderdelen a tot en met h de belastbare feiten waarvoor leges worden geheven. Het betreft altijd een aanvraag tot het verlenen van een dienst of het nemen van een besluit (zie ook artikel 2 van de verordening). Omgevingsplanactiviteiten In de bijlage bij de Ow wordt ‘omgevingsplanactiviteit’ omschreven als activiteit, inhoudende: a. een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die niet in strijd is met het omgevingsplan, b. een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of c.
een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan; Categorie a worden binnenplanse omgevingsplanactiviteiten en categorieën b en c worden buitenplanse omgevingsplanactiviteiten genoemd. De buitenplanse omgevingsplanactiviteiten vergen dus een uitgebreidere beoordeling, wat een andere tariefstelling rechtvaardigt. Bovendien kan de raad voor bepaalde buitenplanse omgevingsplanactiviteiten bepaald hebben dat hij adviesrecht heeft. Ook kan de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing zijn. De binnenplanse omgevingsplanactiviteit bij wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht is een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, maar die niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Ow. Dit betreft regels die in (van het tijdelijke deel van het omgevingsplan deel uitmakende) bestemmingsplannen of inpassingsplannen kunnen zijn opgenomen op grond van artikel 3.6, eerste lid, onder a en b, van de voormalige Wet ruimtelijke ordening.
Alle instructieregels en instructies waaraan moet worden getoetst bij de beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn van overeenkomstige toepassing verklaard in de artikelen 22.32 en 22.282 van de bruidsschat (onderdeel van artikel 7.1 van het IbOw). Er moet ook een zelfstandige beoordeling plaatsvinden of de activiteit uit een oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar kan worden geacht. Artikel 2.3 geeft aan hoe het tarief moet worden bepaald. Het eerste lid is daarvoor de basis. Als er sprake is van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor meerdere activiteiten, is het tarief de som van de verschuldigde leges voor elke activiteit, inclusief eventuele modaliteiten (toeslagen) en vermindering (artikel 2.3.2 tot en met 2.3.4). Artikel 2.3.5 bepaalt dat de tarieven voor aanvragen om maatwerkvoorschriften (artikel 4.5 Ow) of toestemming voor een gelijkwaardige maatregel (artikel 4.7 Ow) alleen van toepassing zijn als geen sprake is van een aanvraag om een omgevingsvergunning. Als sprake is van een aanvraag om een
3
omgevingsvergunning maken maatwerkvoorschriften of een toestemming voor een gelijkwaardige maatregel namelijk deel uit van de omgevingsvergunning. Artikel 2.3.6 stelt: elke activiteit waarop de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft en de modaliteiten vormen afzonderlijke grondslagen voor de heffing van de leges. Doorgaans zullen de leges hiervoor als som, dat wil zeggen in één keer, via een schriftelijke kennisgeving worden geheven. Paragraaf 2.2 Voorfase Artikel 2.4 Omgevingsoverleg (Vooroverleg) Het omgevingsoverleg is de fase die voorafgaat aan het formeel aanvragen van de omgevingsvergunning. In de praktijk kent het verschillende benamingen, zoals vooroverleg, principeverzoek, beoordelen schetsplan, beoordelen conceptvergunningaanvraag of omgevingstafel. De gemeente is vrij om de door haar gewenste benaming te kiezen. Wij hebben gekozen voor Vooroverleg middels Indicatieverzoek en Omgevingsinitiatief. Het is aan de gemeente of ze hier wel of geen leges voor heft.
In een vooroverleg tussen het bevoegd gezag en de aanvrager: - kan de aanvrager een indicatie verkrijgen of een of meer activiteiten passen in de regelgeving en het overheidsbeleid over de fysieke leefomgeving, en wenselijk en mogelijk haalbaar is om verder te ontwikkelen; - kan de aanvrager een advies verkrijgen over een of meer activiteiten, waarmee de initiatiefnemer de vergunningaanvraag kan opstellen en indienen; - kunnen conceptoverwegingen en voorschriften met de initiatiefnemer worden besproken en ontwikkeld ter voorbereiding van een formele aanvraag, BOPA of Omgevingsplanwijziging. Als na het vooroverleg een (‘echte’) aanvraag om een omgevingsvergunning wordt ingediend, kunnen de leges daarvoor worden verminderd met de reguliere leges voor een aanvraag. Overeenkomstig artikel 2.48.1 bedraagt de mindering 50% van de voor het omgevingsoverleg geheven leges. Vorenstaande om vooroverleg te stimuleren. Paragraaf 2.3 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken Algemeen Paragraaf 2.3 betreft de bouw- en sloopactiviteiten. Deze is onderverdeeld in drie artikelen: - artikel 2.5 Bouwactiviteit (bouwtechnische deel) - artikel 2.6 Bouwactiviteit (ruimtelijke deel) - artikel 2.7 Slopen van een bouwwerk De splitsing die plaatsvindt tussen de artikelen 2.5 en 2.6 heeft te maken met de Wkb die voor gevolgklasse 1 de bouwtechnische toets door een private kwaliteitsborger laat doen.
De regeling van de ruimtelijke aspecten blijft bij de gemeente berusten. Zij kan in het omgevingsplan aan de bouwactiviteit een vergunningplicht koppelen, maar kan ook volstaan met algemene regels of een meldingsplicht. Artikel 2.5 Bouwactiviteit (bouwtechnische deel) De splitsing die plaatsvindt, heeft te maken met de Wkb die voor gevolgklasse 1 de bouwtechnische toets door een private kwaliteitsborger laat doen. De regeling van de ruimtelijke aspecten blijft bij de gemeente. Bouwwerken in gevolgklasse 1 zijn niet vergunningplichtig voor het bouwtechnische deel (als gevolg van de Wkb). Als heffingsmaatstaf is gekozen voor een vast percentage over het deel van de bouwkosten (technisch deel omvat ca. 17% van de totale werkzaamheden voor het behandelen van een aanvraag
4
omgevingsvergunning tegen leges à ca. 3,0 % van de bouwkosten gemiddeld, dus voorstel is om 0,5 te hanteren voor de leges voor het technische deel en 2,5% van de bouwkosten voor het ruimtelijk deel). Artikel 2.6 Bouwactiviteit (ruimtelijke deel) Dit artikel betreft de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in art. 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, Ow, in dit geval bestaande uit het bouwen, gebruiken of in stand houden van een bouwwerk. De vergunningplicht geldt als de gemeente in het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten verplicht stelt om de ruimtelijke toets te kunnen doen. Tot 2030 geldt overgangsrecht. Artikel 22.26 van de bruidsschat zoals opgenomen in artikel 7.1 van het IbOw bepaalt dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken (binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken). In onderdeel a is het tarief voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit voor het bouwen opgenomen.
Dit geldt ook voor de bouwactiviteit die niet in overeenstemming is met de in het omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, maar wel in overeenstemming is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Ow. Onderdeel b betreft het geval dat de bouwactiviteit volgens de regels in het omgevingsplan verboden is, maar het toch wenselijk is dat deze wordt toegestaan of het geval dat het omgevingsplan geen regeling kent voor de activiteit, maar het toch wenselijk is de bouwactiviteit toe te staan omdat dit bijdraagt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Er is ook geen strijd met instructieregels van het rijk of de provincie. De buitenplanse omgevingsplanactiviteiten vergen een uitgebreidere beoordeling, wat een andere tariefstelling rechtvaardigt. Gekozen is om de wijze van tariefstelling ongewijzigd te laten. Dit betekent dat het tarief van een binnenplaats omgevingsplanactiviteit vermeerderd wordt met 25%.
Artikel 2.7 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk De gemeente kan op grond van artikel 3.3, aanhef en onder b, en 3.38, derde lid, onder b, van de Wet ruimtelijke ordening in het bestemmingsplan of in de beheersverordening bepaald hebben dat een omgevingsvergunning om bouwwerken te slopen alleen wordt verleend als vervangende bouw plaatsvindt om gaten in de bebouwing te voorkomen. Dit is een louter planologische maatregel. Het bestemmingsplan of de beheersverordening maken deel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, aanhef en onder a, Ow. Voor een aanvraag om een in het (vooralsnog tijdelijk deel van het) omgevingsplan geregelde omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit is in artikel 2.7 een tariefbepaling opgenomen. Paragraaf 2.4 Activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed en werelderfgoed Artikel 2.8 Omgevingsplanactiviteit: monumenten Artikel 2.8.1 De tariefbepaling betreft de aanvraag om een omgevingsvergunning voor: a. het slopen, verstoren, verplaatsen of wijzigen van een monument of voorbeschermd monument; b. het herstellen of gebruiken van een monument of voorbeschermd monument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. De omschrijving van het eerste lid is grotendeels ontleend aan artikel 2.8 Bbl.
Definities: Gemeentelijk monument: monument of archeologisch monument waaraan in het omgevingsplan de functie-aanduiding
5
gemeentelijk monument is gegeven; Provinciaal monument: monument of archeologisch monument waaraan in het omgevingsplan of de omgevingsverordening de functie-aanduiding provinciaal monument is gegeven; Voorbeschermd gemeentelijk monument: monument of archeologisch monument waarvoor het omgevingsplan een voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om aan dat monument of archeologisch monument in het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven; Voorbeschermd provinciaal monument: monument of archeologisch monument waarvoor het omgevingsplan of de omgevingsverordening een voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om aan dat monument of archeologisch monument in het omgevingsplan of de omgevingsverordening de functie-aanduiding provinciaal monument te geven. Rijksmonumentenactiviteit: activiteit inhoudende het slopen, verstoren, verplaatsen of wijzigen van een rijksmonument of een voorbeschermd rijksmonument of het herstellen of gebruiken daarvan waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. Artikel 2.9 Rijksmonumentenactiviteit De vergunningplicht voor rijksmonumenten is gebaseerd op artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Ow (was artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onderdeel f, van de Wabo). Wij hebben gekozen voor een vast tarief.
In de bijlage bij de Ow staat een definitie van rijksmonumentenactiviteit: rijksmonumentenactiviteit: activiteit inhoudende het slopen, verstoren, verplaatsen of wijzigen van een rijksmonument of een voorbeschermd rijksmonument of het herstellen of gebruiken daarvan waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. Artikel 2.10 Omgevingsplanactiviteit: sloopactiviteit in beschermd stads- of dorpsgezicht Voor het slopen van bouwwerken binnen stads- of dorpsgezichten is een omgevingsvergunning vereist. Dit kan (al) geregeld zijn in de provinciale omgevingsverordening of het nieuwe deel van het gemeentelijke omgevingsplan. Of het is nog geregeld in een gemeentelijke (erfgoed)verordening (het is onder het tot inwerkingtreding van de Omgevingswet geldende recht dan een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo). In het laatste geval geldt tot uiterlijk 2030 het eerdergenoemde overgangsrecht van artikel 22.8 van de Ow in samenhang met artikel 2.1a van het Ob. Artikel 2.11 Omgevingsplanactiviteit: overig cultureel erfgoed en werelderfgoed Paragraaf 5.1.5.5 van het Bkl bevat instructieregels over cultureel erfgoed en werelderfgoed voor het omgevingsplan.
Hieraan kan bijvoorbeeld worden voldaan door het opnemen van een vergunningenstelsel in het omgevingsplan op grond waarvan het verboden is om zonder omgevingsvergunning een bepaalde activiteit te verrichten met het oog op het behoud van cultureel erfgoed of van de uitzonderlijke universele waarde van werelderfgoed. Wij hebben gekozen voor een vast tarief. Paragraaf 2.5 Milieubelastende activiteiten Milieubelastende activiteiten (mba) Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt het voor gemeenten mogelijk om leges te heffen voor besluiten op milieubelastende activiteiten. Hiervoor is het van belang dat er een leges tarief wordt bepaald. Onder de Omgevingswet komt het begrip inrichting te vervallen. Hiervoor komen milieubelastende activiteiten in de plaats. De huidige milieuvergunningen zijn toegekend aan inrichtingen, onder de Omgevingswet worden bepaalde milieubelastende activiteiten vergunningplichtig. Onder de huidige wetgeving is het niet toegestaan om leges te heffen voor milieuvergunningen, maatwerk en besluiten over
6
gelijkwaardigheid. Dit verandert met de komst van de Omgevingswet. Het is na inwerkingtreding van de Omgevingswet toegestaan om leges te heffen voor vergunningen maatwerk en besluiten over gelijkwaardigheid voor milieubelastende activiteiten. Onder de Omgevingswet is het nog steeds niet toegestaan leges te heffen over meldingsplichtige activiteiten. De VNG en IPO hebben een modellegesverordening gemaakt. In deze modellegesverordening zijn de artikelen waarover legesheffing mogelijk is, opgenomen. Voor de bepaling van de leges is gebruik gemaakt van kengetallen die door Omgevingsdienst IJmond zijn aangeleverd. In deze verordening wordt geen aandacht besteed aan complexe bedrijven, omdat de provincie hiervoor het bevoegde gezag is. Onder de complexe bedrijven vallen: • Seveso-inrichtingen • Een aantal IPPC-installaties met bovengemeentelijke milieugevolgen of een hoog milieurisico • Een aantal andere activiteiten met bovengemeentelijke milieugevolgen of een hoog milieurisico Onder de Omgevingswet is de reguliere procedure het uitgangspunt. In bepaalde gevallen kan er sprake zijn van de uitgebreide procedure.
Voor milieubelastende activiteiten is dit het geval als: • Er voor het besluit een milieueffectrapport (MER) moet worden gemaakt, • De milieubelastende activiteit bestaat uit een IPPC-installatie of een Seveso-inrichting, • De milieubelastende activiteit bestaat uit een installatie voor het vergassen en vloeibaar maken van een brandstof of een winningsafvalvoorziening, • Bepaalde lozingsactiviteiten, • Een stortingsactiviteit op zee of • Als de initiatiefnemer hierom verzoekt. De verwachting is dat er een beperkt aantal uitgebreide procedures zullen voorkomen. De tariefstelling is aan de gemeente zelf. Het gaat niet langer om de milieu-inrichting als zodanig, maar om de activiteiten die milieubelastend en eventueel vergunningplichtig zijn. In de tekst van de tariefbepaling moet tot uitdrukking komen waar de vergunningplicht is geregeld. Mogelijk is dit zowel het omgevingsplan (nieuwe deel) als de bruidsschat die vergunningplichten bevat voor verschillende milieubelastende activiteiten. Hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) noemt de mba en de vergunningplichtige gevallen daarvan. Daarin is gekozen voor een in de praktijk gangbare bedrijfs(takken)indeling. Het is veelomvattend. Te veel om allemaal afzonderlijk in een tariefbepaling te benoemen.
Daarom is in de artikelen gekozen voor een clustering die overeenkomt met de sectorale rubricering (bedrijfstakken) in afdelingen in hoofdstuk 3 van het Bal. Die clustering heeft geleid tot de artikelen 2.13 tot en met 2.19. In deze tariefbepalingen zijn de paragrafen uit die afdelingen van hoofdstuk 3 van het Bal genoemd waarin vergunningplichten voor mba staan. Wij hebben gekozen voor een vast tarief voor alle in paragraaf 22.3.26 van de bruidsschat en hoofdstuk 3 Bal genoemde omgevingsvergunningen. Voor het bepalen van de leges is onderscheidt gemaakt in de volgende producten: • Gelijkwaardige maatregel bij milieubelastende activiteiten, • Uitgebreide procedure bij milieubelastende activiteiten, • Reguliere procedure bij milieubelastende activiteiten, • Intrekken/actualiseren van de vergunning,
7
•
Maatwerkvoorschriften bij milieubelastende activiteiten.
Om tot een goede vergunningsaanvraag voor milieubelastende activiteiten te komen is het vooroverleg van groot belang. De praktijk leert dat er tijdens de procedure voor een omgevingsvergunning milieu altijd sprake is van vooroverleg. Het vooroverleg is daarom voor de milieubelastende activiteiten verrekend in het legestarief. Met het vooroverleg bedoelen we het vooroverleg voor aanvraag die alleen betrekking heeft op milieubelastende activiteiten. Gemeente Purmerend wil daadwerkelijk leges opleggen en wel om de volgende redenen: De gemeente wordt sinds 1998, via de rijksbijdrage in het gemeentefonds, gecompenseerd voor het wegvallen van de inkomsten uit milieuleges. Deze bijdrage wordt niet gecorrigeerd. Het heffen van leges voor milieu heeft daarom per saldo een positief effect op de inkomsten. Leges hebben een beperkt effect op het aantal aanvragen. Uit onderzoek naar de effecten van afschaffing van milieuleges is gebleken dat bedrijven milieuleges niet als aanleiding hebben gezien om geen milieuvergunning aan te vragen. Dat zal nu ook niet het geval zijn. Er zal wel sprake zijn van lastenverzwaring voor het bedrijfsleven en een risico op bezwaarprocedures met betrekking tot de legesheffing. Dit risico is echter klein als er met een vast tarief in plaats van een begrotingsconstructie gewerkt wordt.
Daarnaast kan het heffen van leges een negatief effect hebben op de wil om duurzaamheidsmaatregelen of extra milieumaatregelen ter bescherming voor het milieu te nemen. Of dit daadwerkelijk het geval is, zal de tijd leren. Omdat er geen kentallen voor specifieke bedrijfstakken bekend zijn adviseert de Omgevingsdienst IJmond voor alle vergunningsplichtige milieubelastende activiteiten hetzelfde tarief te hanteren. Dit advies is overgenomen. De Omgevingsdienst IJmond adviseert om (volgens de systematiek uit de modellegesverordening) afhankelijk van de hoeveelheid aangevraagde milieubelastende activiteiten de verschuldigde leges stapsgewijs te verhogen. Voor meer dan vijf milieubelastende activiteiten wordt één tarief geadviseerd. Dit omdat hogere kosten enkel in specifieke gevallen te verwachten zijn en deze gevallen zich niet direct lenen voor een vast tarief. Vanwege de keuze om niet met een begrotingsconstructie te werken vallen deze gevallen in de tariefstelling van 5 of meer milieubelastende activiteiten. De tariefstelling is als volgt voor een reguliere procedure:
voor één milieubelastende activiteit: voor twee tot vijf milieubelastende activiteiten voor vijf tot meer milieubelastende activiteiten
uren 35 70 105
tarief € 2.985,00 € 5.970,00 € 8.955,00
Artikel 2.20 Samenloop van milieubelastende activiteit Het kan voorkomen dat dezelfde mba bij verschillende vergunningplichtige categorieën waarop de aanvraag omgevingsvergunning betrekking heeft, wordt genoemd. Dit kan zich met name voordoen bij toepassing van afdeling 3.8 Bal (transport, logistiek en de ondersteuning daarvan) en afdeling 3.2 Bal (bedrijfstakken overstijgend). Deze mba wordt dan slechts eenmaal in de heffing betrokken, naar het meest gunstige van toepassing zijnde tarief.
8
Paragraaf 2.6 Lozingsactiviteiten Artikel 2.21 Lozingsactiviteiten niet afkomstig van een milieubelastende activiteit en Artikel 2.22 Lozingsactiviteiten afkomstig van een milieubelastende activiteit De artikelen 2.21 en 2.22 voegen wij voor de toelichting samen. De bijlage bij de Omgevingswet geeft de volgende definitie van lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam: activiteit, niet zijnde een stortingsactiviteit op zee, inhoudende het brengen van stoffen, warmte of water direct op een oppervlaktewaterlichaam, voor zover het gaat om de gevolgen van die stoffen of warmte of dat water voor het watersysteem. Artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder c, Ow verbiedt het om zonder omgevingsvergunning een lozingsactiviteit te verrichten op een oppervlaktewaterlichaam of een zuiveringtechnisch werk, voor zover het gaat om een bij amvb aangewezen geval. In de verschillende paragrafen van hoofdstuk 3 van het Bal staan ook vergunningplichtige lozingsactiviteiten. Het waterschap is bevoegd gezag voor lozing op een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het waterschap en op een zuiveringtechnisch werk, het rijk voor rijkswater. Daarmee zijn de meeste vergunningplichtige lozingsactiviteiten geregeld. Niet uit te sluiten valt dat lozingen ook op een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij de gemeente plaatsvinden.
Voor die gevallen is in de artikelen 2.21 en 2.22 een tariefbepaling opgenomen. Er is onderscheid gemaakt tussen lozingen niet afkomstig van mba en lozingen afkomstig van mba. Paragraaf 2.7 Aanlegactiviteiten Algemeen De aanlegactiviteiten worden onder de Ow gereguleerd door het omgevingsplan. Deze activiteiten zijn dus omgevingsplanactiviteiten (artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow). Aanlegactiviteiten betreffen het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheid. Vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet betrof het artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo of de op grond van de APV in samenhang met artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder d en e, van de Wabo opgenomen vergunningplichten over de aanleg van een weg of een uitweg (in-/uitrit). Voor de laatste twee geldt overgangsrecht op grond van artikel 22.8 van de Ow in samenhang met artikel 2.1a van het Ob: de verordeningsbepalingen worden aangemerkt als verbod om de activiteit te verrichten zonder omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Artikel 2.23 Omgevingsplanactiviteit: opbreken en graven De Model-APV bevat hierover geen vergunningplicht. Wij hebben deze tariefbepaling opgenomen, omdat voor deze activiteit vergunningplichten zijn opgenomen in het omgevingsplan van de Staalkaart ‘Verordeningen in het omgevingsplan, deel II’.
Artikel 2.24 Omgevingsplanactiviteit: overige activiteiten beperkingengebied leidingen, landschapselement en aardkundige waarde Zie artikel 2.23. Artikel 2.25 Omgevingsplanactiviteit: geluid weg In afdeling 22.4 van de bruidsschat (onderdeel van artikel 7.1 van het IbOw) is een regeling getroffen voor het aanleggen of wijzigen van wegen of spoorwegen zonder geluidproductieplafonds. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een weg aan te leggen of te wijzigen als op grond van een omgevingsplan of bij omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit een geluidgevoelig gebouw
9
is toegelaten binnen het aandachtsgebied van die weg of spoorweg. Wij hebben hiervoor een tariefbepaling opgenomen in artikel 2.25. Artikel 2.26 Omgevingsplanactiviteit: aanleggen of veranderen weg Zie de toelichting onder Algemeen. Artikel 2.27 Omgevingsplanactiviteit: uitweg/uitrit Zie de toelichting onder Algemeen. Artikel 2.28 Omgevingsplanactiviteit: overige aanlegactiviteiten Artikel 2.28 is een vangnetbepaling voor de overige aanlegactiviteiten, dat wil zeggen niet in de voorgaande artikelen van deze paragraaf benoemde omgevingsplanactiviteiten die bestaan uit het uitvoeren van werken, niet zijnde bouwwerken, of werkzaamheden. Het bestemmingsplan of de beheersverordening, die bij inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege deel uitmaken van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, kan erin voorzien dat met betrekking tot het uitvoeren van bepaalde werken (geen bouwwerken zijnde) of werkzaamheden, vooraf een omgevingsvergunning nodig is. Wij hebben gekozen voor een tariefstelling naar vast bedrag. Paragraaf 2.8 Overige activiteiten Overige activiteiten artikel 2.29-2.31 De meeste van de in deze paragraaf opgenomen tariefbepalingen zijn bestaande tariefbepalingen, aangepast aan de Ow en het overgangsrecht.
Veel van de hier opgenomen vergunningsregels uit een gemeentelijke verordening, doorgaans de APV, zijn op grond van artikel 2.2, eerste lid, Wabo aangemerkt als verbod om zonder omgevingsvergunning de activiteit te verrichten (kappen van bomen, plaatsen voorwerpen op of aan een openbare plaats en standplaatsen). Artikel 2.32 Andere activiteiten Dit is een vangnetbepaling. De hierin opgenomen tariefbepaling geldt voor niet benoemde en onvoorziene gevallen. Onderdeel a ziet op vergunningplichtige activiteiten, niet zijnde de onder b bedoelde omgevingsplanactiviteiten. Onderdeel b ziet op omgevingsplanactiviteiten en andere bij de omgevingsvergunning in een gemeentelijke verordening aangehaakte vergunningplichten die op grond van artikel 22.8 van de Ow in samenhang met artikel 2.1a van het Ob gelden als omgevingsvergunningplichten voor een omgevingsplanactiviteit. Paragraaf 2.9 Maatwerkvoorschriften Artikel 2.33 Maatwerkvoorschriften bij bouwactiviteiten en Artikel 2.34 Maatwerkvoorschriften bij milieubelastende activiteiten De tarieven voor het in behandeling nemen van een aanvraag om maatwerkvoorschriften, als uitwerking van het belastbare feit in artikel 2.2, aanhef en onder c, van de tarieventabel. Deze tariefbepalingen zijn alleen van toepassing als geen sprake is van een aanvraag om een omgevingsvergunning (zie artikel 2.3.5, van de tarieventabel).
We hebben de tariefbepalingen gesplitst in bouwactiviteiten, mba en overige activiteiten. De tariefstelling geldt per te stellen maatwerkvoorschrift.
10
Artikel 2.33 Maatwerkvoorschriften bij bouwactiviteiten Artikel 2.34 Maatwerkvoorschriften bij milieubelastende activiteiten Artikel 2.35 Maatwerkvoorschriften bij overige activiteiten Paragraaf 2.10 Gelijkwaardigheid Artikel 2.36 Gelijkwaardige maatregel Dit artikel bevat de tariefbepalingen voor het in behandeling nemen van een aanvraag om toestemming tot het treffen van een gelijkwaardige maatregel, als uitwerking van het belastbare feit in artikel 2.2, aanhef en onder d, van de tarieventabel. Deze tariefbepalingen zijn alleen van toepassing als geen sprake is van een aanvraag om een omgevingsvergunning (zie artikel 2.3.6, van de tarieventabel). Wij hebben gekozen voor afzonderlijke tariefbepalingen voor een gelijkwaardige maatregel bij bouwactiviteiten, cultureel erfgoed, mba en overige activiteiten. ‘Als een initiatiefnemer voldoet aan de bepalingen die in algemene regels zijn opgenomen, mag hij ervan uitgaan dat zijn initiatief voor de daarin gereguleerde aspecten past binnen het wettelijk kader voor activiteiten in de fysieke leefomgeving. Afhankelijk van de manier waarop een bepaling is geformuleerd, zijn er maatregelen denkbaar, waarmee hetzelfde resultaat wordt bereikt.
Paragraaf 2.11 Overige tarieven Artikel 2.37 Verlengen tijdelijke omgevingsvergunning bouwactiviteit Artikel 10.23, tweede lid, Ow bepaalt dat als de in de omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit die betrekking heeft op een tijdelijk bouwwerk bepaalde termijn korter is dan vijftien jaar, deze termijn kan worden verlengd tot ten hoogste vijftien jaar. Voor het in behandeling nemen van een aanvraag daartoe, is in artikel 2.37 een tariefbepaling opgenomen. Artikel 2.38 Wijzigen omgevingsvergunning Het tarief is ongewijzigd overgenomen uit de legesverordening die hiervoor van toepassing was. Artikel 2.39 Wijzigen voorschriften omgevingsvergunning Artikel 13.1a Ow noemt het in behandeling nemen van een aanvraag om wijziging van voorschriften van een omgevingsvergunning als (belastbaar) feit waarvoor rechten (leges) kunnen worden geheven. Daarvoor is hier een tariefbepaling opgenomen. Artikel 2.40 Intrekken omgevingsvergunning Artikel 13.1a Ow noemt het in behandeling nemen van een aanvraag om intrekking van een omgevingsvergunning als (belastbaar) feit waarvoor rechten (leges) kunnen worden geheven. Daarvoor is hier een tariefbepaling opgenomen. Artikel 2.41 Beoordeling aanvullende gegevens Is een aanvraag onvolledig, ook na geboden herstelmogelijkheid, dan kan deze buiten behandeling worden gesteld (artikel 4:5 Algemene wet bestuursrecht).
Wij vinden het mogelijk om leges te heffen als de aanvrager tijdens de behandeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning aanvrager met aanvullende gegevens komt, die weer extra werkzaamheden met zich brengt. Daarvoor is hier een tariefbepaling opgenomen Artikel 2.42 Niet genoemd besluit op aanvraag Dit is een vangnetbepaling.
11
Wijzigen van het omgevingsplan Legesheffing is mogelijk als de gevraagde wijziging van het omgevingsplan rechtstreeks en in overheersende mate het belang van de aanvrager dient, omdat dan sprake is van het genot van een door de gemeente verleende dienst. Indien dit zich voordoet zullen wij gebruik maken van de mogelijkheid van kostenverhaal met toepassing van afdeling 3.6 van de Ow of de aanvraag behandelen als aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit en legesheffing hiervoor. Een aparte tariefbepaling ontbreekt derhalve. Paragraaf 2.12 Modaliteiten Artikel 2.43 Buitenplanse omgevingsplanactiviteit niet zijnde bouwactiviteit Een omgevingsvergunning kan in beginsel voor elke buitenplanse omgevingsplanactiviteit worden verleend als dat in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In artikel 2.6, aanhef en onderdelen b en c, is voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit een tariefstelling opgenomen. Voor de overige buitenplanse omgevingsplanactiviteiten hebben wij gekozen voor een algemene tariefsverhoging in dit artikel. Omdat er geen sprake is van een bouwactiviteit, zijn er ook geen bouwkosten waarop een tariefstelling overeenkomstig artikel 2.6 van de tarieventabel kan worden bepaald.
Daarom is er gekozen voor een tariefstelling op basis van oppervlakte van een activiteit. Artikel 2.44 Achteraf ingediende aanvraag De extra legesheffing voor een achteraf ingediende aanvraag om een omgevingsvergunning is van toepassing als er pas een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt ingediend nadat er al met de activiteit is begonnen. De gemeente kan de verhoging van het tarief rechtvaardigen vanuit het gevoerde beleid. Dan zijn de extra leges een financiële prikkel om voorafgaand aan het bouwen 'netjes' een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit aan te vragen. Artikel 2.45 Uitgebreide voorbereidingsprocedure In beginsel is op de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag om een omgevingsvergunning, om wijziging van de voorschriften van een omgevingsvergunning of om intrekking van een omgevingsvergunning de reguliere procedure van toepassing (paragraaf 16.5.2 van de Ow). De reguliere procedure is acht weken, met mogelijkheid van verlenging met zes weken. Als instemming van een ander bestuursorgaan nodig is (zie hiervoor artikel 2.51 van de tarieventabel), is de beslistermijn vier weken langer (artikel 16.64 van de Ow). Artikel 16.65 van de Ow geeft aan wanneer de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is.
Er zijn gevallen bij amvb aangewezen: dit is uitgewerkt in artikel 10.24 van het Ob: bijvoorbeeld bij bepaalde rijksmonumentenactiviteit, sommige mba’s of lozingsactiviteiten. Op verzoek of bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten (als de raad dat heeft bepaald) is de uitgebreide voorbereidingsprocedure ook voorgeschreven (artikel 16.65, eerste lid, aanhef en onder b, en vierde lid, van de Ow). De uitgebreide voorbereidingsprocedure staat in afdeling 3.4 van de Awb. Deze procedure leidt tot extra werkzaamheden en kosten en daarom ook tot extra leges. Er is een tariefdifferentiatie opgenomen voor mba en overige gevallen, omdat de procedure bij mba naar verwachting meer kosten met zich brengt. Artikel 2.46 Advies Dit artikel betreft een verhoging van de leges in verband met adviezen van andere bestuursorganen of instanties die voor de behandeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning, maatwerkvoorschrift of ander besluit nodig zijn. Op grond van artikel 16.15 Ow kunnen bij amvb, omgevingsplan,
12
omgevingsverordening en waterschapsverordening bestuursorganen of andere instanties worden aangewezen die, in daarbij aangewezen gevallen, in de gelegenheid worden gesteld om aan het bevoegd gezag of een ander bestuursorgaan advies uit te brengen over een aanvraag om een besluit op grond van de Ow, respectievelijk het omgevingsplan, de omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Voor advies van de gemeenteraad is hier geen tarief opgenomen, omdat dat meegenomen wordt in het tarief voor instemming. Artikel 2.47 Instemming Een besluit over instemming is vergelijkbaar met de verklaring van geen bedenkingen onder de Wabo. In de gevallen dat de gemeenteraad adviseur is, is hij ook het bestuursorgaan dat een besluit over instemming neemt (artikel 16.16 Ow). Advies en besluit over instemming zijn volgordelijk en zijn onderdeel van de aanvraagprocedure. De kosten daarvan worden doorberekend aan de aanvrager van de omgevingsvergunning of van een ander besluit op grond van de Ow. Paragraaf 2.13 Vermindering Artikel 2.48 Vermindering na omgevingsoverleg (omgevingsinitiatief) Artikel 2.48 bepaalt dat de voor de aanvraag om een omgevingsvergunning verschuldigde leges worden verminderd met het bedrag dat al voor het aan de aanvraag voorafgaande omgevingsoverleg is betaald. Er gelden wel aanvullende regels.
Vanuit de praktijk is de wens geuit om een extra vermindering te kunnen geven ter stimulering van het omgevingsoverleg. Dat is in het artikel tot uitdrukking gebracht door de vermindering te bepalen op een percentage van de leges die voor het omgevingsoverleg verschuldigd waren. Indien een initiatief na vooroverleg daadwerkelijk leidt tot een aanvraag om een omgevingsvergunning dan kan aanspraak worden gemaakt op 50% van de voor de het omgevingsoverleg geheven leges. Paragraaf 2.14 Teruggaaf Artikel 2.49 Teruggaaf als aanvraag verder buiten behandeling wordt gelaten Als na toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een aanvraag buiten de behandeling wordt gelaten, is wel sprake van het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning. Wij hebben hiervoor een vast tarief opgenomen. Artikel 2.50 Teruggaaf als gevolg van intrekking aanvraag omgevingsvergunning of maatwerkvoorschrift Artikel 2.50 ziet op de situatie dat de aanvraag wordt ingetrokken binnen een bepaald tijdsbestek na het in behandeling nemen van de aanvraag maar voor het verlenen van de vergunning. Uitgangspunt is dat de burger een deel van de betaalde leges kan terugkrijgen (of niet alle berekende leges hoeft af te rekenen), maar dat de gemeente al wel kosten heeft gemaakt bij het in behandeling nemen van de aanvraag.
Hoe meer tijd er verstreken is, hoe meer werkzaamheden al zijn uitgevoerd, hoe hoger de gemaakte kosten zullen zijn en des te minder zal de burger terug ontvangen. Daarom is gedifferentieerd naar de verstreken tijd. Het tarief is ongewijzigd overgenomen uit de legesverordening die hiervoor van toepassing was. Artikel 2.51 Teruggaaf als gevolg van intrekking verleende omgevingsvergunning voor bouw-, aanleg, sloop- of milieubelastende activiteiten In artikel 2.51 gaat het om de situatie dat de gevraagde vergunning is verleend maar de bouw-, sloop-, aanleg- of milieubelastende activiteiten niet worden uitgevoerd. De werkzaamheden ter beoordeling van
13
de vergunningaanvraag zijn wel verricht, maar de werkzaamheden verbonden aan het houden van toezicht gedurende het realisatieproces hoeven niet verricht te worden, terwijl bij het vaststellen van het tarief wel met de kosten daarvan rekening is gehouden. Daarom kan worden besloten een deel van de geheven leges terug te betalen. Het is wel van belang dat de vergunning wordt ingetrokken, omdat anders teruggaaf plaatsvindt terwijl de aanvrager vervolgens alsnog met de bouw of werkzaamheden zou kunnen aanvangen. Daarom gelden drie voorwaarden voor de teruggaaf: 1. de vergunninghouder dient een aanvraag om intrekking in, 2. binnen een bepaalde in het artikel op te nemen termijn na vergunningverlening, en 3. er is nog geen gebruik gemaakt van de omgevingsvergunning, met andere woorden: de activiteit is nog niet uitgevoerd. Artikel 2.52 Teruggaaf als gevolg van het weigeren van een omgevingsvergunning voor bouw- of milieubelastende activiteiten De situatie van artikel 2.52 doet zich voor als de aanvraag niet leidt tot het verlenen van de vergunning. Ook hier zullen de controlewerkzaamheden niet worden verricht, wat een lager tarief rechtvaardigt. Uitgangspunt is dat de aanvrager een deel van de betaalde leges kan terugkrijgen. Wij hebben de teruggaaf beperkt tot de bouwactiviteiten en mba, omdat daar doorgaans substantiële legesbedragen mee zijn gemoeid.
Met een weigering hebben wij gelijkgesteld het geval dat de vergunning door de rechter wordt vernietigd. Artikel 2.53 Geen teruggaaf legesdeel modaliteiten Het legesdeel modaliteiten betreft de in paragraaf 2.12 opgenomen tarieven, wat verhogingen zijn op de reguliere tarieven voor een aanvraag om een omgevingsvergunning of ander besluit op grond van de Ow. Dit zijn meestal geen door de gemeente beïnvloedbare kosten. Daarom is er geen reden deze ook in de teruggaaf te betrekken. Artikel 2.54 Minimumbedrag voor teruggaaf Uit doelmatigheidsoverwegingen hebben wij bepaald dat de teruggaaf een bepaald bedrag te boven moet gaan.
14