b.-concept-integraal-huisvestingsplan-onderwijsvoorzieningen
Tekst van het document
Inhoud Voorwoord
4
1.
Inleiding
5
Aanleiding
5
Wettelijk kader
6
Leeswijzer
8
2.
3.
4.
5.
Visie op funderend onderwijs in Purmerend
10
Purmerend 2040
10
Primair onderwijs
11
Voortgezet onderwijs
12
Brede blik op maatschappelijke ontwikkelingen
13
Thema’s ondersteunend aan de opgave voor het funderend onderwijs
14
Doorgaande ontwikkellijn voor elk kind
15
IKC-vorming
15
Inclusie
17
Onderwijs voor nieuwkomers
17
Duurzaamheid: op naar ‘Parisproof’
19
Duurzaamheid en nieuwbouw (en uitbreiding)
20
Duurzaamheid en renovatie (vernieuwbouw)
23
Duurzaamheid en in stand te houden bestaande gebouwen
24
Subsidiemogelijkheden
25
Anticiperen op demografische en stedelijke ontwikkelingen
26
Volumeafspraken
27
Piekgebouwen
28
Modulair bouwen en planologische ruimte
29
Tijdelijke huisvesting
29
Mobiliteit en verkeersveiligheid
30 2
6.
Bewegingsonderwijs
32
Continuroosters
33
IKC-vorming en bewegen in en om de school (BIOS)
33
Nieuwe ontwikkelingen in het bewegingsonderwijs
33
Type sportvoorziening
34
7. Uitgangspunten IHP en keuzes
35
Uitgangspunten in bestaand IHP: eerder vastgestelde beleidskeuzes
35
Voorstel aanvullende uitgangspunten
36
3
Voorwoord Ontwikkeling en groei, dat staat centraal in het onderwijs in Purmerend. Onze gemeente is ook in ontwikkeling en om kinderen het onderwijs te kunnen bieden dat hen past, moeten we vooruitkijken. Wat is de oplossing voor het groeiend leerlingenaantal tegenover de beperkte beschikbare ruimte? Hoe geven we bewegingsonderwijs letterlijk en figuurlijk een belangrijkere plek? Met de ontwikkelingen die de komende jaren op ons afkomen, moet het onderwijs kunnen meebewegen. Met toekomstbestendige, duurzame oplossingen die aansluiten bij wat financieel past. In dit Integraal Huisvestingsplan Onderwijs (IHP) staan die kaders voor toekomstbestendig onderwijs. Met oog voor maatschappelijke functies zoals kinderopvang en jeugdvoorzieningen en ruimte voor de ambities die schoolbesturen, opvangorganisaties en de gemeente hebben. Kortom, de uitgangspunten van deze visie vertalen zich in toekomstbestendige, inspirerende en functionele gebouwen. Fijne plekken waar elk kind kan spelen, leren en zichzelf ontwikkelen op een manier die bij hun past. Onderwijs en huisvesting zijn niet los te zien van andere maatschappelijke voorzieningen. Daarom is deze visie ook in lijn met andere documenten die in ontwikkeling zijn, zoals de Woon(zorg)visie, het beleidskader dagelijkse voorzieningenstructuur Purmerend en de behoeften inventarisatie maatschappelijke voorzieningen Purmerend.
Het Integraal Huisvestingsplan Onderwijs kwam met de schoolbesturen en besturen van de kinderopvang uit onze gemeente, in goed overleg tot stand.
Natalie Saaf, Wethouder Onderwijs
4
1. Inleiding Aanleiding In 2021 heeft de gemeenteraad het Integraal Huisvestingsplan Onderwijs (IHP) vastgesteld, daarna is gestart met het uitvoeren van de projecten. Tijdens de uitvoering is de gemeente Purmerend verschillende uitdagingen tegengekomen waar bij het maken van het IHP 2021 geen rekening mee was gehouden, zoals de uitwerking van IKC-vorming, ruimtelijke beperkingen bij projecten, locatie specifieke kenmerken, de relatie met het programma 2040, maatschappelijke en commerciële voorzieningen en het bewegingsonderwijs. Het is belangrijk aan deze zaken goed aandacht te besteden en daarbij is geluisterd naar wat er speelt bij schoolbesturen, kinderopvangorganisaties en Spurd. De gemeente is samen met deze organisaties aan de slag om voor onze kinderen te zorgen voor toekomstbestendige onderwijshuisvesting in een nieuw IHP. Met de verwachte ontwikkelingen in de komende jaren, zoals groeiende leerlingenaantallen en ruimtelijke inpasbaarheid, is het noodzakelijk om het IHP 2021 te evalueren en te verbeteren. Het doel is om toekomstbestendige oplossingen te vinden die passen bij de wijken en dorpen en de groeiende gemeente. Daarnaast is er de wens om een beter inzicht in de technische staat van de scholen te krijgen.
Door een analyse van bestaande informatie, waaronder gegevens uit Meerjaren Onderhoudsplannen (MJOP's), jaarrekeningen en de belevingswaarde van de gebouwen, brengen we alle schoolgebouwen in kaart. Ook brengen we demografische ontwikkelingen en stedenbouwkundige ontwikkelingen in de gemeente Purmerend in beeld. En tenslotte zetten we de belangrijkste ontwikkelingen in en voor het onderwijs en de daaraan gerelateerde maatschappelijke functies (zoals kinderopvang en mogelijke jeugdvoorzieningen) en de ambities die de gemeente, schoolbesturen en opvangorganisaties samen hebben op een rij. Al deze ingrediënten brengen we samen tot verschillende scenario’s voor de onderwijshuisvesting in Purmerend. Op basis van deze scenario’s worden er keuzes gemaakt voor het toekomstperspectief van de verschillende gebouwen: (vervangende) nieuwbouw, renovatie of handhaven en verduurzamen. Vanwege aanscherpingen van de wettelijke verplichting om kinderen genoeg bewegingsonderwijs te bieden, wordt de capaciteit van de gymzalen ook meegenomen in de nieuwe versie van dit IHP. De uitgangspunten zoals opgenomen in deze visie vertalen zich in toekomstige, duurzame, inspirerende en functionele gebouwen, die een goed binnenklimaat hebben en voor alle partijen binnen de beschikbare middelen te exploiteren zijn.
Omdat de ruimte waarop alle voorzieningen in een complete stad gerealiseerd moeten worden beperkt is, wordt steeds gekeken op welke manier dit - met respect voor geldende regels voor bekostiging- slim combineren van functies tot toekomstbestendig en slim ruimtegebruik leidt.
5
Wettelijk kader Gemeenten ontvangen in de Algemene Uitkering uit het Gemeentefonds financiële middelen om de zorgplicht voor adequate onderwijshuisvesting te kunnen betalen. De middelen zijn voor primair onderwijs gebaseerd op onder andere het aantal kinderen dat in de gemeente woont en voor het voortgezet onderwijs gebaseerd op het aantal leerlingen dat in de gemeente op een vo (voorgezet onderwijs) school is ingeschreven. Dat gaat zowel over de onderwijsgebouwen als voorzieningen voor bewegingsonderwijs (in vervolg onderwijshuisvesting). Uitgangspunt daarbij is sober en doelmatige onderwijshuisvesting die voldoet aan geldende wet- en regelgeving. De minimale kwaliteitseisen die worden gesteld aan onderwijsgebouwen zijn vastgelegd in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), voorheen het Bouwbesluit. In het Bbl staan regels over veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid van bouwwerken. Aanvullende regels staan in het Uitvoeringsbesluit 'Voorzieningen in de huisvesting po/vo' (bijvoorbeeld normen ruimte m2 per kind voor verschillende schooltypen). Kort samengevat komt het er in het algemeen op neer dat de minimale eisen zoals in het bestaande Bouwbesluit zijn vastgelegd voor nieuwbouw voldoen aan BENG (bijna energie neutraal) en Frisse Scholen (gemiddeld) klasse B.
De wettelijke basis voor de uitgangspunten die voor het IHP en het daaruit voortvloeiende uitvoeringsplan gelden, is gelegd in de wet WPO (wet op het primair onderwijs), de wet WEC (wet op de expertisecentra) en de wet WVO (wet op het voortgezet onderwijs). Hierin is voor de onderwijshuisvesting onder andere de verantwoordelijkheidsverdeling tussen de gemeente en schoolbesturen geregeld. Zo is de gemeente verantwoordelijk voor adequate onderwijshuisvesting en zijn de schoolbesturen er verantwoordelijk voor dat dit zo blijft. Voor de gemeente houdt dit in dat zij verantwoordelijk is voor (vervangende) nieuwbouw, uitbreiding, herstel constructiefouten en schades, tijdelijke huisvesting en huisvesting voor bewegingsonderwijs. De schoolbesturen zijn verantwoordelijk voor de instandhouding van het schoolgebouw; onderhouden, exploiteren en het uitvoeren van inpandige (onderwijskundige) aanpassingen zijn de verantwoordelijkheid van het schoolbestuur. Voor deze taken ontvangen de besturen jaarlijks vanuit het Rijk financiële middelen. Deze vergoeding wordt gebaseerd op het aantal ingeschreven leerlingen. Door een wetswijziging in het primair onderwijs is het zo dat vanaf schooljaar 2023-2024 de wettelijke verplichting geldt om ten minste 2 lesuren per week bewegingsonderwijs te geven door bevoegde leraren.
Er is een wetswijziging in behandeling waardoor het wettelijk kader voor onderwijshuisvesting gaat veranderen. De streefdatum voor de inwerkingtreding van het wetswijzigingsvoorstel is 1 januari 2025. Dit is nog niet definitief. In het voorstel staan de volgende punten: • Het hebben van een IHP wordt een wettelijke verplichting van gemeenten. Het IHP heeft een scope van 16 jaar; • Renovatie wordt een voorziening in de huisvesting en valt onder de gemeentelijke verantwoordelijkheid; • Het investeringsverbod voor het primair en speciaal onderwijs wordt voor een deel opgeheven; 6
•
Gemeenten en schoolbesturen hebben de verplichting te zorgen voor een gezond binnenklimaat. Hierbij is de gemeente bij (ver)nieuwbouw verantwoordelijk voor het creëren van een goed binnenklimaat en is het schoolbestuur verantwoordelijk om het gezonde binnenklimaat te behouden.
Het vernieuwde IHP sluit aan op het wijzigingsvoorstel, maar is onder voorbehoud van de kosten. Zowel in de visie als bij het formuleren van scenario’s en het berekenen van investeringen zijn bovenstaande thema’s onder de aandacht gebracht en vertaald naar concrete voorstellen. Voor de huisvesting van aan onderwijs gerelateerde partners, zoals kinderopvang of zorgfuncties zoals logopedie, fysiotherapie en dergelijke heeft de gemeente geen wettelijke taak en ontvangt de gemeente geen bekostiging. De behoeften inventarisatie maatschappelijke voorzieningen geeft hier inzicht in. Voor deze functies geldt dat gemeenten in het kader van de Wet Markt en Overheid gehouden zijn aan regels die er op toezien om oneerlijke concurrentie in de markt te voorkomen en dus elke vorm van bevoordeling van partijen moeten voorkomen. Voor het transparant aanbieden van deze huisvesting moet daarbij ook nog worden verwezen naar het zogenaamde Didam-arrest. Verordening onderwijshuisvesting Elke gemeente heeft een verordening onderwijshuisvesting waarin de wettelijke bepalingen worden beschreven. Dit wordt gebaseerd op normen voor onderwijshuisvesting en afspraken over hoe de gemeente invulling geeft aan haar zorgplicht voor onderwijshuisvesting en hoe de gemeente en schoolbesturen processen inrichten om daar uitvoering aan te geven.
Deze verordening is gebaseerd op een modelverordening die de VNG publiceert en eens in de zoveel tijd vernieuwd. De verordening van de gemeente Purmerend wordt ook vernieuwd op basis van wat er in dit plan staat. Proces De eerste stap in het opstellen van het IHP is het op- en vaststellen van een visie op onderwijshuisvesting. Dit proces wordt door de stakeholders gedaan1. Hierin komen de belangrijkste thema’s aan bod voor wat betreft de prioriteiten, zoals genoeg huisvesting op korte termijn en uitgangspunten voor de onderwijshuisvesting van het primair, voortgezet en speciaal onderwijs binnen de gemeente Purmerend. Vervolgens wordt op basis van zoveel mogelijk feitelijke informatie een ‘factsheet’ gemaakt. Het gaat hier om gegevens als bouwjaar, gebruikerslasten, technische en functionele kwaliteit van schoolgebouwen en de ontwikkeling van vraag en aanbod op basis van de verwachtingen in leerlingenaantallen. Met de basisinformatie en het inzicht in de vooraf benoemde knelpunten en ontwikkelingen, wordt een situatieschets per kern/wijk gemaakt in de vorm van een zogenaamde kansenkaart. Tijdens de werksessies worden alle ontwikkelingen en knelpunten die belangrijk zijn in de clusters van onderwijshuisvesting of specifiek voor locaties, in kaart gebracht.
Op basis van de knelpuntenanalyse ontstaat een prioritering met schoolgebouwen die binnen het IHP in verschillende fasen om een actie vragen. De basisinformatie uit de factsheets, de situatieschets per cluster en prioritering vormen de input voor de oplossingsrichtingen. De basis voor prioritering is het
1
Schoolbesturen, kinderopvangorganisaties, Spurd en de ambtelijke organisatie van de gemeente Purmerend. 7
bestaande IHP. In de analyse kijken we of het nodig is om de in het bestaande IHP opgenomen projecten en/of de prioritering daarvan aan te passen. In het proces wordt gewerkt met een basis en een optimale variant waar uiteindelijk een voorkeursvariant uit ontstaat. De oplossingsrichtingen worden financieel vertaald. De situatieschets per primair en voortgezet onderwijs, de gezamenlijke ambities, oplossingsrichtingen, inclusief financiële vertaling worden vastgelegd in het IHP. In deze rapportage wordt ook voor elke schoollocatie een voorstel opgenomen voor de toekomstige huisvesting van (ver)nieuwbouw of instandhouding, kijkend naar de periode tot 2040.
Tijdens het proces vormt ieder deelproduct de input voor het daaropvolgende deelproduct. Zo vormen de factsheets de input voor de kansenkaarten en de kansenkaarten de basis voor het vormen van de prioriteiten en de oplossingsrichtingen. De deelprojecten worden tijdens de gezamenlijke werksessies besproken en verbeterd waar dat nodig is. Met de afspraken die we in het IHP vastleggen, willen de gemeente en schoolbesturen samen bereiken dat kinderen en medewerkers in het onderwijs (en daaraan gerelateerde andere functies) kunnen leren en werken in prettige, passende en duurzame gebouwen die bijdragen aan de leer- en werkprestaties en de ontwikkeling van elk kind.
Leeswijzer Het tweede hoofdstuk ‘Visie op funderend onderwijs’ gaat over de visie op een groeiende gemeente en de thema’s die een directe relatie hebben met onderwijshuisvesting. Het derde hoofdstuk ‘Doorgaande ontwikkellijn voor elk kind’ gaat over Integraal Kind Centrum (IKC)-vorming, inclusie en onderwijs voor nieuwkomers. Het vierde hoofdstuk richt zich op duurzaamheid: op naar ‘Parisproof’. In dit hoofdstuk gaat het om het akkoord van Parijs en duurzaamheid bij nieuwbouw, renovatie en in stand te houden bestaande gebouwen. Het vijfde hoofdstuk ‘Anticiperen op demografische en stedelijke ontwikkelingen’ gaat over hoe onderwijsinstellingen zich kunnen aanpassen aan demografische en stedelijke veranderingen. Hier maken volumeafspraken, piekgebouwen, modulair bouwen, tijdelijke huisvesting en maatschappelijke ontwikkelingen onderdeel van uit. Het zesde hoofdstuk ‘Bewegingsonderwijs’ gaat over hoe belangrijk bewegingsonderwijs is, met thema’s zoals continuroosters, IKC-vorming en het verbeteren van sport en nieuwe vormen van bewegingsonderwijs. 8
Bij de hoofdstukken 3, 4, 5 en 6 worden in de grijze vakken voorstellen gedaan om op te nemen in het IHP. In hoofdstuk 7 worden de uitgangspunten van het bestaande IHP beschreven en de keuzes die daarnaast ook gemaakt kunnen worden in het nieuwe IHP. De toelichting op de keuzes is te lezen in de hoofdstukken.
9
2. Visie op funderend onderwijs in Purmerend Purmerend 2040 Purmerend 2040 is een koersdocument waarin de visie op de ontwikkeling van de gemeente voor de komende jaren is vastgelegd, met als uitgangspunt de ambitie om woningen toe te voegen. Purmerend wil in haar stedelijkheid meer gezicht krijgen, maar ook een complete gemeente blijven met toevoeging van meer verschillende woonmilieus en -programma’s en daarbij passende werkgelegenheid en voorzieningen. De visie op de gemeente Purmerend 2040 is in samenhang met de visie op de Metropool Regio Amsterdam (MRA) opgesteld en wordt ook in samenhang met actuele ontwikkelingen in deze regio gemonitord en waar nodig aangepast. De uitvoering van Purmerend 2040 bestaat uit een gebiedsgerichte en een thematische aanpak. De gebiedsgerichte aanpak zorgt ervoor dat de ontwikkeling van woningbouw past in de omgeving. De thematische aanpak is gericht op de thema’s: (1) wonen, (2) economie en commerciële voorzieningen, (3) leefbare gemeente met maatschappelijke voorzieningen op basis van de behoeften inventarisatie maatschappelijke voorzieningen, (4) verduurzaming en (5) mobiliteit en parkeren. Met name de laatste 3 thema’s spelen ook bij de visie op onderwijshuisvesting een rol.
Onderwijs wordt ook nadrukkelijk genoemd in relatie tot de leefbaarheid van Purmerend: “Leefbare wijken en dorpen zijn aantrekkelijk en geschikt voor Purmerenders om in te wonen en te werken. Voor een prettige woonstad/dorpen zijn genoeg voorzieningen nodig op o.m. het gebied van zorg, onderwijs en sport. De Purmerendse wijken hebben ieder hun eigen ‘DNA’. De (maatschappelijke) voorzieningen vormen samen met de openbare ruimte de basis voor de verbinding in de wijk. Ze verbinden buurten, wijken, dorpen maar bovenal de mensen die er wonen.” Naast de gemeentelijke visie Purmerend 2040 zijn ook de behoeften inventarisatie maatschappelijke voorzieningen Purmerend en de economische visie (Beemster+Purmerend #datwerkt), opgesteld. In deze visies wordt nadrukkelijk aandacht besteed aan onderwijs: “Leren is de katalysator van onze economische ontwikkeling. Onderwijs – scholing, bijscholing en omscholing – verdient dan ook veel aandacht in ons economisch toekomstperspectief.” Voor de ontwikkeling en welzijn van het kind speelt onderwijs een grote rol. De onderwijsagenda 2021-2025 zoekt aansluiting bij andere maatschappelijke beleidsterreinen zoals het sportakkoord, jeugdnota en gezondheidsbeleid. “Onderwijshuisvesting draagt bij aan het realiseren van deze gezamenlijke doelen.” 10
Primair onderwijs Het IHP gaat over het funderend onderwijs (primair en voortgezet onderwijs). In de economische visie wordt met name aandacht besteed aan de relatie tussen bedrijfsleven en beroepsgerichte opleidingen (middelbaar en hoger beroepsonderwijs), met specifiek aandacht voor levenslang leren. De basis daarvoor wordt natuurlijk gelegd in de eerste ontwikkeljaren van elk kind, al voordat ze naar school gaan. Het is de ambitie om de keten waarin de hele doorgaande leerlijn van 0 tot 12 jaar en verder wordt verzorgd te verbeteren. En de samenhang tussen de verschillende schakels daarin meer als één geheel te behandelen. De gemeente Purmerend heeft met haar verdere verstedelijkingsambitie een flinke opgave. Niet alleen ruimtelijk en economisch, maar ook sociaal-maatschappelijk heeft de groei van de stad en dorpen veel invloed. De groei van de gemeente leidt, zo laten de prognoses zien, ook tot groei van het aantal verwachte leerlingen op de basisscholen. Kijkend naar 2040 verwachten we dat we voor ongeveer 1.000 leerlingen meer permanente onderwijscapaciteit nodig hebben dan we nu beschikbaar hebben, nog los van of die capaciteit op de juiste plek beschikbaar is. In het bestaande IHP is bijvoorbeeld nog niet genoeg rekening gehouden met de (woningbouw)ontwikkeling in de verschillende gebieden.
Naar verwachting is er een tekort aan huisvesting voor het basisonderwijs, ook nadat de in het IHP 2021 geplande investeringen worden uitgevoerd. Maar de ontwikkeling van Purmerend levert niet alleen een capaciteitsopgave voor onderwijshuisvesting op. Ook merken scholen dat er steeds meer sprake is van grootstedelijke problematiek, segregatie en kansenongelijkheid. Dat maakt inzetten op inclusief onderwijs en IKCvorming belangrijk: het vroeg herkennen van ondersteuningsbehoefte en het bieden van onderwijs thuis nabij zijn thema’s die de schoolbesturen als belangrijke opgave zien voor de komende jaren, natuurlijk met in de basis het waarborgen van de kwaliteit van onderwijs. Ook de opgave om genoeg docenten voor de klas te vinden, is een thema van dit moment en een grote zorg voor schoolbesturen. Hier ligt ook een relatie met de woningbouwopgave. Het is namelijk de verwachting dat wanneer Purmerend aantrekkelijk is als vestigingsplaats voor deze beroepsgroep, het eenvoudiger is om genoeg gekwalificeerd personeel te waarborgen. Schoolbesturen geven daarbij ook aan dat onderwijzend personeel eerder kiest voor scholen waar meer ontwikkelperspectief is voor henzelf en waar een goede ondersteuningsstructuur in de school aanwezig is. Dat vraagt iets van het volume van scholen.
11
Om genoeg organiserend vermogen te krijgen op schoollocaties, is het de intentie om waar mogelijk grotere onderwijseenheden dan de stichtingsnorm2 van 300 leerlingen te realiseren. We gaan daarbij uit van een bandbreedte tussen de 300 tot 500 leerlingen als richtlijn, maar zullen op basis van maatwerk bepalen wat het beste past. Zo zien we de situatie in Westbeemster3 en bij de Waterlandschool4 als uitzonderingen. Het stelt partijen in staat om het onderwijsaanbod meer toekomstbestendig te maken en meer passend bij de stedelijke ontwikkeling in Purmerend. Daarnaast zijn schoolbesturen daarmee ook beter in staat om te sturen op de organisatie en bedrijfsvoering en is het voor de gemeente efficiënter om maatschappelijke dienstverlening uit te voeren bij grotere onderwijseenheden.
Voortgezet onderwijs Gemeente Purmerend heeft een rijk aanbod voortgezet onderwijs, vallend onder de schoolbesturen PSG en Vonk. Ook het mbo-onderwijs is vertegenwoordigd in Purmerend en is belangrijk voor het MKB-netwerk in de omgeving. Voortgezet onderwijs en mbo zetten steeds meer in op samenwerking om in die lijn de doorstroming van leerlingen zo goed mogelijk te ondersteunen. Maar het is ook een belangrijke lijn in het kader van inclusie en kansengelijkheid. Hiermee bedoelen we dat iedereen, ongeacht zaken zoals schoolniveau maar ook afkomst, leeftijd of beperking, mee kan doen. Het voortgezet onderwijs heeft de ambitie om de samenwerking met het basisonderwijs (verder) te versterken. Naast inhoudelijke samenwerking tussen schoolbesturen en ter versterking daarvan, is de wens om een campus te vormen waar kinderen ‘van 0 tot en met 18 jaar’ worden opgeleid, zichzelf ontwikkelen en worden voorbereid op vervolgonderwijs of uitstromen naar de maatschappij. Een combinatie van voortgezet onderwijs, speciaal basisonderwijs en regulier basisonderwijs als campus op 1 locatie zou een mooie basis bieden om deze ambitie verder uit te bouwen. Binnen het voortgezet onderwijs is de vernieuwing in de huisvesting al eerder in gang gezet. Met de nieuwbouw van het Da Vinci College en Antoni Gaudí wordt een behoorlijke slag geslagen in de vernieuwingsopgave binnen de PSG.
Na deze nieuwbouw is binnen het voortgezet onderwijs naar verwachting genoeg gebouwcapaciteit aanwezig om het verwachte aantal leerlingen in 2040 te kunnen huisvesten. De ontwikkeling van de Oostflank is op lange termijn wel van invloed hierop.
2 Een school heeft volgens de wet bestaansrecht als ze voldoet aan een minimum aantal leerlingen. 3 De Lourdesschool in Westbeemster is al jaren stabiel (rond 100 leerlingen) in de leerlingenprognose. 4 Schoolbestuur Ithaka houdt zich voor de grootte van haar scholen aan het aantal ‘stromen’ als uitgangspunt, waarbij een
‘éénstroomsschool’ een grootte van 250 leerlingen heeft en een ‘tweestroomsschool’ 500 leerlingen. Daar is haar bedrijfsvoering op ingericht en daar stuurt zij op bij de instroom van leerlingen. Voor de locatie in Purmerend ziet Ithaka een duurzaam perspectief voor De Waterlandschool op basis van een éénstroomsschool, oftewel voor 250 leerlingen.
12
Brede blik op maatschappelijke ontwikkelingen Kindcentra spelen een belangrijke rol in de wijk en zijn over het algemeen laagdrempelige voorzieningen voor kinderen en hun ouders. Er vindt een natuurlijke manier van ontmoeting en informatie-uitwisseling plaats. Dat kan in bepaalde situaties net genoeg zijn om belangrijke sociaal-maatschappelijke hulpverlening op tijd in te zetten. Die schakelfunctie in het sociaal-maatschappelijk netwerk kan versterkt worden door nog duidelijker invulling te geven aan de wijkfuncties van een kindcentrum. Dat heeft niet per se in elke wijk toegevoegde waarde, maar kan dat in sommige wijken/dorpen wel zijn. Hier ligt een kans voor een combinatie met andere maatschappelijke voorzieningen. In de afgelopen periode zijn we in Nederland geconfronteerd met een stijging van mensen die vanuit conflictgebieden of regimes waar mensen geen toekomstperspectief hebben een toevluchtsoort zoeken. Dat vraagt in elke gemeente veel van de gemeenschap en heeft invloed op de voorzieningen die er in de gemeente zijn. De reactiesnelheid die wordt gevraagd past niet bij huisvestingsvraagstukken, waardoor we vaak teruggrijpen op onwenselijke noodvoorzieningen. Deze voorbeelden vragen om een actuele en brede blik op sociaal-maatschappelijke ontwikkelingen.
Wanneer we plannen uitwerken voor vernieuwing van onderwijshuisvesting, vraagt het om die brede en actuele blik: wat komt er (mogelijk) op ons af en hoe kunnen we ons daar zo goed mogelijk op voorbereiden? Hoe kunnen we het sociaal-maatschappelijk netwerk in deze omgeving zo sterk mogelijk maken? We kijken bij een nieuwe (of vernieuwings-) opgave niet alleen naar behoefte vanuit onderwijs en opvang, maar in de breedte naar maatschappelijke behoeften in die wijk/dorp of omgeving. Met het uitgangspunt dat uiteindelijk de kwaliteit van onderwijs en opvang voorop staat. Eventuele maatschappelijke functies die aan een opgave worden gekoppeld, moeten passen bij en extra waarde toevoegen aan het kindcentrum. Voorstel in IHP: 1. De intentie is te streven naar onderwijseenheden groter dan de stichtingsnorm van 300 leerlingen m.u.v. de Lourdesschool en de Waterlandschool. 2. Er is de voorkeur om niet ‘alleen’ een school te realiseren. Kinderopvang hoort er in ieder geval bij.
Bij nieuwe opgaven wordt ook breed en in samenhang gekeken naar de sociaalmaatschappelijke omgeving en onderzocht welke extra huisvestingsbehoefte in de wijk/ het dorp of de omgeving bestaat die kan worden meegenomen in de opgave, maar alleen als: • dezelfde kwaliteit en functionaliteit van het kindcentrum daarbij is gewaarborgd; • het ruimtelijk (en infrastructureel) in te passen is; • er sprake van een sluitende businesscase is.
13
Thema’s ondersteunend aan de opgave voor het funderend onderwijs Op basis van de visie en de opgave waar we voor staan, zijn de volgende hoofdthema’s verder uitgewerkt in deze visie van het IHP: • Doorgaande ontwikkellijn voor elk kind, waarin we uitgangspunten voor de huisvesting formuleren voor IKC-vorming, inclusief onderwijs, nieuwkomersonderwijs en verbreding naar andere maatschappelijke voorzieningen. Dit is in lijn met de onderwijsagenda; • Duurzaamheid: op naar ‘Paris Proof’, waarin we uitgangspunten formuleren voor duurzaamheid bij vernieuwings- en renovatieprojecten en bij gebouwen die de komende jaren in stand worden gehouden; • Anticiperen op demografische en stedelijke ontwikkelingen, waarin we uitgangspunten formuleren die helpen om de regie over spreiding en benutting van onderwijsgebouwen beter te kunnen voeren. En waarmee we beter in staat zijn om in te spelen op onverwachte ontwikkelingen; • Bewegingsonderwijs, waarin we uitgangspunten formuleren waarmee we de kwaliteit en de capaciteit van voorzieningen voor bewegingsonderwijs kunnen waarborgen.
14
3. Doorgaande ontwikkellijn voor elk kind Schoolbesturen en kinderopvangorganisaties voelen een gezamenlijke verantwoordelijkheid om de ontwikkeling van kinderen vanaf het eerste begin tot aan volwassenheid te stimuleren en begeleiden. Grofweg spreken we over de ontwikkellijn van 0 tot 18 jaar. Daarin spelen achtereenvolgend kinderopvang, primair onderwijs en voortgezet onderwijs een belangrijke rol. Dat het belangrijk is om die fasen in de ontwikkeling zo goed mogelijk op elkaar aan te laten sluiten wordt steeds duidelijker en dat dit grote maatschappelijke voordelen heeft wordt ook steeds beter begrepen. Dat begint bij goede samenwerking tussen partijen, maar vraagt uiteindelijk ook wat van de manier waarop we de huisvesting van deze organisaties vormgeven. Purmerend krijgt steeds meer te maken met ‘grootstedelijke’ problematiek die vraagt om specifieke voorzieningen gericht op jeugd en gezin. De keten opvang – onderwijs speelt daarin altijd een rol, vaak samen met andere maatschappelijke partners. Het vroeg ontdekken van problemen en de weg vinden naar de juiste ondersteuning is noodzakelijk om de ‘gevolgschade’ zo klein mogelijk te houden. Dat heeft een groot maatschappelijk belang. In het kader van de doorgaande ontwikkellijn van kinderen is een aantal thema’s belangrijk die ook raken aan de (onderwijs)huisvesting: • IKC-vorming • Inclusie • Onderwijs voor nieuwkomers
IKC-vorming Een Integraal Kind Centrum (IKC) is een voorziening voor kinderen van 0 tot en met 12 jaar waar zij komen om te leren, te spelen en te ontwikkelen. Een IKC biedt een totaalpakket op het gebied van onderwijs, opvang, ontwikkeling, zorg en welzijn. Een IKC kenmerkt zich daarnaast doordat het 1 organisatie, 1 aanspreekpunt, 1 team, 1 management en 1 ongedeelde klantengroep heeft. Het management kan uit meerdere organisaties bestaan. We streven naar het ontwikkelen van integrale kindcentra, waarin onderwijs, peuteropvang (PO), voor- en vroegschoolse educatie (VVE), kinderopvang (KO) en eventuele zorg- en jeugdvoorzieningen samen zijn gehuisvest. We zien een trend in de groei van de BSO. Bij de PO, VVE en KO is er een grotere afhankelijkheid van ontwikkelingen in overheidsbeleid dan bij de BSO. De verschillende instellingen die deze voorzieningen aanbieden werken, waar het kan, in deze centra of in dezelfde wijk/dorp in goed overleg met elkaar samen om de ontwikkeling van de kinderen zo goed mogelijk te ondersteunen.
15
Per locatie of per wijk/dorp wordt het aanbod aan voorzieningen afgestemd op aan de ene kant de behoefte en aan de andere kant op de mogelijkheden om voorzieningen bij elkaar te brengen. Hierbij is de hiervoor genoemde optimale benutting van ruimte door slimme combinatie van functies het uitgangspunt. De doorgaande ontwikkellijn staat centraal bij de vorming van een IKC. Maar uiteindelijk zal de omgeving bepalend zijn voor de precieze invulling. Zo kunnen IKC’s worden gevormd die zich bij voorkeur richten op 0–12-jarigen, op 2–12-jarigen of bijvoorbeeld een verdere doorgaande leerlijn van het primair onderwijs naar voortgezet onderwijs van o-18 jaar in de vorm van een campus. Voor bepaalde doelgroepen kan het wenselijk zijn om de overgang van primair onderwijs naar voortgezet onderwijs op een andere manier te organiseren en fysiek te huisvesten. Huisvesting mag wenselijke en belangrijke vernieuwingen niet in de weg zitten. Op een aantal schoollocaties is leegstaande onderwijsruimte in de afgelopen jaren verhuurd of tegen vergoeding in gebruik gegeven aan opvangfuncties. Hier zijn kindcentra ontstaan omdat er én behoefte was én ruimte beschikbaar. Maar zolang deze ruimte formeel als onderwijsruimte is bestemd, kan deze altijd zo worden geclaimd, ten koste van de opvangfunctie.
Voor het realiseren van integrale kindcentra is het belangrijk dat de functies opvang – onderwijs en de samenwerking in de huisvesting wordt gewaarborgd. Dat betekent dat er voor (solitair) gebruik van ruimte in een onderwijsgebouw voor opvangfuncties afspraken gemaakt worden. Dit betekent dat de gemeente niet formeel kan afzien van haar claimrecht (Art. 108 WPO5) voor onderwijshuisvesting maar er wel goede afspraken gemaakt kunnen worden om meer zekerheid te geven aan opvangorganisaties. Dit maakt onderdeel uit van de voorgestelde volumeafspraken (paragraaf: Volumeafspraken). Er moet daarbij rekening worden gehouden met het feit dat wanneer het leerlingaantal in een wijk/dorp stijgt, de vraag naar opvangvoorzieningen ook stijgt en andersom. Daarbij moeten kansen die uit de woningbouw en maatschappelijke voorzieningen ontstaan benut worden. De gemeente is niet wettelijk verantwoordelijk voor de opvangopgave, maar vindt deze zo belangrijk dat ze sinds het IHP 2021 deze ontwikkeling faciliteert door de kinderopvanginvesteringen tegen kostprijs aan te bieden aan de schoolbesturen. Voorstel in IHP: 3. De gemeente ondersteunt IKC-vorming bij nieuwbouw door extra gebouwcapaciteit voor te financieren, maar alleen als daar langjarige en kostendekkende financieringsafspraken met het schoolbestuur over gemaakt kunnen worden.
Bij de aanvraag moet een duidelijke visie op IKCvorming zijn opgesteld door het schoolbestuur en haar eventuele partners. 4. De gemeente en schoolbesturen maken afspraken (beheer en organisatie overeenkomst*) over de capaciteit van het gebouw voor de onderwijsfunctie en overige functies (zoals opvang), zodat schoolbesturen langjarige afspraken met (opvang)partijen kunnen maken over het gebruik van ruimten en partijen ‘in elkaar kunnen investeren’ zonder dat Art. 108 WPO in gevaar komt. *bijlage conceptovereenkomst verhuur
5 Artikel 108 van de WPO staat het bevoegd gezag toe om een deel van schoolgebouwen te gebruiken voor onderwijs of
andere doeleinden, maarniet voor wonen of commercieel gebruik, met vereiste toestemming van de gemeente voor verhuur en bepalingen tegen overtredingen. 16
Inclusie Inclusief onderwijs wordt omschreven als onderwijs waarbij kinderen, ongeacht hun beperking, naar dezelfde school gaan als kinderen zonder beperking. Elk kind met een specifieke ondersteuningsbehoefte moet in de regio waar hij of zij woont onderwijs kunnen krijgen dat bij hem of haar past. Die voorziening moet een kind zo dicht mogelijk nabij huis kunnen vinden. Het idee is dat kinderen met een specifieke ondersteuningsbehoefte tijdens schooltijd met dezelfde kinderen uit de buurt kunnen optrekken als die ze na school in de omgeving van hun thuis tegenkomen. En om reistijd voor elk kind zo kort mogelijk te houden. De zorgstructuur voor leerlingen in het primair onderwijs wordt geregeld via het Samenwerkingsverband Waterland PO en in het voortgezet onderwijs via het Samenwerkingsverband VO. De samenwerkingsverbanden hebben de opdracht om de instroom naar speciaal onderwijs te verminderen. Dat heeft niet alleen een financiële aanleiding, maar is ook ingegeven vanuit de maatschappelijke opdracht om elk kind zo gelijkwaardig mogelijk en zo thuis nabij mogelijk te laten meedoen. Maar dat betekent wel dat daarmee een enorme opdracht ligt bij de reguliere scholen (po en vo) én dat er consequenties zijn voor de huisvestingsbehoefte.
Er zal meer ruimte moeten worden gerealiseerd voor zorgondersteuning op schoollocaties (en/of in de wijk/het dorp) en er zal (nog) meer aandacht moeten worden besteed aan de toegankelijkheid en ergonomische kwaliteit van schoolgebouwen. Ook kan dat ertoe leiden dat er meer ruimte nodig is. Dit komt voort uit de Wet passend onderwijs. Voorstel in IHP: 5. Het toekennen van extra ruimte bij het onderwijs voor zorgondersteuning in het kader van inclusief onderwijs is mogelijk als: • Er voor de locatie een duidelijke visie is op inclusie en dit in lijn is met afspraken die in het samenwerkingsverband zijn of worden gemaakt; • Het onderdeel is van een samenhangend aanbod op wijk-/dorpsniveau; • Daar geen andere voorzieningen beschikbaar voor zijn in de wijk/het dorp; • De bekostiging (voor een groot deel) kan worden geregeld uit niet reguliere middelen voor onderwijshuisvesting.
Onderwijs voor nieuwkomers Specifieke aandacht is er voor onderwijs aan nieuwkomers: kinderen die nieuw in Nederland zijn – met of zonder Nederlandse nationaliteit – en voor wie Nederlandse taal (en onderwijs) nieuw is. Er zijn verschillende voorzieningen om nieuwkomers tijdens de eerste periode te laten wennen aan het Nederlandse onderwijs en hen voor te bereiden op een reguliere school. In het po zijn er scholen verbonden aan asielzoekerscentra (type I), scholen die alleen nieuwkomersonderwijs verzorgen (type II) en scholen met een paar nieuwkomersgroepen (type III). In het vo kunnen nieuwkomers terechtkomen in internationale schakelklassen (ISK’s). De gemiddelde groepsgrootte bij deze voorzieningen is ongeveer 15 leerlingen. Na gemiddeld 1 jaar stromen nieuwkomers in het po door naar het regulier onderwijs en in het vo na gemiddeld 2 jaar.
17
De zorg voor en het aanbod van het onderwijs aan nieuwkomers wordt in regionaal verband door de schoolbesturen georganiseerd. In het basisonderwijs is het regionaal met schoolbesturen en gemeenten georganiseerd en gefinancierd. Bij het vo wordt het door de Purmerendse Scholen Groep (PSG) in samenwerking met de gemeente georganiseerd. Het vo ontvangt financiering voor het onderwijs van het Ministerie, de gemeente is verantwoordelijk voor de huisvesting zonder bekostiging. Ook hierbij is het belangrijk om te zorgen voor een goede bereikbaarheid en spreiding van deze voorzieningen. Dit wordt op dit moment regionaal (regio Waterland) verzorgd. Het aanbod van onderwijs aan nieuwkomers moet dan ook onder andere worden afgestemd op de vestigingsplaatsen van nieuwkomers. Gelet op de discussie over de spreiding van plekken voor opvang van bijvoorbeeld asielzoekers en de ervaringen met de oorlogsvluchtelingen uit Oekraïne, is het belangrijk om een bepaalde mate van flexibiliteit te hebben voor het onderwijsaanbod aan nieuwkomers. Het bieden van volledig onderwijs is met instroom, onvoorspelbaarheid en krapte het doel. Hier kunnen primair onderwijs en voortgezet onderwijs meer gezamenlijk vorm en inhoud aan geven. Tenslotte is het belangrijk om ook bij deze nieuwkomers de zorgstructuur in een zo vroeg mogelijk stadium van de ontwikkeling van het kind vorm te geven.
Ook al voordat ze naar school gaan hebben deze kinderen vaak een specifieke zorgvraag. Door samen met de opvangpartijen vorm te geven aan een visie op nieuwkomersonderwijs, wordt ook voor deze doelgroep de doorgaande ontwikkellijn in zijn geheel benaderd. Daarmee wordt zoveel mogelijk voorkomen dat de druk op de zorginfrastructuur rond deze nieuwkomers extra belast wordt. De behoefte aan onderwijsvoorzieningen voor nieuwkomers is moeilijk voorspelbaar, omdat én de instroom van nieuwkomers zich moeilijk laat voorspellen én de specifieke ondersteuningsbehoefte afhankelijk is van specifieke omstandigheden én omdat het aanbod van voorzieningen ook veelzijdig is. Bovendien is de behoefte en het aanbod afhankelijk van regionale afspraken. Aandachtspunt is dat de nieuwkomers nog niet in de leerlingenprognoses zijn opgenomen.
Voor het IHP zijn verschillende denkrichtingen mogelijk om invulling te kunnen geven aan de huisvesting van onderwijsvoorzieningen voor nieuwkomers: • Centrale oplossing: gebruik maken van een wissellocatie als flexibel in te zetten voorziening; • Decentrale oplossing op wijk/dorpsniveau: op wijk/dorpsniveau een flexibele schil inrichten door op wijk/dorpsniveau overcapaciteit op de reguliere onderwijscapaciteit te realiseren (of in stand te houden); • Gebruik maken van kansen voor combinaties met andere maatschappelijke voorzieningen; • Decentrale oplossing op locatieniveau: op elke onderwijslocatie rekening houden met een flexibel in te zetten overcapaciteit. Voorstel in IHP: 6. Om snel en flexibel in te kunnen spelen op de huisvestingsbehoefte van nieuwkomersonderwijs, is het wenselijk om enige flexibiliteit in de onderwijs huisvestingsportefeuille te realiseren en behouden (zie ook hoofdstuk 5). Door het faciliteren van ruimte voor nieuwkomersonderwijs voldoet de gemeente aan haar verplichting om invulling te geven aan het bieden van onderwijsvoorzieningen aan deze doelgroep.
18
4. Duurzaamheid: op naar ‘Parisproof’ Het Klimaatakkoord van Parijs heeft als doel om de klimaatopwarming op aarde onder de 2 graden Celsius te houden, waarbij gestreefd wordt naar maximaal 1,5 graad. Het wereldwijde Klimaatakkoord laat zich weer verder vertalen naar Europese en Nederlandse doelen en wetgeving. Fit for 55: De Europese klimaatwet maakt van de doelstelling om in 2030 de netto-uitstoot van broeikasgassen met ten minste 55% te hebben verminderd een wettelijke verplichting. De EUlidstaten werken aan nieuwe wetgeving om dit doel te bereiken en de EU richting 2050 klimaatneutraal te maken. Regeerakkoord (bestaand): Nederland wil koploper in Europa zijn bij het tegengaan van de opwarming van de aarde. Om uiterlijk in 2050 klimaatneutraal te zijn, scherpen we het doel voor 2030 in de Klimaatwet aan tot tenminste 55% CO2 reductie. We verbinden ons aan dit doel en zullen als dat nodig is extra stappen zetten om dit te realiseren.
19
Voor de verduurzamingsopgave onderscheiden we in dit visiedocument de volgende thema’s: • Duurzaamheid en nieuwbouw • Duurzaamheid en renovatie (vernieuwbouw) • Duurzaamheid en in stand te houden bestaande gebouwen • Subsidiemogelijkheden
Duurzaamheid en nieuwbouw (en uitbreiding) Voor nieuwe onderwijsgebouwen gelden op dit moment de volgende uitgangspunten, onder andere volgend uit het bestaande Bouwbesluit: • BENG (bijna energieneutraal) • Aardgas vrij (wet VET) • Frisse scholen (gemiddeld klasse B) • TO juli6 Met deze eisen wordt ingespeeld op klimaatdoelstellingen voor 2030, maar nog niet genoeg op de klimaatdoelstellingen die voor 2050 zijn geformuleerd. Het is dan ook de verwachting dat binnen korte tijd aanscherpingen zullen komen op de eisen voor nieuwbouw. Die aanscherpingen zullen gaan over (1) verdergaande eisen om CO2-uitstoot te reduceren (van BENG naar ENG7 of zelfs NoM8) en (2) circulair bouwen en (3) natuurinclusief en klimaatadaptief bouwen. Van BENG naar ENG Energieneutrale (onderwijs)gebouwen bouwen, wordt al in de praktijk gebracht en is bij nieuwbouw goed te realiseren, alleen als er genoeg ruimte is om vanuit deze doelstelling te ontwerpen en te bouwen. Dit vraagt wel om extra investeringsruimte. De extra investering leidt er meestal toe dat de energielasten voor de school zullen dalen. Maar in veel gevallen leidt het aan de andere kant tot extra kosten voor onderhoud. Of de extra investeringskosten dan ook (volledig) zijn terug te verdienen tijdens het gebruik, is vooraf niet met zekerheid te zeggen.
De stap van BENG naar ENG wordt gezien als een gezamenlijke verantwoordelijkheid van schoolbestuur en gemeente, waarbij op basis van een businesscase wordt bepaald of sprake is van een nuttige extra investering. De gemeente ondersteunt in de vorm van laagdrempelige financiering (volgens bestaande regeling IHP 2021, zie bijlage ‘’ENG normbedragen’’). De investering moet daarbij ‘nuttig’ zijn. Als de laatste paar procent om ENG te behalen financieel zwaarwegend is, is de investering ‘niet’ nuttig. Ook moet een bijdrage vanuit de gemeente hierin passend zijn in relatie tot investeringen bij andere schoolgebouwen en ten opzichte van de begroting. Circulair bouwen Nederland heeft het doel gesteld om in 2050 een volledig circulaire economie te hebben. Dat vraagt ook voor bouwopgaven een andere aanpak. Door demontabel te bouwen, kunnen elementen en materialen eenvoudiger en hoogwaardiger worden hergebruikt na demontage. Bij nieuwbouw wordt ook steeds vaker een zogenaamd materialenpaspoort gemaakt, zodat precies wordt bijgehouden uit welke materialen het gebouw wordt opgebouwd.
6
Temperatuur Overschrijding juli, belangrijk t.b.v. hittestress en binnenklimaat. ENG = energie neutraal gebouw 8 NoM = nul op de meter 7
20
Zo kan in een later stadium, bijvoorbeeld aan het eind van de functionele levensduur van het gebouw, goed in kaart worden gebracht welke materialen bij een ander bouwproject kunnen worden ingezet. De verwachting is dat dit op die manier niet alleen een maatschappelijke waarde heeft, maar ook steeds meer een economische waarde. Ook kan gedacht worden aan het gebruik van gebruikt materiaal bij een nieuw te bouwen gebouw en aan het gebruik van bio-based materiaal. Niet alleen het gebruikte materiaal, maar ook de verwerking van die gebruikte materialen in het project zijn belangrijk, net als de manier waarop de uitvoering op de bouwplaats plaatsvindt. Dit is een gebied waar nog veel vernieuwing kan worden verwacht. Ook voor financiering: zo is het bijvoorbeeld denkbaar dat op termijn een leverancier producten of materialen na de gebruiksduur gegarandeerd terugneemt of zelfs terugkoopt. Een gebouw dat volgens deze principes wordt ontwikkeld, kan op termijn niet alleen als gebouw, maar ook als verzameling materialen een restwaarde vertegenwoordigen. Circulair bouwen en slopen is in ontwikkeling en hoewel er op dit moment nog niet heel veel aansprekende voorbeelden en ervaringen mee zijn, wordt er steeds meer aandacht aan besteed en komen meer en meer voorbeelden van projecten waarin principes van circulair bouwen zijn meegenomen.
Bij nieuwe projecten maken we zoveel mogelijk gebruik van de kennis en ervaring die er al is en nog wordt opgedaan en zorgen we dat zoveel mogelijk van de circulaire principes bij elkaar worden gebracht in het project. Klimaatadaptatie Het klimaat verandert, het wordt warmer, natter, droger en de kans op overstromingen neemt toe. Klimaatadaptatie is het aanpassen van de fysieke leefomgeving en maatschappij voor het veranderende klimaat, om schade en overlast als gevolg van klimaatextremen zo klein mogelijk te houden. In lijn met het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) werkt de gemeente toe naar een waterrobuuste en klimaatbestendige leefomgeving in 2050. Om dit te bereiken heeft de gemeente Purmerend in november 2021 de ‘Intentieovereenkomst klimaatbestendige nieuwbouw MRA + NoordHolland’ ondertekend en heeft de ‘Basisveiligheidsniveaus klimaatbestendige nieuwbouw’ geborgd binnen het gemeentelijk handelingsinstrumentarium. De Intentieovereenkomst is breed ondertekend door verschillende overheden, marktpartijen en brancheorganisaties in de regio. De basisveiligheidsniveaus hebben 4 klimaatthema’s: wateroverlast, hitte(stress), droogte en gevolg beperking overstromingen. Elk thema heeft uitgangspunten en richtlijnen waaraan nieuwbouw moet voldoen om klimaatbestendig te zijn.
Denk daarbij aan genoeg waterberging, natuurlijke speelplaats, groen dak, het aanleggen van een groen schoolplein, bouwmaterialen om hittestress in lokalen te verminderen, een wadi9 en het gebruik maken van de natuurlijke eigenschappen van verschillende beplantingen om de ecologie te versterken.
9
Een wadi is een droge greppel of waterafvoerkanaal dat is ontworpen om regenwater op te vangen, te vertragen en te infiltreren in de bodemom zo wateroverlast te voorkomen en grondwater aan te vullen. 21
Natuurinclusief bouwen Het veranderende klimaat en de verdichting en uitbreiding van het stedelijk gebied heeft in Purmerend effect op de fysieke leefomgeving van mens en dier. De aanwezigheid van groen is belangrijk voor de gezondheid en het welzijn van mensen, maar ook voor de ecologie in de stad. Om de gemeente voor mens en dier leefbaar te houden, wordt er op gemeentekavels verplicht natuurinclusief10 gebouwd. Gebouwen bieden namelijk veel kansen om de biodiversiteit van onze gemeente te vergroten. Door relatief simpele en goedkope aanpassingen te doen, kunnen gebouwen een volwaardige plaats in een stedelijk ecosysteem innemen. Denk aan nestplaatsen voor vogels of vleermuizen, groene daken of gevels en natuurspeelplaatsen. Natuurinclusief bouwen zorgt zo voor een gezonde, toekomstbestendige leefomgeving voor mens en dier. Om deze reden zal het natuurinclusief bouwen ook onderdeel uitmaken van de nieuwbouw van kindcentra en scholen en gecombineerde voorzieningen. Landelijke ‘Maatlat groene en klimaatadaptieve bebouwde omgeving’ In 2023 is de landelijke ‘Maatlat groene en klimaatadaptieve gebouwde omgeving’ gepresenteerd door het Rijk. De maatlat maakt duidelijk hoe klimaatadaptief en natuurinclusief bouwen en inrichten eruitziet en biedt daarmee houvast voor overheden en partijen uit de bouw zoals projectontwikkelaars en woningcorporaties.
De maatlat zorgt voor een referentiekader dat landelijk gelijk is waarmee projecten klimaatbestendig en groen kunnen worden uitgevoerd. Vooruitlopend op juridische borging voor de maatlat en het ruimtelijk afwegingskader, vraagt het Rijk decentrale overheden de instrumenten alvast zoveel mogelijk toe te passen in de praktijk. Purmerend geeft met de ‘Basisveiligheidsniveaus klimaatbestendige nieuwbouw’ invulling aan de maatlat. Verplichte nestkasten Per 1 juli 2024 is het volgens het bouwbesluit verplicht om bij nieuwbouw nestkasten aan te brengen voor huismus, gierzwaluw en vleermuizen. Op basis van het beschikbare geveloppervlak wordt de hoeveelheid kasten bepaald. Binnenklimaat De ambitie is om voor het binnenklimaat gemiddeld te voldoen aan Frisse Scholen Klasse B bij nieuwbouw. Daarbij moet worden gezocht naar een goede balans tussen een zo goed mogelijk binnenklimaat en een zo duurzaam mogelijk energieconcept binnen de gestelde financiële kaders. Het totale installatieconcept moet bovendien gebruiksvriendelijk zijn: rekening houdend met gedrag van mensen en op ruimteniveau of per gebouwdeel bedienbaar. Dus vanuit de mens ontworpen, meer dan vanuit de techniek. Het uitgangspunt bij nieuwe bouwprojecten moet zo duurzaam mogelijk zijn.
10
Ambitiedocument natuurinclusief bouwen en bijbehorende puntensysteem https://www.metropoolregioamsterdam.nl/wp-content/uploads/2021/09/Basisveiligheidsniveau-Klimaatbestendigenieuwbouw-3.0.pdf 22
Voorstel in IHP: 7. Basis voor investeringen van de gemeente onder onderwijsgebouwen is BENG en Frisse Scholen klasse B; 8. De ambitie om hogere prestatie-eisen te realiseren ondersteunt de gemeente door middel van een laagdrempelige financieringsfaciliteit (voorfinanciering); 9. Bij de realisatie van nieuwbouw of vernieuwbouw worden de uitgangspunten van het duurzaamheidsbeleid van de gemeente nagestreefd, zoals: A. Keuze op aansluiting op stadsverwarming of andere duurzame energiebronnen; B. Basisveiligheidsniveaus klimaatbestendige nieuwbouw; C. Uitgangspunten voor circulair bouwen en klimaatadaptief bouwen worden in het proces en de planuitwerking meegenomen. Met het verhogen van de eisen voor de energieprestaties en de uitgangspunten voor circulair en klimaatadaptief bouwen, komen partijen zoveel mogelijk tegemoet aan de klimaatdoelen die voor de langere termijn zijn gesteld (2050).
Duurzaamheid en renovatie (vernieuwbouw) Renovatie is nog geen officiële voorziening voor de onderwijshuisvesting, zoals nieuwbouw of uitbreiding dat wel is. Maar er is wel wetgeving in de maak die daar op toeziet. Vooruitlopend op de implementatie van deze wetgeving willen we renovatie als voorziening erkennen en daarvoor als oplossingsrichting in het IHP meenemen op basis van de volgende uitgangspunten. Met het renoveren van gebouwen verlaag je de vraag naar grondstoffen, wat een vermindering van de CO2 uitstoot tot gevolg heeft. Renoveren kan daarmee een duurzaam alternatief zijn voor nieuwbouw. De gemeente zet op dit moment al in op renovatie als voorziening, naast nieuwbouw en uitbreiding. Een renovatie wordt gezien als een gelijkwaardig alternatief voor (vervangende) nieuwbouw. We spreken in het vervolg daarom van het begrip ‘vernieuwbouw’ in plaats van renovatie. Met een vernieuwbouw wordt gestreefd naar hetzelfde kwaliteitsniveau als nieuwbouw. Met als voordeel dat bij vernieuwbouw een deel van het gebouw behouden blijft, op zijn minst de constructie. Een vernieuwbouw draagt op die manier bij aan hergebruik van materiaal en daarmee het verminderen van het grondstofgebruik. Er is geen principevoorkeur voor vernieuwbouw of nieuwbouw, de beste optie is altijd afhankelijk van de specifieke situatie.
De doorslag voor vernieuwbouw of nieuwbouw wordt gemaakt in een huisvestingsonderzoek met afwegingskader waarbij de volgende zaken worden meegenomen: • Er wordt een (bedrijfseconomische) afweging gemaakt of de benodigde flexibiliteit en functionaliteit die hoort bij het Programma van Eisen en de visie op het kindcentrum behaald kan worden bij vernieuwbouw; • Er wordt een afweging gemaakt tussen de klimaateffecten die ontstaan uit verbeterde energieprestaties van het nieuwe gebouw in vergelijking met de klimaateffecten die horen bij het realiseren van het project (nieuwbouw of vernieuwbouw); • Er wordt een afweging gemaakt tussen risico op schade en overlast door klimaatextremen aan het pand. Welke vergroenings- en waterbergingskansen liggen bij het huidige pand en welke klimaatrisico’s kunnen verminderd worden bij een nieuw pand; 23
•
•
Er wordt een afweging gemaakt tussen de klimaateffecten die ontstaan uit verbeterde energieprestaties van het nieuwe gebouw in vergelijking met de klimaateffecten die horen bij het realiseren van het project (nieuwbouw of vernieuwbouw); Eventuele monumentale kwaliteit van het gebouw en de waarde van het gebouw in zijn omgeving en de wijk/het dorp worden meegewogen. In het huisvestingsonderzoek wordt de afschrijftermijn in combinatie met de investering voor de vernieuwbouw van een monumentaal gebouw in zijn totaliteit afgewogen.
We streven met vernieuwbouw dezelfde kwaliteit na als bij nieuwbouw. Daarmee kan de gemeente voor de vernieuwbouw ook dezelfde afschrijvingstermijn aanhouden voor vernieuwbouw als voor nieuwbouw. Er zijn toch situaties denkbaar waarbij het kwaliteitsniveau bij een vernieuwbouw op bepaalde vlakken niet haalbaar is, maar toch vernieuwbouw de best haalbare optie is. In zo’n geval wordt de aan te houden afschrijvingstermijn opnieuw beoordeeld op basis van de kenmerken van de kwaliteit die wel wordt bereikt. Voorstel in IHP: 10. Wanneer bij renovatie de prestatie-eisen en verwachte levensduur gelijk zijn aan nieuwbouw, spreken we van vernieuwbouw. Vernieuwbouw wordt door de gemeente gefaciliteerd als gelijkwaardig alternatief voor nieuwbouw; 11. Wanneer een minder ingrijpende renovatie dan vernieuwbouw voor de situatie het beste alternatief voor nieuwbouw biedt, wordt dit door de gemeente gefaciliteerd, maar alleen als het gebouw weer voor minstens 20 jaar kan functioneren voor onderwijs, de kwaliteit van het gebouw dit rechtvaardigt en de investeringskosten duidelijk veel lager zijn dan (ver)nieuwbouw; 12. De afweging voor nieuwbouw, vernieuwbouw of renovatie wordt gebaseerd op een huisvestingsonderzoek.
In het huisvestingsonderzoek wordt de haalbaarheid van deze scenario’s onderzocht op basis van een technische, functionele, ruimtelijke en financiële verkenning, met aandacht voor de impact op het milieu/klimaat. Maar ook met aandacht voor de (historische) kwaliteit en waarde van het gebouw in de omgeving. Met het gelijkstellen van vernieuwbouw aan nieuwbouw sorteert de gemeente voor op de aankomende wetswijziging.
Duurzaamheid en in stand te houden bestaande gebouwen Bestaande gebouwen die binnen de looptijd van het IHP (en verder) in stand worden gehouden, vragen ook om aandacht in dit IHP. Hoewel deze gebouwen geen grootschalige ingreep in de vorm van nieuwbouw of renovatie (vernieuwbouw) krijgen, is het ook voor deze categorie de ambitie om bij te dragen aan de verduurzaming en het binnenklimaat te verbeteren. We grijpen hierbij natuurlijk momenten in de onderhoudscyclus aan. Naast de natuurlijke momenten die een Meerjaren Onderhoudsplan (MJOP) biedt voor investeringen, wordt zoveel mogelijk aangesloten op de energietransitie die binnen de gemeente wordt of gaat worden uitgerold. Het schoolbestuur is verantwoordelijk voor het in stand houden en onderhouden van het schoolgebouw, tenzij daar andere afspraken tussen de gemeente en schoolbesturen over zijn gemaakt. Schoolbesturen stellen onder andere een MJOP op en doen metingen naar de luchtkwaliteit. Het schoolbestuur is ook verplicht om de Erkende Maatregelenlijsten (EML, Wet 24
Milieubeheer) uit te voeren. Dit gaat over duurzame maatregelen met een terugverdientijd van maximaal 5 jaar. Voor het onderhouden en het uitvoeren van de Erkende Maatregelen zet het schoolbestuur een deel van haar vergoeding vanuit het Rijk in. Deze regeling blijft. Toch vraagt het behalen van de doelstellingen uit het klimaatakkoord en/of belangrijke verbeteringen van het binnenklimaat in bepaalde gevallen om extra maatregelen. Het uitvoeren van die maatregelen hangt onder andere af van de last die wordt ervaren door de gebruikers, maar ook van de nog te verwachten termijn waarop het gebouw in stand gehouden moet worden ten opzichte van de investering die de maatregel kost en de stappen die vanuit de energietransitie worden gezet. Dit vraagt per gebouw dus om maatwerk. In de eerste plaats ligt de verantwoordelijkheid voor de bekostiging van maatregelen bij de schoolbesturen. Daarbij moeten zij zich maximaal inspannen om ook gebruik te maken van subsidies die vanuit Europa, de Rijksoverheid of de provincie worden aangeboden, naast de bekostiging vanuit het gebruik.
Subsidiemogelijkheden De opgave waar we wereldwijd, in Europa, in Nederland en uiteindelijk in Purmerend voor staan als het gaat om verduurzaming is groot. Vanuit verschillende instanties zijn subsidies beschikbaar die deze opgave proberen te ondersteunen. Het is belangrijk om zoveel mogelijk gebruik te maken van de subsidiemogelijkheden die geboden worden vanuit Europa, het Rijk, de provincie en de gemeente zelf. Voorstel in IHP: 13. Bij elk project wordt onderzocht van welke subsidiemogelijkheden gebruik kan worden gemaakt en vervolgens een aanvraag ingediend door het schoolbestuur; 14. De gemeente faciliteert schoolbesturen bij de subsidieverwerving met kennis. De gemeente is bij bestaande schoolgebouwen niet verplicht om te investeren in duurzaamheid en gezondheid. Het (samen met de schoolbesturen) onderzoeken van de mogelijkheden om tot een duurzamer en prettiger schoolgebouw te komen is een bovenwettelijke ambitie om ook in de toekomst aan klimaatdoelstellingen te kunnen voldoen.
25
5. Anticiperen op demografische en stedelijke ontwikkelingen Gemeente Purmerend heeft een flinke woningbouwopgave in het vooruitzicht. Er worden veel nieuwe woningen verwacht tot 2040 in verschillende wijken van met name de kern Purmerend. De verwachting is dat deze nieuwe woningen ook tot groei van het aantal kinderen zal leiden. De woningbouwontwikkelingen zijn verwerkt in de meest recente leerlingenprognoses.
De woningbouwontwikkelingen zitten in verkennings- of ontwerpfase en de woningbouwaantallen kunnen veranderen
Groei van het aantal inwoners betekent ook dat voorzieningen mee gaan groeien, zodat Purmerend meer een complete gemeente wordt. In de economische visie is onderwijs 1 van de pijlers die we willen versterken. We versterken de connectie tussen leren en het bedrijfsleven. Daarnaast is het mbo in Purmerend vertegenwoordigd en dat willen we vasthouden. Tegelijk willen we dat versterken en uitbreiden door ook onderwijs op hbo-niveau aan te bieden. Met name op het gebied van digitalisering en IT liggen er kansen. Daarmee creëren we lange leerlijnen en een breed onderwijsaanbod passend bij een gemeente met in de toekomst 100.000 inwoners.
26
De groei van het aantal leerlingen op gemeenteniveau betekent niet dat in alle dorpen en wijken sprake is van groei. Er is dan ook sprake van verschuiving in de vraag naar kindvoorzieningen en 1 van de opgaven in dit IHP is om de spreiding van kindcentra binnen de gemeente zo passend mogelijk te maken op de lokale behoefte. Tegelijkertijd begrijpen we dat (kleine) veranderingen van leerlingaantallen in dorpen, wijken en op individuele locaties altijd aan de orde zullen zijn. Om in te kunnen spelen op veranderende behoeften, beschrijven we hier een aantal thema’s die belangrijk zijn bij het nadenken over kindcentra; A. Volumeafspraken B. Piekgebouwen C. Modulair bouwen en planologische ruimte D. Tijdelijke huisvesting E. Mobiliteit en verkeersveiligheid
Volumeafspraken Op dit moment zien we groei van het aantal leerlingen op bijna alle scholen. Maar door onder andere belangstelling van ouders, kan het voorkomen dat de ene school ruimte tekort komt, terwijl een andere school ruimte over heeft. Om te voorkomen dat we op basis van de aantrekkingskracht van scholen uitbreidingen moeten realiseren en daarmee tegelijkertijd bouwen voor leegstand, is in de verordening onderwijshuisvesting de mogelijkheid opgenomen om bij een capaciteit behoefte van een school te verwijzen naar leegstaande capaciteit bij een andere school in de buurt. In de praktijk wordt dat vaak niet toegepast omdat scholen dat onwenselijk vinden, of dat de veronderstelde leegstand al wordt ingezet voor bijvoorbeeld kinderopvang. Bij het bepalen van schoolgroottes is het belangrijk dat schoolbesturen sturen op die capaciteit. Een andere manier om de benutting van capaciteit zo efficiënt mogelijk te maken, is dat afspraken worden gemaakt over de maximale capaciteit van scholen, waarbij de totale capaciteit van de portefeuille natuurlijk genoeg aansluit bij het voorziene aantal leerlingen (in een wijk of gebied). Bij het bepalen van die capaciteit dient bijvoorbeeld ook rekening gehouden te worden met een bepaalde ruimteclaim voor IKC-partners.