CConstaterende datPurmerend
Koppel je AI →
Document · PDF

b-bijlage-was-wordt-tabel-apv-en-speelautomatenhallenverordening

Gemeenteraad 27 februari 2025, gemeente PurmerendBij agendapunt: Wijziging Algemene plaatselijke verordening Purmerend 2021 en Wijziging Speelautomatenverordening Purmerend 20123.342 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Was – wordt tabel wijziging Algemene plaatselijke verordening Purmerend 2021 & Speelautomatenhallenverordening Purmerend 2012 Leeswijzer: In de linkerkolom (‘WAS’) staat de bestaande tekst, waarbij de woorden en leestekens die wijzigen cursief zijn gezet en – als het een facultatieve bepaling betreft – eveneens zijn onderstreept (aangezien dan de hele bepaling cursief is i.v.m. het facultatieve karakter). In de rechterkolom (‘WORDT’) staat de nieuwe tekst, waarbij de nieuwe woorden en leestekens vet zijn gedrukt en – als ze al vet waren gedrukt– eveneens zijn onderstreept. Onder de tabel is ook een toelichting opgenomen. Artikel 1:1 Apv (artikel I, onderdeel A, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Artikel 1:1 Definities Bestaande tekst

Artikel 1:1 Definities Nieuwe tekst

- gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;

- gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;

Artikel 2:10 Apv (artikel I, onderdeel B, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan een openbare plaats Bestaande tekst

Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan een openbare plaats Nieuwe tekst

1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een openbare plaats, de openbare weg en het openbaar groen daaronder begrepen, anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan een vergunning worden geweigerd: a. als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de openbare plaats, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de openbare plaats of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare plaats; b. als het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak.

1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een openbare plaats, de openbare weg en het openbaar groen daaronder begrepen, anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan een vergunning worden geweigerd: a. als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de openbare plaats, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de openbare plaats of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare plaats; b. als het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak. 3. Het college kan in de in artikel 1:8 en in het tweede lid van dit artikel genoemde belangen nadere regels stellen ten aanzien van het plaatsen van voorwerpen op of aan een openbare plaats. 4. Het verbod is niet van toepassing op: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24;

3. Het verbod is niet van toepassing op: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24;

b. terrassen als bedoeld in artikel 2:27, tweede lid; c. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17; d. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard; e. door het college aan te wijzen categorieën van voorwerpen; f. beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening; g. werkzaamheden die in opdracht van het college worden verricht.

4. De weigeringsgrond, bedoeld in het tweede lid, onder a, is niet van toepassing als in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. 5. De weigeringsgrond, bedoeld in het tweede lid, onder b, is niet van toepassing op bouwwerken. 6. De weigeringsgrond, bedoeld in het tweede lid, onder c, is niet van toepassing als in de voorkoming van overlast wordt voorzien door de Wet milieubeheer. 7. Op de aanvraag om een vergunning, niet zijnde een omgevingsvergunning, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

b. terrassen als bedoeld in artikel 2:27, tweede lid; c. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17; d. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard; e. door het college aan te wijzen categorieën van voorwerpen; f. beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening; g. werkzaamheden die in opdracht van het college worden verricht. 5. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van het plaatsen van de door het college aangewezen categorieën van voorwerpen op of aan de openbare plaats als bedoeld in lid 4 onder e. 6. De weigeringsgrond, bedoeld in het tweede lid, onder a, is niet van toepassing als in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. 7. De weigeringsgrond, bedoeld in het tweede lid, onder b, is niet van toepassing op bouwwerken. 8. De weigeringsgrond, bedoeld in het tweede lid, onder c, is niet van toepassing als in de voorkoming van overlast wordt voorzien door de Wet milieubeheer. 9. Op de aanvraag om een vergunning, niet zijnde een omgevingsvergunning, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:28 derde lid Apv (artikel I, onderdeel C, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting Bestaande tekst

Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting Nieuwe tekst

3. De burgemeester weigert de vergunning als: - de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan. - de aanvrager geen VOG van zichzelf, en indien hij niet zelf de leidinggevende is met betrekking tot de leidinggevende, overlegt die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag is ingediend, is afgegeven.

3. De burgemeester weigert de vergunning als: - de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan.

2/7

Artikel 2:86 Apv (artikel I, onderdeel D, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Artikel 2:86 Intrekking- en wijzigingsgronden Bestaande tekst

Artikel 2:86 Intrekking- en wijzigingsgronden Nieuwe tekst

1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 trekt de burgemeester een vergunning als bedoeld in het eerste lid van artikel 2:83 in: a. als er in het bedrijf of bij de uitoefening van bedrijfsmatige activiteiten strafbare feiten hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; b. als de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd; of c. op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het eerste lid van artikel 2:83 intrekken of wijzigen als: a. door het bedrijf of de bedrijfsmatige activiteiten de openbare orde of veiligheid wordt aangetast; b. door het bedrijf of de bedrijfsmatige activiteiten de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; c. de exploitant of beheerder niet langer voldoet aan de in artikel 2:84 gestelde eisen; d. de exploitant of leidinggevende(n) bij of krachtens deze verordening gestelde regels niet nakomt; e. de exploitant of leidinggevende(n) betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf dan wel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde of veiligheid nadelig wordt beïnvloed; f.

er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; g. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is.

1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 trekt de burgemeester een vergunning als bedoeld in het eerste lid van artikel 2:83 in: a. als er in het bedrijf of bij de uitoefening van bedrijfsmatige activiteiten strafbare feiten hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; of b. als de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd.

2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het eerste lid van artikel 2:83 intrekken of wijzigen als: a. door het bedrijf of de bedrijfsmatige activiteiten de openbare orde of veiligheid wordt aangetast; b. door het bedrijf of de bedrijfsmatige activiteiten de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; c. de exploitant of beheerder niet langer voldoet aan de in artikel 2:84 gestelde eisen; d. de exploitant of leidinggevende(n) bij of krachtens deze verordening gestelde regels niet nakomt; e. de exploitant of leidinggevende(n) betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf dan wel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde of veiligheid nadelig wordt beïnvloed; f. er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; g. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is; h. op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

3/7

Artikel 5:18 Apv (artikel I, onderdeel E, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden Bestaande tekst

Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden Nieuwe tekst

1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. 2. Het college weigert de vergunning wegens strijd met het omgevingsplan. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd als: a. de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of b. een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang. 4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. 2. Het college weigert de vergunning wegens strijd met het omgevingsplan. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd als: a. de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of b. een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang. 4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. 5. Het college kan in de in artikel 1:8 en in het derde lid van dit artikel genoemde belangen nadere regels stellen over het innemen of hebben van een standplaats als bedoeld in deze afdeling.

Artikel 3 Speelautomatenhallenverordening (artikel II, onderdeel A, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Artikel 3 Over te leggen gegevens Bestaande tekst

Artikel 3 Over te leggen gegevens Nieuwe tekst

De exploitant dient de vergunning aan te vragen onder overlegging van:

De exploitant dient de vergunning aan te vragen onder overlegging van:

a. een nauwkeurige beschrijving van de inrichting, waarbij is opgenomen de oppervlakte daarvan, alsmede een plattegrond waarin is aangegeven op welke plaats in de speelautomatenhal en welk aantal en type speelautomaten worden opgesteld; b. een bewijs van inschrijving van de Kamer van Koophandel; c. een verklaring waaruit blijkt dat hij gerechtigd is over de ruimte te beschikken; d. een verklaring omtrent het gedrag: van de exploitant dan wel, indien de exploitant een rechtspersoon is, van degene(n) die de

a. een nauwkeurige beschrijving van de inrichting, waarbij is opgenomen de oppervlakte daarvan, alsmede een plattegrond waarin is aangegeven op welke plaats in de speelautomatenhal en welk aantal en type speelautomaten worden opgesteld; b. een bewijs van inschrijving van de Kamer van Koophandel; c. een verklaring waaruit blijkt dat hij gerechtigd is over de ruimte te beschikken;

4/7

onderneming krachtens de statuten vertegenwoordigt(en), en van de beheerder; e. een bewijs dat in de speelautomatenhal sprake is van toegangscontrole waarbij de leeftijd als bedoeld in artikel 10 op deugdelijke wijze wordt gecontroleerd; f. een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant in het bezit is van een op grond van de DEKRAen VAN-criteria afgegeven Certificaat Amusementscentra; g. een beleidsplan waarin de exploitant aangeeft op welke wijze zal worden omgegaan met eventuele kansspelverslaving.

d. een bewijs dat in de speelautomatenhal sprake is van toegangscontrole waarbij de leeftijd als bedoeld in artikel 10 op deugdelijke wijze wordt gecontroleerd; e. een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant in het bezit is van een op grond van de DEKRAen VAN-criteria afgegeven Certificaat Amusementscentra; f. een beleidsplan waarin de exploitant aangeeft op welke wijze zal worden omgegaan met eventuele kansspelverslaving.

Artikel 6 lid 1 onder e Speelautomatenhallenverordening (artikel II, onderdeel B, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Artikel 6 Weigeringsgronden vergunning Bestaande tekst

Artikel 6 Weigeringsgronden vergunning Nieuwe tekst

1. De vergunning wordt geweigerd, indien: (…) e. de exploitatie of vestiging van de speelautomatenhal strijd oplevert met het geldende bestemmingsplan.

1. De vergunning wordt geweigerd, indien: (…) e. de exploitatie of vestiging van de speelautomatenhal strijd oplevert met het omgevingsplan.

Artikel 8 Speelautomatenhallenverordening (artikel II, onderdeel C, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Artikel 8 Wijziging beheerder Bestaande tekst

Artikel 8 Wijziging beheerder Nieuwe tekst

1. Indien overeenkomstig artikel 5, tweede lid, in de vergunning vermelde beheerder de hoedanigheid van beheerder heeft verloren, dient de exploitant onder overlegging van de in artikel 3, onder d, genoemde bescheiden een nieuwe vergunning aan te vragen binnen twee weken nadat de in artikel 3 bedoelde verklaring omtrent het gedrag aan hem is verzonden. 2. De vergunning vervalt indien het besluit op een aanvraag voor een nieuwe vergunning voor het vestigen dan wel exploiteren van een speelautomatenhal in hetzelfde pand onherroepelijk is geworden dan wel indien geen aanvraag is ingediend binnen zes maanden na het verlies van de hoedanigheid als bedoeld in het eerste lid.

1. Indien overeenkomstig artikel 5, tweede lid, in de vergunning vermelde beheerder de hoedanigheid van beheerder heeft verloren, dient de exploitant een nieuwe vergunning aan te vragen.

2. De vergunning vervalt indien het besluit op een aanvraag voor een nieuwe vergunning voor het vestigen dan wel exploiteren van een speelautomatenhal in hetzelfde pand onherroepelijk is geworden dan wel indien geen aanvraag is ingediend binnen zes maanden na het verlies van de hoedanigheid als bedoeld in het eerste lid.

5/7

Toelichting Artikelsgewijs Artikel I, onderdeel A (Wijziging Apv artikel 1:1 Definities) Deze wijziging houdt verband met het overhevelen van de definitie van ‘gebouw’ in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving naar de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet (artikel II, onderdeel V, Verzamelbesluit Omgevingswet, Stb. 2023, 298, resp. artikel I, onderdeel CW van de Verzamelwet Omgevingswet 20.., Stb. 2023, 376). Inhoudelijk is de definitie niet gewijzigd. Artikel I, onderdeel B (Wijziging Apv artikel 2:10 Voorwerpen op of aan een openbare plaats) Vanuit de praktijk is, naast de door de VNG voorgestelde wijzigingen, behoefte om artikel 2:10 Apv te wijzigen. Deze wijziging zorgt ervoor dat het college bevoegd is om nadere regels te stellen. Op grond van het derde lid onder e is het college al bevoegd om categorieën van voorwerpen aan te wijzen die niet onder de vergunningplicht vallen. Dit betreft dus een aanwijzingsbevoegdheid. Het is gewenst om hieraan de bevoegdheid toe te voegen om ook inhoudelijk regels dan wel voorwaarden te kunnen stellen. Het gaat in ieder geval om het vergunningvrij mogen plaatsen van gedenktekens. Dit is mogelijk onder voorwaarden. Ook gaat het om het opladen van elektrische auto’s vanaf de openbare plaats. De laadkabel is een voorwerp als bedoeld in artikel 2:10 waar strikt genomen een vergunningplicht voor geldt.

Van inwoners ontvangen we regelmatig vragen over de regels die gelden voor het opladen van elektrische auto’s vanaf de openbare weg. In het kader van lastenverlichting is het wenselijk om het opladen van elektrische auto’s vanaf de openbare plaats onder voorwaarden vergunningvrij toe te staan. De nieuwe artikelleden zorgen ervoor dat het college hier nu nadere regels over kan stellen. Artikel I, onderdeel C (Wijziging Apv artikel 2:28 derde lid Exploitatie openbare inrichting) Artikel 2:28 gaat over het exploiteren van een openbare inrichting, zoals een restaurant of café. Hier is een vergunning voor nodig. In het kader van de verplichte lastenverlichting voor ondernemers en burgers hebben overheidsinstanties de plicht om gegevens waartoe ze zelf toegang hebben zelf te verzamelen. De overheid mag deze gegevens niet (meer) aan aanvragers opvragen. Tijdens vergunningsaanvragen hebben we onder andere toegang tot databanken met informatie over het levensgedrag van een aanvrager of betrokkene. Tot voor kort vroegen we deze informatie bij een aanvrager op, met een VOG. De informatie die op de VOG staat is minder compleet dan de informatie die we zelf op kunnen vragen. Daarom kan de eis om verplicht een VOG aan te leveren komen te vervallen.

Mocht blijken dat de exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is, dan kan de burgemeester op grond van lid 4 de vergunning weigeren. Artikel I, onderdeel D (Wijziging Apv artikel 2:86 Intrekking- en wijzigingsgronden) Artikel 2:86 gaat over de intrekkings- en wijzigingsgronden van een vergunning op grond van artikel 2:83. Het gaat dan om een vergunningplicht voor aangewezen bedrijfsmatige activiteiten. Deze activiteiten zijn op dit moment overigens nog niet aangewezen. Dit neemt niet weg dat de artikelen wel in overeenstemming dienen te zijn met de wet- en regelgeving. In dit verband dient lid 1 onder c van artikel 2:86 aangepast te worden. Op dit moment is deze intrekkingsgrond een (dwingend) vereiste. Deze bepaling gaat vanwege het dwingende karakter echter verder dan artikel 7 van de Wet Bibob. Laatstgenoemde bepaling is namelijk als ‘kan-bepaling’ geformuleerd. Daarom dient de bepaling in de Apv hierop aangepast te worden. Dit regelt het nieuwe artikel 2:86 lid 2 onder h. Artikel I, onderdeel E (Wijziging Apv artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden) Deze wijziging zorgt ervoor dat het college bevoegd is om nadere regels te stellen over het innemen of hebben van een standplaats. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om de locaties, tijden en het maximum aantal standplaatsen.

Voorheen waren deze regels opgenomen in het ‘’standplaatsenbeleid’’ van de gemeente. Dit beleid zal op korte termijn geactualiseerd worden en daar is deze bevoegdheid voor nodig.

6/7

Artikel II, onderdeel A (Wijziging Speelautomatenhallenverordening artikel 3 (artikel II, onderdeel A, van het wijzigingsbesluit) In het kader van de verplichte lastenverlichting voor ondernemers en burgers hebben overheidsinstanties de plicht om gegevens waartoe ze zelf toegang hebben zelf te verzamelen. De overheid mag deze gegevens niet (meer) aan aanvragers opvragen. Tijdens vergunningsaanvragen hebben we onder andere toegang tot databanken met informatie over het levensgedrag van een aanvrager of betrokkene. Tot voor kort vroegen we deze informatie bij een aanvrager op, met een VOG. De informatie die op de VOG staat is minder compleet dan de informatie die we zelf op kunnen vragen. Daarom kan, net zoals bij de Apv exploitatievergunning, de eis om verplicht een VOG aan te leveren bij in dit geval een vergunning voor een speelautomatenhal komen te vervallen. Mocht blijken dat de exploitant in enig opzicht van slecht levensgedrag is, dan kan de burgemeester op grond van artikel 5 de vergunning weigeren. Artikel II, onderdeel B (Wijziging Speelautomatenhallenverordening artikel 6 lid 1 onder e (artikel II, onderdeel A, van het wijzigingsbesluit) Het gaat hier om een noodzakelijke wijziging als gevolg van de komst van de Omgevingswet.

Artikel II, onderdeel C (Wijziging Speelautomatenhallenverordening artikel 8 (artikel II, onderdeel A, van het wijzigingsbesluit) Deze aanpassing is noodzakelijk vanwege de wijziging van artikel 3.

7/7

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15101198/1