CConstaterende datPurmerend
Koppel je AI →
Document · PDF

B bijlage-1-toelichting-en-regels-bp-Purmerenderweg-34-GEWIJZIGD

Gemeenteraad 28 maart 2024, gemeente PurmerendBij agendapunt: Bestemmingsplan Purmerenderweg 34 Zuidoostbeemster - 202324.248 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan Purmerenderweg 34 ZOB - 2023 Zuidoostbeemster, gemeente Purmerend

Planstatus:

concept ontwerp

Identificatiecode:

NL.IMRO.0493.BPPURMWEG34ZOB2023-on01

Datum:

19 maart 2024

Contactpersoon Plannen-makers: Kenmerk Plannen-makers:

PM21031

Opdrachtgever:

Architectenbureau Ruben Wennekers

Plannen-makers Europalaan 500 3526 KS Utrecht www.plannen-makers.nl BTW id: NL863445639B01 KvK nummer: 84970502

Pagina 2 Bestemmingsplan Purmerenderweg 34 – ZOB

Inhoudsopgave 1

Inleiding ......................................................................................................................... 4 Aanleiding en doelstelling ........................................................................................................ 4 Leeswijzer ................................................................................................................................ 4

2

Het plan ......................................................................................................................... 5 Ligging van het plangebied ...................................................................................................... 5 Beschrijving plan...................................................................................................................... 6 Beeldkwaliteit ........................................................................................................................... 8

3

Beleidsmatige onderbouwing .....................................................................................10 Rijksbeleid ............................................................................................................................. 10 Provinciaal en Regionaal beleid ............................................................................................ 11 Gemeentelijk beleid ............................................................................................................... 19

4

Milieutechnische uitvoerbaarheid...............................................................................20 Bedrijven en milieuzonering .................................................................................................. 20 Geluidhinder .......................................................................................................................... 21 Natuurbescherming ............................................................................................................... 21 Erfgoed .................................................................................................................................. 24 Bodemkwaliteit....................................................................................................................... 24 Luchtkwaliteit ......................................................................................................................... 25 Externe Veiligheid .................................................................................................................. 27 Waterbeheer .......................................................................................................................... 29 Verkeer en parkeren ..............................................................................................................

30 Besluit Milieueffectrapportage ............................................................................................... 30

5

Juridische planbeschrijving ........................................................................................33 Plansystematiek..................................................................................................................... 33 Opzet van de regels .............................................................................................................. 33 De bestemmingen.................................................................................................................. 34

6

Maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid .................................................35 Economische uitvoerbaarheid ............................................................................................... 35 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ......................................................................................... 35

7

Bijlagen .........................................................................................................................36

Pagina 3 Bestemmingsplan Purmerenderweg 34 – ZOB

1 Inleiding Aanleiding en doelstelling Aan de Purmerenderweg 34 te Zuidoostbeemster ligt een agrarisch perceel met agrarische bedrijfswoning en andere bedrijfsgebouwen. Op het perceel wordt een nieuwe burgerwoning beoogd. De bestaande woning en bebouwing zal gesloopt worden en op het bestaande perceel zal een nieuwe stolpboerderij gerealiseerd worden. Het vigerende bestemmingsplan Buitengebied Beemster 2012 - Partiële herziening 2021 (vastgesteld 26-10-2021) staat deze ontwikkeling echter niet toe vanwege de op het plangebied geldende enkelbestemming ‘Agrarisch - Glastuinbouw’. Binnen het bestemmingsvlak is één bedrijfswoning toegestaan. Het beoogde plan om een reguliere woning, dat geen onderdeel is van het agrarisch bedrijf, is, mogelijk te maken past niet binnen de bestemming. Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken dient een nieuw bestemmingsplan opgesteld te worden. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hier in.

Leeswijzer Voorliggend bestemmingsplan bestaat naast deze inleiding uit een beschrijving van het beoogde plan in hoofdstuk 2. In hoofdstuk 3 wordt verantwoord waarom het plan past binnen het beleid van de gemeente. In hoofdstuk 4 wordt de milieutechnische uitvoerbaarheid van het plan toegelicht. Tot slot wordt in hoofdstuk 5 de maatschappelijk en economische uitvoerbaarheid toegelicht.

Pagina 4 Bestemmingsplan Purmerenderweg 34 – ZOB

2 Het plan Ligging van het plangebied Het plangebied is gelegen aan de Purmerenderweg in Zuidoostbeemster. Zuidoostbeemster is tegen Purmerend aangelegen.

Figuur 1. Uitsnede luchtfoto, plangebied nabij pijl. (Bron: Google Earth)

Figuur 2. Uitsnede luchtfoto; plangebied nabij pijl. (Bron: Google Earth)

Het plangebied wordt omringd door agrarische gronden en glastuinbouw, met verspreid wat woningen en tuinen. Het plangebied is kadastraal bekend als Gemeente Beemster, Sectie D, Nummer 3735. Het perceel heeft een oppervlak van ruim 2,4 ha., waarbij het bouwvlak ongeveer 3000 m2 betreft.

Pagina 5 Bestemmingsplan Purmerenderweg 34 – ZOB

Figuur 3. Informatie perceel en perceelsgrenzen. (Bron: perceelloep.nl)

Beschrijving plan Het plan bestaat uit de sloop van de bestaande woning en de bouw van een nieuwe stolpwoning op het perceel. De in verval geraakte bedrijfsbebouwing zal worden gesloopt. Onderstaande beschrijving betreft een ontwerpprincipe. Het definitieve plan zal uitgewerkt worden in de later op te stellen omgevingsvergunning voor het bouwen. De stolpwoning heeft de onderstaande kenmerken: - Het grondoppervlakte zal groter zijn dan 225 m² en niet groter dan 400 m². In het huidige plan is het grondvlak van de stolp 16,5 x 15 meter. - De dakhelling zal tussen 45 en 52 graden zijn. Het huidige voorstel is 50 graden. - De stolp één pronkgevelkrijgen die gericht is op het Snoekerlaantje. In de laatste bevindt zich de hoofdentree. - In het achtererfgebied wordt de stolp, binnen de traditie van stolpbouw van de Beemster, voorzien van een staartstuk. - Parkeren zal op eigen terrein plaatsvinden op het achtererf achter de bebouwing. Kernwaarden Beemstererf Een belangrijk uitgangspunt voor kwalitatieve uitwerking van ruimtelijke ontwikkelingen is de provinciale Leidraad Landschap en Cultuurhistorie met daarin de kernwaarden van een Beemstererf. Onderstaand is verwoord hoe hieraan voldaan wordt. -

-

Het karakteristieke Beemstererf is vierkant (uitgezonderd de erven direct aan de ringdijk) en heeft een afmeting van 90x90 meter. De gemiddelde erfgrenssloot is 3m breed; In de bestaande situatie is aan de westzijde van het perceel een sloot aanwezig. Dit is een doorgaande sloot met een vaste afmeting. Het is logisch om de bestaande afmeting te handhaven conform de rest van de sloot. De randen van het erf zijn beplant met bomenrijen, hakhoutbosjes of hagen. Voor een meer gedetailleerde benaming van de erfscheidingen wordt verwezen naar figuur 7. De gebouwen op het erf hebben de bouwvorm van een stolp (zuiver vierkant) en hoofd- en bijgebouwen liggen evenwijdig aan de verkaveling; De vorm van de stolp in voorliggend ontwerp sluit aan bij het idee van een zuiver vierkant. Vanuit historisch oogpunt bestaat een stolp vrijwel nooit uit een zuiver vierkant, vaak is de diepte van de stolp circa 1 meter meer dan de breedte. Door deze verhouding ontstaat de karakteristieke dakvorm met een nok van 1 tot 2 meter breedte. In dit plan is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij een zuiver vierkant. Om op deze locatie tot een passend architectonisch beeld te komen is ervoor gezorgd dat de diepte en breedte niet meer dan 10% verschillen, waardoor de karakteristieke stolpvorm gehandhaafd blijft. Het ontwerp voldoet daarmee aan dit punt.

Pagina 6 Bestemmingsplan Purmerenderweg 34 – ZOB

-

Stolpen liggen georiënteerd op de weg (Snoekerlaantje) met de pronkgevel en op circa één stolpmaat afstand van de weg; In dit ontwerp is de pronkgevel georiënteerd op het Snoekerlaantje, met circa één stolpmaat afstand op de weg, zie afbeelding 4 hieronder. De beplanting is streekeigen. De beplanting op het erf is streekeigen, zie hiervoor het beplantingsplan zoals opgenomen in afbeelding 7 van deze ruimtelijke onderbouwing.

Figuur 4. Overzicht van bestaande en principeschets van de nieuwe situatie. (Bron: Architectenbureau Ruben Wennekers)

Figuur 5. Plattegrond van de woning, verdeeld over drie woonlagen. (Bron: Architectenbureau Ruben Wennekers)

Figuur 6. Dwarsdoorsnedes van de stolpwoning. (Bron: Architectenbureau Ruben Wennekers)

Pagina 7 Bestemmingsplan Purmerenderweg 34 – ZOB

Beeldkwaliteit De keuze voor een stolpwoning is in lijn met de bebouwingstraditie van de Beemster. Zoals hiervoor beschreven betreft de uitwerking van de woning een principevoorstel. De definitieve uitwerking volgt als onderdeel van de omgevingsvergunning voor het bouwen. De omgevingsvergunning is ook het moment dat het plan wordt beoordeeld aan de redelijke eisen van welstand. -

De duurzame nieuwbouwwoning zal worden voorzien van een hoogwaardige eigentijdse materialisering en detaillering. De stolp zal een primaire pronkgevel met risaliet krijgen gericht het Snoekerlaantje. In deze pronkgevel komt de hoofdentree.

Figuur 7. Impressiebeeld van de stolpwoning. (Bron: Architectenbureau Ruben Wennekers)

Een impressiebeeld van de stolpwoning is te zien in figuur 7. In figuur 8 is de landschappelijke inpassing te zien.

Pagina 8 Bestemmingsplan Purmerenderweg 34 – ZOB

Figuur 8. Landschappelijke inpassing van het planvoornemen. (Bron: Architectenbureau Ruben Wennekers)

Pagina 9 Bestemmingsplan Purmerenderweg 34 – ZOB

3 Beleidsmatige onderbouwing In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van het geldende beleidskader dat relevant is voor het plangebied. Paragraaf 3.1 belicht het rijksbeleid. Het provinciaal/regionaal beleid wordt weergegeven in paragraaf 3.2 en het gemeentelijk beleid in paragraaf 3.3.

Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie (NOVI), vastgesteld op 11 september 2020, is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. De NOVI maakt bij het maken van keuzes gebruik van drie afwegingsprincipes: 1) Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies, 2) Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal, en 3) Afwentelen wordt voorkomen. Planspecifiek De ontwikkeling bevindt zich in Zuidoostbeemster tegen de rand van Purmerend. De hierboven genoemde ambitie uit de NOVI om de omgevingskwaliteit te versterken wordt in voorliggend plan concreet gemaakt. De locatie wordt getransformeerd naar een woningbestemming met behoud en uitbreiding van natuurlijke waarden. De bestaande bedrijfswoning en vervallen bedrijfsbebouwing op het perceel worden gesloopt. De beeldkwaliteit van de planlocatie wordt met een duidelijke kwalitatiever referentie naar het gebied door het realiseren van een stolpboerderij versterkt. Verder heeft het plan beperkt raakvlak met het Rijksbeleid, maar sluit desalniettemin aan op het beleid in de NOVI.

3.1.2 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en Ladder voor duurzame verstedelijking Op 1 oktober 2012 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd en is de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ hieraan toegevoegd. Overheden dienen op grond van het gewijzigde Bro nieuwe stedelijke ontwikkelingen te motiveren om tot een zorgvuldige ruimtelijke afweging en inpassing van die nieuwe ontwikkeling te komen. Een zorgvuldige benutting van de beschikbare ruimte voor verschillende functies vraagt om een goede onderbouwing van nut en noodzaak van een nieuwe stedelijke ruimtevraag en een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling. De ladder voor duurzame verstedelijking is verankerd in artikel 3.1.6 van het Bro. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. In de nieuwe systematiek worden de huidige definities niet gewijzigd. Ten aanzien van de “treden” van de Ladder zijn er wel wijzigingen: in de nieuwe Ladder zijn de treden 1 en 2 samengevoegd en trede 3 is geschrapt, waardoor er geen sprake meer is van verschillende treden. In artikel 1.1.1 Bro worden relevante begrippen gedefinieerd. Een woningbouwontwikkeling valt onder de definitie van stedelijke ontwikkeling als deze groter is dan 12 woningen.

De Ladder stelt dat voldaan wordt aan de Ladder als de woningbouwontwikkeling voorziet in een behoefte en gepland is binnen bestaand stedelijk gebied. Planspecifiek Voorliggend plan voorziet in de behoefte aan grondgebonden woningen. In de metropoolregio Amsterdam (MRA), waar de Zuidoostbeemster onderdeel vanuit maakt, blijft de woningbehoefte hoog.

Pagina 10 Bestemmingsplan Purmerenderweg 34 – ZOB

Dit wordt ook geconcludeerd in het onderzoek ‘Wonen in de Metropoolregio Amsterdam 2019 in perspectief’. Een paar conclusies uit dit onderzoek luiden: •

•

Het woningtekort in de MRA is groot, met name in sociale- en middenhuur en koopsector tot €409.000. Dit tekort is opgelopen ten opzichte van 2017. De mogelijkheden voor huishoudens met een laag- of middeninkomen op de woningmarkt zijn daarmee kleiner geworden. Er zijn veel huishoudens in de MRA die behoefte hebben aan een ruimere woning (vooral gezinnen) en daar ook geld voor beschikbaar hebben. In Amsterdam, en in mindere mate ook in de andere delen van de MRA, wordt die moeilijk gevonden en inmiddels verliest de MRA als geheel gezinnen aan de rest van Nederland.

Voorliggend plan draagt bij aan het realiseren van een ruime gezinswoning, daarmee draagt het plan bij aan het tegemoetkomen van deze doelgroep binnen de MRA.

Provinciaal en Regionaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie NH2050 - Balans tussen economische groei en leefbaarheid De Omgevingsvisie NH2050 – “Balans tussen economische groei en leefbaarheid” is de opvolger van de Structuurvisie 2040 uit 2010. De Omgevingsvisie is op 19-11-2018 door Provinciale Staten van de provincie Noord-Holland vastgesteld. De Omgevingsvisie is een van de kerninstrumenten van de Omgevingswet. De Omgevingswet integreert een groot deel van de wetgeving op het gebied van ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. De huidige wettelijk verplichte provinciale plannen (Structuurvisie, het Provinciaal Verkeer- en Vervoerplan, het Milieubeleidsplan en de Watervisie) komen te vervallen en gaan op in één integrale omgevingsvisie voor de fysieke leefomgeving met onderliggende programma’s. In de Omgevingsvisie legt de provincie vast welke provinciale belangen een rol spelen bij de ruimtelijke ordening. De visie dient als leidraad voor de manier waarop de ruimte zich de komende dertig jaar zou moeten ontwikkelen. De Omgevingsvisie NH2050 is in co-creatie tot stand gekomen met continue inbreng van een groot aantal partijen, professionals en inwoners. Sturingsfilosofie De provincie hanteert het principe ‘lokaal wat kan, regionaal wat moet’. De opgave bepaalt het schaalniveau, de samenstelling van samenwerkende partijen en de tijdspanne.

De provincie is terughoudend met het opstellen van regels. Hoofdambitie De hoofdambitie zoals die geformuleerd is in de Omgevingsvisie NH2050 is tot een balans te komen tussen economische groei en leefbaarheid. Een economisch vitale provincie draagt bij aan het welzijn, en een leefbare provincie draagt bij aan economische vitaliteit. Dit evenwicht staat ten dienste van duurzame ontwikkeling: toekomstige generaties moeten ook profiteren van de keuzes die gemaakt worden. De provincie zet met deze visie een richting uit om houvast te bieden naar de toekomst. Die richting bestaat uit het benoemen van een aantal bewegingen naar de toekomst, ontwikkelprincipes en waar nodig randvoorwaarden en regels. In de visie zijn 5 bewegingen met ontwikkelprincipes beschreven voor de ontwikkeling van de leefomgeving. 1. Dynamisch schiereiland. Hierin is het benutten van de unieke ligging van Noord-Holland, te midden van water, leidend. 2. Metropool in ontwikkeling. Hierin wordt beschreven hoe de Metropoolregio Amsterdam steeds meer als één stad functioneert. 3. Sterke kernen, sterke regio’s, gaat over de ontwikkeling van centrumgemeenten die de gehele regio waarin ze liggen vitaal houden. Pagina 11 Bestemmingsplan Purmerenderweg 34 – ZOB

4. Nieuwe energie, benut de economische kansen van de energietransitie. 5. Natuurlijk en vitaal landelijke omgeving, staan het ontwikkelen van natuurwaarden en een economisch duurzame agrarische sector centraal. Planspecifiek In de digitale versie van de Omgevingsvisie zijn diverse kaarten opgenomen gebaseerd op ‘bewegingen voor ontwikkelingen’: dynamisch schiereiland, metropool in ontwikkeling, sterke kernen & sterke regio’s, nieuwe energie en natuurlijk & vitaal landelijke omgeving. Door in de interactieve kaart op het plangebied te klikken wordt aangegeven wat het relevante beleid is uit de Omgevingsvisie NH2050 voor het plangebied. Leefomgevingskwaliteit Algemeen wordt gesteld dat overal wordt voldaan aan de wettelijk basiskwaliteit voor een gezonde en veilige leefomgeving voor mens, plan en dier. Dit betekent voor het plangebied: 1. Ontwikkelingen en beheer zijn passend bij de waarden, de karakteristieken en het draagvermogen van het landschap. 2. Nieuwe ontwikkelingen zijn zo veel mogelijk natuurinclusief. 3. Nieuwe ruimtelijk-economische ontwikkelingen worden zo veel mogelijk ruimtelijk geclusterd op locaties nabij OV-, weg-, energie- en data-knooppunten. 4. Bij nieuwe ontwikkelingen worden de effecten op de ondergrond meegewogen. Voorliggend plan bevindt zich in het buitengebied en sluit aan op de bestaande infrastructuur.

De woning worden energiezuinig gebouwd volgens de meest recente Bouwbesluit. Beweging 1: Dynamisch schiereiland Het plangebied ligt niet nabij kust- of dijkgebied. De voorwaarden van dynamisch schiereiland zijn daarom niet van invloed op voorgenomen planontwikkeling. Beweging 2: Metropool in ontwikkeling Het plangebied bevindt zich in de invloedssfeer van de metropool Amsterdam. Dit betekent voor het plangebied: 8. Wonen en werken worden zoveel mogelijk binnenstedelijk gerealiseerd en geconcentreerd. 9. Om de groei van het verkeer in goede banen te leiden moet worden geïnvesteerd in alle verkeersnetwerken, het regionaal OV en fietsnetwerk en auto, waarbij de grotere behoefte aan ruimte voor regionaal verkeer boven interregionaal en doorgaand verkeer wordt gefaciliteerd. 10. Versterken van het landschap als onderdeel van het metropolitaan systeem. 8-10: Voorliggende plan ligt niet in bestaand stedelijk gebied. Het gaat hier echter om vervangende nieuwbouw. Er wordt geen bebouwing in het buitengebied toegevoegd. Beweging 3: Sterke kernen, sterke regio’s Het plangebied ligt niet rondom Hilversum of in het noordelijke deel van Noord-Holland waarop deze beweging van toepassing is. De voorwaarden van Sterke kernen – sterke regio’s zijn daarom niet van invloed op voorgenomen planontwikkeling. Beweging 4: Nieuwe energie Voor heel Noord-Holland is de ambitie dat: 14.

De regionale optimale energiemix voor opwekking van hernieuwbare energie in de ondergrond, op de bovengrond en in de bebouwde omgeving past bij de regionale landschappelijke en gebiedskwaliteiten en de economische kansen. 15. Vraag en aanbod van hernieuwbare energie wordt zodanig gebundeld dat sprake is van efficiënte benutting van bestaande en nieuwe energie-infrastructuur en van restwarmte. Pagina 12 Bestemmingsplan Purmerenderweg 34 – ZOB

In voorliggend plan wordt de woning energiezuinig gebouwd. De volgende maatregelen worden doorgevoerd: De woning zal voldoen aan de BENG eisen, de nieuwe energieprestatie-eisen die vanaf 1 januari 2021 gelden voor nieuwbouw. Beweging 5: Natuurlijk en vitaal landelijke omgeving Voor heel Noord-Holland gelden de ambities: 18. De agrifoodsector wordt gefaciliteerd bij de duurzame en economische ontwikkeling. 19. Natuurlijke processen zijn richtinggevend voor inrichting en beheer van nieuwe en bestaande natuurgebieden. 20. Om een robuust ecosysteem te realiseren worden verbindingen tussen natuurgebieden verbeterd en functies slim gepositioneerd. Voorgenomen planontwikkeling vindt plaats in een buitengebied omringd door agrarische gronden. Een deel van de bedrijfsbebouwing wordt gesloopt en tuin komt ervoor in de plaats. Daarmee worden een deel van de ambities van de provincie op het vlak van de landelijke omgeving ingevuld. 3.2.2 Omgevingsverordening Noord-Holland Op 22 oktober 2020 hebben de Provinciale Staten de Omgevingsverordening NH2020 vastgesteld. De Omgevingsverordening NH2020 geldt vanaf 17 november 2020 en vervangt alle bestaande verordeningen die betrekking hebben op de leefomgeving, zoals de Provinciale Ruimtelijke Verordening, de Provinciale Milieuverordening, de Waterverordeningen en de Wegenverordening.

In de Omgevingsverordening NH2020 zijn regels samengevoegd op het gebied van natuur, milieu, mobiliteit, erfgoed, ruimte en water. Hierdoor is het makkelijker geworden om te zien welke regels waar gelden. De provincie wil met de omgevingsverordening ontwikkelingen, zoals woningbouw en de energietransitie, mogelijk maken en zet in op het beschermen van mooie en bijzondere gebieden in Noord-Holland. We zoeken naar een evenwichtige balans tussen economische groei en leefbaarheid. De belangrijkste belangrijke ambities voor Noord-Holland, zoals omschreven in de Omgevingsvisie, zijn verankerd in de nieuwe Omgevingsverordening Noord-Holland. Planspecifiek De Omgevingsverordening is middels een kaartviewer in te zien waardoor zichtbaar wordt welk beleid (welke artikelen) van toepassing zijn. Voor voorliggend plan zijn de relevante aanduidingen bodemsanering (art 4.44), het MRA landelijk gebied (art 6.9), ruimtelijke kwaliteitseis ingeval van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling in het landelijk gebied (art. 6.59), beschermingszone regionale waterkering (art. 6.77) en peilbesluit (art 6.84). Artikel 6.9, lid 1 luidt als volgt: Een ruimtelijk plan kan ter plaatse van het werkingsgebied MRA landelijk gebied niet voorzien in een kleinschalige woningbouwontwikkeling. In het derde lid is een afwijkingsmogelijkheid van het eerste lid opgenomen.

Artikel 6.9 lid 3 luidt: In afwijking van het eerste lid kan een ruimtelijk plan voorzien in functiewijziging van een agrarisch bouwperceel naar wonen in de vorm van maximaal twee burgerwoningen, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden. Het huidige agrarische bouwperceel ondergaat een beoogde functiewijziging naar wonen met het planvoornemen. In navolgende tabel wordt per voorwaarde aangegeven op welke manier het planvoornemen daaraan voldoet.

Pagina 13 Bestemmingsplan Purmerenderweg 34 – ZOB

Lid 3 a

Voorwaarde ter plaatse van het bestaande agrarisch bouwperceel is ten minste één bedrijfswoning planologisch toegestaan

b

de functiewijziging naar een woonfunctie beperkt de bedrijfsvoering en de ontwikkelingsmogelijkheden van omringende agrarische bedrijven niet

c

de bestaande bedrijfsbebouwing op de overige gronden wordt gesloopt en aan deze gronden wordt een bestemming toegekend zonder bouwmogelijkheden

d

een tweede burgerwoning is alleen mogelijk als meer dan 1.000 m² grondoppervlakte aan bestaande bedrijfsbebouwing op het bestemmingsvlak wordt gesloopt

Argumentatie Het huidige perceel bevat op basis van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Beemster 2012 - Partiële herziening 2021’, artikel 4.2.2 lid b al de mogelijkheid om één bedrijfswoning te bouwen. Hierdoor is één bedrijfswoning al planologisch toegestaan. In paragraaf 4.1 is verantwoord dat omliggende bedrijven niet beperkt worden in hun bedrijfsvoering door de beoogde woonfunctie. Daarnaast worden zij door de woonfunctie niet beperkt in hun ontwikkelingsmogelijkheden. Met het planvoornemen wordt de bestaande bedrijfsbebouwing gesloopt. In de planregels is geborgd dat op de gronden die met Tuin bestemd zijn geen bouwmogelijkheden bevatten. Met het plan wordt één burgerwoning mogelijk gemaakt, waardoor deze voorwaarde in lid 3 sub d van artikel 6.9 niet in zijn belangen wordt geschaad.

Op basis van bovenstaande tabel kan worden beargumenteerd dat het planvoornemen aan de gestelde voorwaarden uit artikel 6.9 lid 3 sub a tot en met d voldoen. Naast dit artikel betreffen het algemeen geldende regels die in het volgende hoofdstuk over milieutechnische uitvoerbaarheid nader verantwoord worden. De planlocatie is tevens gelegen in gebied dat aangeduid is met ‘Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde’. Het gaat hier om een aanduiding vanwege de ligging in de Beemster en de Stelling van Amsterdam. Voor deze gebieden zijn kernkwaliteiten benoemd. Een nieuwe ontwikkeling mag geen aantasting van de kernkwaliteiten inhouden (art. 6.49).

Pagina 14 Bestemmingsplan Purmerenderweg 34 – ZOB

Figuur 9.Uitsnede provinciale omgevingsverordening NH2020

De kernkwaliteiten van de Beemster zijn: 1. Het unieke, samenhangende en goed bewaard gebleven, vroeg zeventiende-eeuwse (landschaps)architectonische geheel van de droogmakerij De Beemster, bestaande uit: – het vierkante gridpatroon van wegen en waterlopen en rechthoekige percelen; – de ringdijk en ringvaart (continuïteit en eenheid in vormgeving); – het centraal gelegen dorp (Middenbeemster) op een assenkruis van wegen; – bebouwing langs de wegen; – de relatief hooggelegen wegen met laanbeplanting; – de monumentale en typerende (stolp)boerderijen en restanten van buitens; – de oude negentiende-eeuwse gemalen en molengangen; – de structuur en het karakter van het (beschermde) dorpsgezicht van Middenbeemster; 2. Grote openheid; 3. Voor zover het werelderfgoed De Beemster samenvalt met het werelderfgoed De Stelling van Amsterdam, zijn de uitgewerkte universele waarden van het werelderfgoed De Stelling van Amsterdam tevens van toepassing op het werelderfgoed De Beemster.

Het plan betreft vervangende nieuwbouw van een woning. De nieuwbouw wordt een stolpboerderij dat refereert aan het historische karakter van het gebied en dat ook als specifieke kernkwaliteit benoemd wordt. Daarnaast wordt veel bestaande en vervallen bedrijfsbebouwing gesloopt waar minder bouwvolume en lagere erfbebouwing voor terugkomt. Het plan sluit derhalve aan op het culturele werelderfgoed en vormt geen aantasting van de nu aanwezige kernwaarden. Het plangebied is eveneens gelegen in de Stelling van Amsterdam. 1. Het unieke, samenhangende en goed bewaard gebleven, laatnegentiende-eeuwse en vroegtwintigste-eeuwse hydrologische en militair-landschappelijke geheel, bestaande uit: – een doorgaand stelsel van liniedijken in een grote ring om Amsterdam;

Pagina 15 Bestemmingsplan Purmerenderweg 34 – ZOB

– sluizen en voor- en achterkanalen; – de forten, liggend op regelmatige afstand, voornamelijk langs dijken; – inundatiegebieden; – voormalige schootsvelden (visueel open) en verboden kringen (merendeels onbebouwd gebied); – de landschappelijke inpassing en slechte zichtbaarheid van de voormalige militaire objecten; 2. Relatief grote openheid; 3. Groene en relatief stille ring rond Amsterdam.

Voor de Stelling van Amsterdam geldt hetzelfde als voor de Beemster, het plan sluit aan op de landschappelijke inrichting zoals die in het verleden toegepast werd in het gebied. Voorts is het plan is gelegen in de schootscirkel van de stelling van Amsterdam. In de huidige situatie is echter middels een agrarisch bouwvlak op de locatie al een agrarische bedrijfswoning met agrarische bedrijfsbestemming toegestaan. Voorliggend plan houdt de bouw van een reguliere woning in de vorm van een stolpboerderij in. Het bebouwingsoppervlak wordt daarmee gereduceerd. De aantasting van de bebouwing binnen de schootscirkel wordt daarmee minder groot door dit plan. De bestaande agrarische bedrijfsbebouwing wordt verwijderd, waardoor het plangebied een minder onordelijk karakter krijgt. Tot slot zijn direct om de voormalige boerderij allemaal kassen gebouwd in het schootsveld. Het schootsveld kent daarmee al geen volledig open beeld. Leidraad Landschap en Cultuurhistorie De Leidraad Landschap en Cultuurhistorie beschrijft de provinciale belangen ten aanzien van landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Voorliggend plan bevindt zich in de Beemster. Met de bouw van een stolpboerderij op een vierkant erf wordt aangesloten op het cultuurhistorische karakter. Het vierkante erf past ook in het landschappelijke karakter van de Beemster.

In het achtererfgebied wordt de stolp, binnen de traditie van stolpbouw van de Beemster, voorzien van een staartstuk. De rand van het erf wordt beplant met een bomenrij, een typisch kenmerk van een Beemstererf. In hoofdstuk 2.2 wordt ingegaan op hoe voldaan wordt aan de kernwaarden van het Beemstererfprincipe. Gezien bovenstaande argumenten vormt het plan geen aantasting van de nu aanwezige kernwaarden. Vanuit de verordening volgen geen andere aanduidingen die randvoorwaarden geven voor het plan. 3.2.3 Woonagenda provincie Noord-Holland 2020-2025 De Woonagenda is de uitvoeringsagenda van het woonbeleid van de provincie Noord-Holland voor de komende vijf jaar. De Woonagenda volgt uit en past binnen de randvoorwaarden van het provinciaal ruimtelijk beleid, zoals beschreven in de provinciale Omgevingsvisie NH2050 en het coalitieakkoord ‘Duurzaam doorpakken’. Vanuit het provinciaal én regionaal belang dat de woningmarkt goed functioneert en het wonen optimaal bijdraagt aan het versterken van de kwaliteiten van Noord-Holland, maakt deze agenda de inzet en bijdrage van de provincie daaraan concreet. De algemene doelstelling in de woonagenda is: ‘De provincie Noord-Holland wil zorgen voor voldoende betaalbare, duurzame en toekomstbestendige woningen voor alle doelgroepen’. Dit is vervolgens uitgewerkt in speerpunten, richtinggevende principes en actiepunten: Speerpunten: 1.

Een woning voor iedereen: a. Adaptief en vraaggestuurd programmeren. b. Productie op peil: aanjagen woningbouwproductie. c. Kwalitatief, betaalbaar en divers woningaanbod. 2. Gezond, duurzaam en toekomstbestendig wonen in een aantrekkelijke provincie.

Pagina 16 Bestemmingsplan Purmerenderweg 34 – ZOB

Richtinggevende principes: 1. De vraag is leidend. De regionale programmeringen worden bepaald op basis van gegronde onderbouwing van vraag, aanbod en het kwalitatieve en kwantitatieve verschil daartussen voor nu en in de toekomst. 2. Er zijn snel meer woningen nodig. De provincie zet in op het versnellen van de woningbouwproductie en helpt gemeenten hierbij door voortzetting van het Uitvoeringsprogramma Binnenstedelijk Bouwen en Versnellen Woningbouw. 3. De woningbouwprogrammering is regionaal en adaptief. De programmering houdt rekening met fasering en haalbaarheid, zodat de in het woonakkoord af te spreken regionale productiedoelstellingen kunnen worden gehaald. 4. De provincie geeft gemeenten ruimte om bij binnenstedelijke plannen nabij een OV-knooppunt en/of in een groeiregio hogere aantallen woningen te realiseren dan de prognose, om het woningtekort versneld in te lopen. 5. De woningmarkt heeft structureel meer flexibiliteit en betaalbare opties voor alle verschillende doelgroepen van woningzoekenden nodig. 6. Betaalbaar en divers woningaanbod voor alle doelgroepen vraagt regionale afstemming en samenwerking. 7. Vanuit het oogpunt van leefbaarheid en gezondheid bewaakt de provincie de goede balans tussen economie, wonen, mobiliteit, natuur en landschap. 8.

Woningbouw heeft een grote impact op het landschap, de natuur en de biodiversiteit, zowel binnen als buiten het bestaand stedelijk gebied. In de woonakkoorden maken we afspraken om woningbouw zoveel mogelijk klimaatneutraal, klimaatadaptief, actieve mobiliteit (gericht op fietsen en lopen) stimulerend, circulair en natuur- en landschapsinclusief te ontwikkelen en dit vroegtijdig bij de locatiekeuze en planontwikkeling mee te nemen. Actiepunten: 1. Maatwerkafspraken in regionale woonakkoorden 2. We bieden kennis, meedenkkracht en hulp 3. Versnellen woningbouwproductie 4. Samenwerking stimuleren 5. Verduurzaming wonen 6. Meer flexibiliteit in de woningmarkt 7. Stimuleren circulair bouwen 8. Leveren van informatie en monitoring Deze speerpunten, principes en actiepunten moeten helpen bij het oplossen van de grote woningbehoefte in de provincie. Wijziging ten opzichte van de voorgaande woonvisie is ook dat regionale afspraken ten aanzien van woningbouw niet meer in Regionaal Actie Programma's (RAP's) worden vastgelegd maar dat tussen gemeenten/regio en de provincie woonakkoorden worden gesloten. Planspecifiek In de woonagenda staat geformuleerd dat ‘vraag’-gestuurd gebouwd moet worden.

Door het ‘vraag’gestuurd bouwen wordt gebouwd waar behoefte aan is maar zorgt ook voor doorstroming doordat bijvoorbeeld gezinnen ruimer kunnen gaan wonen waardoor er meer goedkopere (koop)woningen vrijkomen. Voorliggend plan wordt gebouwd vanuit een directe behoefte vanuit initiatiefnemers.

Pagina 17 Bestemmingsplan Purmerenderweg 34 – ZOB

3.2.4 Verstedelijkingsconcept MRA (2021) Op 24 november 2021 hebben de deelnemende gemeenten aan de Metropoolregio Amsterdam (MRA) afgesproken dat het document ‘Verstedelijkingsconcept 2050. Metropool van grote klasse met menselijke maat’ de inhoudelijke basis vormt voor de verstedelijkingsstrategie. Hierin willen het Rijk en de MRA gezamenlijk afspraken maken over de ontwikkeling van de MRA op middellange (2030) en lange termijn (2050). De Verstedelijkingsstrategie wordt gecomplementeerd met het Verstedelijkingsakkoord waarin de uiteindelijke wederkerig bindende afspraken tussen Rijk en regio voor de komende jaren gestalte zullen krijgen. Het Verstedelijkingsconcept bevat de volgende ambities: • De gehele metropoolregio laten profiteren van de groei, meerkernige ontwikkeling; • Voldoen aan de kwalitatieve en kwantitatieve behoefte aan woon- en werkmilieus; • Diversiteit en verbondenheid in de economie versterken; • Meer balans brengen in wonen en werken; • Zorgen voor een gezonde leefomgeving; • Bereikbaarheid en bereisbaarheid in de MRA bevorderen; • De uitstoot van broeikasgassen terugdringen; • Doorontwikkelen van het metropolitane landschap; • De regio klimaatadaptief inrichten; • De biodiversiteit vergroten.

Planspecifiek Voorliggende planontwikkeling ziet toe op de bouw een ruimere woning ter plaatse van een perceel dat nu als agrarisch gebruikt wordt Deel van de afspraken tussen het Rijk en de MRA is om tot 2030 175.000 tot 220.000 woningen te bouwen. Het onderhavige project betreft het bouwen van een woning en sluit dus aan bij deze ambitie. 3.2.5 Propositie Zaanstreek-Waterland (2021) Eind 2021 heeft de regio Zaanstreek-Waterland de ‘Propositie Zaanstreek-Waterland’ vastgesteld. Dit document schetst de ambities van de acht gemeentes uit Zaanstreek-Waterland en de wijze waarop zij deze samen met de Provincie en de MRA kunnen verwezenlijken. Als het gaat om woningbouw is de ambitie om een schaalsprong te maken in woningbouw en een duurzame en inclusieve groei met kwaliteit. Planspecifiek Op economisch gebied is de ambitie het creëren van ruimte voor bedrijvigheid op de meest passende locaties, ruimte voor meer werkgelegenheid en een betere match tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. Onderhavig project sluit aan bij deze ambities.

Pagina 18 Bestemmingsplan Purmerenderweg 34 – ZOB

Gemeentelijk beleid 3.3.1 Structuurvisie Beemster De Structuurvisie Beemstermaat van de gemeente Beemster (juli 2012) vormt het afwegingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen en geeft aan waar welke functies wenselijk zijn en waar niet. In deze structuurvisie zijn de ambities genoemd die de gemeente nastreeft. Deze ambities luiden als volgt: • • • • •

Behoud en herstel van het landschapspatroon. Tegengaan van verrommeling. Behouden en versterken van de ruimtelijke structuur en karakteristiek. Recreatie en duurzaamheid versterken. Oplossen mobiliteitsdruk binnen neutraal raster.

Deze ambities zijn in zogenaamde 'gouden regels' omgezet. Deze regels hebben als uitgangspunt dat ontwikkeling mogelijk moet zijn om de dynamiek binnen de gemeente te behouden, maar de kernwaarden behouden moeten blijven. Ontwikkelingen moeten passen binnen de historisch bepaalde hoofdstructuur. Verder is in deze structuurvisie een belangrijke ambitie dat eventuele verdichting in het buitengebied alleen plaatsvindt in dezelfde zones en langs dezelfde wegdelen waar nu bebouwing staat. Wat betreft de functies wonen en werken wordt beschreven dat er op verantwoorde wijze ruimte is geschapen in De Beemster om de woonbehoefte van de inwoners voor langere tijd te kunnen opvangen. Planspecifiek Dit plan geeft invulling aan de structuurvisie Beemster door het behoud van het landschapspatroon en te bouwen in aansluiting op de bestaande kernkwaliteiten. 3.3.2 Bestemmingsplan Buitengebied Beemster 2012 – Partiële herziening 2022 Het vigerende bestemmingsplan voor de locatie is ‘Buitengebied Beemster 2012 – Partiële herziening 2022’ van de gemeente Beemster, is vastgesteld op 26 oktober 2021. Hiernavolgend is een uitsnede van het vigerende bestemmingsplan weergeven. De uitsnede toont dat het huidige toegestane gebruik Agrarisch-Glastuinbouw is en deels Tuin. Daarnaast heeft het perceel de dubbelbestemmingen waarde Cultuurhistorie.

Figuur 10. Uitsnede vigerend bestemmingsplan ter plaatse van het plangebied (rode marker). (Bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Pagina 19 Bestemmingsplan Purmerenderweg 34 – ZOB

4 Milieutechnische uitvoerbaarheid Een ruimtelijk plan moet voorzien in een goede ruimtelijke ordening, zoals de Wro ex art 3.1 stelt. De invulling van dit vereiste is in de jurisprudentie verder gepreciseerd. Onderstaand is per woon- en omgevingsaspect beoordeeld of en wat voor een wijziging er optreedt en of een goed woon- en leefklimaat voor zowel de omgeving als het plangebied zelf gegarandeerd is.

Bedrijven en milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening beoogt het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Er dient dus beoordeeld te worden: 1. Past de nieuwe functie in de omgeving? 2. Laat de omgeving de nieuwe functie toe? Om dit gestandaardiseerd te kunnen beoordelen zijn in de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering richtafstanden opgesteld. Deze afstanden geven voor gemiddelde bedrijfssituaties aan op welke afstand geen hinder is te verwachten. De meer verfijnde afstemming voor de voorkoming van milieuhinder vindt vervolgens plaats in het kader van de Wet milieubeheer. Voor deze afstanden in de brochure geldt dat naast de factoren aard en omvang van het bedrijf deze mede afhankelijk zijn van de omgeving. Voor een rustige woonomgeving gelden andere afstanden (strengere eisen) dan voor andere gebieden, zoals drukke woonwijken, gemengde gebieden en landelijke gebieden. De betreffende VNG-publicatie vormt geen wettelijk kader. De in de publicatie opgenomen afstanden betreffen richtafstanden.

Planspecifiek Het plangebied is gelegen in een buitengebied met agrarische gronden eromheen en geen bedrijven in de directe omgeving. Het dichtstbijzijnde bedrijf (Wijnimport J. Bart) bevindt zich op ca. 220 m van de plangrens.

Figuur 11. Uitsnede vigerend bestemmingsplan met een groene lijn de afstand tot aangrenzende bedrijven. (Bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Pagina 20 Bestemmingsplan Purmerenderweg 34 – ZOB

Gezien de afstand tot de bedrijfsbestemming vormt het aspect Bedrijven en Milieuzonering geen belemmering voor voorliggend plan.

Geluidhinder In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt ernaar gestreefd om de geluidhinder als gevolg van spoor-, wegverkeer of industrie te beperken. Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er normen gesteld tot welke maximale geluidsniveaus geluidgevoelige functies belast mogen worden. De Wgh geeft tevens aan in welke situaties middels onderzoek aangetoond moet worden of aan deze normen voldaan kan worden. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening en bijbehorende jurisprudenties zijn aanvullende onderzoeksverplichtingen gesteld. Planspecifiek Voorliggend plan houdt de herbouw van een woning in op een agrarisch perceel. Het perceel ligt in agrarisch gebied en binnen de onderzoekszone van de Purmerenderweg. Voor deze weg geldt in het kader van de Wet geluidhinder een onderzoeksverplichting. Hiervoor is een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd, zie bijlage 6. De conclusie van dit onderzoek luidt: De geluidbelasting op de zijden van het bouwvlak aan de Purmerenderweg bedraagt maximaal Lden= 34 dB inclusief de aftrek artikel 110g vanwege het wegverkeer op deze weg. De voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai wordt niet overschreden. Een toetsing aan het Hogere waardebeleid is niet nodig, omdat aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder wordt voldaan. Het aspect geluidhinder vormt dan ook geen belemmering voor voorliggend plan.

Natuurbescherming Natuur is een gevoelige functie die beschermd moet worden tegen negatieve effecten. Per 1 januari 2017 geldt de Wet natuurbescherming. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Floraen faunawet en de Boswet. De nieuwe Wet natuurbescherming (Natuurwet) voorziet in vereenvoudigde regels ter bescherming van de natuur, in decentralisatie van bevoegdheden naar provincies en in een goede aansluiting op het omgevingsrecht. Er wordt beter aangesloten op de Europese regelgeving en er wordt een duidelijker onderscheid gemaakt tussen soorten die Europees beschermd zijn en Nationaal beschermde soorten. Met de Wet natuurbescherming komt de bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij ruimtelijke ingrepen in principe bij de provincies te liggen. Dit is conform het bestuursakkoord natuur waarin is aangegeven dat de decentralisatie van de taken en bevoegdheden op het vlak van de natuurwetgeving haar beslag zal krijgen in de Wet natuurbescherming. Provincies nemen hiermee de taak over die tot nu toe werd uitgevoerd door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl). Daarmee is de provincie bevoegd gezag voor de toetsing van werkzaamheden en activiteiten (hierna genoemd ‘handelingen’) bij Natura 2000-gebieden (de gebiedsbeschermingsbepalingen) en dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen).

Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.3.1 Gebied- en soortbescherming In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet bepaald worden of een plan geen nadelige effecten heeft voor beschermde plant- en diersoorten in en nabij het plangebied. Indien de ontwikkeling verstoring of uitroeiing van beschermde soorten kan inhouden dient onderzocht te worden of eventuele soorten aanwezig zijn. Wanneer dit het geval is moet tevens aangetoond worden middels welke ingrepen deze verstoring voorkomen wordt dan wel gecompenseerd. Pagina 21 Bestemmingsplan Purmerenderweg 34 – ZOB

Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen kunnen (extern) effect hebben op nabijgelegen natuurgebieden. De gebiedsbescherming in de Natuurbeschermingswet vindt plaats via de Natura 2000-gebieden met Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. Daarnaast zijn de provincies verantwoordelijk voor het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Dit is de vroegere Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarische gebied. In het Natuurnetwerk Nederland liggen bestaande natuurgebieden (waaronder de 20 Nationale Parken) en nieuwe natuurgebieden, landbouwgebieden beheerd volgens agrarisch natuurbeheer, alle Natura 2000-gebieden en alle grote wateren van Nederland (meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee). Planspecifiek Voor voorliggend plan vindt er een transformatie van de locatie plaats waarbij beschermde soorten mogelijk benadeeld kunnen worden. Daarom is er een ecologisch quickscan uitgevoerd, zie bijlage 1. De conclusie van het onderzoek luiden: (a) Soortenbescherming Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de volgende soorten of soortgroepen: kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel), steenmarter, kerkuil, steenuil, gebouw bewonende vleermuizen, huismus, torenvalk en spreeuw.

De planlocatie is tevens mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland of een Bijzonder Provinciaal Landschap. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een Voortoets, ‘nee, tenzij’-toets en/of AERIUS-stikstofberekening is niet noodzakelijk. (c) Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Gezien de bovenstaande conclusies dient nader onderzoek uitgevoerd te worden naar kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel), steenmarter, kerkuil, steenuil, gebouw bewonende vleermuizen, huismus, torenvalk en spreeuw. Dit nader onderzoek is uitgevoerd door Elsken Ecologie, zie bijlage 7. De conclusie van het onderzoek luidt: Van de onderzochte soorten is er een aangetroffen. Kerkuilen hebben met zekerheid gebroed binnen de grenzen van het plangebied.

De kerkuil is een beschermde inheemse diersoort als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming, onder artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Bovendien is het een soort als bedoeld in artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming omdat de kerkuil vermeld staat in bijlage II van de Conventie van Bern. De kerkuil staat vermeld op de lijst met vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn (RVO, 2009). Op deze lijst vallen de kerkuilnesten onder categorie 3 van vogelnesten: ‘nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar.”. De kerkuil staat als kwetsbaar vermeld op de Rode Lijst van Nederlandse broedvogels (2004). Dit betekent dat er voor activiteiten waarmee deze soort in het geding is een ontheffing nodig is. Deze ontheffing dient te worden aangevraagd bij het bevoegd gezag. In. Dit geval de provinciale omgevingsdienst Noord-Holland Noord, het OD-NHN. Voor de overige onderzochte soorten, vleermuizen, steenuil, huismussen en marters, is vastgesteld dat deze geen beschermde functies binnen het plangebied hebben. Pagina 22 Bestemmingsplan Purmerenderweg 34 – ZOB

De gemeente Purmerend werkt aan een Soortenmanagementplan. Hierin is een generieke ontheffing voor o.a. de Kerkuil opgenomen, wat betekent dat het nest opgeheven kan worden, mits dit gemitigeerd wordt door vervangende nestlocaties aan te bieden. In de omgeving is voldoende ruimte om een kerkuilentil te plaatsen. Vooruitlopend op het Soortenmanagementplan en om het juridisch sluitend te regelen is in voorliggend bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen (art 5.4.3.) waarin de mitigerende maatregel geborgd is. Deze voorwaardelijke verplichting houdt in dat bij de toekomstig omgevingsvergunning voor het bouwen, waar een sloopmelding/vergunning onderdeel vanuit maakt, aangetoond moet worden dat er geen beschermde soorten benadeeld worden. Door de voorwaardelijke verplichting en de toekomstige vergunningplicht wordt de bescherming van de uil afdoende geborgd. 4.3.2 Stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden Op 15 juni 2015 is het Programma Aanpak Stikstof (PAS) vastgesteld. Het PAS bevat maatregelen die leiden tot een afname van stikstofdepositie en maatregelen die leiden tot een versterking van de natuurwaarden in de Natura 2000-gebieden. Een gedeelte van de toekomstige afname van stikstofdepositie kan vervolgens worden opgevuld door economische activiteiten die leiden tot een toename van stikstofdepositie.

In de praktijk blijkt echter dat de afname van stikstofdepositie als gevolg van de maatregelen niet gegarandeerd kan worden. Daarom heeft op 29 mei 2019 de Raad van State een uitspraak gedaan waarin de Raad oordeelt dat het PAS niet als basis voor toestemming voor activiteiten mag worden gebruikt. Het uitgangspunt is sindsdien nog steeds dat voor nieuwe initiatieven aangetoond moet worden dat er geen significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofemissies en deposities ontstaan als gevolg van het initiatief. Het instrument waarmee de stikstof berekend kan worden is de AERIUS Calculator/ Op 10 maart 2021 is een nieuwe Stikstofwet vastgesteld en op 18 juni 2021 het besluit gepubliceerd die de wet nader uitwerkt. De Wet stikstofreductie en natuurverbetering regelt onder meer drie resultaatsverplichtingen voor stikstofreductie: in 2025 moet minimaal 40% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in beschermde Natura 2000-gebieden een gezond stikstofniveau hebben; in 2030 minimaal de helft en in 2035 minimaal 74%. Als gevolg van deze maatregelen gelden er nieuwe uitgangspunten voor een stikstofberekening. Het besluit over deze wet is per 1 juli 2021 inwerking getreden. In de Stikstofwet is in artikel 2.9a een uitzondering opgenomen voor de tijdelijke extra stikstofuitstoot bij bouwwerkzaamheden, de zogenaamde bouwvrijstelling.

Stikstof dat vrijkomt bij de bouw, sloop en eenmalige aanleg van bouwwerken en infrastructuur wordt niet meegerekend bij de informatie die ten grondslag ligt aan het verlenen van een vergunning. Op 2 november 2022 deed de Raad van State de uitspraak dat de bouwvrijstelling niet voldoet aan het Europees natuurbeschermingsrecht dat vereist dat individuele beschermde natuurgebieden geen schade oplopen, en niet op een hoger schaalniveau gekeken mag worden naar maatregelen die bovendien onzeker zijn qua uitvoering. Dit betekent dat ook bouwactiviteiten getoetst dienen te worden aan lokale stikstofgevolgen bij de vergunningsaanvraag. Planspecifiek Bij voorliggende planontwikkeling vinden er aanlegwerkzaamheden plaats waarbij stikstof uitgestoot kan worden. In de hiervoor beschreven ecologische quickscan is het uitvoeren van een Aeriusberekening als niet noodzakelijk geacht. Om geen discussie over de noodzaak van een stikstofberekening te krijgen is deze voor de volledigheid alsnog uitgevoerd voor de aanlegfase en de gebruiksfase, zie bijlage 2. De conclusie van de berekening is dat er geen depositieresultaten berekend zijn boven 0,00 mol/ha/jr. Het aspect Stikstofdepositie vormt geen belemmering voor voorliggend plan.

Pagina 23 Bestemmingsplan Purmerenderweg 34 – ZOB

Erfgoed Het archeologisch en cultuurhistorisch erfgoed wordt binnen Nederland als waardevol beschouwd. De Erfgoedwet, vastgesteld in 2016, regelt op welke wijze omgegaan dient te worden met archeologisch erfgoed in Nederland. In 1992 ondertekende Nederland mede het zogenaamde Verdrag van Valetta (Malta). Dit verdrag heeft als doel de bescherming van het archeologisch erfgoed van Europa te bevorderen. In Nederland heeft dit geleid tot een herziening van de toenmalige Monumentenwet 1988 alsmede een aanvulling op of wijziging van bepaalde artikelen in enkele andere wetten. Deze Wijzigingswet is beter bekend als de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ), die op 1 september 2007 van kracht werd. Vanaf de inwerkingtreding van deze (wijzigings-)wet zijn gemeenten verplicht rekening te houden met archeologische waarden in de bestemmingsplannen. Deze wetten zijn vervangen door de Erfgoedwet, echter overgangsrecht in de Erfgoedwet regelt dat bepaalde bepalingen uit de Monumentenwet (die dus niet in de Erfgoedwet staan) nog van kracht zijn tot de Omgevingswet van kracht is. Planspecifiek Monumentale bouwwerken en beschermd zicht Er is geen sprake van monumentale bouwwerken die gewijzigd of gesloopt worden of beschermd zicht dat invloed ondervindt van voorgenomen ontwikkeling.

Archeologie De dubbelbestemming Archeologie waarde 4 voor de planlocatie is vervallen met ingang van de inwerkingtreding van de Partiële herziening 2021 van het bestemmingsplan Buitengebied Beemster 2012. De verplichting tot het uitvoeren van archeologisch onderzoek op deze locatie is daardoor ook komen te vervallen. Cultuurhistorische en landschappelijke waarden Het plangebied maakt deel uit van landschap dat is aangemerkt met cultuurhistorische en landschappelijke waarden die beschermd dienen te worden. Zoals benoemd in de paragraaf Provinciaal Beleid maakt het plangebied deel uit van de Beemster en de Stelling van Amsterdam. Doordat de nieuwe woning een stolpwoning is die karakteristiek is voor de Beemster worden de cultuurhistorische waarde van het gebied vergroot. Het aspect Erfgoed vormt geen belemmering voor voorliggend plan.

Bodemkwaliteit Het is wettelijk geregeld (Wbb en bouwverordening) dat bouw pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen, als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Indien sprake is van een verdachte locatie dient onderzocht te worden in welke mate de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Planspecifiek In voorliggend plan vindt er een wijziging plaats van agrarisch gebruik naar een woonfunctie. Dit betekent dat de nieuwe functie hogere milieueisen stelt aan de bodem dan het bestaande gebruik en de bodem onderzocht zal moeten worden of de bodem geschikt is voor de nieuwe functie. Voor dit plan is een bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 3. De conclusie van het onderzoek luidt:

Pagina 24 Bestemmingsplan Purmerenderweg 34 – ZOB

De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie Purmerenderweg 34 te Zuidoostbeemster is vastgelegd. Behalve de chemische kwaliteit is tevens de aanwezigheid van asbest in de bodem onderzocht. Chemische kwaliteit De gestelde hypothese, dat er verhogingen met zware metalen en PAK kunnen worden verwacht in verband met de bodemvreemde bijmenging van met name puin, is bevestigd. Er zijn in de bovengrond lichte verhogingen aan diverse zware metalen en PAK aangetoond. De gestelde hypothese, dat er verhogingen aan OCB kunnen worden verwacht in verband met het gebruik van bestrijdingsmiddelen in het verleden in de voormalige fruitboomgaard, is bevestigd. In het mengmonster van de kleihoudende bovengrond zijn lichte verhogingen gemeten aan som DDD en som DDE. In het grondwater van peilbuis 01 is de concentratie barium licht verhoogd. De aangetoonde lichte verontreinigingen in grond en grondwater vormen geen aanleiding tot het uitvoeren van een aanvullend bodemonderzoek. Asbestonderzoek De gestelde hypothese, dat de bovengrond verdacht is op het voorkomen van asbest als gevolg van met name puinhoudende bijmenging op en in de bodem en de toepassing van asbestverdachte beplating in het verleden, is bevestigd. In de bovengrond van gat 15 is asbesthoudend materiaal aangetroffen > 2 cm. Het betreft zowel hechtgebonden serpentijn als amfibool asbest.

In de grondfractie < 2 cm van dit inspectiegat is geen asbest aangetoond. Voor de bodem ter plaatse van gat 15 is een indicatief asbestgehalte bepaald van 890 mg/kg ds (worst case). Deze waarde overschrijdt de toetswaarde voor nader onderzoek, alsmede de interventiewaarde voor asbest in grond. Formeel is een nader onderzoek noodzakelijk om het definitieve asbestgehalte te bepalen en de verontreiniging verder af te perken. In de overige inspectiegaten is zintuiglijk geen asbest aangetoond. Van de overige twee mengmonsters van de fijne fractie is alleen in het mengmonster van de zandhoudende inspectiegaten een asbestgehalte gemeten van 0,5 mg/kg ds. In het kleihoudende mengmonster is geen asbest gemeten. Algemeen De aanwezige (half)verhardingen (asfalt, beton, gebroken puin, asfaltgranulaat) zijn niet onderzocht. Over de kwaliteit hiervan en daarmee de hergebruiksmogelijkheden wordt geen uitspraak gedaan. Aanbevolen wordt om de grond die tijdens de werkzaamheden vrijkomt te hergebruiken binnen de perceelsgrenzen. Indien dit niet mogelijk is kan de grond op basis van dit rapport worden afgevoerd naar een grondbank of -depot. Hiervoor kan het noodzakelijk zijn dat de grond nog onderzocht dient te worden op PFAS. Als de grond wordt afgevoerd voor hergebruik elders, is (normaliter) eerst een keuring nodig (doorgaans incl. PFAS) conform het Besluit Bodemkwaliteit.

Met name bij grotere partijen grond is dit laatste voordeliger dan afvoeren naar een grondbank of -depot. De gemeente beschikt over een bodemkwaliteitskaart, waardoor in sommige gevallen hergebruik mogelijk is zonder aanvullend onderzoek. Gezien de bovenstaande conclusies, en het feit dat de grond op de locatie hergebruikt zal worden, vormt het aspect Bodem geen beletsel voor dit plan.

Luchtkwaliteit Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof Pagina 25 Bestemmingsplan Purmerenderweg 34 – ZOB

(jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven.

Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijn stof (PM10)

Fijn stof (PM2,5)

Toetsing van

Grenswaarde

jaargemiddelde concentratie Uurgemiddelde (mag max. 18 keer per jaar worden overschreden) jaargemiddelde concentratie 24-gemiddelde concentratie (mag max. 35 keer per jaar worden overschreden) jaargemiddelde concentratie

40 µg / m³ 200 µg / m³

Advieswaarde (WHO) 40 µg / m³

40 µg / m³ 50 µg / m³

20 µg / m³

25 µg / m³

10 µg / m³

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van ruimtelijke plannen, uit oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens, rekening gehouden met de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM (Niet in Betekenende Mate) en de bijbehorende regeling is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Dit kan het geval zijn wanneer een project een effect heeft van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10. Planspecifiek Een plan voldoet in de regel aan het NIBM criterium als het minder dan 1.500 woningen betreft dan wel als er sprake is van een BVO van maximaal 100.000 m 2. Voorliggend plan blijft ruim onder het criterium. Nader onderzoek in het kader van luchtkwaliteit is dan ook niet noodzakelijk. Voorts is de situatie ten aanzien van de luchtkwaliteit in 2020 en 2030 in beeld gebracht. Hiervoor is de site www.nsl-monitoring.nl geraadpleegd. Onderstaand is een overzicht van de resultaten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13947181/1