CConstaterende datPurmerend
Koppel je AI →
Document · PDF

B bijlage-1-bestemmingsplan-Hobrederlaan-1-2022

Gemeenteraad 2 juni 2022, gemeente PurmerendBij agendapunt: Bestemmingsplan Hobrederlaan 116.818 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

4.11

Nut en noodzaak

De noodzaak van de verplaatsing van bouwvlak en bebouwing op de deze locatie wordt ingegeven door het volgende: -

4.12

De bestaande bebouwing is te dicht aan naastgelegen Purmerenderweg gelegen, waardoor hinder van passerend verkeer ontstaat; De bestaande bebouwing zorgt door de situering dat de kruising HobrederlaanPurmerenderweg onoverzichtelijk is; De bestaande bebouwing staat niet in lijn met de overige bebouwing aan de Hobrederlaan, noch Purmerenderweg; De bestaande bebouwing is in die toestand dat renovatie economisch niet rendabel is; Het nieuwe bouwvolume wordt gesitueerd buiten de geurcirkel van de naastgelegen melkveehouderij, waardoor continuïteit van deze functie is geborgd; Het nieuwe bouwvolume wordt van dien aard dat de karakteristieke uitstaling blijft behouden; De ruimtelijke vormgeving is nader onderbouwd in paragraaf 2.2.

Samenvatting

Op basis van alle beschouwde elementen kan worden geconcludeerd dat voor de planologische voorwaarden geen bezwaren zijn op de voorgestelde ontwikkeling. Het plan kan hiermee worden bestempeld als uitvoerbaar.

27

5.

Juridische toelichting

5.1

Algemene achtergrond bestemmingen

De bestemmingsomschrijving, de bijbehorende regels en de verbeelding geven een juridische vertaling van de bestemmingen en de beoogde ontwikkelingen. Daarbij is rekening gehouden met in en rondom het plangebied aanwezige belangen en belemmeringen. Voor de systematiek van bestemmen is aangesloten bij De Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012) voor het digitale bestemmingsplan. Het bestemmingsplan kan volgens de landelijke vastgestelde richtlijnen digitaal worden geraadpleegd en worden uitgewisseld. De bestemmingsbenamingen, de opzet van de regels en de tekenwijze op de verbeelding zijn geheel conform de SVBP2012. Het doel van een bestemmingsplan is een planologische regeling te geven voor een gebied. Naast het bestemmingsplan gelden echter nog vele andere wettelijke regelingen voor dat gebied. Deze wettelijke regelingen hebben veelal een geheel ander doel dan het bestemmingsplan. Dit betekent dat deze wetgeving naast het bestemmingsplan van toepassing blijft. Het bestemmingsplan laat deze wettelijke regelingen derhalve onverlet. Aan de basis van dit bestemmingsplan ligt het bestemmingsplan Buitengebied Beemster 2012 – Partiële herziening 2021. De regels sluiten qua systematiek aan op dit plan. De ontwikkeling van de nieuwe woonboerderij met bijgebouwen gaat samen met het behoud van de bijzondere waarden van de Beemster.

Vandaar dat zowel in de toelichting als in de regels aan beide onderdelen de nodige aandacht is besteed.

5.2

Beschrijving van de bestemmingen

Het bestemmingsplan voorziet in de volgende bestemmingen:

5.2.1 Hoofstuk 1: Inleidende regels 5.2.1.1 Artikel 1 Begrippen Voor de begrippen is waar mogelijk gebruikgemaakt van de standaardregels uit de SVBP 2012. In dit artikel worden uitsluitend de begrippen gedefinieerd die van het ‘normale’ spraakgebruik afwijken of een specifiek juridische betekenis hebben. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan zal moeten worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. De begrippen zijn alfabetisch geordend.

5.2.1.2 Artikel 2 Wijze van meten Dit artikel geeft aan hoe hoogte en andere maten die bij het bouwen in acht moeten worden genomen, dienen te worden gemeten.

5.2.2 Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels 5.2.2.1 Enkelbestemmingen Het bestemmingsplan voorziet in de volgende enkelbestemmingen:

5.2.2.2 Artikel 3 Agrarisch Binnen deze bestemming zijn de regels opgenomen binnen welke voorwaarden de agrarische functie mag worden uitgeoefend. Het grootste deel van de gronden heeft en krijgt de bestemming agrarisch. Deze gronden bevinden zich aan de westzijde van het perceel.

28

5.2.2.3 Artikel 4 Tuin De gronden met de bestemming Tuin betreffen de gronden gelegen in het voorerfgebied van het hoofdgebouw. In dit geval vallen ook delen van het achtererfgebied en het zijerf binnen deze bestemming. De bebouwing ten behoeve van het wonen blijft daarmee compact, wat aansluit bij de landschappelijke uitgangspunten van de erfinrichting van stolpen Bouwwerken ten behoeve van het hoofdgebouw zijn erkers en bouwwerken geen gebouwen zijnde. Hiervoor zijn specifieke bouwregels opgenomen in deze bestemming.

5.2.2.4 Artikel 5 Water De waterloop aan de voorzijde van het perceel (langs de Hobrederlaan) is bestemd als Water. De waterloop is opgenomen in het plangebied om hier een oprit te realiseren naar de woonboerderij en bijgebouw. Dit kan dan plaatsvinden door middel van een brug of een dam. Er zijn specifieke bouwregels en eisen opgenomen voor bruggen en dammen in deze bestemming.

5.2.3 Dubbelbestemmingen 5.2.3.1 Artikel 8 Waarde – Archeologie De aanwezige archeologische waarden worden met dit artikel beschermd. In het bestemmingsplan Buitengebied Beemster 2012 – Partiële herziening 2021 is een onderscheid gemaakt in een aantal categorieën. Voor dit voorliggende bestemmingsplan is ten dele aangesloten bij de systematiek en categorie uit het plan Buitengebied Beemster 2012 – Partiële herziening 2021. De dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ is aanwezig binnen het gehele plangebied. Op het gehele perceel is specifieke vorm van waarden (swr) van -4 van toepassing. Voor swr-4 geldt de minimale oppervlakte van 5000 m2 als bepalend voor de noodzaak tot archeologisch onderzoek. Deze oppervlakte is ook opgenomen in het voorliggende bestemmingsplan. De voorgenomen werkzaamheden hebben een kleinere oppervlakte dan 5000 m2. Hiermee is er geen noodzaak tot archeologisch onderzoek.

5.2.3.2 Artikel 9 Waarde – Cultuurhistorie De waarde van het Beemster cultuurlandschap wordt met dit artikel gewaarborgd. Hiervoor zijn twee mechanieken opgenomen: 1. Algemene bouwregels, welke bepalen dat alleen bouwwerken ten behoeve van de bestemming gerealiseerd mogen worden. 2. Het bevoegd gezag weegt bij het verlenen van een omgevingsvergunning af of de waarde van het landschap niet aangetast wordt. Een afwijkingsmogelijkheid is opgenomen indien voldoende is aangetoond dat de aanwezige waarden niet aangetast worden.

5.2.3.3 Artikel 10 Waterstaat – Waterkering De belangen van de aanwezige waterstaatkundige werken worden met dit artikel gewaarborgd. Het oprichten van bouwwerken is alleen mogelijk als overleg heeft plaatsgevonden met de beheerder van de betreffende gronden.

5.3

Hoofdstuk 3: Algemene regels

Het bestemmingsplan voorziet in de volgende algemene regels:

5.3.1.1 Artikel 11 Anti – dubbeltelregel Dit is de standaardbepaling zoals die is voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

29

5.3.1.2 Artikel 12 Algemene bouwregels Bouwen mag er niet toe leiden dat op het aangrenzende terrein of bouwperceel een situatie ontstaat die niet meer met de daar geldende regels overeenstemt.

5.3.1.3 Artikel 13 Algemene gebruiksregels Met deze regels is het verboden de in het plan opgenomen gronden en gebouwen te gebruiken voor doeleinden waarin het plan niet voorziet.

5.3.1.4 Artikel 14 Algemene afwijkingsregels Ten behoeve van een aantal activiteiten zoals de bouw van utilitaire bouwwerken en het met niet meer dan 10% afwijken van voorgeschreven maten kunnen burgemeester en wethouders op basis van de bepaling ontheffing verlenen.

5.3.1.5 Artikel 15 Algemene regels voor het verlenen van een omgevingsvergunning Voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. Activiteiten zoals het ontginnen, bodemverlagen, afgraven, ophogen en egaliseren van gronden zijn niet zondermeer mogelijk. Evenals het graven, vergraven of dichten van waterlopen en het aanbrengen van nieuwe beplanting. Behoudens normale onderhoudswerkzaamheden en werkzaamheden van ondergeschikte betekenis is voor deze activiteiten een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden vereist. Aan het verlenen van een omgevingsvergunning zoals bedoeld in dit artikel is een toetsingscriterium verbonden. Dit criterium bestaat uit een onderzoek naar de gevolgen van de aanvraag voor de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van de droogmakerij. Deze waarden mogen niet onherstelbaar worden aangetast. In de beoordeling maakt het bevoegd gezag gebruik van de mogelijkheid om advies in te winnen bij een aan te wijzen deskundige.

5.3.2 Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels 5.3.2.1 Artikel 15 en 16 Overgangs- en slotregels De overgangs- en slotregels zijn standaardbepalingen die dwingend zijn voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

5.4

Handhaving

De in het plan opgenomen regelingen met betrekking tot bodemgebruik (gebruiksregels) en bebouwing (bouwregels) vervullen een belangrijke rol in de bescherming van de in het gebied aanwezige waarden. Een snelle en zorgvuldige afhandeling van aanvragen om bouw- of aanlegvergunning alsmede toegankelijkheid van de regels voor de burger zal mede bijdragen aan de naleving en effectiviteit van deze regelingen. In dat kader is gestreefd naar een actueel bestemmingskader met duidelijke regelgeving. Anderzijds verdienen zowel preventieve als repressieve handhaving aandacht. Door middel van toezicht zullen illegale situaties in het gebied moeten worden gesignaleerd en tegen eenmaal geconstateerde overtredingen zal daadwerkelijk moeten worden opgetreden. Een adequate handhaving van de gestelde regels komt ook ten goede aan de naleving van die regels. Voor de gemeente is het handhaven van de bestemmingsplannen uitgangspunt van beleid, tenzij gewijzigde (maatschappelijke) omstandigheden nopen tot wijziging van dat beleid.

30

6.

Uitvoerbaarheid

6.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat een bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een ruimtelijk plan, daarbij overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van Rijk en provincie die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Artikel 3.1.6 Bro bepaalt daarnaast dat in de toelichting de uitkomsten van dit overleg worden beschreven.

6.1.1 Maatschap de Wit Om de uitvoerbaarheid van het plan al vroeg af te stemmen met de stakeholders, is het plan meermaals doorgesproken met het naastgelegen melkveebedrijf. Dit betreft de Maatschap de Wit. Op voorliggend plan wordt door hen positief gereageerd. Daarbij geven zij aan dat het plan voor hen alleen maar voordelen kent, waarbij wordt genoemd: -

Verplaatsing van het bouwvlak zorgt voor bedrijfszekerheid omdat geen bebouwing meer in de geurcirkel van hun melkveehouderij aanwezig is De verkeerssituatie op de Purmerenderweg wordt verbeterd omdat verkeer vanaf de Hobrederlaan eerder gezien kan worden, wat wenselijk is voor hun zware landwerktuigen Het uitzicht van hun bedrijfswoning verbeterd omdat de huidige bebouwing wordt verwijderd, waardoor hun uitzicht geen naast woning meer zal zijn, maar de agrarische gronden langs de Purmerenderweg.

6.1.2 Provincie Noord-Holland De provincie Noord-Holland heeft op 22-02-2021 haar advies gegeven op het plan Hobrederlaan 1 Zuidoostbeemster: “Meegestuurd plan betreft agrarisch perceel met een karakteristieke stolpwoning. Men wilt het gehele bouwvlak verplaatsen naar de andere kant van het perceel (huidige bebouwing slopen). Dit is nodig vanwege de geurcirkel volgens initiatiefnemer. Nu ben ik niet heel bekend met geurcirkels en vroeg ik mij af of de omgevingsdienst hier naar gekeken heeft? Wij zijn er nu namelijk van uit gegaan dat de ontwikkeling (bedrijfswoning en schapenstal) niet passend is binnen deze cirkel. De bestemming blijft agrarisch binnen BP. Op deze wijze is ook naar de ruimtelijke kwaliteit gekeken. Indien er wel een bedrijfswoning is toegestaan binnen deze cirkel dan zien wij waarschijnlijk namelijk dat het geheel op de huidige locatie wordt opgelost. Dit zal ik dan opnieuw even moeten bespreken met collega’s. Het plan is getoetst aan artikel 6.49 gezien de ligging binnen de stelling van Amsterdam en de Beemster. Graag opnemen dat het binnen de stelling is gelegen. Het ligt in inundatiegebied, een van de kernkwaliteiten. Voor de rest geen opmerkingen hierover.

Met betrekking tot ruimtelijke kwaliteit (artikel 6.59) kan ik het volgende mee geven: De karakteristieke en solitaire langhuisstolp aan de Hobrederlaan 1 is, door de situering met de zeer lange westzijde uitzonderlijk dicht op de Jisperweg, zeer beeldbepalend voor de situatie ter plekke. Een langhuisstolp met een verlengd voorhuis wordt in deze situering zelden aangetroffen. Het verdwijnen van de langhuisstolp betekent het verlies van een authentieke boerenplaats die teruggaat tot het ontstaan van de polder in de 17de eeuw.

31

De argumenten om de stolp niet ter plekke te behouden zijn echter valide. De hoge investering die gedaan zou moeten worden om de in slechte bouwkundige staat verkerende stolp te behouden, weegt niet op tegen de beperkte woonmogelijkheden. Ook in deze situatie waar de agrarische functie behouden blijft. Dit komt door de vigerende geurcirkel van de aangrenzende boerderij die uitsluitend bewoning van het langhuis mogelijk maakt. Sloop en herbouw aan de oostzijde van de kavel, met terugkeer van dezelfde hoofdvorm en volume, behoudt deze uiterlijke kwaliteiten voor de polder en dat valt te prijzen. Vallend buiten de zogenaamde polderlinten uit de Leidraad Landschap en cultuurhistorie, kan deze verplaatsing uit oogpunt van ruimtelijk kwaliteit alleen worden beoordeeld op het effect dat dit heeft op de openheid van het landschap. Hierin wordt geen winst behaald. Wat aan de westzijde van de kavel aan bebouwing verdwijnt komt er aan de oostzijde bij. En doordat er nu wel een bijgebouw wordt gerealiseerd betekent dit per saldo een vergroting van het bouwvolume. Bij het terugbouwen wordt de stolp 180 graden gedraaid zodat het hoofdvolume zich conform de Beemster traditie naar de weg richt. Ook het erfinrichting volgt de richtlijnen van het Beemster Erf.

Al met al ontstaat een nieuwe situatie die refereert aan de cultuurhistorische waarde van de Beemster en die uit oogpunt van ruimtelijke kwaliteit acceptabel is.” De gemeente heeft op de vraag of een bedrijfswoning wel toegestaan is binnen de geurcirkel gereageerd dat dit wel mogelijk, maar niet meer wenselijk is. De provincie heeft hierop aangegeven dat zij in dat geval akkoord is met verplaatsing van het bouwvlak. Het concept bestemmingsplan is door de provincie beoordeeld in de periode 29-07-2021 tot en met 07-10-2021 beoordeeld. De provincie heeft hierbij aangegeven dat behoud van de huidige stolp niet realistisch is, vanwege milieuredenen en de kosten voor de herbouw van de stolp. De voorgestelde nieuwe locatie van het bouwvlak is acceptabel vanuit ruimtelijke kwaliteit. Vanuit de provincie is hiermee goedkeuring op voorliggend bestemmingsplan

6.1.3 Inspraak en ter visielegging Het bestemmingsplan zal als ontwerp zes weken ter inzage worden gelegd. De uitkomsten hiervan zullen in de toelichting worden opgenomen. Het ontwerpbestemmingsplan heeft van XX tot en met XX 2022 ter inzage gelegen. Binnen deze termijn zijn XX zienswijzen ontvangen. Deze zienswijzen zijn ontvankelijk, en daarmee in behandeling genomen. In bijlage 5 zijn XX zienswijzen samengevat en voorzien van een gemeentelijke reactie.

6.2

Economische uitvoerbaarheid

Op grond van artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. Wat onder een bouwplan moet worden verstaan, is in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangegeven. Het planvoornemen voor realisatie van een woonboerderij met bijgebouw in het plangebied is een bouwplan op grond van artikel 6.2.1, lid b Bro. Doel van de grondexploitatieregeling is het inzichtelijk maken van de financiële haalbaarheid en het bieden van meerdere mogelijkheden voor het kostenverhaal, waardoor er meer sturingsmogelijkheden zijn. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een

32

exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden. Tussen (voormalig) gemeente Beemster en initiatiefnemer is in december 2021 een Anterieure Overeenkomst gesloten.

6.2.1.1 Exploitatiekosten Het plangebied wordt door een private partij ontwikkeld. De exploitatie zal geheel in handen van, en voor risico van, de initiatiefnemer komen te liggen. Deze draagt alle kosten van het bouw- en woonrijp maken van het plangebied. De gemeente hoeft geen risicodragende investeringen voor haar rekening te nemen.

6.2.1.2 Onderzoeks- en plankosten De kosten voor voorliggend bestemmingsplan en de daarbij behorende noodzakelijke onderzoeken worden door de aanvragers van de bestemmingsplanherziening gedragen. De kosten van de gemeente betreffen de gebruikelijke kosten voor planbegeleiding. Het kostenverhaal is gedekt door de anterieure overeenkomst die met initiatiefnemer is aangegaan.

6.2.1.3 Planschade Door het opstellen van een nieuw bestemmingsplan voor de betreffende gronden is er kans dat door eigenaren van gronden in de directe omgeving van het plangebied bij de gemeente op grond van artikel 6.1 Wro een verzoek tot tegemoetkoming in de planschade wordt ingediend. De mogelijke kosten die samenhangen met deze tegemoetkoming in de planschade zullen door de aanvragers van de bestemmingplanherziening worden gedragen. Conclusie Het voorliggende bestemmingsplan mag economisch uitvoerbaar worden geacht.

33

7.

Bijlagen

1. Watertoets 2. Bodemonderzoek 3. Quickscan 4. Rekenbladen verkeer 5. Reacties en zienswijze gemeente

34

Regels Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In deze regels wordt verstaan onder: 1.1 plan het bestemmingsplan ‘Hobrederlaan 1-2022’ met identificatienummer NL.IMRO.0439.BPHOBREDERLAAN1-on01 van de gemeente Purmerend. 1.2 bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3 aanbouw een gebouw met een primaire woonfunctie dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 1.4 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of een figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.5 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.6 aan-huis-verbonden bedrijf een bedrijf dat in, aan of bij een woning wordt uitgeoefend door een (mede) bewoner van de op het bouwperceel gesitueerde woning, waarbij de woning in hoofdzaak haar woonfunctie behoudt en dat is gericht op het verlenen van diensten; de bedrijfsuitoefening dient een ruimtelijke uitwerking en uitstraling te hebben die met de woonfunctie in overeenstemming is; 1.7 aan-huis-gebonden beroep een dienstverlenend beroep, dat in een woning door de bewoner wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is. 1.8 achtererf de gronden die behoren bij het hoofdgebouw en gelegen zijn achter de achtergevel van het hoofdgebouw of achter een denkbeeldige lijn in het verlengde daarvan. 1.9 agrarisch hulpbedrijf een bedrijf, gericht op het voortbrengen van producten door het telen van gewassen of het houden van dieren, daaronder niet begrepen een productiegerichte paardenhouderij, houtteelt, 35

zaadveredeling en de teelt van watergebonden organismen als planten, algen, weekdieren, schelpdieren en vissen; 1.10 bebouwing een of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 1.11 bebouwingspercentage: het in de regels of op de verbeelding aangegeven percentage van een bouwvlak, of indien geen bebouwingsgrenzen zijn aangegeven het percentage van het bestemmingsvlak, dat ten hoogste bebouwd mag worden met gebouwen, tenzij in de regels anders is bepaald; 1.12 bedrijfswoning een woning in of bij een gebouw of op een terrein van een (agrarisch) bedrijf, die slechts is bestemd voor bewoning door (het huishouden van) één of meer personen, wiens huisvesting daar noodzakelijk is, gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein. 1.13 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak. 1.14 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.15 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. 1.16 bouwgrens de grens van een bouwvlak. 1.17 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens het plan zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.18 bouwperceelgrens een grens van een bouwperceel.

1.19 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. 1.20 bouwwerk een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.

36

1.21 bijbehorend bouwwerk uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak. 1.22 bijgebouw een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door zijn vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch en functioneel opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 1.23 erker een uitbouw aan een woning, die zich bevindt aan de voor- of zijgevel of beide, en ondergeschikt is aan de woning; 1.24 escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend; 1.25 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.26 geluidsgevoelige objecten woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen, zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder en artikel 1.2. van het Besluit geluidhinder. 1.27 geluidshinderlijke Wgh-inrichtingen bedrijven, zoals bedoeld in artikel 2.4 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, die in belangrijke mate geluidshinder kunnen veroorzaken.

1.28 gevellijn: aanduiding van de achtergevel en de verlengde lijn van de (bedrijfs)woning; 1.29 hoofdgebouw Gebouw, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is. 1.30 kap constructie ter afdekking van een gebouw waarop de dakbedekking rust, niet zijnde een muur, en die bestaat uit ten minste twee hellende dakvlakken die elkaar snijden op het hoogste punt. 1.31 NEN door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven norm, zoals deze luidde op het moment van vaststelling van het plan. 37

1.32 overkapping een bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat een overdekte ruimte vormt zonder dan wel met ten hoogste een wand; 1.33 perceelsgrens de grens van een bouwperceel. 1.34 prostitutie/prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; 1.35 raamprostitutie: een seksinrichting waarbij de prostitutie/prostituee vanachter de ramen door handeling, houding, woord, gebaar of op andere wijze, passanten tot prostitutie beweegt, uitnodigt dan wel aanlokt; 1.36 recreatie-eenheid: een recreatie-eenheid is een zelfstandige verblijfsruimte in een gebouw die bestemd is voor recreatief verblijf door een persoon, een (deel van een) gezin of een daarmee gelijk te stellen groep mensen en die niet fungeert als permanent of hoofd-woonverblijf; 1.37 seksinrichting: een voor het publiek toegankelijke gebouw dan wel onderkomen waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden; onder een seksinrichting worden in ieder geval verstaan een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf, waaronder tevens begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar; 1.38 sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk

goederen van erotischpornografische aard aan particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd; 1.39 stolpwoning: van oorsprong voor agrarisch doel (inclusief wonen) opgericht gebouw op een vierkante plattegrond, bestaande uit één bouwlaag met pyramidaal dak, dat rust op een constructie van poeren en dwarsbalken; 1.40 thuiswerk: degene die thuis prostitutie bedrijft en voldoet aan de volgende voorwaarden: a. het werk vindt uitsluitend plaats in de eigen woning, waar hij of zij ook volgens het bevolkingsregister staat ingeschreven; b. werving van klanten gebeurt uitsluitend langs informele weg, adverteren mag slechts incidenteel; c. aan de buitenkant van het perceel mag niet blijken dat er prostitutie wordt bedreven;

38

d. er mag door anderen of andere bewoners van de woning geen prostitutie worden bedreven; e. er mag geen sprake zijn van overlast of aantasting van het woon- of leefklimaat; 1.41 uitbouw een gebouw met een primaire woonfunctie dat als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw, welk gebouw door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 1.42 voorgevel de gevel van een gebouw die door zijn aard, functie, constructie of uitstraling als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt, mede gezien de situering van het huisnummer, brievenbus, voordeur en uitrit. 1.43 woning een gebouw of gedeelte van een gebouw, bestaande uit een complex van ruimten, dat is bedoeld en dient voor de huisvesting van één huishouden.

Artikel 2 Wijze van meten Bij de toepassing van deze planregels wordt als volgt gemeten: 2.1 de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens de kortste afstand van het verticale vlak in de zijdelingse perceelsgrens tot enig punt van het op dat bouwperceel voorkomende bouwwerk; 2.2 de dakhelling langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; 2.3 de goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; 2.4 de bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.5 de inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.6 de breedte en diepte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken of het hart van scheidingsmuren; 2.7 de oppervlakte van een bouwwerk

39

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, nederwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; 2.8 het peil de hoogte van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang van een gebouw of, indien de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst, de door burgemeester en wethouders vastgestelde hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; 2.9 de hoogte van een windturbine vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de windturbine. Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw- of bestemmingsgrenzen niet meer dan 0,5m bedraagt.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Agrarisch 3.1 Bestemmingsregels De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. grondgebonden agrarische bedrijven; b. erfpad met bijbehorende beplanting ter plaatse van de aanduiding 'pad'; 3.2 Bouwregels 3.2.1 Algemene bouwregels a. Op deze gronden mag uitsluitend ten behoeve van de bestemming worden gebouwd. b. de zijdelingse afstand van de gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde tot de aanwezige sloten mag niet minder dan 3,6 m bedragen; c. de zijdelingse afstand van de gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot de aanwezige kopergravuresloten mag niet minder dan 7,2 m bedragen. 3.2.2 Bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen De volgende gebouwen mogen worden gebouwd: a. bedrijfsgebouwen, met inachtneming van de volgende regels: 1. er mag uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd; 2. indien de afstand van bedrijfsgebouwen tot de gevellijn niet meer dan 18 m bedraagt, gelden de volgende regels: ▪

de goothoogte mag niet meer dan 3 m bedragen;

▪

de bouwhoogte mag niet meer dan 10 m bedragen;

▪

de bouwhoogte is niet hoger dan de bouwhoogte van de bedrijfswoning;

▪

gebouwen moeten zijn voorzien van een kap haaks op de weg waarvan de dakhelling niet minder dan 30° en niet meer dan 60° mag bedragen; 40

3. indien de afstand van bedrijfsgebouwen tot de gevellijn meer dan 18 m bedraagt, gelden de volgende regels: ▪

de goothoogte mag niet meer dan 5,5 m bedragen;

▪

de bouwhoogte mag niet meer dan 12 m bedragen;

▪

gebouwen moeten zijn voorzien van een kap haaks op de weg waarvan de dakhelling niet minder dan 15° en niet meer dan 30° mag bedragen;

4. indien een bouwwerk zowel binnen als buiten de afstand van 18 m van de aangegeven gevellijn, als bedoeld onder 2 en 3 is gelegen, gelden de regels als genoemd onder 2; b. per bouwvlak één bedrijfswoning, met inachtneming van de volgende regels: 1. de bedrijfswoning mag uitsluitend vooraan binnen het bouwvlak worden gebouwd; 2. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 5,5 m; 3. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 12 m; 4. de bedrijfswoning moeten zijn voorzien van een kap haaks op de weg waarvan de dakhelling van niet minder dan 30° en niet meer dan 60° mag bedragen; 5. de inhoud van een bedrijfswoning, niet zijnde een stolp, inclusief aan- en uitbouwen mag niet groter zijn dan 750 m3; 6. de bedrijfswoning mag in afwijking van het gestelde onder b2, b4 en b5 als een stolpwoning worden gebouwd, waarbij de volgende regels gelden: ▪

de oppervlakte mag niet minder dan 225 m2 (15 x 15 m) rt bedragen;

▪

de goothoogte mag niet meer dan 3,5 m bedragen;

▪

de dakhelling van de piramidekap mag niet minder dan 45º en niet meer dan 52º bedragen;

7. de afstand van een vrijstaande of aan één zijde aangebouwde bedrijfswoning tot de zijdelingse perceelsgrens mag niet minder bedragen dan 4 m; 3.2.3 Pronkgevels Bij een stolpwoning is een verbijzondering van de voorgevel in de vorm van een pronkgevel toegestaan met inachtneming van de volgende regels: a. de goothoogte mag niet meer dan tweemaal de bestaande goothoogte van de stolpwoning bedragen; b. de breedte mag niet meer dan 1/3 van de voorgevel van de stolpwoning bedragen; c. de bouwdiepte vanaf de voorgevel mag niet meer dan 0,5 m bedragen; d. het aantal bouwlagen mag niet meer dan 2 bedragen; e. het midden van de pronkgevel mag uitsluitend op het midden van de voorgevel van het hoofdgebouw liggen; f.

de dakhelling van de kap van de pronkgevel mag niet meer bedragen dan die van het hoofdgebouw.

3.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde, gelden de volgende regels:

41

a. de bouwwerken mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd met uitzondering van landhekken als bedoeld onder f; b. de bouwhoogte van een voedersilo mag niet meer dan 15 m bedragen en de bouwhoogte van een mestsilo mag niet meer dan 6 m inclusief afdekking bedragen; c. de bouwhoogte van erf- of terreinafscheidingen in het achtererfgebied mag maximaal 2 m bedragen; d. de bouwhoogte van antennes en vlaggenmasten mag niet meer dan 6 m bedragen; e. de bouwhoogte van overige bouwwerken, waaronder overkappingen, mag niet meer dan 5 m bedragen; f.

buiten het bouwvlak mogen uitsluitend landhekken met een bouwhoogte van niet meer dan 1,5 m worden gebouwd;

g. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'pad' is een toegangspoort toegestaan, waarbij de volgende regels gelden: 1. de toegangspoort mag alleen in het voorerfgebied gebouwd worden; 2. de bouwhoogte van de poort mag niet meer dan 4 m bedragen. 3.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in: a. lid 3.2.2 sub a onder 1, voor het bouwen buiten het bouwvlak, mits: ▪

de oppervlakte van de denkbeeldige rechthoek waarvan het bestaande bouwvlak deel uitmaakt, niet meer dan 2 ha bedraagt;

▪

er geen m.e.r.-plichtige activiteiten mogelijk worden gemaakt;

en tevens is voldaan aan de volgende voorwaarden: 1. voor de concrete situatie moet zijn aangetoond dat er binnen het bestaande bouwvlak onvoldoende ruimte is; 2. er moet sprake zijn van een grondgebonden agrarisch bedrijf óf van een nietgrondgebonden (intensief) veehouderijbedrijf dat moet uitbreiden in verband met wettelijke eisen op het gebied van milieu en/of dierenwelzijn en/of -gezondheid; 3. er moet sprake zijn van een goede landschappelijke/stedenbouwkundige inpassing die uitgevoerd en duurzaam in stand wordt gehouden conform het verslag van het keukentafeloverleg, waarvan de werkwijze is opgenomen in Artikel 35 Algemene procedureregels; 4. bij de inpassing van nieuwe bouwwerken moet rekening worden gehouden met de belangen van de omgevingsaspecten en moeten de volgende kernkwaliteiten worden behouden of versterkt: ▪

de kernkwaliteiten van UNESCO-werelderfgoed Droogmakerij de Beemster, zoals die in bijlage 4 zijn aangegeven;

▪

de kernkwaliteiten van UNESCO-werelderfgoed De Stelling van Amsterdam, zoals die in bijlage 5 zijn aangegeven.

b. lid 3.2.2 sub a onder 2, voor het bouwen in overeenstemming met het gestelde in 3.2.2 sub a onder 3; 42

c. lid 3.2.2 sub a onder 3, voor het bouwen tot een goothoogte van maximaal 7 m, mits met deze afwijking de kernkwaliteiten van UNESCO-werelderfgoed Droogmakerij de Beemster en/of de kernkwaliteiten van UNESCO-werelderfgoed De Stelling van Amsterdam, zoals die in bijlage 4 en 5 bij deze regels zijn aangegeven, worden behouden en/of versterkt; d. lid 3.2.2 sub b onder 7 en 8, wat betreft het bouwen tot op de zijdelingse perceelsgrens; e. lid 3.2.2 sub a onder 3 en 4 of b onder 4 voor het plat afdekken of voor een kap niet haaks op de weg, mits met deze afwijking de kernkwaliteiten van UNESCO-werelderfgoed Droogmakerij de Beemster, zoals die in de bijlage 4 zijn aangegeven, worden behouden en/of versterkt. 3.4 Specifieke gebruiksregels 3.4.1 Strijdig gebruik Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan: a. het gebruik van gronden en bebouwing binnen het agrarisch bouwperceel voor het houden van vee, indien dit leidt tot een toename van de stikstofdepositie ten opzichte van de bestaande situatie (zie 2.1 bestaande situatie (stikstofdepositie)) vanaf het betreffende agrarisch bouwperceel op de maatgevende voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000gebieden; b. het opslaan of opgeslagen hebben, in enigerlei vorm, van stoffen en materialen van welke soort dan ook, anders dan ter plaatse noodzakelijk voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf; c.

het opslaan of opgeslagen hebben, in enigerlei vorm, van stoffen en materialen voor statische opslag, voor zover deze opslag meer ruimte inneemt dan 1.000 m 2, alsmede het aanwezig of opgeslagen hebben van één of meer aan hun gebruik onttrokken, gerede dan wel onklare machines, voer-, vaar- of vliegtuigen, dan wel onderdelen daarvan; d. het gebruik als manege; e. het bedrijfsmatig ten behoeve van derden vervaardigen of herstellen van goederen, uitgezonderd het verwerken van producten afkomstig van het betrokken agrarisch bedrijf; f.

het bedrijfsmatig verkopen of ten verkoop aanbieden van goederen bestemd en gereed voor onmiddellijk gebruik of verbruik, uitgezonderd de verkoop of het ten verkoop aanbieden van producten afkomstig van het betrokken agrarisch bedrijf tot een oppervlakte van maximaal 50 m2;

g. het gebruik van gronden ten behoeve van bosbouw; h. het aanleggen of aanwezig hebben van een paardenbak; i.

het aanleggen of aanwezig hebben van een paddock buiten het bouwvlak.

3.4.2 Ondergeschikte nevenactiviteiten Binnen de bestemming 'Agrarisch' is de uitoefening van ondergeschikte nevenactiviteiten in de vorm van een aan huis verbonden beroep of bedrijfsactiviteiten toegestaan, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de ondergeschikte nevenactiviteiten mogen alleen plaatsvinden in de bestaande gebouwen;

43

b. de gezamenlijke vloeroppervlakte mag niet meer bedragen dan 50% van het bruto vloeroppervlak van de bestaande gebouwen; ondergeschikte nevenactiviteiten zijn uitsluitend toegestaan als ze zijn genoemd in categorie 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten zoals opgenomen in bijlage 1 bij deze regels of daarmee wat betreft de milieuhinder vergelijkbare activiteiten. Daarbij zijn in ieder geval de volgende functies (ook) toelaatbaar: 1. veeartsenpraktijk; 2. hoefsmederij; 3. ambachtelijke be- en verwerking van agrarische producten (kaasmakerij, imkerij, etc.); 4. agrarisch natuur- en landschapsbeheer; 5. hoveniersactiviteiten; 6. kinderboerderij; 7. kano-, roeiboot- en fietsenverhuur; 8. sociale functie, zoals een kinderopvang of een zorgboerderij; 9. milieueducatie / rondleidingen; 10. musea / tentoonstellingsruimte / atelier; c. detailhandel is niet toegestaan, met uitzondering van de verkoop van producten afkomstig van het betrokken agrarisch bedrijf tot een oppervlakte van maximaal 50 m 2; d. horeca is niet toegestaan, met uitzondering van kleinschalige horeca in de vorm van een theeschenkerij, een proeverij, een boerderijcafé, of vergelijkbare functie met aan maximale oppervlakte van 100 m2; e. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gevoelige objecten en/of bedrijven mogen niet onevenredig worden aangetast; f.

er vindt geen opslag en/of stalling van goederen en materiaal plaats buiten de bedrijfsgebouwen;

g. parkeren vindt plaats op eigen erf; h. het gebruik mag niet leiden tot een onevenredige toename van het verkeer; i.

de activiteit mag uitsluitend worden uitgeoefend door de bewoner.

3.4.3 Voorwaardelijke verplichting Het gebruik van de gronden en bebouwing, als bedoeld in artikel 3.1 lid a, is uitsluitend toegestaan indien de stolpboerderij die op het moment van vaststelling van dit bestemmingsplan op dit perceel aanwezig is, binnen twee jaar na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan wordt gesloopt. Ook de bestaande brug/dam naar het perceel wordt verwijderd, waarbij het perceel in onbebouwde staat wordt teruggebracht.

44

3.5 Afwijken van de gebruiksregels 3.5.1 Plattelandswoning Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in lid 3.1 sub i, voor het gebruik van een agrarische bedrijfswoning door derden die geen binding hebben met het agrarisch bedrijf, mits er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 3.5.2 Kleinschalig kamperen a. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in lid 3.4.1 sub c, ten behoeve van een kampeerterrein, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de kernkwaliteiten van UNESCO-werelderfgoed Droogmakerij de Beemster of van UNESCOwerelderfgoed De Stelling van Amsterdam, zoals die in de bijlage 4 en 5 zijn aangegeven, worden behouden en/of versterkt; b. het kampeerterrein mag uitsluitend worden gebruikt gedurende de periode van 1 maart tot en met 31 oktober; c. het aantal standplaatsen voor kampeermiddelen mag niet meer bedragen dan 20; d. per kampeerterrein mogen niet meer dan zes standplaatsen worden ingenomen door demontabele verblijfsaccommodaties; e. per kampeerterrein mag niet meer dan één standplaats worden ingenomen door één trekkershut; f.

de oppervlakte van het kampeerterrein mag niet meer bedragen dan 5.500 m 2;

g. het kampeerterrein dient binnen het bouwvlak gesitueerd te zijn. Indien daar onvoldoende ruimte beschikbaar is, mag ten hoogste 1.500 m2 buiten het bouwvlak worden gesitueerd, waarbij het aanvullende kampeerterrein zijdelings direct aansluit op de grens van het agrarische bouwvlak; h. sanitaire en andere voorzieningen ten behoeve van het kleinschalig kampeerterrein mogen uitsluitend worden gerealiseerd binnen de bestaande bedrijfsgebouwen in het agrarische bouwvlak; i.

het inrichten of hebben van een kleinschalig kampeerterrein mag niet gepaard gaan of gevolgd worden door uitbreiding van het bouwvlak vanwege de oorspronkelijke bestemming;

j.

het kleinschalig kampeerterrein en de daarbij behorende parkeervoorzieningen dienen gesitueerd te zijn achter de achtergevelrooilijn van de agrarische bedrijfswoning;

k. de afstand van een trekkershut vanaf de gevellijn mag niet meer dan 18 m bedragen; l.

de inrichting van het kampeerterrein dient plaats te vinden conform een door de gemeente goedgekeurd erfinrichtingsplan;

m. gedurende de periode van 1 november tot 1 maart mogen geen kampeermiddelen of demontabele verblijfsaccommodaties worden geplaatst en/of geplaatst worden gehouden. 3.5.3 Bed and breakfast Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen in afwijking van bepaalde in lid 3.4.1 sub c, ten behoeve van een bed and breakfast, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: 45

a. de bed and breakfast mag uitsluitend worden gerealiseerd in de bestaande bedrijfswoning en/of de bestaande bedrijfsgebouwen; b. de bed and breakfast verschaft aan niet meer dan 8 personen gelijktijdig nachtverblijf ; c. parkeren ten behoeve van de bed and breakfast vindt plaats op eigen terrein; d. een bed and breakfast in de bedrijfswoning is uitsluitend toegestaan in combinatie met de woonfunctie. 3.5.4 Recreatie-eenheden en groepsaccommodatie Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in lid 3.4.1 sub c, ten behoeve van het realiseren van recreatie-eenheden of een groepsaccommodatie in bestaande bedrijfsgebouwen, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de vloeroppervlakte van een recreatie-eenheid mag ten hoogste 75 m2 bedragen of de inhoud van een recreatie-eenheid mag ten hoogste 200 m3 bedragen; b. parkeren ten behoeve van de recreatie-eenheden dient op eigen terrein plaats te vinden; c. per agrarisch bedrijf mag één groepsaccommodatie worden gerealiseerd; d. de realisering van een groepsaccommodatie/recreatie-eenheden in een bedrijfsgebouw mag niet leiden tot noodzakelijke uitbreiding van de agrarische bedrijfsbebouwing; e. de recreatieve activiteiten dienen voor wat betreft inkomsten, oppervlakte en tijdsbesteding ondergeschikt te zijn aan de agrarische hoofdfunctie van het bedrijf; f.

de verkeersaantrekkende werking mag niet onevenredig toenemen.

3.5.5 Huisvesting tijdelijke seizoensarbeiders/arbeidsmigranten Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in lid 3.1 sub j voor de huisvesting van max. 16 seizoensarbeiders/arbeidsmigranten in bestaande agrarische bedrijfsgebouwen, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. er moet sprake zijn van een volwaardig agrarisch bedrijf; b. de maximale gebruiksoppervlakte mag niet meer dan 200 m2 exclusief recreatieruimten bedragen (i.c. 12,50 m2 p.p.); c. de kwaliteit van de huisvesting moet voldoende hoog zijn voor een acceptabel woon- en leefklimaat; d. het parkeren vindt plaats op eigen erf; e. met het gebruik de kernkwaliteiten van UNESCO-werelderfgoed Droogmakerij de Beemster en/of de kernkwaliteiten van UNESCO-werelderfgoed De Stelling van Amsterdam, zoals die in bijlage 4 en 5 bij deze regels zijn aangegeven, worden behouden en/of versterkt. 3.5.6 Paardenbakken a. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 3.4.1 sub h, voor het aanleggen van een paardenbak binnen het bouwvlak, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: 1. per bouwvlak is maximaal één paardenbak toegestaan; 2. de bouwhoogte van de omheining mag niet meer bedragen dan 1,5 m;

46

3. de bouwhoogte van lichtmasten ten behoeve van de paardenbak mag niet meer bedragen dan 5 m. b. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 3.4.1 sub h en i, voor het (deels) aanleggen van een paardenbak en/of paddock buiten het bouwvlak ten behoeve van de aangrenzende bestemming 'Wonen', mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: 1. uitsluitend eigendomspercelen groter dan 5.000 m2 komen voor deze afwijking in aanmerking; 2. de oppervlakte van een paardenbak mag niet meer bedragen dan 800 m2; 3. de paardenbak en/of paddock dienen in het verlengde van de bestaande bebouwing te worden gesitueerd; 4. de paardenbak mag van een omheining worden voorzien waarvan de hoogte niet meer mag bedragen dan 1,5 m; 5. in een inrichtingsplan dient de ruimtelijke en landschappelijke inpassing van de paardenbak en/of paddock te worden vastgelegd.

Artikel 5 Tuin 5.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Tuin’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. tuinen; b. erfpad met bijbehorende beplanting ter plaatse van de aanduiding ‘pad’; 5.2 Bouwregels a. Op deze gronden mogen uitsluitend erkers aan aanliggende woningen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, worden gebouwd. Voor het bouwen van een erker gelden de volgende regels: 1. erkers zijn niet toegestaan bij karakteristieke bouwwerken; 2. de diepte niet meer mag bedragen dan 1,5 m; 3. de breedte niet meer mag bedragen dan 2/3 van de gevelbreedte van de woning. b. Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘pad’ is een toegangspoort toegestaan, waarbij de volgende regels gelden: 1. de toegangspoort mag alleen in het voorerfgebied gebouwd worden; 2. de bouwhoogte van de poort en bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 4 m bedragen. c. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde gelden de volgende regels: 1. uitsluitend op het achtererf mag worden gebouwd; 2. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3 m; 3. de oppervlakte van een overkapping mag niet meer bedragen dan 15 m2.

47

Artikel 6 Waarde - Cultuurhistorie 6.1 Bestemmingsomschrijving De op de verbeelding als ‘Waarde – Cultuurhistorie’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. behoud van de aanwezige cultuurhistorische en landschappelijke waarden; b. de overige bestemmingen die daaraan zijn toegewezen op basis van de verbeelding. 6.2 Bouwregels Op deze gronden mag ten behoeve van de op de verbeelding aangegeven onderliggende bestemming worden gebouwd met in acht name van aanwezige cultuurhistorische waarden. 6.3 Nadere eisen Het bevoegd gezag kan voor de bouw van bouwwerken bij afwijking van de bouwregels of bij toepassing van een wijzigingsbevoegdheid ten dienste van de op de verbeelding aangegeven onderliggende bestemming eisen dat: a. de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport overlegt waaruit blijkt dat de cultuurhistorische en landschappelijke waarden van het terrein dat wordt verstoord in voldoende mate is vastgesteld en met deze waarden actief rekening wordt gehouden; b. alvorens de afwijking wordt verleend, advies wordt ingewonnen bij een door het bevoegd gezag aan te wijzen deskundige; c. er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische en landschappelijke waarden van het gebied.

Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 7 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is gekomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 8 Algemene bouwregels 8.1 Het is verboden op een terrein of bouwperceel zodanig te bouwen, dat daardoor op een aangrenzend terrein of bouwperceel een toestand zou ontstaan, die ter plaatse niet meer met de regels zou overeenstemmen, of voor zover al daar een afwijking van de regels bestaat, zodanig te bouwen, dat deze afwijking nog zou worden vergroot. 8.2 Voor het bouwen van gebouwen op en onder de in lid 9.1 genoemde gronden geldt dat een op grond van de hoofdbestemming toelaatbaar geluids- en gevaargevoelig gebouw of een uitbreiding van een geluids- en gevaargevoelig gebouw niet mag worden gebouwd. 48

8.3. Burgemeester en wethouders kunnen een omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in lid 9.2 ten behoeve van het bouwen van nieuwe dan wel het uitbreiden van bestaande geluids- en gevaargevoelige gebouwen, mits: a. de geluidsbelasting vanwege het industrieterrein op de gevels van geluidsgevoelige gebouwen niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde, of een verkregen hogere waarde; b. het externe veiligheidsrisico voor gevaargevoelige gebouwen niet hoger zal zijn dan de toegestane waarden voor individueel en groepsrisico in de Wet milieubeheer.

Artikel 9 Algemene gebruiksregels 9.1 Verboden gebruik Onder verboden gebruik als bedoeld in artikel 2.1. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) wordt in ieder geval verstaan: a. gebruik van gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens ten behoeve van een seksinrichting en/of escortbedrijf, sekswinkel, thuiswerk, raamprostitutie en straatprostitutie; b. het gebruik van bijgebouwen bij een woning als zelfstandige woning. 9.2 Parkeervoorzieningen 1. Bij de uitoefening van de bevoegdheid tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk of het gebruiken van gronden of bouwwerken geldt dat in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien. Of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid, wordt bepaald aan de hand van het gemiddelde (afronding naar boven) bepaalde in de actuele ASVV. 2. In afwijking van lid 1 hoeft niet voldaan te worden aan de ASVV-norm in het geval Burgemeester en wethouders besloten hebben af te wijken van deze norm op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht. 3. In het geval de gemeenteraad gedurende de planperiode beleidsregels heeft vastgesteld die parkeernormen bevatten, dient hieraan voldaan te worden. Hetzelfde geldt voor eventuele wijzigingen of vervanging van deze beleidsregels.

Artikel 10 Algemene afwijkingsregels Burgemeester en wethouders kunnen een omgevingsvergunning verlenen in afwijking van de in het plan gestelde regels ten aanzien van de navolgende afwijkingsmogelijkheden: 10.1 Afwijkingsregel voor 10% afwijken maten, afmetingen en percentages Burgemeester en wethouders kunnen een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van de in de regels gegeven maten, afmetingen en percentages tot niet meer dan 10% van die maten, 49

afmetingen en percentages. Deze afwijking is niet van toepassing op woningen, bedrijfswoningen en recreatiewoningen en bebouwing binnen 18 m van de gevellijn. 10.2 Afwijkingsregels gebouwen, geen woning of bedrijfswoning zijnde Burgemeester en wethouders kunnen een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken voor de bouw van utilitaire bouwwerken, waaronder transformatorhuisjes, gasdrukregel- en meetstations en gemalen, met inachtneming van de volgende regels: 1. de oppervlakte mag niet meer dan 25 m2 bedragen; 2. de goothoogte mag niet meer dan 3,5 m bedragen; 3. de bouwhoogte mag niet meer dan 6 m bedragen. 10.3 Afwijkingsregels voor vervangende nieuwbouw Burgemeester en wethouders kunnen een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken voor het overschrijden van de voorgeschreven bouwregels voor (bedrijfs)woningen ten behoeve van een vervangende (bedrijfs)woning, met inachtneming van de volgende regels: 1. de afwijking van de goothoogte en voorgevelbreedte voor woningen mag niet meer dan 60 cm bedragen; 2. de inhoud van de (bedrijfs) woning mag niet meer dan de bestaande inhoud van de (bedrijfs)woning of maximaal 750 m3 bedragen; 3. een (bedrijfs)woning mag vervangen worden door een stolp, met inachtneming van de volgende regels; a. het bouwperceel heeft een oppervlakte van niet minder dan 1 ha; b.

de oppervlakte van de stolp mag niet minder dan 225 m2 (15 x 15 m) bedragen; c. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3,5 m; d. de dakhelling mag niet minder dan 45º en niet meer dan 52 º bedragen; e. de afstand van de stolp tot de zijdelingse perceelsgrens mag niet minder bedragen dan 5 m; f.

het met niet meer dan 5 m afwijken van een vastgesteld onderdeel van de grens, richting of het profiel van een weg, indien bij definitieve uitmeting blijkt, dat een zodanige afwijking noodzakelijk is.

10.4 Toepassingskader De afwijkingen van dit artikel kunnen uitsluitend worden verleend, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: a. een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld; b. de verkeersveiligheid; c. de sociale veiligheid; d. de milieusituatie; e. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; f.

de mogelijkheden tot behoud, herstel en ontwikkeling van de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van de droogmakerij. 50

Artikel 11 Algemene regels omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden 11.1 Verbod werk of werkzaamheid zonder vergunning Het is verboden, op of in de in dit plan bedoelde gronden, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden, geen normale onderhoudswerkzaamheden zijnde en niet zijnde werkzaamheden van ondergeschikte betekenis, uit te voeren, te doen of te laten uitvoeren, zijnde: a. het ontginnen, bodemverlagen, afgraven, ophogen of egaliseren van gronden; b. het aanbrengen van bovengrondse of ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; c. het graven, vergraven of dichten van waterlopen; d. het beplanten, aanbrengen van houtgewas op en bebossen van gronden, die ten tijde van het van kracht worden van dit plan als niet zijnde beplant met houtgewas of niet als bosgronden konden worden aangemerkt; e. het aanbrengen van afbeeldingen of tekens voor commerciële doeleinden.

11.2 Toetsingscriterium Burgemeester en wethouders verlenen een vergunning zoals bedoeld in lid 10.1 als voldoende is gebleken dat de gevolgen daarvan de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van de droogmakerij niet onevenredig aantast, of dat de mogelijkheden tot herstel van de waarden niet verkleind worden. 11.3 Advies beoordelingscommissie Alvorens te beslissen over de vergunning wordt door burgemeester en wethouders zo nodig advies gevraagd van een daartoe aangewezen beoordelingscommissie van deskundigen.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 12 Overgangsrecht Overgangsrecht bouwwerken 1.

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, a)

gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;

b) na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden

vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

51

2.

Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

Overgangsrecht gebruik 1.

Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

2.

Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

3.

Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

4.

Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 13 Slotregel Deze regels worden aangehaald als Regels van het bestemmingsplan Hobrederlaan 1– 2022

52

Bijlage bij Regels

Bijlage 1 Staat van bedrijfsactiviteiten Bijlage 2 Kernkwaliteiten UNESCO-werelderfgoed Droogmakerij Beemster Bijlage 3 Kernkwaliteiten UNESCO-werelderfgoed De Stelling van Amsterdam

53

Bijlage 1 Staat van bedrijfsactiviteiten

54

Bijlage 2 Kernkwaliteiten UNESCO-werelderfgoed Droogmakerij Beemster

55

Bijlage 3 Kernkwaliteiten UNESCO-werelderfgoed De Stelling van Amsterdam

56

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11444127/1