B -bestemmingsplan-wormerweg-27-toelichting
Tekst van het document
WORMERWEG 27, WESTBEEMSTER bestemmingsplan
Wormerweg 27, Westbeemster bestemmingsplan
Plannaam:
Wormerweg 27, Westbeemster
ID code:
NL.IMRO.0439.BPWormerweg27-VA01
Gemeente:
Purmerend
Plan gemaakt door:
DLV Advies
Versie:
Vastgesteld
Datumn:
29-06-2023
Inhoudsopgave Toelichting Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Plangebied 1.3 Geldende bestemmingsplannen 1.4 Leeswijzer Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie 2.2 Gewenste situatie Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid Hoofdstuk 4 Ruimtelijke- en milieuaspecten 4.1 Milieu 4.2 Ecologie 4.3 Archeologie en cultuurhistorie 4.4 Verkeer en parkeren 4.5 Wateraspecten Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid 5.1 Economische uitvoerbaarheid 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.3 Handhaving Hoofdstuk 6 Wijze van bestemmen 6.1 Doel en reikwijdte 6.2 Onderdelen van een bestemmingsplan 6.3 Voorliggend bestemmingsplan
3 4 4 4 6 7 8 8 12 15 15 19 22 29 29 35 40 41 42 46 46 46 47 48 48 48 50
2
T oelichting
3
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Voorliggend plan betreft een gedeeltelijke herziening van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012, Partiële herziening 2021" van gemeente Purmerend ten behoeve van het vergroten van het agrarische bouwvlak naar 1,5 hectare aan de Wormerweg 27 te Westbeemster. Op de locatie is een melkveehouderij gevestigd met een vergunning voor het houden 580 melkkoeien en 64 stuks jongvee. Binnen het huidige bouwvlak van 0,91 hectare is vrijwel geen ruimte beschikbaar om het bedrijf verder te ontwikkelen. Het is voor een optimale bedrijfsvoering noodzakelijk om een loods voor de opslag van machines en een drietal sleufsilo's te realiseren. In de huidige situatie is er onvoldoende ruimte op de locatie, waardoor de machines en opslag van ruwvoer elders plaats vindt. In het hoofdstuk "Planbeschrijving" (hoofdstuk 2) wordt het initiatief verder toegelicht, daar is ook een situatietekening van de nieuwe situatie opgenomen. De voorgenomen ontwikkeling is noodzakelijk om een aantal redenen. Het kunnen stallen van de machines op het eigen terrein Het opslaan van ruwvoer op eigen terrein. De gewenste ontwikkeling past niet binnen het bepaalde in het geldende bestemmingsplan.
De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen met de voorgenomen ontwikkeling, mits hiervoor een partiële herziening op het bestemmingsplan wordt opgesteld conform artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Voorliggend document dient als toelichting waarin nader wordt gemotiveerd waarom de ontwikkeling mogelijk kan worden gemaakt en deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.
1.2
Plangebied
Het plangebied is gelegen aan de Wormerweg 27 en is gelegen ten noordwesten van Purmerend, in het landelijk gebied van gemeente Purmerend. Tevens is het plangebied gelegen in een gebied dat is aangewezen als UNESCO werelderfgoed (paragraaf 3.1.2). Het plangebied is kadastraal bekend onder gemeente Beemster, sectie F, nummers 1596, 1597, 1603 en 1604. De percelen hebben gezamenlijk een oppervlakte van 58.895 m². Het bedrijf wordt middels twee inritten op de Wormerweg en middels één inrit op de Volgerweg ontsloten en is omringt door kavelsloten. In de figuren 1 en 2 zijn de topografische ligging en een luchtfoto van de locatie weergegeven.
4
Figuur 1. Uitsnede topografische kaart locatie (bron: www.opentopo.nl).
Figuur 2. Luchtfoto plangebied (bron: Pdok.nl).
5
1.3
Geldende bestemmingsplannen
Ter plaatse is momenteel het bepaalde uit het bestemmingsplan "Buitengebied 2012, Partiële herziening 2021" van de gemeente Purmerend, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 26 oktober 2021, onverkort van toepassing. Zoals te zien in figuur 3 is ter plaatse de enkelbestemming 'Agrarisch' en de dubbelbestemming 'Waarde Cultuurhistorie' van toepassing. Tevens zijn ter plaatse de functieaanduiding 'specifieke vorm van waarde 4' en de bouwaanduiding 'karakteristiek' van toepassing. Ter plaatse is een bouwvlak van 0,91 hectare toegekend.
Figuur 3. Uitsnede verbeelding (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl). Agrarisch De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven, een ondergeschikte neventak in de vorm van een intensieve veehouderij (met een maximale bedrijfsvloeroppervlakte van 750 m²) en het wonen ten behoeve van het bedrijf. Ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' geldt het behoud en de bescherming van karakteristieke bouwwerken. Op de agrarische gronden mag uitsluitend ten behoeve van de bestemming en aanduidingen worden gebouwd. Er mag uitsluitend binnen bouwvlakken worden gebouwd. Bedrijfsgebouwen mogen worden gebouwd met inachtneming van de volgende regels: 1. indien de afstand van bedrijfsgebouwen tot de gevellijn niet meer dan 18 m bedraagt, gelden de volgende regels: a. de goothoogte mag niet meer dan 3 m bedragen; b. de bouwhoogte mag niet meer dan 10 m bedragen; c. de bouwhoogte niet hoger is dan de bouwhoogte van de bedrijfswoning; d. gebouwen moeten zijn voorzien van een kap haaks op de weg waarvan de dakhelling niet minder dan 30° en niet meer dan 60° mag bedragen; 2. indien de afstand van bedrijfsgebouwen tot de gevellijn meer dan 18 m bedraagt, gelden de volgende regels: a. de goothoogte mag niet meer dan 5,5 m bedragen; b. de bouwhoogte mag niet meer dan 12 m bedragen; c.
gebouwen moeten zijn voorzien van een kap haaks op de weg waarvan de dakhelling niet minder dan 15° en niet meer dan 30° mag bedragen; 6
3. indien een bouwwerk zowel binnen als buiten de afstand van 18 m van de gevellijn, als bedoeld onder 2 en 3 is gelegen, gelden de regels als genoemd onder 2; Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt dat de bouwhoogte van overige bouwwerken niet meer dan 5 meter mag bedragen. Waarde Cultuurhistorie De voor 'Waarde - Cultuurhistorie' aangewezen gronden zijn bestemd voor het behoudt van de aanwezige cultuurhistorische en landschappelijke waarden. Op deze gronden mag worden gebouwd met inachtneming van de aanwezige cultuurhistorische waarden. De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen de bepalingen uit het geldende bestemmingsplan. In het geldende bestemmingsplan is eveneens geen afwijkingsmogelijkheid en/of wijzigingsbevoegdheid opgenomen om realisatie van de loods en sleufsilo's buiten het bouwvlak mogelijk te maken. Om deze reden is het noodzakelijk het geldende bestemmingsplan gedeeltelijk te herzien met een partiële herziening (ook wel postzegelbestemmingsplan genoemd). Middels voorliggend bestemmingsplan wordt een nieuw planologisch regime vastgelegd welke de strijdigheid met het geldende bestemmingsplan opheft. De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen, mits wordt aangetoond dat de ontwikkeling niet zal leiden tot bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.
Middels voorliggende toelichting wordt de ontwikkeling nader gemotiveerd en wordt aangetoond dat deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.
1.4
Leeswijzer
Deze toelichting is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 2 gaat in op de huidige en gewenste situatie en bevat een beschrijving van de situatie ter plaatse zoals momenteel bekend en de gewenste situatie ter plaatse na realisatie van de plannen van de initiatiefnemer. Hoofdstuk 3 gaat in op de vigerende beleidskaders. Hierin worden de plannen van de initiatiefnemer getoetst aan het ruimtelijk beleid van het rijk, de provincie en de gemeente. Hoofdstuk 4 gaat in op de toetsing van het plan aan de aspecten milieu, ecologie, archeologie en cultuurhistorie, verkeer en parkeren en water. Hierin worden verschillende bureaustudies beschreven en, indien van toepassing, uitgevoerde aanvullende onderzoeken beschreven. Hoofdstuk 5 gaat in op de uitvoerbaarheid van het plan. Hierin worden de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan getoetst en wordt kort ingegaan op het aspect handhaving. Hoofdstuk 6 bevat de wijze van bestemmen. Hierin wordt nader gespecificeerd welke onderdelen een bestemmingsplan hoort te bevatten en welke bijzondere bepalingen ten aanzien van voorliggend plan van toepassing zijn.
7
Hoofdstuk 2
Planbeschrijving
2.1
Huidige situatie
2.1.1
Geschiedenis
2.1.1.1 Algemeen De Beemster is tussen 1608 en 1612 drooggelegd door Amsterdamse kooplieden die het project onder andere met VOC-gelden en verdiensten uit de Oostzeehandel financierden. Rond het Beemstermeer werd daarom een ringdijk met een ringvaart aangelegd. Vervolgens werd het water met behulp van een aantal molengangen met elk drie molens uitgemalen, die nadien voor de afwatering van de polder moesten zorgen. Op 19 mei 1612 viel De Beemster definitief droog. De denkbeelden van de Gouden Eeuw bepaalden in 1612 de structuur van de verkaveling. De Beemster was het eerste grootschalige landschapsproject in de wereld waarin het principe van de Gulden Snede volledig werd toegepast. Toen werd het nieuwe land verdeeld in een raster van vierkanten van 1.850 bij 1.850 meter volgens de klassieke opvattingen is dat een volledig harmonieus geheel. De verkaveling voldeed zonder meer aan de wensen van de droogleggers en hun opdrachtgevers, want symmetrie werd in de 17e eeuw gezien als de absolute perfectie. Dit verkavelingspatroon is nu nog steeds terug te vinden in De Beemster. Oorspronkelijk waren er voor De Beemster in de 17e eeuw vijf woonkernen geprojecteerd. Daarvan zijn het centrumdorp Middenbeemster en Westbeemster en Noordbeemster daadwerkelijk gerealiseerd, Zuid- en Oostbeemster werden samengevoegd tot Zuidoostbeemster.
2.1.1.2 Westbeemster Westbeemster was gepland op de kruising van de Jisperweg en de Hobrederweg. Het was oorspronkelijk een agrarisch gehucht dat zich als een lintdorp langs de Jisperweg heeft ontwikkeld. Het dorp Westbeemster ontwikkelde zich uiteindelijk per toeval rondom een Rooms Katholieke schuilkerk noordelijk van bovengenoemde kruising. Van oudsher is Westbeemster een katholieke enclave in de overwegend protestantse droogmakerij Beemster. Al in de eerste helft van de zeventiende eeuw ontstonden enkele schuilkerken in de stolpboerderijen in het westelijk deel van de Beemster. Het duurde echter tot 1879 tot de grootschalige neogotische kerk van St. Johannes de Doper met pastorie werd ingewijd. In 1910 werd naast de kerk het klooster van Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes (1910) gerealiseerd. Deze gebouwen domineren nog steeds de dorpse bebouwing. Vooral in de vijftiger jaren van de vorige eeuw is Westbeemster rondom de kerk uitgegroeid tot de huidige omvang. Vanaf 1958 groeide Westbeemster niet veel meer. 2.1.2 Gebiedsprofiel Het plangebied is gelegen in het landelijk gebied van gemeente Purmerend. Dit gebied is aangemerkt als UNESCO werelderfgoed (paragraaf 3.1.2). De omgeving van de locatie bestaat voornamelijk uit een open polderlandschap. De verkavelingsstructuur betreft een stroken verkaveling met een grootschalige opzet.
De onderlinge kavels worden gescheiden door kavelsloten en lijnen in het landschap. In de nabije omgeving van de locatie zijn enkele agrarische bedrijven en burgerwoningen gelegen.
8
Figuur 4. Luchtfoto gebied (bron: Google Maps). 2.1.3 Ruimtelijke structuur Ter plaatse van het plangebied is momenteel een melkveehouderij gevestigd. Op het bedrijf worden volgens de vigerende natuurvergunning van 6 december 2016, met kenmerk RUD16.194046, 580 stuks melkkoeien en 64 stuks vrouwelijk jongvee gehouden. In het plangebied is een bedrijfswoning aanwezig, deze bevindt zich in de karakteristieke stolp. Met tevens een bedrijfsgebouw van 725 m² aan de oostzijde van het perceel. Daarnaast is er een ligboxenstal van circa 6.500 m² aanwezig. De naastgelegen gronden zijn in gebruik als grasland. Het bedrijf wordt middels twee inritten op de Wormerweg en middels één inrit op de Volgerweg ontsloten en is omringt door kavelsloten. Ter plaatse is een bouwvlak toegekend. Het huidige bouwvlak is ongeveer 0,91 hectare groot. In figuur 5 t/m 8 zijn foto's opgenomen van de huidige situatie.
9
Figuur 5. Luchtfoto huidige situatie ter plaatse (bron: Pdok.nl).
Figuur 6. Foto zijaanzicht inrit zuidzijde (bron Google streethview).
10
Figuur 7. Foto zijaanzicht inrit noordzijde (bron Google streethview).
Figuur 8. Foto zijaazicht locatie uitbreidingen (bron: ).
11
2.2
Gewenste situatie
2.2.1 Ruimtelijke structuur Het plan voorziet in een vergroting van het bouwvlak naar 1,5 hectare. Dit betreft een vergroting van 0,59 hectare. Het vergroten van het bouwvlak is noodzakelijk omdat het huidige bouwvlak onvoldoende ruimte biedt voor uitbreiding van de melkveehouderij. In de huidige situatie is er onvoldoende ruimte op de locatie, waardoor de machines en opslag van ruwvoer elders plaatsvindt. Voor een optimale bedrijfsvoering is het daarom noodzakelijk om een loods voor de opslag van machines en werktuigen te realiseren. Daarnaast is het ook noodzakelijk om voor de opslag van ruwvvoer 3 sleufsilo's te plaatsen. Ter plaatse wordt een loods gerealiseerd van 21,80 meter breed en 60,4 meter lang. Dit betreft een oppervlakte van 1.316,72 m². De loods krijgt een goothoogte van 4,5 meter en een bouwhoogte van 8,43 m. In onderstaande figuur zijn de verschillende zijaanzichten van de loods weergeven.
Figuur 9. Aanzichten nieuwe loods (bron: Wijsman Bouw- en tekenadvies). De drie sleufsilo's worden elk 15 meter breed en 61,12 meter lang. De oppervlakte per sleufsilo betreft 916,8 m². De wanden van de sleufsilo's worden 2 meter hoog. In figuur 9 is de gewenste situatie in een situatietekening weergegeven. Een volledige situatietekening op schaal is als bijlage 1 bij deze toelichting opgenomen.
12
Figuur 10. Situatietekening gewenste situatie (bron: DLV Advies).
2.2.2 Landschappelijke inpassing Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang dat de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving niet verloren gaat maar, als mogelijk, juist wordt versterkt. Tevens is vanuit het ruimtelijke beleid een goede landschappelijke inpassing een vereiste. Om te onderzoeken of de ontwikkeling mogelijk kan bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving is door een landschapsdeskundige een tekening opgesteld waarop is aangegeven hoe de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk zal worden ingepast. Deze tekening is in figuur 10 weergegeven.
13
Figuur 11. Tekening landschappelijke inpassing (bron: Buro SRO) Deze tekening maakt onderdeel uit van een landschappelijk inrichtingsplan dat ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is opgesteld. In dit landschappelijk inrichtingsplan is opgenomen op welke manier de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk wordt ingepast en welke soorten beplanting daarvoor worden toegepast. Voor het gehele landschappelijk inrichtingsplan wordt verwezen naar bijlage 2 van deze toelichting. Hiermee kan worden gesteld dat ter plaatse wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing.
14
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskader
Rijksbeleid
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 heeft de Rijksoverheid de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Nederland staat voor een aantal urgente maatschappelijke opgaven die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal spelen. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. Nederland heeft echter een lange traditie van aanpassen. Deze opgaven worden dan ook benut om vooruit te komen en tegelijkertijd het mooie van Nederland te behouden voor de volgende generaties. Met de NOVI wordt een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken geboden, om samen het land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Omgevingskwaliteit is het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Met inachtneming van maatschappelijke waarden en inhoudelijke normen voor bijvoorbeeld gezondheid, veiligheid en milieu. In dat samenspel van normen, waarden en collectieve ambities, stuurt de NOVI op samenwerking tussen alle betrokken partijen. Met de ambities van het Rijk wordt veel gevraagd van de leefomgeving.
De ambities vragen meer ruimte dan er eigenlijk beschikbaar is. Derhalve wordt de volgende conclusie gesteld: niet alles kan en niet alles kan overal. De vraag daarbij is hoe kansen kunnen worden verzilverd en eventuele bedreigingen het hoofd geboden kunnen worden. Het Rijk moet en wil in dit proces het voortouw nemen. Schaarste betekent immers dat moet worden gekozen. De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen wordt gewerkt aan de prioriteiten van de overheid: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie, een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel, sterke en gezonde steden en regio's en een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Voor deze prioriteiten zijn voor zowel de korte als lange termijn maatregelen nodig die in de praktijk voortdurend op elkaar inspelen. Daarbij staan de volgende maatregelen centraal: 1.
Klimaatbestendige inrichting in 2050: Hierbij is het van belang dat het watergebruik beter wordt afgestemd op het beschikbare water en dat water langer wordt vastgehouden, dat functies die gebruik maken van de fysieke leefomgeving moeten meer worden afgestemd op de eigenschappen van het bodem-watersysteem en dat de energietransitie naar een volledig duurzame energiewinning verder wordt gestimuleerd en ontwikkeld. 2. Duurzame en circulaire economie: Hierbij is het van belang dat de gevolgen voor de economie, mede door de COVID-19 pandemie, zoveel mogelijk worden beperkt en dat bij de locaties van kantoren, bedrijventerreinen, grootschalige logistieke functies en datacentra, naast de vraag van bedrijven en economische vitaliteit, aansluiting wordt gehouden op het verkeers en vervoersnetwerk, het elektriciteitsnetwerk en rekening wordt gehouden met de aantrekkelijkheid en kwaliteit van stad en land. Daarbij wordt ingezet op actieve clustering van (grootschalige) logistieke functies op logistieke knooppunten langs (inter)nationale corridors en worden investeringen gedaan in het duurzaam en circulair maken van de economie en energievoorziening in samenhang met het versterken van de kwaliteit van de leefomgeving. 3.
Ontwikkeling Stedelijk Netwerk Nederland: Hierbij is het van belang dat wordt gebouwd aan sterke, aantrekkelijke en gezonde steden met een goed bereikbaar netwerk van steden en regio's, dat de woningbouw een nieuwe, stevige impuls wordt gegeven en dat zo veel mogelijk in bestaand stedelijk gebied wordt ontwikkeld, klimaatbestendig en natuurinclusief. Daarbij behouden grote open ruimten tussen de steden het groene karakter, wordt het aanbod en de kwaliteit van groen in de stad versterkt en wordt de aansluiting op het groene gebied buiten de stad verbeterd. 4. Geleidelijke en zorgvuldige herindeling van het landelijk gebied: Hierbij is het van belang dat de biodiversiteit wordt verbeterd, dat steeds meer richting wordt gegeven 15
aan een duurzame kringlooplandbouw in goed evenwicht met natuur en landschap en dat wordt bijgedragen aan een landelijk gebied waarin het prettig wonen, werken en recreëren is en waarin ruimte is en blijft voor economisch vitale landbouw als belangrijke drager van het platteland. Vanuit de NOVI geeft het Rijk kaders en richting voor zowel nationale als decentrale keuzes. Let wel: het Rijk eigent zich geen centraliserende rol toe. Integendeel, de verantwoordelijkheid ligt bij alle partijen gezamenlijk. Vanuit het Rijk wordt gestreefd naar regie op het samenspel en regie bij het bewaken van de nationale belangen. Dilemma's worden niet uit de weg gegaan, maar er worden kansen gecreëerd, juist door samen met de ambities aan de slag te gaan. Kansen om de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren. En zo ook kansen om sociale samenhang en economisch herstel te bevorderen en kansen om schone, veilige en duurzame technieken, die bijdragen aan de beoogde transitie naar een duurzame en circulaire samenleving, stevig te verankeren in de manier van leven en werken. Het Rijk benoemt wel duidelijk de nationale belangen, maakt nationale keuzes, geeft richting aan decentrale afwegingen én werkt gebiedsgericht. Met de NOVI wil de Rijksoverheid in concrete gebieden tot keuzes komen.
Daarbij wil het Rijk doen wat goed is voor heel Nederland en wat tegelijkertijd recht doet aan de eigenheid van de regio's. Dit vergt een goed samenspel tussen Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten, maar ook tussen overheden en bedrijven, maatschappelijke instellingen en burgers. Vanuit al deze partijen is daarom al intensief meegedacht bij de totstandkoming van de NOVI. Bij de uitvoering van de NOVI wordt deze samenwerking voortgezet. Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als van de ondergrond. Het gaat daarbij om 'omgevingsinclusief' beleid. De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het Rijk zal bij de uitvoering van de NOVI zichtbaar maken hoe de omgevingsinclusieve benadering vorm krijgt en de afwegingsprincipes benut worden. Het rijk geeft daarbij voorkeursvolgorden voor bepaalde ontwikkelingen mee aan de provincies en gemeenten. Zo lang geen sprake is van een nationaal belang en zo lang de ambities van het Rijk niet worden tegengewerkt geeft het Rijk de beoordeling en uitvoering van ontwikkelingen zoveel mogelijk aan provincies en gemeenten.
De nationale belangen zijn juridisch verankerd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). In het Barro is aangegeven welke gebieden, of projecten, van nationaal belang zijn en aanvullende toetsing behoeven. Om te bepalen of sprake is van strijdigheid met de nationale belangen dient daarom verder te worden getoetst aan het Barro. Deze toetsing is opgenomen in de paragraaf "Besluit algemene regels ruimtelijke ordening" (paragraaf 3.1.2). De verdere toetsing van ontwikkelingen aan ruimtelijke en milieutechnische belangen vindt plaats aan het provinciaal beleid. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en deels uit nieuwe onderwerpen.
Per onderwerp worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen. Het besluit bepaalt tevens: "Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit." 16
Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven projectgebieden. Alleen wanneer het Barro expliciet een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen een of meerdere van de projectgebieden is gelegen, dan moet dat binnen drie jaar gebeuren. Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang en "vermindering van de bestuurlijke drukte". Belemmeringen die de realisatie van de genoemde projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt. Daar staat tegenover dat de regelgeving voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden. Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren. Het Barro vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen. In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de bij het Barro behorende kaarten.
De locatie is, zoals te zien in de volgende figuur, gelegen in een gebied dat is aangemerkt als projectgebied. Voor dit plan is van belang dat het erfgoed van de Beemster ruimtelijke bescherming geniet in het Barro. De volgende waarden zijn daarbij beschreven: 1. Het unieke, samenhangende en goed bewaard gebleven, vroeg zeventiende-eeuwse (landschaps)architectonische geheel van de droogmakerij De Beemster, bestaande uit: a. het vierkante gridpatroon van wegen en waterlopen en rechthoekige percelen; b. de ringdijk en ringvaart (continuïteit en eenheid in vormgeving); c. het centraal gelegen dorp (Middenbeemster) op een assenkruis van wegen; d. bebouwing langs de wegen; e. de relatief hooggelegen wegen met laanbeplanting; f. de monumentale en typerende (stolp)boerderijen en restanten van buitens; g. de oude negentiende-eeuwse gemalen en molengangen; h. de structuur en het karakter van het (beschermde) dorpsgezichtvan Middenbeemster; 2. Grote openheid; 3. Voor zover het werelderfgoed De Beemster samenvalt met het werelderfgoed De Stelling van Amsterdam, zijn de uitgewerkte universele waarden van het werelderfgoed De Stelling van Amsterdam tevens van toepassing op het werelderfgoed De Beemster.
17
Figuur 12. Uitsnede kaart projectgebieden Barro (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl). Voor gebieden welke zijn gelegen in de projectgebieden voor 'Werelderfgoed De Beemster' zijn in het Barro specifieke regels opgenomen, welke vertaald zijn in de Provinciale verordening van de provincie Noord-Holland. Het plangebied valt binnen de kernkwaliteiten van het werelderfgoed De Beemster, en behoort niet tot de Stelling van Amsterdam. Het vergroten van het bouwvlak heeft geen invloed op het vierkante gridpatroon. Er worden geen wegen, waterlopen of perceelsgrenzen doorkruist. Het gehele bouwvak valt binnen het patroon. De bebouwing vormt een lingt langs de weg. Er wordt een centraal en compact erf gecreëerd, hierdoor wordt er zo min mogelijk afbreuk gedaan aan de openheid van de polder. Ook wordt met de landschappelijke inrichting bewust gekozen voor beplanting welke het landschap versterkt. De karakteristieke stolpboerderij blijft hierbij zichtbaar.
3.1.3 Ladder duurzame verstedelijking Ingevolgde artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de zogenaamde Ladder voor duurzame verstedelijking, dient de toelichting bij een bestemmingsplan, waarin een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt maakt, een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Een stedelijke ontwikkeling is als volgt gedefinieerd: "ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Bij de voorgenomen ontwikkeling is, op basis van deze definitie, geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Verdere toetsing aan de Ladder duurzame verstedelijking is daarmee niet vereist.
18
3.1.4 Visie Erfgoed en Ruimte De Visie Erfgoed en Ruimte ‘Kiezen voor Karakter’ (VER) geeft de wijze aan waarop met de cultuurhistorische kwaliteiten van gebieden en objecten in de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling in Nederland kan worden omgegaan. De VER is gericht op het verbinden van de zorg voor het cultureel erfgoed met andere ruimtelijke ontwikkelingsopgaven op het gebied van onder meer economie, veiligheid en duurzaamheid. De visie zet overheden, initiatiefnemers, eigenaren, ontwikkelaars en ruimtelijk ontwerpers er toe aan om de waarde van het cultureel erfgoed in te zetten bij de ontwikkeling van gebieden. De VER is aanvullend aan de SVIR, waarin het kabinet de unieke cultuurhistorische waarde van nationaal belang planologisch borgt. Daarnaast is met ingang van 1 januari 2012 het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangepast. Hierin is opgenomen dat in het bestemmingsplan een beschrijving moet worden opgenomen van de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden. In paragraaf 3.2.2 is een beschrijving gegeven van de cultuurhistorische waarde van het plangebied en op welke wijze hier in het stedenbouwkundig plan mee rekening is gehouden.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1 Omgevingsvisie NH 2050 De provincie Noord-Holland heeft op 19 november 2018 de Omgevingsvisie vastgesteld. De 'Omgevingsvisie NH2050 - Balans tussen economische groei en leefbaarheid' bevat de visie van de provincie op het ruimtelijk beleid in hoofdlijnen en biedt de kaders voor de verdere beleidsontwikkelingen. Het grondgebied van de provincie is opgedeeld in verschillende typen gebieden waarbij per (deel)gebied eigen beleidsuitgangspunten gelden. Zoals te zien in de volgende figuur is de locatie gelegen in een gebied dat is aangemerkt als 'Werelderfgoed De Beemster'.
Figuur 13. Uitsnede kaart Omgevingsvisie Nh2050 (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl). De doelstelling is om in te spelen op de veranderingen die te verwachten zijn in de periode tot 2050. De ambitie is onder andere: het benoemen, behouden en versterken van de unieke kwaliteiten van de diverse landschappen en de cultuurhistorie. Een van de doelstellingen is het beschermen en versterken van de cultuurhistorische landschappen. Zo 19
wordt ook benoemd dat de agrarische bedrijven een bijdrage leveren aan het behoud van deze landschappen. Tevens wordt een vitale plattelandseconomie als een voorwaarde van de Noord-Hollandse economie en leefbaarheid gezien. Het uitgangspunt is een ontwikkelingsgerichte strategie, met de ambitie dat daar waar nieuwe economische activiteiten mogen worden ontwikkeld, ook de kwaliteit van het gebied toeneemt. De landbouw speelt namelijk een cruciale rol in het behoud en beheer van van het landschap. Daarmee is het behouden van een vitale en duurzame agrarische sector een van de uitgangspunten. Door het landschappelijk inpassen zal deze ontwikkeling het landschap versterken en door het vormen van een duurzaam bedrijf wordt de omgeving beschermd. Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de beleidskaders zoals zijn verwoord in de Omgevingsvisie NH2050 van de provincie Noord-Holland.
3.2.2 Omgevingsverordening Op 16 november 2020 heeft de provincie Noord-Holland de Omgevingsverordening NH2020 vastgesteld. De omgevingsverordening bevat een vertaling van het ruimtelijke beleidskader uit de omgevingsvisie naar concrete regels, waarmee de ruimtelijke beleidsvisie van de provincie juridisch is verankerd. Artikel 6.33 Agrarische bedrijven 1. Een ruimtelijk plan kan ter plaatse van het werkingsgebied agrarische bedrijven voorzien in agrarische bedrijven, waarbij geldt dat: a. bebouwing wordt geconcentreerd in een bouwperceel, waarbij de omvang van het bouwperceel ten hoogste 2 hectare bedraagt. b. bij het toestaan van een nieuw bouwperceel wordt gemotiveerd waarom niet op bestaande bouwpercelen in de behoefte kan worden voorzien, waarbij ingegaan wordt op de mogelijkheden tot hergebruik van bouwpercelen die niet meer voor de agrarische functie worden benut en op het combineren van functies op bestaande bouwpercelen. c. in afwijking op onderdeel a is een omvang van het bouwperceel van meer dan 2 hectare toegestaan, indien de uitbreiding noodzakelijk is voor het agrarisch productieproces en het geen glastuinbouwbedrijf betreft. d.
in afwijking op onderdeel a geldt dat de omvang van een bouwperceel voor een glastuinbouwbedrijf meer kan bedragen dan 2 hectare, indien het bedrijf grenst aan bestaand stedelijk gebied, niet grenst aan andere glastuinbouwbedrijven, sprake is van grondgebonden teelt en sprake is van aantoonbare duurzame synergie met aangrenzende stedelijke functies. e. per volwaardig agrarisch bedrijf kan ten hoogste één bedrijfswoning worden toegestaan. f. in afwijking van onderdeel e geldt dat een extra bedrijfswoning kan worden toegestaan, indien dit noodzakelijk is voor het toezicht op de bedrijfsvoering. g. ten behoeve van de bedrijfsvoering kan worden voorzien in de huisvesting van tijdelijke werknemers, indien: de huisvesting wordt voorzien binnen het bouwperceel, en; het een ondergeschikte functie ten behoeve van een volwaardig agrarisch bedrijf betreft. h. indien het agrarisch bedrijf is gelegen in veenpolderlandschap, bevat het ruimtelijk plan een verbod op het scheuren van grasland, tenzij wordt aangetoond dat dit bijdraagt aan meer biodiversiteit in het grasland en daarbij bodemerosie en extra CO2 uitstoot wordt vermeden. 2. Niet-agrarische bedrijfsfuncties zijn als onderdeel van een agrarisch bedrijf toegestaan, waarbij geldt dat: a.
uitsluitend kleinschalige vormen van bijzondere huisvesting, werken, recreatie, gebruiksgerichte paardenhouderij, detailhandel en zorgfuncties zijn toegestaan; en b. de omvang past binnen de op basis van het eerste lid bepaalde omvang van het bouwperceel. 3. Agrarisch aanverwante bedrijven zijn als zelfstandig bedrijf toegestaan, indien: a. het een uitbreiding van een bestaand agrarisch aanverwant bedrijf betreft; b. het agrarisch aanverwant bedrijf zich vestigt op een bestaand agrarisch bouwperceel; of c. het een verplaatsing van een bestaand agrarisch aanverwant bedrijf betreft en gemotiveerd wordt waarom niet binnen bestaand stedelijk gebied in de regio in de verplaatsing kan worden voorzien 20
en waarom hergebruik van percelen die niet meer voor de agrarische functie worden benut niet mogelijk is; en d. de omvang een bouwperceel na toepassing van onderdeel a, b of c ten hoogste 2 hectare bedraagt. 4. Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen over de aard en omvang van de in het tweede lid genoemde niet-agrarische bedrijfsfuncties. Lid 1 a) Alle bestaande bedrijfsbebouwing is gelegen binnen het huidige bouwvlak. De gewenste situatie is niet passend binnen het huidige bouwvlak. Het bouwvlak wordt, met voorliggend bestemmingsplan, vergroot tot 1,5 hectare waarbij de bebouwing wordt geconcentreerd en de uitbreiding middels een nieuwe loods voor machines en werktuigen en drie sleufsilo's binnen het bouwvlak passen. Hiermee wordt aan het gestelde voldaan. Tevens wordt in paragraaf 3.3.2 ingegaan op de zonering van de Beemstererven. In het kader van schaalvergroting kan daarom gesteld worden dat de ontwikkeling passend is. De uitbreiding vindt namelijk plaats achter en in het verlengde van de bestaande bebouwing. Artikel 6.49 Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde 1. De kernkwaliteiten van de erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde zijn uitgewerkt en geobjectiveerd in bijlage 7 bij de verordening. 2.
Een ruimtelijk plan ter plaatse van het werkingsgebied Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde bevat regels gericht op de instandhouding of versterking van de kernkwaliteiten van de erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. 3. Een ruimtelijke plan ter plaatse van het werkingsgebied Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde voorziet uitsluitend in nieuwe activiteiten die de kernkwaliteiten als bedoeld in het eerste lid niet aantasten. 4. In afwijking van het derde lid kan het ruimtelijk plan voorzien in een grootschalige stads- of dorpsontwikkelingslocatie of glastuinbouwlocatie dan wel een grootschalig bedrijventerrein of infrastructuurproject, voor zover: 5. er sprake is van een groot openbaar belang; a. er geen reële alternatieven zijn; en b. er voldoende maatregelen worden getroffen om de nadelige effecten van de ontwikkeling op de instandhouding of versterking van de kernkwaliteiten als bedoeld in het eerste lid te mitigeren of te compenseren. c. Ter plaatse van het werkingsgebied Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde voorziet een ruimtelijk plan niet in een windturbine. 6.
Ter plaatse van Werelderfgoed De Stelling van Amsterdam voorziet een ruimtelijk plan niet in een opstelling voor zonne-energie, tenzij de gronden zijn bestemd voor of feitelijk in gebruik zijn als nutsvoorzieningen, weg-, spoor-, water- of luchtverkeer, niet zijnde leidingtracés voor gas, water of elektriciteit. 7. Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen ten aanzien van de wijze waarop compensatie als bedoeld in het vierde lid, onder c, plaatsvindt. "Het uitgangspunt is strakke geometrie. Rasters van wegen en afwateringstochten verdelen de ruimte in vierkante blokken en rechthoekigte landbouwkavels. Langs de wegen stonden bomen deze zorgden voor bescherming en ze hadden een esthetische bedoeling. Deze bomen versterkten het perspectief echter zijn ze op sommige plekken verdwenen." "De inrichting van de erven vertoont opvallende overeenkomsten, reden waarom ook nu nog gesproken kan worden van typisch Beemster erven. Een oprijlaan loopt over de hele lengte van het erf en biedt vanaf de brug zicht op het achterliggende landschap. Aan de wegzijde pronken het woonhuis of het woongedeelte van de boerderij (vaak een stolp) en de siertuin. Daarachter staan de bedrijfsgebouwen, doorgaans georiënteerd op de lengterichting van de kavel. Grote agrarische bedrijven bouwden ook woningen voor hun arbeiders, meestal naast of achter de hoofdwoning.
" De voorgenomen ontwikkeling draagt bij aan de uitgangspunten vanuit het cultuurhistorisch beleid. De 21
vergroting van het agrarische bouwvlak past binnen de gestelde kaders. Het realiseren van een nieuwe lood voor machines en werktuigen en de drie sleufsilo's gebeurt achter de bestaande bedrijfsgebouwen waardoor een compact erf behouden blijft. De bouwvlak vergroting tast de geometrie, wegen en kavelsloten niet aan. Tevens wordt er met de landschappelijke inpassing het landschap versterkt. De bomen welke historisch gezien aanwezig waren en het perspectief versterken worden middels het landschapsplan toegevoegd. Deze worden zo geplaatst dan het zicht op de karakteristieke stolp boerderij niet wordt gehinderd. Artikel 6.59 Ruimtelijke kwaliteitseis ingeval van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling in het landelijk gebied 1. Gedeputeerde Staten stellen de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie vast, die de provinciale belangen beschrijft ten aanzien van landschappelijke en cultuurhistorische waarden. 2. Bij de inpassing van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling ter plaatse van het werkingsgebied landelijk gebied, wordt in het ruimtelijk plan, gelet op de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie: a. rekening gehouden met: de ambities en ontwikkelprincipes van het toepasselijke ensemble en van de toepasselijke provinciale structuren; b. bij de inpassing betrokken: de kansen zoals beschreven bij de ambities en ontwikkelprincipes; en c.
bij de inpassing betrokken: de ontstaansgeschiedenis en de kernwaarden van het toepasselijke ensemble en van de toepasselijke provinciale structuren. 3. In aanvulling op het tweede lid, wordt bij de inpassing van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling in de Amstelscheg rekening gehouden met de karakteristieken en de ontwerpprincipes inzake de samenhang, de ruimtelijke kwaliteit en de identiteit van het landschap, zoals beschreven in het door Gedeputeerde Staten vastgestelde rapport ‘Gebiedsperspectief en Beeldkwaliteit Amstelscheg’ (nr. 2011-66880). 4. De toelichting van een ruimtelijk plan bevat een motivering waaruit moet blijken dat voldaan is aan het bepaalde in het tweede lid. 5. Gedeputeerde Staten, het dagelijks bestuur van het betrokken waterschap of het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente kunnen de Adviescommissie Ruimtelijke Ontwikkeling om advies vragen, ook in een vroeg stadium, inzake de locatieafweging of de ruimtelijke inpassing. Ten behoeve van voorgenomen ontwikkeling is een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld. In die plan wordt ingegaan op de genoemde punten. Het volledige landschapsplan is opgenomen als bijlage 2 bij deze toelichting. De overige bepalingen zijn niet van toepassing.
Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de regels zoals zijn opgenomen in de Omgevingsverording NH2020 van de provincie Noord-Holland.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1 Gemeentelijke structuurvisie De gemeente Purmerend heeft op 10 juli 2012 de structuurvisie van de gemeente Purmerend, "Beemstermaat" vastgesteld. Deze structuurvisie bevat het ruimtelijk beleid van de gemeente op hoofdlijnen met een doorkijk naar 2037. De structuurvisie is niet juridisch bindend, maar biedt het ruimtelijk kader bij het opstellen van bestemmingsplannen, waarin de beleidsuitgangspunten worden vastgelegd. In hoofdstuk 4 van de gemeentelijke structuurvisie wordt aandacht besteed aan de agrarische sector. In dit hoofdstuk worden de hoofdlijnen van ontwikkelingsmogelijkheden van agrarische bedrijven besproken: "Ontwikkelen instrumentarium om te sturen op schaalvergroting In tegenstelling tot veel andere agrarische gebieden in Nederland biedt De Beemster nog kansen voor schaalvergroting en een bescheiden mogelijkheid voor nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf. Verwacht 22
wordt dat tussen 2012 en de komende jaren, een aantal agrariërs hiervan gebruik gaan maken. In het bestemmingsplan Buitengebied 2012, Partiële herziening, 2021 wordt rekening gehouden met continuering en groei van agrarische bedrijvigheid. Zo kan een agrariër op basis van een bedrijfsplan zijn bouwvlak uitbreiden tot maximaal 2 hectare. Grotere uitbreiding achten wij niet verantwoord binnen de schaal van het Beemster grondgebied en zijn kernkwaliteiten. De Ervenstudie en het bestemmingsplan Buitengebied 2012, Partiële herziening, 2021 gaan uit van een sturing op positionering, locatie op het erf en volume. Schaalvergroting kan tot een maximum van 2 hectare bouwvlak, met 5,5 meter goothoogte en 12 meter bouwhoogte. Daarbij is nog een ontheffing van de goothoogte mogelijk naar 7 meter. Mede daardoor kunnen alsnog enorme volumes ontstaan. De gemeente zal daarom een kwaliteitstoets uitvoeren die een beoordeling mogelijk maakt van de wenselijkheid op basis van volume, locatie en positionering in samenhang." De voorgenomen ontwikkeling past binnen de kaders die gesteld zijn in de structuurvisie. Het bouwvlak wordt vergroot naar 1,5 hectare. De nieuw te realiseren loods zal tevens voldoen aan de maatvoeringseisen. Gezien het voorgaande kan worden gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de uitgangspunten uit de Beemstermaat van de gemeente Purmerend.
3.3.2 Ruimtelijk kwaliteitskader voor het Beemster erf Op 24 december 2010 is het Ruimtelijk kwaliteitskader voor het Beemster erf vastgesteld. Hierin staat het beleidskader voor ruimtelijke ontwikkeling in de Beemster. Uitgangspunt bij schaalvergroting is een bestaand erf met een bouwvlak van 1 hectare, en een (ongeveer) 90 meter breed erf. Maar ook nieuwe grootschalige erven zijn mogelijk. In beide gevallen zal worden gevraagd om een inrichtingsplan en een beeldkwaliteitsplan. Bij vergroting van bestaande erven vormen bestaande kwaliteiten het primaire uitgangspunt. Bij schaalvergroting en nieuwvestiging van grote erven tot 2 hectare bouwvlak geldt dat ook een groen en/of blauwe investering wordt geëist. Op deze grootschalige erven zijn verbredingsmogelijkheden beperkt en primair gericht op de bedrijfsvoering, zo is het mogelijk om arbeidsmigranten tijdelijk te vestigen, evenals een kantoor-aan-huis. Bij schaalvergroting dient een keuze te worden gemaakt in : het vergroten in de lengte, waardoor een langgerekt erf ontstaat tot maximaal 300 meter diep. (maximaal perceel 90 x 300 meter) Met vergroten in de breedte, waardoor een breed erf ontstaat tot een maximale breedte van 180 meter, of kleiner wanneer de Kopergravure daar aanleiding voor geeft (maximaal perceel 180x180 meter). Langgerekte erven steken ver het landschap in, waardoor de openheid van het landschap verminderd.
Door alleen de eerste 180 meter van het erf met erfbeplanting te omzoomen, komt eventuele bedrijfsbebouwing daarachter als losse objecten in het weidse landschap te liggen. Voorwaarde daarbij is wel dat deze een mooie kloeke en streekeigen vorm hebben, hoogwaardig materialen en een introverte kleurstelling.
23
Figuur 14. Uitsnede ruimtelijke kwaliteitskader (bron: Gemeente Purmerend). De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een langgerekt erf dat het landschap insteekt. Het erf blijft binnen de kaders van 90 meter breed en 300 meter diep. De uitbreiding van het bedrijf vindt in de lengte richting plaatst. Hierdoor wordt voldaan aan het ruimtelijke kwaliteitskader. 3.3.3
Ruimtelijk kwaliteitskader De Beemster en de Stelling van Amsterdam
De Beemster De Beemster kreeg in 1999 de UNESCO status vanwege het creatief planologisch meesterwerk dat deze is, met het drooggelegde land gemodelleerd naar klassieke en renaissance idealen. Daarmee heeft De Beemster grote invloed gehad op andere landwinningsprojecten. Bovendien is het droogleggen van groot belang geweest voor de omgang van de mens met water. 24
Het intellectuele en architectonische concept, dat ten grondslag heeft gelegen aan de ruimtelijke indeling van de droogmakerij van De Beemster is sinds het moment van zijn aanleg niet in zijn essentie veranderd. De droogmakerij van De Beemster heeft haar orthogonale, geometrische en rationele indeling bewaart. Het patroon van de met bomen beplante wegen, het tracé van de waterlopen en ringvaart met ringdijk, de maat der kavels, de schaal der bebouwing. de ligging der boerderijen, de historische structuur der nederzettingen en het functionele, want agrarische gebruik van deze 17de-eeuvvse droogmakerij zijn de bepalende, maatgevende kenmerken ervan gebleven. Vrijwel overal kan nog de typische ruimtelijke visuele beleving ondergaan worden van de weidsheid van de droogmakerij, die zij sinds haar ontstaan bezit. Traditioneel is er ook het materiaalgebruik gebleven, baksteen en hout. Stelling van Amsterdam De Stelling van Amsterdam is in zijn geheel als monument beschermd door de Provincie Noord-Holland en het rijk. Sinds 1996 is door UNESCO het belang van deze historische verdedigingslinie erkent en staat de Stelling van Amsterdam op de lijst van Werelderfgoed. De Stelling van Amsterdam is niet alleen een uniek systeem van forten, dijken en sluizen; het is ook een groene en relatief stille ring rond Amsterdam.
Met een ingenieus systeem kon het land rondom de linie onder water worden gezet, waardoor een waterplas kon ontstaan, niet diep genoeg voor schepen en te diep voor man en paard. Het leger, de regering en de koning(in) zouden zich binnen deze ring kunnen terugtrekken bij een aanval op Nederland. De Stelling bestaat uit 46 forten en batterijen, dijken, sluizen op een afstand van 15 tot 20 kilometer van Amsterdam. Nog voordat de Stelling was voltooid, was hij al achterhaald. De opkomst van het vliegtuig ontnam de linie zijn betekenis. Tijdens de twee wereldoorlogen werd de Stelling wel in staat van verdediging gebracht, maar er hoefde nooit daadwerkelijk gevochten te worden. Inmiddels heeft een groot aantal forten een nieuwe bestemming gekregen. Beleidsuitgangspunten Stelling van Amsterdam: In het deelgebied van De Beemster voegt de stelling zich naar het unieke symmetrische patroon van het monumentale geometrische Iandschapspatroon van de droogmakerij De Beemster. Er is geen aparte Iiniedijk gemaakt. De hoofdverdedigingslijn wordt gevormd door de boezemkade langs de ringvaart en door onderdelen van het wegenpatroon van De Beemster. De forten zijn markante elementen die als afwijkende objecten in het open landschap liggen alsof ze daar toevallig zijn geland.
Bij nieuwe ontwikkelingen moet het cultuurlandschap van De Beemster het belangrijkste aanknopingspunt vormen; het patroon van de Stelling is daaraan ondergeschikt (bron Beeldkwaliteitsplan Stelling van Amsterdam). Stelling of liniezone. De stellingzone vormt het samenhangend geheel tussen de verdedigingswerken en het landschap. Voormalige inundatiegebieden maken hier deel van uit. De stellingzone wordt begrensd door het Nationaal Landschap Stelling van Amsterdam. Het beleid is gericht op de bescherming van de kernkwaliteiten van het gebied. Deze kernkwaliteiten zijn; een samenhangend systeem van forten, dijken, kanalen en inundatiekommen; een groene en relatief stille ring rond Amsterdam en een relatief grote openheid. In deze zone geldende volgende beleidskaders: Gehele stelling als samenhangend geheel; behoud door ontwikkeling; ruimtelijke processen toetsen. Schootscirkels, verbodenkring: De hoofdverdedigingslijn en de schootscirkels rond de forten zijn belangrijke elementen in het stellinglandschap. De “Verboden kringen” van markeren het gedeelte van de schootscirkel, dat niet bebouwd mocht worden. Hiervoor geldt: Schootscirkel van1000 meter; te behouden open gebied; ruimtelijke en planologische regie. 25
Kernzone: De kernzone is de invloedzone van de Stelling van Amsterdam. De hoofdverdedigingslijn markeert de grens aanval-verdediging en tevens de grens van de inundaties. In de kernzone kunnen nieuwe ontwikkelingen alleen plaatsvinden, als zij bijdragen aan de kwaliteit van het monumentale landschap. Directe belevingsomgeving, met een variabele afstand van 300 meter; ruimtelijke en planologische regie
Figuur 15. Uitsnede Ruimtelijk kwaliteitskader (bron: Gemeente Purmerend). Zoals tezien op bovengenoemde kaart valt de projectlocatie niet in een gebied dat volgens het beleid is aangemeld als Stellings- of liniezone, schootscirkels of kernzone. Hierdoor kan worden gesteld dat de voorliggende ontwikkeling geen strijdigheid bevat met dit beleid. 3.3.4 Ruimtelijke beleidskader Het ruimtelijk beleidskader van De Beemster & Stelling van Amsterdam is vastgesteld op 25 november 2011. Twee unieke landschappen, de Stelling van Amsterdam en De Beemster, beiden aangewezen als Unesco Werelderfgoed overlappen elkaar voor een deel. Beide landschappen kennen een eigen beleid, wat enerzijds overeenkomsten vertoont in beleidsdoelstellingen, maar ook tegenstellingen in de uitgangspunten voor de ontwikkeling van het gebied. Het projectbureau Des Beemsters wil samen met de provincie Noord-Holland voor het gebied een passende en duurzame oplossing waar een evenwicht wordt gezocht tussen de kernkwaliteiten van de twee landschappen en ontwikkelingsmogelijkheden voor het gebied. In dit beleid staan de uitgangspunten waaraan nieuwe ontwikkelingen dienen te voldoen.
26
Figuur 16. Erfprincipes (bron: Gemeente Purmerend). De voorliggende ontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten die vastgesteld zijn in het beleid. Er is geen sprake van verdere verdichting, maar wel wordt er in de lengte bijgebouwd en niet in de breedte. Het erf wordt volgens het Beemsterprincipe ingericht zodat ook hieraan voldaan zal gaan worden. 3.3.5 Nota omgevingkwaliteit Purmerend De gemeenteraad van Purmerend heeft in juli 2021 de Nota Omgevingskwaliteit Purmerend vastgesteld. Het doel van de Nota is is het behouden en stimuleren van de ruimtelijke kwaliteit. In het overvolle Nederland is ruimtelijke kwaliteit een gemeenschappelijk bezit, het is geen zaak van de eigenaren van grond of gebouwen alleen, het is een waarde die niet geïndividualiseerd of geprivatiseerd kan worden. Een goede ruimtelijke kwaliteit levert een bijdrage aan de leefbaarheid, de duurzaamheid en de culturele betekenis van een gebied. Het versterkt de ‘eigenheid’ (of identiteit) van een plek of een gemeente. Een aantrekkelijke, goed verzorgde omgeving verhoogt bovendien de waarde van het onroerend goed en versterkt het vestigingsklimaat. Mensen zijn graag in gebieden met een goede ruimtelijke kwaliteit. De Beemster erven worden traditioneel omgeven door sloten en bomen waardoor elk erf zich langs de weg manifesteert als een ruimtelijke eenheid.
Soms zijn de inrichting en opzet van het erf –of een deel daarvanterug te voeren op historische inrichtingsprincipes, mede gebaseerd op de renaissance idealen. Uiteraard is de hedendaagse agrarische bedrijfsvoering nu sterk leidend bij de erfinrichting. Er is meer verhard oppervlak gekomen en de achterkant, gericht naar het agrarisch gebied, is vrij van singelbeplanting. Kernpunten uit het beleid voor de ruimtelijke inrichting:
27
Figuur 17. Kernpunten (bron: Gemeente Purmerend). Om aan te tonen dat aan de kernpunten van het beleid kan worden voldaan is een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld (paragraaf 2.2.2 Landschappelijke inpassing).De voorgenomen ontwikkeling voldoet hiermee aan het beleid. Ten aanzien van de welstand wordt het ontwerp van de nieuwe loods aan de welstandscommissie voorgelegd.
28
Hoofdstuk 4 4.1
Ruimtelijke- en milieuaspecten
Milieu
4.1.1 Milieuzonering Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geur, stof, geluid en gevaar. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het zo scheiden van milieubelastende en -gevoelige functies dient twee doelen: 1. het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige functies (bijvoorbeeld woningen); 2. het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen. In de VNG handreiking zijn richtafstanden opgenomen op het gebied van geur, stof, geluid en gevaar. Indien niet aan de in de handreiking opgenomen afstanden wordt voldaan is mogelijk sprake van milieuhinder aan de betreffende gevoelige functies.
De genoemde afstanden betreffen echter geen harde normen maar richtafstanden waarvan, mits goed gemotiveerd, kan worden afgeweken. Dit houdt in dat wanneer niet aan de afstanden wordt voldaan een nadere motivatie noodzakelijk is waaruit blijkt dat geen onevenredige hinder wordt veroorzaakt. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het vergroten van het bouwvlak van de melkveehouderij naar 1,5 hectare. Ten aanzien van een rundveehouderij zijn in de handreiking de volgende richtafstanden opgenomen: Geur: 100 meter. Stof: 30 meter. Geluid: 30 meter. Gevaar: 0 meter. Het dichtstbijzijnd gevoelig object, Wormerweg 26,bevindt zich op een afstand van 157 meter (gemeten van bouwvlak tot bouwvlak). Hiermee wordt aan de gestelde richtafstanden voldaan en zal met de voorgenomen ontwikkeling geen onevenredige hinder worden veroorzaakt aan gevoelige objecten in de omgeving. Naast het feit dat een ruimtelijke ontwikkeling geen onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de omgeving mag veroorzaken mag deze ook niet leiden tot beperkingen van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven, functies en bestemmingen. Dit is echter vooral van belang wanneer sprake is van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten. Bij de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van het oprichten van een nieuw gevoelig object.
Hiermee zullen geen omliggende bedrijven, functies en bestemmingen in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. 4.1.2 Geur De Wet geurhinder veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. Het tijdstip van inwerkingtreding van de wet is vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 12 december 2006. Op 18 december 2006 is de Wet geurhinder en veehouderij gepubliceerd. De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Wet geurhinder en veehouderij. 29
Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. Hiervoor dienen de minimale afstanden van 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom, en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom te worden aangehouden. Deze afstanden gelden van emissiepunt van het dierenverblijf tot de gevel van het gevoelige object. Tussen de gevel van het dierenverblijf en de gevel van het gevoelige object geldt een minimale afstand van 50 meter bij objecten binnen de bebouwde kom en 25 meter bij objecten buiten de bebouwde kom. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een uitbreiding van het bouwvlak ten behoeve van een melkveehouderij naar 1,5 hectare ten behoeve van een een nieuwe loods voor machines en werktuigen en drie nieuwe sleufsilo's. Een loods voor machines en werktuigen en sleufsilo's veroorzaken geen geurhinder aan de omgeving. Hiermee zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een toename van de geurbelasting aan gevoelige objecten in de omgeving. Voor melkkoeien en jongvee zijn geen geuremissiefactoren vastgelegd. Dit betekent dat voor de gewenste ontwikkeling de vaste afstanden aangehouden dienen te worden. Het dichtstbijzijnd geurgevoelig object is gelegen op een afstand van 157 meter (Wormerweg 26).
Hiermee wordt ruimschoots aan de vaste afstanden voldaan en zal geen sprake zijn van een onevenredige geurhinder aan gevoelige objecten in de omgeving. Tevens is er geen sprake van een toename van het aantal te houden dieren en er geen toename in geurbelasting op de omgeving. 4.1.3 Luchtkwaliteit De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de Wet milieubeheer (Wmb) goedgekeurd (Stb. 2007, 414) en vervolgens is de wijziging op 15 november 2007 in werking getreden. Met name paragraaf 5.2 uit Wmb is veranderd. Omdat paragraaf 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe paragraaf 5.2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). De Eerste Kamer is op 9 oktober 2007 akkoord gegaan met het wetsvoorstel over luchtkwaliteitseisen. Projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) aan de luchtverontreiniging, hoeven volgens het wetsvoorstel niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht.
Het Besluit NIBM omschrijft het begrip nader: een project dat minder dan 3% van de grenswaarden bijdraagt is NIBM. Dit komt overeen met 1,2 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³) voor fijnstof en stikstofoxiden (NO2). Projecten die wel 'in betekenende mate' bijdragen, zijn vaak al opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is erop gericht om overal de Europese grenswaarden te halen. Daarom is ook een pakket aan maatregelen opgenomen: zowel (generieke) rijksmaatregelen als locatiespecifieke maatregelen van gemeenten en provincies. Dit pakket aan maatregelen zorgt ervoor dat alle negatieve effecten van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen ruim worden gecompenseerd. Bovendien worden alle huidige overschrijdingen tijdig opgelost. In het NSL worden de effecten van alle NIBM-projecten verdisconteerd in de autonome ontwikkeling. Het NSL omvat dus alle cumulatieve effecten van (ruimtelijke) activiteiten op de luchtkwaliteit. 4.1.3.1 Luchtkwaliteit vanuit de inrichting De voorgenomen ontwikkeling betreft geen grootschalige infrastructurele of industriële ontwikkeling en geen ontwikkeling van een veehouderij. De dieraantallen zullen gelijk blijven en niet toenemen. De uitstoot van fijnstof zal met de voorgenomen ontwikkeling niet in onevenredige mate toenemen, waarmee sprake is van een zogenaamde NIBM-ontwikkeling.