CConstaterende datPurmerend
Koppel je AI →
Document · PDF

a1.-raadsvoorstel-en-ondertekend-besluit-reintegratieverordening-participatiewet-zawa-2025

Gemeenteraad 30 januari 2025, gemeente PurmerendBij agendapunt: Wijziging re-integratieverordening Participatiewet Zaanstreek-Waterland19.400 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Lid 1o In beginsel wordt per half jaar geëvalueerd of persoonlijke ondersteuning bij werk nog langer noodzakelijk is.

Lid 11 Hier is de mogelijkheid aangegeven om de uren jobcoaching waarvan het de bedoeling is deze in het tweede jaar in te zetten, deels over te hevelen naar het eerste jaar. Hieraan is de voorwaarde verbonden, dat er sprake moet zijn van een dienstbetrekking van minimaal één jaar waarbij de intentie er is om de dienstbetrekking na één jaar voor minimaal een half jaar te verlengen. De overheveling van de uren moet uiteraard noodzakelijk zijn voor het bevorderen van een duurzame arbeidsinpassing.

Lid 12 Het twaalfde lid bevat een mogelijkheid om in bijzondere situaties af te wijken van het in de voorgaande leden gegeven beoordelingskader. Hiermee wordt het recht op passende ondersteuning te allen tijde gewaarborgd. De afwijking kan zowel bestaan uit het bieden van meer of intensievere jobcoaching, alsook uit het verlengen daarvan. Nadere toelichting De voorziening jobcoaching/interne werkbegeleiding betreft een tijdelijke voorziening voor maximaal drie jaar en is gericht op het leren zelfstandig functioneren in een bepaalde functie van mensen met een arbeidsbeperking. Is aansluitend na deze drie jaar (zes halfjaarperioden) nog jobcoaching/interne werkbegeleiding nodig, dan kan de gemeente jobcoaching/interne werkbegeleiding voortzetten. Bijvoorbeeld als er sprake is van tijdelijke problemen/onbalans in de werk-of-privésituatie. Of bijvoorbeeld als persoonlijke ondersteuning bij werk noodzakelijk blijft, en dit de beste oplossing blijkt boven inzet van een andere (duurdere) voorziening (als bijv. beschut werk). Hierbij dient onderbouwd te worden waarom inzet van jobcoaching/interne werkbegeleiding blijft aangewezen. De intensiteit van de begeleiding is afhankelijk van de ondersteuningsbehoefte van de werknemer. Indien het standaard begeleidingsniveau van de persoonlijke ondersteuning bij werk niet voldoende is, is maatwerk in intensiteit mogelijk.

Indien wenselijk kan bijvoorbeeld voor een korte intensieve jobcoaching/interne werkbegeleiding gekozen worden. Hierbij dient onderbouwd te worden waarom een aangepaste inzet van jobcoaching/interne werkbegeleiding nodig is. blz. 37 van 41

Registratienummer: 1605772 Onderwerp: Re-integratieverordening Participatiewet Zaanstreek-Waterland 2025

Bij de besluitvorming hierover worden o.a. de persoonlijke omstandigheden, de ontwikkelingsmogelijkheden van de werknemer op korte en langere termijn, de alternatieve voorzieningen en de kosten betrokken. Deze opsomming is niet limitatief. De aspecten leiden in onderling verband tot een oordeel over de voorziening c.q. het traject voor de kandidaat. Artikel 21i. Jobcoaching in natura Artikel 8a, tweede lid, onder e, onderdeel 1, van de Participatiewet bepaalt onder andere dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college ook zorgdraagt voor het verstrekken van persoonlijke ondersteuning (jobcoaching) in natura. Dit artikel voorziet hierin. De gemeentelijke/eigen jobcoach (artikel 21e, eerste lid onder a) wordt in natura beschikbaar gesteld. Het bedrag dat wordt besteed aan de inkoop van een externe jobcoach, zoals bedoeld in artikel 21e, eerste lid onder b, wordt rechtstreeks uitbetaald aan de jobcoachorganisatie. Artikel 21j. Subsidie voor het organiseren van persoonlijke ondersteuning bij werk Artikel 8a, tweede lid, onder e, onderdeel 1, van de Participatiewet bepaalt onder andere dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van persoonlijke ondersteuning door middel van subsidieverstrekking, waaronder jobcoaching.

Artikel 8a, tweede lid, onder e, onderdeel 1, van de Participatiewet in combinatie met artikel 10, derde lid, onder b, van de Participatiewet bepaalt onder andere dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van persoonlijke ondersteuning in de vorm van een interne werkbegeleider door middel van subsidieverstrekking. Dit artikel voorziet hierin. In het derde lid zijn randvoorwaarden opgenomen om voor subsidieverlening in aanmerking te komen. Artikel 21k. Specifieke voorwaarden toekenning vervoersvoorziening Artikel 8a, tweede lid, onder f, onderdeel 1, van de Participatiewet bepaalt dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van een vervoersvoorziening die ertoe strekt dat de persoon zijn werkplek, proefplaats of opleidingslocatie kan bereiken. Dit artikel regelt, in aanvulling op de artikelen 3 en 21b, onder welke voorwaarden dit mogelijk is en op welke wijze de hoogte van de vergoeding hiervoor wordt bepaald als het college het vervoer niet zelf (in natura) organiseert. Bij de bepaling van de vergoeding wordt uitgegaan van het reguliere tarief in de markt, waarbij, in lijn met artikel 3, derde lid, de goedkoopst adequate oplossing het uitgangspunt vormt.

Het bedrag dat de werknemer voor vervoer ontvangt van zijn werkgever, bijvoorbeeld een reiskostenvergoeding op grond van de arbeidsovereenkomst, wordt door het college in mindering gebracht op de te verstrekken vervoersvoorziening. De gemeente biedt de meest adequate en goedkoopste oplossing, kwalitatief verantwoord. De kosten van de vervoersvoorziening dienen proportioneel te zijn, dat wil zeggen dat de investering in de vervoersvoorziening moet opwegen tegen de opbrengsten van uitstroom naar werk. Bij de beoordeling of de kosten proportioneel zijn wordt onder andere betrokken: a) de kosten van de vervoersvoorziening; b) de duur van de arbeidsovereenkomst in termen van looptijd (aantal maanden/jaren/bepaalde tijd/onbepaalde tijd); c) de omvang van de arbeidsovereenkomst in termen van het aantal uren dat de persoon gaat werken; en d) de opbrengsten in termen van besparing op de uitkeringslasten en eventuele andere lasten (bijvoorbeeld in het kader van de WMO) in relatie tot de kosten van de vervoersvoorziening.

blz. 38 van 41

Registratienummer: 1605772 Onderwerp: Re-integratieverordening Participatiewet Zaanstreek-Waterland 2025

Verder dient steeds nagegaan te worden of de persoon geen aanspraak kan maken op een voorliggende voorziening, zoals bijvoorbeeld een vervoersvoorziening via WMO. Artikel 21l. Specifieke voorwaarden noodzakelijke intermediaire activiteit bij motorische beperking Artikel 8a, tweede lid, onder f, onderdeel 2, van de Participatiewet bepaalt dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van een noodzakelijke intermediaire activiteit in het geval er sprake is van motorische beperking. Dit artikel regelt dat het college de, als gevolg van een geheel of gedeeltelijk ontbrekende motorische lichaamsfunctie noodzakelijke, voorziening(en) verstrekt die nodig zijn ter vervanging of ondersteuning van de persoon. De specifieke aard van de voorziening is niet opgenomen, omdat dit sterk afhankelijk is van de behoefte van de persoon. Wel gelden de voorwaarden zoals opgenomen in de artikelen 3 en 21b. Voorbeelden van een intermediaire activiteit bij een motorische beperking zijn (niet uitputtend) een schrijftolk of hulp bij het openen van post. Artikel 21m.

Specifieke voorwaarden meeneem bare voorzieningen Artikel 8a, tweede lid, onder f, onderdeel 3, van de Participatiewet bepaalt dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van meeneem bare voorzieningen voor de inrichting van de werkplek, de productie- en werkmethoden, de inrichting van de opleidingslocatie of de proefplaats en bij het werk of opleiding te gebruiken hulpmiddelen. Hiervoor is geen limitatieve lijst. Gedacht kan worden aan een aangepaste bureaustoel, toetsenbord, koptelefoon, enzovoort. Wat een passende voorziening is, is sterk afhankelijk van de individuele behoefte van de persoon. Dit vraagt om maatwerk. Wel gelden de voorwaarden zoals opgenomen in de artikelen 3 en 21b. Het uitgangspunt is dat de voorzieningen in bruikleen beschikbaar worden gesteld en dus weer bij het college worden ingeleverd op het moment dat deze niet langer nodig zijn. Artikel 21n. Specifieke voorwaarden werkplekaanpassingen In artikel 8a, tweede lid, onderf, onderdeel 3, van de Participatiewet wordt uitsluitend gesproken van meeneem bare voorzieningen. In sommige gevallen zijn er andere voorzieningen nodig op de werkplek om ervoor te zorgen dat de persoon hier kan werken. Hierbij kan gedacht worden aan een aangepast toilet, een entree met automatische deuropener of een traplift.

Dit artikel regelt de mogelijkheid om ook in deze behoefte te voorzien door het toekennen van een werkplekaanpassing. Daarmee wordt aansluiting gezocht bij de wetsgeschiedenis, waarin wel wordt gesproken van werkplekaanpassingen in plaats van meeneembare voorzieningen (Kamerstukken Il 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 20). De gemeente biedt de meest adequate en goedkoopste oplossing, kwalitatief verantwoord. De kosten van de werkplekaanpassing dienen proportioneel te zijn, dat wil zeggen dat de investering in de werkplekaanpassing moet opwegen tegen de opbrengsten van uitstroom naar werk. Bij de beoordeling of de kosten proportioneel zijn wordt onder andere betrokken: a) de kosten van de werkplekaanpassing; b) de duur van de arbeidsovereenkomst in termen van looptijd (aantal maanden/jaren/bepaalde tijd/onbepaalde tijd); c) de omvang van de arbeidsovereenkomst in termen van het aantal uren dat de persoon gaat werken; en d) de opbrengsten in termen van besparing op de uitkeringslasten en eventuele andere lasten (bijvoorbeeld in het kader van de WMO) in relatie tot de kosten van de werkplekaanpassing Artikel 22. Intrekken oude verordening en overgangsrecht In artikel 22 is het intrekken van de verordening loonkostensubsidie geregeld. Dit heeft te maken met het feit dat de grondslag voor deze verordening, in de vorm van artikel 6, tweede lid, van de blz. 39 van 41

Registratienummer: 1605772 Onderwerp: Re-integratieverordening Participatiewet Zaanstreek-Waterland 2025

Participatiewet, met de wet "Wijziging van de Participatiewet en enkele andere wetten in verband met het verbeteren van de regeling voor loonkostensubsidie en enkele andere wijzigingen (uitvoeren breed offensief)", is komen te vervallen. Het intrekken van de oude re-integratieverordening is eveneens in dit artikel geregeld. Ook is in artikel 22 het overgangsrecht neergelegd. De regels uit deze verordening zijn vanaf datum inwerkingtreding direct van toepassing op alle rechtsverhoudingen die onder de werking van deze verordening vallen. Dat levert niet altijd een goed resultaat op, in het bijzonder in situaties waarin voorzieningen voor een bepaalde periode zijn toegekend en de inwoner of werkgever daarmee rekening heeft gehouden. Dan kan de beëindiging van een voorziening op grond van de nieuwe verordening wel erg abrupt zijn en de nodige financieel nadelige effecten hebben omdat de inwoner/werkgever erop vertrouwd heeft voor een langere periode. Daarom is specifiek overgangsrecht gewenst voor dergelijke situaties. Daarin wordt met het tweede lid voorzien. Hiermee wordt bereikt dat een voorziening die is toegekend voor de inwerkingtreding van deze verordening en ingetrokken moet worden op grond van de nieuwe regels, blijft doorlopen tot de einddatum van die voorziening.

Dat is anders als die voorziening eerder ingetrokken moet worden op grond van de regels van de 'oude' verordening.

blz. 4o van 41

Registratienummer: 1605772 Onderwerp: Re-integratieverordening Participatiewet Zaanstreek-Waterland 2025

blz. 41 van 41

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15109295/1