20241111-beantwoording-p.-zwart-bestemmingsplan-buitengebied-beemster
Tekst van het document
Technische vragen d.d. 06-11-2024 van GroenLinks Opsteller: P. Zwart Onderwerp: Bestemmingsplan Buitengebied Beemster (reparatie partiële herziening) Commissie/raad: Ruimte Geagendeerd: ja Agendapunt: 6 Inleiding: Op 14 november 2024 wordt in de commissie Ruimte behandeld het raadsvoorstel Bestemmingsplan Buitengebied Beemster 2012 – reparatie partiële herziening 2021. Ter voorbereiding hiervan heeft de fractie van GroenLinks de volgende vragen. Vraag 1: In zijn uitspraak van 17 juli 2024 geeft de Raad van State enkele voorbeelden waarin de kernkwaliteiten van de Beemster volgens het ruimtelijk kwaliteitskader niet of onvoldoende zijn gewaarborgd in de juridisch bindende planregels van het bestemmingsplan Buitengebied Beemster 2012 – reparatie partiële herziening 2021 (raadsbesluit van 29 juni 2023). Hierbij wordt vermeld dat het slechts voorbeelden zijn, en niet een limitatieve opsomming (onderdeel 17.6 van de uitspraak). Toch wordt in de raadsvoordracht (blz. 3) slechts ingegaan op deze voorbeelden (1 t/m 4), zodat de vraag rijst of niet andere mogelijke voorbeelden over het hoofd worden gezien. Kunt u aangeven op welke manier dit systematisch is onderzocht (nadere toelichting bij blz. 19 van de aangepaste Toelichting), en is het nu zeker dat er geen onderdeel meer ontbreekt?
Antwoord 1: Uit het Beemster erven is WereldERFgoed, ruimtelijke kwaliteitskader voor het Beemster erf, volgt dat de karakteristieke wijze van het inrichten van het Beemster erf is terug te voeren op 9 spelregels. Deze 9 spelregels zijn uitgewerkt op erfniveau en bestaan uit concrete randvoorwaarden (vereist / hard), richtlijnen (gewenst / zacht) en inspiratiebronnen voor de inrichting, het gebruik en bebouwing (stimuleren). In onderdeel 17.3 van de uitspraak d.d. 17 juli 2024 heeft de Raad van State de harde randvoorwaarden van de spelregels gemakshalve op een rijtje gezet: Voorerf: onbebouwd voorerf tot aan achtergevel hoofd(woon)gebouw; Gebruikszones: zonering in 1) representatieve tuinzone met hoofdgebouw, 2) overgangszone (ander bouwregels en functie) en 3) bedrijfserf met grotere bedrijfsgebouwen. Representatief woon(hoofd) gebouw in vooruitgeschoven positie;
Erfpad: erfpad tot achter erfgrens met een doorzicht op het achterliggende landschap, markering entree met hek, poort en/of bomen, individuele toegangsbrug; Afbakening en erfinpassing: sloot op Kopergravure-slotenpatroon, onbebouwde zone van minimaal 7,2 m Kopergravure zijde vanaf insteek sloot, onbebouwde zone van minimaal 3,6 m vanaf insteek sloot; Hoofdgebouw: hoofdgebouw vooruitgeschoven op het erf in het midden van de erfbreedte. In ieder geval minimaal 9 m uit zijdelingse perceelsgrens, maximale goothoogte 5,5 m, kap verplicht, stolp of zadeldak met kaprichting haaks op de weg; Overgangszone kleine bedrijfsgebouwen: bijgebouwen en bedrijfsgebouwen staan achter het hoofdgebouw, zone kleine bij- en bedrijfsgebouwen met max. bouwhoogte 10 m, max. goothoogte 4 m, lager nokhoogte dan hoofdgebouw, kap is verplicht, kaprichting in perceelsrichting/haaks op weg en steile kappen 30 - 60 graden; Grote bedrijfsgebouwen op het achtererf: zone grote bij- en bedrijfsgebouwen achterop het erf, achter de overgangszone, zone grote bij- en bedrijfsgebouwen met max. bouwhoogte 12 m, max. goothoogte 4 m, kap is verplicht, kaprichting in perceelsrichting/haaks op weg en hellingshoek dakvlak min. 15 graden. Naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State is voor alle harde randvoorwaarden onderzocht in hoeverre deze al dan niet reeds in het plan zijn geborgd.
Gebleken is dat de harde randvoorwaarden die zien op de gebruikszones, hoofdgebouw, overgangszone kleine bedrijfsgebouwen en grote bedrijfsgebouwen op het achtererf, reeds in het plan zijn geborgd. Zo zijn bij de algemene en specifieke bouwregels voor bijvoorbeeld de bestemming ‘Agrarisch’ (artikelen 3.2.1. en 3.2.2) in het bestemmingsplan Buitengebied Beemster 2012 – Partiele herziening 2021 reeds regels opgenomen omtrent de zijdelingse afstand van gebouwen en bouwwerken tot de aanwezige sloten (3.6 m) en kopergravuresloten (7.2 m). En ook de harde randvoorwaarden omtrent de gebruikszones en specifieke bouwregels binnen deze zones zijn opgenomen. Zo wordt in artikel 3.2.2. onderscheid gemaakt tussen bedrijfsgebouwen gepositioneerd binnen de 18m grens van de gevellijn en buiten de 18m. En voor beide zones zijn specifieke bouwregels bepaald, conform de harde randvoorwaarden van het ruimtelijk kwaliteitskader. Ook voor de bedrijfswoning zijn in artikel 3.2.2 sub b bouwregels gesteld in overeenstemming met de harde randvoorwaarden. Gebleken is dat alleen voor wat betreft de door de Raad van State genoemde voorbeelden een aanpassing van het bestemmingsplan nodig is omdat onvoldoende inzichtelijk is op welke wijze de instandhouding van situaties waarin wordt voldaan aan deze randvoorwaarden is gewaarborgd in de planregels of wordt bevorderd dat hieraan zal worden voldaan.
Conform de opdracht van de Raad van State wordt het bestemmingsplan hierop aangepast. Op bladzijde 19 van de (aangepaste) toelichting op het bestemmingsplan wordt per te borgen randvoorwaarden beschreven hoe
hiervoor in de planregels wordt voorzien.
Vraag 2: Eén van de voorbeelden van de Raad van State was het kunnen dempen van kopergravuresloten met vergunning. In de nieuw opgestelde Regels wordt dit nu uitgezonderd van een binnenplanse omgevingsvergunning, maar in de raadsvoordracht wordt aangekondigd dat er alsnog kan worden afgeweken van het tijdelijke omgevingsplan via een BOPA (buitenplanse vergunning). Kunt u toelichten waarom deze zinsnede in de raadsvoordracht is opgenomen en hoe deze zich verhoudt tot de intentie van de uitspraak van de Raad van State?
Antwoord 2: In overweging 17.6 heeft de Raad van State geoordeeld dat onvoldoende inzichtelijk is gemaakt op welke wijze de instandhouding van situaties waarin wordt voldaan aan de harde randvoorwaarden uit het ruimtelijk kwaliteitskader is gewaarborgd in de planregels of hoe de planregels bevorderen dat aan die harde randvoorwaarden zal worden voldaan. Specifiek voor de Kopergravuresloten wordt door de Raad van State aangegeven: “De planregels maken hiermee een wijziging van de sloten die overeenkomstig het Kopergravure-patroon zijn aangelegd niet zonder meer onmogelijk, terwijl dit patroon op grond van het ruimtelijk kwaliteitskader in het geheel niet mag worden aangetast.” De opdracht van de Raad van State ziet op het borgen van de randvoorwaarden van het ruimtelijk kwaliteitskader in de planregels van het bestemmingsplan. En dat het bestemmingsplan een wijziging van de Kopergravuresloten niet mogelijk maakt. Met andere woorden, de planregels mogen geen afwijkingsmogelijkheid door middel van een binnenplanse omgevingsvergunning bevatten om het patroon van de Kopergravuresloten te kunnen wijzigen. Aan deze opdracht wordt voldaan, door deze mogelijkheid in z’n geheel uit te sluiten. In het raadsvoorstel wordt aangegeven dat de aanpassing van de planregels op een aantal punten verdere regulering in het bestemmingsplan betekent.
Met de opmerking “Maar in concrete gevallen kan er - mits mogelijk en wenselijk mede gelet op het ruimtelijk beleid - alsnog worden afgeweken van het tijdelijke omgevingsplan met een Bopa” wordt uw raad erover geïnformeerd dat dit niet betekent dat er nooit meer een afwijking van de planregels mogelijk is. Daarbij zal dan wel moeten worden voldaan aan het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Vraag 3: Vallen de onder vraag 2 genoemde BOPA’s onder het bindend adviesrecht van de gemeenteraad?
Antwoord 3: Ja, een aanvraag voor het dempen van een kopergravuresloot betreft een aanvraag die afbreuk doet aan de kernkwaliteiten van het Unesco werelderfgoed Droogmakerij De Beemster en valt daarmee onder het bindend adviesrecht van de gemeenteraad. Vraag 4:
Antwoord 4:
Vraag 5:
Antwoord 5:
Vraag 6:
Antwoord 6:
Vraag 7:
Antwoord 7:
Vraag 8:
Antwoord 8:
Vraag 9:
Antwoord 9:
Vraag 10:
Antwoord 10: