20240425-beantwoording-j.-albers-bestemmingsplan-beemsterbuiten-c.a.
Tekst van het document
Technische vragen d.d. 24-04-2024 van Gemeentebelangen Purmerend Opsteller: J. Albers Onderwerp: Bestemmingsplan Beemsterbuiten c.a. Commissie/raad: Ruimte Geagendeerd: ja Agendapunt: 15 Inleiding: Er worden door inwoners, stichtingen en politieke partijen zorgen geuit over mogelijke precedentwerking bij vaststelling van het bestemmingsplan Beemsterbuiten c.a. In de nota van beantwoording zienswijzen geeft u aan dat precedentwerking niet aan de orde is, omdat 'Transformatie naar woningbouw vanuit een bedrijfsbestemming anders is dan transformatie naar woningbouw vanuit agrarische bestemmingen'. Vraag 1: Een hypothetische situatie: Er wordt een aanvraag ingediend om op een perceel met agrarische bestemming, zeventien woningen te realiseren binnen het raster, ter vervanging van bestaande bebouwing. Het terrein is op het moment van aanvraag verwilderd en er zijn diverse, grote leegstaande schuren aanwezig. Medewerking aan het initiatief om zeventien woningen te bouwen zou tot verbetering van het erf leiden en geschiedt conform de erfinrichtingsprincipes van de Beemster. In de nieuwe situatie neemt het bebouwingsoppervlakte tevens significant af. Dit alles zou dus ten goede komen aan de openheid en ruimtelijke kwaliteit van het Werelderfgoed.
Kunt u aangeven welke regels zouden gelden voor een dergelijk initiatief op een perceel met agrarische bestemming? Kunt u de verschillen tussen regels voor transformatie naar woningbouw op respectievelijk agrarische bestemmingen en bedrijfsbestemmingen in dit kader uiteenzetten?
Antwoord 1: Voor hoe de transformatie voor een dergelijke ontwikkeling plaatsvindt, geldt zowel voor een agrarisch als voor een bedrijfsperceel in beginsel hetzelfde ruimtelijk beleid (denk vooral aan de nota omgevingskwaliteit).
Het eerste verschil is dat het wegbestemmen van een bedrijfsbestemming met een zware milieucategorie in het buitengebied gewenst is. Regionale bedrijventerreinen bieden immers voldoende plek aan ondernemingen. Dit geldt niet per definitie voor agrarische bestemmingen. De agrarische sector is tenslotte de economische drager van het buitengebied en daarmee ook van het werelderfgoed droogmakerij de Beemster. Voorts zit het verschil in het toepassen van de regels, aangezien iedere casus anders is en in de ruimtelijke afwegingen maatwerk vraagt. Planologische medewerking is afhankelijk van verschillende factoren en omstandigheden van het concrete geval en spelen dan ook een belangrijke rol. Denk daarbij aan de ligging van het perceel, al dan niet aanwezigheid van een bouwvlak (de bebouwingsmogelijkheden, de ligging en de grootte daarvan) c.q. kopergravuresloot, hetgeen wordt gesloopt, hoe de nieuwe functie vorm wordt gegeven, als ook de aanwezigheid van omliggende agrarische bedrijven welke, volgens milieuwetgeving, niet mogen worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Binnen de Nekkerzoom is er maar één vergelijkbaar perceel (van ’t Hek). Echter, het is niet te verwachten dat ook dit op korte termijn een saneringslocatie wordt. Voor precedentwerking moet sprake zijn van gelijke situaties. Kijkend naar de rest van de Beemster zijn die er niet.
Het voorliggende plan is gelegen in de Nekkerzoom. Het gebied heeft een kleinschalig bijzonder karakter in de Beemster. Het voorliggende perceel heeft een bedrijfsbestemming, ligt binnen de Nekkerzoom, de zware bedrijfsactiviteiten zijn/worden verplaatst, er is sprake van een landschappelijke inpassing en een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit, er is voldoende bebouwing om te saneren en de woningen worden vanuit milieuzonering toegestaan. Het is niet aannemelijk dat op andere locaties ook hiervan sprake is.
Vraag 2:
Antwoord 2:
Vraag 3:
Antwoord 3:
Vraag 4:
Antwoord 4:
Vraag 5:
Antwoord 5:
Vraag 6:
Antwoord 6:
Vraag 7:
Antwoord 7:
Vraag 8:
Antwoord 8:
Vraag 9:
Antwoord 9:
Vraag 10:
Antwoord 10: