20240314-beantwoording-p.-zwart-bestemmingsplan-purmerdijk-3
Tekst van het document
Technische vragen d.d. 06-03-2024 van GroenLinks Opsteller: P. Zwart Onderwerp: Bestemmingsplan Purmerdijk 3 Commissie/raad: Ruimte Geagendeerd: ja Agendapunt: 6 Inleiding: Op 14 maart 2024 wordt in de commissie Ruimte het bestemmingsplan Purmerdijk 3 behandeld. Ter voorbereiding hiervan heeft de fractie van GroenLinks de volgende vragen:
Vraag 1: Het bestemmingsplan dient ertoe een extra woning mogelijk te maken op het perceel Purmerdijk 3. Volgens de stukken is deze bedoeld om de (schoon)ouders van initiatiefnemers te huisvesten. Hoewel het om slechts één woning gaat, wordt deze toch gezien als een welkome bijdrage in de oplossing van het woningtekort in Purmerend, blijkens de toelichting op het bestemmingsplan. a. Komt hierdoor een andere woning vrij binnen de gemeente? (effect doorstroming) b. Op het moment dat de (schoon)ouders van initiatiefnemers daar niet meer zullen wonen, op welke wijze kan deze woning dan voorzien in de lokale woningbehoefte, of gaat deze woning dan in de vrije verkoop, ook buiten de gemeente en/of de regio?
Antwoord 1: a. Ja, afhankelijk van wiens ouders in de woning komen, komt in Purmerend dan wel in Leiden een woning vrij. b. De gemeente heeft daar geen zeggenschap over. Initiatiefnemers hebben aangegeven op dat moment de woning te willen verhuren of verkopen. Vraag 2: De ontwikkeling wordt gezien als een verhoging van de ruimtelijke kwaliteit (Toelichting, blz. 19 en 20). Kwaliteit wordt in dit geval verhoogd door sloop van de huidige opstallen op het perceel Purmerdijk 3 en de vervanging daarvan door een nieuwe woning. Deze ontwikkeling is echter ook mogelijk binnen het huidige bestemmingsplan, aangezien hiervoor reeds een omgevingsvergunning is verleend. Met de genoemde verhoging van de ruimtelijke kwaliteit wordt kennelijk bedoeld het bouwen van een extra woning op het perceel. a. Kunt u aangeven waarom twee woningen op dit perceel leiden tot een hogere
ruimtelijke kwaliteit dan één woning op dit perceel? En wat wordt dan precies verstaan onder “ruimtelijke kwaliteit”? b. Op blz. 19 van de Toelichting wordt vermeld dat ter compensatie van de sloop van in slechte bouwkundige staat verkerende gebouwen een extra woning wordt gerealiseerd – naast de herbouw van een woning op de plaats van de te slopen gebouwen. Indien een eigenaar zijn gebouwen zodanig verwaarloost dat deze in slechte bouwkundige staat komen te verkeren, of indien iemand gebouwen aankoopt die zich in slechte bouwkundige staat bevinden, ligt dan niet de verantwoordelijkheid voor het opknappen van die gebouwen bij de eigenaar, zonder dat de overheid verplicht is daar een vorm van compensatie tegenover te stellen? Wat is het algemene beleid van de gemeente Purmerend in deze?
Antwoord 2: a. Deze tekst is afkomstig uit de door initiatiefnemers aangeleverde onderbouwing. Het is niet zo dat een perceel mét woning een betere ruimtelijke kwaliteit oplevert. In dit specifieke geval hebben wij beoordeeld dat een perceel mét woning geen afbreuk doet aan de ruimtelijke kwaliteit ten opzichte van een perceel zonder woning. In Purmerend wordt hiervoor de term ‘omgevingskwaliteit’ gehanteerd. Dit begrip kent vele facetten. De Nota omgevingskwaliteit van Purmerend fungeert als leidraad. Omgevingskwaliteit omvat onder meer het belang van aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap. De woorden ‘onder meer’ geven al aan dat er meer onder kan vallen dan wat hier genoemd staat. b. Purmerend hanteert geen algemeen beleid in deze. De eigenaar heeft geen plicht tot het opknappen van gebouwen. Dat de vervallen gebouwen die hier staan worden vervangen door een woning, levert een bijdrage aan de omgevingskwaliteit en aan het vergroten van de woningvoorraad. Dit was voor het college voldoende reden voor medewerking aan het initiatief. Vraag 3: Op de gronden die in het huidige bestemmingsplan bestemd zijn als Tuin, staat nu nog een garage. Deze valt kennelijk onder de toegelaten bouwwerken die mogelijk zijn bij de bestemming Tuin.
Voor deze bouwwerken geldt een maximum oppervlakte (Regels, artikel 3.2.1.a.). Nu er in het bestemmingsplangebied twee woningen zijn toegestaan in plaats van één, heeft elk van deze woningen dan het bedoelde (maximum) toegelaten oppervlakte voor erfbebouwing, of geldt het in de Regels genoemde maximum voor het bestemmingsplangebied als geheel?
Antwoord 3:
Nee, de regels voor erfbebouwing gelden per woning, ze hoeven het maximumoppervlak dus niet met elkaar te delen. Vraag 4: Voor de woningen wordt wel een maximum goothoogte vastgesteld (Regels, artikel 5.2.c.), maar geen maximum bouwhoogte of nokhoogte. Waarom wordt deze niet genoemd, en is het gevolg hiervan dat de bouwhoogte of nokhoogte onbeperkt zijn?
Antwoord 4: Het is een correcte constatering dat geen maximale bouwhoogte is opgenomen. Hoewel initiatiefnemers op pagina 13 van de toelichting hebben aangegeven dat hun woning niet hoger dan 7,5 meter zal worden, is het wel verstandig om ook een maximum bouwhoogte op te nemen. Dit is een omissie en zal hersteld worden voor de beraadslaging in de raadsvergadering. Vraag 5: Volgens de Toelichting (blz. 27) “blijft het plangebied groen ingericht”. Op welke manier kan dit door het bestemmingsplan worden gewaarborgd, nu er voor woningen twee in plaats van één bouwvlak wordt opgenomen, de mogelijkheden voor erfbebouwing mogelijk worden verruimd (zie vraag 3.) en het aanbrengen van verharding op met Tuin aangeduide gronden kennelijk niet kan worden tegengegaan, gezien de vele in Purmerend verharde voor- en achtertuinen?
Antwoord 5: Het perceel is dermate groot en de regels voor erfbebouwing dusdanig dat er genoeg onbebouwde grond overblijft als de bebouwingsmogelijkheden ten volle worden benut. Bovendien heeft initiatiefnemer, zoals u zelf ook constateert, op pag. 27 van de toelichting aangegeven dat het plangebied groen blijft ingericht. Vraag 6: In dit geval hoeven er geen compenserende maatregelen genomen te worden voor wat betreft het waterbergend oppervlak, omdat de (toename van de) verharding minder dan 800 m2 bedraagt (Toelichting, blz. 40). Een veelheid aan kleine ontwikkelingen kan echter toch leiden tot telkens een toename van het verhard, niet-waterdoorlatend oppervlak, zonder dat dit in het beleid is meegenomen. Op welke manier wordt getoetst of de optelsom van deze kleine, vrijgestelde ontwikkelingen tot problemen kan leiden voor wat betreft wateroverlast en dijkbeheer?
Antwoord 6: Gelet op de beleidsregels van het hoogheemraadschap wordt daar op dit moment niet
op getoetst. Vraag 7:
Antwoord 7:
Vraag 8:
Antwoord 8:
Vraag 9:
Antwoord 9:
Vraag 10:
Antwoord 10: