20221025-beantwoording-p-zwart-uitbreiding-varkenshouderij-hobrederweg-middenbeemster
Tekst van het document
Technische vragen d.d. 17-10-2022 van GroenLinks Opsteller: P. Zwart Onderwerp: Uitbreiding varkenshouderij Hobrederweg 40a te Middenbeemster. Commissie/raad: Raad Geagendeerd: ja Agendapunt: Raadsvergadering Inleiding: Op 6 oktober is in de commissie Ruimte het voorstel behandeld tot het al dan niet uiten van bedenkingen met betrekking tot het verlenen van een omgevingsvergunning, in afwijking van het geldende bestemmingsplan, ten behoeve van de uitbreiding van de varkenshouderij aan de Hobrederweg 40a. te Middenbeemster. In aansluiting daarop, en met het oog op de komende raadsbehandeling, heeft de fractie van GroenLinks nog de volgende vragen: Vraag 1: Procedure. a. Waarom wordt in dit geval gekozen voor het verlenen van een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan, en niet voor een partiële herziening van het bestemmingsplan, zoals bijvoorbeeld bij Oostdijk 20? b. Welke juridische consequenties heeft deze keuze voor de korte termijn en voor de langere termijn, in vergelijking met een herziening van het bestemmingsplan? c. Wordt de voorgenomen omgevingsvergunning op enig moment wèl ingepast in het bestemmingsplan, en op welke termijn valt dat te verwachten?
Antwoord 1: a) De aanvraag omgevingsvergunning past niet in het bestemmingsplan. Van rechtswege dient een dergelijke aanvraag dan ook als een aanvraag omgevingsvergunning in strijd met het bestemmingsplan te worden aangemerkt. Hiervoor dient een procedure volgens de Wabo te worden gevoerd (en niet een bestemmingsplanprocedure volgens de Wro). Hieronder wordt dit nader toegelicht. Het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2012 - Partiële herziening 2021’ biedt een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid voor het bouwen buiten het bouwvlak tot 2 hectare. Deze bevoegdheid kan in dit geval niet worden toegepast omdat niet wordt voldaan aan het vereiste dat bij toepassing niet meer dieren mogen worden gehouden. Voor dit bouwplan dient daarom een buitenplanse afwijking te worden overwogen. In het projectgebied spelen geen zogeheten ’doorkruisende rechten’. Dat wil zeggen dat er geen gebruiks- en bouwmogelijkheden o.g.v. het bestemmingsplan op het perceel aanwezig zijn die met het oog op het bouwplan noodzakelijkerwijs wegbestemd dienen te worden. Dit maakt dat het niet nodig is om een bestemmingsplanprocedure te volgen. Om het bouwplan mogelijk te maken, kan gebruik worden gemaakt van de wat minder complexe afwijkingsprocedure o.g.v. artikel 2.12 lid 1, sub a, onder 3˚ van de Wabo (omgevingsvergunning in strijd met het bestemmingsplan).
b) Bij een afwijkingsprocedure is er sprake van een concreet uitgewerkt (bouw)plan. De omgevingsvergunning geldt dan voor dat concreet geval. De bestemming van het perceel en daarbij
behorende gebruiks- en bouwmogelijkheden veranderen niet. Als er op het bouwplan wijzigingen nodig zijn dan betekent in de praktijk dat er opnieuw een (afwijkings)procedure gevolgd moet worden. Bij een (postzegel)bestemmingsplan kan enige flexibiliteit in worden gebouwd, waardoor het niet nodig is om het bouwplan in detail uitgewerkt te hebben. Het geregeld hebben van de bouwvolume, -hoogte, situering en functie kan voldoende zijn. Dat kan voor de toekomst betekenen dat (kleine) aanpassingen van het bouwplan binnen het kader van het bestemmingsplan vergund kunnen worden. c) In beginsel dienen bestemmingsplannen om de zoveel tijd te worden geactualiseerd. Bij actualisering moeten verleende omgevingsvergunningen in het gebied worden meegenomen en verwerkt in het bestemmingsplan. Totdat dit het geval is, geldt de verleende omgevingsvergunning naast het geldende bestemmingsplan. Met de komst van de nieuwe Omgevingswet zal dit anders en sneller gaan verlopen.
Vraag 2: Ruimtelijke afwijkingen. a. De bestaande bedrijfsbebouwing heeft een oppervlakte van 3.360 m2. Daarmee is het (huidige) bouwvlak voor 38% bebouwd. (Toelichting, blz. 8). Is de berekening juist, dat het huidige bouwvlak 8.842 m2 groot is, en dat hiervan 5.747 m2 (= 65%) bebouwd mag worden? b. De aangevraagde nieuwe stal zal voor 1.365 m2 buiten het bouwvlak worden gebouwd. Is de berekening juist, dat er daarmee een nieuw bouwvlak ontstaat van 10.207 m2? En dat hiervan 7.235 m2 bebouwd zal worden (3.360 m2 bestaande bebouwing + 3.875 m2 nieuwe stal), hetgeen een bebouwingspercentage oplevert van ca. 71%? In de bijlage (Bijlage 3, blz. 9) worden andere cijfers genoemd: een grasperceel van 42 x 110 m. en de maten van de nieuwe stal zijn daar 38 x 105 m. Welke getallen zijn de juiste?
Antwoord 2: a) Het huidige agrarische bouwvlak heeft een oppervlakte van circa 8.750 m2. Daarbinnen geldt een bebouwingpercentage van 65%. b) De bouwmogelijkheden van het geldende bestemmingsplan worden niet met deze afwijkingsprocedure gewijzigd. Dat betekent dat het bouwvlak (qua vorm en grootte) met deze omgevingsvergunning niet veranderd. Het bouwvlak, zoals opgenomen in het bestemmingsplan, blijft dus circa 8.750 m2 groot. Met de omgevingsvergunning wordt een eenmalige beschikking gegeven om daarbuiten (voor dit specifieke bouwplan) te kunnen bouwen. Met het deel van de nieuwe stal dat binnen het geldende bouwvlak valt, wordt het bebouwingspercentage 67%. Dat is een overschrijding van 2%. De nieuwe stal wordt conform de bijbehorende bouwtekeningen en zoals in de toelichting beschreven 36,9 meter breed, 105 meter lang en circa 3875m² groot. In de bijlage staat 38 meter breed. Daarin is ook de ‘luifel’ van circa 2 meter meegenomen.
Vraag 3: Stikstofuitstoot. a. “Er treedt dus geen verhoging op in de stikstofdepositie op gevoelige gebieden”. (Toelichting, blz. 20).
Is er feitelijk geen risico op een verhoging van de huidige stikstofdepositie, of is dit alleen een vergelijking met de vergunde (maar niet ten volle benutte) situatie volgens de vergunning uit 1992? b. Er worden vergelijkende stikstofberekeningen gemaakt tussen de aangevraagde situatie en de vergunde situatie. Maar hoe luiden de vergelijkende berekeningen tussen de aangevraagde situatie en de thans bestaande feitelijke situatie, dus die met 220 fokzeugen en 825 vleesvarkens? c. Als men de vergunde situatie terugrekent, hoeveel fokzeugen en vleesvarkens zouden er dan nu maximaal op grond van de huidige vergunning gehouden mogen worden?
Antwoord 3: a) Omdat in de vergunde situatie het aantal dieren is opgenomen dat op enig moment maximaal aanwezig mag zijn in de inrichting op basis van het aantal dierplaatsen, zal het feitelijk aantal gehouden dieren altijd lager zijn omdat er ruimte in de stal moet zijn om dieren te kunnen verplaatsen. Dit geldt ook voor de aangevraagde situatie. Het ‘corrigeren’ in het werkelijk gehouden aantal dieren was tot 1993 gebruikelijk, maar is toen afgeschaft om ongewenste (over)bezetting in stallen te voorkomen. Sindsdien worden de berekeningen opgesteld op basis van het vergunde recht. b) De referentiesituatie voor de stikstofberekening is de huidige legale situatie. Veranderingen van activiteiten op een bedrijf worden bepaald ten opzichte van deze referentiesituatie. In dit geval is de verschilberekening gemaakt vanuit de vergunde situatie (uit 1992) naar de beoogde situatie (nu) met inbegrip van de groei van het aantal dieren. Het werkelijk gehouden aantal dieren is in dat opzicht niet relevant; ook in de depositieberekeningen door de provincie is het vergunde aantal dieren/dierplaatsen het uitgangspunt. c) De vergunde situatie is, zoals hiervoor ook aangegeven, de referentiesituatie. Op basis daarvan kunnen de aangevraagde dieraantallen gehouden worden. Daarbij is niet alleen de omvang van de emissie bepalend, maar ook de kenmerken van de uitstroomopeningen.
Voor dit geval is het terugrekenen derhalve (wetstechnisch) niet relevant. Vraag 4: Mogelijke milieuwinst. Indien de omgevingsvergunning, met daarin de nieuwe stal en de totale berekende stikstofuitstoot, zou worden verleend, wordt dan de uitstoot volgens de aanvraag (2.260,6 kg/j voor NH3 en 45,5 kg/j voor NOx) de nieuwe vergunde norm, of blijven de oude, ruimere normen van de vergunde situatie in 1992 in stand? Antwoord 4: Omdat er in deze situatie sprake is van intern salderen, is er geen nieuwe natuurbeschermingswet vergunning benodigd. Daarom zal qua natuurbeschermingswet vergunning de oude situatie uit 1992 leidend blijven, inclusief de bijhorende kenmerken van de uitstroomopeningen. Qua emissie ligt de oude situatie hoger dan de aanvraag, echter door de gewijzigde kenmerken (plaats, hoogte, uitstroomopening) van de emissiepunten is de depositie gelijk. Vraag 5: Verkeer. a. In de aangevraagde nieuwe situatie zal – hoewel minder – transport plaatsvinden met vrachtwagens van 32 ton, in plaats van 12 ton. Is de Hobrederweg, mede gezien de breedte van de weg, daarop berekend, qua draagkracht en qua verkeersveiligheid?
b. Zijn in de milieuvergunning uit 1997, behalve over het aantal vrachtwagenbewegingen, ook bepalingen opgenomen over de grootte en het tonnage van de vrachtwagens?
Antwoord 5: a) De Hobrederweg is in beheer van Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Het hoogheemraadschap heeft in het vooroverleg het plan beoordeeld en te kennen gegeven geen belemmeringen te zien. b) Nee. In de oude vergunningen zijn alleen het aantal transporten opgenomen, destijds speelde het tonnage geen rol. Vraag 6:
Antwoord 6:
Vraag 7:
Antwoord 7:
Vraag 8:
Antwoord 8:
Vraag 9:
Antwoord 9:
Vraag 10:
Antwoord 10: