Vragen (2e versie) fractie EA Langelandseweg 18
Tekst van het document
Vragen fractie Eerlijk Alternatief “ontwerpbesluit weigering verklaring van geen bedenkingen voor het wijzigen van de bestemming bedrijfswoning naar burgerwoning op het perceel Langelandseweg 18 in Nootdorp” 1. Op welke grondslag is aanvankelijk geweigerd? 2. Wat is in het geval van de Langeslandseweg 18 de reden voor een uitgebreide procedure? 3. U geeft in de aanbiedingsnota aan dat er bij het “opstellen van het bestemmingsplan een “perceelsgewijze inventarisatie” heeft plaatsgevonden. In welk jaar vond de inventarisatie plaats en wat verstaat u onder een “perceelsgewijze inventarisatie”? 4. U geeft aan dat er bij de inventarisatie “sprake was van een relatie tussen de eigenaren van de woning en de achterliggende tuinbouwgronden”. Welke relatie bestond er en in hoeverre is dat relevant voor het besluit? Op grond waarvan is vastgesteld dat er “mogelijk en gewenst is om de bedrijfswoning weer als zodanig te gebruiken” door de eigenaren. 5. U geeft in de aanbiedingsnota aan dat “de toenmalige eigenaar “dit” destijds bij de (…) ook niet als wens naar voren gebracht”. Wat heeft de toenmalige eigenaar niet als wens naar voren gebracht? 6. U geeft aan ‘uit de luchtfoto’s of overige beschikbare bronnen kan niet worden opgemaakt dat sinds het vaststellen van het bestemmingsplan sprake is geweest van herstructurering”.
Wat is er te zien op de luchtfoto’s? Wanneer zijn de luchtfoto’s gemaakt? Welke andere “beschikbare bronnen” zijn geraadpleegd”. Wanneer is het bestemmingsplan vastgesteld? 7. Is de college zich ervan bewust dat de woning sinds 2000 niet meer gebruikt wordt als bedrijfswoning, omdat de bijbehorende gronden zijn verkocht ten behoeve van schaalvergroting van het achterliggende bedrijf. 8. Is het college op de hoogte van het feit dat het achterliggende bedrijf de woning aan de Langelandseweg nr. 14 die functie bedrijfswoning heeft in eigendom heeft. 9. In de aanbiedingsnota geeft het college aan dat de woningen op nummer 16 en 18 een oprit delen en dat het entree naar het tweede bedrijfsgebouw tussen de woningen in ligt. Daarbij wordt gesteld dat de oprit onderdeel uitmaakt van het achtergelegen bedrijf en dat dit gegeven ervoor zorgt dat er geen aanvaardbaar woon-leefklimaat kan worden gegarandeerd. Hoe kan het dan zijn dat ondanks het feit dat de woningen 16 en 18 beiden dezelfde oprit delen, woning nr. 16 wel bestemd is als burgerwoning en het argument van “onaanvaardbaar woon-leefklimaat” in de weg staat voor het bestemmen van burgerwoning van nr. 18? 10. In hoeverre voldoet burgerwoning nr. 16 aan de richtafstand van 10 meter tussen de woning en het bedrijf? 11. Wat zijn de uitgangspunten voor de meting van nr.
18 geweest en is dit gelijkgesteld met de uitgangspunten voor woning nr. 16? M.a.w. is bij de metingen voor beide woningen uitgegaan van dezelfde waarden/uitgangspunten/meetpunten? 12. In de nota van zienswijze is het volgende beschreven: “Tenslotte wordt door [aanvrager] opgemerkt dat de woning aan de Langelandseweg 16 reeds als burgerwoning is bestemd en dus bepalend voor de milieuruimte is. In het kader van het Activiteitenbesluit is dit inderdaad correct. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient uitsluitend de te transformeren woning beschouwd te worden.” Hoe verhoudt dit zich tot het gelijkheidsbeginsel? En waar in de regelgeving is terug te vinden dat ‘in het kader van een goede ruimtelijke ordening uitsluitend de te transformeren woning beschouwd moet worden”? 13. Er wordt in de nota van beantwoording geen antwoord gegeven op volgende reactie “. Bij de beoordeling van de aanvraag is uitgegaan van een afstand van 8 meter. Dit is onjuist. Uit de tekening behorende bij de aanvraag blijkt dat de afstand 10,76 meter bedraagt. De afstand
die in het geluidsrapport wordt aangehouden betreft blijkbaar de afstand tot het bijgebouw. Dat bijgebouw maakt evenwel geen onderdeel uit van de aanvraag. Dit bijgebouw zal in de toekomst evenmin als onderdeel van de woning in gebruik genomen kunnen worden. Volgens de rechtspraak is zulks ook toegestaan vanwege de betreffende locatie specifieke omstandigheden (uitspraak van 21 februari 2018 van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2018:571). Als de aanvraag wel op de juiste wijze wordt geïnterpreteerd dat er ook volgens het rapport geconcludeerd moet worden dat geheel wordt voldaan aan de richtafstanden van de VNG publicatie”. Kan er alsnog een beantwoording komen? 14. In hoeverre is het mogelijk om (ervoor te zorgen dat impasse wordt doorbroken) een second opinion te vragen voor het onderzoek dat uitgevoerd is door Peutz gelet op de geuitte bezwaren aan de zijde van de aanvragers. 15. Kan de raad inzicht krijgen in de volledige zienswijze op het advies van het onafhankelijke bureau dat de metingen heeft gedaan, in plaats van de korte samenvatting? 16.
Heeft de gemeente zicht op hoeveel bedrijfswoningen niet meer bedrijfsmatig gebruikt worden en/of leeg staan doordat de bedrijven zijn opgedoekt en/of door erfenis niet te gebruiken doordat het bedrijf niet wordt voortgezet? De fractie van EA verzoekt een lijst van bedrijfswoningen in de agrarische sector die momenteel niet bewoond worden door de tuinder wiens aanwezigheid gelet op de bestemming vereist is. 17. Heeft de gemeente zicht op hoeveel bedrijfswoningen niet meer bedrijfsmatig gebruikt worden, doch wel bewoond zijn in de glastuingebieden? De fractie van Eerlijk Alternatief zou graag een overzicht willen van dit aantal woningen. 18. Kan het college aangeven wanneer en met welke regelmaat er handhavend opgetreden is. In hoeveel van deze gevallen is er een last onder dwangsom/last onder bevel opgelegd gelet op het beginselplicht tot handhaving? 19. Op de Langelandseweg 18 is handhavend opgetreden wegens illegaal gebruik. In, bij ons bekend, 12 andere gevallen waarbij ook sprake is van illegale bewoning aan de Langelandseweg is niet handhavend opgetreden. In de beantwoording van de vragen gesteld door GB geeft het college aan dat er alleen beginselplicht tot handhaving geldt indien er een verzoek om handhaving is gedaan. In hoeverre is het college zich ervan bewust dat de beginselplicht voor handhaving geldt voor ALLE illegale situaties behoudens een 3-tal gevallen.
Kan het college aangeven welke uitzondering er geldt voor de 12 andere gevallen waarin op dit moment sprake is van illegale bewoning en er niet handhavend wordt opgetreden? 20. In de beantwoording van de vragen van GB op vraag 6, geeft het college aan dat de bedrijfswoning nog dienst kan doen als bedrijfswoning. Is het colleges zich ervan bewust dat het achterliggende bedrijf reeds 3 woningen in bezit heeft, waarvan er 2 reeds dienst doen als bedrijfswoning. De derde woning, die direct gesitueerd is naast het bedrijf bestemd is als burgerwoning, en al 10 wordt verhuurd aan burgers. Het ligt meer voor de hand om deze woning te gebruiken als bedrijfswoning. Kan het college hierover een uitspraak doen. 21. In hoeverre is het college op zoek naar een structurele oplossing voor deze “onbewoonde” bedrijfswoningen. 22. In hoeverre ziet het college een oplossing voor de woningkrapte door een structurele oplossing te zien in het bestemmen van deze woningen als “plattelandswoningen” 23. Kan het college aangeven welke bezwaren er in de weg liggen in het bestemmen van deze bedrijfswoningen als ‘plattelandswoningen” en in het bijzonder welke bezwaar er kleeft in het bestemmen van de Langelandseweg 18 in het bestemmen als plattelandswoning? 24. In 2012 is een inventarisatie geweest van alle woningen en bedrijven in de glastuinbouwconcentratiegebieden.
De woningen die op dat moment niet in gebruik waren
als bedrijfswoning hebben de bestemming “wonen” gekregen. Waarom is de Langelandseweg 18 toen niet meegenomen in de inventarisatie? Deze woning is sinds 2000 al geen bedrijfswoning meer, en had dus in 2012 al gelegaliseerd kunnen worden als burgerwoning. 25. Wat houdt de omzetting van dienstwoning naar bedrijfswoning tegen nu de regels van het bestemmingsplan ongewijzigd zijn t.o.v. de situatie sinds 2012? Fractie Eerlijk Alternatief Nita Graafland