Raadsbesluit Re-integratieverordening 2021
Tekst van het document
pagina
16/23
Artikel 19. Werkervaringsplaats Een werkervaringsplaats lijkt qua inhoud en doelstelling op de participatieplaats als bedoeld in artikel 18 van deze verordening. Een verschil is dat de participatieplaats uitsluitend kan worden ingezet voor een uitkeringsgerechtigde ouder dan 27 jaar. De werkervaringsplaats kan worden ingezet voor alle personen die behoren tot de doelgroep, waaronder begrepen een persoon jonger dan 27 of een persoon met een indicatie beschut werk die op de wachtlijst staat (artikel 24, achtste lid van deze verordening). Een tweede verschil betreft de tijdelijkheid van de werkervaringsplaats. Waar een participatieplaats tot maximaal vier jaar kan worden ingezet, wordt een werkervaringsplaats maximaal twaalf maanden ingezet. Er wordt een uitzondering gemaakt voor een persoon met een beschut werk indicatie, die op de wachtlijst staat. De werkervaringsplaats kan worden ingezet tot het moment van aanvang van de dienstbetrekking beschut werk. Artikel 20. Traject naar zelfstandig beroep of bedrijf Het college kan op grond van artikel 2 lid 3 van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz 2004) een uitkeringsgerechtigde die voornemens is een bedrijf of zelfstandig beroep te beginnen, gedurende een periode van maximaal 12 maanden ondersteunen bij de voorbereiding op dit bedrijf of zelfstandig beroep; de zogenaamde préstart fase.
Deze ondersteuning bestaat uit het verlengen van de bijstandsverlening (al dan niet in de vorm van een renteloze geldlening), een eventueel voorbereidingskrediet (al dan niet in de vorm van een renteloze geldlening) en verplichte begeleiding. Tot de voorbereidingsfase worden alleen uitkeringsgerechtigden toegelaten waarvan aannemelijk is dat, met de nodige begeleiding en eventueel financiële ondersteuning als bedoeld in artikel 29 lid 1 Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz 2004), een kansrijke start als zelfstandig ondernemer in het verschiet ligt. Mede gelet op de maximale duur van de voorbereidingsfase veronderstelt dit dat het bedrijfsidee ten tijde van de aanvang van die fase zodanig concreet is dat met de voorbereiding van de realisering van dat idee daadwerkelijk kan worden gestart. Gedurende deze voorbereidingsperiode hoeft belanghebbende niet te voldoen aan de definitie van zelfstandige van artikel 1 onderdeel b Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz 2004). Dit artikel is niet van toepassing op een belanghebbende die (met toestemming van het college) als marginale zelfstandigen is aangemerkt. Een marginale zelfstandige is een uitkeringsgerechtigde die activiteiten verricht van geringe omvang, die bescheiden inkomsten opleveren en voor eigen rekening en risico worden uitgevoerd.
Deze activiteiten zijn niet gericht op het (op termijn) zelfstandig kunnen voorzien in de kosten van het bestaan. Op het moment dat een belanghebbende meer dan marginale activiteiten als zelfstandige gaat verrichten, maakt dat hem nog geen zelfstandige in de zin van het Bbz 2004. Het college zal steeds moeten toetsen aan de criteria van artikel 1 onderdeel b Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz 2004). Het college zal de inkomsten die een marginale zelfstandige verwerft in beginsel volledig moeten verrekenen met de lopende uitkering. Artikel 21. Scholing Startkwalificatie Onder startkwalificatie wordt verstaan een havo of Vwo-diploma of een diploma van het middelbaar beroepsonderwijs (MBO), niveau twee. Scholing kan worden aangeboden aan personen met of zonder een dergelijke startkwalificatie. Vooral voor personen zonder startkwalificatie kan scholing noodzakelijk zijn voor de re-integratie. Jongeren Het college wordt geacht bij het aanbieden van een voorziening zoveel mogelijk gebruik te maken van voorliggende voorzieningen, zoals bijvoorbeeld de Wet studiefinanciering 2000, alvorens het besluit reintegratiemiddelen in te zetten. Personen jonger dan 27 jaar die nog mogelijkheden hebben binnen het uit 's Rijks kas bekostigde onderwijs komen daarom niet in aanmerking voor bekostiging van scholing op grond van deze verordening. Artikel 22.
Ondersteuning bij beheersing Nederlandse taal
pagina
17/23
Het college kan besluiten om aan een persoon ten aanzien van wie het redelijk vermoeden bestaat dat hij niet of niet in voldoende mate de Nederlandse taal beheerst, noodzakelijk voor het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden en het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, een voorziening aan te bieden ter ondersteuning van de beheersing van de Nederlandse taal op referentieniveau 1F. Als een taalvoorziening wordt aangeboden, dan wordt dit vastgelegd in een taalplan. Belanghebbende kan door middel van ondertekening van dit taalplan zich bereid verklaren om te beginnen met het verwerven van vaardigheden in de Nederlandse taal. De ondertekening van het taalplan wordt aangemerkt als bereidverklaring als bedoeld in artikel 18b, zesde lid van de wet. In het taalplan wordt in ieder geval vastgelegd in welke vorm de ondersteuning wordt aangeboden en de manier waarop de voortgang van de beheersing van de Nederlandse taal wordt beoordeeld. Artikel 23. Ondersteuning bij leer-werktraject De voorziening ondersteuning bij leer-werktrajecten als bedoeld in artikel 10f van de wet is inzetbaar voor jongeren van zestien of zeventien jaar die dreigen uit te vallen uit school, maar middels een leer-werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen. Om te voorkomen dat jongeren onnodig uitvallen, wordt de mogelijkheid geboden extra ondersteuning te bieden.
Deze voorziening kan ook worden ingezet ter voorkoming van schooluitval bij jongeren van achttien tot 27 jaar die door een leer-werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen. Dit artikel kent veel raakvlakken met maatregelen tegen voortijdig schoolverlaten/ leerplicht en Meld- en Coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten (RMC). Ondersteuning bij leer-werktrajecten is een re-integratievoorziening ter voorziening in de ondersteuningskosten die nodig zijn bij leer-werktrajecten, te weten kosten van begeleiding op of naar een leerwerktraject. Denk hierbij aan de inzet van een jobcoach of flankerende voorzieningen. Ook hierbij geldt dat het college wordt geacht bij het aanbieden van een voorziening zoveel mogelijk gebruik te maken van voorliggende voorzieningen zoals ondersteuning vanuit de werkgever en/of (stage) begeleiding vanuit (entree) onderwijs. De voorziening biedt geen mogelijkheid een vergoeding te bieden in de kosten van het scholingscomponent of andere tegemoetkomingen zoals een stagevergoeding. MBO-leerlingen van 16 en 17 jaar, die de beroepsbegeleidende leerweg (BBL-traject) volgen komen niet in aanmerking voor de voorziening loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de wet en artikel 28 van deze verordening. Dit komt omdat MBO niet is benoemd in artikel 10d lid 2 van de wet.
Als gevolg hiervan zouden BBL-leerlingen die niet in staat zijn het wettelijk minimumloon te verdienen, slechts moeizaam in aanmerking komen voor een betaalde stageplek. De staatssecretaris heeft in Verzamelbrief 2016-2 onder punt 11 aangegeven dat het college de werkgever voor BBL-leerlingen via artikel 10f van de wet van loonkostensubsidie kan voorzien (ondersteuning bij leer-werktraject). Hierbij is nog expliciet opgemerkt dat deze leerlingen voor alle overige aspecten wel binnen de doelgroep loonkostensubsidie moeten vallen om ervoor in aanmerking te komen. Om te voorkomen dat BBL-leerlingen die niet in staat zijn het wettelijk minimumloom te verdienen hun MBO opleiding niet kunnen afronden, maakt onze gemeente gebruik van de (buiten wettelijke) mogelijkheid die de staatssecretaris biedt, door via dit artikel loonkostensubsidie te verstrekken. Zie verder artikel 10d van de wet en artikel 28 van deze verordening. Hierbij moet worden afgewogen of het volgen van een BOL-opleiding tot de mogelijkheden behoort. In dit geval is bekostiging van loonkostensubsidie niet aan de orde. Een voorliggende voorziening betreft de individuele studietoeslag. Artikel 24.
Dienstbetrekking beschut werk Het college biedt ambtshalve of op verzoek een voorziening beschut werk aan een persoon van wie is vastgesteld dat deze uitsluitend in een beschutte omgeving en onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. Tot de doelgroep beschut werk behoren personen die door hun lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking een zodanige mate van (structurele) begeleiding of aanpassing van de werkplek nodig hebben, dat van een reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij deze personen in dienst neemt, ook niet met extra voorzieningen van gemeente of UWV. Deze verplichting geldt tot wanneer de vastgestelde aantallen beschutte werkplekken zijn bereikt. Dit aantal wordt jaarlijks, per gemeente, bij ministeriële regeling bepaald. In onze gemeente bestaat een grotere behoefte aan beschutte werkplekken dan het aantal vastgestelde werkplekken. Om te voorkomen dat een
pagina
18/23
(te grote) wachtlijst ontstaat stelt de raad vijf additionele werkplekken beschikbaar. Personen die niet direct op een voorziening beschut werk kunnen worden geplaatst, komen op een 'wachtlijst'. Naast het bepalen van wie in aanmerking komt voor beschut werk (eerste en zevende lid) zijn in deze verordening vastgelegd welke voorzieningen voor arbeidsinschakeling ingezet worden om deze dienstbetrekking mogelijk te maken (tweede lid) en welke voorzieningen worden aangeboden tot het moment dat de dienstbetrekking beschut werk aanvangt (achtste en negende lid). De verantwoordelijkheid voor de personen op de wachtlijst is tussen gemeenten en UWV verdeeld. De gemeente is verantwoordelijk voor personen uit de doelgroep Participatiewet. Het UWV voor personen met een UWV-uitkering. Om tot een dienstbetrekking beschut werk te komen worden de volgende stappen gevolgd: Stap 1: advies Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen Om vast te stellen of een persoon tot de doelgroep beschut werk behoort beoordeelt het UWV op basis van de voorwaarden die gesteld zijn in het Besluit advisering beschut werk of een persoon tot de doelgroep beschut werk behoort. Als het UWV tot het oordeel komt dat iemand tot de doelgroep beschut werk behoort, adviseert UWV het college van de gemeente waar de betreffende persoon staat ingeschreven.
Een adviesaanvraag kan alleen door de persoon zelf worden gedaan en niet door een andere belanghebbende zoals een werkgever. Stap 2: besluit college Op basis van het advies van het UWV beslist het college of iemand tot de doelgroep beschut werk behoort. Alleen als sprake is van een onzorgvuldige totstandkoming van het advies van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, kan het college besluiten het advies niet te volgen. Stap 3: dienstbetrekking beschut werk Nadat is vastgesteld dat iemand tot de doelgroep beschut werk behoort, zorgt het college ervoor dat deze persoon in een dienstbetrekking onder beschutte omstandigheden aan de slag gaat. Het kan dan gaan om een burgerrechtelijke of publiekrechtelijke dienstbetrekking. Op de dienstbetrekking is het arbeidsrecht of het ambtenarenrecht van toepassing. De werknemer op een beschut werkplek valt onder de arbeidsvoorwaarden van de werkgever waarbij hij in dienst is. Het college kan zelf bepalen waar de beschut werkplek wordt georganiseerd.
Dan kan zijn: - binnen de gemeente; of - bij bestaande SW-bedrijven; of - bij een andere aan de gemeente gelieerde organisatie; of - bij een reguliere werkgever die bereid is de benodigde beschutte omstandigheden te bieden Volgorde toekenning Als is vastgesteld dat een persoon alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en deze persoon nog niet in aanmerking is gekomen voor een beschut werkplek omdat het aantal geraamde- en additionele beschut werkplekken al is gerealiseerd, dan krijgt deze persoon voorrang op personen van wie later is vastgesteld dat zij alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Dit betekent dat de voorziening beschut werk in principe wordt toegekend op volgorde van de vaststelling (datum besluit college). Dit is conform de bedoeling van de wetgever dat personen voor wie niet direct een beschut werkplek beschikbaar is, bij voorrang een beschut werkplek krijgen aangeboden in het daaropvolgende jaar. Artikel 25. Persoonlijke ondersteuning Een persoon die behoort tot de doelgroep kan aanspraak maken op persoonlijke ondersteuning, in de vorm van jobcoaching, bij het verrichten van de aan die persoon opgedragen taken.
Het doel van deze voorziening is dat de werknemer door begeleiding uiteindelijk in de situatie terecht komt waarin hij zonder die begeleiding bij een reguliere werkgever werkzaam kan zijn. Bij persoonlijke ondersteuning moet het gaan om een systematische ondersteuning van de werknemer met beperkingen welke bestaat uit een jobcoach die de werknemer met beperkingen op vaste tijden en gedurende een langere periode ondersteunt bij het
pagina
19/23
verrichten van zijn taken. De persoonlijke ondersteuning moet noodzakelijk zijn. Dit betekent dat de werknemer zonder die ondersteuning in redelijkheid niet zijn werkzaamheden zou kunnen verrichten. De gemeentelijke ondersteuning kan gaan om een financiële compensatie (door inzet van de jobcoachcheque of werkgeverscheque), maar ook om begeleiding in natura. Personen waarvoor de werkgever loonkostensubsidie ontvangt, hebben wettelijk aanspraak op begeleiding op de werkplek. De voorwaarden voor persoonlijke ondersteuning zijn in nadere regels uitgewerkt. Om te bepalen of de kosten in verhouding staan tot de aard van de begeleiding en de duur en omvang van de arbeidsovereenkomst wordt onder andere meegewogen hoeveel begeleiding nodig is (bijvoorbeeld: bij langdurige begeleiding van meer dan 15% van de duur van de arbeidsovereenkomst is er eigenlijk sprake van beschut werk) en of de begeleiding leidt tot duurzame uitstroom uit de uitkering. Artikel 26. Begeleiding en nazorg Een deelnemer heeft gedurende zijn traject recht op begeleiding van een jobcoach of klantmanager. Gezamenlijk wordt de voortgang besproken. Om de uitstroom naar werk te verduurzamen kan het college de voorziening nazorg inzetten. Dit houdt in dat in de eerste zes maanden na werkaanvaarding contact wordt onderhouden met de werknemer en werkgever.
Dit kan gaan over begeleiding op de werkplek, in de vorm van een jobcoach, of contact voor het einde van een (tijdelijk) contract met de werkgever en werknemer, zodat tijdige interventies mogelijk zijn. Nazorg zal niet voor iedere persoon noodzakelijk zijn. De inzet van de voorziening nazorg is maatwerk. Artikel 27. Werkgeverscheque Gesubsidieerde arbeid kan als één van de voorzieningen worden ingezet om de arbeidsinschakeling te bevorderen. In de wet is geregeld dat alle voorzieningen moeten dienen om een persoon uiteindelijk aan regulier werk te helpen. Compensatie Het doel van de werkgeverscheque is het bieden van compensatie voor het feit dat voor een persoon ten minste het wettelijk minimumloon moet worden betaald, terwijl de werkgever een persoon (nog) niet ten volle kan inzetten. Zo kan het college een werkgeverscheque aan de werkgever verstrekken om tijdelijk het verschil in arbeidsproductiviteit te compenseren en zo de re-integratie van de bijstandsgerechtigde te bewerkstelligen. Deze werkgeverscheque moet worden onderscheiden van de loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 28 van deze verordening. De laatstgenoemde loonkostensubsidie is specifiek bedoeld voor personen met een arbeidsbeperking van wie is vastgesteld dat zij met voltijdse arbeid niet in staat zijn tot het verdienen van een wettelijk minimumloon, doch wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben.
De werkgeverscheque is niet noodzakelijk gericht op personen met een arbeidsbeperking, maar ondersteunt personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Artikel 28. loonkostensubsidie Werkgevers komen in aanmerking voor loonkostensubsidie als zij personen in dienst nemen die behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie. Onder de doelgroep loonkostensubsidie wordt verstaan: personen die behoren tot de doelgroep, van wie is vastgesteld dat zij met voltijdse arbeid niet in staat zijn tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, doch wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Het gaat hier om personen die nog geen dienstbetrekking hebben bij een werkgever óf al wel in een dienstbetrekking werkzaam zijn maar in de periode van 6 maanden voorafgaande aan die dienstbetrekking deelnamen aan: - het praktijkonderwijs, bedoeld in artikel 10f Wet op het voorgezet onderwijs; of - het voortgezet speciaal onderwijs, bedoeld in artikel 2 Wet op de expertisecentra; of - de entreeopleiding, bedoeld in artikel 7.2.2 onderdeel a Wet educatie en beroepsonderwijs: en waarbij verdere voortzetting van die dienstbetrekking afhankelijk is van de vraag of de werkgever loonkostensubsidie kan ontvangen.
pagina
20/23
Op grond van artikel 10d lid 2 van de wet kan loonkostensubsidie ook worden ingezet voor 16- en 17-jarigen. De wetgever heeft hier expliciet een mogelijkheid voor gemaakt (artikel 10d lid 2 van de wet). Of een persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort kan op schriftelijke aanvraag of ambtshalve worden vastgesteld. Ambtshalve vaststelling is alleen mogelijk bij: - personen die algemene bijstand ontvangen; - personen als bedoeld in artikel 34a, vijfde lid, onderdeel b, 35, vierde lid, onderdeel b, en 36, derde lid, onderdeel b, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA), tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de wet is verleend; - personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de wet; - personen met een uitkering op grond van de IOAW en IOAZ - arbeidsongeschikte werkloze werknemers, en - personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. De vaststelling of een persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort is aan het college (artikel 10c van de wet).
Binnen de kaders van de wet is het aan de raad om vast te stellen op welke wijze zij bepalen of mensen tot de doelgroep loonkostensubsidie behoren en of loonkostensubsidie voor hen wordt ingezet In artikel 28, tweede lid van deze verordening, is vastgelegd welke criteria daarbij in acht genomen worden. Deze cumulatieve criteria zijn ontleend aan artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de wet. Daarin is immers wettelijk de doelgroep loonkostensubsidie vastgelegd. Onderdeel a is gericht op het toekennen van een loonkostensubsidie aan personen die nog geen dienstbetrekking hebben. Onderdeel b is gericht op het toekennen van loonkostensubsidie aan personen met een reeds bestaande dienstbetrekking en die in de periode van 6 maanden voorafgaande aan de dienstbetrekking hebben deelgenomen aan praktijkonderwijs, voortgezet speciaal onderwijs of de entreeopleiding. MBO-leerlingen die de beroepsbegeleidende leerweg (BBL-traject) volgen komen niet in aanmerking voor de voorziening loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de wet. Dit komt omdat MBO niet is benoemd in artikel 10d lid 2 van de wet. Als gevolg hiervan zouden BBL-leerlingen die niet in staat zijn het wettelijk minimumloon te verdienen, slechts moeizaam in aanmerking komen voor een betaalde stageplek.
De staatssecretaris heeft in Verzamelbrief 2016-2 onder punt 11 aangegeven dat het college de werkgever voor BBL-leerlingen van 16- en 17-jarigen via artikel 10f van de wet van loonkostensubsidie kan voorzien (ondersteuning bij leer-werktraject). Hierbij is nog expliciet opgemerkt dat deze leerlingen voor alle overige aspecten wel binnen de doelgroep loonkostensubsidie moeten vallen om ervoor in aanmerking te komen. Om te voorkomen dat BBL-leerlingen die niet in staat zijn het wettelijk minimumloom te verdienen hun MBO opleiding niet kunnen afronden, maakt onze gemeente gebruik van de (buiten wettelijke) mogelijkheid die de staatssecretaris biedt, door via dit artikel loonkostensubsidie te verstrekken. Bij de vaststelling of iemand behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie kan het college zich laten adviseren door een derde. Deze derde neemt daarbij eveneens de in het tweede lid neergelegde criteria in acht. Op basis van het advies beslist het college of iemand tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort. Alleen als sprake is van een onzorgvuldige totstandkoming van het advies, kan besloten worden het advies niet te volgen. In dit artikel gaat het om een andere vorm van loonkostensubsidie dan de vorm van loonkostensubsidie zoals omschreven in artikel 27 van deze verordening (werkgeverscheque).
De loonkostensubsidie in dit artikel kan uitsluitend worden ingezet als de persoon in kwestie behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. Deze nieuwe vorm van loonkostensubsidie is niet per definitie tijdelijk, maar kan indien nodig voor een langere periode worden ingezet. Met dit instrument compenseert het college werkgevers voor de verminderde productiviteit van de werknemer. Artikel 29. Loonwaardebepaling Heeft het college vastgesteld dat een persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie en is een werkgever voornemens met die persoon een dienstbetrekking aan te gaan, dan stelt het college in beginsel de loonwaarde van die persoon vast. De loonwaarde is een vastgesteld percentage van het wettelijk
pagina
21/23
minimumloon voor de door een persoon, die tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort, verrichte arbeid in een functie naar evenredigheid van de arbeidsprestatie in die functie van een gemiddelde werknemer met een soortgelijke opleiding en ervaring, die niet tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort. Het college kan in overleg met de werkgever vaststellen dat de vaststelling van de loonwaarde gedurende maximaal de eerste zes maanden van de dienstbetrekking achterwege kan blijven. Dit wordt dan forfaitair vastgesteld en later verrekend. Als deze periode is verstreken, dan moet de loonwaarde worden vastgesteld. Hiervoor is geen aanvraag vereist. De vastgestelde loonwaarde legt het college vast in een beschikking waartegen zowel de betrokken persoon als diens (potentiële) werkgever bezwaar en beroep kunnen instellen. Een derde kan het college adviseren met betrekking tot de vaststelling van de loonwaarde van een persoon. De vastgestelde loonwaarde legt het college vast in een beschikking waartegen zowel de betrokken persoon als diens (potentiële) werkgever bezwaar en beroep kunnen instellen. Artikel 30. Flankerende voorzieningen Wanneer het voor een belanghebbende (nog) niet mogelijk is om algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen of te aanvaarden, vanwege (problematische) schulden kan het college schuldhulpverlening aanbieden.
Daarnaast kan het college flankerende voorzieningen aanbieden gericht op het wegnemen van belemmeringen gericht op (duurzame) participatie. Denk hierbij aan overblijfkosten (wanneer kinderopvangtoeslag geen uitkomst biedt), de kosten van vervoer of kleding. Daarnaast kan het college de kosten voor werkplekaanpassing vergoeden, ter compensatie van beperkingen tijdens het werk of om aan het werk gaan. Er zijn twee soorten werkplekaanpassingen: - meeneembare voorzieningen; - niet meeneembare voorzieningen. Tot 1 januari 2018 voerde het UWV de ‘Landelijke regeling meeneembare voorzieningen 2015’ uit. Met ingang van 1 januari 2018 zijn gemeenten verantwoordelijk geworden voor de uitvoering. In de wet is geen omschrijving opgenomen van het begrip meeneembare voorziening. In het algemeen gaat het bij meeneembare voorzieningen om voorzieningen die – het woord zegt het al - kunnen worden meegenomen en niet aan de specifieke werkplek zijn gebonden. Het gaat dus om een voorziening die niet aard- en nagelvast is. Een meeneembare voorziening zorgt ervoor dat de beperking op de werkplek wordt gecompenseerd en de werknemer op een specifieke werkplek aan de slag kan gaan. Voorbeelden zijn een aangepaste bureaustoel, toetsenbord, koptelefoon, orthopedische schoenen, voorleesapparatuur of spraakversterkers. Er is geen limitatieve lijst van meeneembare voorzieningen.
In principe kan elk product als een voorziening worden beschouwd zolang de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer aantoonbaar is. Het college wordt pas verantwoordelijk voor een meeneembare voorziening op het moment deze noodzakelijk is ter compensatie van de ziekte of het gebrek van een persoon. Op sommige werkplekken is het bijvoorbeeld vanuit veiligheidsoverwegingen noodzakelijk dat er werkschoenen (met stalen neuzen) worden gedragen waar de werkgever voor verantwoordelijk is. De meeneembare voorziening moet noodzakelijk zijn. Dit betekent dat de werknemer zonder die voorziening in redelijkheid niet zijn werkzaamheden zou kunnen verrichten. Het college kan een extern deskundige inschakelen om de noodzaak van een meeneembare voorziening te beoordelen. De noodzaak van niet-meeneembare voorzieningen wordt getoetst door een arbeids(des)kundige, een bouwkundig expert en/of een Wmo-adviseur. Zaken die algemeen gebruikelijk zijn of die tot de standaarduitrusting van het bedrijf behoren, worden niet vergoed. De kosten van de aanpassing moeten proportioneel zijn, dat wil zeggen dat de investering in de werkplekaanpassing in verhouding staat tot de duur en omvang van de arbeidsovereenkomst. Bij het beoordelen van niet-meeneembare voorzieningen moet onderzocht worden of het pand wordt gehuurd of eigendom is van de ondernemer.
In geval van verhuur is toestemming van de eigenaar vereist voor plaatsing van niet-meeneembare voorzieningen. Er
pagina
22/23
bestaat namelijk geen wettelijke basis om hieraan voorbij te gaan (in de Participatiewet is hierover niets geregeld, in tegenstelling tot de Wmo 2015). Het UWV is verantwoordelijk om te voorzien in een tolkvoorziening voor het ondersteunen van auditief beperkten bij de arbeidsinschakeling. De reden is dat het UWV hierin een specifieke deskundigheid heeft. De gemeente blijft voor het overige verantwoordelijk voor de arbeidsinschakeling van de auditief beperkten Artikel 31. Inwerkingtreding en citeertitel Dit artikel behoeft geen toelichting.
pagina
23/23