Bijlage 7. Ecologisch_onderzoek
Tekst van het document
Quickscan flora en fauna Oude Polder Pijnacker
datum projectnummer
13 oktober 2025 251252
Rapport
Aveco de Bondt BV Holten - Amstelveen - Breda - Eindhoven - Nieuwegein
Natuuronderzoek
Postbus 64, 7450 AB Holten T +31 88 004 82 12 info@avecodebondt.nl avecodebondt.nl
Quickscan flora en fauna project projectnummer projectleider
opdrachtgever adres
contactpersoon
Ecologische quickscan Oude Polder Pijnacker
Datum
252152
Referentie
Jasper Smits Oosterlaan architecten Klapwijkseweg 8 2651 CJ Berkel en Rodenrijs M. Oosterlaan
status
Definitief
versie
1.0
auteur
Michael van der Kaaij
gecontroleerd door
Jasper Smits
paraaf
Subtitle report
datum projectnummer
13 oktober 2025 252152
13 oktober 2025 252152_AdB_RAP_001X_v
Samenvatting In opdracht van Oosterlaan Architecten heeft Aveco de Bondt een quickscan flora en fauna uitgevoerd voor de realisatie van een dierenpension, welke voorzien is op een perceel grenzend aan de Schie te Pijnacker. Deze quickscan heeft tot doel om mogelijke negatieve effecten op beschermde plant- en diersoorten inzichtelijk te maken. De quickscan heeft in oktober 2025 plaatsgevonden doormiddel van bureau- en veldonderzoek. Het bureauonderzoek was gericht op de mogelijke aanwezigheid van beschermde plant- en diersoorten in de omgeving van en binnen het onderzochte gebied. Waarna is nagegaan welke soorten voor kunnen komen in het onderzoeksgebied. Tijdens het veldbezoek is beoordeeld of het onderzoeksgebied geschikt is als leefgebied voor deze beschermde soorten. Uit deze quickscan blijken negatieve effecten op vogels met jaarrond beschermde nesten (categorie 5), algemene broedvogels en rugstreeppad niet uitgesloten. Ter voorkoming van overtreding van verbodsbepalingen uit de Omgevingswet dienen daarom aanvullende maatregelen getroffen te worden. Geadviseerd wordt daarom om buiten het broedseizoen het terrein ongeschikt te maken voor broedvogels en daarnaast het preventief plaatsen van amfibieschermen voorafgaand aan bouw- en graafactiviteiten. Deze maatregelen dienen nader uitgewerkt te worden in een ecologisch werkprotocol.
Aanvullend onderzoek of aanvraag van een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit is voor de realisatie van het dierenpension aan de Schie te Pijnacker niet noodzakelijk, negatieve effecten op beschermde soorten zijn niet aan de orde.
Inhoudsopgave Samenvatting 1
Inleiding
1
2 2.1 2.2
Gebiedsbeschrijving Onderzoeksgebied Voorgenomen werkzaamheden
2 2 4
3 3.1 3.2 3.3
Onderzoeksmethode Bureauonderzoek Veldonderzoek Vervolgstappen
5 5 5 5
4 4.1 4.2 4.3
Toetsing aan gebiedsbescherming Natura 2000 Natuurnetwerk Nederland Houtopstanden
6 6 7 7
5 Beschermde soorten 5.1 Verwachte beschermde soorten 5.2 Geschiktheid onderzoeksgebied voor beschermde soorten 5.2.1 Vleermuizen 5.2.2 Vogels 5.2.3 Grondgebonden zoogdieren 5.2.4 Amfibieën en reptielen 5.2.5 Vaatplanten 5.2.6 Vissen 5.2.7 Ongewervelden
8 8 9 9 9 10 12 12 13 13
6 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5
Toetsing aan soortenbescherming Vleermuizen Vogels Amfibieën en reptielen Overige soortgroepen Specifieke zorgplicht
14 14 14 15 15 15
7
Conclusies en aanbevelingen
16
Bronnenlijst
17
Bijlage 1 Overzicht natuurwetgeving
18
Bijlage 2 Aanvullende illustraties onderzoeksgebied
20
Bijlage 3 Jaarrond beschermde nesten en vrijgestelde soorten
23
datum referentie
13 oktober 2025 252152_AdB_RAP_001X_v
1
Inleiding
1.1 Aanleiding uitvoering Quickscan In opdracht van Oosterlaan Architecten heeft Aveco de Bondt een Quickscan flora en fauna uitgevoerd voor de realisatie van een dierenpension. Het dierenpension is voorzien op een perceel gelegen aan de Schie, Strikledeweg en het Oostlandpad te Pijnacker en bestaat naast een dienstwoning uit verblijven voor huisdieren met bijbehorende voorzieningen. Omdat er mogelijk beschermde plant- en diersoorten voorkomen binnen of in de omgeving van het onderzoeksgebied dient hier onderzoek naar gedaan te worden. Deze Quickscan flora en fauna is een eerste verkennend onderzoek of er mogelijk negatieve effecten op beschermde plant- en diersoorten verwacht worden. Op basis van een inschatting van de effecten van de voorgenomen werkzaamheden op beschermde natuurwaarden, zullen waar mogelijk aanbevelingen worden gedaan om de lokale ecologie te behouden of versterken. 1.2 Doel onderzoek In dit document wordt antwoord gegeven op de volgende onderzoeksvragen: • • • • •
Zijn in het plangebied beschermde soorten en/of verblijfplaatsen van deze soorten aanwezig of te verwachten? Ondervinden aanwezige beschermde soorten negatieve effecten van de voorgenomen ingreep en de benodigde werkzaamheden? Is het mogelijk om optredende negatieve effecten op beschermde soorten te mitigeren? Zo ja, op welke wijze dient dit te geschieden? Is het noodzakelijk aanvullend onderzoek uit te voeren? Is het noodzakelijk een omgevingsvergunning aan te vragen?
Voorliggend rapport geeft advies om de voorgenomen werkzaamheden in overeenstemming met de Omgevingswet uit te voeren.
datum referentie
13 oktober 2025 252152_AdB_RAP_001X_v
P 1/23
2
Gebiedsbeschrijving
2.1 Onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied is gelegen in het buitengebied van Pijnacker en ligt ingeklemd tussen de N470, Schie, Oostlandpad en een hoogspanningsstation. De omgeving bestaat uit een woonwijken, weilanden en watergangen. Zie Figuur 1 voor een overzicht van het onderzoeksgebied, in Figuur 3 worden de kenmerken van het onderzoeksgebied geïllustreerd. Bijlage 2 bevat aanvullende illustraties van het onderzoeksgebied. Het betreft een grasland welke tot 2010 een agrarische functie vervulde, vanaf 2017 is een groot deel van het onderzoeksgebied gebruikt als grondopslag uit de omgeving. Door deze opslag zijn aan de westkant twee, enkele meters hoge, grondbulten ontstaan. Verder is een groot deel van het onderzoeksgebied geëgaliseerd (zie Figuur 2). De perceelranden zijn ongemoeid vanaf 2017 en hebben zich daarna ontwikkeld tot struweel met soorten als wilg, iep, sleedoorn, hazelaar, zwarte els en braam. Op de grondbulten en het geëgaliseerde deel komen ruig begroeide vegetaties voor met soorten als riet(gras), grote vossenstaart, distels, klein hoefblad met opslag van verschillende wilgensoorten. De oevers van het perceel zijn begroeid met onder andere riet, grote lisdodde en harig wilgenroosje.
Figuur 1: Ligging van het onderzoeksgebied (rode omlijning) in het buitengebied van Pijnacker ten noorden van de N470 aan de Schie alwaar de realisatie van een dierenpension is voorzien.
datum referentie
13 oktober 2025 252152_AdB_RAP_001X_v
P 2/23
Figuur 2: Luchtfoto van het onderzoeksgebied uit 2022 met in het centrale deel opgeworpen grondbulten en een geëgaliseerd deel
Figuur 3: Landschapsbeeld binnen het onderzoeksgebied welke wordt bepaald door ruigtes, struweel en vergrassing. Linksboven: beeld bij toegangsdam aan de westzijde van het onderzoeksgebied nabij de Schie. Linksonder: beeld bovenop de opgeworpen grondbulten in het onderzoeksgebied. Rechtsboven: beeld langs het Oostlandpad in het noordoostelijk deel van het onderzoeksgebied. Rechtsonder: beeld vanaf de grondbult in het noordwestelijk deel van het onderzoeksgebied (foto is genomen in oostelijke richting).
datum referentie
13 oktober 2025 252152_AdB_RAP_001X_v
P 3/23
2.2 Voorgenomen werkzaamheden De voorgenomen werkzaamheden bestaan uit het realiseren van een dierenpension met bijgebouwen met een bebouwde oppervlakte van 1.500m2 en een totale oppervlakte van 4.400m2. Het dierenpension zal onder andere bestaan uit de volgende voorzieningen (weergave in Figuur 4): • • • •
Bedrijfswoning met tuin met een oppervlakte van 600 m2; Honden- en kattenpension inclusief buitenverblijven Ontvangst en kantoorruimte Trainingscentrum met trainingsveld
Met daarnaast parkeerplaatsen en oprit met optioneel een dierenbegraafplaats.
Figuur 4: Schetsontwerp van het te realiseren dierenpension in het onderzoeksgebied.
datum referentie
13 oktober 2025 252152_AdB_RAP_001X_v
P 4/23
3
Onderzoeksmethode
3.1 Bureauonderzoek Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn op 3 oktober 2025 uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd met gebruik van een buffer van 2 kilometer over de afgelopen 5 jaar. Met een buffer van 2 kilometer wordt verondersteld dat alle soorten worden meegenomen in het onderzoek welke mogelijk effect ondervinden van de voorgenomen werkzaamheden. Tevens is het een gangbare maatstaaf in vergelijkbare natuuronderzoeken. Met een tijdsperiode van 5 jaar waarover gegevens zijn opgevraagd neemt de betrouwbaarheid van de onderzoeksresultaten verder toe. 3.2 Veldonderzoek Naast literatuurstudie is een verkennende veldcheck uitgevoerd binnen het onderzoeksgebied. Gedurende de veldcheck is gelet op de geschiktheid van het onderzoeksgebied, alsmede de directe omgeving, voor beschermde soorten. Ter beoordeling van de geschiktheid van het onderzoeksgebied en de direct omgeving voor beschermde is het gehele onderzoeksgebied geïnspecteerd. Daarnaast is de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten bepaald middels sporen en directe waarnemingen. De veldcheck is uitgevoerd op woensdag 8 oktober 2025 door ecoloog Michael van der Kaaij. De weersomstandigheden tijdens de veldcheck waren; droog, volledig bewolkt, 17C en windkracht 2.
3.3 Vervolgstappen De quickscan flora en fauna beoordeelt de geschiktheid van het onderzoeksgebied voor beschermde soorten, maar is geen uitgebreid soort specifiek onderzoek. In de quickscan zijn geen inventarisaties van soorten of soortgroepen uitgevoerd. Wanneer negatieve effecten op beschermde plant- en diersoorten tijdens deze quickscan niet kunnen worden uitgesloten dient nader onderzoek uitgevoerd te worden om uitsluitsel te bieden.
datum referentie
13 oktober 2025 252152_AdB_RAP_001X_v
P 5/23
4
Toetsing aan gebiedsbescherming
4.1 Natura 2000 Het onderzoeksgebied is niet gelegen binnen de grenzen, of in directe nabijheid van een aangewezen Natura 2000gebied. Het meest dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (De Wilck) ligt ten oosten van het onderzoeksgebied op ongeveer 12,5 kilometer afstand (Figuur 5). Het Natura 2000-gebied bestaat uit vochtige en natte graslanden en maakt onderdeel uit van het Hollands-Utrechtse veenweidegebied. Het gebied is aangewezen voor instandhoudingsdoelen van broedvogels en niet-broedvogels grutto, kleine zwaan en smient. Voor nietbroedvogels betreft het slaap- en rustplaatsen en foerageergebied (LVVN, 2025). Eventuele negatieve effecten op Natura 2000-gebied De Wilck zouden van externe aard zijn. Gezien de afstand tot het Natura 2000-gebied, worden externe effecten door licht, trillingen en geluid van de voorgenomen werkzaamheden op het onderzoeksgebied niet verwacht. Echter, externe effecten door een toename van stikstofdepositie als gevolg van de werkzaamheden kunnen niet op voorhand worden uitgesloten. Daarom is vervolgonderzoek naar de vergunningplicht ‘Natura 2000-activiteit’ met betrekking tot stikstof noodzakelijk. Daarom dient een AERIUS-berekening te worden uitgevoerd. Deze AERIUS-berekening maakt geen onderdeel uit van deze rapportage.
12,5 km
1,5 km
Figuur 5: Ligging en afstand van het onderzoeksgebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden. Ten noorden van het onderzoeksgebied ligt Natura 2000-gebied De Wilck (donkergroen) op 12,5km afstand. Gebieden welke behoren tot het NNN zijn weergegeven in grijs.
datum referentie
13 oktober 2025 252152_AdB_RAP_001X_v
P 6/23
4.2 Natuurnetwerk Nederland Het onderzoeksgebied is geen onderdeel van Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op meer dan 1,5 kilometer afstand ten zuidwesten van het onderzoeksgebied (zie Figuur 5). Provincie ZuidHolland beschermt het NNN via ruimtelijk beleid om ervoor te zorgen dat de omvang en kwaliteit van deze gebieden behouden blijft. Dit is vastgelegd in de Provinciale Ruimtelijke Verordening. Nieuwe gemeentelijke bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen moeten voldoen aan de regels in deze verordening. Dit gebeurt door middel van een “nee, tenzij”-toets. Een nieuw project dat de natuur significant schaadt, mag niet worden goedgekeurd in het bestemmingsplan of de omgevingsvergunning (“nee”), tenzij het een groot openbaar belang dient en er geen alternatieven zijn buiten het NNN. De voorgenomen werkzaamheden hebben door de ligging buiten het NNN en de aard en omvang geen negatieve invloed op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Vanuit het provinciale natuurbeleid zijn er daarom bezwaren tegen de voorgenomen werkzaamheden. Een nadere nee, tenzij-toets is niet nodig. 4.3 Houtopstanden De Omgevingswet beschermt houtopstanden, volgens de definitie van een ‘zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend; bos, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden').
Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij het bevoegd gezag. Beschermde houtopstanden hebben een oppervlakte van 10 are of meer, of bestaat uit een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat. Wegbeplating met populier of wilg zijn niet beschermt onder de Omgevingswet. Indien er bomen gekapt worden welke vallen onder de definitie houtopstanden is meldings- en herbeplantingsplicht van toepassing. Provincie Zuid-Holland is bevoegd gezag voor de kapmelding en de invulling van de herbeplantingsplicht. Gemeente Pijnacker hanteert de volgende definitie voor houtopstanden; één of meer bomen, hakhout, een houtwal, een grotere (lint)begroeiing van heesters en struiken, een beplanting van bosplantsoen. In de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van gemeente Pijnacker zijn regels vastgelegd voor het kappen van bomen. Op dit moment is een kapvergunning verplicht voor bomen met een stamdiameter van minimaal 25 centimeter. Bij de beoordeling van een aanvraag houdt men rekening met vijf algemene criteria: technische omstandigheden, leeftijd, ecologische waarde, cultuurhistorische waarde en klimaatadaptatie. Omdat er nog geen objectieve toetsingscriteria zijn vastgesteld om deze waarden concreet te beoordelen, wordt het merendeel van de aangevraagde kapvergunningen momenteel verleend.
datum referentie
13 oktober 2025 252152_AdB_RAP_001X_v
P 7/23
5
Beschermde soorten
In dit hoofdstuk wordt beschreven welke beschermde soorten binnen het onderzoeksgebied kunnen voorkomen. Voor deze soorten wordt een beoordeling gedaan of het onderzoeksgebied geschikt is, bijvoorbeeld als verblijfplaats of foerageergebied. Daarnaast wordt beoordeeld of er mogelijk negatieve effecten kunnen optreden op de beschermde soorten bij de voorgenomen werkzaamheden. 5.1 Verwachte beschermde soorten Op basis van de Beschermde Soortenindicator (BeSI) verspreidingsgegevens uit de NDFF, verspreidingsatlassen en andere relevante bronnen zijn enkele beschermde soorten te verwachten in het onderzoeksgebied. In Tabel 1 zijn de betreffende soorten opgenomen en op welke wijze het onderzoeksgebied mogelijk geschikt is voor de betreffende soorten. Tabel 1: Te verwachtten beschermde soorten in het onderzoeksgebied. Soort(groep) Geschiktheid van onderzoeksgebied Vleermuizen • Rosse vleermuis • Ruige dwergvleermuis Vogels met jaarrond beschermde nesten (Categorie 1 t/m 4) • Buizerd • Grote gele kwikstaart • Havik • Ooievaar • Ransuil • Roek • Sperwer Vogels met jaarrond beschermde nesten (Categorie 5) en algemene broedvogels Grondgebonden zoogdieren • Bever • Otter • Boommarter • Steenmarter • Kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) Amfibieën en reptielen • Rugstreeppad Ongewervelden • Grote vos • Teunisbloempijlstaart
datum referentie
13 oktober 2025 252152_AdB_RAP_001X_v
• •
Verblijfplaatsen; Foerageergebied.
• •
Broed- en schuilplaatsen; Foerageergebied.
• •
Broed- en schuilplaatsen; Foerageergebied.
• •
Voortplantings- en rustplaatsen Foerageergebied
•
Landbiotoop
P 8/23
5.2 Geschiktheid onderzoeksgebied voor beschermde soorten In deze paragraaf worden de soorten uit Tabel 1 nader besproken, ook wordt de geschiktheid van het onderzoeksgebied voor de betreffende soorten besproken. Daarbij zijn de kenmerken van het onderzoeksgebied, zoals opgenomen in paragraaf 2.1, in ogenschouw genomen. Deze kenmerken zijn van belang voor het voorkomen van de soorten uit Tabel 1, aangezien deze kenmerken bepalend zijn voor de geschiktheid van het onderzochte gebied. 5.2.1 Vleermuizen Alle in Nederland voorkomende vleermuissoorten zijn beschermd onder de Omgevingswet. Uit verspreidingsgegevens van de NDFF blijkt het voorkomen van vleermuizen binnen of in de omgeving van het onderzoeksgebied. Tot een afstand van 5 kilometer van het onderzoeksgebied zijn actuele waarnemingen bekend van; gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis. Verblijfplaatsen Veel vleermuissoorten maken gebruik van boomholtes en/of loshangend bast als verblijfplaats. Boombewonend vleermuizen zijn onder andere de rosse vleermuis. Boomholtes zijn tijdens de veldcheck niet aangetroffen. Daarnaast zijn de, binnen het onderzoeksgebied, aanwezige bomen mede vanwege de lage leeftijd ongeschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Negatieve effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen zijn niet aan de orde.
Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken, lanen en soms zelf gevels van gebouwen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. De werkzaamheden hebben geen effect op de functionaliteit van vliegroutes van vleermuizen doordat lijnvormige elementen behouden blijven. Lichtverstoring kan van tijdelijke aard zijn, echter is er geen sprake van essentiële vliegroutes. Negatieve effecten op vliegroutes van vleermuizen zijn niet aan de orde. Foerageergebied Het onderzoeksgebied en de directe omgeving kan gebruikt worden door, in de omgeving verblijvende, vleermuizen om te foerageren. De voorgenomen werkzaamheden zullen echter geen aantasting van belangrijke foerageergebieden vormen. Ook zal het aanbod van foerageer mogelijkheden niet in het geding komen, in de directe omgeving zijn uitwijkmogelijkheden voor vleermuizen aanwezig als foerageergebied. Het betreft omliggende graslanden, groenstroken en wateren. Het gebruik van verlichting tijdens de voorgenomen werkzaamheden in de actieve periode van vleermuizen leidt mogelijk tot beperkte verstoring van foerageergebieden (lichtverstoring). Het onderzoeksgebied betreft in geen geval essentieel foerageergebied wegens het ruime aanbod van alternatieve foerageergebieden in de direct omgeving.
Negatieve effecten op foerageergebieden van vleermuizen zijn niet aan de orde. 5.2.2 Vogels Uit verspreidingsgegevens van de NDFF blijken zowel vogels met jaarrond beschermde nesten (categorie 1 t/m 4 & 5) als algemene broedvogels in de omgeving van het onderzoeksgebied voor te komen. Tijdens de velcheck zijn waarnemingen gedaan van overvliegende, rustende, roepende en of foeragerende vogelsoorten, zoals; zwartkop, koolmees, pimpelmees, merel, spreeuw, ekster en zwarte kraai. Vogels met jaarrond beschermde nesten (categorie 1 t/m 4) Van een aantal vogelsoorten zijn de nesten jaarrond beschermd, ook wanneer deze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Omdat de nesten jaarrond worden gebruikt, of omdat een soort zeer honkvast is en er elk jaar naar terugkeert en moeilijk in staat is om een nieuw nest te maken. Waarnemingen in de omgeving van het onderzoeksgebied zijn bekend van: boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil,
datum referentie
13 oktober 2025 252152_AdB_RAP_001X_v
P 9/23
ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw. Van deze soorten kan aanwezigheid binnen het onderzoeksgebied van gierzwaluw, huismus en slechtvalk op voorhand worden uitgesloten. Deze soorten zijn voor een nestlocatie afhankelijk van bebouwing als huizen, kantoorgebouwen en kerken. Aangezien de werkzaamheden geen bebouwing aantasten zijn negatieve effecten op gierzwaluw, huismus en slechtvalk niet aan de orde. Tijdens de veldcheck zijn de bomen binnen en in de omgeving van het onderzoeksgebied geïnspecteerd op aanwezigheid van nesten. Op basis van NDFF-waarnemingen met nestindicatie (buizerd) zijn er geen nesten in bomen aangetroffen van vogels met jaarrond beschermde nesten. Negatieve effecten op soorten zoals; boomvalk, buizerd, roek en ransuil zijn niet aan de orde. Grote gele kwikstaart De grote gele kwikstaart is een soort die graag nestelt nabij stromend water in een nis in een muur of onder een brug of bij boomwortels in oevers. Ze maken ook gebruik van speciale nestkasten. Het onderzoeksgebied is niet geschikt voor grote gele kwikstaart vanwege het ontbreken van geschikte nestelplekken. Daarnaast worden de aangrenzende watergangen en oevers niet vergraven. Negatieve effecten op grote gele kwikstaart zijn niet aan de orde.
Vogels met jaarrond beschermde nesten (categorie 5) Vogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond beschermd is, zijn bijvoorbeeld holen- en nestbroeders of akkervogels. In de omgeving van het onderzoeksgebied zijn waarnemingen bekend van soorten als; boomkruiper, grote bonte specht, zwarte kraai en koolmees. In de (directe) omgeving zijn voldoende alternatieven beschikbaar voor vogels met jaarrond beschermde nesten (categorie 5) binnen de verschillende leefgebieden. Tijdens de veldcheck zijn binnen het onderzoeksgebied ook geen waarnemingen gedaan van nesten. Tijdens het broedseizoen mogen geen bomen gekapt worden, waarmee negatieve effecten momenteel niet aan de orde zijn. Algemene broedvogels De nesten van algemene broedvogels zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Het onderzoeksgebied kan nestgelegenheid bieden aan algemene broedvogelsoorten in de aanwezige struwelen. Tijdens het broedseizoen mogen geen bomen gekapt worden, waarmee negatieve effecten momenteel niet aan de orde zijn. 5.2.3 Grondgebonden zoogdieren Uit verspreidingsgegevens van de NDFF blijkt het voorkomen van bever, otter, boommarter, steenmarter en kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) binnen of in de omgeving van het onderzoeksgebied.
Daarnaast komen er, binnen of in de omgeving van het onderzoeksgebied, ook algemene grondgebonden zoogdieren voor, zoals; egel, haas, vos, woelrat en bos-, dwerg- en veldmuis. Deze algemene grondgebonden zoogdieren zijn in provincie Zuid-Holland vrijgesteld bij ruimtelijke ontwikkelingen. Bever en otter De bever komt voor in het overgangsgebied tussen land en water, zoals moerassen, langs beken, rivieren en meren. De soort heeft een voorkeur voor rustige rivieren en meren met een natuurlijk peil, omzoomd door broekbossen met bomen zoals wilg en es. Bevers graven hun oeverholen in steile oevers, waarbij ze tunnels maken die vaak onder water beginnen en naar boven leiden naar een droge kamer. De otter komt voor in ruig begroeide, bosachtige en rotsachtige oeverzones met voldoende dekking en rust. Ze maken hun nest vaak in overstromingsvrije oeverholtes of onder de wortels grote bomen.
datum referentie
13 oktober 2025 252152_AdB_RAP_001X_v
P 10/23
Actuele waarnemingen van bever en otter zijn bekend ten noorden van het onderzoeksgebied in vochtige bostypen op een afstand van meer dan 4.000 meter. In de omgeving van het onderzoeksgebied komen watergangen voor welke potentieel geschikt zijn als leefgebied voor de bever en otter. Voor de bever ontbreken echter voedselbronnen (op of nabij oevers). Tijdens de veldcheck zijn ook geen sporen of waarnemingen gedaan welke aanleiding kan zijn voor de aanwezigheid van bever en/of otter. Daarnaast zijn voor de realisatie van het dierenpension geen aanpassingen aan de overs van omliggende watergangen voorzien. Negatieve effecten op de bever en otter zijn niet aan de orde. Boom- en steenmarter De boommarter leeft bij voorkeur in oude bossen maar komt ook voor in andere typen bos, van verschillende leeftijden. Ook kunnen boommarters zich handhaven in meer versnipperde landschappen, zolang er geschikte bosfragmenten en verbindende houtwallen aanwezig zijn. Verblijfplaatsen bevinden zich voornamelijk in boomholtes, verlaten grondholen, takkenbossen en schuurtjes worden ook gebruikt. De steenmarter komt vooral voor in kleinschalig cultuurlandschap met bosschages, maar ook in gebieden zonder bossen, steengroeven en rotsige hellingen. De soort wordt aangetroffen in de nabijheid van dorpen en boerderijen en tegenwoordig zelfs in grote steden.
Daarbij is de aanwezigheid van elementen zoals groenstroken, heggen, bosjes, greppels en bermen van belang, omdat de steenmarter daar zijn voedsel zoekt. Actuele waarnemingen van boommarter zijn bekend ten noorden van het onderzoeksgebied in vochtige bostypen op een afstand van meer dan 4.000 meter. Van steenmarter is één waarneming bekend geworden ten zuiden van Nootdorp. Geschikte schuilmogelijkheden voor boom- en steenmarter ontbreken in het onderzoeksgebied, vanwege afwezigheid van bijvoorbeeld boomholtes en gebouwen. Daarnaast ontbreken er verbindende elementen in de omgeving en vormt de N470 een barriere. Tijdens de veldcheck zijn ook geen sporen of waarnemingen gedaan welke aanleiding kan zijn voor de aanwezigheid van boom- en/of steenmarter. Negatieve effecten op boom- en steenmarter zijn niet aan de orde. Kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) Kleine marterachtigen komen voor in diverse landschapstypen, maar geven de voorkeur aan kleinschalige landschappen met voldoende schuilmogelijkheden en nabijheid van water. Deze dieren zijn sterk afhankelijk van landschapselementen zoals houtwallen en bosschages, die dekking bieden tijdens het foerageren en migreren tussen vaste rust- of voortplantingsplaatsen en foerageergebieden.
Verblijfplaatsen bevinden zich hoofdzakelijk in bosranden, bossen en houtwallen welke een geïsoleerde ligging hebben, droog en over voldoende dekking beschikken (kennisdocument, kleine marterachtigen). Actuele waarnemingen van kleine marterachtigen zijn bekend in polders en groenstroken ten zuiden van de N470. Het onderzoeksgebied is geschikt als rust- en/of verblijfplaats en als foerageergebied voor kleine marterachtigen, vanwege aanwezigheid van dekking en aanwezigheid van grondholen (zie Figuur 6). Echter ontbreken er verbindende elementen in de omgeving en vormt de N470 een barrière. Tijdens de veldcheck zijn ook geen sporen of waarnemingen gedaan welke aanleiding kan zijn voor de aanwezigheid van kleine marterachtigen. In provincie Zuid-Holland zijn kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) vrijgesteld bij ruimtelijke ontwikkelingen, waardoor de algemene en specifieke zorgplicht in acht genomen dient te worden.
datum referentie
13 oktober 2025 252152_AdB_RAP_001X_v
P 11/23
Figuur 6: Grondholen, welke mogelijk gebruikt worden door woelmuizen, in het centrale deel van het onderzoeksgebied.
5.2.4 Amfibieën en reptielen Uit verspreidingsgegevens van de NDFF blijkt het voorkomen van rugstreeppad in de omgeving van het onderzoeksgebied. Daarnaast komen er, binnen of in de omgeving van het onderzoeksgebied, ook algemene amfibieën voor, zoals; bastaardkikker, bruine- en groene kikker, kleine watersalamander en meerkikker. Deze algemene ambieënsoorten zijn in provincie Zuid-Holland vrijgesteld bij ruimtelijke ontwikkelingen. Rugstreeppad De rugstreeppad is een pionier van warme, open gebieden en kunnen worden aangetrokken tot bouwlocaties met zandhopen en ondiepe plassen. Voor voortplanting gebruiken ze ondiepe, snel opwarmende en visvrije wateren, zoals tijdelijke poeltjes, plassen, slootjes en vennen. De soort in nachtactief en kan afstanden tot wel 5 kilometer afleggen tussen voorplantingswater en landbiotoop. Barrières tussen voortplantingswater en landbiotoop worden onder andere gevormd door wegen (BIJ12, 2017). Actuele waarnemingen van al dan niet roepende, rugstreeppadden zijn bekend in de bebouwde omgeving van Berkel en Rodenrijs, en Bergschenhoek. In de huidige situatie is binnen het onderzoeksgebied geen geschikt habitat, voor voorplanting en overwintering, aanwezig voor de rugstreeppad. Negatieve effecten op rugstreeppad tijdens graaf- en bouwactiviteiten van het dierenpension kunnen niet worden uitgesloten.
Daarom zijn ter voorkoming van negatieve effecten op rugstreeppad, tijdens de voorgenomen graaf- en bouwactiviteiten, in hoofdstuk 6 preventieve maatregelen opgenomen. 5.2.5 Vaatplanten Uit verspreidingsgegevens van de NDFF blijkt het voorkomen van akkerdoornzaad in de omgeving van het onderzoeksgebied. Daarnaast zijn er, in de omgeving van het onderzoeksgebied, waarnemingen van andere rode lijst vaatplanten. Akkerdoornzaad komt voor op open kalkrijke plaatsen welke al dan niet begraasd worden en waarbij de bodem matig voedselrijk is. Groeiplaatsen bestaan uit begraasde zee- en rivierdijken, waterkanten en (graan)akkers, oftewel dynamische plekken. Eén actuele waarneming (2025) van akkerdoornzaad is bekend geworden op een recentelijk vergraven perceel. Andere waarnemingen van beschermde vaatplanten zijn gedaan in de bebouwde omgeving en omliggende NNNgebieden, nabij het onderzoeksgebied. Tijdens de veldcheck zijn geen waarnemingen gedaan van beschermde vaatplanten. Beschermde vaatplanten zijn overwegend gebonden aan natuurgebieden, voedselarme gronden of andere extensief beheerde gronden. Vanwege het ontbreken van gunstige abiotische omstandigheden, door hoge voedselrijkdom, is het onderzoeksgebied ongeschikt voor beschermde vaatplanten. Negatieve effecten op beschermde vaatplanten zijn niet aan de orde.
datum referentie
13 oktober 2025 252152_AdB_RAP_001X_v
P 12/23
5.2.6 Vissen Uit verspreidingsgegevens van de NDFF blijkt de kroeskarper in de omgeving van het onderzoeksgebied voor te komen. In de omgeving het onderzoeksgebied komen watergangen voor welke potentieel geschikt zijn als leefgebied voor de kroeskarper. Er zijn geen werkzaamheden voorgenomen om watergangen te vergraven. Negatieve effecten op beschermde vissoorten zijn niet aan de orde. 5.2.7 Ongewervelden Uit verspreidingsgegevens van de NDFF blijkt het voorkomen grote vos en teunisbloempijlstaart in de omgeving van het onderzoeksgebied. Daarnaast komen in de omgeving van het onderzoeksgebied ook algemene vlindersoorten voor, zoals; bruin blauwtje en oranje zandoogje. Voor deze algemene vlindersoorten geldt in provincie Zuid-Holland de algemene en speciefieke zorgplicht (Bijlage 3). Grote vos De grote vos komt voor in vochtige open bossen, bosranden, boomgaarden en andere plekken met grote solitaire bomen. De waardplant is voornamelijk iep, maar ook zoete kers, populier en sommige wilgensoorten. Geschikte plaatsen voor overwintering zijn holle bomen en houtstapels (Bos, Bosveld, Groenendijk, Van Swaay & Wynhoff, 2006). Actuele waarnemingen van grote vos zijn bekend in of nabij bosrijke gebieden in de omgeving van het onderzoeksgebied. Vanwege het ontbreken van geschikte waardplanten en overwinteringsplaatsen is het onderzoeksgebied ongeschikt voor grote vos.
Daarnaast blijft de opgaande begroeiing (met name wilgensoorten) behouden bij de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling. Negatieve effecten op grote vos zijn niet aan de orde. Teunisbloempijlstaart De teunisbloempijlstaart heeft een grote mobiliteit en wordt daarnaast gekenmerkt door het vermogen om zich te vestigen in nieuwe gebieden, oftewel een pioniersoort. Naast pioniermilieus, zoals; omgewerkte gronden, komt de soort soms ook voor in meer stabiele milieus, zoals; open plekken in vochtige bossen en bosranden (Hunink, 2021). Als gevolg van successie van pioniersvegetaties verdwijnen waardplanten, hierdoor wordt de soort slechts in uitzonderlijke gevallen meerdere jaren achter elkaar waargenomen op dezelfde locatie (Verschoor & Hermans, 2020). Waardplanten van de teunisbloempijlstaart bestaan voornamelijk uit soorten uit de teunisbloemfamilie (teunisbloemsoorten, wilgenroosje en harig wilgenroosje). Eitjes worden gelegd op waardplanten in de buurt van bloemrijke graslanden met voldoende nectarplanten, welke essentieel is voor de soort. Actuele waarnemingen (2023 en 2024) van rupsen van de teunisbloempijlstaart zijn bekend op 2.300 meter van het onderzoeksgebied in de bebouwde omgeving van Bergschenhoek en Berkel en Rodenrijs.
Binnen het onderzoeksgebied zijn op diverse plekken harig wilgenroosje waargenomen, de plant is voornamelijk aangetroffen op de randen en oevers van het onderzoeksgebied. Het voorkomen van een mogelijke waardplant van teunisbloempijlstaart bevindt zich daarom hoofdzakelijk buiten de invloedsfeer van de voorgenomen werkzaamheden. De voorgenomen graaf- en bouwactiviteiten richten zich namelijk op het centrale deel van het perceel, waardoor er ruim voldoende ruigteranden over blijven om de huidige situatie te behouden. Vanwege het ontbreken van bloemrijke graslanden, binnen en in de omgeving van het onderzoeksgebied, is het aanbod van nectarplanten beperkt, terwijl deze essentieel zijn voor de vlinder tijdens de actieve periode. Daarnaast zijn er door de grote mobiliteit en de sterke voorkeur om zich te vestigen in pioniermilieus voor teunisbloempijlstaart voldoende geschikte gebieden in de omgeving beschikbaar om zich te vestigen. Negatieve effecten op teunisbloempijlstaart zijn daarom niet aan de orde.
datum referentie
13 oktober 2025 252152_AdB_RAP_001X_v
P 13/23
6
Toetsing aan soortenbescherming
De voorgenomen werkzaamheden binnen het onderzoeksgebied kunnen leiden tot overtredingen van verbodsbepalingen (Bijlage 1 onder 1.2) van soortenbescherming volgens de Omgevingswet. Dit hoofdstuk biedt een overzicht van de soorten waarvoor een dreigende overtreding van de wet kan optreden en onderzoekt of deze overtredingen kunnen worden voorkomen door het nemen van maatregelen. Daarnaast wordt besproken welke soorten een vervolgtraject vereisen, bijvoorbeeld omdat de huidige onderzoeksinspanningen niet voldoende zijn voor een toetsing aan de Omgevingswet. Ook worden de mogelijke consequenties met betrekking tot omgevingsvergunningen besproken. 6.1 Vleermuizen Het onderzoeksgebied is niet geschikt voor verblijfplaatsen van vleermuizen. Tijdelijk negatieve effecten door lichtverstoring kunnen echter wel optreden op vliegroutes en foerageergebieden. Het onderzoeksgebied is echter geen essentieel foerageergebied en is ook geen onderdeel van een essentiële vliegroute. Van een dreigende overtreding van verbodsbepalingen van soortbescherming uit de Omgevingswet is derhalve geen sprake. Aanvullend onderzoek om dreigende overtreding van verbodsbepalingen van soortbescherming uit de Omgevingswet te kunnen toetsen wordt niet noodzakelijk geacht. Wel dient de algemene en specifieke zorgplicht (paragraaf 6.5) in acht genomen te worden. 6.2 Vogels Vogels met jaarrond beschermde nesten (cat.
1 t/m 4) zijn niet aangetroffen tijdens de veldcheck, hierdoor is van een dreigende overtreding van verbodsbepalingen van soortbescherming uit de Omgevingswet geen sprake. Aanvullend onderzoek om dreigende overtreding van verbodsbepalingen van soortbescherming uit de Omgevingswet te kunnen toetsen wordt niet noodzakelijk geacht. Wel dient de algemene en specifieke zorgplicht (paragraaf 6.5) in acht genomen te worden. Voor vogels met jaarrond beschermde nesten (cat. 5) en algemene broedvogels die binnen het bereik van de voorgenomen werkzaamheden kunnen voorkomen, geldt dat er geen overtredingen van verbodsbepalingen uit de Omgevingswet zullen plaatsvinden wanneer de werkzaamheden buiten het broedseizoen worden uitgevoerd. De Omgevingswet specificeert geen vaste periode voor het broedseizoen, over het algemeen wordt als broedseizoen de periode 15 maart tot augustus aangehouden. Doorslaggevend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen worden uitgevoerd, zal een ecoloog een broedvogelinspectie uitvoeren. Wanneer er tijdens de inspectie geen broedgevallen worden aangetroffen wordt de locatie vrijgegeven. Als er echter een broedgeval wordt aantreffen wordt advies uitgebracht over verstoringsbeperkende maatregelen tijdens de werkzaamheden.
Geadviseerd wordt echter om buiten het broedseizoen het terrein ongeschikt te maken voor algemene broedvogels. Dit ongeschikt maken heeft betrekking op bomen, struweel en ruigtevegetaties. Waardoor de voorgenomen werkzaamheden ook tijdens het broedseizoen kunnen plaatsvinden. Specifiek voor oeverzwaluw (cat. 5) dient bij bouw- en graafactiviteiten, tijdens het broedseizoen, de vorming van steile hellingen voorkomen te worden. Bovenstaande maatregelen dienen verder uitgewerkt te worden in een ecologisch werkprotcol.
datum referentie
13 oktober 2025 252152_AdB_RAP_001X_v
P 14/23
6.3 Amfibieën en reptielen Het onderzoeksgebied is op dit moment ongeschikt voor beschermde amfibieën en reptielen. Van rugstreeppad zijn waarnemingen bekend in de omgeving van het onderzoeksgebied en dat de soort afstanden tot 5 kilometer kan afleggen tussen voortplantingswater en landbiotoop. Rugstreeppad kan zich snel vestigen in gebieden waar ruimtelijke ontwikkelen plaatsvinden, doordat zandig plekken of tijdelijke poelen worden gecreëerd tijdens bouwen graafactiviteiten. Ter voorkoming van overtreding van verbodsbepalingen van soortbescherming uit de Omgevingswet tijdens bouw- en graafactiviteiten dienen echter preventieve maatregelen getroffen te worden. Deze maatregelen zijn erop gericht op het onderzoeksgebied preventief ontoegankelijk te maken voor rugstreeppad. Bijvoorbeeld door het plaatsen van amfibieschermen van 50 centimeter hoog, welke tenminste 10 centimeter wordt ingegraven. Deze schermen dienen het gehele onderzoeksgebied te omlijnen en voor aanvang van de werkzaamheden geplaatst te worden. Deze maatregelen dienen verder uitgewerkt te worden in een ecologisch werkprotocol. 6.4 Overige soortgroepen Negatieve effecten door de voorgenomen werkzaamheden op beschermde grondgebonden, vissoorten en vlindersoorten zijn niet aan de orde. Van een dreigende overtreding van verbodsbepalingen van soortbescherming uit de Omgevingswet is derhalve geen sprake.
Aanvullend onderzoek om dreigende overtreding van verbodsbepalingen van soortbescherming uit de Omgevingswet te kunnen toetsen wordt niet noodzakelijk geacht. Wel dient de algemene en specifieke zorgplicht (paragraaf 6.5) in acht genomen te worden. 6.5 Specifieke zorgplicht In het kader van de specifieke zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Waarbij nadelige effecten worden voorkomen, beperken of ongedaan gemaakt, of de activiteit wordt in zijn geheel achterwege gelaten. Voor een nadere toelichting van de specifieke zorgplicht wordt verwezen naar Bijlage 1 onder 1.1. Dieren of planten die bijvoorbeeld tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, moeten de kans krijgen om veilig weg te komen. Ook door gefaseerd te werken in ruimte en tijd kan invulling gegeven worden aan de specifieke zorgplicht.
datum referentie
13 oktober 2025 252152_AdB_RAP_001X_v
P 15/23
7
Conclusies en aanbevelingen
Gebiedsbescherming De voorgenomen werkzaamheden hebben geen negatieve effecten op Natura 2000-gebieden en andere natuurgebieden (NNN). Het uitvoeren van een AERIUS-berekening, welke geen onderdeel is van deze rapportage, wordt echter aanbevolen. Soortenbescherming Uit deze quickscan flora en fauna is gebleken dat de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten kunnen hebben op vogels met jaarrond beschermde nesten (cat.5) en algemene broedvogels. Ter voorkoming van negatieve effecten op zowel vogels met jaarrond beschermde nesten (cat.5) als algemene broedvogels wordt daarom geadviseerd om het onderzoeksgebied ongeschikt te maken buiten het broedseizoen. Dit ongeschikt maken heeft betrekking op eventueel te kappen bomen en struweel, daarnaast wordt geadviseerd om de ruigtevegetatie kort te houden. Daarnaast wordt, ter voorkoming van kolonisatie van oeverzwaluwen tijdens bouw- en graafactiviteiten, aanbevolen om de vorming van steile hellingen te voorkomen. Hoewel het onderzoeksgebied op dit moment ongeschikt is voor rugstreeppad kan tijdens bouw- en graafactiviteiten geschikt landbiotoop gecreëerd worden voor de soort om zich in te graven. Ter voorkoming van negatieve effecten en overtreding van verbodsbepalingen uit de omgevingswet wordt daarom aanbevolen om amfibieschermen te plaatsen voorafgaand aan de werkzaamheden.
Aanvullend onderzoek of aanvraag van een omgevingsvergunning is voor de voorgenomen werkzaamheden niet noodzakelijk. Wel dienen de in deze conclusie genoemde maatregelen voor vogels met jaarrond beschermde nesten (cat.5) en algemene broedvogels, en rugstreeppad nader uitgewerkt te worden in een ecologisch werkprotocol.
datum referentie
13 oktober 2025 252152_AdB_RAP_001X_v
P 16/23
Bronnenlijst
•
BIJ12. (2017). Kennisdocument rugstreeppad. Versie 1.0. Opgehaald van https://www.bij12.nl/wp-content/uploads/2023/11/Kennisdocument-Rugstreeppad.pdf
•
BIJ12. (2024). Kennisdocument kleine marterachtigen. Opgehaald van https://www.bij12.nl/wp-content/uploads/2024/01/Kennisdocument-kleine-marterachtigen-v1-1-2.pdf
•
Bos, F., Bosveld, M., Groenendijk, D., Van Swaay, C., & Wynhoff, I. (2006). De dagvlinders van Nederland, verspreiding en bescherming. Nederlandse Fauna 7. De Vlinderstichting, Wageningen en Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey, Nederland.
•
Hunink, S. (2021). De complexiteit van de bescherming van insecten. Tijdschrift natuurbeschermingsrecht. 2021(4)
•
LVVN. (2025). De Wilck. Opgehaald van https://www.natura2000.nl/gebieden/zuid-holland/de-wilck
•
NDFF. (2015). NDFF Verspreidingsatlas. Opgehaald van http://verspreidingsatlas.nl
•
NDFF. (2025). Nationale Databank Flora en Fauna. Opgehaald van https://ndffecogrid.nl/uitvoerportaal/
•
Verschoor, G., & Hermans, J. (2020). De Teunisbloempijlstaart (Proserpinus proserpina) in Limburg: De opmars in beeld gebracht. Natuurhistorisch maandblad. 109(5).
datum referentie
13 oktober 2025 252152_AdB_RAP_001X_v
P 17/23
Bijlage 1 Overzicht natuurwetgeving In de Omgevingswet is de bescherming van in het wild levende planten en dieren en hun directe leefomgeving opgenomen, waarbij onderscheid wordt gemaakt in soort- en gebiedsbescherming. In onderstaande paragrafen wordt een globale toelichting gegeven met betrekking tot de achtergrond van deze nationale wetgeving waaraan voorgenomen ruimtelijke plannen en ingrepen worden getoetst. 1.1 Soortenbescherming (zorgplicht) Een belangrijk overkoepelend instrument is de zorgplicht waarin gesteld wordt dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Deze zorg houdt in elk geval in dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor in het wild levende dieren en planten verplicht is: 1. 2. 3.
Alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen. Voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. Als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
1.2 Soortenbescherming verbodsbepalingen De Omgevingswet bevat verschillende verbodsbepalingen om de bescherming van dier- en plantensoorten te waarborgen: 1. 2. 3. 4.
1.3
Verbod op verstoring: Het is verboden om beschermde diersoorten opzettelijk te verstoren, vooral tijdens kritieke perioden zoals voortplanting, overwintering en migratie; Verbod op doden: Het is verboden om beschermde diersoorten te doden of te vangen; Verbod op beschadiging van leefgebieden: Het is verboden om de leefgebieden van beschermde soorten te beschadigen of te vernietigen; Verbod op handel: Het is verboden om beschermde soorten te verhandelen, inclusief het vervoeren, bezitten en verkopen van deze soorten; Gebiedsbescherming
1.3.1 Natura 2000 Natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna kunnen aangewezen worden als Europese Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijngebieden (Natura 2000). De verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden zijn in Nederland opgenomen in de Omgevingswet. Op grond van deze wet is het verboden projecten of andere handelingen te realiseren of te verrichten die, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitattypen en de habitat van soorten kunnen verslechteren, of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied (artikel 2.7, lid 2 Omw. en per 1-1-2024 artikel 5.1, lid 1, sub e Ow, zie H 6.1 Omgevingswet).
datum referentie
13 oktober 2025 252152_AdB_RAP_001X_v
P 18/23
Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door het bevoegd gezag. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 1.3.2 Natuurnetwerk Nederland In de Omgevingswet staan de bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen in de omgevingsverordening (artikel 2.44, lid 4 en 5 Ow en artikel 7.6, lid 1 Bkl, zie H 6.1 Omgevingswet). Deze vorm van gebiedsbescherming komt voort uit aanwijzing van een gebied in het kader van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Anders dan bij gebieds- en soortbescherming is de status van het NNN niet verankerd in de natuurwetgeving, maar dient het belang in de planologische afweging een rol te spelen. Dit valt onder de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag (Provincies).
Initiatiefnemers van ingrepen binnen (of in de directe nabijheid van) het Natuurnetwerk Nederland dienen de effecten van de ingreep op kernkwaliteiten en omgevingscondities te onderzoeken. De omgevingscondities zullen ten opzichte van de oorspronkelijke situatie mogelijk veranderen. Dit zal middels nader onderzoek/toetsing inzichtelijk gemaakt moeten worden. Ingrepen die de natuur significant aantasten, mogen niet worden toegestaan in het bestemmingsplan (“nee”), tenzij ze een groot openbaar belang dienen én er geen alternatieven zijn buiten de natuur. Als het toegestaan is, is natuurcompensatie verplicht (op een andere plek moet dan nieuwe natuur komen).
datum referentie
13 oktober 2025 252152_AdB_RAP_001X_v
P 19/23
Bijlage 2 Aanvullende illustraties onderzoeksgebied
datum referentie
13 oktober 2025 252152_AdB_RAP_001X_v
P 20/23
datum referentie
13 oktober 2025 252152_AdB_RAP_001X_v
P 21/23
datum referentie
13 oktober 2025 252152_AdB_RAP_001X_v
P 22/23
Bijlage 3 Jaarrond beschermde nesten en vrijgestelde soorten Op landelijk niveau zijn plant- en diersoorten beschermd in de Omgevingswet. Aanvullend hierop is de bescherming van nesten van vogels, ook wel “vogels met jaarrond beschermde nesten”, geregeld op provinciaal niveau. Onderstaand is een overzicht opgenomen van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten in provincie Zuid-Holland. Met daarnaast enkele soorten uit de soortgroepen zoogdieren, en amfibieën en reptielen welke in provincie Zuid-Holland vrijgesteld zijn van verbodsbepalingen uit de Omgevingswet. Vogels met jaarrond beschermde nesten (cat. 1 t/m 4)
Vrijgestelde soorten
Boomvalk
Zoogdieren
Buizerd
Aardmuis
Gierzwaluw
Bosmuis
Grote gele kwikstaart
Bunzing
Havik
Dwergmuis
Huismus
Dwergspitsmuis
Kerkuil
Egel
Oehoe
Gewone bosspitsmuis
Ooievaar
Haas
Ransuil
Hermelijn
Roek
Huisspitsmuis
Slechtvalk
Konijn
Sperwer
Ree
Steenuil
Rosse woelmuis
Wespendief
Veldmuis
Zwarte Wouw
Vos Wezel Woelrat Amfibieën en reptielen Bruine kikker Gewone pad Kleine watersalamander Meerkikker Middelste groene kikker/ bastaardkikker
datum referentie
13 oktober 2025 252152_AdB_RAP_001X_v
P 23/23