Bijlage 5 Quick scan Wet natuurbescherming Geerweg 13-15 Nootdorp
Tekst van het document
Eco-effectscan Geerweg 13-15 Te Nootdorp
Opdrachtgever R. Visser te Pijnacker
Milieu consultancy Watermanagement Ruimtelijke ordening
Aqua-Terra Nova BV Zuidweg 79 2671 MP Naaldwijk
Eco-effectscan Geerweg 13-15 te Nootdorp
telefoon 0174 – 625246 e-mail info@aquaterranova.nl www.aquaterranova.nl
Opdrachtgever R. Visser te Pijnacker
Datum: Rapportnr.: Status:
5 juli 2022 22099/AQT301FF/MV Definitieve rapportage
IBAN: NL08 RABO 0368 1199 55
•
BTW: NL-8105.67878.B01
•
K.v.K. nr. 27240696
Milieu consultancy Watermanagement Ruimtelijke ordening
COLOFON Titel
: Eco-effectscan Geerweg 13-15 te Nootdorp
Aqua-Terra Nova BV Zuidweg 79
Opdrachtgever Contactpersoon
: dhr. R. Visser : dhr. R. Visser
2671 MP Naaldwijk telefoon 0174 – 625246 e-mail info@aquaterranova.nl www.aquaterranova.nl
Projectteam Projectmanager Contactpersoon Auteur Veldwerk Kwaliteitsborger
: dhr. Ing. A.P. Wubben : dhr. Ing. A.P. Wubben : dhr. M. Verschoor : dhr. M.L. Amorison : mw. L.G. Verschuur BSc
Projectnummer
: 22099
Aqua-Terra Nova BV is lid van het Netwerk Groene Bureaus, de brancheorganisatie voor kwaliteitsbevordering en belangenbehartiging van groene adviesbureaus.
Datum vrijgave
Status
5 juli 2022
Definitief
Vrijgave auteur
Goedkeuring kwaliteitsborger
© 2022 Aqua-Terra Nova B.V. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING ......................................................................................................... 5
2
METHODE............................................................................................................ 6
3
PLANGEBIED ....................................................................................................... 8
4
RESULTATEN GEBIEDSBESCHERMING............................................................... 12
5
RESULTATEN SOORTBESCHERMING .................................................................. 15
6
CONCLUSIES EN ADVIES ................................................................................... 18
1.1 1.2 1.3 1.4 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6
3.1 3.2 3.3 3.4 4.1 4.2 4.3 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8 6.1 6.2 6.3 6.4
7
Aanleiding ............................................................................................................... 5 Doelstelling.............................................................................................................. 5 Leeswijzer ............................................................................................................... 5 Verantwoording ........................................................................................................ 5 Inleiding .................................................................................................................. 6 Projectbeschrijving ................................................................................................... 6 Wettelijk kader Wet natuurbescherming ...................................................................... 6 Beoordeling beschermde natuurgebieden .................................................................... 6 Aanwezigheid beschermde planten en dieren ............................................................... 6 Effectbeoordeling en toetsing ..................................................................................... 7
Ligging .................................................................................................................... 8 Bestaande situatie .................................................................................................... 8 Beoogde situatie en activiteiten .................................................................................. 9 Veldbezoek ............................................................................................................. 11 Natura 2000-gebieden ............................................................................................. 12 Ecologische verbindingszones ................................................................................... 13 Houtopstanden........................................................................................................ 14 Vaatplanten ............................................................................................................ 15 Vogels.................................................................................................................... 15 Grondgebonden zoogdieren ...................................................................................... 16 Vleermuizen ...........................................................................................................
16 Amfibieën ............................................................................................................... 17 Reptielen ................................................................................................................ 17 Vissen .................................................................................................................... 17 Overige beschermde soorten .................................................................................... 17 Gebiedsbescherming ................................................................................................ 18 Soortenbescherming ................................................................................................ 18 Advies en vervolgstappen ......................................................................................... 19 Geldigheid .............................................................................................................. 19
REFERENTIES ................................................................................................... 20
22099/AQT301FF/MV Definitieve rapportage 5 juli 2022
4
1
INLEIDING
1.1
Aanleiding
1.2
Doelstelling
De heer R. Visser is voornemens aan de Geerweg 13 in Nootdorp een houten huis met schuur en kas te slopen en hiervoor in de plaats een twee-onder-één-kapwoning te realiseren. De woning zal bestaan uit Geerweg 13 en een toekomstige Geerweg 15. Bij de werkzaamheden zal er een boom worden gekapt en wat struikgewas worden verwijderd. Zover bekend is worden geen watergangen gedempt. Voor dit project dienen onder andere de gevolgen van de ruimtelijke ingrepen op de aanwezige flora en fauna te worden weergegeven. In dit kader is de onderhavige Eco-effectscan uitgevoerd door Aqua-Terra Nova bv in opdracht van de heer R. Visser.
De Eco-effectscan heeft als doel te inventariseren of het project mogelijk in strijd is met de Wet natuurbescherming of het Natuurnetwerk Nederland in de Wet ruimtelijke ordening. Hiertoe worden de effecten van de activiteiten op beschermde gebieden en soorten inzichtelijk gemaakt. Daarnaast wordt geadviseerd hoe te handelen in het kader van de natuurwetgeving 1.
1.3
Leeswijzer
1.4
Verantwoording
In hoofdstuk 2 worden de onderzoeksmethode en het toetsingskader van de Eco-effectscan beschreven. In hoofdstuk 3 worden het project en het plangebied beschreven. Mogelijke effecten op beschermde natuurgebieden en het Natuurnetwerk Nederland worden beschreven in hoofdstuk 4. De resultaten van de inventarisatie en mogelijke effecten op beschermde soorten worden in hoofdstuk 5 beschreven. Tot slot volgen in hoofdstuk 6 de conclusies en worden eventueel te nemen maatregelen geadviseerd. Bronvermeldingen zijn in de tekst aangegeven met een nummer dat naar het desbetreffende nummer in de referentielijst verwijst.
Bij ecologische veldwerkzaamheden is een volledige garantie over de afwezigheid van soorten niet te geven. Door de inzet van ter zake kundige ecologen en landelijk geaccepteerde onderzoeksmethodes wordt onze onderzoekskwaliteit gewaarborgd.
22099/AQT301FF/MV Definitieve rapportage 5 juli 2022
5
2
METHODE
2.1
Inleiding
2.2
Projectbeschrijving
2.3
Wettelijk kader Wet natuurbescherming
In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe de resultaten van de voorliggende rapportage tot stand zijn gekomen. Dit hoofdstuk dient tevens als onderbouwing van de conclusies. In het kort wordt weergegeven hoe de Wet natuurbescherming in het project wordt geborgd.
Het project wordt beschreven aan de hand van de door de opdrachtgever verstrekte informatie. Hiertoe worden de omvang en de ligging van het plangebied beschreven in relatie tot groenstructuren in de omgeving, wordt de bestaande situatie geschetst en worden de beoogde activiteiten omschreven.
In de Wet natuurbescherming zijn beschermde soorten en gebieden aangewezen1. Hierbij zijn beschermde soorten ingedeeld in drie regimes (respectievelijk art. 3.1, 3.5 en 3.10). Artikel 3.1-3.4 betreffen regels ter bescherming van vogels die vallen binnen het bereik van de Vogelrichtlijn, i.e. alle natuurlijk in het wild levende vogels in de Europese Unie. Artikel 3.5-3.9 betreffen regels ter bescherming van dier- en plantensoorten die strikt beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en natuurbeschermingsverdragen. Artikel 3.10-3.11 betreffen regels ter bescherming van niet onder art. 3.5 vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten vermeld in de bijlage bij de wet. Alle in de Wet natuurbescherming genoemde soorten zijn strikt beschermd1. De bescherming van soorten is met name gericht op instandhouding van populaties en verblijfplaatsen van individuen. Hierbij wordt het ‘nee, tenzij’-principe gehanteerd. Handelingen in strijd met de verbodsbepalingen zijn per definitie verboden. Uitzonderingen voor overtreding van de verbodsbepalingen kunnen worden verleend middels vrijstellingen en ontheffingen. Tevens is de zorgplicht te allen tijde van kracht voor alle planten en dieren.
2.4
Beoordeling beschermde natuurgebieden
2.5
Aanwezigheid beschermde planten en dieren
Op basis van provinciale en lokale kaartendatabases wordt de ligging van natuurgebieden in de omgeving van het plangebied inzichtelijk gemaakt. Het betreft gebieden uit de Wet natuurbescherming (Natura 2000-gebieden) en gebieden uit het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Indien dergelijke beschermde natuurgebieden binnen een straal van 5 km van het plangebied gelegen zijn of de ingreep een zodanig karakter heeft dat effecten op grotere afstand mogelijk zijn, wordt de wettelijke status beschreven. Daarnaast wordt beoordeeld of negatieve effecten op de gebieden uitgesloten kunnen worden, zowel door de werkzaamheden zelf als voor eventuele effecten van stikstofdepositie door de werkzaamheden op natuurgebieden.
Aan de hand van een veldbezoek, verspreidingsatlassen, overige naslagwerken en lokale waarnemingen wordt een lijst samengesteld van beschermde soorten behorend tot artikel 3.1, 3.5 en 3.10 welke in en in de nabije omgeving van het plangebied zijn waargenomen of potentieel aanwezig zijn. Deze lijst met soorten is een momentopname, is niet limitatief en kan aangevuld worden met beschermde soorten waarvan de aanwezigheid aannemelijk is. Voor deze soorten wordt op basis van het verkennend locatiebezoek de geschiktheid van biotopen in het plangebied beoordeeld. De beoordeling van de aanwezigheid van beschermde planten en dieren in het plangebied resulteert in de vaststelling: Niet aanwezig c.q. afwezig; de soort is niet in de omgeving waargenomen of het plangebied vormt geen geschikt biotoop voor de soort welke in de omgeving waargenomen is; de beoordeling van de afwezigheid wordt uitsluitend in uitzonderingen behandeld; soorten welke op de inventarisatielijst zijn opgenomen en niet worden behandeld, worden per definitie beoordeeld als niet aanwezig c.q.
afwezig; niet uit te sluiten; de soort is in de omgeving waargenomen of kan op basis van betrouwbare bronnen* verwacht worden en het plangebied vormt geschikt biotoop voor verblijfplaatsen of andere functionele onderdelen van de leefomgeving van de soort; aanwezig: de soort is tijdens het locatiebezoek waargenomen of de soort is in het plangebied waargenomen op basis van betrouwbare bronnen*. *Betrouwbare bronnen zijn minder dan 3 jaar oude gegevens van overige ter zake kundigen en de NDFF.
22099/AQT301FF/MV Definitieve rapportage 5 juli 2022
6
2.6
Effectbeoordeling en toetsing Voor de aanwezige beschermde soorten of beschermde soorten waarvan de aanwezigheid niet uitgesloten kan worden, worden de effecten van de voorgenomen handelingen beoordeeld en getoetst aan de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming en de zorgplicht. De toetsing is gericht op aantasting en verstoring van individuen en hun functionele leefomgeving en mogelijke effecten op nabijgelegen natuurgebieden. De toetsing is afhankelijk van de kwetsbare periode waarin handelingen een effect kunnen hebben. Vervolgens wordt beoordeeld of aantasting van individuen en hun functionele leefomgeving een effect heeft op de gunstige staat van instandhouding van de regionale of landelijke populatie. Per soortgroep worden de handelingen getoetst aan de verbodsbepalingen en de zorgplicht. Per beschermingscategorie worden hierbij verschillende toetsingskaders gehanteerd (zie tabel 2.1). Tabel 2.1. Toetsingskader per beschermingscategorie. Categorie
Artikel 3.1-3.4 & Artikel 3.53.9 (Vogelrichtlijn & Habitatrichtlijn)
Artikel 3.10-3.11 (Nationaal beschermde soorten)
Alle planten en dieren (Zorgplicht)
22099/AQT301FF/MV Definitieve rapportage 5 juli 2022
Toetsingskader Effecten dienen te allen tijde voorkomen te worden. Indien effecten op beschermde soorten niet uitgesloten kunnen worden, dient de omvang van de mogelijke effecten inzichtelijk gemaakt te worden middels vervolgonderzoek. Voor handelingen in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en bestendig beheer, geldt een vrijstelling voor overtreding van de verbodsbepalingen, mits de handelingen uitgevoerd worden conform een goedgekeurde gedragscode. Indien het niet mogelijk is om conform een gedragscode te werken, dan dient ontheffing aangevraagd te worden. Iedere afzonderlijke provincie heeft algemene soorten uit deze categorie vrijgesteld van ontheffingsplicht (zorgplicht is wel van toepassing). Indien deze soorten niet zijn vrijgesteld dienen effecten te allen tijde voorkomen te worden. Indien effecten op beschermde soorten niet uitgesloten kunnen worden, dient de omvang van de mogelijke effecten inzichtelijk gemaakt te worden middels vervolgonderzoek. Voor handelingen in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en bestendig beheer, geldt een vrijstelling voor overtreding van de verbodsbepalingen, mits de handelingen uitgevoerd worden conform een goedgekeurde gedragscode. Indien het niet mogelijk is om conform een gedragscode te werken, dan dient ontheffing aangevraagd te worden.
In het kader van de zorgplicht dienen schadelijke effecten zoveel als redelijkerwijs verwacht kan worden voorkomen te worden, beperkt te worden of ongedaan gemaakt te worden.
7
3
PLANGEBIED
3.1
Ligging
Het plangebied is gelegen aan de Geerweg 13 te Nootdorp, in de gemeente Pijnacker-Nootdorp in de provincie Zuid-Holland. Het plangebied betreft een woonhuis met een kas, schuur en tuin in een overgang van stedelijke naar landelijke omgeving. Zie figuur 3.1 voor de ligging en de begrenzing van het plangebied.
Figuur 3.1. Ligging en begrenzing van het plangebied Geerweg 13 te Nootdorp (rood omkaderd).
Ten noorden van het plangebied ligt een sloot en een lage dijk waar de Molenaar Blonkweg achter ligt. Ten oosten van het plangebied staan andere woningen met tuinen aan de Geerweg, die ten zuiden van het plangebied loopt. Achter de Geerweg en ten westen van het plangebied staan meer woningen. Achter de woningen ten zuiden van het plangebied ligt een sloot parallel aan de Geerweg.
3.2
Bestaande situatie
Het plangebied betreft een woonhuis met een schuur, een kas en een tuin met een oppervlakte van circa 170 m2 totaal. Het woonhuis heeft één bouwlaag en heeft het bouwjaar 1960. De voor- en zijgevels bestaan uit vertikalen houten planken die op verschillende plekken aan het rotten zijn. De oostgevel bestaat van de onderste 10 cm uit beton en daarboven ook houten planken. De achtergevel bestaat uit horizontale houten planken. Het huis heeft geen spouwmuur. Voor de ramen aan de zuid- en westkant hangen luifels. Tussen de luifels en de gevels is een spleet aanwezig. Het huis heeft een stomphoekig zadeldak met een bitumen bedekking en een houten dakoverstek met wat kleine kieren tussen de planken. De houten schuur zit vast aan de noordoostkant van het woonhuis. De muur aan de oostkant van de schuur is bedekt met een dunne laag riet. De schuur heeft een plat dak, ook met een bitumen dakbedekking. De kas is gemaakt van aluminium en glas. Deze is gelegen aan de oostkant van het woonhuis en aan zuidkant van de schuur. De tuin is voor een groot deel omringd door coniferen. Aan de zuidkant van de tuin staat een wilg. Aan de noordoostkant van de tuin is een terrasje gelegen met daarachter riet aan de sloot. 22099/AQT301FF/MV Definitieve rapportage 5 juli 2022
8
Zie voor een impressie van het plangebied de afbeeldingen in figuur 3.2.
Figuur 3.2. Impressie van het plangebied. Linksboven: De Geerweg 13 met het woonhuis links en de tuin rechts; Rechtsboven: De tuin met de kas (toekomstige Geerweg 15); Linksonder: het terrasje met rietbegroeiing waar de sloot achter loopt; Rechtsonder: Het woonhuis met de voordeur.
3.3
Beoogde situatie en activiteiten De activiteitenomschrijving is opgesteld aan de hand van plattegronden, ontwerptekeningen en de mondeling en schriftelijk door de opdrachtgever verstrekte informatie. Het woonhuis, de schuur en de kas worden gesloopt. Ook worden een aantal coniferen verwijderd en een wilg omgekapt. In de plaats hiervan wordt een twee-onder-één-kapwoning gebouwd. De Geerweg 13 zal in de nieuwe situatie veranderen naar Geerweg 13 & Geerweg 15. Deze activiteiten vormen de basis van de toetsing aan de Wet natuurbescherming.
22099/AQT301FF/MV Definitieve rapportage 5 juli 2022
9
Figuur 3.3. De plannen voor de twee-onder-één kapwoning.
22099/AQT301FF/MV Definitieve rapportage 5 juli 2022
10
3.4
Veldbezoek Het plangebied is bezocht in de ochtend van 21 juni 2021. De weersomstandigheden tijdens dit oriënterend onderzoek waren droog, onbewolkt met een temperatuur van 16°C, windkracht 2 Bft uit het zuidoosten. Tijdens de inventarisatie zijn aanwezige natuurwaarden in het plangebied bekeken. Beschermde soorten worden alleen op basis van regionale verspreidingsgegevens en het ontbreken van geschikte habitat uitgesloten, anders worden ze meegenomen in de toetsing.
22099/AQT301FF/MV Definitieve rapportage 5 juli 2022
11
4
RESULTATEN GEBIEDSBESCHERMING Onderstaand wordt bepaald wat de afstand is van het plangebied tot beschermde natuurgebieden of gebieden die behoren tot een ecologische verbindingszone en wordt getoetst of de geplande activiteiten mogelijk een negatief effect kunnen hebben op deze beschermde natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Indien er schade op kan treden, dan wordt aangegeven of hiervoor aanvullende maatregelen en/of een ontheffing noodzakelijk zijn/is.
4.1
Natura 2000-gebieden
Het Natura 2000-gebied ‘Mijendel & Berkheide’ bevindt zich op circa 9 km afstand ten noordwesten van het plangebied, zie figuur 4.1. Andere Natura 2000-gebieden liggen op grotere afstand.
Figuur 4.1. Positie van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden.
Het Natura 2000-gebied ‘Meijendel & Berkheide’ bestaat uit een brede duinstrook met een gevarieerd en uitgestrekt, kalkrijk duinlandschap, dat reliëfrijk en afwisselend is. Het landschap heeft een kenmerkende opbouw van evenwijdige duinenrijen met opeenvolgende hoge paraboolduinen en moerassige laagten met struweel, waarin grote valleien liggen zoals Kijfhoek, Bierlap en de vallei Meijendel. Negatieve effecten door de geplande ontwikkeling worden door de afstand en de tussenliggende infrastructuur uitgesloten. Nader onderzoek in het kader van gebiedsbescherming is niet noodzakelijk. Stikstofdepositie Stikstofdepositie is de hoeveelheid stikstof, die in de vorm van NO X (stikstofoxiden) of NH3 (ammoniak), neerdaalt op de bodem. Verschillende bronnen, zoals bouwwerktuigen, verkeer en mest, hebben een stikstofuitstoot. In Nederland is in 118 van de 161 Natura 2000-gebieden, de stikstofdepositie hoger bevonden dan ten minste één habitat of soort kan verdragen. Een verdere toename van de stikstofdepositie kan leiden tot ‘significante effecten’ op de beschermde natuurgebieden, wat alleen is toegestaan met een Wet natuurbescherming vergunning 1. Met het aannemen van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering, ook wel ‘Stikstofwet’ genoemd, op 9 maart 2021 is een partiële vrijstelling opgenomen in de Wet natuurbescherming voor bouw-,
22099/AQT301FF/MV Definitieve rapportage 5 juli 2022
12
sloop- en aanlegactiviteiten in de bouwsector. Deze Wet is per 1 juli 2021 in werking getreden. De vrijstelling is partieel, omdat deze alleen geldt voor tijdelijke stikstofemissies tijdens de bouw, sloop en aanleg (hierna: “bouwfase”) en niet voor structurele stikstofemissies in de gebruiksfase van het bouwwerk of werk als gevolg van bijvoorbeeld bewoning, gebruik van utiliteitsbouw of verkeer dat over een weg rijdt (hierna: “gebruiksfase”). De vrijstelling is tevens partieel, omdat deze alleen geldt voor de gevolgen van stikstofdepositie en niet voor ándere significante gevolgen, zoals de verstoring door licht, geluid en trillingen en oppervlakteverlies van habitatten en effecten op grondwaterstanden. Dit betekent dat in de vergunningverlening van (bijvoorbeeld) een woningbouwproject alleen nog gekeken wordt naar de structurele stikstofemissies en -depositie tijdens de gebruiksfase van het project. Er moet dus nog steeds onderzocht worden wat de gevolgen zijn voor de structurele stikstofemissies in de gebruiksfase en de effecten van de bijbehorende depositie op de betrokken Natura 2000-gebieden. Hieruit komt naar voren of er een vergunning nodig is op grond van de Wet natuurbescherming (hierna: “Wnb”).
Vanuit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) artikel 7.19a moeten bij het verrichten van bouwen sloopwerkzaamheden adequate maatregelen getroffen worden om de emissie van stikstofverbindingen naar de lucht te beperken als voor het bouwwerk een omgevingsvergunning nodig is of als er een melding nodig is omdat de hoeveelheid sloopafval naar redelijke inschatting meer is dan 10 m3. Deze maatregelen moeten worden beschreven bij een bouwmelding en een sloopmelding. Kortom, een stikstofdepositieberekening ten behoeve van de beoogde werkzaamheden (bouwfase) is niet noodzakelijk door de partiële vrijstelling voor stikstofuitstoot tijdens de bouw-, sloop- en aanlegwerkzaamheden. Er is een stikstofdepositieberekening nodig voor de gebruiksfase, omdat er verandering in gebruik van het plangebied zal optreden ten opzichte van het huidige.
4.2
Ecologische verbindingszones
Het plangebied is niet gelegen binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) 2, zie figuur 4.2. Het plangebied bevindt zich op circa 1,5 km van een ecologisch belangrijk gebied dat deel uitmaakt van het NNN. Het betreft hier het Balij en Bieslandse Bos ten zuiden van het plangebied. Het NNN kent geen externe werking. Negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. Nadere toetsing in het kader van de Wet Natuurbescherming is niet noodzakelijk.
Figuur 4.2. Positie van het plangebied ten opzichte van het NNN.
22099/AQT301FF/MV Definitieve rapportage 5 juli 2022
13
4.3
Houtopstanden In de Wet natuurbescherming geldt een bescherming van houtopstanden die groter zijn dan 10 are, (1000 m2) en op rijbeplanting van meer dan 20 bomen. Deze regel is enkel van toepassing op een bos of bomenrij buiten de bebouwde kom. Er zal één boom binnen het plangebied worden verwijderd. Houtopstanden die worden verwijderd op erven of in tuinen zijn een uitzondering op de regel voor meldingsplicht bij de provincie. Een meldingsplicht bij de provincie Zuid-Holland is niet noodzakelijk.
22099/AQT301FF/MV Definitieve rapportage 5 juli 2022
14
5
RESULTATEN SOORTBESCHERMING In dit hoofdstuk worden eventuele effecten van de geplande werkzaamheden op aanwezige natuurwaarden uitgewerkt. Daarnaast wordt antwoord gegeven op de vraag of, en zo ja, in welke mate beschermde plant- en diersoorten, beschermd door de Wet natuurbescherming, door de beoogde activiteiten kunnen worden geschaad. Indien er schade op kan treden, dan wordt aangegeven of hiervoor aanvullende maatregelen en/of een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is/zijn.
5.1
Vaatplanten
5.2
Vogels
5.2.1
Het plangebied is tijdens het uitvoeren van het oriënterend veldbezoek gecontroleerd op mogelijk aanwezige beschermde vaatplanten. Deze zijn niet aangetroffen. Zowel op basis van verspreidingsgegevens als het onderhoud in het plangebied, worden beschermde vaatplanten niet verwacht3. De aanwezigheid van beschermde flora kan daarom redelijkerwijs worden uitgesloten. Nader onderzoek naar de aanwezigheid van deze soort is noodzakelijk.
Alle broedende vogels, hun broedplaatsen en de functionele omgeving van de broedplaatsen zijn beschermd. Daarnaast zijn rust- en verblijfplaatsen én de functionele omgeving van een aantal vogelsoorten jaarrond beschermd1. In het plangebied worden algemeen broedende vogels verwacht.
Vogels met jaarrond beschermde verblijfplaats
Op basis van verspreidingsgegevens11 is gebleken dat in de omgeving van de Geerweg, nr. 13 de gierzwaluw en huismus behorend tot de categorie 1-4 (jaarrond beschermde vaste verblijfplaats) voorkomen. De gierzwaluw nestelt in gebouwen, onder de dakgoot, achter de regenpijp, onder dakpannen, of in een gat in de muur en ook wel in neststenen. De huismus nestelt onder dakpannen, in gaten en kieren van gebouwen, in mussenkasten of dicht struweel. Het plangebied is niet geschikt voor deze soorten. Er zijn enkele holtes onder de dakgoot. Deze zijn echter te laag voor de gierzwaluw om in en uit te vliegen en ook zijn de houten planken aan het rotten. De ruimte achter de planken is te vochtig om te gebruiken als nestplaats, ook voor de huismus of andere soorten. Het gebouw heeft geen dakpannen of andere geschikte plaatsen voor de gierzwaluw en huismus. De aanwezigheid van vaste rust- en/of verblijfplaatsen voor gierzwaluwen en huismussen kan daarom worden uitgesloten. Nadere toetsing aan de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. De bomen in het plangebied zijn niet geschikt voor uilen en/of roofvogels. Tijdens het veldbezoek is er in de bomen in het plangebied en de directe omgeving gezocht naar oude nesten. Er zijn geen nesten van uilen en/of roofvogels aangetroffen in de bomen die gerooid gaan worden of de bomen in de omgeving.
Daarnaast zijn geen (oude) nesten in omliggende bomen waargenomen die mogelijk van een roofvogel en/of uil zouden kunnen zijn. Het plangebied is ook geen essentieel foerageergebied voor roofvogels en/of uilen in de buurt omdat er genoeg groene omgeving in de buurt aanwezig is die als foerageergebied kan dienen voor de roofvogels en/of uilen. In de boom die gekapt gaat worden kan de aanwezigheid van vaste rust- en/of verblijfplaatsen van de uilen en/of roofvogels worden uitgesloten. Nadere toetsing aan de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk.
5.2.2
Vogels uit categorie 5
Van de vogelsoorten met een verblijfplaats uit de categorie 5 zijn verschillende vogels binnen het plangebied te verwachten zoals ekster, blauwe reiger, koolmees, pimpelmees en zwarte kraai. Nesten van categorie 5-soorten zijn jaarrond beschermd wanneer specifieke ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen1. In dit geval wordt het plangebied gebruikt als foerageergebied en als nestgelegenheid. In holtes in het groen nestelen naar verwachting holtebroeders als koolmees en pimpelmees. Echter is er in de omgeving voldoende alternatief en zijn er geen redenen om de nesten jaarrond te beschermen. Wel zijn de vogels en hun nesten beschermd tijdens het broeden. Blauwe reiger kan in het gebied voorkomen om bij de oever te foerageren. Deze oever zal echter onaangetast blijven en nog steeds als foerageergebied kunnen dienen voor eventueel voorkomende blauwe reigers. Eksternesten en kraaiennesten zijn groot en worden (meestal) in de vork van een tak van een hoge boom gebouwd. Ze kunnen meerdere nesten bouwen en er maar een gebruiken. Deze nesten zijn niet waargenomen en er staan ook geen hoge bomen in het plangebied. Deze soorten zullen dus niet in het plangebied nesten maar alleen foerageren. In de omgeving is voldoende alternatief voor de koolmees en pimpelmees en daarom zijn er geen redenen om de nesten jaarrond te beschermen.
Ook is er voldoende foerageergebied in de omgeving voor de kraai en ekster. Nadere toetsing aan de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk.
22099/AQT301FF/MV Definitieve rapportage 5 juli 2022
15
5.2.3
Algemene (broed)vogels In en rondom het plangebied zijn algemene vogelsoorten te verwachten zoals wilde eend, krakeend, meerkoet, grasmus, winterkoning, houtduif, heggemus, merel en kauw. Het groen in het plangebied is geschikt als broedlocatie voor algemene vogels. Het groen en water in het plangebied is geschikt als broedlocatie voor algemene vogels. De kauw maakt gebruik van holen in bomen om hun nest in te bouwen. De houtduif maakt hun nesten in bomen. De merel maakt gebuikt van lage bomen en struweel om een nest in te bouwen. De grasmus en heggemus maken hun nesten in lage struweel. De winterkoning maakt een bolvormig nest en kan dit in struweel, boomholtes, nestkasten en andere locaties maken. De wilde eend en krakeend broeden op de grond nabij water. De meerkoet bouwt een drijvend nest op het water en de nijlgans broedt in boomholtes of onder struik/boom bij het water. Alle vogels zijn tijdens het broeden beschermd en mogen dan niet verstoord worden 1. Er wordt aanbevolen om buiten het broedseizoen (grofweg van maart t/m juli) te werken. Indien er binnen het broedseizoen gewerkt wordt, dient voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelcontrole plaats te vinden. Nadere toetsing aan de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk.
5.3
Grondgebonden zoogdieren
Op basis van verspreidingsgegevens en het geschikte habitat is niet uit te sluiten dat de waterspitsmuis in de sloot ten noorden van het plangebied voor kan komen 1,4. Wanneer er niet aan de sloot wordt gewerkt zullen de werkzaamheden geen effect hebben op de waterspitsmuis. Wanneer er wel aan de sloot gewerkt wordt is nader onderzoek naar de waterspitsmuis vereist. Het oriënterend onderzoek wijst uit dat het plangebied geschikt is voor nationaal beschermde zoogdiersoorten zoals dwergspitsmuis, veldspitsmuis, veldmuis, huisspitsmuis, vos, egel en woelrat. Voor nationaal beschermde zoogdiersoorten dwergspitsmuis, veldspitsmuis, veldmuis, huisspitsmuis, vos, egel en woelrat geldt binnen de provincie Zuid-Holland een vrijstelling in het kader van de Wet natuurbescherming1. De zorgplicht blijft echter wel van kracht. Ook kunnen er binnen het plangebied algemene zoogdiersoorten voorkomen als bruine rat, mol, zwarte rat en huismuis, deze soorten zijn landelijk vrijgesteld.
5.4
Vleermuizen Hoewel vleermuizen zoogdieren zijn, worden deze vanwege hun afwijkende eigenschappen als afzonderlijke groep behandeld. Alle soorten vleermuizen zijn beschermd binnen de Wet natuurbescherming1. Vleermuizen maken binnen hun netwerk gebruik van vaste verblijfplaatsen, foerageergebieden en vliegroutes. Deze vaste rust- en verblijfplaatsen zijn jaarrond beschermd, ook als de dieren op dat moment niet aanwezig zijn. Daarnaast is de functionele leefomgeving van vleermuizen beschermd. Dit zijn de vaste vliegroutes en essentiële foerageergebieden, die nodig zijn om een verblijfplaats te laten functioneren.
5.4.1
Verblijfplaatsen
In het plangebied staan geen bouwwerken die geschikt zijn voor gebouwbewonende vleermuizen zoals de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. De bebouwing heeft geen stenen gevels met open stootvoegen. De bebouwing heeft wel enkele kieren tussen de houten planken. Deze houten planken en de ruimte hierachter is echter te vochtig en aan het rotten waardoor het niet geschikt is voor de genoemde vleermuis soorten. Nadere toetsing aan de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. In het plangebied zijn bomen aanwezig die geen geschikte holtes bevatten die kunnen dienen als vaste rust- en/of verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen zoals de watervleermuis, ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis. De aanwezigheid van vaste rust- en/of verblijfplaatsen voor boombewonende vleermuizen kan worden uitgesloten. Nadere toetsing aan de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk.
5.4.2
Foerageergebied en vliegroute
Het plangebied en de omgeving van het plangebied zijn geschikt als foerageergebied en niet als vliegroute voor vleermuizen. Vleermuizen maken gebruik van lijnvormige structuren als vliegroute zoals watergangen en bomenrijen. Het plangebied bevat geschikte lijnvormige structuren die kunnen dienen als vliegroute voor vleermuizen. Bij de kap van de boom zullen geen grote onderbrekingen ontstaan in bomenrijen. De kap heeft geen negatieve effecten op de eventuele aanwezige (vaste) vliegroutes. Door de kap van de boom en het rooien van de enkele planten zal geen afbreuk gedaan worden aan de
22099/AQT301FF/MV Definitieve rapportage 5 juli 2022
16
foerageermogelijkheden voor vleermuizen. De waterlichamen ten noorden en oosten van het plangebied zijn geschikte foerageergebieden. Door de werkzaamheden zal geen essentieel foerageergebied verloren gaan. Nadere toetsing aan de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk.
5.5
Amfibieën
Uit de landelijke verspreidingsgegevens komt naar voren dat in de omgeving van het plangebied geen strikt beschermde amfibieën voorkomen 5. Vanwege het ontbreken van geschikt habitat en de ligging in stedelijk gebied worden deze redelijkerwijs ook niet verwacht. De aanwezigheid van strikt beschermde amfibieën kan worden uitgesloten. De ruigtes/groenstroken en watergangen in het plangebied zijn geschikt voor algemene amfibieënsoorten (beschermd volgens art. 3.10 Wet natuurbescherming) als bruine kikker, bastaardkikker en gewone pad. Voor deze soorten geldt in de provincie Zuid-Holland een vrijstelling in het kader van de Wet natuurbescherming. De zorgplicht blijft echter wel van kracht.
5.6
Reptielen Uit de landelijke verspreidingsgegevens komt naar voren dat in de omgeving van het plangebied geen beschermde reptielen voorkomen5. Vanwege het ontbreken van geschikt habitat worden deze redelijkerwijs ook niet verwacht. De aanwezigheid van (strikt) beschermde reptielen kan worden uitgesloten.
5.7
Vissen Uit de landelijke verspreidingsgegevens blijkt dat in de omgeving van de het plangebied geen (strikt) beschermde vissoorten voorkomen5. In het plangebied zijn geen watergangen of ander open water aanwezig die geschikt zijn voor algemene vissoorten. De sloot ten noorden van het plangebied staat niet in contact met een groter waterlichaam of watergang. Ook is het te ondiep voor vissen om hier voor te komen. Negatieve effecten op vissen zijn uitgesloten. Nader onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk.
5.8
Overige beschermde soorten
Van de ongewervelden zijn naast vlinders en libellen, enkele kevers (vliegend hert, brede geelrandwaterroofkever, gestreepte waterroofkever, heldenbok, juchtleerkever, vermiljoenkever), weekdieren (platte schijfhoren, Bataafse stroommossel) en een kreeftachtige (rivierkreeft), beschermd door de Wet natuurbescherming1,6,7. Het plangebied en directe omgeving voorzien voor geen van deze soorten in geschikt habitat. Het voorkomen van beschermde ongewervelden kan hierdoor redelijkerwijs worden uitgesloten. Er is geen sprake van een nadere toetsing aan de Wet natuurbescherming. Indien er tijdens de werkzaamheden waterdelen worden gedempt en er uitheemse rivierkreeften aangetroffen worden, dienen deze naderhand en in hetzelfde water terug geplaatst te worden. Indien dit niet mogelijk is, dienen de uitheemse rivierkreeften op humane wijze te worden gedood.
22099/AQT301FF/MV Definitieve rapportage 5 juli 2022
17
6
CONCLUSIES EN ADVIES In opdracht van de heer R. Visser heeft Aqua-Terra Nova bv een onderzoek uitgevoerd naar de consequenties van natuurwetgeving op de geplande werkzaamheden met betrekking tot het project aan de Geerweg 13 & 15 te Nootdorp. Op basis van een locatiebezoek en een literatuurstudie is geïnventariseerd welke beschermde soorten er in het plangebied aanwezig kunnen zijn. Aan de hand van de projectbeschrijving is getoetst of de geplande activiteiten in strijd kunnen zijn met de Wet natuurbescherming. De conclusies van de toetsing worden in dit hoofdstuk gegeven.
6.1
Gebiedsbescherming
6.2
Soortenbescherming
Op grond van dit onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken: • Het plangebied bevindt zich op circa 9 km van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Meijendel & Berkheide’. Negatieve effecten van de werkzaamheden op het Natura-2000gebied kunnen worden uitgesloten. Een nadere toetsing in het kader van gebiedsbescherming is niet noodzakelijk. • Het plangebied bevindt zich op circa 1,5 km van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Negatieve effecten op het NNN kunnen worden uitgesloten. Een nadere toetsing is niet noodzakelijk. • Houtopstanden die worden verwijderd op erven of in tuinen zijn een uitzondering op de regel, een meldingsplicht bij de provincie Zuid-Holland is niet noodzakelijk voor het verwijderen van de boom in de tuin.
In tabel 6.1 zijn de benodigde vervolgstappen conform de Wet natuurbescherming per soortgroep aangegeven. In tabel 6.2 wordt de betekenis van de kleurencode weergegeven. Tabel 6.1. Overzicht beschermde soorten Soortgroep
Wet
Geadviseerde vervolgstappen
Vaatplanten Beschermde soorten Algemene soorten Vogels Soorten met jaarrond beschermde verblijfplaats Categorie 5 soorten Algemene soorten
Wnb 3.5 of 3.10 Wnb 1.11
Aanwezigheid uitgesloten. Werken conform zorgplicht.
Wnb 3.1
Aanwezigheid uitgesloten.
Wnb 3.1 Wnb 3.1
Werken conform zorgplicht. Verstoring broedende vogels voorkomen.
Beschermde soorten
Wnb. 3.5 of 3.10
Werken conform de genoemde maatregelen in verband met werkzaamheden aan de sloot en het voorkomen van de waterspitsmuis.
Algemene en vrijgestelde soorten
Wnb 1.11
Werken conform zorgplicht.
Verblijfplaatsen
Wnb 3.5
Aanwezigheid uitgesloten.
Vliegroutes en foerageergebied
Wnb 3.5
Grondgebonden zoogdieren
Vleermuizen
Amfibieën Beschermde soorten
Wnb 3.5 of 3.10
Aanwezigheid uitgesloten.
Algemene en vrijgestelde soorten
Wnb 1.11
Werken conform zorgplicht.
Wnb 3.5 of 3.10
Aanwezigheid uitgesloten.
Reptielen Beschermde soorten Vissen Beschermde soorten Algemene soorten Overige soorten Beschermde soorten
22099/AQT301FF/MV Definitieve rapportage 5 juli 2022
Wnb 3.5 of 3.10 Wnb 1.11 N.v.t.
Aanwezigheid uitgesloten. Aanwezigheid uitgesloten. Aanwezigheid uitgesloten.
18
Tabel 6.2. Betekenis kleurencodes.
6.3
Kleur
Betekenis
Groen
Werkzaamheden kunnen uitgevoerd worden met inachtneming van de algemene zorgplicht. Verdere vervolgstappen zijn niet noodzakelijk.
Geel
Werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd mits maatregelen genomen worden of conform een goedgekeurde gedragscode gewerkt wordt. Indien negatieve effecten niet uitgesloten kunnen worden is nader onderzoek noodzakelijk.
Rood
Nader onderzoek naar de aanwezigheid van beschermde soorten, functie van het plangebied voor de betreffende soorten en de invloed van het project op individuen en de gunstige staat van instandhouding van de soort is noodzakelijk. Indien uit het onderzoek blijkt dat betreffende soort aanwezig is en negatieve effecten niet uit te sluiten dan wel te voorkomen zijn dient ontheffing aangevraagd te worden.
Advies en vervolgstappen
De beoogde werkzaamheden betreft het slopen van het woonhuis, de schuur en de kas aan de Geerweg 13 te Nootdorp. Ook worden een aantal coniferen verwijderd en een wilg omgekapt. In de plaats hiervan wordt een twee-onder-één-kapwoning gebouwd. De Geerweg 13 zal in de nieuwe situatie veranderen naar Geerweg 13 & Geerweg 15 te Nootdorp.
6.3.1
Broedvogels
6.3.2
Vleermuizen
Alle in Nederland broedende vogels en hun eventuele nesten zijn strikt beschermd en mogen tijdens het broeden niet verstoord worden. De meeste vogels broeden in de periode maart tot en met juli. Echter zijn vogels welke buiten deze periode broeden ook te allen tijde beschermd. Indien werkzaamheden in de periode maart t/m juli moeten worden uitgevoerd, dient de aanwezigheid van broedende vogels voorafgaand aan de werkzaamheden gecontroleerd te worden. Indien vogelnesten of broedende vogels aangetroffen worden, dienen de werkzaamheden nabij het nest of broedplaats uitgesteld te worden totdat de jongen vliegvlug zijn of dient er een verstoringsvrije zone rond de broedplaats opgesteld te worden. Er wordt geadviseerd de werkzaamheden tussen zonsopkomst en zonsondergang uit te voeren om zo overvliegende en/of foeragerende vleermuizen niet te verstoren. Indien dit niet mogelijk is, dient uitstraling van verlichting naar de omgeving voorkomen te worden. Ook kan ervoor gekozen worden om in de periode te werken wanneer vleermuizen in winterslaap zijn. De winterslaap van vleermuizen duurt grofweg van november t/m maart, maar is afhankelijk van soort en weersomstandigheden.
6.3.3
Natuurinclusief bouwen Om de natuur voldoende ruimte te geven is het advies om de nieuwbouw natuurinclusief te bouwen. De gemeente Amsterdam heeft een brochure beschikbaar met mooie voorbeelden, zie https://openresearch.amsterdam/nl/page/47014/handboek-natuurinclusief-bouwen
6.3.4
Zorgplicht
6.4
Geldigheid
Te allen tijde dient er rekening gehouden te worden met de algemene zorgplicht, artikel 1.11 Wet natuurbescherming. Dit houdt in dat er altijd rekening met in het wild levende dieren en planten gehouden moet worden. Tijdens de werkzaamheden moet gelet worden op de aanwezigheid van planten en dieren en moet voorkomen worden dat deze onnodig gedood, verwond of aangetast worden. Alle dieren, ook de niet beschermde soorten, moeten de ruimte krijgen om te kunnen vluchten en zichzelf in veiligheid te brengen.
Afhankelijk van de tijd tussen dit onderliggende onderzoek en de werkzaamheden, kan een actualiserend of aanvullend onderzoek noodzakelijk zijn. De conclusies van dit onderzoek zijn drie jaar geldig.
22099/AQT301FF/MV Definitieve rapportage 5 juli 2022
19
7
REFERENTIES 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Ministerie van Economische zaken. Wet natuurbescherming. (2016). Rijksoverheid. Begrenzing van het Natuurnetwerk en de Natura 2000-gebieden. (2018). FLORON. Zoogdiervereniging. RAVON. Vlinderstichting. EIS kenniscentrum insecten en andere ongewervelden.
22099/AQT301FF/MV Definitieve rapportage 5 juli 2022
20