Bijlage 5: Formats maatregelen participatie
Tekst van het document
Maatregel 1 - Praktijkleren Waarom nemen we deze maatregel? Landelijk stijgt het gemiddeld aantal jongeren (18 t/m 27 jaar) in de bijstand. Ook in onze gemeente zien wij deze trend: waar in 2021 nog 14% van de bijstandsdossiers uit jongeren bestond, steeg dit in 2025 naar 19%. De maatregel ‘praktijkleren’ is een innovatieve en laagdrempelige manier om vakgerichte scholing te bevorderen voor jongeren die een verhoogd risico hebben in de bijstand terecht te komen. Jongeren leren in de praktijk bij een erkend leerbedrijf werkprocessen te beheersen (die onderdeel uitmaken van een mbo-opleiding) en kunnen daarmee een praktijkverklaring opdoen. Met het behalen van één of meer praktijkverklaring(en) hebben zij meer kans op een baan. Daarnaast ziet de gemeente dat wanneer praktijkverklaring vaak zorgt dat jongeren alsnog een startkwalificatie halen waardoor hun arbeidspositie nog meer wordt versterkt. De doelgroep bestaat uit werkzoekenden en werkenden zonder startkwalificatie, voor wie het behalen van een volledig mbo-diploma (incl. entreeopleiding) of een mbo-certificaat vooralsnog niet haalbaar lijkt. Bij de uitvoering van deze maatregel leggen we focus op de doelgroep jongeren tot 27 jaar waar uitval van de BOL/ BBL opleiding dreigt. Naast de maatschappelijke meerwaarde die praktijkleren biedt voor deze doelgroep brengt dit ook kostenbeheersende voordelen mee voor de gemeente.
Deze innovatieve maatregel zorgt ervoor dat jongeren, die anders mogelijk in een uitkering terecht zouden komen, sterker staan op de arbeidsmarkt. Naast de psychosociale voordelen voor de jongeren betekent dit dat de gemeente minder kosten heeft aan uitkeringen. Wat is het inhoudelijke effect van de maatregel? Beheersen van de gemeentelijke bijstandsuitgaven door preventief te interveniëren op het terugdringen van voortijdig schoolverlaters door inzet van praktijkleren met praktijk-verklaring. Aanpak Praktijkleren met praktijkverklaring is een innovatie gericht op het onder de aandacht brengen bij lokale leerbedrijven waar jongeren stagelopen als onderdeel van de BBL/BOL opleiding maar waar afbreuk dreigt. Wat is het beoogde maximale financiële effect dat we van deze maatregel verwachten en op welk moment?
Brutobesparing
2025 - €20.000
2026 €50.000
2027 €50.000
2028 €50.000
- €20.000 €30.000 €30.000 €50.000 Nettobesparing* *Als investering is voor drie jaar een uitbreiding vereist van 0,2 fte om bovenstaand genoemde werkzaamheden uit te voeren (3 jaar 20.000 euro per jaar 2025 t/m 2028) Voorkomen dat vijf jongeren vanwege het niet behalen van een startkwalificatie in een uitkeringssituatie terecht komen. Deels zullen deze jongeren nog thuis wonen en niet in aanmerking komen voor een volledige uitkering. Uitgegaan wordt van een besparing van 10.000 euro per jongere per jaar vanaf 2026. Wat is het verschil ten opzichte van het verleden? De gemeente past op dit moment deze maatregel nog niet toe. Wat is het effect van deze maatregel voor de inwoners?
Kwetsbare jongeren worden ondersteund in het vinden van een passende leerwerkplek waardoor zij praktijkervaring kunnen opdoen. Dit leidt vaak tot het alsnog behalen van een startkwalificatie dat hen een sterkere arbeidspositie geeft. Wat is ervoor nodig om deze maatregel uit te kunnen voeren? Uitbreiding van een bestaande deeltijdfunctie (+ 0,2 fte) voor de duur van drie jaar. Wat zijn de risico’s van deze maatregel voor de inwoners, voor de gemeente, voor anderen? Wanneer deze maatregel niet wordt ingezet is er een risico op kansenongelijkheid voor de inwoners wanneer andere gemeenten wel soortgelijke maatregelen uitvoeren. Wat is de planning en rol van de gemeenteraad? Niet van toepassing, werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd binnen het huidige beleid.
Maatregel 2 – Ondertussengroep van statushouders Waarom nemen we deze maatregel? Doel Door personen uit de 'ondertussengroep' actiever naar betaald werk te begeleiden, worden zij zelfredzamer en beter geïntegreerd in de samenleving. Daarnaast is er door de verlaging van kosten voor levensonderhoud/ bijstand een kostenbesparend effect plaats. De 'ondertussengroep' is een term uit de Wet inburgering 2021 die wordt gebruikt om een specifieke groep inburgeringsplichtigen te omschrijven. Het gaat om personen die op 1 januari 2022 (de invoeringsdatum van de nieuwe wet) al inburgeringsplichtig waren op basis van de vorige wetgeving, namelijk de Wet inburgering 2013, maar hun inburgeringsplicht nog niet hadden afgerond (uitgebreidere toelichting van de term ‘ondertussengroep’ onderaan de maatregel bijgevoegd). Voorgestelde maatregel 1. Verlagen van de gemeentelijke bijstandsuitgaven door personen uit de ‘ondertussengroep’ actiever en duurzamer naar betaald (deeltijd)werk te begeleiden. 2. Betere budgetuitputting van de specifieke uitkering (SPUK) voor inburgeringsvoorzieningen, en onderzoeken in hoeverre dit budget kan worden ‘vrijgespeeld’ dat nodig wordt geacht voor de bekostiging van a). 3.
Subsidieregeling “Ondersteuning werkgevers inzet statushouders” onder de aandacht brengen, waarmee werkgevers voor de arbeidsinschakeling van een eerste statushouder 8.000 euro kunnen aanvragen, voor de tweede statushouder 6.000 euro en voor de derde en vierde statushouder elk 5.000 euro. Wat is het inhoudelijke effect van de maatregel? Aanpak 1. Actiever gebruik maken van het (gecontracteerde) aanbod van voorzieningen op het terrein van activering en re-integratie met als doel de positie van personen uit de ‘ondertussengroep’ op (weg naar) de arbeidsmarkt te versterken. 2. Het matchen van personen op passende voorzieningen waardoor hun positie op de arbeidsmarkt (verder) wordt versterkt of waardoor meer inzicht wordt verworven wat iemand kan/wil op de arbeidsmarkt. 3. Netwerk (lokale) werkgevers/ leerwerkbedrijven (beter) in beeld brengen en beoordelen in hoeverre openstaande vacatures door statushouders kunnen worden vervuld. Wat is het beoogde maximale financiële effect dat we van deze maatregel verwachten en op welk moment?
Investering Netto
2025 €80.000 - €80.000
2026 €80.000 - €30,0000
2027 €40.000 €60.000
2028 €100.000
Totaal €200.000 €40.000
Bovengenoemde investering is voor inzet extra capaciteit. Wij stellen voor om deze te dekken uit de reserve Sociaal domein. Toelichting op opbrengst:
Op dit moment hebben ongeveer 90 personen uit de zogeheten ‘ondertussengroep’[6] een gemeentelijke bijstandsuitkering (waaronder ook een groep van 15 zogeheten ‘Elipers’)[7]. Uitgaande van een jaarlijkse uitkering (incl. vakantie en toeslagen) van 20.000 euro hanteren we volgende berekening als financieringsvoordeel: 10 van de 90 personen worden daadwerkelijk bemiddeld naar een deeltijdbaan en verwerven hiermee inkomen uit arbeid van 10.000 euro (x 10 = 100.000 euro) op jaarbasis. We gaan uit van een evenwichtige spreiding van bemiddelingen over het lopende jaar waardoor een financieringsvoordeel ontstaat van 50.000 euro (100.000 euro x 50%) in het eerste jaar (2026) en telkens 100.000 euro in het tweede (2027) en derde jaar (2028). Verder gaan we ervan uit dat de toeleiding/ bemiddeling naar (deeltijd)werk zonder actieve interventie niet (of significant minder) wordt behaald. Wat is het verschil ten opzichte van het verleden? We intensiveren de begeleiding naar werk van inwoners die vallen onder de verzamelterm Ondertussengroep. Wat is het effect van deze maatregel voor de inwoners? Inwoners maken zich sneller de taal eigen en verhogen hun kansen op betaald werk. 10% van hen stroomt uit naar betaalde deeltijdarbeid. Wat is ervoor nodig om deze maatregel uit te kunnen voeren? Wat hebben we nodig • (Tijdelijk) extra capaciteit voor de duur van max.
2,5 jaar (per jaar: 0,8 fte = ca 80.000 euro per jaar). Wat zijn de risico’s van deze maatregel voor de inwoners, voor de gemeente, voor anderen? De inwoners uit de Ondertussengroep vragen extra inspanning bij de Inburgering en de bemiddeling naar werk. De resultaten van de maatregel zijn onzeker. Wat is de planning en rol van de gemeenteraad?
Bijlage: wat is de ondertussengroep? De 'ondertussengroep' is een term uit de Wet inburgering 2021 die wordt gebruikt om een specifieke groep inburgeringsplichtigen te omschrijven. Het gaat om personen die op 1 januari 2022 (de invoeringsdatum van de nieuwe wet) al inburgeringsplichtig waren op basis van de vorige wetgeving, namelijk de Wet inburgering 2013, maar hun inburgeringsplicht nog niet hadden afgerond. Kenmerken van de ondertussengroep: 1. Valt onder de oude regels: Deze groep blijft onder de regels van de Wet inburgering 2013 vallen. Dat betekent dat zij de keuze hebben om het inburgeringstraject te volgen zoals dat onder die wet is ingericht. 2. Geen directe overgang naar nieuwe wetgeving: Ze worden niet overgezet naar het nieuwe stelsel van de Wet inburgering 2021, waarin gemeenten een grotere regierol hebben. 3. Zelfstandige verantwoordelijkheid: Personen in de ondertussengroep zijn zelf verantwoordelijk voor hun inburgering, bijvoorbeeld door zelf een taalschool te kiezen en examens af te leggen. Waarom deze term? De term 'ondertussengroep' is bedoeld om deze overgangssituatie te markeren. De Wet inburgering 2021 is een fundamentele hervorming van het inburgeringsstelsel, maar er moest een regeling komen voor degenen die al onder de oude wet inburgeringsplichtig waren toen de
nieuwe wet werd ingevoerd. Hierdoor kunnen zij hun traject afronden zonder verplicht te worden om aan de nieuwe eisen te voldoen. Belang voor de praktijk: Voor de ondertussengroep is het belangrijk om te weten dat: • • •
Deze inwoners hun traject volgens de oude regels moeten afronden. Er geen extra ondersteuning of begeleiding vanuit de gemeente is zoals in de nieuwe wetgeving. De deadline van hun inburgeringsplicht ongewijzigd blijft (normaal gesproken drie jaar na de start van hun inburgeringsplicht).
Deze regeling voorkomt dat mensen halverwege hun traject plotseling met nieuwe eisen en regels te maken krijgen.
Maatregel 3 –– Verlagen van individuele inkomenstoeslag Waarom nemen we deze maatregel? Gemeenten hebben bevoegdheid om bij verordening vast te stellen; regels inzake verstrekking van individuele inkomenstoeslag. Het is een verstrekking vanuit de Participatiewet, maar een gemeentelijke invulling krijgt. Vaststelling van bijdragen is geregeld in de verordening met de kanttekening van een jaarlijkse indexatie. We zouden ervoor kunnen kiezen om deze normen te verlagen. Een persoon heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de wet als gedurende de referteperiode het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 100% van de toepasselijke bijstandsnorm. Iemand komt in aanmerking als er aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan, zoals zich de afgelopen 36 maanden voldoende ingespannen om tot een inkomensverbetering te komen. Het is minimaal 12 maanden geleden dat een aanvraag voor individuele inkomenstoeslag (voorheen langdurigheidstoeslag). Wat is het inhoudelijke effect van de maatregel? De normen zouden worden aangepast waardoor er kostenbesparing plaatsvindt. Wat is het beoogde maximale financiële effect dat we van deze maatregel verwachten en op welk moment? Een individuele inkomenstoeslag bedraagt per kalenderjaar voor onze gemeente: a. € 497,- voor een alleenstaande; b. € 635,- voor een alleenstaande ouder; c. € 707,- voor gehuwden.
Dit is gemiddeld een stuk hoger dan de gemeenten Den Haag en Rotterdam hanteren. Den Haag hanteert € 360 voor alleenstaande, € 470 voor alleenstaande ouders, € 600 voor gezin en € 800 voor gezin met minderjarige kinderen. Rotterdam hanteert één tarief van € 120. De totale fictieve uitgaven bij een bereik van deze regeling van 100% is op jaarbasis €329.754. Indien de normen elk met € 100 verlaagd worden, meer in lijn met Rotterdam en Den Haag, dan zou als iedereen een aanvraag doet dit €58.200 besparen. We gaan voor Pijnacker-Nootdorp uit van de ervaringscijfers over het gemiddelde bereik van 45%. Naar boven afgerond komt de geramde besparing daarmee op € 30.000,-.
Netto:
2025 €30.000
2026 € 30.000
2027 € 30.000
2028 € 30.000
Wat is het verschil ten opzichte van het verleden? De normen zouden per toegekende aanvraag met 100 euro verlaagd worden. Wat is het effect van deze maatregel voor de inwoners? De individuele inkomenstoeslag wordt verlaagd. Wat is ervoor nodig om deze maatregel uit te kunnen voeren? De normen moeten worden aangepast. Wat zijn de risico’s van deze maatregel voor de inwoners, voor de gemeente, voor anderen? Kanttekening: 1x per jaar wordt dit bedrag verstrekt waarmee andere kosten kunnen worden voorkomen. De kans is dat de persoon of de kosten via een andere deur weer terugkomen. Denk bijvoorbeeld aan verstrekkingen bijzondere bijstand of als er een lopend traject is binnen schuldhulpverlening Wat is de planning en rol van de gemeenteraad? NVT
Maatregel 4: Onderzoek naar breder inzetten loonkostensubsidie Waarom nemen we deze maatregel? Loonkostensubsidie (LKS) is een re-integratievoorziening waarbij we een bedrag verstrekken aan de werkgever om de verminderde loonwaarde van de werknemer te compenseren. Loonkostensubsidie is bedoeld voor mensen met een arbeidsbeperking, maar kan ook breder worden ingezet. Op dit moment doen we dat nog niet, omdat er voor werkzoekenden zonder arbeidsbeperking andere re-integratie-instrumenten beschikbaar zijn zoals de werkgeverscheque en de praktijkroute en omdat bredere inzet van de LKS voor verdringing van arbeidsbeperkten op de arbeidsmarkt kan zorgen. Gemeenten zoals Den Haag, Rotterdam en Zoetermeer hebben meer ervaring met het breder inzetten van LKS. Bijvoorbeeld voor statushouders met een beperkte beheersing van het Nederlands. Als startpunt voor deze maatregel onderzoeken we wat bij hen werkt, wat zinvol is om over te nemen in Pijnacker-Nootdorp en hoe we hierbij negatieve effecten kunnen beperken. Financieel gezien biedt bredere inzet van de LKS aantrekkelijke kansen, omdat we de kosten (met twee jaar vertraging) terugkrijgen via de BUIG. Ook kan bredere inzet van de LKS mogelijk zorgen voor meer duurzame uitstroom van uitkering naar werk. Deze (potentiële) kansen verdienen het om nader onderzocht te worden.
Team participatie wil hierom een project opstarten dat eerst bestaat uit een onderzoeksfase van een jaar (t/m Q2 2026) met aansluitend een pilotfase van 1 jaar vanaf najaar 2026. Wat is het inhoudelijke effect van de maatregel? Wordt nader uitgewerkt in de, hierboven beschreven, onderzoeksfase. Wat is het beoogde maximale financiële effect dat we van deze maatregel verwachten en op welk moment? Wordt nader uitgewerkt in de, hierboven beschreven, onderzoeksfase. 2025 2026 2027 2028 Bruto: PM PM PM PM Netto: PM PM PM PM Wat is het verschil ten opzichte van het verleden? In het verleden zetten we LKS alleen in voor mensen met een arbeidsbeperking, nu onderzoeken we of dat ook voor niet-arbeidsbeperkten zinvol is. Wat is het effect van deze maatregel voor de inwoners? Meer (werkgevers van) inwoners zullen LKS ontvangen. Wat is ervoor nodig om deze maatregel uit te kunnen voeren? Er wordt voor de pilotfase 1 fte (85.000 euro) gevraagd voor één jaar (Q3 2026 t/m Q2 2027). De onderzoeksfase die vooraf zal plaatsvinden kan gedragen worden binnen de huidig beschikbare capaciteit. Als uit de onderzoeksfase blijkt dat deze maatregel onverhoopt toch niet financieel aantrekkelijk blijkt dan kan gekozen worden om de pilotfase niet voort te zetten en daarmee de 85.000 euro niet te besteden. Dit zorgt ervoor dat deze maatregel een laag risico bevat.
Wat zijn de risico’s van deze maatregel voor de inwoners, voor de gemeente, voor anderen? - Verdringing op de arbeidsmarkt van mensen met een arbeidsbeperking uit P-N; - Verdringing op de arbeidsmarkt van mensen met een arbeidsbeperking uit andere gemeenten (als beleid niet goed regionaal is afgestemd); - Mogelijk alleen een tijdelijke oplossing, waarna mensen weer terugkomen in de bijstand; - Mogelijk komen meer mensen in de doelgroep banenafspraak terecht, zonder dat ze weten wat daar de consequenties van zijn.
-
Er wordt éénmalig tijdelijk geld gevraagd. Als de pilotfase succesvol blijkt is er (nog) geen structureel geld. Wat is de planning en rol van de gemeenteraad? Nader te bepalen.
Maatregel 5 – Onderzoek plaatsingsbeleid sociale huurwoningen Waarom nemen we deze maatregel? We verkennen de mogelijkheden, door middel van dit onderzoek, om meer beleidsvrijheid te creëren en met de beleidsvrijheid die er is/ gevonden wordt, mee invloed uit te oefenen op (het verkleinen van) de instroom in de bijstand (als gemeente, in de regio, en met onze partners). De reden is dat een groot deel van de nieuwe instroom in de bijstand wordt veroorzaakt door mensen die naar onze gemeente toe verhuizen en direct in ons bijstandsbestand worden opgenomen. Wat is het inhoudelijke effect van de maatregel? Door de opties te verkennen ontstaat er een beter beeld van de instroom in de bijstand, en kunnen we op een betere integrale manier kijken naar huisvesting irt het sociaal domein. Mocht de keuze zijn om te werken aan de toegang, dan kunnen we daar ook gerichter beleid op voeren en de uitvoering op (gaan) inrichten. Mocht de keuze zijn om geen vervolg aandacht te geven aan de toegang, dan hebben we in elk geval beter inzichtelijk wat de stijging de komende jaren gaat zijn van mensen die afhankelijk zijn van de bijstand. Dat geeft ook meer inzicht in onze capaciteitsplanning (en uitbereiding) voor de komende jaren van onze uitvoering.
Wat is het beoogde maximale financiële effect dat we van deze maatregel verwachten en op welk moment? 2025 2026 2027 2028 Bruto: €ntb € ntb € ntb €ntb Netto*: -€50.000 € ntb € ntb €ntb Er wordt éénmalig een investering van €50.000 gevraagd voor capaciteit voor de taskforce. Wat is het verschil ten opzichte van het verleden? Onderzoek en inzicht naar het effect van (nieuwe) sociale huur op de groei van het aantal bijstandsgerechtigden in onze gemeente. Wat is het effect van deze maatregel voor de inwoners? Afhankelijk van de vervolgstappen krijgen ‘eigen’ inwoners meer kans op een sociale huurwoning, of is het lastiger voor burgers van buiten de gemeente een sociale huurwoning te verkrijgen in onze gemeente. In 2024 zijn bestond was het aantal uitkeringen 438 (binnen de regulier en statushouders), waarvan 286 regulier (niet-statushouders). Op deze groep kan het (potentiële) plaatsingsbeleid, voortvloeiend uit dit onderzoek, invloed hebben. Voor de statushouders heeft dit geen invloed omdat de gemeente dient te voldoen aan de, door de rijksoverheid gestelde, taakstelling. Wat is ervoor nodig om deze maatregel uit te kunnen voeren? Onderzoek en analyse naar huisvesting in relatie tot het sociaal domein, en vervolgens het uitwerken van de voorstellen/ideeën (zie bijlage).
Gevraagd besluit: Instellen van een huisvesting-sociaal-domein taskforce (beleid en uitvoering) met als opdracht om onderzoek en analyse te doen naar huisvesting en de mogelijkheden om kosten voor het sociaal domein te beheersen. Hierbij wordt een éénmalige investering van 50.000 euro gevraagd om te voorzien in capaciteit. Wat zijn de risico’s van deze maatregel voor de inwoners, voor de gemeente, voor anderen?
Voorlopig nog niet van toepassing. Wat is de planning en rol van de gemeenteraad? Instemmen met onderzoek en daarna besluitvorming over het wel/niet opvolgen van de adviezen daaruit voortkomend.