Bijlage 4 - Nota van zienswijze - geanonimiseerd
Tekst van het document
Nota beantwoording van zienswijzen
Adviesbureau namens aanvragers Reactie: Vigerend bestemmingsplan/toets ruimtelijke ordening. Er wordt ten onrechte getoetst aan de VNG-publicatie. Bovendien wordt voldaan aan de richtafstand van 10 meter, zodat de toets aan de VNG-Brochure “Bedrijven en milieuzonering” helemaal niet aan de orde is. Tenslotte wordt opgemerkt dat de woning Langelandseweg 16 reeds als burgerwoning is bestemd en dus bepalend is voor de milieuruimte voor het bedrijf. Uit het akoestisch rapport blijkt dat het bedrijf kan voldoen aan de geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Antwoord: Hier wordt door gesteld dat aangezien in het bestemmingsplan opgenomen is dat de bedrijfsvoering niet onevenredig mag worden aangetast het aspect van een goede ruimtelijke ordening volledig over het hoofd moet worden gezien. Het aspect goede ruimtelijke ordening is echter van belang om ten behoeve van de betreffende woning een acceptabel woon- en leefklimaat te borgen. Het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning aan de Langelandseweg 18 wordt conform de kwalificatie van het RIVM bestempeld als gedeeltelijk 'matig' en 'redelijk'. Vervolgens wordt gesteld dat wordt voldaan aan de richtafstand uit de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering". Voor het onderzoek is uitgegaan van de perceelgrens van kadastralekaart.com (zie figuur 1).
Uit onderstaand figuur volgt dat de oprit toebehoort aan de inrichting van .
Figuur 1 perceelsgrens glastuinbouwbedrijf (bron: kadastrale kaart.com)
De kortste afstand van de oprit tot de woning aan de Langelandseweg 18 bedraagt circa 8 meter (zie figuur 2). Deze stelling van is derhalve incorrect.
Figuur 2 Weergave afstand perceelsgrens tot woning
Tenslotte wordt door opgemerkt dat de woning aan de Langelandseweg 16 reeds als burgerwoning is bestemd en dus bepalend voor de milieuruimte is. In het kader van het Activiteitenbesluit is dit inderdaad correct. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient uitsluitend de te transformeren woning beschouwd te worden. Reactie: Representatieve bedrijfssituatie. Om op voorhand te voorkomen dat er discussie zou ontstaan over de representatieve bedrijfsomstandigheden is tussen de gemeente en de advocaat afgesproken dat ondergetekende de inventarisatie van Peutz zou bijwonen. Uiteindelijk is telefonisch contact gezocht met de akoestisch adviseur van Peutz. Uit het telefoongesprek bleek dat de inventarisatie al had plaatsgevonden. Hiermee wordt de suggestie gewekt dat de vaststelling van de representatieve bedrijfsomstandigheid niet objectief heeft plaatsgevonden. Antwoord: Allereerst willen wij aangeven dat vanuit de gemeente al die tijd is aangegeven dat zij waarde hecht aan een onafhankelijke rapportage, gezien de onderlinge verhoudingen. stelt hier dat de vaststelling van de representatieve bedrijfssituatie niet objectief heeft plaatsgevonden. De aanwezigheid van bij het locatiebezoek, waarbij de representatieve bedrijfssituatie is vastgesteld en de geluidmetingen hebben plaatsgevonden, zou echter geen enkele
invloed moeten hebben op de door (eigenaar van het glastuinbouwbedrijf) benoemde uitgangspunten. Dat niet aanwezig is geweest bij de bedrijfsinventarisatie komt zoals in het schrijven benoemd doordat het locatiebezoek reeds had plaatsgevonden. Peutz geldt echter als onafhankelijk adviesbureau. Reactie: Vrachtwagenbewegingen. Hier stelt dat Peutz de uitgangspunten (met betrekking tot het modelleren van de vrachtwagenbeweging in de dagperiode) van het akoestisch onderzoek verlaat en doelbewust verdraait. Antwoord: Glastuinbouwbedrijf kent wel een dermate grote afzet dat het transport van amaryllissen en amaryllisbollen met vrachtwagens wordt uitgevoerd. Aangezien is aangetoond dat in de avond- en nachtperiode hier geen transportbewegingen van vrachtwagens kunnen plaatsvinden, is aangenomen dat de benodigde bewegingen aldus in de dagperiode dienen te worden uitgevoerd. Als de vrachtwagenbewegingen dan niet in de avond- en nachtperiode kunnen plaatsvinden is de logische stap om de vrachtwagenbewegingen in dagperiode plaats te laten vinden, immers, de goederen behoeven wel afgezet te worden. Daarbij wordt gesteld dat vrachtwagenbewegingen helemaal niet in de dagperiode kunnen plaatsvinden omdat dit niet past bij de bedrijfsvoering. Deze stelling is onjuist.
Amarylliswekers kunnen de teelt zowel in dag-, avond- als nachtperiode aanleveren bij de veiling en bij gebrek aan mogelijkheden in de avond en nachtperiode wegens grenswaardenoverschrijding onder het Activiteitenbesluit zal dit aldus in de dagperiode dienen te geschieden. Reactie: Berekeningsresultaten toets ruimtelijk spoor (VNG-publicatie). Gesteld wordt dat de bijlagen onvolledig zijn. Antwoord: In de rapportage is vermeld dat het verschil tussen de toetsing in het kader van het Activiteitenbesluit (voor agrarische bedrijven) en de VNG-brochure uitsluitend het beschouwen van de geluidemissie van het laden en lossen en daarmee optredende activiteiten betreft. In bijlage 2 van het onderzoek zijn de rekenresultaten voor maximale geluidniveaus inclusief de bijdrage ten gevolge van de laad- en losactiviteiten op de gevels van de woningen aan de Langelandseweg 16 & 18 opgenomen. Hierin is opgenomen dat op bijvoorbeeld de noordwestgevel van de Langelandseweg 18 op 1,5 m boven het plaatselijke maaiveld ten gevolge van de vrachtwagenbeweging over de oprit een maximaal geluidniveau van 77(,3) dB(A) optreedt. Logischerwijs kan worden geconcludeerd dat indien deze vrachtwagenbeweging in de dagperiode plaatsvindt er op eenzelfde beoordelingspositie er ook een maximaal geluidniveau van 77(,3) dB(A) optreedt.
Vervolgens wordt door weer verwezen naar het verdraaien van uitgangspunten met betrekking tot de vrachtwagenbewegingen. Hier is reeds reactie op gegeven onder punt 3. Tenslotte wordt er gesteld dat er volgens de cliënten geen vrachtwagenbewegingen plaatsvinden naar deze schuur. Of hier daadwerkelijk vrachtwagenbewegingen plaatsvinden is geen deel van ons onderzoek geweest, zijnde monitoring op langsrijdend verkeer. Wij hebben het onderzoek uitgevoerd met de aan ons aangeleverde uitgangspunten.
Reactie: Beoordeling van het geluidsniveau/conclusies Hierin wordt een conclusie van reeds vermelde punten gegeven. Antwoord: Op de vrachtwagenbewegingen in de dagperiode stelt het volgende: Als het al zo is dat er een vrachtwagenbeweging in de dagperiode plaatsvindt, wat dus niet zo is, dan kan in het kader van de afweging van een goede ruimtelijke ordening worden gesteld dat het om slechts één vrachtwagenbeweging gaat. Slechts één vrachtwagenbeweging in deze omgeving zal niet leiden tot een onevenredige afbreuk van het woon- en leefklimaat. Deze afweging kan net zo goed gemaakt worden. Deze afweging zou inhouden dat een vrachtwagen overnacht bij het glastuinbouwbedrijf en vervolgens in de dagperiode de inrichting afrijdt. Aangezien zelf geen vrachtwagen bezit is dit erg onwaarschijnlijk. Technisch inhoudelijk 1. hierin wordt gevraagd waarom de koelmachine niet kon worden gemeten. Tijdens het locatiebezoek kwam de koelmachine niet op toeren. De oorzaak hiervan is onbekend. De koelmachine had ten tijde van het locatiebezoek meerdere maanden uitgestaan (locatiebezoek vond in de winterplaats dus geen reden tot koelen). Dit is een mogelijke oorzaak; 2. hierin heeft gelijk. Echter is deze groenstrook dermate klein dat dit niet tot nauwelijks invloed op de rekenresultaten zal hebben; 3.
de bronvermogens van de geluiduitstralende geveldelen zijn met de rekensoftware Geomilieu berekend. Met de volgende ingevoerde parameters is het bronvermogen berekend: het gemeten binnenniveau, de geluidisolatie en het oppervlak.
EBH Legal namens aanvrager Reactie: Noodzaak geluidsonderzoek volgens het rapport. In het betreffende rapport wordt ervan uitgegaan dat de richtafstand uit de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering” in dit geval niet wordt gehaald. Dat blijkt de enige reden te zijn waarom het geluidsonderzoek, dat vervolgens op basis van dat uitgangspunt is verricht, überhaupt benodigd blijkt te zijn geweest. Uit hetgeen op pagina 8 van het geluidsrapport staat aangegeven blijkt dat zonder problemen gebruik kan worden gemaakt van de betreffende wijzigingsbevoegdheid in het geval de richtafstand wel wordt gehaald. In dat geval geldt dat “verdere toetsing in beginsel achterwege kan blijven en is inpassing mogelijk”. Antwoord: Hier wordt gesteld dat aangezien in het bestemmingsplan opgenomen is dat de bedrijfsvoering niet onevenredig mag worden aangetast het aspect van een goede ruimtelijke ordening volledig over het hoofd moet worden gezien. Het aspect goede ruimtelijke ordening is echter van belang om ten behoeve van de betreffende woning een acceptabel woon- en leefklimaat te borgen. Het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning aan de Langelandseweg 18 wordt conform de kwalificatie van het RIVM bestempeld als gedeeltelijk 'matig' en 'redelijk'.
Reactie: Rapport langtijdgemiddelde beoordelingsniveau voldoet en maximaal geluidsniveau niet. Uit het rapport blijkt dat bij het toepassen van de betreffende wijzigingsbevoegdheid in ieder geval geheel wordt voldaan aan de geluidsgrenswaarden voor langtijdgemiddelde beoordelingsniveau’s. Uit het rapport blijkt evenwel ook dat de opsteller er vanuit gegaan is dat er één vrachtwagentransportbeweging per dag plaatsvindt naar de oude (voormalige) loods. Het blijkt nu dat juist die ene vrachtwagentransportbeweging naar zijn of haar beoordeling leidt tot een overschrijding van de geluidsgrenswaarden voor maximale geluidsniveau’s. Antwoord: Glastuinbouwbedrijf kent wel een dermate grote afzet dat het transport van amaryllissen en amaryllisbollen met vrachtwagens wordt uitgevoerd. Aangezien is aangetoond dat in de avond- en nachtperiode hier geen transportbewegingen van vrachtwagens kunnen plaatsvinden, is aangenomen dat de benodigde bewegingen aldus in de dagperiode dienen te worden uitgevoerd. Als de vrachtwagenbewegingen dan niet in de avond- en nachtperiode kunnen plaatsvinden is de logische stap om de vrachtwagenbewegingen in dagperiode plaats te laten vinden, immers, de goederen behoeven wel afgezet te worden. Daarbij wordt gesteld dat vrachtwagenbewegingen helemaal niet in de dagperiode kunnen plaatsvinden omdat dit niet past bij de bedrijfsvoering. Deze stelling is onjuist.
Amarylliswekers kunnen de teelt zowel in dag-, avond- als nachtperiode aanleveren bij de veiling en bij gebrek aan mogelijkheden in de avond en nachtperiode wegens grenswaardenoverschrijding onder het Activiteitenbesluit zal dit aldus in de dagperiode dienen te geschieden. Reactie: Conclusie is gebaseerd op drie onjuiste uitgangspunten. De bovenstaande conclusie uit het rapport, dat de richtafstand uit de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering” in dit geval niet wordt gehaald, blijkt te zijn gebaseerd op een onjuiste beoordeling van de aanvraag die is ingediend. Daarnaast blijkt de conclusie, dat in dit geval niet wordt voldaan aan de geluidsgrenswaarden voor maximale geluidsniveaus, zowel te zijn gebaseerd op een onjuist uitgangspunt voor wat betreft zowel de feitelijke bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf als op een onjuist juridisch beoordelingskader. 1. onjuiste beoordeling van de aanvraag die is ingediend. Bij de beoordeling van de aanvraag is uitgegaan van een afstand van 8 meter. Dit is onjuist. Uit de tekening behorende bij de aanvraag blijkt dat de afstand 10,76 meter bedraagt. De afstand die in het geluidsrapport wordt aangehouden betreft blijkbaar de afstand tot het bijgebouw. Dat bijgebouw maakt evenwel geen onderdeel uit van de aanvraag. Dit bijgebouw zal in de toekomst evenmin als onderdeel van de woning in gebruik genomen kunnen worden.
Volgens de rechtspraak is zulks ook toegestaan vanwege de betreffende locatie specifieke omstandigheden (uitspraak van 21 februari 2018 van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2018:571). Als de aanvraag wel op de juiste wijze wordt geïnterpreteerd dat er ook volgens het rapport geconcludeerd moet worden dat geheel wordt voldaan aan de richtafstanden van de VNGpublicatie. 2. onjuist uitgangspunt voor feitelijke bedrijfsvoering. De loods waar naar verwezen wordt in het rapport wordt al 25 jaar niet meer gebruikt. De opgave van het bedrijf is feitelijk en bewijsbaar onjuist.
3. onjuist juridisch uitgangspunt. In pagina 4 van dit rapport blijkt dat wordt ingezien dat op grond van artikel 4.4.2 van de regels van het bestemmingsplan “Duurzame Glasuinbouwgebieden” “inzichtelijk dient te worden gemaakt of al dan niet sprake is van onevenredige aantasting van de bedrijfsvoering van het naastgelegen tuinbouwbedrijf”. Op basis daarvan moet worden geconcludeerd dat deze bevoegdheid een gegeven is en alleen al daarom voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Het is namelijk vaste rechtspraak dat de planologische aanvaardbaarheid van een ontwikkeling een gegeven is in het geval die ontwikkeling door een dergelijke bevoegdheid mogelijk wordt gemaakt (ECLI:NL:RVS:2020:211). Uit de toelichting op dit bestemmingsplan blijkt dat het nadrukkelijk de bedoeling van de planwetgever is geweest om naar een burgerwoning om te zetten bedrijfswoningen aan de Langelandseweg of zelfs daar naartoe uit te plaatsen. Het college kan niet ineens nieuw beleid gaan toepassen. Antwoord: Door aanvragers\bezwaarmakers is aangegeven dat deze oprit niet wordt gebruikt voor de bedrijfsvoering van het achterliggende bedrijf.
Volgens vast jurisprudentie van de Afdeling moet bij het onderzoek dat ertoe dient te beoordelen of ter plaatse van een in een bestemmingsplan voorziene woning een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd in verband met mogelijke milieuhinder van een nabijgelegen bedrijf worden uitgegaan van een representatieve invulling van maximale planologische mogelijkheden op het perceel van het bedrijf (ECLI:NL:RVS:2021:2177). Volgens het bestemmingsplan en het Activiteitenbesluit kan deze oprit gebruikt worden ten behoeve van het achterliggende glastuinbouwbedrijf. Bij de totstandkoming van het bestemmingsplan heeft nummer 16 de bestemming burgerwoning gekregen. Deze woning is overigens nog in eigendom bij het achterliggende bedrijf. In de toelichting op het bestemmingsplan is bepaald dat de afstand tussen een glastuinbouwbedrijf en een burgerwoning minimaal 10 meter moet bedragen. Uit metingen is gebleken dat niet wordt voldaan aan deze afstand (zie onderstaande tekening).
Omdat niet wordt voldaan aan de minimale afstand tussen de woning en de perceelsgrens van het achterliggende bedrijf is er geen sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Met het bestaan van de wijzigingsbevoegdheid in een bestemmingsplan mag de planologische aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemming binnen het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft in beginsel als een gegeven worden beschouwd, indien is voldaan aan de bij het bestemmingsplan gestelde wijzigingsvoorwaarden. Dit neemt echter niet weg dat het bij het vaststellen van een wijzigingsplan gaat om een bevoegdheid en niet om een plicht. Het feit dat aan de in een bestemmingsplan opgenomen wijzigingsvoorwaarden is voldaan, laat de plicht van het college van burgemeester en wethouders onverlet om in de besluitvorming omtrent de vaststelling van een wijzigingsplan ook na te gaan of uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, gelet op de betrokken belangen, wijziging van de oorspronkelijke bestemming is gerechtvaardigd (ECLI:NL:RVS:2020:211). Hier wordt niet voldaan aan de wijzigingsbevoegdheid. Zo is er geen sprake van dat de achterliggende gronden zijn ingezet voor schaalvergroting en/of herstructurering van de glastuinbouw. Bij het opstellen van het bestemmingsplan heeft een perceelsgewijze inventarisatie plaatsgevonden.
Daarbij is gebleken dat er nog steeds sprake was van een relatie tussen de eigenaren van de woning en de achterliggende tuinbouwgronden. Dit wordt vaak aangeduid als de rustende agrariër, die zich langzaam terugtrekt uit de daadwerkelijke bedrijfsvoering en deze overdraagt aan de nieuwe generatie in de familie waarbij het mogelijk en gewenst is om de bedrijfswoning weer als zodanig te gebruiken. Overigens heeft de toenmalige eigenaar dit destijds tijdens de bestemmingsplanprocedure ook niet als wens naar voren gebracht in de vorm van een inspraakreactie of zienswijze. Uit de luchtfoto’s of overige beschikbare bronnen kan echter niet worden opgemaakt dat sinds het vaststellen van het bestemmingsplan (de periode waarop de planregels betrekking hebben) sprake is geweest van herstructurering. De laatste wijziging lijkt van rond 2007. Bovendien is er wel degelijk de mogelijkheid om de woning weer te gebruiken als bedrijfswoning nu de eigenaar van het achterliggende glastuinbouwbedrijf heeft aangegeven de woning te willen verwerven en conform de bestemming in gebruik te nemen. Er wordt derhalve niet voldaan aan de wijzigingsbevoegdheid zoals deze in het bestemmingsplan is opgenomen. Om die reden wordt dan ook niet toegekomen aan de vraag of het omliggende bedrijf onevenredig in zijn bedrijfsvoering wordt aangetast.
Immers is vast komen te staan dat niet wordt voldaan aan de criteria van de wijzigingsbevoegdheid. Daarnaast heeft aanvrager een aanvraag omgevingsvergunning ingediend en heeft aanvrager niet verzocht om een wijzigingsplan op te stellen. Indien een bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid bevat die betrekking heeft op de aangevraagde activiteit, dan ontneemt geen wettelijke regeling het college de bevoegdheid om met toepassing van artikel 2.12 van de Wabo een omgevingsvergunning te verlenen. Artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo schrijft voor dat een aanvraag voor een omgevingsvergunning die in strijd is met het bestemmingsplan moet worden aangemerkt als een verzoek om met toepassing van artikel 2.12 van de Wabo van het bestemmingsplan af te wijken, zie hiervoor de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 september 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:1083).
La Gro Geelkerken Reactie: De zijn van mening dat het college niet bevoegd is om gebruik te maken van de wijzigingsbevoegdheid omdat ter plaatse van deze bedrijfswoning bedrijfsactiviteiten plaatsvinden. Dat die bedrijfsactiviteiten niet uitgeoefend worden door de eigenaar van de woning Langelandseweg 18 is in dat kader niet relevant. De woning behoort juridisch-planologisch bij de inrichting van en zou bijvoorbeeld prima als bedrijfswoning door gebruikt kunnen worden. De zijn in ieder geval bereid de agrarische bedrijfswoning tegen de waarde als bedrijfswoning te verwerven. Indien uw college van oordeel is dat er in beginsel een bevoegdheid bestaat om de bestemming te wijzigen, leidt een dergelijke bestemmingswijziging naar de mening van de gebroeders Wubben tot een onevenredige aantasting van zijn bedrijfsvoering. Bovendien zijn zij van mening dat in de woning Langelandseweg 18 geen goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd en dat om die reden een bestemmingswijziging naar een burgerwoning ruimtelijk ongewenst is. Uit het onderzoek van Peutz, d.d. 26 januari 2022 blijkt dat transformatie van de woning naar burgerwoning niet inpasbaar is omdat het leidt tot een matig woon- en leefklimaat. In het onderzoek is meegenomen (p.
12) dat de woning Langelandseweg 16 bestemd is als burgerwoning en dat die woning beschouwd moet worden in het kader van de in het Actitviteitenbesluit opgenomen maximale geluidsgrenswaarden. Nu Wubben ook eigenaar is van voornoemde woning en het ook in zijn macht heeft wie de woning mag gebruiken dient deze woning niet gezien te worden als dichtstbijzijnde burgerwoning waarmee rekening gehouden dient te worden. Dat geldt uiteraard ook voor de bedrijfswoning gelegen aan de Langelandseweg 14. De woningen Langelandseweg 14 en 16 behoren derhalve tot de inrichting van de en zijn geen gevoelige gebouwen als bedoeld in het Activiteitenbesluit. Er bestaat geen noodzaak om de woning van te bestemmen als burgerwoning. Deze woning kan immers nog steeds gebruikt worden als bedrijfswoning. Antwoord: Uit de luchtfoto’s of overige beschikbare bronnen kan niet worden opgemaakt dat sinds het vaststellen van het bestemmingsplan (de periode waarop de planregels betrekking hebben) sprake is geweest van herstructurering. De laatste wijziging lijkt van rond 2007. Bovendien is er wel degelijk de mogelijkheid om de woning weer te gebruiken als bedrijfswoning nu de eigenaar van het achterliggende glastuinbouwbedrijf heeft aangegeven de woning te willen verwerven en conform de bestemming in gebruik te nemen.
Er wordt derhalve niet voldaan aan de wijzigingsbevoegdheid zoals deze in het bestemmingsplan is opgenomen. Om die reden wordt dan ook niet toegekomen de vraag of het omliggende bedrijf onevenredig in zijn bedrijfsvoering wordt aangetast. Immers is vast komen te staan dat niet wordt voldaan aan de criteria van de wijzigingsbevoegdheid. Bij het omzetten van de bestemming bedrijfswoning naar burgerwoning zal alsnog gekeken moeten worden of het omzetten van de woning leidt tot een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Uit het rapport van Peutz is gebleken dat hier geen sprake van is.
Conclusie De ingediende reacties geven geen aanleiding om medewerking te verlenen. Echter zal alvorens wordt beslist op het bezwaar alsnog de juiste procedure moeten worden gevolgd.