CConstaterende datPijnacker-Nootdorp
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 - Ingediende zienswijzen (geanonimiseerd);

Raad Besluitvorming 22 september 2022, gemeente Pijnacker-NootdorpBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan ‘Correctieve herziening Verzamelplan Pijnacker – Nootdorp 2020 - 202124.568 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

De doelen, waar deze gestalte krijgen in de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten, hebben in ieder geval betrekking op: a. de dienstverlening; b. de uitvoeringskwaliteit van diensten en producten; c. de financiën. Artikel 6.49 Kwaliteitscriteria uitvoering en handhaving 1. Gedeputeerde staten stellen de kwaliteitscriteria voor de kwaliteit van de uitvoering en handhaving vast, alsmede de daaruit voortvloeiende uitvoeringskaders. 2. Op de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten door of in opdracht van gedeputeerde staten zijn de in het eerste lid bedoelde kwaliteitscriteria van toepassing. 3. Over de naleving van de kwaliteitscriteria doen gedeputeerde staten jaarlijks mededeling aan provinciale staten. Voor zover de kwaliteitscriteria er niet zijn of niet konden worden nageleefd, doen gedeputeerde staten daarvan gemotiveerd opgave.

HOOFDSTUK 7 FINANCIËLE BEPALINGEN § 7.1 Leges (vervallen)

§ 7.2 Grondwaterheffingen (vervallen)

HOOFDSTUK 8 PROCEDURES § 8.1 Water Artikel 8.1 Procedure ontheffing stedelijk afvalwater 1. Op de voorbereiding van een beschikking op grond van artikel 10.33, derde lid, van de Wet milieubeheer, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

2. Gedeputeerde staten kunnen met betrekking tot de voorbereiding van een beschikking om een ontheffing op grond van artikel 10.33, derde lid, van de Wet milieubeheer, regels stellen voor de gegevens die de aanvraag om een ontheffing moet bevatten. Artikel 8.2 Beheerplan van waterschappen 1. Het waterschapsbestuur raadpleegt bij de voorbereiding van het beheerplan het bestuur van de aangrenzende waterbeheerders, gedeputeerde staten en de gemeentebesturen van de binnen het plangebied liggende gemeenten. 2. Het waterschapsbestuur stuurt binnen vier weken na vaststelling het beheerplan naar gedeputeerde staten. Als bijlagen worden toegevoegd een verslag van het bij de voorbereiding gevoerde overleg, een overzicht van de ingediende zienswijzen en de beschouwingen daarover. 3. Het waterschapsbestuur stuurt het beheerplan binnen vier weken na de vaststelling aan de ingevolge het eerste lid geraadpleegde bestuursorganen en aan de minister die het aangaat. Artikel 8.3 Projectplan van waterschappen Een aan gedeputeerde staten ter goedkeuring toegezonden projectplan als bedoeld in artikel 5.5 van de Waterwet, dat betrekking heeft op een primaire waterkering die onderdeel uitmaakt van een dijktraject die tevens is gelegen op het grondgebied van een andere provincie, wordt door het waterschapsbestuur tevens ter kennisneming toegezonden aan gedeputeerde staten van die andere provincie.

Artikel 8.4 Voorbereiding regionaal waterplan door gedeputeerde staten 1. Dit artikel gaat over de voorbereiding van het regionaal waterplan door gedeputeerde staten. 2. Gedeputeerde staten overleggen, bij de voorbereiding van het regionaal waterplan, met het waterschapsbestuur van de geheel of gedeeltelijk binnen Zuid-Holland gelegen waterschappen, de betrokken hoofdingenieur-directeur van Rijkswaterstaat en de gemeentebesturen van de binnen het plangebied liggende gemeenten. 3. Gedeputeerde staten raadplegen, bij de voorbereiding van het regionaal waterplan, de minister die het aangaat en gedeputeerde staten van de aangrenzende provincies. 4. Op de voorbereiding van het regionaal waterplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat naast de belanghebbenden ook de ingezetenen van de provincie zienswijzen over het ontwerp van het regionaal waterplan naar keuze schriftelijk of mondeling naar voren kunnen brengen. 5. Gedeputeerde staten sturen het regionaal waterplan na vaststelling aan de in het tweede en derde lid genoemde bestuursorganen. 6. Op de voorbereiding van een tussentijdse wijziging van het regionaal waterplan, bedoeld in artikel 4.12, derde lid, van het Waterbesluit is slechts het derde lid van toepassing.

§ 8.2 Bodem Artikel 8.5 Saneringsplan, evaluatieverslag en nazorgplan 1. Op de voorbereiding van een beschikking op grond van artikel 29 van de Wet bodembescherming en van een besluit tot vaststelling van een saneringsplan, respectievelijk een evaluatieverslag en een nazorgplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

2. In afwijking van het eerste lid, kunnen gedeputeerde staten bepalen dat afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet wordt toegepast indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat hieraan geen behoefte bestaat. 3. Indien gedeputeerde staten toepassing geven aan het eerste lid, doen zij hiervan mededeling in het provinciaal blad. Artikel 8.6 Ontgrondingen van eenvoudige aard

.

1. Artikel 10, eerste lid, van de Ontgrondingenwet is niet van toepassing op een aanvraag tot verlening van een vergunning voor ontgrondingen van eenvoudige aard, waarbij andere belangen niet of nauwelijks zijn betrokken, voor zover het betreft: a. het egaliseren van percelen met hoogteverschillen van niet meer dan 1 m, indien daarbij niet het landschapsschoon wordt aangetast, of indien de gronden geen geologische, historische of andere bijzondere waarde hebben; b. het afgraven van agrarische terreinen, die hun bestemming behouden; of c. een ontgronding ten behoeve van een cultuurtechnische verbetering waarbij geen specie van de locatie wordt afgevoerd. 2. Artikel 10, eerste lid, van de Ontgrondingenwet is tevens niet van toepassing op een aanvraag tot: wijziging van de tenaamstelling van een vergunning of machtiging indien de oorspronkelijke houder van de vergunning in een verklaring heeft aangegeven in te stemmen met deze naamswijziging; a. een ondergeschikte wijziging van een vergunning of machtiging. 3. Gedeputeerde staten beslissen binnen twaalf weken na ontvangst van een aanvraag als bedoeld in het eerste of tweede lid.

§ 8.3 Luchthavens Artikel 8.7 Aanvraag 1. Een luchthavenbesluit of een luchthavenregeling wordt op aanvraag genomen. 2. De aanvraag om een luchthavenbesluit of een luchthavenregeling wordt ingediend bij gedeputeerde staten. 3. De aanvraag om een luchthavenbesluit of een luchthavenregeling bevat de door gedeputeerde staten aangewezen gegevens en bescheiden. 4. Voor het indienen van de aanvraag wordt door gedeputeerde staten een formulier vastgesteld.

HOOFSTUK 9 HANDHAVING § 9.1 Bestuursrechtelijke handhaving Artikel 9.1 Intrekken vergunning of ontheffing als sanctie 1. Een vergunning of ontheffing kan geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken, indien: a. in strijd met de vergunning of ontheffing of de daarvan verbonden voorschriften of beperkingen wordt gehandeld, danwel de met betrekking tot de vergunde handeling geldende wettelijke voorschriften niet worden nageleefd. b. als de ter verkrijging van de vergunning of ontheffing verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn, dat op de aanvraag voor de vergunning of ontheffing een andere beslissing zou zijn genomen indien bij de beoordeling daarvan de juiste gegevens bekend zouden zijn geweest. 2. Tot intrekking wordt niet over gegaan dan nadat de houder van de vergunning een redelijke termijn is geboden om zijn handelen in overeenstemming te brengen met de vergunning of ontheffing of om de geldende wettelijke voorschriften na te leven.

§ 9.2 Strafrechtelijke handhaving Artikel 9.2 Strafbaarstelling infrastructuur Overtreding van de op grond van artikel 3.3, tweede lid, afdeling 3.3, of artikel 5.3, tweede lid, gestelde voorschriften, of van bij of krachtens artikel 5.15 gestelde voorschriften, is een strafbaar feit en wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie, als bedoeld in artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht. Artikel 9.3 Strafbaarstelling milieu Overtreding van de artikelen 3.28 tot en met 3.32, 3.36, 3.40, 3.45, 3.50 tot en met 3.52 is een strafbaar feit. Artikel 9.4 Strafbaarstelling natuur Overtreding van artikelen 3.59, derde lid, artikel 3.61, vierde tot en met het tiende lid, artikel 3.60, 3.62, 3.66 en 3.68 is een strafbaar feit.

§ 9.3 Toezichthouders Artikel 9.5 Toezicht en opsporing infrastructuur 1. Met het toezicht op de naleving van de op grond van artikel 3.3, tweede lid, afdeling 3.3 , en artikel, 5.3, tweede lid, gestelde voorschriften, en van bij of krachtens artikel 5.15 gestelde voorschriften zijn belast de door gedeputeerde staten aangewezen personen. 2. Met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld bij of krachtens deze verordening, bedoeld in artikel 9.2 zijn, behalve de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering genoemde personen, belast de op grond van het eerste lid aangewezen personen, die in het bezit zijn van de buitengewone opsporingsbevoegdheid. 3. Met het toezicht, bedoeld in het eerste lid, en de opsporing, bedoeld in het tweede lid, met betrekking tot de wegen worden mede belast de daartoe door het bevoegd gezag ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, aangewezen personen. Artikel 9.6 Toezichthouders luchthavens Met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens de Wet luchtvaart gegeven regels en voorschriften met betrekking tot de aan provinciale staten en gedeputeerde staten gegeven taken en bevoegdheden zijn belast de door gedeputeerde staten aangewezen toezichthouders.

Artikel 9.7 Toezichthouders grondwaterregister Met het toezicht op de naleving van artikel 11.3 van deze verordening zijn belast de door gedeputeerde staten aangewezen toezichthouders. Artikel 9.8 Toezichthouders interprovinciale regionale waterkeringen Indien een regionale waterkering de provinciegrens overschrijdt, wordt het toezicht op die waterkering uitgeoefend door gedeputeerde staten van de provincie waarin de waterkering in hoofdzaak is gelegen.

HOOFDSTUK 10 SCHADE § 10.1 Schadevergoeding bij ontgrondingen Artikel 10.1 Gegevens aanvraag Een aanvraag om schadevergoeding als bedoeld in artikel 26 van de Ontgrondingenwet bevat tenminste de volgende gegevens:

a. de vergunning waardoor de aanvrager schade lijdt of zal lijden die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende op andere wijze is verzekerd; b. de aard en de omvang van de schade; c. de wijze waarop de schade naar het oordeel van de aanvrager dient te worden vergoed en, zo een vergoeding in geld wordt gewenst, het bedrag dat naar zijn oordeel voor vergoeding in aanmerking komt. Artikel 10.2 Aanwijzen deskundigen

.

1. Gedeputeerde staten kunnen een of meer deskundigen aanwijzen die zijn belast met het adviseren inzake het nemen van een besluit als bedoeld in artikel 26 van de Ontgrondingenwet. 2. Gedeputeerde staten kunnen het advies inwinnen van de deskundigen bedoeld in het eerste lid omtrent: a. een aanvraag om vergoeding van schade; b. het voornemen tot een ambtshalve toekenning. 3. Indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, onderdeel a, wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld aan de deskundigen, bedoeld in het eerste lid, zijn aanvraag toe te lichten. Indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, onderdeel b, wordt degene tot wie het besluit zal zijn gericht in de gelegenheid gesteld zijn opvattingen omtrent het voornemen aan de deskundigen, bedoeld in het eerste lid, kenbaar te maken. 4. De deskundigen, bedoeld in het eerste lid, brengen advies uit inzake: de vraag of de schade is geleden door de ontgronding waarvoor vergunning is verleend; a. de omvang van de schade; b. de vraag of de schade redelijkerwijze niet of niet geheel ten laste van de benadeelde behoort te blijven; c. de vraag in hoeverre op een andere wijze in een redelijke vergoeding is of kan worden voorzien; d. de vraag of er aanleiding is voor maatregelen of voorzieningen waardoor de schade anders dan door vergoeding in geld kan worden beperkt of ongedaan gemaakt. 5.

De deskundigen, bedoeld in het eerste lid, brengen hun advies zo spoedig mogelijk uit aan gedeputeerde staten doch in elk geval binnen twaalf weken na ontvangst van het verzoek om advies. Gedeputeerde staten zenden een afschrift van het advies aan degene tot wie het besluit zal zijn gericht waarbij de termijn wordt vermeld waarbinnen deze zijn opvattingen omtrent het advies kenbaar kan maken.

§ 10.2 Tegemoetkoming faunaschade Artikel 10.3 Aanvraag tegemoetkoming 1. Een aanvraag om een tegemoetkoming faunaschade als bedoeld in artikel 6.1 van de Wet natuurbescherming wordt uitsluitend langs elektronische weg bij BIJ12 ingediend op een daartoe vastgesteld formulier met bijlagen. 2. De aanvraag wordt ingediend uiterlijk binnen zeven werkdagen, nadat de aanvrager de schade heeft geconstateerd. 3. Schade die niet binnen zeven werkdagen na constatering door de aanvrager op het in het tweede lid vermelde formulier met bijlagen bij BIJ12 is ingediend, komt niet voor een tegemoetkoming in aanmerking. Artikel 10.4 Taxatie schade 1. De aanvrager zal het gewas, de teelt of de producten, waarop de aanvraag om tegemoetkoming betrekking heeft, niet eerder oogsten of anderszins van zijn bedrijf

afvoeren, dan nadat de schade is getaxeerd door de taxateur die werkzaam is voor een door BIJ12 aangewezen taxatiebureau of een consulent faunazaken van BIJ12. 2. Indien de aanvrager opmerkingen over het formulier ‘bevestiging taxatie grondgebruiker’ kenbaar wil maken, zendt hij zijn reactie binnen acht werkdagen na ontvangst van het formulier per e-mail of per post naar BIJ12.

§ 10.3 Advisering planschade Artikel 10.5 Aanvraag 1. Een aanvraag om vergoeding van planschade als bedoeld in afdeling 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening wordt ingediend door middel van een door gedeputeerde staten vastgesteld formulier. Het formulier wordt ingediend bij burgemeester en wethouders van de gemeente waarin het plangebied is gesitueerd. Burgemeester en wethouders zenden de aanvraag onverwijld door aan gedeputeerde staten. 2. Gedeputeerde staten zenden de aanvrager zo spoedig mogelijk een ontvangstbevestiging, waarin wordt meegedeeld dat voor het in behandeling nemen een recht verschuldigd is van € 300,-. Wanneer dit recht niet binnen vier weken is betaald, wordt de aanvraag niet-ontvankelijk verklaard. Artikel 10.6 Adviseur 1. Gedeputeerde staten wijzen een persoon als adviseur aan die aantoonbaar beschikt over voldoende deskundigheid inzake advisering op het gebied van planschade. 2. Indien gedeputeerde staten van oordeel zijn dat er gezien de complexiteit, aard en omvang van de aanvraag behoefte bestaat aan extra deskundigheid, schakelen zij meerdere adviseurs in voor het uitbrengen van een advies. Deze adviseurs vormen samen een adviescommissie. 3. Een adviescommissie wijst uit haar midden een voorzitter aan. 4. Een adviseur mag niet werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van gedeputeerde staten of provinciale staten.

Ook is een adviseur op geen enkele wijze betrokken bij de planologische maatregel waarop de aanvraag is gebaseerd. Artikel 10.7 Achterwege blijven inschakeling adviseur Als de aanvraag kennelijk ongegrond is dan wel op grond van artikel 6.1.3.1 van het Besluit ruimtelijke ordening niet in behandeling wordt genomen, kan inschakeling van de adviseur achterwege blijven. In alle andere gevallen wordt een adviseur aangewezen. Artikel 10.8 Opdrachtverstrekking aan adviseur Indien wordt besloten tot inschakeling van een adviseur verstrekken gedeputeerde staten binnen acht weken na het verstrijken van de termijnen, bedoeld in artikel 6.1.3.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, aan één of meerdere adviseurs gezamenlijk, opdracht om ter zake van een aanvraag om planschadevergoeding advies uit te brengen. Artikel 10.9 Betrokkenheid aanvrager en andere belanghebbenden bij aanwijzing adviseur of adviescommissie 1. Voordat gedeputeerde staten de opdracht tot advisering als bedoeld in artikel 10.8 verstrekken, stellen zij de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen alsmede belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, schriftelijk op de hoogte van de aanwijzing van een of meerdere adviseurs. 2.

De aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, kunnen binnen twee weken na de mededeling als bedoeld in

het eerste lid schriftelijk en voldoende gemotiveerd een verzoek tot wraking van één of meerdere adviseurs bij gedeputeerde staten indienen. 3. Gedeputeerde staten beslissen binnen twee weken na het verstrijken van de in het tweede lid bedoelde termijn over een ingediend verzoek tot wraking van één of meerdere adviseurs. Artikel 10.10 Werkwijze adviseur of adviescommissie 1. Gedeputeerde staten stellen aan de adviescommissie of de adviseur alle op de aanvraag betrekking hebbende informatie, alsmede de voor de beoordeling daarvan naar het oordeel van de adviseur of adviescommissie noodzakelijke bescheiden ter beschikking. 2. De voorzitter van de adviescommissie of de adviseur organiseert een hoorzitting of hoort de aanvrager op een andere geschikte wijze, teneinde de aanvrager in de gelegenheid te stellen de aanvraag toe te lichten en de voor de advisering over de aanvraag relevante informatie te geven. Het betrokken bestuursorgaan en eventuele andere betrokken bestuursorganen en de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid van de Wet ruimtelijke ordening, worden eveneens in de gelegenheid gesteld hun standpunt kenbaar te maken. 3. De adviseur is bevoegd aan partijen binnen een aan hen te stellen termijn, overlegging van nadere gegevens of stukken te gelasten. 4.

De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie bepaalt de datum en het tijdstip waarop de situatie ter plaatse zal worden bezichtigd en nodigt de aanvrager voor de plaatsopneming uit. 5. De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie maakt met de aanvrager een afspraak ten behoeve van de taxatie van een bij de aanvraag betrokken onroerende zaak. 6. De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie draagt er zorg voor dat van de hoorzitting en van de plaatsopneming een verslag wordt gemaakt. Het verslag maakt deel uit van het uit te brengen advies. 7. Binnen zestien weken na verzending van de opdracht zendt de adviseur of de voorzitter van de adviescommissie een concept van het advies aan: a. gedeputeerde staten; b. de aanvrager; c. een eventueel ander betrokken bestuursorgaan; en d. een belanghebbende als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening. 8. De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie kan de in het zevende lid genoemde termijn onder opgaaf van redenen met een daarbij aan te geven termijn van ten hoogste vier weken verlengen. 9. De aanvrager, een betrokken bestuursorgaan en een belanghebbende als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, kunnen binnen vier weken na de toezending van het concept van het advies hierop schriftelijk reageren. 10.

De adviseur brengt een advies uit aan gedeputeerde staten met afschrift aan de aanvrager en eventueel andere betrokken bestuursorganen en belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening: 1. binnen vier weken na het verstrijken van de termijn, bedoeld in het negende lid, indien een reactie is ingediend; b. binnen twee weken na het verstrijken van de termijn, bedoeld in het negende lid, indien geen reactie is ingediend. 11. De adviseur kan op verzoek van gedeputeerde staten voorstellen doen voor het treffen van maatregelen en voorzieningen waardoor de schade op een andere wijze kan worden beperkt of ongedaan gemaakt. 12. Indien de aanvraag om planschadevergoeding tevens een verzoek om uitbetaling van een voorschot bevat, horen gedeputeerde staten de adviseur daarover.

§ 10.4 Vergoeding van kosten en schade op grond van titel 15.4 Wet milieubeheer Artikel 10.11 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op de totstandkoming van beschikkingen van gedeputeerde staten ingevolge artikel 15.21 juncto 15.20 en ingevolge artikel 15.22 van de Wet milieubeheer met betrekking tot de vergoeding van kosten of schade. Artikel 10.12 Gegevens aanvraag Een aanvraag om vergoeding van kosten of schade bevat tenminste de volgende gegevens: a. de bepalingen van deze verordening door het van toepassing worden waarvan de aanvrager zich voor kosten ziet gesteld, dan wel schade lijdt; b. de aard en de omvang van de kosten dan wel de schade; c. de wijze waarop de kosten dan wel de schade naar het oordeel van de aanvrager dienen onderscheidenlijk dient te worden vergoed en, zo een vergoeding in geld wordt gewenst, het bedrag dat naar zijn oordeel voor vergoeding in aanmerking komt. Artikel 10.13 Advisering deskundigen 1. Gedeputeerde staten kunnen deskundigen aanwijzen die zijn belast met het adviseren inzake het geven van een beschikking als bedoeld in artikel 10.11. 2. Gedeputeerde staten kunnen het advies inwinnen van de in het eerste lid bedoelde deskundigen omtrent een verzoek om vergoeding of omtrent het voornemen tot een toekenning daarvan uit eigen beweging. 3.

Indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, wordt de aanvrager van de beschikking in de gelegenheid gesteld aan die deskundigen zijn aanvraag toe te lichten. Indien gedeputeerde staten voornemens zijn uit eigen beweging een beschikking te geven, wordt degene tot wie de beschikking zal zijn gericht, in de gelegenheid gesteld zijn opvattingen omtrent het voornemen aan de deskundigen kenbaar te maken. 4. Indien de aanvraag om vergoeding of het voornemen tot de toekenning daarvan uit eigen beweging betrekking heeft op kosten dan wel schade door het van toepassing worden van bepalingen van paragraaf 3.5.2 en deskundigen zijn aangewezen die zijn belast met het adviseren inzake de toekenning van die vergoeding, wordt de betrokken grondwateronttrekker in de gelegenheid gesteld zijn opvattingen over die aanvraag of dat voornemen aan die deskundigen kenbaar te maken. 5. De deskundigen brengen advies uit inzake: a. de vraag of de kosten zijn gemaakt, dan wel de schade is geleden door het van toepassing worden van bepalingen van deze verordening; b. de omvang van de kosten dan wel de schade; c. de vraag of de kosten dan wel de schade niet of niet geheel ten laste van de benadeelde behoren onderscheidenlijk behoort te blijven; d. de vraag in hoeverre op een andere wijze in een redelijke vergoeding is of kan worden voorzien; e.

de vraag of er aanleiding is voor maatregelen of voorzieningen waardoor de kosten dan wel de schade, anders dan door een vergoeding in geld, kunnen onderscheidenlijk kan worden beperkt of ongedaan gemaakt; f. de hoogte van de toe te kennen vergoeding. 6. De deskundigen brengen hun advies zo snel mogelijk uit aan gedeputeerde staten, doch in elk geval binnen dertien weken na ontvangst van het verzoek om advies. Gedeputeerde staten zenden een afschrift van het advies aan degene tot wie de beschikking zal zijn gericht, en in een geval als bedoeld in het vierde lid van dit artikel, tevens aan de grondwateronttrekker. Gedeputeerde staten vermelden daarbij de termijn waarbinnen zij hun opvattingen omtrent het advies kenbaar kunnen maken.

Artikel 10.14 Zienswijze grondwateronttrekker Indien geen toepassing is gegeven aan artikel 10.13, tweede lid, en de aanvraag om vergoeding of het voornemen tot de toekenning daarvan uit eigen beweging betrekking heeft op kosten dan wel schade door het van toepassing worden van bepalingen van paragraaf 3.5.2 stellen gedeputeerde staten de betrokken grondwateronttrekker in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen voordat zij hieromtrent een beslissing nemen. Artikel 10.15 Gegevens verzoek bestuursorgaan 1. Indien een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht gedeputeerde staten verzoekt in te stemmen met de toekenning van een vergoeding van kosten dan wel schade door het aan een omgevingsvergunning voor een inrichting verbinden van voorschriften waarvan de inhoud is aangegeven in bijlage 9, dient dat verzoek tenminste vergezeld te gaan van: a. indien het bestuursorgaan een aanvraag om een vergoeding heeft ontvangen: een afschrift van die aanvraag en de daarbij gevoegde stukken; b. indien de grondwateronttrekker schriftelijk zijn opvattingen over de aanvraag of het voornemen om een vergoeding toe te kennen heeft kenbaar gemaakt: een afschrift van die opvattingen; c.

indien het bestuursorgaan een advies van deskundigen als bedoeld in artikel 4.2, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht heeft ingewonnen: een afschrift van dat advies; d. het ontwerp van de beschikking houdende de toekenning van een vergoeding, dan wel, indien het bestuursorgaan de beschikking reeds heeft gegeven, een afschrift van die beschikking. 2. Indien bij het verzoek niet een afschrift van de opvattingen van de grondwateronttrekker is gevoegd, stellen gedeputeerde staten hem in de gelegenheid zijn zienswijze over het verzoek naar voren te brengen. 3. Gedeputeerde staten geven de beschikking op het verzoek uiterlijk vier maanden na ontvangst van dat verzoek, of, indien toepassing wordt gegeven aan artikel 10.13, tweede lid, binnen zeven maanden na de ontvangst van het verzoek.

HOOFDSTUK 11 MONITORING EN INFORMATIE § 11.1 Water Artikel 11.1 Verslag toetsing watersysteem

.

1. Het waterschapsbestuur brengt periodiek verslag uit aan gedeputeerde staten over de algemene waterstaatkundige toestand van de a. regionale waterkeringen; en b. regionale wateren onder zijn beheer. 2. Het verslag bevat: een beoordeling van de veiligheid van de regionale waterkeringen onder meer in het licht van de veiligheidsnorm, de technische leidraad en voorschriften, bedoeld in artikel 4.1, en de legger, bedoeld in artikel 5.1 van de Waterwet; a. een beoordeling van de regionale wateren met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop deze moeten zijn ingericht onder meer in het licht van de normen, de leidraad en de voorschriften, bedoeld in artikel 4.2, en de legger, bedoeld in artikel 5.1 van de Waterwet. 3. Indien de beoordeling daartoe aanleiding geeft, bevatten de verslagen, bedoeld in dit artikel een omschrijving van de voorzieningen die op de daarbij aan te geven termijn nodig worden geacht. 4. Gedeputeerde staten stellen, na overleg met het waterschapsbestuur, het tijdstip vast waarop de verslagen, bedoeld in dit artikel, voor de eerste maal worden

uitgebracht. Ook stellen zij de frequentie vast waarmee de verslagen daarna worden uitgebracht. 5. Gedeputeerde staten kunnen nadere voorschriften stellen met betrekking tot de vorm en inhoud van de verslagen, bedoeld in dit artikel. 6. Als een regionale waterkering of een regionaal water in meerdere provincies is gelegen, dan worden de in dit artikel bedoelde verslagen uitgebracht aan gedeputeerde staten van de provincie waarin deze regionale waterkering dan wel het regionale water in hoofdzaak is gelegen. Artikel 11.2 Voortgangsrapportage uitvoering beheerplan 1. Het waterschapsbestuur rapporteert ten minste eenmaal per jaar aan gedeputeerde staten over de voortgang van de uitvoering van het beheerplan, de mate waarin de gestelde doelen worden bereikt, de redenen van eventuele afwijkingen en de als gevolg daarvan voorgestelde maatregelen. 2. Gedeputeerde staten kunnen nadere voorschriften stellen met betrekking tot de vorm en inhoud van de in het eerste lid bedoelde voortgangsrapportage. Artikel 11.3 Grondwaterregister gedeputeerde staten 1. Gedeputeerde staten houden een grondwaterregister bij waarin inrichtingen voor het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water worden ingeschreven met vermelding van de gegevens die op grond van artikel 6.11 van het Waterbesluit aan hen dan wel aan de waterschapsbesturen worden verstrekt.

Voorts worden daarin vermeld de vergunningen, krachtens welke het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water plaatsvindt. 2. Gedeputeerde staten kunnen een inrichting die niet ingevolge artikel 6.11, eerste lid van het Waterbesluit is opgegeven, ambtshalve inschrijven in het grondwaterregister. Als datum van de ambtshalve inschrijving wordt de datum aangehouden waarop de onttrekking of infiltratie is aangevangen. Artikel 11.4 Verstrekken gegevens grondwateronttrekkingen 1. Het waterschapsbestuur verstrekt aan gedeputeerde staten: a. de gegevens die op grond van artikel 6.11 van het Waterbesluit worden verkregen; b. een overzicht van de vergunningen en meldingen op basis waarvan het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water plaatsvindt. 2. De opgave, bedoeld in het eerste lid, wordt uiterlijk 31 mei van elk jaar of, bij beëindiging van de onttrekking, binnen vier maanden na die beëindiging verstrekt. 3. Gedeputeerde staten kunnen, na overleg met het waterschapsbestuur, nadere regels stellen omtrent de wijze waarop de gegevens moeten worden aangeleverd.

§ 11.2 Natuur Artikel 11.5 Informatie en verantwoording 1. De Faunabeheereenheid Zuid-Holland informeert de achterban van alle in artikel 5.9, eerste en tweede lid genoemde organisaties over de uitvoering van haar werkzaamheden. 2. Het jaarlijks verslag van de Faunabeheereenheid Zuid-Holland, bedoeld in artikel 3.12, achtste lid, van de Wet natuurbescherming, bevat in ieder geval de volgende gegevens: a. cijfermatige rapportages over de uitvoering van iedere geldende vrijstelling, ontheffing, opdracht en de jacht, waarin opgenomen de aantallen gedode

dieren, onderverdeeld naar diersoort, wildbeheereenheid en, voor zover van toepassing, Natura 2000-gebied; b. kwantitatieve gegevens voor de populatie van iedere in het faunabeheerplan beschreven diersoort, waarbij wordt aangegeven op welke wijze deze gegevens zijn verzameld; c. beschrijving van populatieontwikkelingen die een risico vormen voor de belangen, bedoeld in artikel 3.3, vierde lid, onder b, onder 1° tot en met 4°, artikel 3.8, vijfde lid, onder b, onder 1° tot en met 3° en artikel 3.10, tweede lid, onder b tot en met h, van de Wet natuurbescherming.

HOOFDSTUK 12 ADVIESORGANEN Artikel 12.1 Adviescommissie detailhandel Gedeputeerde staten stellen een adviescommissie detailhandel Zuid-Holland in dat adviseert over bestemmingsplannen van Zuid-Hollandse gemeenten of inpassingsplannen van de provincie Zuid-Holland.

HOOFDSTUK 13 OVERGANGSRECHT Afdeling 13.1 Algemene overgangsbepalingen lopende procedures besluiten Artikel 13.1 Toepassingsbereik Deze afdeling is van toepassing op besluiten op grond van of met toepassing van: • • • • • • • • • • • • • • • • • •

de Grondwaterheffingsverordening Zuid-Holland; de Legesverordening omgevingsrecht provincie Zuid-Holland 2013; de Legesverordening Wet natuurbescherming Zuid-Holland 2019; de Luchthavenverordening Zuid-Holland; de Ontgrondingenverordening Zuid-Holland 2014; de Provinciale milieuverordening Zuid-Holland (negende tranche); de Vaarwegenverordening Zuid-Holland 2015; de Verordening advisering planschade Zuid-Holland; de Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht Zuid-Holland 2016; de Verordening Provinciaal Planologische Commissie Zuid-Holland 2009 de Verordening ruimte 2014; de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland; de Waterverordening Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2009; de Waterverordening Rijnland; de Waterverordening Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2017; de Waterverordening waterschap Rivierenland; de Waterverordening Zuid-Holland; de Wegenverordening Zuid-Holland 2010;

tenzij in dit hoofdstuk anders is bepaald. Artikel 13.2 Besluiten op aanvraag Als voor de inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om een besluit is ingediend, blijft het oude recht van toepassing: a.

als tegen het besluit beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt; b. als tegen het besluit geen beroep openstaat: tot het besluit van kracht wordt.

Artikel 13.3 Ambtshalve besluiten met toepassing van afdeling 3.4 Awb

Als voor de inwerkingtreding van deze verordening voor een ambtshalve te nemen besluit een ontwerp ter inzage is gelegd van een besluit op de voorbereiding waarvan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van de toepassing is, blijft het oude recht van toepassing: a.

als tegen het besluit beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt; b. als tegen het besluit geen beroep openstaat: tot het besluit van kracht wordt.

Artikel 13.4 Ambtshalve besluiten met toepassing van titel 4.1 Awb Als voor de inwerkingtreding van deze verordening voor een ambtshalve te nemen besluit toepassing is gegeven aan artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht of het besluit is bekendgemaakt, blijft het oude recht van toepassing: a.

als tegen het besluit beroep openstaat: tot het besluit onherroepelijk wordt; b. als tegen het besluit geen beroep openstaat: tot het besluit van kracht wordt.

Afdeling 13.2 Overgangsbepalingen per onderwerp van de Omgevingsverordening Artikel 13.5 Ontheffingen en vergunningen Een ontheffing of vergunning voor een activiteit waarop een verbodsbepaling van toepassing is als bedoeld in hoofdstuk 3 geldt als een vergunning of ontheffing voor die activiteit. Een ontheffing als bedoeld in artikel 4.1a van de Wro, verleend op grond van de Verordening Ruimte (2010) of de Verordening ruimte 2014 geldt als een ontheffing op grond van deze verordening. Artikel 13.6 Nieuwe vergunning en ontheffingsplicht Als een activiteit voor de inwerkingtreding van deze verordening zonder vergunning of ontheffing onafgebroken rechtmatig is verricht en bij de inwerkingtreding van deze verordening voor die activiteit een verbodsbepaling behoudens vergunning of ontheffing van toepassing wordt, geldt voor die activiteit bij de inwerkingtreding van deze verordening een vergunning of ontheffing van rechtswege voor een termijn van twee jaar, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van deze verordening. Artikel 13.7 Nadeelcompensatie 1.

Als voor de inwerkingtreding van deze verordening schade is veroorzaakt door een besluit dat berust op een verordening, genoemd in artikel 13.1, dan blijft het oude recht van toepassing op een verzoek om schadevergoeding dat wordt ingediend binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze verordening. 2. Als voor de inwerkingtreding van deze verordening: a. een aanvraag om een besluit als bedoeld in het eerste lid is ingediend; b. een ontwerp van een ambtshalve te nemen besluit als bedoeld in het eerste lid ter inzage is gelegd; of c. voor een ambtshalve te nemen besluit als bedoeld in het eerste lid toepassing is gegeven aan artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht; en het besluit wordt vastgesteld na de inwerkingtreding van deze verordening, blijft het oude recht van toepassing op een verzoek om schadevergoeding, veroorzaakt door dat besluit, als dat is ingediend binnen vijf jaar nadat het besluit is vastgesteld. 3. Het oude recht blijft van toepassing op het verzoek om schadevergoeding tot het besluit onherroepelijk wordt en, bij toewijzing van het verzoek, de schade volledig is vergoed. 4. Afdeling 13.1 is in die gevallen niet van toepassing. Artikel 13.8 Bestuurlijke sanctiebesluiten

1. Als voor de inwerkingtreding van deze verordening een overtreding heeft plaatsgevonden, een overtreding is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en voor de inwerkingtreding een bestuurlijke sanctie is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, blijft op die bestuurlijke sanctie het oude recht van toepassing tot het tijdstip waarop: a. de beschikking onherroepelijk is geworden, volledig is uitgevoerd of ten uitvoer is gelegd; b. de beschikking is ingetrokken of is komen te vervallen, of c. als de beschikking de oplegging van een last onder dwangsom betreft: 1°de last volledig is uitgevoerd; 2°de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of 3°de last is opgeheven. 2. Afdeling 13.1 is niet van toepassing.

Afdeling 13.3 Overgangsbepalingen per ingetrokken verordening § 13.3.1 Provinciale milieuverordening Zuid-Holland (negende tranche) Artikel 13.9 Meldingen en verslagen bodemsanering Een melding of een opgave van gegevens, bedoeld in artikel 6.4, 6.5, 6.6 of 6.7 van de Provinciale milieuverordening Zuid-Holland, die gedaan is voor de inwerkingtreding van deze verordening, geldt als melding, bedoeld in artikel 3.40 of als saneringsverslag, bedoeld in artikel 3.41 van deze verordening. Artikel 13.10 Saneringsplan Een saneringsplan, bedoeld in artikel 6.8 van de Provinciale Milieuverordening Zuid-Holland, geldt als saneringsplan, bedoeld in artikel 6.47 van deze verordening. § 13.3.2 Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Artikel 13.11 Melding vellen houtopstand Een melding, bedoeld in artikel 7.1 van de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming, die gedaan is voor de inwerkingtreding van deze verordening, geldt als melding, bedoeld in artikel 3.64 van deze verordening. § 13.3.3 Waterverordeningen Artikel 13.12 Technische leidraad Een technische leidraad als bedoeld in een waterverordening die van kracht is, geldt als een leidraad als bedoeld in artikel 4.1, vierde lid, van deze verordening. Artikel 13.13 Vergevorderde projecten 1.

Door gedeputeerde staten kunnen projecten worden aangewezen, waarop de procedure op grond van paragraaf 2 van hoofdstuk 5 van de Waterwet, van toepassing is verklaard, de voorbereiding van het projectplan zich in een vergevorderd stadium bevindt en geen ontwerp van dat projectplan ter inzage is gelegd en waarvoor ontwerp van een projectplan als bedoeld in artikel 5.6 van de Waterwet worden vastgesteld onder het oude recht. 2. Artikel 8.3 is op deze projecten van overeenkomstige toepassing. § 13.3.4 Legesverordeningen en heffingverordening Artikel 13.14 Grondwaterheffingsverordening Zuid-Holland

1. De Grondwaterheffingsverordening Zuid-Holland blijft van toepassing op belastbare feiten die plaatsvonden voor de inwerkingtreding van deze verordening. 2. De verplichting van gedeputeerde staten, bedoeld in artikel 11 van de Grondwaterheffingsverordening Zuid-Holland, om iedere vijf jaar na het in werking treden van die verordening aan provinciale staten een verslag ten zenden over de doeltreffendheid en de effecten van deze verordening, berust voortaan op dit artikel. Artikel 13.15 Legesverordening omgevingsrecht provincie Zuid-Holland 2013 De Legesverordening omgevingsrecht provincie Zuid-Holland 2013 blijft van toepassing op aanvragen die zijn gedaan voor de inwerkingtreding van deze verordening. Artikel 13.16 Legesverordening Wet natuurbescherming Zuid-Holland 2019 De Legesverordening Wet natuurbescherming Zuid-Holland 2019 blijft van toepassing op aanvragen die zijn gedaan voor de inwerkingtreding van deze verordening.

§ 13.3.5 Vaarwegenverordening Zuid-Holland 2015 Artikel 13.17 Vaarwegenverordening Zuid-Holland 2015 Voor zover de aanwijzing van een waterschap als nautisch beheerder door artikel 5.3, in strijd is met de aanwijzing bij besluit van Provinciale Staten Zuid-Holland uit 1992 (registratienummer 921353) van een waterschap of diens rechtsvoorganger als het nautisch bevoegd gezag op grond van de Scheepvaartverkeerswet, dan is het in dat aanwijzingsbesluit aangewezen waterschap of diens rechtsopvolger de nautisch beheerder.

HOOFDSTUK 14 OVERIGE BEPALINGEN EN SLOTBEPALINGEN § 14.1 Overige bepalingen Artikel 14.1 Uitwerking en wijziging grenzen en bijlagen door gedeputeerde staten 1. Gedeputeerde staten zijn bevoegd om de begrenzing van de bij of krachtens deze verordening aangewezen gebieden nader uit te werken en te wijzigen indien: 1. sprake is van kennelijke onjuistheden in de begrenzing; b. strijdigheid bestaat met een wet, een algemene maatregel van bestuur of anderszins wettelijke maatregel. 2. Gedeputeerde staten kunnen nadere regels stellen voor een goede uitvoering van deze verordening, met inbegrip van de mogelijkheid om de bijlagen II tot en met VII te wijzigen. Artikel 14.2 Aanpassingstermijn geldend bestemmingsplan 1. Voor zover een bepaling in deze verordening verplicht tot aanpassing van een geldend bestemmingsplan, stelt het bevoegd gezag uiterlijk binnen drie jaar na inwerkingtreding van de desbetreffende bepaling een bestemmingsplan vast met inachtneming van deze verordening. 2. Het vorige lid is niet van toepassing op een geldend bestemmingsplan dat afwijkt van artikelen 6.9, eerste of tweede lid, 6.10, of 6.27.

§ 14.2 Slotbepalingen Artikel 14.4 Intrekken verordeningen De volgende verordeningen worden ingetrokken: - Grondwaterheffingsverordening Zuid-Holland;

- Legesverordening omgevingsrecht provincie Zuid-Holland 2013; - Legesverordening Wet natuurbescherming Zuid-Holland 2019; - Luchthavenverordening Zuid-Holland; - Ontgrondingenverordening Zuid-Holland 2014; - Vaarwegenverordening Zuid-Holland 2015; - Verordening advisering planschade Zuid-Holland; - Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht ZuidHolland 2016; - Verordening Provinciaal Planologische Commissie Zuid-Holland 2009; - Verordening ruimte 2014; - Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland; - Waterverordening Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2009; - Waterverordening Rijnland; - Waterverordening Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2017; - Waterverordening waterschap Rivierenland; - Waterverordening Zuid-Holland; - Wegenverordening Zuid-Holland 2010; Artikel 14.5 Wijziging van de Provinciale milieuverordening Hoofdstuk 4 en 6 en Bijlage 10 onderdeel A van de Provinciale milieuverordening Zuid-Holland (negende tranche) vervallen. Artikel 14.6 Omhangen nadere regels Na de inwerkingtreding van deze verordening berusten alle nadere regels, gesteld op grond van bepalingen die bij deze verordening vervallen of worden ingetrokken, op deze verordening. Artikel 14.7 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op 1 april 2019.

Artikel 14.8 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Omgevingsverordening Zuid-Holland. Den Haag, dag maand 2019 Provinciale Staten van Zuid-Holland, griffier, voorzitter,

bijlagen BIJLAGE II KAARTEN Kaart 1 Provincie Zuid-Holland

Afdrukken Kaart en tekstKaartTekst

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11751225/1