Bijlage 4 - Ingediende zienswijzen (geanonimiseerd);
Tekst van het document
Plannaam:
Correctieve herziening Verzamelplan Pijnacker-Nootdorp 2020/ Datum afdruk: 2022-06-12 2021
Naam overheid Gemeente Pijnacker-Nootdorp : Type plan: bestemmingsplan Planidn: NL.IMRO.1926.bp000220128-3001 Dossierstatus: vastgesteld
IMRO-versie: IMRO2012 Plan datum: Planstatus:
2022-04-25 ontwerp
Disclaimer: Er kunnen op geen enkele wijze rechten worden ontleend aan, noch aanspraak gemaakt worden op de inhoud van deze afdruk. Hoewel bij de samenstelling van de inhoud van deze afdruk de grootst mogelijke zorgvuldigheid wordt betracht, bestaat de mogelijkheid dat bepaalde informatie (na verloop van tijd) verouderd is of niet (meer) correct is. Het Kadaster is niet aansprakelijk voor de eventuele schade die zou kunnen voortvloeien uit het gebruik van gegevens van de afdruk.
Pagina 1 van 2
Legenda
Pagina 2 van 2
1.
2.
3.
4.
5.
6.
Omgevingsverordening Zuid-Holland (in werking per 1 augustus 2020) Omgevingsverordening Zuid-Holland Dit is een geconsolideerde versie (NL.IMRO.9928.OVerordening2019-GC03) van de onderstaande besluiten, bijgewerkt tot en met: •
•
•
•
•
•
•
•
besluit van Provinciale Staten van 20 februari 2019 tot vaststelling van de Omgevingsverordening Zuid-Holland (NL.IMRO.9928.DOSx2016x0004358VOVA01), in werking getreden op 1 april 2019; besluit van Provinciale Staten van 20 februari 2019 tot wijziging van de Omgevingsverordening Zuid-Holland inzake aanvulling kantoren (NL.IMRO.9928.DOSx2016x0104358VO-VA01), in werking getreden op 1 april 2019; besluit van Provinciale Staten van 20 februari 2019 tot wijziging van de Omgevingsverordening Zuid-Holland inzake meldingsplicht voor infrastructuur, in werking getreden op 1 april 2019; besluit van Gedeputeerde Staten van 9 april 2019 tot wijziging van de Omgevingsverordening Zuid-Holland inzake NNN Krimpenerwaard (NL.IMRO.9928.DOSx2016x0204358VO-VA01), in werking getreden op 20 april 2019; besluit van Provinciale Staten van 18 december 2019 tot vaststellen van de legesverordening Omgevingsrecht Zuid-Holland 2020, in werking getreden op 1 januari 2020; besluit van Provinciale Staten van 18 december 2019 tot vaststellen van de legesverordening Wet natuurbescherming Zuid-Holland 2020, in werking getreden op 1 januari 2020; besluit van Provinciale Staten van 18 december 2019 tot vaststellen van de Grondwaterheffingsverordening Zuid-Holland 2020, in werking getreden op 1 januari 2020; besluit van Provinciale Staten van 1 juli 2020 tot wijziging van de Omgevingsverordening in het kader van
de Verzamelherziening Omgevingsbeleid 2020 (NL.IMRO.9928.DOSx2016x0304358VO-VA01}, in werking getreden op 1 augustus 2020.
Verordening van provinciale staten van Zuid-Holland van 20 februari 2019 (PZH-2019677696264) houdende regels over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving (Omgevingsverordening Zuid-Holland) Provinciale staten van Zuid-Holland, Gelezen het voorstel van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 22 januari 2019, PZHnummer (PZH-2019-677696264);
Gelet op de Algemene wet bestuursrecht, de Ontgrondingenwet, de Provinciewet, de Scheepvaartverkeerswet, de Waterwet, de Wegenwet, de Wegenverkeerswet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet bodembescherming, de Wet luchtvaart, de Wet milieubeheer, de Wet natuurbescherming en de Wet ruimtelijke ordening; Overwegende, dat het wenselijk is om, vooruitlopend op de invoering van de Omgevingswet en als onderdeel van de ontwikkeling van het integrale omgevingsbeleid, samenhangende, overzichtelijke en gebruiksvriendelijke regels te stellen over de fysieke leefomgeving; Besluiten vast te stellen:
Omgevingsverordening Zuid-Holland HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1.1 Begripsbepalingen Bijlage I bij deze verordening bevat begrippen en definities voor de toepassing van deze verordening en de daarop berustende bepalingen.
Artikel 1.2 Toepassingsgebied 1. Deze verordening gaat over: a. de fysieke leefomgeving; en b. activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. 2. De fysieke leefomgeving omvat in ieder geval: . bouwwerken; a. infrastructuur; b. watersystemen; c. water; d. bodem; e. lucht; f. landschappen; g. natuur; h. cultureel erfgoed; i. werelderfgoed.
Artikel 1.3 Maatschappelijke doelen van de verordening Deze verordening is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van de provincie en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang: a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit; b. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften; en c. zorgvuldig beheren, beschermen en ontwikkelen van de natuur, gelet op de intrinsieke waarde, dierenwelzijn, het behouden en herstellen van de biologische diversiteit, economische belangen, volksgezondheid en openbare veiligheid.
HOOFDSTUK 2 AANWIJZING EN BEGRENZING VAN DE FYSIEKE LEEFOMGEVING § 2.1 Aanwijzing gebieden fysieke leefomgeving Artikel 2.1 Aanwijzing vaarwegen en vrijwaringszones
1. Vaarwegen, anders dan de vaarwegen in beheer bij het Rijk, zijn gebieden waarvan de plaats geometrisch is bepaald en zijn verbeeld op kaart 2 in bijlage II. 2. Gedeputeerde staten wijzen op de vaarwegen die in beheer zijn bij de provincie, zones aan die de functie hebben van vaarstrook, veiligheidsstrook, veiligheidszone of overige delen van de vaarweg. 3. Vrijwaringszones rond vaarwegen in beheer bij de provincie zijn gebieden als bedoeld in artikel 6.19, waarvan de plaats indicatief is verbeeld op kaart 2 in bijlage II. Artikel 2.2 Aanwijzing regionale waterkeringen Regionale waterkeringen zijn gebieden waarvan de plaats indicatief is verbeeld op kaart 3 in bijlage II en die nader zijn bepaald in de legger, bedoeld in artikel 5.1 van de Waterwet. Artikel 2.3 Aanwijzing milieubeschermingsgebieden grondwater Milieubeschermingsgebieden voor grondwater zijn gebieden als bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, onder a, van de Wet milieubeheer. Artikel 2.4 Aanwijzing stiltegebieden 1. Stiltegebieden zijn gebieden als bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, onder b, van de Wet milieubeheer, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en zijn verbeeld op kaart 6 in bijlage II. 2. Gedeputeerde staten maken de begrenzing van stiltegebieden tevens op uniforme wijze kenbaar door een daartoe strekkende aanduiding ter plaatse.
Artikel 2.5 Aanwijzing Natuurnetwerk Nederland Natuurnetwerk Nederland zijn gebieden als bedoeld in artikel 6.24, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en zijn verbeeld op kaart 7 in bijlage II. Artikel 2.6 Aanwijzing archeologisch waardevolle gebieden en Romeinse Limes Gebieden met een hoge of zeer hoge bekende archeologische waarde en de Romeinse Limes met de daarbinnen gelegen hoge of zeer hoge archeologische verwachtingswaarde zijn gebieden waarvan de plaats geometrisch is bepaald en zijn verbeeld op kaart 8 in bijlage II.
§ 2.2 Toedeling van functies aan locaties [Gereserveerd]
HOOFDSTUK 3 ACTIVITEITEN IN DE FYSIEKE LEEFOMGEVING Afdeling 3.1 Algemene bepalingen Artikel 3.1 Toepassingsbereik 1. Deze afdeling is van toepassing op meldingen, vergunningen, ontheffingen, maatwerkvoorschriften, gegevens en bescheiden of aanvragen om gelijkwaardige maatregelen, op grond van de afdelingen 3.2 tot en met 3.9. 2. Deze afdeling is niet van toepassing als de Wet natuurbescherming van toepassing is. Artikel 3.2 Meldingen Een melding wordt ondertekend en bevat ten minste: a.
de aanduiding van de activiteit;
b. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht en van diens opdrachtgever; c. de locatie waar de activiteit wordt verricht; d. de contactgegevens; en e. de dagtekening. Artikel 3.3 Voorschriften en beperkingen 1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden of beperkngen worden gesteld. 2. Gedragingen in strijd met de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften zijn verboden. 3. Met betrekking tot de ontheffing en de aan de ontheffing te verbinden voorschriften zijn de artikelen 2.22, eerste en vijfde lid, en tweede lid juncto artikel 2.14, eerste lid, onder a, onder 5°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en 5.5, eerste lid, 5.6, 5.7, tweede en vijfde lid, en 5.9 van het Besluit omgevingsrecht van overeenkomstige toepassing. Artikel 3.4 Maatwerkvoorschriften 1. Voor activiteiten op provinciale infrastructuur als bedoeld in afdeling 3.3 kan door het bevoegd gezag een maatwerkvoorschrift worden gesteld, met uitzondering van voorschriften over meldingen. 2. Met een maatwerkvoorschrift of een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van bij of krachtens afdeling 3.3 gestelde regels voor het gebruik van provinciale infrastructuur, als dat bij die regels is bepaald. Daarbij kan worden bepaald in welke mate of hoe lang kan worden afgeweken. 3.
Bij de regels, bedoeld in afdeling 3.3 kan ook worden bepaald dat een maatwerkvoorschrift niet kan worden gesteld als over een onderwerp een voorschrift aan een vergunning kan worden verbonden. Artikel 3.5 Wijzigen voorschriften en beperkingen Op aanvraag van de houder of ambtshalve kunnen aan de vergunning, ontheffing of maatwerkvoorschriften verbonden voorschriften of beperkingen worden gewijzigd, aangevuld of ingetrokken. Artikel 3.6 Geheel of gedeeltelijk intrekken Op aanvraag van de houder of ambtshalve kan een vergunning, ontheffing of maatwerkvoorschrift geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken. Artikel 3.7 Vervallen van rechtswege Een vergunning of maatwerkvoorschrift op grond van afdeling 3.3 vervalt van rechtswege, voor zover daarvan binnen zes maanden na dagtekening geen gebruik is gemaakt. Artikel 3.8 Advies door gemeente en waterschap Gedeputeerde staten stellen indien zij dat nodig achten de gemeente alsmede het waterschap waarin de gedraging waarvoor vergunning, ontheffing of maatwerkvoorschrift wordt gevraagd, plaatsvindt of zal plaatsvinden, in gevallen waarin zij niet het bevoegd gezag zijn in de gelegenheid advies uit te brengen over de aanvraag om vergunning, ontheffing of maatwerkvoorschrift, respectievelijk het ontwerp van de beschikking op de aanvraag. Artikel 3.9 Rechtsopvolgers vergunning en ontheffing 1.
Een vergunning of ontheffing geldt voor degene die de activiteit uitvoert waarop zij betrekking heeft, tenzij in de vergunning of ontheffing anders bepaald. De houder
van de vergunning of ontheffing draagt er zorg voor dat de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen worden nageleefd. 2. In afwijking van het eerste lid geldt een vergunning als bedoeld in afdeling 3.3 voor degene aan wie zij is verleend, tenzij in de vergunning anders bepaald. 3. Indien een verleende vergunning of ontheffing zal gaan gelden voor ander dan de aanvrager of de houder, meldt de aanvrager of de houder dat tenminste een maand van te voren aan gedeputeerde staten. Artikel 3.10 Gegevens en bescheiden Op verzoek van het bevoegd gezag worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de bij of krachtens afdeling 3.3 gestelde algemene regels, vergunningvoorschriften of maatwerkvoorschriften voor de activiteit nog toereikend zijn in het licht van de met deze verordening te dienen belangen. Artikel 3.11 Gelijkwaardige maatregel 1. Als regels als bedoeld in afdeling 3.3 voorschrijven dat een maatregel moet worden getroffen, kan op aanvraag toestemming worden verleend om, in plaats daarvan, een gelijkwaardige maatregel te treffen. Met de gelijkwaardige maatregel wordt ten minste hetzelfde resultaat bereikt als met de voorgeschreven maatregel was beoogd. 2.
Bij regels als bedoeld in afdeling 3.3 kan het treffen van een gelijkwaardige maatregel worden toegestaan zonder voorafgaande toestemming, al dan niet gekoppeld aan een verbod om de maatregel te treffen zonder voorafgaande melding aan het bevoegd gezag. 3. Bij regels als bedoeld in afdeling 3.3 kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van het eerste en tweede lid, of kan het treffen van een gelijkwaardige maatregel worden uitgesloten.
Afdeling 3.2 Ruimtelijke voorbescherming § 3.2.1 Algemene bepalingen Artikel 3.12 Toepassingsbereik Artikel 3.13 Oogmerk Deze afdeling is gericht op een goede ruimtelijke ordening en het voorkomen dat het betrokken plangebied minder geschikt wordt voor de verwezenlijking van een krachtens hoofdstuk 6 te verwezenlijken doel, zolang geen bestemmingsplan in werking is getreden overeenkomstig dat hoofdstuk. § 3.2.2 Geitenhouderij Artikel 3.14 Verbod geitenhouderij 1. Het is verboden om: a. een geitenhouderij te vestigen als hoofdtak of als neventak; b. nieuwe bebouwing op te richten of bestaande bebouwing in gebruik te nemen ten behoeve van een bestaande geitenhouderij, tenzij het aantal geiten niet toeneemt. 2. Het verbod geldt voor een gebied totdat voor dat gebied een onherroepelijk bestemmingsplan in overeenstemming is met artikel 6.18 eerste lid, onder k. § 3.2.2 Afwijkingsmogelijkheid Artikel 3.14a Afwijkingsmogelijkheid voor maatwerk
In relatief beperkte mate kan worden afgeweken van de regels in deze afdeling, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de doelstelling van de desbetreffende regels.
Afdeling 3.3 Activiteiten op provinciale infrastructuur § 3.3.1 Algemene bepalingen Artikel 3.15 Toepassingsbereik Deze afdeling gaat over het gebruik van provinciale infrastructuur, anders dan overeenkomstig de functie daarvan voor het openbaar verkeer, en anders dan door of in opdracht van gedeputeerde staten. Artikel 3.16 Oogmerk Deze afdeling is gericht op: a. het veilig en doelmatig gebruik van de provinciale infrastructuur overeenkomstig de functie daarvan voor het openbaar verkeer; en b. het beschermen van de provinciale infrastructuur, met inbegrip van het belang van het onderhoud of de wijziging daarvan. Artikel 3.17 Bevoegd gezag 1. Gedeputeerde staten zijn het bevoegd gezag: a. waaraan een melding wordt gedaan; b. dat een maatwerkvoorschrift kan stellen; c. dat beslist op een aanvraag om een vergunning; of d. dat beslist op een aanvraag om een gelijkwaardige maatregel. 2. Het eerste lid, onderdeel c, is niet van toepassing op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. § 3.3.2 Activiteiten provinciale infrastructuur Artikel 3.18 Zorgplicht voor infrastructuur 1.
Degene die gebruik maakt van provinciale infrastructuur, anders dan overeenkomstig de functie daarvan, en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit de infrastructuur verontreinigt, verandert of beschadigt, of andere nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 3.16, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 2. Deze plicht houdt in ieder geval in dat: . het veilig en doelmatig gebruik van de provinciale infrastructuur wordt verzekerd; a. alle passende maatregelen worden genomen om ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan te voorkomen; b. houtgewas, bomen of takken van bomen worden zodanig geplaatst of onderhouden dat deze geen hinder voor het verkeer kunnen veroorzaken. Artikel 3.19 Veranderen van het werk of werken maken of behouden 1. Het is verboden zonder vergunning gebruik te maken van provinciale infrastructuur, door:
a. de vorm, de loop, de constructie of het profiel van de weg of de vaarweg te veranderen, of b. werken te maken, te behouden, te veranderen of te verwijderen. 2. Gedeputeerde staten kunnen over de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, regels stellen. Deze regels kunnen mede strekken tot: 1. vrijstelling van het verbod; b. het opleggen van de verplichting om met inachtneming van daarbij te stellen regels melding te doen van de activiteit; c. het opleggen van de verplichting om opgave te doen van gegevens en bescheiden; of d. het voldoen aan maatwerkvoorschriften voor de activiteit. 3. Op de aanvraag om een vergunning als bedoeld in het eerste lid met betrekking tot kabels en leidingen is afdeling 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing in afwijking van artikel 28, eerste lid, van de Dienstenwet. Artikel 3.20 Vaste stoffen of voorwerpen plaatsen en houtgewas 1. Het is verboden zonder vergunning gebruik te maken van provinciale infrastructuur door daarop, daarin, daarover of daaronder, vaste stoffen of voorwerpen te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen. 2. Het is verboden zonder vergunning op wegen houtgewas te beplanten, te behouden of te vellen. 3. Gedeputeerde staten kunnen over de activiteiten, bedoeld in het eerste en tweede lid, regels stellen. Deze regels kunnen mede strekken tot: 1.
vrijstelling van het verbod; b. het opleggen van de verplichting om met inachtneming van daarbij te stellen regels melding te doen van de activiteit; c. het opleggen van de verplichting om opgave te doen van gegevens en bescheiden; of d. het voldoen aan maatwerkvoorschriften voor de activiteit. Artikel 3.21 Stremmen of belemmeren van de scheepvaart Het is verboden zonder vergunning het verkeer op een vaarweg geheel of gedeeltelijk te stremmen of te belemmeren. Artikel 3.22 Schepen met afwijkende afmetingen Het is verboden zich zonder vergunning op een provinciale vaarweg te bevinden met een schip dat niet voldoet aan de krachtens artikel 4.3, tweede lid, gestelde regels. Artikel 3.23 Ligplaats innemen 1. Het is verboden zonder vergunning met een schip of een drijvend bouwsel, anders dan op een krachtens verkeersbesluit daarvoor blijkens een aanduiding ter plaatse bestemde locatie, ligplaats in te nemen, te meren of te ankeren in een vaarweg. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op kort verblijf aan een particuliere oever in een vaarstrook of een veiligheidsstrook. 3. Gedeputeerde staten kunnen over de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, regels stellen met het oog op de functies, bedoeld in artikel 2.1, tweede lid. Deze regels kunnen mede strekken tot: 1. vrijstelling van het verbod; b.
het opleggen van de verplichting om met inachtneming van daarbij te stellen regels melding te doen van de activiteit;
c. het opleggen van de verplichting om opgave te doen van gegevens en bescheiden; of d. het voldoen aan maatwerkvoorschriften voor de activiteit. Artikel 3.24 Standplaats innemen Het is verboden zonder vergunning met daarvoor bestemde middelen standplaats in te nemen op, onder, over, boven of langs een weg ten behoeve van handel of bedrijf.
Afdeling 3.4 Activiteiten in milieubeschermingsgebieden § 3.4.1 Algemene bepalingen Artikel 3.25 Toepassingsbereik Deze afdeling gaat over activiteiten in milieubeschermingsgebieden zijnde de stiltegebieden, bedoeld in artikel 2.4 en de milieubeschermingsgebieden voor grondwater, bedoeld in artikel 2.3. Artikel 3.26 Oogmerk Deze afdeling is gericht op de in artikel 1.2 , tweede lid, van de Wet milieubeheer bedoelde: a. bescherming van de kwaliteit van grondwater met het oog op de waterwinning in de gebieden die zijn aangewezen krachtens artikel 2.3, en b. op het voorkomen of beperken van geluidhinder in de gebieden die zijn aangewezen krachtens artikel 2.4. Artikel 3.27 Bevoegd gezag Bevoegd voor ontheffingen van bepalingen van deze afdeling zijn gedeputeerde staten.
§ 3.4.2 Milieubeschermingsgebieden voor grondwater [Gereserveerd] § 3.4.3 Stiltegebieden Artikel 3.28 Zorgplicht voor stiltegebieden Eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten in een stiltegebied de rust op significante wijze kan worden verstoord, is verplicht dergelijk handelen achterwege te laten, behoudens voor zover dat ingevolge deze verordening uitdrukkelijk is toegestaan, dan wel, indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die verstoring te voorkomen of te beperken. Artikel 3.29 Verbod toestellen 1. Het is verboden zonder ontheffing een toestel te gebruiken waardoor de ervaring van de natuurlijke geluiden in een stiltegebied kan worden verstoord. 2. Tot een toestel als bedoeld in het eerste lid behoren in ieder geval: a. een airgun en andere knalapparatuur; b. een toestel om geluid elektrisch versterkt voort te brengen, waaronder een muziekinstrument en een omroepinstallatie; c. een modelvliegtuig, modelboot en een modelauto, indien deze wordt aangedreven door een verbrandingsmotor; en d. een schietwapen. Artikel 3.30 Verbod rijden motorrijtuig Het is verboden zonder ontheffing in een stiltegebied met een motorrijtuig te rijden buiten de openbare weg of buiten andere voor bestemmingsverkeer openstaande wegen of terreinen.
Artikel 3.31 Verbod toertocht motorrijtuigen 1. Het is verboden zonder ontheffing in een stiltegebied een toertocht voor motorrijtuigen te houden. 2. Het is verboden zonder ontheffing in een stiltegebied deel te nemen aan een toertocht voor motorrijtuigen. Artikel 3.32 Verbod waterscooter en snelle motorboot 1. Het is verboden zonder ontheffing in een stiltegebied met een waterscooter te varen. 2. Het is verboden zonder ontheffing in een stiltegebied met een snelle motorboot sneller te varen dan 9 km/h. Artikel 3.33 Uitzonderingen Het in artikel 3.29, eerste lid, gestelde verbod geldt niet voor het gebruik van: a. een toestel op een plaats in een ingevolge artikel 6, onderdeel c, van het Besluit geluid milieubeheer aangewezen stil gebied; b. een toestel in een woning, de tuin daarvan of een ander bij die woning behorend gebouw, onder de voorwaarde dat het toestel niet hoorbaar is op een afstand van 50 m van dat toestel; c. een schietwapen indien dat wordt gebruikt: 1. ingeval het een noodseinmiddel betreft: ingeval van nood; 2. met inachtneming van de Wet natuurbescherming. d. De in de artikelen 3.29, eerste lid, en 3.30 gestelde verboden gelden niet voor zover het gebruik van een toestel of het rijden met een motorrijtuig rechtstreeks verband houdt met: a. de uitoefening van land-, tuin- of bosbouw of beroepsmatige visserij; b.
de openbare drinkwater- of energievoorziening; c. de aanleg, het onderhoud of de exploitatie van infrastructurele werken dan wel werken van telecommunicatie; d. het bouwen of het onderhoud van gebouwen; e. de bescherming, het onderhoud of het beheer van een gebied. e. De in de artikelen 3.29, eerste lid, 3.30 en 3.32, eerste lid, gestelde verboden gelden niet voor zover het gebruik van een toestel, het rijden met een motorrijtuig of het varen met een waterscooter of een snelle motorboot: . rechtstreeks verband houdt met de openbare veiligheid of de afwending van dreigend gevaar; a. wordt verricht door een persoon met opsporingsbevoegdheid in de uitoefening van zijn functie. f. Het in artikel 3.30 gestelde verbod geldt niet voor het rijden in een gehandicaptenvoertuig als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen, dat wordt gebruikt voor het vervoer van een gehandicapte. g. De in de artikelen 3.31, eerste lid, en 3.32, eerste lid, gestelde verboden gelden niet voor motorrijtuigen, waterscooters of snelle motorboten die elektrisch worden aangedreven.
Afdeling 3.5 Ontgrondingen op land en in regionale wateren § 3.5.1 Algemene bepalingen Artikel 3.34 Toepassingsbereik Deze afdeling gaat over ontgrondingen op land en in regionale wateren, met uitzondering van ontgrondingen die hoofdzakelijk plaatsvinden ter verkrijging van oppervlaktedelfstoffen. Artikel 3.35 Oogmerk
Deze afdeling is gericht op de doelen van artikel 1.3. § 3.5.2 Ontgrondingen Artikel 3.36 Vrijstellingen ontgrondingen Het verbod van artikel 3, eerste lid, van de Ontgrondingenwet geldt niet voor de volgende categorieën van ontgrondingen die worden verricht voor: a. het aanbrengen, vervangen, wijzigen, onderhouden of opruimen van buizen, palen of kabels met toebehoren; b. het egaliseren van percelen met hoogteverschillen van niet meer dan 0,25 m; c. de normale uitoefening van het land-, tuin- en bosbouwbedrijf; d. het geschikter maken van gronden voor de bollenteelt waarbij de hoogte van het maaiveld ongewijzigd blijft en sprake is van een gesloten grondbalans; e. het doen van archeologische opgravingen door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed of een andere instelling die voor het doen van de opgraving in het bezit is van een vergunning krachtens de Monumentenwet 1988 of een certificaat krachtens de Erfgoedwet; f. de uitvoering van een bodemsanering in eigen beheer, indien die sanering wordt begeleid door het bevoegd gezag; g. het realiseren van natuurbouwprojecten waarbij niet meer dan 10.000 m³ bodemmateriaal vrijkomt; h. het maken, wijzigen, verwijderen en onderhouden van bouwwerken, kunstwerken en hun funderingen; i.
het afgraven van depots van bodemmateriaal, tenzij deze langer dan tien jaar geleden geheel of gedeeltelijk zijn gebruikt voor het deponeren of verkrijgen van bodemmateriaal; j. het aanleggen, onderhouden, verhogen, verzwaren van waterstaatswerken, waarbij de diepte van de ontgronding niet meer dan 3 m beneden het maaiveld bedraagt; k. het aanleggen, onderhouden, verruimen en verdiepen van havens en daarin gelegen kunstwerken binnen de Maasvlakte waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 9 in bijlage II. Gedeputeerde staten zijn bevoegd het gebied Maasvlakte, te wijzigen, voor zover dit in overeenstemming is met een onherroepelijk bestemmingsplan voor het gebied Maasvlakte 2; l. het oprichten en veranderen van een inrichting als bedoeld in de Wet milieubeheer, bestemd tot het op of in de bodem brengen van afvalstoffen, inclusief de inrichtingen die vallen onder categorie 28 zoals genoemd in Bijlage I, onderdeel C, van het Besluit omgevingsrecht voor zover het terrein niet meer dan 3 m beneden het oorspronkelijke maaiveld wordt afgegraven; m.
de uitvoering van een bestemmingsplan voor zover de bedoelde werken passen in het vigerende bestemmingsplan en het terrein niet meer dan 3 m beneden het oorspronkelijke maaiveld wordt afgegraven; of n. de activiteit op grond van een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en het terrein niet meer dan 3 m beneden het oorspronkelijke maaiveld wordt afgegraven.
Afdeling 3.6 Bodemsanering § 3.6.1 Algemene bepalingen Artikel 3.37 Toepassingsbereik Deze afdeling gaat over het saneren van de bodem als bedoeld in artikel 1 van de Wet bodembescherming. Artikel 3.38 Oogmerk Deze afdeling is gericht op de bescherming van het milieu, in het bijzonder van de bodem. Artikel 3.39 Nadere regels gegevens en bescheiden Gedeputeerde staten kunnen nadere regels stellen voor de verstrekking van gegevens in verband met: a.
een melding als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Wet bodembescherming; b. de resultaten van een onderzoek met betrekking tot de kwaliteit van de bodem, bedoeld in artikel 28, tweede lid, onder a, van de Wet bodembescherming; c. de resultaten van een nader onderzoek; d. een beoordeling van de reinigbaarheid of immobiliseerbaarheid van de verontreinigde grond als bedoeld in artikel 28, tweede lid, onder f, van de Wet bodembescherming; e. een saneringsonderzoek; f. een saneringsplan en een wijziging daarvan; g. een evaluatieverslag; of h. een nazorgplan.
§ 3.6.2 Bodemsanering Artikel 3.40 Meldingsplichten 1. Degene die de sanering feitelijk uitvoert op grond van een saneringsplan waarmee gedeputeerde staten op basis van artikel 39, tweede lid, van de Wet bodembescherming hebben ingestemd, meldt uiterlijk twee weken voor de feitelijke aanvang van de grondsanering, respectievelijk de grondwatersanering bij gedeputeerde staten de aanvangsdatum van de grondsanering, respectievelijk de grondwatersanering. 2. Indien de grondsanering respectievelijk de grondwatersanering niet zal worden gestart op de overeenkomstig het eerste lid gemelde aanvangsdatum of de overeenkomstig dit lid aangepaste aanvangsdatum, meldt degene, bedoeld in het eerste lid, dit onverwijld aan gedeputeerde staten, onder opgave van de gewijzigde aanvangsdatum. Indien de gewijzigde aanvangsdatum op dat moment nog niet bekend is, meldt de in het eerste lid bedoelde persoon deze aanvangsdatum minimaal twee weken voor deze datum aan gedeputeerde staten. 3. Indien bij de sanering ontgraving van verontreinigde grond plaatsvindt, stelt de in het eerste lid bedoelde persoon uiterlijk twee dagen voorafgaand aan het tijdstip waarop over het hele gebied van de ontgraving de einddiepte bereikt zal worden en tot aanvulling van de ontgraving zal worden overgegaan gedeputeerde staten van dat
tijdstip op de hoogte. Bij ontgraving en aanvulling in gedeeltes, geldt voornoemde verplichting tot melding per gedeelte. 4. De in het eerste lid bedoelde persoon meldt de beëindiging van de grondsanering, respectievelijk de grondwatersanering binnen een week na beëindiging van de grondsanering, respectievelijk de grondwatersanering aan gedeputeerde staten. 5. Indien sprake is van een grondsanering, respectievelijk grondwatersanering waarbij door gedeputeerde staten is ingestemd met een gefaseerde aanpak overeenkomstig artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming, wordt de beëindiging binnen een week aan gedeputeerde staten gemeld. 6. Indien de in het eerste lid bedoelde persoon niet degene is die het saneringsplan heeft ingediend, geldt een in het eerste, tweede, vierde en vijfde lid van dit artikel bedoelde verplichting tot melding niet indien degene die het saneringsplan heeft ingediend, die melding overeenkomstig het betreffende lid heeft gedaan. Artikel 3.41 Evaluatieverslag Degene die de bodem heeft gesaneerd dan wel een fase van de sanering heeft uitgevoerd als bedoeld in artikel 38, derde lid, van de Wet bodembescherming biedt uiterlijk dertien weken na beëindiging van de saneringswerkzaamheden het evaluatieverslag aan gedeputeerde staten aan.
Afdeling 3.7 Activiteiten bij gesloten stortplaatsen § 3.7.1 Algemene bepalingen Artikel 3.42 Toepassingsbereik Deze afdeling gaat over activiteiten in, op, onder, boven of bij een plaats waar de in artikel 8.49 van de Wet milieubeheer bedoelde zorg voor een gesloten stortplaats wordt uitgevoerd. Artikel 3.43 Oogmerk Deze afdeling is gericht op: a. de bescherming van het milieu tegen nadelige gevolgen veroorzaakt door gesloten stortplaatsen; b. de goede uitvoering van de zorg voor gesloten stortplaatsen, waaronder: a. de bereikbaarheid van de voorzieningen ter bescherming van de bodem te garanderen; b. te voorkomen dat de werking van de voorzieningen nadelig wordt beïnvloed; en c. te voorkomen dat de uitvoering van de nazorg anderszins wordt belemmerd. Artikel 3.44 Bevoegd gezag Bevoegd voor ontheffingen van bepalingen van deze afdeling zijn gedeputeerde staten. § 3.7.2 Activiteiten bij gesloten stortplaatsen Artikel 3.45 Verboden activiteiten 1. Het is verboden zonder ontheffing in, op, onder, boven of bij een plaats waar de in artikel 8.49 van de Wet milieubeheer bedoelde zorg met betrekking tot een gesloten stortplaats wordt uitgevoerd: a. een werk als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit te maken of te behouden; b. stoffen of voorwerpen, niet zijnde afvalstoffen, te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen; c.
andere dan de onder a of b bedoelde activiteiten te verrichten indien die activiteiten schadelijk zijn voor de voorzieningen of de werking daarvan. 2. De verboden, bedoeld in het eerste lid, zijn niet van toepassing op: . de totstandkoming en de werking van voorzieningen;
a. activiteiten die betrekking hebben op het oprichten, veranderen of in werking hebben van een inrichting of op het veranderen van de werking daarvan.
Afdeling 3.8 Ontgassen van binnenschepen § 3.8.1 Algemene bepalingen Artikel 3.46 Toepassingsbereik Deze afdeling gaat over het ontgassen van binnenschepen tijdens de vaart. Artikel 3.47 Oogmerk Deze afdeling is gericht op de bescherming van het milieu, in het bijzonder de bescherming van de volksgezondheid. Artikel 3.48 Bevoegd gezag Bevoegd voor ontheffingen van bepalingen van deze afdeling zijn gedeputeerde staten. Artikel 3.49 Nadere regels Gedeputeerde staten kunnen nadere regels stellen. Deze kunnen mede inhouden een vrijstelling van de verboden in deze afdeling. § 3.8.2 Ontgassen van binnenschepen Artikel 3.50 Verbod benzeen Het is de vervoerder en de schipper verboden zonder ontheffing tijdens de vaart een ladingtank met restladingdampen van benzeen (UN-nummer 1114) vanaf een binnenschip op een vaarweg te ontgassen. Artikel 3.51 Verbod benzeenhoudende koolwaterstoffen Het is de vervoerder en de schipper verboden zonder ontheffing tijdens de vaart een ladingtank met restladingdampen van: a.
ruwe aardolie met meer dan 10% benzeen (UN 1267); b. aardoliedestillaten N.E.G. met meer dan 10% benzeen of aardolieproducten N.E.G met meer dan 10% benzeen (UN 1268); c. brandstof voor straalvliegtuigen met meer dan 10% benzeen (UN 1863); d. brandbare vloeistoffen, N.E.G. met meer dan 10% benzeen (UN 1993); of e. koolwaterstoffen, vloeibaar met meer dan 10% benzeen (UN 3295)
vanaf een binnenschip op een vaarweg te ontgassen. Artikel 3.52 Verbod aangewezen stoffen 1. Het is de vervoerder en de schipper vanaf een door gedeputeerde staten te bepalen tijdstip verboden zonder ontheffing tijdens de vaart een ladingtank met restladingdampen van door gedeputeerde staten aangewezen stoffen vanaf een binnenschip op een vaarweg te ontgassen. 2. Zodra gedeputeerde staten toepassing geven aan het eerste lid, doen gedeputeerde staten hiervan mededeling door overlegging van het besluit aan provinciale staten. Artikel 3.53 Uitzonderingen De verboden, bedoeld in de artikelen 3.50 tot en met 3.52 zijn niet van toepassing, indien kan worden aangetoond dat: a. de drie voorafgaande ladingen in de desbetreffende ladingtank niet bestonden uit stoffen als bedoeld in de artikelen 3.50 tot en met 3.52, of;
b. de desbetreffende ladingtank bij de voorafgaande belading voor meer dan 95% gevuld was met een andere stof dan vermeld in de artikelen 3.50 tot en met 3.52. Artikel 3.54 Uitzonderingen veiligheid In afwijking van de verboden, bedoeld in de artikelen 3.50 tot en met 3.52, is het ontgassen toegestaan: a.
voor drukverevening die om veiligheidsredenen moet plaatsvinden; b. tijdens of na een calamiteit met het binnenschip, indien het ontgassen om redenen van veiligheid noodzakelijk is.
Afdeling 3.9 Flora- en fauna activiteiten en Natura 2000-activiteiten § 3.9.1 Algemene bepalingen Artikel 3.55 Toepassingsbereik Deze afdeling gaat over flora- en fauna activiteiten en Natura 2000-activiteiten. Artikel 3.56 Oogmerk Deze afdeling is gericht op het zorgvuldig beheren, beschermen en ontwikkelen van de natuur, gelet op de intrinsieke waarde, dierenwelzijn, het behouden en herstellen van de biologische diversiteit, economische belangen, volksgezondheid en openbare veiligheid. Artikel 3.57 [Gereserveerd] Artikel 3.58 Bevoegd gezag Gedeputeerde staten zijn het bevoegd gezag: a.
dat beslist op de aanvraag om een ontheffing; b. waaraan een melding wordt gedaan.
§ 3.9.2 Nestbehandeling vogels Artikel 3.59 Vrijstelling nestbehandeling vogels 1. Op grond van de mogelijkheid van artikel 3.3, tweede lid, in samenhang met artikel 3.15, van de Wet natuurbescherming, is het de grondgebruiker op de door hem gebruikte gronden of in of aan door hem gebruikte opstallen toegestaan om van de in de bijlage III aangewezen vogels en kruisingen daarvan opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren te vernielen of te beschadigen, in het belang van: a. de volksgezondheid en openbare veiligheid als bedoeld in artikel 3.3, vierde lid, onderdeel b, en onder 1° van de Wet natuurbescherming; b. de veiligheid van het luchtverkeer als bedoeld in artikel 3.3, vierde lid, onderdeel b, en onder 2° van de Wet natuurbescherming; of c. de voorkoming van belangrijke schade aan gewassen als bedoeld in artikel 3.3, vierde lid, onderdeel b, en onder 3° van de Wet natuurbescherming. 2. De handelingen als bedoeld in het eerste lid worden uitgevoerd overeenkomstig de voorschriften in bijlage IV en het faunabeheerplan. Artikel 3.60 Melding en rapportage uitvoering vrijstellingen nestbehandeling De grondgebruiker, dan wel degene die handelt op basis van een toestemming als bedoeld in artikel 3.15, zevende lid, van de Wet natuurbescherming, maakt melding van en rapporteert over de in artikel 3.59 genoemde activiteiten op de in het faunabeheerplan vastgestelde wijze.
§ 3.9.3 Directe schadebestrijding Artikel 3.61 Vrijstelling directe schadebestrijding 1. Op grond van de mogelijkheid van artikel 3.3, tweede lid, in samenhang met artikel 15, van de Wet natuurbescherming, is het de grondgebruiker toegestaan om de in de bijlage III aangewezen vogels en kruisingen daarvan opzettelijk te doden en te vangen in het belang van: a. de volksgezondheid en openbare veiligheid als bedoeld in artikel 3.3, vierde lid, onderdeel b, en onder 1° van de Wet natuurbescherming; b. de veiligheid van het luchtverkeer als bedoeld in artikel 3.3, vierde lid, onderdeel b, en onder 2° van de Wet natuurbescherming; c. de voorkoming van belangrijke schade aan gewassen als bedoeld in artikel 3.3, vierde lid, onderdeel b, en onder 3° van de Wet natuurbescherming; of d. de bescherming van flora of fauna als bedoeld in artikel 3.3, vierde lid, onderdeel b, en onder 4° van de Wet natuurbescherming. 2. Op grond van artikel 3.8, tweede lid, van de Wet natuurbescherming, is het de grondgebruiker toegestaan om de in de bijlage III aangewezen Habitatrichtlijnsoorten opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren in het belang van: . de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats als bedoeld in artikel 3.8, vijfde lid, onderdeel b, en onder 1° van de Wet natuurbescherming; a.
de voorkoming van ernstige schade aan gewassen en veehouderijen als bedoeld in artikel 3.8, vijfde lid, onderdeel b, en onder 2° van de Wet natuurbescherming; of b. de volksgezondheid of de openbare veiligheid als bedoeld in artikel 3.8, vijfde lid, onderdeel b, en onder 3° van de Wet natuurbescherming. 3. Op grond van artikel 3.10, tweede lid, van de Wet natuurbescherming, is het de grondgebruiker toegestaan om de in de bijlage III aangewezen andere beschermde soorten opzettelijk te doden of te vangen in het belang van: . de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats als bedoeld in artikel 3.8, vijfde lid, onderdeel b, en onder 1° van de Wet natuurbescherming; a. de voorkoming van ernstige schade aan gewassen en veehouderijen als bedoeld in artikel 3.8, vijfde lid, onderdeel b, en onder 2° van de Wet natuurbescherming; b. de volksgezondheid of de openbare veiligheid als bedoeld in artikel 3.8, vijfde lid, onderdeel b, en onder 3° van de Wet natuurbescherming; of c. de voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade op sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes of begraafplaatsen. 4. Uitvoering van de handelingen als bedoeld in het eerste, tweede en derde lid geschiedt overeenkomstig de voorschriften in bijlage IV en het faunabeheerplan. 5.
Bij het doden en vangen van dieren als bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, kan uitsluitend gebruik worden gemaakt van de middelen: geweren, haviken, slechtvalken, woestijnbuizerds, honden, niet zijnde lange honden of slag-, snij- of steekwapens. 6. Slag-, snij- of steekwapens als genoemd in het vijfde lid mogen uitsluitend gebruikt worden voor het doden van gewonde dieren. 7. Krachtens artikel 3.25, vierde lid, onderdeel b in samenhang met artikel 3.24, vierde lid, van de Wet natuurbescherming en in afwijking van artikel 3.16, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit natuurbescherming en onverminderd het vierde lid, is het toegestaan om, voor de in de bijlage III aangewezen soorten, de handelingen als bedoeld in het eerste, tweede en derde lid uitsluitend uit te voeren gedurende de periode vanaf een half uur voor zonsopgang tot een half uur na zonsondergang. 8. De handelingen, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, worden uitsluitend uitgevoerd op de door de grondgebruiker gebruikte gronden, dan wel in of aan door hem gebruikte opstallen, ter voorkoming van schade op deze gronden, in of aan deze opstallen, of in het omringende gebied.
9. Tenzij sprake is van het duurzaam beheer van populaties als bedoeld in artikel 6.4, mag het vangen of doden van dieren als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, slechts plaatsvinden nadat de in het faunabeheerplan opgenomen passende en doeltreffende preventieve maatregelen zijn ingezet overeenkomstig de beschrijving in het faunabeheerplan. 10. De ingewanden van de op grond van dit artikel bemachtigde dieren mogen in het veld worden achtergelaten. Voor het overige dienen de bemachtigde dieren, alsmede delen daarvan, te worden verwijderd uit het veld. Artikel 3.62 Melding en rapportage uitvoering vrijstellingen schadebestrijding De grondgebruiker, dan wel degene die handelt op basis van een toestemming als bedoeld in artikel 3.15, zevende lid, van de Wet natuurbescherming, maakt melding van en rapporteert over de in artikel 3.50 genoemde activiteiten op de in het faunabeheerplan vastgestelde wijze. § 3.9.4 Vrijstelling overige beschermde soorten Artikel 3.63 Vrijstellingen voor beheer, onderhoud, inrichting of ontwikkeling van gebieden 1. De verboden, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming, gelden niet bij de uitvoering van handelingen in het kader van: a. de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b.
bestendig beheer of onderhoud in de land- of bosbouw; c. bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; d. bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied. 2. De vrijstellingen, bedoeld in het eerste lid, gelden ten aanzien van de in bijlage III genoemde andere beschermde soorten. § 3.9.5 Houtopstanden en herbeplanting Artikel 3.64 Melden bij vellen houtopstand 1. De velling van een houtopstand wordt ten minste één maand en ten hoogste één jaar voor de velling gemeld. 2. Gedeputeerde staten stellen een formulier vast ten behoeve van de in het eerste lid genoemde melding. Artikel 3.65 Vrijstellingen meldingsplicht De volgende activiteiten zijn vrijgesteld van de verplichting tot melden, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Wet natuurbescherming: a.
het kappen van verjongingsgaten, indien: a. deze niet groter zijn dan drie maal de boomhoogte; b. deze gezamenlijk niet meer oppervlakte beslaan dan 10% van het bosperceel; en c. dit maximaal één keer per vier jaar plaatsvindt. b. het verwijderen van houtopstanden in het kader van natuurherstel, indien de te verwijderen houtopstand ontstaan is als gevolg van achterstallig onderhoud.
Artikel 3.66 Eisen aan herbeplanting Van een bosbouwkundig verantwoorde wijze van herbeplanting als bedoeld in artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming is sprake indien:
a.
de oppervlakte van de herplant ten minste even groot is als de gevelde oppervlakte; b. de herbeplanting kwalitatief en kwantitatief in een redelijke verhouding staat tot de gevelde of anderszins tenietgegane houtopstand; c. de te herplanten houtopstand, gelet op de bodemkwaliteit en de waterhuishouding ter plaatse, kan uitgroeien tot een volwaardige en duurzame houtopstand.
Artikel 3.67 Vrijstellingen herbeplantingsplicht De volgende activiteiten zijn vrijgesteld van de verplichting tot herbeplanten, bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, van de Wet natuurbescherming: a.
het verwijderen van houtopstanden in het kader van natuurmaatregelen; b. het door natuurlijke ontwikkelingen tenietgaan van houtopstanden indien dit het gevolg is van vernatting door natuurlijke processen of vernatting als onderdeel van anti-verdrogingsmaatregelen.
Artikel 3.68 Ontheffing van herbeplantingsplicht op dezelfde grond Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van de verplichting tot herbeplanting van dezelfde grond als bedoeld in artikel 4.3, eerste en tweede lid, van de Wet natuurbescherming, ten behoeve van herbeplanting op andere grond, indien de andere grond: a. onbeplant is en vrij van een herbeplantingsplicht als bedoeld in artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming is; b. vrij is van (natuur)compensatieverplichtingen; en c. geen wettelijke doelstelling kent die aan de herbeplanting in de weg staat. Artikel 3.68a Afwijkingsbevoegdheid Gedeputeerde staten kunnen de bepalingen van § 3.9.5 buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing, gelet op het belang van een doelgerichte of evenwichtige besluitvorming, naar hun oordeel tot onevenredig bezwarende gevolgen zou leiden.
HOOFDSTUK 4 LEEFOMGEVINGSKWALITEIT § 4.1 Omgevingswaarden Artikel 4.1 Veiligheidsnorm regionale waterkeringen 1. Dit artikel gaat over regionale waterkeringen in beheer van de waterschappen zoals aangewezen in artikel 2.2. 2. Op kaart 3 in bijlage II is voor de betreffende regionale waterkering of voor elk deel daarvan een veiligheidsnorm aangegeven als de gemiddelde overschrijdingskans per jaar. 3. Gedeputeerde staten stellen een technische leidraad vast voor het ontwerp van regionale waterkeringen. Deze strekt tot aanbeveling voor het waterschap. 4. Gedeputeerde staten stellen voorschriften vast voor de door het waterschapsbestuur te verrichten beoordeling van het waterkerend vermogen van de regionale waterkeringen en stellen ten behoeve van die beoordeling de maatgevende hoogwaterstanden vast. 5. Gedeputeerde staten stellen, na overleg met het waterschapsbestuur, het tijdstip vast waarop de verschillende regionale waterkeringen moeten voldoen aan de veiligheidsnorm, bedoeld in het tweede lid. Artikel 4.2 Normen bergings- en afvoercapaciteit regionale wateren 1.
Dit artikel gaat over regionale wateren in beheer van de waterschappen. 2. Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt voor het gebied van een gemeente binnen de bebouwde kom als norm een gemiddelde kans op overstroming van: 1. 1/100 per jaar voor bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen, met uitzondering van glastuinbouw; b.
1/50 per jaar voor glastuinbouw;
c.
1/10 per jaar voor het overige gebied.
3. Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop de regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt voor het gebied van een gemeente buiten de bebouwde kom als norm een gemiddelde kans op overstroming van: 1. 1/100 per jaar voor hoofdinfrastructuur en spoorwegen; b.
1/50 per jaar voor glastuinbouw en hoogwaardige land- en tuinbouw;
c.
1/25 per jaar voor akkerbouw;
d.
1/10 per jaar voor grasland, gedurende de periode van 1 maart tot 1 oktober.
4. Voor bebouwing gelegen buiten de bebouwde kom geldt de norm van het omringend landgebruik genoemd in het derde lid, aanhef, onder b, c of d. In afwijking van de eerste volzin geldt binnen het beheersgebied van het waterschap Amstel, Gooi en Vecht voor bebouwing de norm van het derde lid, aanhef en onder a. 5. In afwijking van het derde en vierde lid geldt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, dat met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop de regionale wateren moeten zijn ingericht, voor het gebied van een gemeente buiten de bebouwde kom, als norm een gemiddelde kans op overstroming van: 1. 1/50 per jaar voor het gebied met glastuinbouw en hoogwaardige land- en tuinbouw; b.
1/10 per jaar voor het overige gebied gedurende de periode van 1 maart tot 1 november.
6. Voor de toepassing van het derde en vijfde lid is wat betreft het landgebruik de situatie zoals vastgelegd in een ruimtelijk plan bepalend. Indien een ruimtelijk plan onvoldoende duidelijkheid verschaft omtrent het type landgebruik dan kan het landgebruik ook worden bepaald met behulp van het Landelijk Grondgebruikersbestand Nederland van Wageningen University & Research. 7. Gedeputeerde staten kunnen nadere voorschriften stellen aangaande de toepassing van het tweede, derde en vijfde lid. 8. Indien het nemen van maatregelen om aan de norm te voldoen niet doelmatig is, kunnen gedeputeerde staten op basis van een gemotiveerd verzoek van het waterschapsbestuur bepalen dat kan worden afgeweken van de in het derde en vijfde lid gestelde normen. 9.
Bij de beoordeling of een gebied voldoet aan de norm kan een gedeelte van de oppervlakte van het gebied overeenkomstig de percentages genoemd in bijlage VI (maaiveldcriteria) behorende bij deze verordening, buiten beschouwing worden gelaten. 10. In afwijking van het tweede, derde en negende lid gelden voor de gebieden met afwijkende maaiveldcriteria waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 4 in bijlage II, de maaiveldcriteria zoals aangegeven. 11. Uiterlijk 31 december 2027 voldoet de inrichting van de regionale wateren binnen de beheersgebieden van het hoogheemraadschap van Delfland, het hoogheemraadschap van Rijnland, het waterschap Hollandse Delta en het hoogheemraadschap voor Schieland en de Krimpenerwaard aan de in het tweede, derde en krachtens het zevende lid opgenomen normen. 12. Gedeputeerde staten stellen voor het beheersgebied van het waterschap Amstel, Gooi en Vecht, het hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden en het waterschap Rivierenland na overleg met het waterschapsbestuur het tijdstip vast waarop de inrichting van de regionale wateren voldoet aan de in het tweede en derde lid opgenomen normen, waarbij rekening wordt gehouden met een eventuele toepassing van het tiende lid.
§ 4.2 Normen voor de fysieke leefomgeving Artikel 4.3 Vaarwegprofielen en toelaatbare afmetingen van schepen 1. Gedeputeerde staten kunnen de gewenste noodzakelijke minimale breedte, diepte en vrije doortvaarthoogte vaststellen van de dwarsdoorsnede van het deel van de vaarwegen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, dat vrij beschikbaar is voor de afwikkeling van scheepvaartverkeer. 2. Gedeputeerde staten kunnen regels stellen over de soort, het type, de afmetingen of de manouvreerbaarheid van schepen die worden toegelaten op de vaarwegen, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid.
HOOFDSTUK 5 TOEDELING VAN TAKEN Afdeling 5.1 Infrastructuur Artikel 5.1 Provinciale infrastructuur Artikel 5.2 Toedeling vaarwegbeheer aan anderen 1. De vaarwegen en sluizen die in beheer zijn bij een waterschap of een gemeente zijn weergegeven op de lijst A2 en de lijst B, beide opgenomen in bijlage IX, die behoren bij kaart 2 van bijlage II. 2. Over de toepassing van de artikelen 4.3, eerste lid, en 5.4, voeren gedeputeerde staten vooraf overleg met de vaarwegbeheerders, bedoeld in het eerste lid. Artikel 5.3 Nautisch beheer 1. Het openbaar lichaam dat ingevolge artikel 5.1 of 5.2 belast is met het beheer van een vaarweg, draagt ook zorg voor het nautisch beheer van deze vaarweg. 2. Gedeputeerde staten kunnen regels stellen over het uit te voeren nautisch beheer. Artikel 5.4 Bedieningstijden van bruggen en sluizen
Gedeputeerde staten kunnen de bedieningstijden vaststellen van de beweegbare bruggen en sluizen in of over vaarwegen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, met uitzondering van spoorbruggen als bedoeld in de Spoorwegwet. Artikel 5.5 Samenwerking met andere wegbeheerders 1. De aansluiting van een openbare weg in beheer bij een gemeente of een waterschap op een weg in beheer bij de provincie, vereist de voorafgaande toestemming van gedeputeerde staten. 2. De toestemming kan worden onthouden wegens strijd met de in artikel 1.3 bedoelde belangen. 3. De toestemming kan afhankelijk worden gesteld van medewerking aan de toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wegenwet. 4. Artikel 10:30 en artikel 10:31 van de Algemene wet bestuursrecht zijn op de toestemming van overeenkomstige toepassing. Paragraaf 4.1.3.3 van die wet is niet van toepassing. Artikel 5.5a Adviesrecht bij omgevingsvergunning 1 Het bevoegd gezag wint op grond van artikel 2.26, lid 3, van de Wabo tijdig advies in bij gedeputeerde staten, alvorens kan worden overgegaan tot besluitvorming bij de volgende activiteiten als bedoeld in artikel 2.2. eerste lid van de Wabo: 1. een weg aan te sluiten op provinciale infrastructuur; b. een uitweg op provinciale infrastructuur te maken, te hebben of te veranderen of het gebruik daarvan te veranderen; c.
houtopstand te planten, behouden of te verwijderen langs provinciale infrastructuur; d. handelsreclame of licht -of geluidgevende voorzieningen op of aan een onroerende zaak, in welke vorm dan ook, aan te brengen, houden of te wijzigen, indien en voor zover deze voor het publiek zichtbaar zijn vanaf provinciale infrastructuur. 2 Indien het advies als bedoeld in lid 1 niet of gedeeltelijk wordt overgenomen, wordt dit door het bevoegd gezag aan gedeputeerde staten medegedeeld. 3 Gedeputeerde staten kunnen voorschriften onderdeel laten uitmaken van het advies.
Afdeling 5.2 Water Artikel 5.6 Toedeling watersysteembeheer Het waterschap is belast met het beheer van het watersysteem waarvan de zorg op grond van artikel 2, eerste lid, van de Waterschapswet bij reglement is opgedragen aan het waterschap. Artikel 5.7 Ontheffing zorg stedelijk afvalwater 1. Op een ontheffing als bedoeld in artikel 10.33, derde lid, van de Wet milieubeheer is afdeling 3.1 van overeenkomstige toepassing. 2. De ontheffing, bedoeld in artikel 10.33, derde lid, van de Wet milieubeheer geldt slechts voor burgemeester en wethouders van de gemeente aan wie zij is verleend.
Afdeling 5.3 Natuur § 5.3.1 Faunabeheer Artikel 5.8 Faunabeheereenheid Zuid-Holland
1. In de provincie Zuid-Holland is er één faunabeheereenheid, genaamd: Faunabeheereenheid Zuid-Holland. 2. Het werkgebied van de Faunabeheereenheid Zuid-Holland omvat de gehele provincie Zuid-Holland. 3. De faunabeheereenheid bevordert de uitvoering van passende en doeltreffende maatregelen ter voorkoming en bestrijding van schade als bedoeld in artikel 3.12, vierde lid van de Wet natuurbescherming. 4. De faunabeheereenheid is verantwoordelijk voor de coördinatie van de uitvoering van de door haar vastgestelde faunabeheerplannen. 5. De faunabeheereenheid bevordert het naar behoren uitoefenen van de aan haar toegestane handelingen als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Wet natuurbescherming. Artikel 5.9 Bestuurssamenstelling 1. In het bestuur van de faunabeheereenheid zit ten minste een vertegenwoordiger van hierna genoemde entiteiten, zijnde jachthouders of jachtaktehouders, werkzaam binnen het werkgebied van de faunabeheereenheid: a. agrariërs; b. particuliere grondeigenaren; c. terreinbeherende organisaties; d. vereniging van jachtaktehouders. 2.
In aanvulling op artikel 3.12, tweede en negende lid, van de Wet natuurbescherming, en naast de vertegenwoordigers, bedoeld in het eerste lid, zit in het bestuur van de faunabeheereenheid een vertegenwoordiger van een of meer maatschappelijke organisaties die het doel nastreeft van een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren in Zuid-Holland, waarbij de vertegenwoordiger spreekt namens een gezamenlijke achterban van ten minste 2.500 leden of donateurs woonachtig in de provincie Zuid-Holland. 3. De voorzitter van de faunabeheereenheid is niet als bestuurslid of werknemer verbonden aan de in het eerste of tweede lid genoemde organisaties. Artikel 5.10 Verlening toestemming door faunabeheereenheid 1. Aan een toestemming als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Wet natuurbescherming, worden door de faunabeheereenheid dezelfde voorwaarden verbonden als aan de ontheffing waarop die toestemming ziet. 2. De faunabeheereenheid kan in aanvulling op de voorwaarden als bedoeld in het eerste lid voorwaarden stellen ten behoeve van monitoring, rapportage en coördinatie. 3. Een toestemming als bedoeld in het eerste lid heeft geen langere looptijd dan de ontheffing. 4. De faunabeheereenheid trekt de toestemming, bedoeld in het eerste lid in, indien: a. de voorwaarden, bedoeld in het tweede lid niet worden nageleefd; of b.
hiertoe is verzocht door gedeputeerde staten. 5. De faunabeheereenheid houdt een registratie bij van alle verleende toestemmingen als bedoeld in het eerste lid. Deze registratie is te allen tijde ten behoeve van toezicht of handhaving op verzoek inzichtelijk voor gedeputeerde staten. § 5.3.2 Wildbeheer Artikel 5.11 Statuten en verplichtingen wildbeheereenheden 1. In aanvulling op artikel 3.14 van de Wet natuurbescherming bevordert het bestuur van een wildbeheereenheid dat haar leden handelen overeenkomstig de Wet natuurbescherming, deze verordening, de verleende ontheffingen op grond van de Wet natuurbescherming, de weidelijkheid en het faunabeheerplan.
2. De statuten van een wildbeheereenheid bevatten in ieder geval de bepaling dat het lidmaatschap van de wildbeheereenheid kan worden opgezegd wanneer het lid bij de uitoefening van de jacht, schadebestrijding of populatiebeheer niet handelt conform de faunabeheerplannen of ontheffingen, dit ter beoordeling van het bestuur van de wildbeheereenheid, gehoord de faunabeheereenheid. 3. De wildbeheereenheid stelt een geschillenregeling in met betrekking tot geschillen die voortvloeien uit opzegging van een lidmaatschap als bedoeld in het tweede lid. 4. Het bestuur van een wildbeheereenheid informeert de leden van de wildbeheereenheid op adequate wijze over het faunabeheer en de schadebestrijding door de wildbeheereenheid. 5. Het bestuur van een wildbeheereenheid bevordert voor haar leden een gecoördineerde uitvoering van de verplichting, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, van de Wet natuurbescherming. Artikel 5.12 Omvang en begrenzing werkgebied 1. De begrenzing van een wildbeheereenheid wordt door de desbetreffende wildbeheereenheid vastgesteld en aangegeven op een kaart. 2. Het werkgebied van een wildbeheereenheid heeft een oppervlakte van ten minste 5.000 hectare binnen de provincie Zuid-Holland. 3. Het werkgebied van een wildbeheereenheid strekt zich niet uit tot een gebied waarover zich de zorg van een andere wildbeheereenheid uitstrekt. 4.
Een wildbeheereenheid kan, in afstemming met andere betrokken wildbeheereenheden, de begrenzing van haar werkgebied wijzigen. 5. De betrokken wildbeheereenheden informeren gedeputeerde staten schriftelijk indien de begrenzing, bedoeld in het vierde lid wordt gewijzigd. Artikel 5.13 Verplicht lidmaatschap wildbeheereenheid 1. Ingevolge artikel 3.14, tweede lid, sub b, van de Wet natuurbescherming, worden geen uitzonderingen gemaakt op de wettelijke verplichting voor jachthouders met een jachtakte om zich te organiseren in een wildbeheereenheid. 2. Alleen aan de volgende personen is het toegestaan om binnen het werkgebied van de wildbeheereenheid uitvoering te geven aan het faunabeheerplan: a. de jachthouder in zijn jachtveld; b. personen met schriftelijke toestemming van de jachthouder, mits de jachthouder lid is van de wildbeheereenheid; c. leden van de wildbeheereenheid; d. personen in het gezelschap van de onder a, b of c bedoelde personen. 3. Het tweede lid geldt niet ten aanzien van het bewerken van eieren en nesten door grondgebruikers.
Afdeling 5.4 Bijzondere bepalingen rechthebbenden Artikel 5.14 Onderhoudsplicht werken en voorwerpen Degene die een werk of een vaste stof of voorwerp brengt op of aan provinciale infrastructuur, overeenkomstig afdeling 3.3, is gehouden dat werk, die vaste stof of dat voorwerp te onderhouden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. Artikel 5.15 Onderhoudsplicht oevers 1. Onverminderd artikel 5.3 van de Waterwet is de onderhoudsplichtige van de oever langs een vaarweg verplicht deze stevig en passend in de omgeving te houden, zodat deze in goede staat is. 2. Gedeputeerde staten kunnen nadere regels stellen over de omvang en inhoud van de onderhoudsplicht en over de inspectie van oevers.
Artikel 5.16 Verhalen van schepen 1. Een stilliggend schip, samenstel van schepen of drijvende voorwerpen wordt op aanwijzing van gedeputeerde staten over korte afstand langs een oever of kade naar een andere ligplaats verplaatst, indien naar hun oordeel het onderhoud van een provinciale vaarweg aldaar werkzaamheden nodig maakt. 2. Spoedeisende gevallen uitgezonderd, stelt gedeputeerde staten de rechthebbenden of gebruikers van het schip, het samenstel van schepen of de drijvende voorwerpen tijdig van tevoren in kennis van de voorgenomen werkzaamheden.