CConstaterende datPijnacker Nootdorp
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3.1 OBP Oude Polder - Toelichting 20220621

Raad Beeldvorming 8 februari 2024, gemeente Pijnacker NootdorpBij agendapunt: Stukken ontwerpbestemmingsplan ‘Oude Polder – Dierenpension’ zoals besproken in nov. 202227.982 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Lid 3: Bij het beantwoorden van de vraag of bij een beoogde ruimtelijke ontwikkeling de ruimtelijke kwaliteit gewaarborgd kan blijven, wordt de schaalverdeling inpassen, aanpassen en transformeren gehanteerd als bedoeld in het vijfde lid. Lid 4: Een bestemmingsplan kan een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maken, mits een zorgvuldige afweging is gemaakt over de locatiekeuze. De motivering gaat in op de beschreven kenmerken en waarden van het gebied en de effecten van de ontwikkeling daarop. Deze vereisten gelden voor zover het gaat om een ruimtelijke ontwikkeling waarbij: a. een of meer richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit in het geding zijn zoals beschreven in de omgevingsvisie beleidskeuze landschap; of b. sprake is van aanpassen of transformatie als bedoeld in het vijfde lid. Lid 5: Een bestemmingsplan kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling onder de volgende voorwaarden: a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, waardoor de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen; b. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau.

Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo

datum referentie

14 juni 2022 203755_AdB_RAP_0001_v2.0

P 27/75

c.

ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van aanpassen; de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van transformeren.

Lid 6. Specifieke regels voor de gebiedstypen als bedoeld in de artikelen 6.9a, 6.9b, 6.9c, 6.9d. 6.9e, 6.9f en 6.9g, worden in acht genomen tenzij een zwaarwegend openbaar belang hieraan in de weg staat. In de onderhavige situatie is artikel 6.9b Beschermingscategorie 2 Recreatiegebied van toepassing: Een bestemmingsplan voor een locatie binnen recreatiegebied waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II, kan voorzien in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen voor zover: a. de ontwikkeling geen beperking oplevert voor de openbare toegankelijkheid van het gebied, rekening houdend met het huidige gebruik van het gebied; b. de ontwikkeling gericht is op de vergroting van de diversiteit en de kwaliteit van het recreatiegebied en ook de recreatieve waarde van het gebied zal versterken; c. de ontwikkeling past bij de uitstraling en het recreatieve gebruik van het gebied; d. de ontwikkeling bijdraagt aan de samenhang tussen binnenstedelijke en buitenstedelijke groen- en waterstructuren; e. de ontwikkeling zo mogelijk gekoppeld wordt aan recreatie knooppunten en cultuurhistorisch erfgoed. Lid 7: Om de ruimtelijke kwaliteit per saldo gelijk te houden of te waarborgen kan het nodig zijn om aanvullende maatregelen te nemen bij aanpassen en transformeren. Aanvullende ruimtelijke maatregelen kunnen bestaan uit een combinatie van: a.

duurzame sanering van bestaande bebouwing, kassen en boom- en sierteelt; b. wegnemen van verharding; c. toevoegen of herstellen van kenmerkende landschapselementen; d. andere maatregelen waardoor de ruimtelijke kwaliteit verbetert, waarbij aanvullende maatregelen worden getroffen binnen het plangebied van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling, tenzij kan worden gemotiveerd dat dat onmogelijk is. In dat geval kunnen ook ruimtelijke maatregelen buiten het plangebied worden betrokken in de motivering; e. indien aanvullende maatregelen niet volstaan, financiële compensatie wordt toegepast. Van de leden 8 tot en met 12 is alleen lid 9 relevant voor de onderhavige ontwikkeling: Lid 9: Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 2, zijnde Recreatiegebied, Belangrijk weidevogelgebied of Groene buffer, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II, kan in beginsel slechts ontwikkelingen mogelijk maken die vallen onder de noemer inpassen of aanpassen en die in overeenstemming zijn met de artikelen 6.9b, 6.9c of 6.9d. Stedelijke ontwikkelingen De Omgevingsverordening hanteert een regeling voor stedelijke ontwikkelingen. Artikel 6.10 van de Omgevingsverordening stelt daaromtrent het volgende:

datum referentie

14 juni 2022 203755_AdB_RAP_0001_v2.0

P 28/75

1.

2.

3.

4.

Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoetaan de volgende eisen: a. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b. indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is wordt gebruik gemaakt van grote buitenstedelijke bouwlocaties waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 19 in bijlage II en wordt rekening gehouden met de voor deze locaties opgenomen gegevens en criteria in bijlage X. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling met de functie wonen mogelijk maakt voorziet in voldoende sociale huurwoningen. Onder voldoende wordt in ieder geval verstaan wat hierover is vastgelegd in de geldende door Gedeputeerde Staten aanvaarde regionale woonvisie. Gedeputeerde staten kunnen bij de aanvaarding van een regionale visie aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen.

In de toelichting van het bestemmingsplan kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie bij de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Gedeputeerde staten kunnen een regionale visie voor wonen of bedrijventerreinen vaststellen. Een bestemmingsplan bevat geen bestemmingen die in strijd zijn met de door gedeputeerde staten vastgestelde regionale visie.

Risico’s van klimaatverandering De Omgevingsverordening vraagt ook aandacht voor klimaatverandering. Hierop ziet artikel 6.35a toe: In een bestemmingsplan wordt rekening gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a. wateroverlast door overvloedige neerslag; b. overstroming; c. hitte; d. droogte Beoordeling Wanneer de beoogde ontwikkeling afgezet wordt tegen het regels van de Omgevingsverordening Zuid-Holland dan is er sprake van het ‘aanpassen’ van het gebied zoals bedoeld in artikel 6.9 lid 5 sub b. Het plangebied is bij bestudering van de kwaliteitskaart gelegen in het veen(weide)landschap. De structuur in de veengebieden is sterk bepaald door de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsbasissen. Loodrecht daarop staan de (regelmatige) verkavelingspatronen. Het landschap is tussen deze structuren weids met lange zichtlijnen. Andere kenmerken zijn de smalle kavels, vele sloten met hoog waterpeil en overwegend grasland als bodemgebruik. Het agrarisch gebruik overheerst. Belangrijke kenmerken van het veenweidegebied zijn het contrast tussen (meer verdichte) hooggelegen boezems, linten en bovenlanden en het uitgestrekte, ingeklonken veen (open gebied).

Veenstromen, dijken en kades vormen landschappelijke structuurdragers en begrenzen de (open) poldereenheden. Het gebruik richt zich op behoud van de maat van de poldereenheden, het verkavelingspatroon, de beplanting, de kades en dijken en de zichtbaarheid van water in de vorm van sloten, weteringen en boezems. Een duurzaam gebruik en eigenaarschap van het veen(weide)gebied is van belang. Het maken van nieuwe (agrarische) natuurlandschappen met een (extensieve) recreatieve functie behoort daarbij tot de mogelijkheid.

datum referentie

14 juni 2022 203755_AdB_RAP_0001_v2.0

P 29/75

Het bovenstaande vertaald zich in de volgende richtpunten bij ontwikkeling: 1. Bewaren diversiteit aan verkavelingspatronen. Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden. 2. Ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen. 3. Ontwikkelingen dragen bij aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden. 4. Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/ linten en niet in de veenweidepolders. 5. Nieuwe agrarische bedrijven liggen aan bestaande ruilverkavelingslinten of op een zeer goed bereikbare locatie voor zwaar verkeer. Ze vormen visuele eilanden in het veenweidelandschap door stevige, passende beplanting en een ligging op ruime afstand van elkaar. In bijlage 2 behorende bij deze toelichting is de visie op het gebied en de beoogde ontwikkeling opgenomen. In deze visie wordt ingegaan op wijze de ontwikkeling voldoet aan de richtpunten. Richtpunten 1, 2 en 3: De bestaande lengtesloten worden gerespecteerd. Alhoewel de voor veenpolder kenmerkende slagenverkaveling met lange sloten en lijnvormige landschapselementen niet meer aanwezig zijn als gevolg van het gebruik als grondopslag locatie. De bestaande bebouwing, kassen en grote wegen doorsnijden het landschap en vormen harde grenzen.

De ontwikkeling beoogt wel het oorspronkelijk polder landschap in herinnering te brengen door een samenspel van nieuwe lijnelementen, zowel water als groene lijnelementen, en architectuur die laag en lang van karakter is.

Uitsnede visieposter Oude polder. Bron: Aveco de Bondt, 2022

Richtpunt 4: Het plangebied bevat geen bestaande (bebouwings)structuren / linten waar op aangesloten kan worden De besaande bebouwing van zowel de kern als de glastuinbouw biedt niet de mogelijkheden. De provinciale weg

datum referentie

14 juni 2022 203755_AdB_RAP_0001_v2.0

P 30/75

N407 en de rondweg volgen geen herkenbare lijnen in het landschap en vormen die recht doen aan een waardevol veenpolder landschap. Richtpunt 5: Dit richtpunt is gezien het karakter en aard van het gebied niet relevant. Toch is het goed mogelijk om het dierenpension een groen eiland te laten zijn. De huidige inrichting is onbestemd en onduidelijk. Door de ontwikkeling ontstaat ook de mogelijkheid om het gebied een groen karakter te geven en zo te fungeren als schakel tussen de kern Pijnacker en het natuur- en recreatiegebied de Groenzoom. De mogelijkheden voor ontwikkelingen is afhankelijk van het soort beschermingsgebied. De onderhavige locatie is aangewezen als beschermingscategorie 2 Recreatiegebied. De aanwijzing is gebaseerd op de ligging van het natuur- en recreatiegebied de Groenzoom. Ontwikkelingen zijn alleen toegestaan indien het de ontwikkeling betreft van bovenlokale infrastructuur of van natuur. In de toelichting bij de Omgevingsverordening Zuid-Holland wordt het volgende gezegd over gebieden vallend onder beschermingscategorie 2: Groene buffers. Dit zijn de belangrijkste groene gebieden tussen en rond de steden van de zuidelijke Randstad. Ze vormen op de schaal van de provincie een onmisbare ‘tegenhanger’ van de stedelijke dynamiek en verdichting. Behoud van deze ruimtes is van belang voor de identiteit en leefkwaliteit van het stedelijk gebied.

Ruimtelijke ontwikkelingen zijn hier mogelijk, maar extra bescherming tegen (grootschalige) stedelijke ontwikkeling is van belang om de schaal en het karakter van deze gebieden in stand te houden. Het dierenpension is nu gevestigd aan de Overgauwseweg 54 in Pijnacker. De vestiging op deze locatie geeft (in verband met de geluidscirkel) problemen bij nieuwbouwwijk Tuindershof. Door de aanwezigheid van dierenpension kan een deel van deze nieuwbouwwijk niet worden gerealiseerd. Daarbij zijn binnen de geluidscirkel van het hondenpension nu al enkele woningen aanwezig. Het pension is daarom milieutechnisch niet houdbaar op de huidige plek. Verplaatsing naar een andere locatie in de gemeente is daarom dringend gewenst. Er is sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang door enerzijds het willen garanderen van een goed woon- en leefklimaat van bestaande omwonenden van de huidige locatie en het kunnen voorzien in de woningbehoefte in de gemeente. Om de ontwikkeling aanvaardbaar te maken wordt rondom het dierenpension een groene inrichting gerealiseerd die recht doet aan de geschiedenis als polder (zie bijlage 2 bij deze toelichting). Door het realiseren van nieuwe lijnelementen met water groen wordt de ruimtelijke kwaliteit verbetert.

Door het gebied verder openbaar te ontsluiten met paden wordt ook de beleving en het recreatieve gebruik van het gebied mogelijk gemaakt voor de inwoners van Pijnacker. De huidige inrichting maakt de locatie slechts zeer beperkt toegankelijk. In paragraaf 2.4 van dit bestemmingsplan is wordt ingegaan op de gewenste beeldkwaliteit bij de ontwikkeling. Aandacht moet zijn voor de kwaliteit van de architectuur, terreininrichting en de openbare ruimte. Deze laatste is en blijft in eigendom van de gemeente waardoor de kwaliteit van de inrichting gewaarborgd is. De beoogde ontwikkeling betreft een stedelijke ontwikkeling waardoor tevens voldoen moet worden aan artikel 6.10 van de omgevingsverordening. Het bestemmingsplan die de stedelijke ontwikkeling toestaat moet toepassing geven aan artikel 3.1.6 lid 2, 3 en 4 van het Besluit ruimtelijke ordening, de ladder voor duurzame verstedelijking. In paragraaf 3.2.3 wordt de ladder behandeld. In deze paragraaf wordt aangetoond dat voldaan wordt aan de ladder. Hiermee is voldaan aan de voorwaarde van artikel 6.10 van de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Klimaatverandering is een belangrijk onderwerp en iedere ruimtelijke ontwikkeling zal daar aandacht voor moeten hebben. Bij het realiseren van een stedelijke ontwikkelingen spelen de onderwerpen wateroverlast, hittestress en droogte een rol.

Door het realiseren van gebouwen en verharding kan water niet langer de bodem infiltreren en

datum referentie

14 juni 2022 203755_AdB_RAP_0001_v2.0

P 31/75

indien het niet afgevoerd kan worden kan wateroverlast ontstaan. Echter, wanneer water te snel wordt afgevoerd kan droogte een probleem worden omdat te weinig water ter plaatse infiltreert. Hittestress ontstaat ook door bebouwing en verharding. Stenen houden warmte vast waardoor de temperatuur in stedelijk gebied kan oplopen. De wijze waarop de onderhavige ontwikkeling omgaat met het water wordt behandeld in paragraaf 4.3. Kortheidshalve wordt daarna verwezen voor nader uitleg maar door het behouden van een ruime groene omgeving en het aanleggen van extra watergangen is wateroverlast en droogte te voorkomen. In relatie tot de omvang van het groen in verhouding tot de omvang van de gebouwen en verharding zal hitte stress geen factor zijn. Conclusie Het voornemen voldoet aan het provinciale beleid. 3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1

Omgevingsvisie Pijnacker-Nootdorp 2050, Verbonden met elkaar

Toetsingskader De gemeente Pijnacker-Nootdorp heeft een omgevingsvisie opgesteld waarin wordt beschreven hoe PijnackerNootdorp er in 2050 uit zou kunnen zien. Deze visie is op 25 november 2021 vastgesteld. Met de nieuwe Omgevingsvisie bereidt de gemeente zich voor op de Omgevingswet die in de nabije toekomst in werking treedt. De omgevingsvisie is binnen deze wet een nieuw instrument waarin de gemeenteraad zijn integrale visie op fysieke leefomgeving voor de lange termijn geeft. De omgevingsvisie gaat over de hele fysieke leefomgeving en is breder dan zijn voorganger: de ruimtelijke structuurvisie. Het gaat niet alleen om thema's als wonen, ruimtelijke ordening, mobiliteit, economie en groen, maar ook om onderwerpen als gezondheid, omgevingsfactoren (milieu), duurzaamheid en veiligheid. De gemeente onderscheidt vier ontwikkelingslijnen die gezamenlijk richting geven aan de toekomst van de fysieke leefomgeving van Pijnacker-Nootdorp: 1. Ontwikkelingslijn 1: Onderscheidend groen 2. Ontwikkelingslijn 2: Karakteristieke woon- en leefomgeving 3. Ontwikkelingslijn 3: Aantrekkelijk economische vestigingsklimaat voor inwoners en ondernemers 4. Ontwikkelingslijn 4: Een veerkrachtige leefomgeving voor mensen, planten en dieren De ontwikkelingslijnen zijn geen keuzemogelijkheden, ze zijn allen even belangrijk en versterken elkaar.

Samen geven ze een integraal beeld en richting voor de toekomst voor het gehele grondgebied van de gemeente. Beoordeling Het onderhavig plan draagt bij aan verschillende ontwikkelingslijnen. Zo wordt het gebied rondom het dierenpension groen ingericht en openbaar ontsloten. Hierdoor draagt het bij aan het versterken van de openbare groenruimte vanuit de kern Pijnacker. Vanuit de kern kan nu een looproute gecreëerd worden die direct aansluit op de Groenzoom. Een meer indirecte bijdrage is het verbeteren van de leefomgeving van de huidige locatie waar het bedrijf een bron van geluidoverlast is. Dit wordt nu opgeheven zonder dat de problemen verplaatst worden. Op de beoogde locatie kan voldoende afstand gehouden worden tot bestaande woningen. Conclusie De beoogde ontwikkeling draagt bij aan het realiseren van de doelstellingen van de omgevingsvisie.

datum referentie

14 juni 2022 203755_AdB_RAP_0001_v2.0

P 32/75

3.4.2

Beleidsplan ‘Natuur op de kaart’

Toetsingskader In 2017 heeft de gemeente Pijnacker-Nootdorp het beleidsplan ‘Natuur op de kaart’ opgesteld. Dit beleidsplan vormt de actualisatie van het natuurbeleidsplan uit 2012. De gemeente Pijnacker-Nootdorp zet in op een netwerk van natuur dat bestaat uit leefgebieden en verbindingszones. Het beleidsplan vormt de toekomstvisie voor de verdere realisatie van het natuurnetwerk én een rijke natuur, binnen de gemeente. Bij het ontwikkelen van woningbouw dient ruimte gereserveerd te worden voor natuur en dient de natuur gestimuleerd te worden.

Uitsnede beleidskaart 'Natuur op de kaart'. Het plangebied is aangeduid met een rode cirkel.

Beoordeling In het beleidsplan wordt de hoofdgroenstructuur geformuleerd. Het plangebied maakt onderdeel uit van het ‘Natuurnetwerk’ van de kern Pijnacker. Met behoud van de groene voorruimte blijft dit natuurnetwerk zoveel als mogelijk bestendigd. Het groengebied zal ingericht worden met een combinatie van recreatieve en ecologische maatregelen. Hierdoor wordt het ecologisch netwerk versterkt ten opzichte van de huidige situatie. Verder is het plangebied voorzien van de dubbelbestemming ‘Waarde – Ecologie’ die toeziet op het instandhouden en ontwikkelen van ecologische waarden. Conclusie Het initiatief is in lijn met het beleidsplan ‘Natuur op de kaart’.

datum referentie

14 juni 2022 203755_AdB_RAP_0001_v2.0

P 33/75

datum referentie

14 juni 2022 203755_AdB_RAP_0001_v2.0

P 34/75

4

Planologisch relevante (milieu)aspecten

4.1

Inleiding

Toetsing juncto art. 3.1.6 Bro Met betrekking tot een (ontwerp-)bestemmingsplan staat in artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht vermeld: 'bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen'. Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat rekening moet worden gehouden met de uitkomsten van het met toepassing van artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht verrichte onderzoek. Daarnaast moet ook worden getoetst aan het Besluit m.e.r. Ten behoeve van het onderhavige plan heeft onderzoek plaatsgevonden naar een aantal uitvoeringsaspecten. Hieronder wordt verslag gedaan van de uitkomsten van het gepleegde onderzoek. De onderzoeksrapporten zijn als bijlagen gevoegd bij dit bestemmingsplan. Achtereenvolgens worden behandeld: • bodem; • waterhuishouding; • cultuurhistorie; • archeologie; • ecologie; • akoestiek; • bedrijven en milieuzonering; • externe veiligheid; • kabels en leidingen; • luchtkwaliteit; • milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling. 4.2

Bodem

Toetsingskader Op basis van art. 3.1.6, lid 1 onder f Bro geldt dat in een toelichting op een ruimtelijk besluit de inzichten over de uitvoerbaarheid van dat besluit worden neergelegd. Ten aanzien van het aspect bodemkwaliteit staat, op basis van vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS), voorop dat de vaststelling van de aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van sanering van verontreinigde locaties en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures. Dat doet er niet aan af dat het bevoegd gezag het ruimtelijk besluit pas kan nemen indien, voor zover redelijkerwijs valt in te zien, een eventuele bodemverontreiniging niet aan de uitvoerbaarheid in de weg staat (22 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO8297, r.o. 2.18.4; 27 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW9569, r.o. 2.10.3). Daarbij geldt als uitgangspunt dat de bodem in principe geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico vormen voor de gebruikers van de bodem. Beoordeling Door BK Bodem BV is in 2014 een verkennend (water)bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de toekomstige Oostelijke randweg. Het onderhavige plangebied is daarbij eveneens onderzocht vanwege de mogelijke ontwikkeling ter plaatse van een tennispark.

Rapportage van het onderzoek is als bijlage 3 gevoegd bij deze toelichting. Binnen onderhavig plangebied is tijdens het onderzoek geen (sterke) verontreiniging aangetoond. Aanvullend onderzoek ter plaatse is niet noodzakelijk gebleken. Op basis van de bevindingen uit bovengenoemd bodemonderzoek zijn er vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen c.q. beperkingen voor de beoogde

datum referentie

14 juni 2022 203755_AdB_RAP_0001_v2.0

P 35/75

ontwikkeling. Ten tijde van de aanvraag voor de omgevingsvergunning aspect ‘bouwen’ is, gelet op de ouderdom van het rapport, mogelijk een actualiserend bodemonderzoek noodzakelijk. Conclusie Uit het verkennende bodemonderzoek blijkt dat de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geschikt is voor de beoogde functie. 4.3

Waterhuishouding

Toetsingskader In ruimtelijke plannen dient aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. De integratie van water in ruimtelijke plannen vindt plaats via de zogenaamde watertoets. Concreet betekent de watertoets, dat een plan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Daarin dient een wateradvies van de waterbeheerder te worden meegenomen. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6 lid 1, sub b Bro. Beleid Hoogheemraadschap van Delfland In het Waterbeheerplan 2016-2021 (WBP5) heeft Delfland de ambities en doelstellingen voor de komende jaren vastgelegd. Voor de zorgplicht voor ‘droge voeten’, ‘stevige dijken’ en ‘schoon water’ zijn meerjarenprogramma’s opgesteld die doorlopen in de planperiode tot 2021. Delfland zet in op integraal waterbeheer in het sterk verstedelijkt deel van Nederland. Samen met de gemeenten en andere partners werkt Delfland aan klimaatadaptatie.

Een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem is vertaald naar zelfvoorzienendheid door het sluiten van kringlopen van water, energie en grondstoffen. Om doelen te bereiken werkt Delfland samen met gebiedspartners. Delfland werkt ook aan het waterbewustzijn om de kosten van het waterbeheer waar mogelijk te verlagen en het draagvlak te vergroten voor het zelf nemen van maatregelen. Natuurlijk zijn veiligheid en het voorkomen van wateroverlast belangrijke aandachtspunten voor Delfland. Maar het gaat niet alleen om deze voor de hand liggende aspecten. Sinds het Waterbeheerplan 2010-2015 organiseert Delfland het werk vanuit vier inhoudelijke programma’s: Stevige dijken, Voldoende water, Schoon water en Gezuiverd afvalwater. De programma’s zijn onderverdeeld in thema’s (zie onderstaande tabel). Bij het leveren van input voor en beoordelen van ruimtelijke plannen hanteert Delfland deze programma’s en thema’s als leidraad. In het Waterbeheerplan 2016-2021 is bovendien aangegeven, dat deze thema’s niet op zichzelf staan, maar een integrale opgave voor een toekomstbestendig watersysteem omvatten.

Handreiking watertoets Het Hoogheemraadschap heeft de Handreiking watertoets voor gemeenten vastgesteld. Deze is specifiek geschreven voor ruimtelijke plannen op gemeentelijk niveau. Met deze handreiking wordt inzicht gegeven in de

datum referentie

14 juni 2022 203755_AdB_RAP_0001_v2.0

P 36/75

wijze waarop het Hoogheemraadschap van Delfland procedureel en inhoudelijk omgaat met de watertoets. De handreiking is gebaseerd op bestaand beleid van Delfland en sluit aan op de landelijke wet- en regelgeving. Met de watertoets wordt gestreefd naar een goede inpassing van water in ruimtelijke planvorming. Voorkomen moet worden dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen negatieve effecten hebben op het watersysteem. Waar mogelijk moeten kansen worden benut om het watersysteem te verbeteren. Beoordeling Waterkwantiteit Het plangebied is in de huidige situatie volledig onverhard. Ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt, of de vasthoudcapaciteit van een gebied op andere manieren wordt verkleind, zorgen voor een snellere afstroming van hemelwater naar het oppervlaktewater. Dit kan leiden tot wateroverlast. Versnelde afvoer door meer verharding voldoet dus niet aan het stand-still beginsel, tenzij ter compensatie extra waterberging wordt gerealiseerd. Om te bepalen hoeveel waterberging nodig is om de ontwikkeling hydrologisch neutraal te kunnen uitvoeren, heeft hoogheemraadschap Delfland de Watersleutel ontwikkeld. Deze rekentool heeft Delfland ontwikkeld om voor eenvoudige plannen op basis van een aantal kenmerken van de ontwikkeling en het watersysteem snel inzicht te krijgen in de benodigde compensatie.

De Watersleutel toont hierbij het verschil tussen de benodigde waterberging in de huidige en de toekomstige situatie. De ingevulde watersleutel is als bijlage 4 gevoegd bij deze toelichting. Conform het beleid van Delfland is ten aanzien van de ontwikkeling en de toename in het verhard oppervlak een compenserende berging benodigd van circa 520 m3. Binnen het plangebied is voldoende ruimte aanwezig om water te bergen. Hemelwater kan bovengronds ‘zichtbaar’ worden afgevoerd richting de buffers. De daadwerkelijke realisatie van voldoende waterberging is door middel van een regel geborgd in het bestemmingsplan. De civieltechnische uitwerking van de waterberging wordt uitgewerkt in het kader van het verkrijgen van de omgevingsvergunning voor het ‘bouwen’. Op dat moment moet een keuze worden gemaakt in de toe te passen voorziening.

Uitsnede legger hoogheemraadschap van Delfland. Het plangebied is geduid met een rode contour.

datum referentie

14 juni 2022 203755_AdB_RAP_0001_v2.0

P 37/75

Op de leggerkaart van Hoogheemraadschap van Delfland zijn de in de directe omgeving van de planlocatie gelegen oppervlaktewateren weergegeven. Rondom het plangebied is oppervlaktewater aanwezig in de vorm van enkele secundaire watergangen. Dit zijn oppervlaktewaterlichaam met een lokale transport- en ontwaterende functie of dat zorgt voor een zekere drooglegging. Het gewoon onderhoud van het watervoerende deel van een secundair water berust bij de aanliggende eigenaren. Bij de inrichting van het perceel dient er rekening mee te worden gehouden dat voldaan kan worden aan deze onderhoudsplicht. Voor werkzaamheden nabij een watergang is mogelijk een watervergunning noodzakelijk. Uit historisch kaartmateriaal blijkt dat de watergang in het midden van het plangebied reeds begin 2018 is gedempt. Als onderdeel van de beoogde ontwikkeling is voorzien in het realiseren van een nieuwe waterloop zij het zuidelijker dan de oorspronkelijke waterloop. De omliggende watergangen blijven ongewijzigd behouden. Gescheiden van het hemelwater wordt het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) separaat verwerkt en

Het plangebied gezien vanaf de Gantellaan (foto links) en satellietfoto omgeving plangebied april 2018 (rechts). Bron: cyclomedia, 2020.

aangesloten op de bestaande hemelwaterriolering. Het afvalwater wordt van daaruit afgevoerd naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie. Door de scheiding van het vuilwater van het hemelwater (hemelwaterafvoer; HWA) wordt de bestaande riolering veel minder belast. Watersysteemkwaliteit en ecologie Om invulling te geven aan een duurzaam waterbeheer, kan tijdens de uitvoerfase rekening gehouden worden met duurzaam bouwen. In de Nationale Pakketten Duurzaam Bouwen: Woningbouw nieuwbouw, Woningbouw beheer en Utiliteitsbouw is een tweetal maatregelen (S/U237 en S/U444) opgenomen die onder meer betrekking hebben op het verminderen van de emissie van milieubelastende stoffen naar het van daken afgevoerde hemelwater. Bij nieuwbouw wordt geadviseerd gebruik te maken van niet-uitloogbare bouwmaterialen in verband met de waterkwaliteit. Dit houdt in dat toepassing van materialen voor daken, dakgoten en hemelafvoeren zoals zink, koper, lood etc. wordt afgeraden, tenzij de materialen zijn voorzien van een coating. De beoogde ontwikkeling van het hondenpension is een milieucategorie 3.2 bedrijf maar de belangrijkste emissiebron is geluid. Als gevolg hiervan wordt uitgesloten dat het bedrijf effecten heeft op de waterkwaliteit. Onderhoud en bagger Alle gronden in de directe omgeving van het bedrijf inclusief de watergangen zijn in eigendom van de gemeente Pijnacker-Nootdorp.

Als zodanig is de gemeente ook verantwoordelijk voor het onderhoud van de watergangen. Hierin treedt geen verandering op. Het wijzigen van de bestemming heeft geen invloed op de mogelijkheid om de watergangen te onderhouden. Er zijn geen extra maatregelen noodzakelijk.

datum referentie

14 juni 2022 203755_AdB_RAP_0001_v2.0

P 38/75

Grondwater Het initiatief vraagt niet om ingrepen die gevolgen hebben voor het grondwater. Klimaatadaptie Klimaatadaptieve maatregelen zijn goed mogelijk in het plangebied (bijvoorbeeld een regenton) echter dit betreffen allen maatregelen op uitvoeringsniveau en dienen daar verder in beeld gebracht te worden. Conclusie Op basis van de randvoorwaarden en uitgangspunten is de ontwikkeling in zowel ruimte als tijd waterneutraal uit te voeren. Er worden dan ook vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmering verwacht ten aanzien van de bestemmingswijziging en de uitvoering van het plan. In de regels is gewaarborgd dat wordt voorzien in voldoende waterbergende voorzieningen. 4.4

Cultuurhistorie

Toetsingskader In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden (artikel 3.1.6, lid 5 Bro). De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Beleid provincie Zuid-Holland De Provincie Zuid-Holland heeft in 2017 haar Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) geactualiseerd. De CHS biedt een integraal overzicht in de vorm van een kaartbeeld op provinciaal niveau van de relevante cultuurhistorische kenmerken en waarden (archeologie, historische stedenbouw en historisch landschap). Beoordeling Na raadpleging van de provinciale Cultuurhistorische kaart blijkt in het plangebied geen cultureel erfgoed te liggen of andersoortige cultuurhistorisch waardevolle elementen waar bij de planvorming rekening mee moet worden gehouden.

datum referentie

14 juni 2022 203755_AdB_RAP_0001_v2.0

P 39/75

Uitsnede cultuurhistorische atlas provincie Zuid-Holland. Het plangebied is globaal aangeduid met een gele ster.

Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling. 4.5

Archeologie

Toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet, welke in werking is getreden op 1 juli 2016. Ten aanzien van het aspect ‘archeologie’ is in art. 9.1, lid 1 van de Erfgoedwet, welk artikel een deel van het overgangsrecht regelt, bepaalt dat tot het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt onder meer Hoofdstuk V, paragraaf 1 van de inmiddels vervallen Monumentenwet 1988 van toepassing blijft. In Hoofdstuk V, paragraaf 1 is vastgelegd dat een gemeente in de ruimtelijke besluitvorming (w.o. bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor planologisch afwijken) rekening dient te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (artt. 38a t/m 41 Monw 1988). Daartoe kan de gemeente in dat besluit regels stellen, bijvoorbeeld tot het doen van archeologisch onderzoek. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie (ECLI:NL:RVS:2011:BU7102, r.o. 2.9.7). Deze informatie kan worden verkregen

datum referentie

14 juni 2022 203755_AdB_RAP_0001_v2.0

P 40/75

door gebiedsdekkende kaarten waarop archeologische verwachtingswaarden zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld. Beoordeling Voor de gemeente Pijnacker-Nootdorp is in september 2009 een Archeologische Verwachtings- en Beleidskaart opgesteld. De Archeologische Verwachtings- en Beleidskaart geeft op perceelsniveau aan welke archeologisch bekende waarde of welke verwachting van toepassing is. Op basis daarvan kan in een vroeg stadium van ruimtelijke planvorming gekeken worden of en hoe archeologische waarden beschermd kunnen/moeten worden: middels aanpassing van het plan of het behoud van informatie door opgraven. Bij elke voorgenomen activiteit om de bodem te verstoren in een gebied met archeologische waarde of verwachting moet namelijk in een zo vroeg mogelijk stadium worden bepaald of een nader archeologisch onderzoek noodzakelijk is.

Uitsnede archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Pijnacker-Nootdorp. Het plangebied is globaal aangeduid met een gele ster.

Op basis van de archeologische beleidsadvieskaart ligt het plangebied in een gebied aangeduid met een middelhoge archeologische verwachting. Op basis van het vigerende bestemmingsplan kennen de gronden binnen het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 2’. De beleidsmatige vertaling voor dit gebied gaat uit van een archeologische onderzoeksplicht bij bodemverstoringen over een oppervlakte groter dan 200 m 2 en dieper dan 30 cm. In het plangebied is door RAAP een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd ter plaatse van de Oude Polder en Klapwijk. Dit onderzoek van 17 juni 2021 is opgenomen als bijlage 5. Het Erfgoed Delft heeft het onderzoek beoordeelt en heeft geconcludeerd dat de vigerende dubbelbestemming niet gehandhaafd hoeft te blijven. Archeologisch onderzoek kan nooit geheel uitsluiten dat er geen archeologische vondsten gedaan worden. In de Wet is daarom voorzien in een algemene meldingsplicht. De algemene meldingsplicht bij het aantreffen van oudheden is altijd van toepassing. Op basis van paragraaf 5.4 van de Erfgoedwet moet iedereen die, anders dan bij het doen van archeologisch onderzoek, iets vind waarvan hij/zij weet of kan vermoeden dat het een (roerend of onroerend) monument betreft, dit melden bij de minister van OCW (of in deze, bij de gemeente Pijnacker-

datum referentie

14 juni 2022 203755_AdB_RAP_0001_v2.0

P 41/75

Nootdorp, of direct bij diens archeologisch adviseur Archeologie Delft via tel. Nr. 0620526028). Indien het bevoegd gezag van mening is dat dit noodzakelijk is, moet er tijd en ruimte geboden worden de resten te onderzoeken, documenteren en eventueel veiligstellen. Het niet melden van het aantreffen van oudheden is een overtreding van de Erfgoedwet en daarmee een strafbaar feit. Consequenties die hieraan verbonden kunnen worden zijn het intrekken van de verleende omgevingsvergunning of het opleggen van een geldboete Conclusie De archeologische waarden zijn afdoende onderzocht en zijn niet in het geding. 4.6

Ecologie

4.6.1

Natuurgebieden

Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb. Beoordeling Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied betreft ‘De Wilck’, welke is gelegen op een afstand van circa 12,7 km. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied betreft ‘Meijendel & Berkheide’ op een afstand van circa 14 km. Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting.

In onderhavige situatie is er sprake van de realisatie van een dierenpension met groene voorruimte. Van directe verstoring binnen Natura 2000-gebieden is geen sprake. Gelet op de aard van onderhavig initiatief is er geen sprake van een toename van relevante emissies ten opzichte van de uitgangssituatie. Bovendien is de afstand tot de beschermde gebieden dermate groot dat relevante deposities of overige effecten op de beschermde natuurgebieden zijn uitgesloten. Onderhavige ontwikkeling heeft derhalve met zekerheid geen mogelijk effect tot gevolg op de Natura 2000gebieden en Beschermde Natuurmonumenten. Conclusie Onderhavig initiatief voldoet aan de vereisten van de Wet natuurbescherming voor wat betreft gebiedsbescherming. 4.6.2

Flora en fauna

Toetsingskader Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten.

datum referentie

14 juni 2022 203755_AdB_RAP_0001_v2.0

P 42/75

Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Beoordeling Door VanderHelm Milieubeheer is in juni 2018 een ecologische risico-inspectie uitgevoerd ter plaatse van het plangebied. Rapportage daarvan is als bijlage 6 gevoegd bij deze toelichting. Het onderzoek heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Uit de bevindingen van het veldonderzoek, het literatuur en bronnenonderzoek en toetsing van de resultaten van dit onderzoek aan de Wet natuurbescherming, blijkt dat bij de uitvoering van de ingreep geen negatieve effecten te verwachten zijn voor beschermde soorten. Wel blijft de zorgplicht van toepassing. Conclusie Onderhavig initiatief voldoet aan de vereisten ten aanzien van soortenbescherming.

De Wet natuurbescherming staat de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg. 4.7

Wegverkeerslawaai

Toetsingskader Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan als bedoeld in art. 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: • de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); • de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg; • functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid). De onderzoekszone voor wegen zoals bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh is afhankelijk van de hoeveelheid rijbanen. Onderstaande tabel geeft hier een overzicht van: Stedelijk

Buitenstedelijk

Aantal rijstroken

Aantal meter aan weerszijden van de weg

5 of meer

350 m

600 m

3 of 4

350 m

400 m

1 of 2

200 m

250 m

datum referentie

14 juni 2022 203755_AdB_RAP_0001_v2.0

P 43/75

Artikel 74 lid 2 Wgh regelt dat indien de bovengenoemde ontwikkelingen zijn gelegen binnen een als 'woonerf' aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen. Beoordeling Het plangebied wordt ontsloten via het glastuinbouwgebied. Deze wegen kennen een snelheidsregime van 30 km/u. Conform de Wet geluidhinder geldt voor deze wegen geen onderzoekszone. Alle wegen in Nederland met een snelheidsregime van 50 km/u of hoger zijn wel gezoneerd. Het plangebied valt binnen de onderzoekszone van de N470. Omdat middels onderhavig initiatief een nieuw geluidgevoelig object (zijnde de bedrijfswoning) wordt gerealiseerd, is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd door De Roever Omgevingsadvies. De rapportage (d.d. 19 mei 2022) is als bijlage 7 gevoegd bij deze toelichting. Hieronder wordt ingegaan op de conclusies van het onderzoek. Hogere waarden Een hogere waarde is nodig voor het wegverkeersgeluid afkomstig van de Strikledeweg (N470). De berekende geluidbelasting bedraagt maximaal 53 dB. Maatregelen worden niet doelmatig geacht en aan de voorwaarden uit het gemeentelijk geluidbeleid wordt voldaan. Het verlenen van hogere waarden wordt mogelijk geacht.

Bouwbesluit en woon- en leefklimaat Benodigde gevelwering (wegverkeerslawaai) De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt ten hoogste 55 dB. Voor de geveldelen van de gewenste woning bedraagt de vereiste karakteristieke geluidwering Ga;k dan maximaal 55 - 33 = 22 dB. Een dergelijke geluidwering wordt, bij nieuwbouw, in vrijwel alle gevallen wel behaald. Een nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels wordt niet noodzakelijk geacht. Woon- en leefklimaat De milieukwaliteit wordt bij de woning geclassificeerd als ‘Zeer Goed’ tot ‘Redelijk’. Het woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van de woning wordt als acceptabel aangemerkt. De cumulatieve geluidbelasting (wegverkeer) staat een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat niet in de weg. Conclusie Geluid afkomstig van wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor de beoogde bedrijfswoning. 4.8

Bedrijven en milieuzonering

Toetsingskader Milieuzonering is het ruimtelijk scheiden van milieubelastende activiteiten en milieugevoelige bestemmingen bij nieuwe ontwikkelingen. Met de term “milieubelastende activiteiten” worden binnen de VNG-methodiek alle milieubelastende activiteiten bedoeld: niet alleen bedrijven maar ook bijvoorbeeld recreatie, detailhandel, horeca, dienstverlening en maatschappelijke voorzieningen. Met de term “milieugevoelige functies” worden onder meer woningen, ziekenhuizen, scholen en verblijfrecreatie bedoeld. Milieuzonering, van het ruimtelijk scheiden van milieubelastende activiteiten en milieugevoelige bestemmingen, dient twee doelen: • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

datum referentie

14 juni 2022 203755_AdB_RAP_0001_v2.0

P 44/75

De VNG doet in de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ (editie 2009) een handreiking ten behoeve van de afstemming tussen ruimtelijke ordening en milieu op lokaal niveau. Deze VNG-publicatie legt niet vast wat wel en niet is toegestaan. Een gemeente beslist zelf of ze op een bepaalde locatie bedrijven of woningen mogelijk wil maken (gemeentelijke beleidsvrijheid). De gemeente dient dit wel op een zorgvuldige wijze af te wegen en te verantwoorden. De publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen milieubelastende activiteiten en milieugevoelige bestemmingen concreet voor een locatie in te vullen (maatwerk). Het bestemmingsplan is het juridisch-planologisch instrument waarin de gekozen strategie moet worden verklaard. Volgens jurisprudentie dient de plantoelichting ten minste aannemelijk te maken dat ten aanzien van het milieu geen onoverkomelijke problemen te verwachten zijn. Bouwstenen van milieuzonering Lijst van bedrijfsactiviteiten (richtafstandenlijst) De lijst van bedrijfsactiviteiten is een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBIcode gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De lijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. De lijst is algemeen aanvaard als uitgangspunt bij het opstellen van bestemmingsplannen en ruimtelijke onderbouwingen, zoals onder meer blijkt uit jurisprudentie van de Raad van State. Er moet gemotiveerd worden welke Staat van bedrijfsactiviteiten wordt gebruikt en de toegelaten milieubelastende activiteiten dienen in de juridische regeling van het bestemmingsplan (kaart en regels) te worden vastgelegd. Omgevingstype De VNG-publicatie kent twee omgevingstypen, 1) een rustige woonwijk/rustig buitengebied en 2) een gemengd gebied . Een rustige woonwijk is een woonwijk, ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied. Naast deze omgevingstypen kent de VNG-publicatie ook het omgevingstype gemengd gebied. Dit is een gebied met matige tot sterke functiemenging. Hieronder vallen ook de lintbebouwing in het buitengebied (met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid) en gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen.

De aan de milieucategorie gerelateerde richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk/rustig buitengebied. Bij het omgevingstype gemengd gebied kunnen de richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd. In de volgende tabel zijn de milieucategorieën met bijbehorende indicatieve afstand weergegeven.

datum referentie

14 juni 2022 203755_AdB_RAP_0001_v2.0

P 45/75

Beoordeling De VNG-publicatie onderscheidt twee omgevingstypen: rustige woonwijk/rustig buitengebied en gemengd gebied. Het plangebied kan worden aangemerkt als rustig buitengebied. Richtafstanden gelden derhalve onverkort. Onderhavig bestemmingsplan maakt de realisatie van één bedrijfswoning mogelijk, waardoor ter plaatse een gevoelige functie wordt toegevoegd. Bij de beoordeling van een project voor de realisatie van een gevoelige functie moet enerzijds beoordeeld worden of de ontwikkeling geen gevolgen heeft voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijvigheid. Anderzijds moet getoetst worden of ten aanzien van de milieubelasting van deze bedrijvigheid een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. De bedrijfswoning binnen het plangebied bevindt zich nabij de richtafstand van enkele omliggende bedrijven. In onderstaande tabel is hier een overzicht van gegeven: Bestemmingsplan “Oude Polder - Dierenpension” Bestemming

Locatie

Milieucategorie

Richtwaarde VNG

Afstand tot gevoelige functie

Bestemming Bedrijf Opstijgpunt’

Opstijgpunt verbinding Wateringen – Bleiswijk

2

30 meter

ruim 30 meter

Bestemming ‘Maatschappelijk’

Gantellaan 1 t/m 25

2

30 meter

ruim 100 meter

Zoals blijkt uit de tabel kan ten aanzien van de beoogde bedrijfswoning binnen het plangebied aan alle richtafstanden uit de VNG-brochure worden voldaan. Derhalve kan worden gesteld dat omliggende hindergevende bedrijven niet van invloed zijn op het woon- en leefklimaat binnen het plangebied. Omgekeerd hindert het planvoornemen bedrijven niet in hun bedrijfsvoering. De richtafstanden uit de VNG-brochure hebben echter enkel betrekking op de aspecten geur, stof, gevaar en geluid. Specifiek voor het opstijgpunt geldt echter dat ook rekening gehouden dient te worden met elektromagnetische velden. Ondanks dat er (nog) geen formele wetgeving geldt ten aanzien van dergelijke leidingen, is het vanuit sociaal en praktisch oogpunt niet gewenst gevoelige of functies met hoogopgaande bebouwing onder of in de directe nabijheid van deze leidingen te situeren. Er is uitgebreid wetenschappelijk onderzoek gedaan naar dit onderwerp (zie ook ‘Handreiking voor het berekenen van de specifieke magneetveldzone bij bovengrondse hoogspanningslijnen’). Op basis daarvan zijn internationaal geldende normen vastgesteld voor de sterkte van het magnetisch veld.

De breedte van de magneetveldzone, de zone waarbinnen de advieswaarde van 0,4 µT (jaargemiddelde) wordt overschreden, is afhankelijk van een aantal factoren en kan in het algemeen variëren van enkele tientallen meters (bij een optimale ophanging en lage stroombelasting) tot ongeveer 400 meter (bij niet optimale ophanging en hoge stroombelasting). Daarom is door Energy Solutions in april 2020 een magneetveldberekening uitgevoerd. Rapportage daarvan is als bijlage 8 gevoegd bij deze toelichting. Uit de rapportage blijkt dat de berekende 0,4 µT magneetveldzone slechts gedeeltelijk overlapt met het plangebied, namelijk in het noorden en noordoosten. Binnen de magneetveldzone wordt echter niet voorzien in een gevoelige functie. Dit is gewaarborgd door middel van het opnemen van een beschermde gebiedsaanduiding. Daarmee is het opstijgpunt niet van invloed op het woon- en leefklimaat binnen het plangebied en behoeven er in zoverre geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik binnen het plangebied.

datum referentie

14 juni 2022 203755_AdB_RAP_0001_v2.0

P 46/75

Magneetveldcontour (blauwe contour) ter hoogte van het plangebied. Bron: Energy Solutions, 2020.

Naast de oprichting van een milieugevoelig object (de bedrijfswoning), voorziet onderhavig bestemmingsplan ook in de oprichting van een potentieel hindergevende functie, namelijk het dierenpension. Conform de VNG-brochure betreft een dierenpension een inrichting uit milieucategorie 3.2. Daarbij dient een richtafstand te worden aangehouden tot omliggende gevoelige functies van 30 meter voor het aspect geur en 100 meter voor het aspect geluid. De dichtstbijzijnde gevoelige functies bevinden zich aan de rand van de kern Pijnacker. De afstand van de bedrijfsbestemming tot deze functies bedraagt minimaal 100 meter. Daarmee wordt voldaan aan de grootste richtafstand en kan worden aangenomen dat het dierenpension derhalve niet van invloed is op het woon- en leefklimaat aldaar. Echter, de richtlijnafstand wordt net gehaald. In dit verband en gezien de aard van de inrichting is door Peutz een berekening uitgevoerd naar de geluidhinder veroorzaakt door de hondenpension. Het onderzoek is opgenomen als bijlage 9 behorende bij deze toelichting. Hieronder wordt ingegaan op de conclusies uit het onderzoek. Uit de rekenresultaten blijkt de hoogst berekende dagwaarde 49 dB(A) is (beoordeling op 1,5 meter) en de hoogst berekende avondwaarde 43 dB(A) (beoordeling op 4,5 meter). In de nachtperiode zijn de optredende waarden lager dan 20 dB(A).

Hiermee wordt voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau voldaan aan de geluidgrenswaarden uit het Activiteitenbesluit van 50, 45 en 40 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Uit de rekenresultaten blijkt dat het hoogst berekende maximale geluidniveau in de dagperiode 62 dB(A) is (beoordeling op 1,5 meter) en in de avondperiode 59 dB(A) (beoordeling op 4,5 meter). In de nachtperiode treden geen relevante maximale geluidniveaus op. Hiermee wordt voor het maximale geluidniveau voldaan aan de geluidgrenswaarden uit het Activiteitenbesluit van 70, 65 en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

datum referentie

14 juni 2022 203755_AdB_RAP_0001_v2.0

P 47/75

Voorwaarde is dat de honden van het hondenpension (de groep honden die ook ’s avonds een half uur naar buiten mogen) in het gebouw verblijven dat het verst van de woningen afstaat. Op een aantal rekenposities is de avond maatgevend. Door de honden van het pension onder te brengen in het meest oostelijke gebouw geven de andere gebouwen voldoende afscherming om de geluidbelasting in de omgeving te beperken. Hiertoe is in het bestemmingsplan een regel opgenomen die aangeeft dat nachtverblijf op een deel van de gronden niet is toegestaan. De verkeersaantrekkende werking heeft weinig invloed op de rekenresultaten. Het maakt niet uit voor welke toegangsweg wordt gekozen in het definitieve ontwerp. Voor wat betreft hinder van het dierenpension tot de beoogde bedrijfswoning geldt dat deze laatste als onderdeel van de inrichting van het dierenpension wordt aangemerkt en derhalve tot de eigen bedrijvigheid niet hindergevoelig is. Aan de zijde van de Gantellaan blijft een groene voorruimte bestaan alwaar ruimte kan worden geboden voor de realisatie van een groen uitloopgebied in combinatie met een buurttuin. Van deze functie gaat geen milieuhinder uit. Bovendien zijn binnen het plangebied reeds ‘schooltuinen’ toegestaan. Conclusie Binnen het plangebied is met betrekking tot milieuzonering een goed woon- en leefklimaat verzekerd.

Onderhavig initiatief belemmert omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsvoering. Daarnaast is het dierenpension niet van invloed op het woon- en leefklimaat ter hoogte van omliggende gevoelige functies. 4.9

Externe veiligheid

4.9.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt aangegeven op welke wijze de externe veiligheid in beschouwing is genomen bij dit bestemmingsplan. De externe veiligheid gaat over de beoordeling van de risico’s die verband houden met het gebruik van gevaarlijke stoffen. Tijdens de productie, de opslag, het gebruik en het transport kunnen er zich calamiteiten voordoen, waar door de veiligheid van de omgeving in het geding is. Dit houdt daarom een risico in voor de omgeving van dergelijke activiteiten. Externe veiligheid heeft geen betrekking op mogelijke gezondheidsschade door langdurige blootstelling aan gevaarlijke of schadelijke stoffen. Het gaat om plotseling optredende schadelijke effecten en de directe gevolgen van die effecten. 4.9.2 Normstelling en beleid Twee sleutelbegrippen: plaatsgebonden risico en groepsrisico De risico’s bij de externe veiligheid worden uitgedrukt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Waarom worden er twee begrippen gebruikt? Het rijksoverheidsbeleid maakt onderscheid tussen het risico waaraan het individu is blootgesteld en het risico waaraan een groep mensen is blootgesteld. Het gaat om het risico op overlijden. Voor de beoordeling van het risico waaraan het individu is blootgesteld gebruikt men het plaatsgebonden risico. Dit is de maatstaf voor de persoonlijke veiligheid.

De maatstaf voor de kans dat een groep van mensen in een keer overlijdt, is het groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) is de overlijdenskans per jaar die op een bepaalde afstand aanwezig is door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Hierbij wordt voor de berekening uitgegaan van een fictieve burger. Deze burger is 24 uur per dag gedurende een heel jaar, onbeschermd op de plaats aanwezig waarvoor het plaatsgebonden risico wordt berekend. Verder zal de burger geen aanstalten maken zich in veiligheid te brengen (vlucht- of schuilgedrag) gedurende de maximaal 30 minuten blootstelling aan het optredende effect. Het plaatsgebonden

datum referentie

14 juni 2022 203755_AdB_RAP_0001_v2.0

P 48/75

risico kan worden weergegeven door een lijn op een kaart die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt (de zogeheten risicocontour). Groepsrisico Het groepsrisico (GR) is de kans op het overlijden in één keer van een groep mensen (juridisch is de minimum omvang gesteld op 10 doden om van een groepsrisico te kunnen spreken) als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting, transportroute gevaarlijke stoffen of buisleiding en als gevolg van een ongewoon voorval in dit invloedsgebied waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het invloedsgebied is het gebied waarin personen nog worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico. Dit gebied wordt bepaald door de berekening van het grootst mogelijke ongeval waar nog bij 1% van de blootgestelde personen dodelijk letsel optreedt. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Het groepsrisico geeft aan hoe groot de kans is dat bij een ongeval bij een risicolocatie 10, 100 of 1.000 slachtoffers tegelijk vallen.

Bij transportrisico’s geldt dat de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico overeen komt met de kans op 10 slachtoffers gelijk aan één op de tienduizend (10 -4). De kans op 100 slachtoffers gelijk aan één op de miljoen (10-6) enzovoorts. Bij stationaire risicobronnen geldt dat de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico een factor 10 kleiner ligt. De oriëntatiewaarde voor het groepsrisico is geen wettelijke norm, het is bedoeld als een ijkpunt. Er kunnen redenen zijn dat een gemeente meer of juist minder risico’s accepteert. De gemeente is verplicht om voor iedere situatie een belangenafweging te maken (verantwoording groepsrisico). Daarbij spelen onder anderen de zelfredzaamheid van bewoners, vluchtwegen, economische en maatschappelijke belangen een rol. Beperkt kwetsbare objecten, kwetsbare objecten en zeer kwetsbare objecten Beperkt Kwetsbare objecten Onder beperkt kwetsbare objecten worden onder andere verstaan woningen, hotels, restaurants, kantoren, winkels en sport- en kampeerterreinen, voor zover deze objecten niet tot de kwetsbare objecten behoren. In artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen is een definitie opgenomen van een beperkt kwetsbaar object.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11750658/1