CConstaterende datPijnacker Nootdorp
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 2a GR GGD en VT Haaglanden - toelichting

Raad Besluitvorming 30 mei 2024, gemeente Pijnacker NootdorpBij agendapunt: 150200911.111 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

TOELICHTING GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING GGD-VT HAAGLANDEN Algemeen 1. Inleiding De gemeenschappelijke regeling (hierna: GR) GGD-VT Haaglanden is de voortzetting van de GR GGD Haaglanden die op 1 januari 2014 in werking trad. De GR is een samenwerkingsverband van de colleges van B&W van de gemeenten Delft, Den Haag, Leidschendam-Voorburg, Midden-Delfland, Pijnacker-Nootdorp, Rijswijk, Wassenaar, Westland en Zoetermeer. Deze vorm van samenwerking tussen colleges van burgemeester en wethouders wordt daarom wel aangeduid als een collegeregeling. Het samenwerkingsverband is een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8 lid van de Wet gemeenschappelijke regelingen (hierna: Wgr). Het openbaar lichaam heeft twee hoofdtaken, te weten het in stand houden van een gemeentelijke gezondheidsdienst (GGD) en het in stand houden van een advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling (hierna: AMHK), ook wel aangeduid als de Veilig Thuis (VT)taken. De onderhavige samenwerking is een deels wettelijk verplichte en deels vrijwillige samenwerking. Wettelijk verplicht is de samenwerking inzake de publieke gezondheid op grond van artikel 14 van de Wet publieke gezondheid (hierna: Wpg).

Vrijwillig is de samenwerking inzake het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling (hierna: AMHK, ook wel aangeduid als de Veilig Thuis taken AMHK, de advisering aan en vaccinatie van reizigers, het aanwijzen van een gemeentelijke lijkschouwer en de inspectie van seksinrichtingen. De hier bedoelde vrijwilligheid is overigens een relatieve vrijwilligheid. De deelnemende colleges van burgemeester en wethouders zijn (op grond van de wet) niet verplicht tot samenwerking in een gemeenschappelijke regeling zoals de onderhavige. Tegelijkertijd zijn zij via de financieringssystematiek wel gehouden tot regionale samenwerking ten aanzien van het AMHK. Deze verplichte samenwerking op grond van de Wpg in deze GR zorgt ervoor dat het grondgebied van de GR GGD-VT Haaglanden volledig samenvalt het grondgebied van de Veiligheidsregio Haaglanden. Zo heeft de wetgever dit ook beoogd. Op grond van artikel 14 lid 3 Wpg staat de GGD onder leiding van een Directeur Publieke Gezondheid (hierna: DPG). Het Algemeen Bestuur (hierna: AB) van de GR is bevoegd tot benoeming van de DPG, in overeenstemming met het bestuur van de veiligheidsregio. Hiervoor is reeds opgemerkt dat deze intergemeentelijke samenwerking deels wettelijk verplicht is en deels geschiedt op basis van vrijwilligheid. Overigens laat het feit dat deze samenwerking vrijwillig is aangegaan onverlet dat de

deelnemers verplicht zijn hun medewerking te geven aan de uitvoering van de besluiten die door het bestuur van het samenwerkingsverband zijn genomen (artikel 10a, eerste lid, Wgr). Onderliggend doel van de samenwerking is de borging van de vereiste kwaliteit van dienstverlening inzake de publieke gezondheidszorg en het voorkomen van en optreden bij huiselijk geweld en kindermishandeling en het streven van een zo doelmatig en doeltreffend mogelijke uitvoering hiervan. Los van wettelijke verplichtingen tot monitoring en onderzoek van de ervaren kwaliteit van dienstverlening (zie onder meer artikel 2.5.1 Wmo 2015) is het ook van belang de organisatievorm en het gebruik ervan te evalueren. Om die reden bevat artikel 40 een evaluatiebepaling, waarbij iedere vier jaar wordt geëvalueerd, startend met een besluit in 2024. Dit laat onverlet dat de uitvoering van de evaluatie in 2025 kan plaatsvinden. Voordat de evaluatie wordt uitgevoerd bepaalt het algemeen bestuur het precieze doel, de reikwijdte en de wijze van evaluatie. Het algemeen bestuur stelt de raden van de deelnemende gemeenten in de gelegenheid hiervoor tevoren zich uit te laten. Naast deze formele evaluatiebepaling zal de GR – gezien het belang van efficiënte en effectieve dienstverlening - systematisch doelmatigheidsonderzoeken laten uitvoeren.

Efficiencywinsten kunnen zich vertalen in een lagere inwonersbijdrage dan wel een hogere kwaliteit of een hogere productie, al naar gelang de wens van de deelnemende gemeenten.

2. Verhouding tot gemeenten Samenwerking in een gemeenschappelijke regeling is te typeren als verlengd lokaal bestuur. Met de onderhavige samenwerking dragen de colleges – met toestemming van de gemeenteraden – de uitvoering van taken inzake de gemeentelijke gezondheidszorg en het in stand houden van een AMHK over aan de GGD-VT Haaglanden. Daarmee liggen deze beslissingsbevoegdheden (dus) niet meer bij de individuele colleges of collegeleden. In het Algemeen Bestuur en Dagelijks Bestuur van de GGD-VT Haaglanden wordt besloten op basis van in de gemeenschappelijke regeling vastgelegde stemverhoudingen. Deze overdracht impliceert dat het Algemeen Bestuur en Dagelijks Bestuur als collegiaal bestuursorgaan beslissingen nemen. In artikel 16 komt het collegiale karakter van het Dagelijks Bestuur tot uitdrukking in het streven naar consensus. Zoals gezegd is deze samenwerking een samenwerking tussen colleges een collegeregeling. Dit betekent dat de gemeenteraden hun krachtens artikel 13 Wpg toekomende bevoegdheid behouden tot het vaststellen van een nota gemeentelijk gezondheidsbeleid.

Dat zelfde geldt voor de bevoegdheden van de gemeenteraad om op grond van artikel 2.1.2 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en artikel 2.2 Jeugdwet periodiek een plan vast te stellen, met daarin de beleidsvoornemens inzake (maatwerk)voorzieningen in verband met huiselijk geweld en kindermishandeling. Vervolgens heeft de gemeenteraad ex artikel 2.1.3 Wmo 2015 en 2.9 Jeugdwet ook de bevoegdheid om bij verordening regels vast te stellen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van voornoemde plannen en de door het college ter uitvoering daarvan te nemen besluiten en te verrichten handelingen. Deze kaderstellende bevoegdheden blijven bij de gemeenteraden liggen. Daarom behouden de gemeenteraden hun

zeggenschap en mogelijkheden tot kaderstelling. Dat de afzonderlijke gemeenteraden bevoegd blijven deze algemene kaders vaststellen, vergt dat de gemeenteraden – omwille van efficiency en effectiviteit – ernaar streven dat deze algemene kaders zo veel mogelijk een uniforme inhoud hebben. Dit impliceert dus actieve bestuurlijke afstemming vooraf, voor zover het de taken van het de GR GGD-VT Haaglanden betreft. Met inachtneming van voornoemde kaders hebben de gemeenteraden vervolgens ook de specifieke (jaarlijks uit te oefenen) bevoegdheid tot het inbrengen van zienswijzen op de begroting van de GR GGD-VT Haaglanden. Met de wijziging van de Wgr in 2022 is de mogelijkheid expliciet gemaakt dat meerdere onderwerpen verplicht aan de raden moeten worden voorgelegd voor een zienswijze. Voor de GR GGD-VT Haaglanden zijn geen verplichte onderwerpen opgenomen. Wel is een procedure voor het besluit om een zienswijze aan de raden te vragen door het AB vastgelegd in artikel 8. De GR GGD-VT Haaglanden is voorts verplicht de rekening en de financiële en beleidsmatige kadernota van de GR GGD-VT Haaglanden toe te zenden aan de gemeenteraden. De gemeenteraad kan dan in het overleg met het college bepalen welk mandaat hij de betrokken collegeleden meegeeft voor de beraadslaging in het Algemeen Bestuur en Dagelijks Bestuur.

Het is vervolgens aan de gemeenteraad te bepalen of de desbetreffende collegeleden adequaat van dit mandaat gebruik maken. Dat het hier gaat om verlengd lokaal bestuur maakt dat het bestuur van de GR GGD-VT Haaglanden bijzondere verplichtingen inzake gevraagde en ongevraagde informatieverstrekking en het afleggen van verantwoording kent. Om de belangen van de deelnemers verder te borgen bevat de gemeenschappelijke regeling – in aanvulling op wat de Wet gemeenschappelijke regelingen voorschrijft – afspraken over de gewenste stemverhoudingen (w.o. het uitgangspunt van consensus, en in bepaalde gevallen de mogelijkheid van afwijking daarvan) voor besluitvorming in het bestuur inzake bepaalde belangrijke besluiten.

3. Taken en bevoegdheden; wettelijke grondslag De samenwerking in de GR GGD-VT Haaglanden voorziet erin dat de colleges de uitvoering van gemeentelijke taken op het terrein van publieke gezondheidszorg (met uitzondering van jeugdgezondheidszorg) hebben overgedragen aan het bestuur van de GR GGD-VT Haaglanden. Datzelfde geldt voor de collegetaak inzake de instandhouding van het AMHK, de collegetaak inzake de inspectie van seksinrichtingen en de bevoegdheid tot aanwijzing van de gemeentelijke lijkschouwer. Al deze taken voeren de colleges in gezamenlijkheid uit via de GR GGD-VT Haaglanden. Dit betekent ook dat de uitvoering van deze taken een gezamenlijke verantwoordelijkheid is van de samenwerkende colleges. Tenslotte is er ook de mogelijkheid dat bepaalde toezichttaken inzake volksgezondheid of Veilig Thuis worden opgedragen aan de Directeur Publieke Gezondheid of onder hem (of een ander bestuursorgaan van de GR GGD-VT Haaglanden) functionerende ambtenaren. Dat is onder meer het geval bij het toezicht op de

tattooshops; dat toezicht wordt opgedragen door de minister van Volksgezondheid. De taakuitvoering bestaat in de meeste gevallen uit het feitelijk (doen of laten) verrichten van allerlei gespecialiseerde zorgtaken door (medische) deskundigen. Slechts in een aantal specifieke gevallen betreft het ook het nemen van besluiten, denk onder meer aan het aanwijzen van de lijkschouwer: in deze gevallen is expliciet daartoe ook de desbetreffende collegebevoegdheid overgedragen. Niet overgedragen zijn specifieke taken en bevoegdheden van de burgemeester, zoals de bevoegdheid van de burgemeester om te besluiten een persoon onverwijld ter isolatie in een ziekenhuis doen nemen (artikel 31 lid 2 Wpg). Dit soort besluitbevoegdheden blijven uitdrukkelijk berusten bij de burgemeester. De uitvoering ervan geschiedt ingevolge artikel 35 Wpg dan weer wel door de GR GGD-VT Haaglanden. De Wpg, de Wet veiligheidsregio’s en de Wet Kinderopvang bieden de wettelijke grondslagen voor de GGD-taken van de GR GGD-VT Haaglanden. De taken en bevoegdheden die in de Wpg aan de colleges van burgemeester en wethouders zijn toegekend worden met deze GR overgedragen aan het AB van de GR, een en ander voor zover dit het basispakket GGD betreft. De colleges van burgemeester en wethouders kunnen en mogen deze taken niet meer zelfstandig uitvoeren.

De taken en bevoegdheden die in de Wet veiligheidsregio’s en de Wet kinderopvang zijn toegekend aan de DPG komen krachtens deze wetten rechtstreeks toe aan de DPG als bestuursorgaan van de GR. De Wmo 2015 en de Jeugdwet bieden de wettelijke grondslag voor de zogenoemde ‘Veilig Thuis-taken’ van de GR GGD-VT Haaglanden. De taken en bevoegdheden die bij of krachtens de Wmo 2015 en de Jeugdwet aan de colleges van burgemeester en wethouders zijn toegekend voor wat betreft Veilig Thuis worden met deze GR overgedragen aan het AB van de GR. Ook hiervoor geldt dat de colleges van burgemeester en wethouders deze taken – vanwege de overdracht ervan – niet (meer) zelfstandig kunnen en mogen uitvoeren. Het is daarbij van belang te onderkennen dat deze taken en bevoegdheden in de eerste plaats zijn bepaald in de Wmo 2015 en de Jeugdwet. Daarnaast gaat het ook om taken en bevoegdheden die door de afzonderlijke raden kunnen zijn bepaald in de desbetreffende plannen en verordeningen, op basis van de daartoe strekkende raadsbevoegdheden in de Wmo 2015 en de Jeugdwet.

Dat deze bevoegdheden de raden aanzienlijke beleidsvrijheid laten om zelf te bepalen op welke wijze zij inhoud willen geven aan hun taak (wat verstaat onze raad onder “Veilig Thuis”? welke maatregelen en voorzieningen zijn wel of niet nodig?), laat onverlet dat het ook hier gaat om wettelijke taken (gezien deze taken hun grondslag vinden in de Wmo 2015 en Jeugdwet). Tot de regionale samenwerking van de afgelopen jaren op het terrein van Veilig Thuis behoorden reeds de instandhouding van het AMHK (ook wel aangeduid als de wettelijke taken) en 5 andere soorten taken (ook wel aangeduid als de nietwettelijke taken). Wat betreft deze laatst genoemde 5 taken gaat het om:

a. Voorlichtingstaken (bijvoorbeeld voorlichting aan professionals over de verschillende vormen van huiselijk geweld en kindermishandeling en over de eigen werkwijze); b. Coördinatie van het tijdelijk huisverbod; c. Het verstrekken van informatie en advies op ZSM aan Reclassering Nederland, de Raad voor de Kinderbescherming, politie en het Openbaar Ministerie (4 dagen per week). d. Het bieden van advies op het Veiligheidshuis middels deelname aan het focusoverleg en het weegoverleg, het houden van een dossieranalyse en aanmelding casuïstiek MDA++ en deelname aan MDA++ expertgroep op het ZVHH ; e. In de rol van expertise centrum (materiedeskundige) deelname aan de indicatiecommissie van Aware en het radicaliseringsoverleg van het ZVHH. Voor elk van deze 5 taken geldt dat deze hun grondslag vinden in en samenhangen met de wettelijke taak tot instandhouding van het AMHK en de beleidskeuzes die de gemeenteraden (in eerder genoemde plannen en verordeningen) ter nadere uitwerking van deze taak hebben gemaakt. Om deze reden zijn deze 5 taken ook wettelijke taken. Datzelfde zal gelden voor nieuwe taken die – op basis van keuzes van de betrokken gemeenteraden – gebaseerd op de wettelijke taak tot instandhouding van het AMHK in de toekomst aan het openbaar lichaam kunnen worden opgedragen.

Ten slotte voert deze GR enkele specifieke taken uit op het terrein van volksgezondheid die niet vallen onder de hiervoor genoemde wetten. In de eerste plaats is de GR ook belast met de uitvoering van de gemeentelijke taken inzake de Wet op de lijkbezorging, alsmede gemeentelijke toezichttaken op basis van gemeentelijke verordeningen inzake seksinrichtingen, voor zover dit het belang van de volksgezondheid betreft. Daarnaast kunnen bestuursorganen van het openbaar lichaam (denk aan de DPG) en ambtenaren aangesteld door het DB, na instemming van het AB, door andere bestuursorganen (w.o. een minister) worden aangewezen als toezichthouder inzake de naleving van voorschriften die strekken tot de bescherming van de belangen als bedoeld in artikel 3 van de GR. Een voorbeeld hiervan is het aanwijzen van medewerkers van de GR GGD-VT Haaglanden als toezichthouders belast met het rijkstoezicht op tattooshops (Warenwetbesluit tatoeëren en piercen).

4. Basispakket GGD, pluspakket GGD en pakket VT; lokaal pakket De deelnemers in de GR GGD-VT Haaglanden hebben de taken van de GGD-VT onderverdeeld in drie soorten takenpakketten, het basispakket GGD, het pluspakket GGD en het pakket VT. Tot het basispakket GGD behoren de taken die wettelijk verplicht door de GGD moeten worden uitgevoerd. Het gaat dan om de taken uit de Wet publieke gezondheid de Wet veiligheidsregio’s en de Wet kinderopvang. Tot het pluspakket GGD de lijkschouw (op basis de Wet op de lijkbezorging), reizigersadvisering en –vaccinatie (als wettelijke taken uit de Regeling publieke gezondheid waarbij geen verplichting bestaat tot samenwerking) en de gemeentelijke taken inzake de inspectie van

seksinrichtingen. Onder het pluspakket GGD vallen ook verschillende andere rijkstaken inzake toezicht en handhaving (onder meer het rijkstoezicht op tattooshops). Ten aanzien van alle taken uit het pluspakket GGD geldt dat de deelnemers niet verplicht zijn tot samenwerking, maar de samenwerking op basis van vrijwilligheid zijn aangegaan. Daarmee werken alle deelnemers voor de uitvoering van de taken uit het basispakket GGD en pluspakket GGD met elkaar samen. Voor de goede orde zij hier ook opgemerkt dat het onderscheid tussen de taken uit het basispakket GGD en pluspakket GGD niet alleen wordt gemaakt op basis van het criterium of de samenwerking verplicht (basispakket GGD) is of vrijwillig (pluspakket GGD), maar ook op basis van het criterium van de wijze van kostenverdeling. Voor wat betreft dat laatste wordt hier verwezen naar onderdeel 14 van het algemene deel van deze toelichting en artikel 23 van de artikelsgewijze toelichting. Tot de taken uit het pakket VT behoren alle taken zoals beschreven in onderdeel 3, te weten de instandhouding van het AMHK en de 6 genoemde taken (a tot en met f) en eventueel toekomstige wijzigingen van dat takenpakket. Ook ten aanzien van de taken uit het pakket VT geldt dat de deelnemers niet verplicht zijn tot samenwerking, maar de samenwerking op basis van vrijwilligheid zijn aangegaan.

Voor wat betreft de specifieke kostenverdeling voor uitvoering van deze taken wordt hier verwezen naar onderdeel 14 van het algemene deel van deze toelichting en hoofdstuk 8, artikel 24 en 25 van de artikelsgewijze toelichting. De deelnemende gemeenten kunnen – desgewenst – ook kiezen voor een zogenoemd ‘lokaal pakket’. Iedere deelnemende gemeente mag zelf bepalen of behoefte bestaat aan een lokaal pakket en waaruit dat lokale pakket bestaat. In zoverre kan per gemeente sprake zijn van een ander lokaal pakket. Het lokale pakket biedt afzonderlijke deelnemers in de eerste plaats de mogelijkheid om zelf te bepalen of zij in aanvulling op het niveau van het basispakket GGD, pluspakket GGD en het pakket VT een hogere kwantiteit en/of kwaliteit van dienstverlening wensen te hebben. In dat geval is het op basis van artikel 5, derde lid van de GR vastgestelde uitvoeringsniveau van het basispakket GGD, pluspakket GGD en het pakket VT logischerwijze de ondergrens of basis waar vanaf de gewenste hogere kwantiteit en/of kwaliteit van dienstverlening van het basispakket GGD, pluspakket GGD en het pakket VT wordt ingevuld. De constructie van het lokale pakket biedt deelnemers in de tweede plaats de mogelijkheid om – indien deze worden aangeboden – ook aanvullende diensten af te nemen (d.w.z.

diensten die in het geheel niet worden aangeboden in het basispakket GGD, pluspakket GGD en het pakket VT). Deze optie van afname van diensten uit het lokale pakket biedt een optimale mogelijkheid voor lokaal maatwerk, met bovendien de mogelijkheid van lokale verschillen. Dit lokale pakket wordt niet geleverd door de GR GGD-VT Haaglanden. Individuele gemeenten nemen dit lokale pakket rechtstreeks af van de desbetreffende uitvoeringsdienst van de gemeente Den Haag, dus zonder tussenkomst of verantwoordelijkheid van de GR GGD-VT Haaglanden voor de

lokale pakketten. Ook de Directeur Publieke Gezondheid en de Directeur Veilig Thuis hebben geen verantwoordelijkheid voor of zeggenschap over de lokale pakketten. De gemeenten zijn overigens niet verplicht om een lokaal pakket af te nemen. Bovendien mogen zij de diensten die zij tot hun lokale pakket rekenen ook afnemen van andere aanbieders. Het is aan de gemeente Den Haag en de desbetreffende deelnemers om de prijs voor deze dienstverlening te bepalen, waarbij het voor de hand ligt dat iedere afnemer uiteindelijk voor dezelfde dienst dezelfde prijs betaalt en dat in dat opzicht partijen zo veel mogelijk naar elkaar transparant zijn over de aard en inhoud van hun lokale pakket en de gehanteerde prijsstelling.

5. Bestuur De GR GGD-VT Haaglanden kent een AB, een DB en een voorzitter. Het AB is een collegiaal bestuur bestaande uit negen leden, waarbij ieder deelnemend college van B&W uit zijn midden een lid mag aanwijzen, met de mogelijkheid van plaatsvervanging. Het AB wijst uit haar midden zijn voorzitter aan; de voorzitter van het AB is automatisch (op grond van bepalingen in de Wgr) voorzitter van het DB. Door het AB worden vervolgens de overige leden van het DB (penningmeester respectievelijk gewoon lid van het DB) aangewezen. Ook de penningmeester en het gewone lid van het DB moeten worden gekozen uit het AB. Het AB dient ook een plaatsvervangend voorzitter aan te wijzen, het ligt voor de hand dat hiervoor een van de andere twee aan te wijzen leden van het DB wordt aangewezen. Ook het DB is een collegiaal bestuur. Het DB bestaat uit drie leden. Een van de leden van het DB dient afkomstig te zijn uit het college van B&W van Den Haag; daarbij mag dit lid niet de functie van penningmeester bekleden. Dit vanwege de gewenste heldere onderscheiding tussen de begroting van de GR en van de gemeente Den Haag en de sturing daarop. Het AB en DB zijn collegiale bestuursorganen: zij besluiten gezamenlijk. Alle besluiten van het AB en DB (zie ook hierna) worden ter bevestiging van de gezamenlijke besluitvorming ondertekend door de voorzitter en de secretaris.

Het AB is belast met het stellen van de algemene kaders voor de uitvoering en het vaststellen van de begroting en jaarrekening. Het AB kent een gewogen stemverhouding, d.w.z. naar rato van het inwonertal van de deelnemende gemeente; artikel 8, eerste lid regelt de stemverdeling naar het inwonertal van de deelnemende gemeenten. Besluitvorming en stemming in het AB geschiedt bij meerderheid van stemmen, tenzij voor een bijzonder onderwerp daarvoor in de GR een uitzondering is gemaakt. Beraadslaging in het AB geschiedt in het openbaar. Artikel 22 lid 3 tot en met 5 Wgr regelen deze openbaarheid en de mogelijkheid om deuren te sluiten indien een vijfde van de aanwezige leden daarom verzoekt of de voorzitter dat beslist. Als dat het geval is, beslist het AB of achter gesloten deuren wordt vergaderd. Zie ook artikel 7, tweede lid, van de regeling. Op grond van artikel 23 Wgr kan in een besloten vergadering van het AB geheimhouding worden opgelegd ten aanzien van het in die vergadering besprokene. Dit artikel bevat ook bepalingen voor het weer opheffen van die geheimhouding. Is deze geheimhouding niet opgeheven, dan zijn de leden van het AB daaraan ook gehouden bij het afleggen van verantwoording aan hun

colleges van burgemeester en wethouders en raden. Een verplichting tot geheimhouding kan ook aan de orde zijn in de omgekeerde relatie tussen een deelnemende gemeente en het AB: het college of de raad van een deelnemer heeft geheimhouding opgelegd ten aanzien van een kwestie die door mededeling door het desbetreffende college van burgemeester en wethouders ook ter kennis moet komen van het AB van de GR. Deze GR bevat voor laatst bedoelde situatie geen voorziening. Dit kan overigens wel worden geregeld in een beleidsregel van het AB of in een afzonderlijke bevoegdhedenovereenkomst tussen het AB en het desbetreffende college van burgemeester en wethouders. Voor informatie over individuele cliënten/personen en de verstrekking daarvan aan het DB, AB, de colleges en de gemeenteraden gelden onder meer op grond van de Wmo 2015 bijzondere regels voor bescherming van hun persoonsgegevens. Het voorgaande en de onderhavige gemeenschappelijke regeling brengen in die bijzondere regels geen verandering. Het DB voert het Dagelijks Bestuur over de GR GGD-VT Haaglanden, met dien verstande dat de gemeentelijke gezondheidsdienst onder leiding staat van de DPG (zie hierna). Artikel 17 van de GR benoemt de bevoegdheden van het DB. Tot de bevoegdheid van het Dagelijks Bestuur behoort op grond van de Wgr ook het sluiten van overeenkomsten.

In het DB heeft ieder lid een stem: ook het DB kent de regel dat bij gewone meerderheid wordt besloten, tenzij daarop in de GR voor een specifiek onderwerp een uitzondering is gemaakt. Het DB streeft in de besluitvorming naar consensus, wanneer dit niet lukt wordt met een gewone meerderheid van stemmen besloten. Ook de DPG (zie hierna onder punt 8) is een bestuursorgaan van de GR (zie artikel 1:1, eerste lid onder A, Algemene wet bestuursrecht). De DPG heeft immers op grond van de Wpg een eigen takenpakket. De bestuursorganen van de GR hebben diverse bevoegdheden tot het nemen van besluiten. Denk in het bijzonder aan de (beleids)plannen die het AB vaststelt ter nadere uitwerking van de beleidsplannen die de raden moeten vaststellen en de besluiten die het AB (krachtens overdracht van de desbetreffende collegebevoegdheden aan de GR) ter uitvoering van de desbetreffende raadsverordeningen moet nemen. De Wmo 2015 spreekt in dit kader van plannen en verordeningen “die het (college c.q. na overdracht, het AB) uitvoert, alsmede van de algemene maatregelen die het treft ter uitvoering van de plannen en verordeningen en van de voorzieningen en van de algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen die het ter uitvoering van de plannen en verordeningen verstrekt”.

Besluiten die zich richten tot een of meer belanghebbenden worden bekendgemaakt door toezending of uitreiking ervan aan deze belanghebbenden (zie artikel 3:41 Algemene wet bestuursrecht). De GR schrijft in artikel 39 voor dat besluiten die niet tot één of meer belanghebbenden zijn gericht worden bekendgemaakt in het publicatieblad van het openbaar lichaam. Dit publicatieblad is toegankelijk via een bij regeling van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voorgeschreven algemeen toegankelijk elektronisch medium. Dit elektronische medium is de zogenaamde

Gemeenschappelijke Voorziening Officiële Publicaties (GVOP). Daarmee maakt de GR, tegen betaling van een vergoeding, gebruikmaken van een door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ter beschikking gestelde website. Het adres van deze website is https://zoek.officielebekendmakingen.nl/, bereikbaar via overheid.nl. Via de GVOP kan iedereen op basis van postcode of naam van de GR de voor hem relevante bekendmakingen raadplegen ongeacht van welke decentrale overheid deze afkomstig zijn. Naast deze methode voor bekendmaking van besluiten van de bestuursorganen van de GR bepaalt de GR in artikel 11, derde lid, dat het AB – als aanvullende informatievoorziening aan alle cliënten van de GR en andere belanghebbenden – een openbaar toegankelijk register moet bijhouden. Dit register moet de gemeentelijke plannen en verordeningen bevatten waarvan de uitvoering is opgedragen aan de GR, d.w.z. de plannen en verordeningen die de gemeenteraden (dus niet het AB of DB van de GR of de DPG) hebben vastgesteld. Het ligt voor de hand dat de GR dit register publiceert via de website van de GR. Het betreft hier overigens geen voorziening voor bekendmaking van besluiten zoals in de vorige alinea besproken.

Deze plannen en verordeningen worden immers bij besluit door de gemeenteraad vastgesteld en moeten worden gepubliceerd volgens de regels die gelden voor publicatie van gemeentelijke besluiten.

6. Commissies Het AB van de GR GGD-VT Haaglanden bestaat uit negen leden, een vertegenwoordiger per deelnemend college. Met deze relatief compacte omvang van het AB wordt gestreefd naar slagvaardigheid en efficiency van besluitvorming. Dat ieder college maar een lid van het AB mag aanwijzen, kan – gelet op de portefeuilleverdeling binnen de verschillende colleges – leiden tot een minder optimale vertegenwoordiging binnen het AB. Het kan immers voorkomen dat de GGD-taken bij een ander collegelid zijn belegd dan de VT-taken, terwijl deze GR slechts benoeming van een van beide collegeleden in het AB toestaat. Voordien werd het beleggen van de GR GGD en VT onderdelen in verschillende portefeuilles opgelost door het instellen van twee Bestuurlijke Advies Commissies (hierna: BAC’s), een voor publieke gezondheid en een voor VT. De afgelopen jaren is van deze twee in de regeling ingestelde commissies geen gebruikt gemaakt en er is geen behoefte om van deze twee commissies gebruik te gaan maken. Artikel 23 is daarom aangepast aan deze werkelijkheid en aangevuld met de nieuwe mogelijkheid voor het instellen van Raadsadviescommissies als bedoeld in artikel 24a Wgr. Artikel 23 creëert de mogelijkheid voor het instellen van bestuurscommissies, adviescommissies en een Raadsadviescomissie.

Ten slotte is behouden de mogelijkheid tot instelling van een vaste adviescommissie voor de rekening en het jaarverslag, de rekeningcommissie. De instelling van deze commissies, uitgezonderd de Raadsadviescommisie, geschiedt door het AB op voorstel van het DB. Hiermee biedt de regeling de mogelijkheid van instelling van andere al dan niet vaste adviescommissies. Het kan hier in de eerste plaats gaan om ad hoc adviescommissies voor AB en DB (in

plaats van vaste adviescommissies). Het kan hier in de tweede plaats gaan om adviescommissies waarvan de leden ambtenaren zijn (van de betrokken gemeenten) of de positie van externe deskundigen hebben. De mogelijkheid voor instelling van deze adviescommissies is bewust zo ruim geformuleerd dat AB en DB optimale ruimte hebben om deze adviescommissie naar behoefte in te stellen. Het is te verwachten dat AB en DB – omwille van de voorbereiding van bestuurlijke besluitvorming – ook besluiten tot instelling van de hier bedoelde adviescommissies. Ten slotte mag het DB zelf besluiten tot andere dan vaste adviescommissies aan het DB.

7. Directeur Publieke Gezondheid: personele unie De wetgever is van oordeel dat de gemeentelijke gezondheidsdienst moet worden geleid door een deskundige. Daarom bepaalt artikel 14 lid 3 van de Wpg dat de GGD onder leiding staat van een Directeur Publieke Gezondheid. De DPG moet worden benoemd door het AB van de GR GGD-VT Haaglanden, in overeenstemming met het bestuur van de Veiligheidsregio Haaglanden. De DPG heeft namelijk via de Wet op de veiligheidsregio’s tevens de wettelijke taak om binnen de veiligheidsregio leiding te geven aan de GHOR, de geneeskundige hulpverleningsorganisatie in de regio. Het is van belang te onderkennen dat de aanstelling van de DPG geschiedt door het AB. Het AB is tevens bevoegd de DPG te ontslaan en te schorsen. Gezien de aanstelling van de DPG bij de gemeente Den Haag als directeur van de uitvoeringsorganisatie, en bij de Veiligheidsregio als directeur GHOR, gebeurt benoeming, schorsing en ontslag in overeenstemming met het bestuur van de veiligheidsregio en het college van B&W van de gemeente Den Haag. Het Algemeen Bestuur stelt, in overeenstemming met het bestuur van de Veiligheidsregio en het college van B&W van de gemeente Den Haag, een benoemingsstatuut Directeur Publieke Gezondheid vast waarin het regels opneemt omtrent de wijze waarop het de DPG mag benoemen, schorsen en ontslaan en omtrent de vaststelling van het functieprofiel.

Deze regels zien ook toe op de wijze waarop het Algemeen Bestuur bij de uitoefening van deze bevoegdheden het bestuur van de veiligheidsregio Haaglanden en het college van B&W van Den Haag (als werkgever van de persoon die is aangesteld als DPG) moet horen, besluiten in overeenstemming moet nemen, of deze organen zo spoedig mogelijk op de hoogte moet stellen. Voor spoedeisende gevallen is het DB ook bevoegd om, vooruitlopend op een besluit van het Algemeen Bestuur, een tijdelijke maatregel te treffen ten behoeve van schorsing van de DPG. Hiertoe wordt altijd vooraf afgestemd met het bestuur van de Veiligheidsregio en het college van B&W van de gemeente Den Haag. Gezien de spoedeisendheid kan dit in voorkomende gevallen beperkt zijn tot het informeren van de voorzitter van het betreffende orgaan. Binnen maximaal drie maanden dient dit besluit te worden bekrachtigd door het Algemeen Bestuur, in overeenstemming met het bestuur van de Veiligheidsregio en het college van B&W van de gemeente Den Haag.

Gelet op het feit dat de feitelijke uitvoering van de onderhavige GGD-taken geschiedt door een organisatieonderdeel van de gemeente Den Haag (zie hierna), heeft het college van B&W van Den Haag een (niet bindend) recht tot voordracht van de persoon die kan worden aangesteld als DPG. Nadere uitwerking van de benoemingsprocedure vindt plaats in het Benoemingsstatuut. De GR regelt dat de directeur van de Uitvoeringsorganisatie GGD van de gemeente Den Haag benoemd wordt tot DPG, mits eerder door het algemeen bestuur is ingestemd met deze benoeming van de directeur van de Uitvoeringsorgansiatie door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag (de personele unie). De GR kan voorts de reguliere plaatsvervanging van de DPG regelen door benoeming in de functie van plaatsvervangend DPG van de persoon die is aangesteld als Directeur Veilig Thuis, de DVT. Voor het geval dat het algemeen bestuur niet van deze mogelijkheid gebruik maakt, bestaat de mogelijkheid om ook andere plaatsvervangers voor de DPG aan te stellen (zie artikel 19, vijfde lid). De plaatsvervangend DPG geeft alleen leiding aan de GGD, niet aan de GHOR. De wettelijke eis dat de DPG leiding geeft aan de GGD impliceert dat de DPG bevoegd moet zijn om functioneel leiding te geven aan de medewerkers van de Uitvoeringsorganisatie GGD.

Om dit functioneel leiding geven praktisch mogelijk te maken dient de dienstverleningsovereenkomst praktische (contractuele) afspraken te bevatten over de door hem te geven aansturing aan het personeel van de Uitvoeringsorganisatie GGD. Het AB dient voorts bij unanimiteit in een Directiestatuut nadere regels te stellen inzake de wijze waarop de DPG zijn taken moet uitvoeren. Het DB heeft die bevoegdheid ook voor zover het bevoegdheden heeft jegens de DPG; om die reden is het gewenst dat AB en DB ten aanzien van de DPG een gezamenlijk Directiestatuut vaststellen. Voor de uitvoering van zijn taken is de DPG – gelet op het orgaan dat hem aanstelt - verantwoording verschuldigd aan het AB van de GR GGD-VT Haaglanden. Om de verantwoordelijkheid voor de dagelijkse leiding van de GGD-VT Haaglanden van het DB te bevestigen, bepaalt de GR dat het AB het toezicht op de DPG kan overlaten aan het DB. Daarmee is deze rol van het DB zoveel mogelijk gelijk geschakeld met de toezichthoudende rol van het DB op andere functionarissen van de GR GGD-VT Haaglanden (zie hierna).

8. Directeur Veilig Thuis; personele unie Binnen de GGD-VT Haaglanden is naast de GGD ook het AMHK – genaamd Veilig Thuis - ondergebracht. Het AMHK staat onder leiding van de Directeur Veilig Thuis (hierna: DVT). Ingevolge de in de Wgr voorgeschreven bevoegdheidsverdeling tussen AB en DB dient de DVT te worden aangesteld door het DB. De DVT legt daarom ook verantwoording af aan het DB. In aanvulling hierop dient de DVT alle inlichtingen te verstrekken omtrent zijn taakuitvoering aan het AB indien het AB daar om verzoekt. Deze wijze van aanstelling wijkt derhalve om formeel wettelijke redenen af van de wijze van aanstelling van de DPG. Ook hiervoor geldt dat de aanstelling geschiedt op (niet bindende) voordracht van het college van Den Haag, zij het dat het bestuur van de veiligheidsregio hier geen rol heeft.

De DVT geeft functioneel leiding aan de VT-organisatie. Voor de uitvoering van zijn taken is de DVT verantwoording verschuldigd aan het DB van de GGD-VT Haaglanden. De GR regelt dat het dagelijks bestuur de directeur van de uitvoeringsorganisatie Veilig Thuis van de gemeente Den Haag benoemt tot directeur veilig thuis, mits eerder door het dagelijks bestuur is ingestemd met de aanstelling van deze directeur van de Uitvoeringsorganisatie Veilig Thuis door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag (de personele unie). Het dagelijks bestuur is bevoegd tot schorsing en ontslag van de directeur veilig thuis in overeenstemming met het college van B&W van de gemeente Den Haag. Het algemeen bestuur kan voorts de reguliere plaatsvervanging van de DVT regelen. Het Dagelijks Bestuur stelt, gehoord het Algemeen Bestuur, een Benoemingsstatuut directeur publieke gezondheid, directeur veilig thuis, secretaris & controller vast waarin het regels opneemt omtrent de wijze waarop het de DVT mag benoemen, schorsen en ontslaan en omtrent de vaststelling van het functieprofiel. Het Benoemingsstatuut wordt vastgesteld in overeenstemming met het college van B&W van de gemeente Den Haag en voor wat betreft de directeur publieke gezondheid in overeenstemming met het bestuur van de Veiligheidsregio.

Deze regels kunnen ook zien op de wijze waarop het Algemeen Bestuur bij de uitoefening van deze bevoegdheden het college van B&W van Den Haag (als werkgever van de persoon die is aangesteld als DPG) en het bestuur van de Veiligheidsregio moet horen, besluiten in overeenstemming moet nemen, danwel zo spoedig mogelijk op de hoogte moet stellen. Het is vanuit de GGD-VT Haaglanden gewenst dat de DVT leiding geeft aan de Uitvoeringsorganisatie VT. Dit betekent dat de DVT bevoegd moet zijn om functioneel leiding te geven aan de medewerkers van de Uitvoeringsorganisatie VT. Om dit functioneel leiding geven praktisch mogelijk te maken dient de dienstverleningsovereenkomst praktische (contractuele) afspraken te bevatten over de door hem te geven aansturing aan het personeel van de Uitvoeringsorganisatie VT. Het DB is voorts bevoegd om in een Directiestatuut bij unanimiteit nadere regels op te stellen inzake de wijze waarop de DVT zijn taken moet uitvoeren. Voor de uitvoering van zijn taken is de DVT – gelet op het orgaan dat hem aanstelt - verantwoording verschuldigd aan het DB van de GGD-VT Haaglanden.

9. Secretaris, Controller De regeling voorziet – naast de DPG en DVT – in de aanstelling van een secretaris een controller. De bevoegdheid hiertoe berust – gelet op de in de Wgr voorgeschreven bevoegdheidstoedeling tussen AB en DB – bij het DB. De secretaris is belast met de ondersteuning van het AB en DB, voor zover deze taken niet behoren tot die van de DPG en DVT. Tot de taken van de secretaris behoort in ieder geval de voorbereiding van de vergaderingen van AB en DB. Het DB stelt de secretaris en controller aan na overleg met (“gehoord”) het AB. In het al eerder genoemde Benoemingsstatuut directeur publieke gezondheid, directeur veilig thuis, secretaris & controller kan het DB regels vaststellen omtrent de wijze waarop het de secretaris en controller mag benoemen, schorsen en ontslaan en

omtrent de vaststelling van het functieprofiel. Het Benoemingsstatuut wordt vastgesteld in overeenstemming met de gemeente Den Haag voor zover de betrokken functionarissen in dienst komen van de gemeente Den Haag.

10. Selectie, ontslag en schorsing DPG, DVT, Secretaris, Controller Voor het aanstellen van de DPG, DVT, secretaris en controller wordt allereerst gebruik gemaakt van een tevoren opgesteld functieprofiel. Het ligt voor de hand dat het orgaan dat de functionaris aanstelt (AB respectievelijk DB) over het concept van het functieprofiel vooraf overeenstemming heeft met de relevante betrokkenen. Gelet op het feit dat de feitelijke uitvoering van de GGD-taken en VT-taken geschiedt door een organisatieonderdeel van de gemeente Den Haag (zie hierna), ligt het voor de hand dat met het college van B&W van de gemeente Den Haag overeenstemming wordt bereikt over het functieprofiel van de functionarissen die worden aangesteld bij de gemeente Den Haag en met de Veiligheidsregio voor wat betreft de DPG. Om dezelfde reden heeft het college van Den Haag een recht tot voordracht van de persoon die kan worden aangesteld als DPG, DVT, of controller. Om de procedure van aanstelling en ontslag van de DPG, DVT, secretaris en controller goed te regelen, mede gelet op de personele unie met de functie van de directeur van de Uitvoeringsorganisatie GGD, stellen het AB en DB elk een Benoemingsstatuut vast.

Zo’n statuut regelt de desbetreffende procedures voor vaststellen van het functieprofiel, de wijze van voordragen, de wijzen van benoeming, ontslag en schorsing, met in begrip van de daarbij te voeren afstemming danwel overeenstemming met alle bestuurlijke betrokkenen, waar onder in het bijzonder ook de Veiligheidsregio en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag. Het Benoemingsstatuut wordt vastgesteld in overeenstemming met het bestuur van de Veiligheidsregio voor het onderdeel DPG en het college van B&W van de gemeente Den Haag. Benoeming, schorsing en ontslag van de DPG is een bevoegdheid van het AB, in overeenstemming met het bestuur van de Veiligheidsregio en het college van B&W van de gemeente Den Haag. Benoeming, schorsing en ontslag van de DVT is een bevoegdheid van het DB, in overeenstemming met het college van B&W van de gemeente Den Haag.

11. Vaststelling uitvoeringsniveau basispakket GGD, pluspakket GGD en pakket VT De GR regelt dat de uitvoering van collegetaken op het terrein van publieke gezondheid en veilig Thuis is opgedragen aan de GGD-VT Haaglanden. Daarmee is nog niet specifiek bepaald op welk uitvoeringsniveau deze taakuitvoering dient plaats te vinden. Het AB bepaalt periodiek – voor alle deelnemers – het gewenste gedeelde uitvoeringsniveau (artikel 5 lid 3). Het AB doet dat niet nadat de voorbereiding daarvan is gedaan door een samenspel tussen de DPG (als de functionaris die voor de uitvoering verantwoordelijk is) en het DB dat de taak heeft de besluiten van het AB voor te bereiden. De besluitvorming door het AB

kan uiteindelijk ook nog voorafgaan door advisering door een al dan niet vaste (bestuurlijke) adviescommissie van het AB. Onderdeel van deze voorbereiding is natuurlijk ook de vroegtijdige consultatie van de wensen van de afzonderlijke deelnemende gemeenten en van de gemeente Den Haag in de hoedanigheid van leverancier van de gewenste diensten. Voorop staat dat het AB zoveel mogelijk rekening houdt met de wensen van de individuele deelnemers. Nadat het AB het uitvoeringsniveau heeft vastgesteld dient dit te worden vertaald in een concrete opdracht van de GR aan de gemeente Den Haag. Deze opdracht wordt vervat in een dienstverleningsovereenkomst. Ingevolge de wettelijke verdeling van bevoegdheden tussen AB en DB van de GR is het DB bevoegd om te besluiten deze dienstverleningsovereenkomst aan te gaan. Het DB zal deze overeenkomst overigens pas aangaan, indien zij het AB in de gelegenheid heeft gesteld zich uit te laten over het voornemen deze overeenkomst te sluiten (vgl. artikel 5, vijfde en zesde lid: “gehoord het Algemeen Bestuur”.) De dienstverleningsovereenkomst valt uiteen in drie onderdelen, een raamovereenkomst voor onbepaalde tijd (met daarin de algemene regels inzake de dienstverlening), het dienstverleningshandvest (met de concrete kwaliteitseisen) en een uitvoeringsovereenkomst (met daarin de afspraken over de per tijdseenheid te leveren kwantiteit en prijs).

Zoals hiervoor aangegeven kunnen de deelnemende gemeenten – desgewenst – ook kiezen voor een zogenoemd lokaal pakket. De optie van lokale pakketten biedt afzonderlijke deelnemers onder meer de mogelijkheid om zelf te bepalen of zij in aanvulling op het niveau van het basispakket GGD, het pluspakket GGD en het pakket VT een hogere kwantiteit en/of kwaliteit van dienstverlening wensen te hebben. Met de vaststelling van het gewenste uitvoeringsniveau voor het basispakket GGD, het pluspakket GGD en het pakket VT wordt dan bepaald wat in termen van kwaliteit en kwantiteit de ondergrens is van de eventuele lokale pakketten (zie ook onderdeel 4). De vaststelling door het AB van het gewenste uitvoeringsniveau impliceert automatisch ook dat het bepalen van de inhoud van het lokale pakket weer een eigen taak en verantwoordelijkheid is van het desbetreffende college van B&W, en dus niet van het AB, het DB of de DPG of de DVT.

12. Uitvoering door Den Haag De uitvoering van de GGD- en VT-taken is gebaseerd op een combinatie van een samenwerking in een gemeenschappelijke regeling en feitelijke uitvoering van de GGD- en VT-taken door de gemeente Den Haag, in het bijzonder door de Uitvoeringsorganisatie GGD en de Uitvoeringsorganisatie VT. De Uitvoeringsorganisatie GGD van de gemeente Den Haag staat onder personele en bedrijfsmatige leiding van de directeur Uitvoeringsorganisatie GGD; het algemeen bestuur benoemt de directeur van de Uitvoeringsorganisatie GGD van de gemeente Den Haag tot directeur publieke gezondheid, mits eerder door het algemeen bestuur, in overeenstemming met het bestuur van de

Veiligheidsregio Haaglanden, is ingestemd met de benoeming van de directeur van de Uitvoeringsorganisatie door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag. Daarmee wordt een personele unie bewerkstelligd tussen de DPG en de directeur Uitvoeringsorganisatie GGD. De Uitvoeringsorganisatie VT van de gemeente Den Haag staat onder personele en bedrijfsmatige leiding van de directeur Uitvoeringsorganisatie VT; het dagelijks bestuur benoemt de directeur van de uitvoeringsorganisatie Veilig Thuis, mits eerder door het dagelijks bestuur is ingestemd met de aanstelling van de directeur van Uitvoeringsorganisatie Veilig Thuis door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag. Daarmee wordt een personele unie bewerkstelligd tussen de DVT en de directeur Uitvoeringsorganisatie VT. De hierna verder te bespreken raamovereenkomst bevat onder meer de algemene regels die het AB van de GGD-VT Haaglanden respectievelijk het college van Den Haag in acht dienen te nemen in geval van aanstelling van en ontslagverlening aan de DPG en de DVT. De feitelijke uitvoering door de gemeente Den Haag geschiedt in opdracht van de GR GGD-VT Haaglanden.

Daartoe sluiten de GR GGD-VT Haaglanden en de gemeente Den Haag een stelsel van samenhangende overeenkomsten: een raamovereenkomst (met de algemene bepalingen en een in beginsel onbeperkte looptijd), een dienstverleningshandvest (inzake de kwaliteit van dienstverlening en de borging daarvan, periodiek te wijzigen) en een uitvoeringsovereenkomst (inzake de per tijdseenheid/jaar te leveren kwantiteit en de bijbehorende prijs). Dit geldt zowel voor de dienstverlening inzake de GGD-taken als die inzake de VT-taken. Het is aan het DB om – in samenspraak met het AB - te bepalen in welke mate zij de uitvoering van taken kan overlaten (mandateren) aan de DPG respectievelijk aan de DVT. De GR maakt uitdrukkelijk onderscheid tussen de financiële en beleidsmatige cyclus van de GR (totstandkoming van begroting en jaarrekening) en de cyclus inzake de totstandkoming en wijziging van de dienstverleningsovereenkomst. De financiële en beleidsmatige cyclus van de totstandkoming van begroting en jaarrekening van de GR is een formeel bestuurlijk besluitvormingsproces van AB en DB in relatie tot de negen deelnemers. Tekorten op de rekening (exploitatieverschillen ten opzichte van de begroting) komen ten laste van het vermogen van de GR. Indien het vermogen deze tekorten niet kan opvangen, dient het AB deze tekorten aan te zuiveren door een aanvullende bijdrage te vragen aan de deelnemers.

Overschotten op de rekening kunnen worden toegevoegd aan het vermogen van de GR. De regeling bevat verschillende bepalingen voor de uiterste termijnen voor het aanleveren van (concept)begroting en jaarrekening. Het betreft hier uiterste termijnen die rekening houden met de wettelijke bepalingen hieromtrent in de Wgr. Het is aan het AB en DB om – in afstemming met de deelnemende gemeenten – om deze termijnen al dan niet te vervroegen (via vastlegging in het Financieel statuut) om de afzonderlijke gemeenten meer tijd te geven hun eigen cycli te doorlopen. De cyclus inzake de totstandkoming en wijziging van de dienstverleningsovereenkomst (bestaande uit de raamovereenkomst, het

dienstverleningshandvest en de uitvoeringsovereenkomst) vindt formeel plaats tussen het openbaar lichaam GGD-VT Haaglanden en de gemeente Den Haag. Tegelijkertijd houden beide cycli natuurlijk verband met elkaar. De beleidsmatige en financiële wensen van het AB vormen het kader voor de gesprekken met de gemeente Den Haag en het sluiten van de dienstverleningsovereenkomst tussen het openbaar lichaam en de gemeente Den Haag. De ervaringen uit het verleden en kennis van wat de gemeente Den Haag kan leveren vormt daarbij input voor de kaderstelling door het AB. De regeling bevat geen specifieke voorziening voor behandeling van klachten als bedoeld in hoofdstuk van de Algemene wet bestuursrecht. Om die reden is de Nationale ombudsman het orgaan dat bevoegd is tot behandeling van die klachten (vgl. artikel 1a sub b Wet Nationale ombudsman). Daarnaast is een bijzondere regeling van toepassing ten aanzien van klachten inzake de verlening van zorg. De regeling bepaalt dat het openbaar lichaam de status heeft van zorgaanbieder als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg. Dit correspondeert met de taakopdrachten aan het openbaar lichaam als gemeentelijke gezondheidsdienst en de verantwoordelijkheid die het openbaar lichaam draagt voor de zorgverlening die voortvloeit uit deze taakopdrachten.

Dat het openbaar lichaam deze taken feitelijk laat uitvoeren door Uitvoeringsorganisatie GGD van de gemeente Den Haag en dat de Uitvoeringsorganisatie GGD van de gemeente Den Haag ook de status van zorgaanbieder heeft (ook gelet op de levering van het lokale pakket) maakt dat niet anders. Het gevolg van het hebben van de status van zorgaanbieder is dat het openbaar lichaam eigen regelingen voor klachtafhandeling en geschilbeslechting moet hebben. Omdat die eis – gelet op het voorgaande - ook geldt voor de gemeente Den Haag, zullen het openbaar lichaam en de gemeente Den Haag de hier bedoelde afhandeling van klachten en geschillen gecoördineerd dienen uit te voeren.

13. Verdeling kosten en risico’s De verdeling van de kosten voor uitvoering van de GGD-taken en VT-taken is in de regeling in hoofdlijnen vastgelegd. De kostenverdeling voor de uitvoering van de basistaken GGD is gebaseerd op inwonertal. Daarmee geldt voor de basistaken GGD een vorm van solidariteit. De kostenverdeling voor de uitvoering van de plustaken GGD geschiedt op basis van het criterium dat wat wordt afgenomen voor (inwoners van) een bepaalde gemeente door de desbetreffende deelnemer wordt betaald. Voor de plustaken GGD geldt daarmee een profijtbeginsel. De kostenverdeling voor de uitvoering van de taken VT is gebaseerd op historisch verbruik in combinatie met inwonertal. Artikel 25, eerste lid, sub d GR bevat een bijzondere besluitvormingsprocedure op basis waarvan het AB een afwijking kan regelen van de in de GR vastgelegde criteria voor bepaling van de kostenverdeling. De door de GR (op basis van de besluitvorming in het AB) bij de deelnemers in rekening te brengen bijdragen zijn verplichte bijdragen voor de deelnemers. Zoals gezegd worden tekorten en overschotten op de exploitatie van de GR verrekend met het eigen vermogen van de GR, tenzij tekorten worden verrekend met een aanvullende bijdragen van de deelnemers.

Voor de berekening van de verdeling van kosten voor de basistaken GGD en de plustaken GGD geldt dat van deze kosten eerst moeten worden afgetrokken eventuele inkomsten die afkomstig zijn van derden. Onder deze eventuele inkomsten vallen in de eerste plaats eventuele eigen bijdragen van personen die een dienst van de GGD afnemen (de eigen bijdrage van reizigers die een reizigersvaccinatie afnemen). Hieronder vallen in de tweede plaats (delen van) specifieke (geoormerkte) uitkeringen die gemeenten krijgen van het Rijk. Denk daarbij aan de zogenoemde DUVO-uitkering (decentralisatie uitkering vrouwenopvang) die het rijk ten behoeve van bepaalde regiovoorzieningen verstrekt aan centrumgemeenten en waarvan de betrokken gemeenten op basis van (gezamenlijke) beleidskeuzes bepalen dat delen van deze middelen bestemd zijn voor Veilig Thuis. Voor het basispakket GGD zal de gemeente Den Haag de vooraf afgesproken diensten bij de GR in rekening brengen op basis van een vooraf overeengekomen vergoeding. De hoogte van deze vergoeding wordt jaarlijks door het college van B&W van Den Haag en het DB binnen de kaders gesteld door het algemeen bestuur, vastgesteld (artikel 24.1). De GR zal van haar deelnemers op basis van het inwonertal een bijdrage ontvangen die in principe afgeleid is van deze vergoeding (tenzij het AB besluit een risico-opslag aan de deelnemers op te leggen).

Op de basistaken loopt de GR zo geen risico en boekt zij in principe geen resultaat. In de dienstverleningsovereenkomst kunnen hierop uitzonderingen worden geformuleerd voor situaties waarin zich door Den Haag of de GR niet te voorziene kostenstijgingen voordoen. Bijvoorbeeld door nieuwe wettelijke taken, verhoogde kwaliteitseisen, onverwachte niet voorziene ICT-investeringen, of in geval van een crisis die een sterk verhoogde inzet van de uitvoeringsorganisatie vereist (bijvoorbeeld een epidemie) of een crisis die het normale functioneren van de uitvoeringsorganisatie sterk verstoort (bijvoorbeeld een cyberaanval die de uitvoering raakt). Het risico voor het uitvoeren van de vooraf afgesproken diensten uit het basispakket ligt, behoudens voor in de DVO opgenomen uitzonderingen, volledig bij de gemeente Den Haag als opdrachtnemer. De hiervoor benoemde uitzonderingen in de DVO betreffen risico’s die zich onverwachts voordoen tijdens een uitvoeringsjaar (waarvoor de kosten ook vallen in dat uitvoeringsjaar). Te voorziene investeringen in bijv. ICT worden meegenomen in de begrotingen voor komende jaren. De diensten voor het pluspakket GGD worden door de gemeente Den Haag bij de GR in rekening gebracht op basis van p x q.

Voor hygiëne-inspecties bij seksinrichtingen en reizigersadvies en -vaccinatie geldt dat derden hiervoor een kostendekkende bijdrage betalen (principe van p x q met een kostendekkende prijs). Voor de taken VT is de kostenverdeling gebaseerd op historisch verbruik in combinatie met inwonertal. In het financieel statuut zullen nadere afspraken worden gemaakt over wijze van afrekenen, eventuele resultaatverdeling, reserveringen en risicoverdeling. Een belangrijke taak voor de controller van de GR is om te beoordelen of opgedane ervaringen en geïdentificeerde mogelijkheden voor

doelmatigheidsbesparingen op de juiste wijze worden verwerkt in de begroting voor de taken GGD en VT voor de volgende cyclus. Door op basis van deze systematiek alle kosten – in de vorm van deelnemersbijdragen – in rekening te brengen bij de deelnemers wordt geborgd dat de GGD-VT Haaglanden kostendekkend werkt. Het is aan het AB om te bepalen of op de deelnemersbijdragen een risico-opslag mag worden gelegd. Dit omdat met een risico-opslag de GGD-VT Haaglanden een weerstandsvermogen kan aanleggen en dit weerstandsvermogen onverwachte kosten kan dekken zonder dat ter dekking van deze kosten de deelnemers een naheffing kunnen krijgen. De diensten die de GGD-VT Haaglanden voor zijn deelnemers levert zijn onder te verdelen in verschillende soorten en kennen elk een eigen systematiek van bepaling van de kostprijs (en daarmee samenhangende systematiek van toerekening van kosten). Gelet op de hiervoor genoemde twee verschillende sleutels voor kostenverdeling verdient het sterk aanbeveling om deze systematiek nader uit te werken in een – door het AB vast te stellen – Financieel statuut. Dit besluit kan ook de noodzakelijke transparantie inzake de kostprijsberekening tussen de GGD-VT Haaglanden en de deelnemers borgen. Het bepaalde in artikel 23 eerste en derde lid laat toe dat bij de uitwerking van financieringssystematiek bepaalde wegingen worden gehanteerd.

De kosten die de GGD-VT Haaglanden dient te dragen worden primair bepaald door de kosten die de gemeente Den Haag op grond van de dienstverleningsovereenkomst bij de GGD-VT Haaglanden in rekening mag brengen. Dit betekent dat tussen de GGD-VT Haaglanden en de gemeente Den Haag afspraken moeten zijn gemaakt over de verdeling van de verantwoordelijkheden voor en risico’s van de uitvoering van de GGD- en VTtaken. Tot deze afspraken behoren ook afspraken over de investeringen die Den Haag doet om de GGD- en VT-taken uit te voeren; dit tegen de achtergrond van het uitgangspunt dat Den Haag alle hier relevante investeringen doet en de GGDVT Haaglanden dan geen investeringen hoeft te doen. De periodieke kosten die samenhangen met deze investeringen mag Den Haag natuurlijk wel in rekening brengen bij de GGD-VT Haaglanden. Risico’s die de gemeente Den Haag aldus zelf dient te dragen, mag Den Haag – indien deze risico’s zich manifesteren – niet in rekening brengen bij de GGD-VT Haaglanden. Een dergelijke afspraak betekent dat zulke risico’s worden verdisconteerd in de prijs die Den Haag voor de levering van die dienst in rekening zal brengen. Risico’s die de gemeente Den Haag aldus niet zelf hoeft te dragen, blijven berusten bij de GGD-VT Haaglanden. Voor de laatste soort risico’s dient de GGD-VT Haaglanden te bepalen of zij daarvoor een zeker weerstandsvermogen nodig heeft.

14. Verhouding AB, DB en DPG, DVT De uitvoering van de GGD-taken vergt een samenspel tussen AB, DB en DPG. Hierbij speelt de wettelijke toedeling van bevoegdheden tussen AB, DB en de DPG een belangrijke rol. Binnen de algemene kaders die de gemeenteraden hebben vastgesteld heeft het AB de algemene verantwoordelijkheid voor de

uitvoering van de GGD-taken. Ter realisering van deze algemene verantwoordelijkheid hebben het DB en de DPG elk een eigen concrete uitvoeringsverantwoordelijkheid. Het DB heeft de bestuurlijke bevoegdheid en verantwoordelijkheid inzake de dienstverleningsovereenkomst: het onderhandelen en sluiten van de overeenkomst, het monitoren van de nakoming ervan en het eventueel ingrijpen indien de overeenkomst niet (correct) wordt nagekomen. Hierover legt het DB verantwoording af aan het AB. De DPG op zijn beurt heeft als deskundige een wettelijke verantwoordelijkheid en bevoegdheid inzake de (dagelijkse) leiding van de GGD. De DPG heeft hier een eigen wettelijke verantwoordelijkheid waarover hij verantwoording verschuldigd is jegens het AB. In zoverre dienen DB en DPG elk voor zover het hun eigen verantwoordelijkheden betreft verantwoording af te leggen aan het AB. Het AB kan overigens het voeren van toezicht op de DPG overlaten (mandateren) aan het DB. Dit laat onverlet dat het AB de eindverantwoordelijkheid heeft voor beoordeling van het functioneren van de DPG. Indien het AB het voeren van toezicht op de DPG overlaat aan het DB, is het DB op zijn beurt verantwoording verschuldigd aan het AB over de wijze waarop het dat toezicht uitvoert.

De bestuurlijke bevoegdheid en verantwoordelijkheid van het DB inzake de dienstverleningsovereenkomst staat niet in de weg aan de mogelijkheid dat het DB de uitvoering van deze taken in hoge mate opdraagt aan de DPG. Dat ligt zelfs zeer voor de hand. Als deskundige wordt de DPG juist geacht te kunnen aangeven welke ondersteuning de GGD dient te kunnen leveren en welke diensten derhalve bij Den Haag moeten worden ingekocht. In dat opzicht dient het DB de DPG nadrukkelijk te betrekken bij het sluiten en monitoren van de dienstverleningsovereenkomst met Den Haag. Het sluiten van een overeenkomst tussen de GGD-VT Haaglanden en de gemeente Den Haag vergt aan de zijde van de GGD-VT Haaglanden bestuurlijke besluitvorming van het DB. Gelet op het belang ervan is het aannemelijk dat het DB de raamovereenkomst eerst kan sluiten nadat het het AB hierover heeft gehoord. Hierbij kan een advies van de DPG over de inhoud van de raamovereenkomst van belang zijn. Het ligt dan ook voor de hand dat zowel DB als AB het advies van de DPG bij hun oordeelsvorming zullen betrekken. Hetzelfde geldt voor het tussen de GGD-VT Haaglanden en de gemeente Den Haag overeen te komen dienstverleningshandvest en de uitvoeringsovereenkomst.

Bij dit alles is van belang dat AB, DB en DPG tevens rekening hebben te houden met wat in dit kader is vastgelegd in de negen betrokken nota’s gemeentelijk gezondheidsbeleid (welke door de gemeenteraden zijn vastgesteld). Het ligt voor de hand deze werkwijze en verhoudingen tussen AB, DB en DPG vast te leggen in een governancecode. Deze governancecode kan ook worden gebruikt om nader invulling te geven aan de verhouding tussen het AB, DB en de DVT, met dien verstande dat de DVT – anders dan de DPG – geen eigen wettelijke bevoegdheden heeft. Zijn bevoegdheden zijn altijd een afgeleide van die van het DB en van het AB (voor zover van die laatste mogelijkheid gebruik wordt gemaakt).

Artikelsgewijs Artikel 1 Ter wille van een zo kort mogelijke tekst van de regeling zijn hier enkele definities van meerdere keren gebruikte begrippen opgenomen. Artikel 2 Dit artikel wordt nader toegelicht in het algemene deel van de toelichting onder het kopje 1. Inleiding. Derde lid. Hoewel de GGD-VT een zorginstelling is, is de Zorgbrede Governancecode niet van toepassing. De Zorgbrede Governancecode is namelijk uitsluitend toegesneden op het bestuur van private rechtspersonen zoals stichtingen en vennootschappen en daarom niet bruikbaar voor de krachtens de regels van het publiekrecht bestuurde GGD-VT. De gemeente van vestiging betreft de statutaire vestigingsplaats. Die is bijvoorbeeld van belang voor de bevoegdheid van de rechter. De feitelijke vestigingsplaats, zijnde de gemeente waar de instelling is gehuisvest, kan daarvan verschillen. Vanwege de samenhang met de veiligheidsregio is gekozen voor dezelfde vestigingsplaats als die van de veiligheidsregio Haaglanden. Artikel 3 Artikel 10 eerste lid van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) schrijft voor dat de regeling het belang of de belangen waarvoor zij is aangegaan, vermeldt. Onder ‘belang’ wordt verstaan het beleidsterrein waarop wordt samengewerkt. Met het vastleggen van het belang of de belangen wordt het werkterrein van GGD-VT afgebakend.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14014389/3