CConstaterende datPijnacker Nootdorp
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 2 Was-wordt tabel APV 2024

Raad Besluitvorming 21 december 2023, gemeente Pijnacker NootdorpBij agendapunt: 147008015.046 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

WAS-WORDT TABEL WIJZIGING APV PIJNACKER-NOOTDORP 2024 HOOFDSTUK 1 WAS

WORDT

TOELICHTING

Artikel 1:1 Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan onder: a. bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; b. bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning; c. bouwwerk: hetgeen in artikel 1 van de model Bouwverordening van de VNG daaronder wordt verstaan;

Artikel 1:1 Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: a.

b. beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; c.

d. college: het college van burgemeester en wethouders; e. gebouw: hetgeen in artikel 1, eerste lid onder c, van de Woningwet daaronder wordt verstaan; f. handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;

bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;

bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet;

d. bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; e.

bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994;

g. openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;

f.

college: het college van burgemeester en wethouders;

h. openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties daaronder wordt verstaan;

g.

gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;

i. rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht;

h. handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;

j. weg: hetgeen in artikel 1, eerste lid onder b van de Wegenverkeerswet daaronder wordt verstaan.

i.

motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

j.

openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;

k.

openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties;

Een aantal begripsbepalingen zijn aangepast dan wel toegevoegd vanwege de inwerktreding van de Omgevingswet er 1-1-2024.

l.

parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

m. rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht; n. voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens, zoals kruiwagens en kinderwagens, en rolstoelen; o. weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 1:2 Beslistermijn

Artikel 1:2 Beslistermijn

1.

Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.

1.

Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.

2.

Het bestuursorgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste acht weken verdagen.

2.

Het bestuursorgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste acht weken verdagen.

3.

Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet voor zover in deze verordening andere beslistermijnen zijn gesteld.

3.

Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet voor zover in deze verordening andere beslistermijnen zijn gesteld.

4.

In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 2:10, vierde lid of een vergunning als bedoeld in artikel 2:11, tweede lid aanhef en onder a, of artikel 4:11.

4.

Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning.

Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen

Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen

1. Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.

1. Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.

2. Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.

2. Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.

Het vierde lid wordt vervangen vanwege de inwerktreding van de Omgevingswet per 1-1-2024.

Het derde lid wordt toegevoegd vanwege de inwerktreding van de Omgevingswet per 1-1-2024.

Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.

Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing 1. De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.

Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing

Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing

De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:

1.

a. b.

c.

d.

e.

indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt; indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een dergelijke termijn, binnen een redelijke termijn;

De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd: a.

indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt;

b.

indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;

c.

indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;

d.

indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een dergelijke termijn, binnen een redelijke termijn;

e.

indien de houder of zijn rechtverkrijgende dit verzoekt.

indien de houder of zijn rechtverkrijgende dit verzoekt.

Het tweede lid wordt toegevoegd vanwege de inwerktreding van de Omgevingswet per 1-1-2024.

Het tweede lid wordt toegevoegd vanwege de inwerktreding van de Omgevingswet per 1-1-2024.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning. Artikel 1:7 Termijnen

Artikel 1:7 Termijnen

2. Er wordt een tweede lid toegevoegd. Het tweede lid komt te

2. De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal

luiden: De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal

Per abuis staat er een verkeerde toevoeging in het tweede lid. De zinsnede ‘Er wordt een tweede lid toegevoegd. Het tweede lid komt te luiden:’ wordt uit de APV

vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft. Artikel 1:9 Toepassen positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen

beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.

verwijderd.

VERVALT

Het van toepassing zijn van de positief fictieve beschikking hoeft niet apart geregeld te worden. Als de positief fictieve beschikking niet van toepassing is, is dit bij de betreffende artikelen zelf geregeld. Dit is overeenkomstig de wil van de wetgever. De lex silencio is van toepassing tenzij. Artikel 1:9 komt daarom te vervallen.

HOOFDSTUK 2 WAS

WORDT

TOELICHTING

Artikel 2:10 Plaatsen van voorwerp op of aan de weg in strijd met publieke functie van de weg

Artikel 2:10 Plaatsen van voorwerp op of aan de weg in strijd met publieke functie van de weg

Het vierde lid vervalt, omdat hier al in wordt voorzien via het vijfde lid sub c (nu vierde lid sub c).

Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing voor de volgende artikelen in deze verordening: Artikel 2:11 Aanleggen, maken of beschadigen van een weg (Wabo) Artikel 2:12 Maken en veranderen van een uitweg (Wabo) Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden Artikel 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken

1.

Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als: a.

het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de

1.

Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als: a.

het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het

Het laatste lid is aangepast vanwege de inwerktreding van de Omgevingswet per 1-1-2024.

weg; b.

doelmatig beheer en onderhoud van de weg;

het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand.

b.

het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand.

2.

Het college kan in het belang van de openbare orde of de woonen leefomgeving nadere regels stellen.

2.

Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen.

3.

Het bevoegd bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

3.

Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

4.

In afwijking van het derde lid kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen voor het in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

4.

Het verbod in het eerste lid geldt niet voor:

5.

6.

Het verbod in het eerste lid geldt niet voor: a.

evenementen als bedoeld in artikel 2:25;

b.

standplaatsen als bedoeld in artikel 5:18;

c.

overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend.

Het verbod in het eerste lid van dit artikel geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet of de provinciale wegenverordening.

Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1.

Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte

5.

a.

evenementen als bedoeld in artikel 2:25;

b.

standplaatsen als bedoeld in artikel 5:18;

c.

overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend.

Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de

Vanwege de inwerktreding van de Omgevingswet per 1-1-2024, komt het oorspronkelijke tweede lid te vervallen en wordt het oorspronkelijke vierde lid

van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2.

De vergunning wordt verleend: a.

b.

verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.

als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit;

2. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van

door het college in de overige gevallen.

3. Het verbod is voorts niet van toepassing op

3.

Het verbod in het eerste lid geldt niet voor overheden bij het uitvoeren van hun publieke taak.

4.

Het verbod geldt voorts niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de provinciale wegenverordening, de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde verordening.

Artikel 2:12 Maken en veranderen van een uitweg

gewijzigd.

een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht.

beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.

Artikel 2:12 Maken en veranderen van een uitweg

1.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

1.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

2.

In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 wordt de vergunning slechts geweigerd:

2.

In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 wordt de vergunning slechts geweigerd:

a.

ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg;

a.

ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg;

b.

indien de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;

b.

indien de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;

Het derde lid wijzigt vanwege de inwerktreding van de Omgevingswet per 1-1-2024.

3.

c.

indien door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast;

c.

indien door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast;

d.

indien er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen;

d.

indien er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen;

e.

indien het aanleggen van een uitweg in strijd is met het geldende bestemmingsplan.

e.

indien het aanleggen van een uitweg in strijd is met het geldende bestemmingsplan.

Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of de provinciale wegenverordening.

3.

Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.

Artikel 2:14 Winkelwagentjes 1.

Een winkelier die winkelwagentjes ter beschikking stelt, is verplicht deze: a. te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken; en b. terstond te verwijderen of te doen verwijderen uit de omgeving van dat bedrijf. 2. Het is verboden een winkelwagentje na gebruik onbeheerd op een openbare plaats achter te laten.

3. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet.

Artikel 2:24 Begripsbepaling 4. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a.

bioscoopvoorstellingen;

b.

markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid aanhef en onder h van de Gemeentewet;

c.

kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;

d.

het in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet gelegenheid geven tot dansen;

Artikel 2:24 Begripsbepaling 1.

In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a.

bioscoopvoorstellingen;

b.

markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid aanhef en onder h van de Gemeentewet;

c.

kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;

d. het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet e.

betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;

gelegenheid geven tot dansen;

Dit artikel wordt teruggeplaatst vanwege de overlast veroorzaakt door achtergelaten winkelwagentjes in en nabij winkelcentrum Parade in Nootdorp. Eerder zijn lichtere middelen ingezet om de overlast aan te pakken, maar dit heeft onvoldoende geholpen. Met de uitbreiding van het boa-team is er nu ook voldoende handhavingscapaciteit om handhavend op te treden tegen het achterlaten van winkelwagentjes.

De benaming Drank- en Horecawet in het eerste lid onder sub d. wijzigt naar Alcoholwet. In het tweede lid wordt sub f. toegevoegd, waarmee het voor de burgemeester mogelijk wordt om bepaalde categorieën vechtsportwedstrijden- of gala’s aan te wijzen voor een vergunningsplicht.

f.

2.

activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 en 2:39 van deze verordening. Onder evenement wordt mede verstaan:

e.

betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;

f.

activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 en 2:39 van deze verordening.

a.

een herdenkingsplechtigheid;

b.

een braderie;

c.

een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening;

a.

een herdenkingsplechtigheid;

b.

een braderie;

d.

een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op een openbare plaats;

c.

een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening;

e.

een straatfeest of buurtbarbecue op één dag.

d.

een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op een openbare plaats;

e.

een straatfeest of buurtbarbecue op één dag.

f.

een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s.

3.

2.

Evenementen zijn onderverdeeld in de volgende categorieën: a.

0-evenement: evenement met een laag risicoprofiel, waarvoor geen vergunning hoeft te worden aangevraagd. Het bezoekersaantal bedraagt maximaal 150 mensen;

3.

Onder evenement wordt mede verstaan:

Evenementen zijn onderverdeeld in de volgende categorieën:

b.

A-evenement: laag risico-evenement, waarbij sprake is van een beperkte impact op de omgeving en het verkeer;

a.

c.

B-evenement: gemiddeld risico-evenement, waarbij sprake is van een grote impact op de directe omgeving en/of gevolgen voor het verkeer;

0-evenement: evenement met een laag risicoprofiel, waarvoor geen vergunning hoeft te worden aangevraagd. Het bezoekersaantal bedraagt maximaal 150 mensen;

b.

A-evenement: laag risico-evenement, waarbij sprake is van een beperkte impact op de omgeving en het verkeer;

C-evenement: hoog risico-evenement, waarbij sprake is van een grote impact op de omgeving en/of regionale

c.

B-evenement: gemiddeld risico-evenement, waarbij sprake

d.

gevolgen voor het verkeer. d.

Artikel 2:25 Evenementenvergunning 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2.

3.

Geen vergunning is vereist voor een 0-evenement indien aan alle volgende criteria is voldaan:

is van een grote impact op de directe omgeving en/of gevolgen voor het verkeer; C-evenement: hoog risico-evenement, waarbij sprake is van een grote impact op de omgeving en/of regionale gevolgen voor het verkeer.

Artikel 2:25 Evenementenvergunning 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2.

Geen vergunning is vereist voor een 0-evenement indien aan alle volgende criteria is voldaan:

a.

dit ten hoogste één dag duurt;

a.

dit ten hoogste één dag duurt;

b.

het aantal aanwezigen gelijktijdig niet meer bedraagt dan 150;

b.

het aantal aanwezigen gelijktijdig niet meer bedraagt dan 150;

c. c.

het evenement plaatsvindt op maandag tot en met donderdag tussen 09.00 uur en 23.00 uur of op vrijdag en zaterdag tussen 09.00 en 24.00 uur of op zondag tussen 13.00 uur en 23.00 uur;

het evenement plaatsvindt op maandag tot en met donderdag tussen 09.00 uur en 23.00 uur of op vrijdag en zaterdag tussen 09.00 en 24.00 uur of op zondag tussen 13.00 uur en 23.00 uur;

d. d.

de organisator de burgemeester ten minste tien werkdagen voorafgaand aan het evenement in kennis stelt met een door de burgemeester opgesteld meldingsformulier. 3.

de organisator de burgemeester ten minste tien werkdagen voorafgaand aan het evenement in kennis stelt met een door de burgemeester opgesteld meldingsformulier.

De burgemeester kan tot 5 dagen voor aanvang van een meldingsplichtig evenement als bedoeld in het tweede lid besluiten het organiseren van een evenement te verbieden, indien daardoor de openbare orde, de verkeersveiligheid, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. Hierbij wordt de samenhang van verschillende evenementen rond dezelfde periode meegenomen in de afweging.

4.

De burgemeester kan tot 5 dagen voor aanvang van een meldingsplichtig evenement als bedoeld in het tweede lid besluiten het organiseren van een evenement te verbieden, indien daardoor de openbare orde, de verkeersveiligheid, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. Hierbij wordt de samenhang van verschillende evenementen rond dezelfde periode meegenomen in de afweging. De burgemeester kan nadere regels stellen ten behoeve van evenementen.

Om de regeldruk voor organisatoren en de werkdruk bij de vergunningverleners te verlagen, is lid 7 toegevoegd. Er kan voor A-evenementen die jaarlijks terugkeren een meerjarenvergunning worden verleend voor ten hoogste 3 jaar.

De toevoeging van het negende lid biedt een extra weigeringsgrond als de organisator van een vechtsportevenement of -gala van slecht levensgedrag blijkt te zijn.

Met de vergunningsplicht voor vechtsportevenementen en de toets op slechtlevensgedrag worden organisatoren van vechtsportevenementen met verkeerde intenties geweerd en wordt het risico op openbare orde verstoringen veroorzaakt door (bezoekers van) vechtsportevenementen beperkt.

4.

De burgemeester kan nadere regels stellen ten behoeve van evenementen.

5.

Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de burgemeester de evenementenvergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, intrekken of wijzigen indien naar zijn oordeel:

a.

dit noodzakelijk is voor de openbare orde en veiligheid en/of de bescherming van het woon- en leefklimaat in de omgeving van het evenement;

a.

dit noodzakelijk is voor de openbare orde en veiligheid en/of de bescherming van het woon- en leefklimaat in de omgeving van het evenement;

b.

de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen niet kan worden gewaarborgd;

b.

de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen niet kan worden gewaarborgd;

c.

de zedelijkheid of gezondheid van bezoekers niet kan worden gewaarborgd;

c.

de zedelijkheid of gezondheid van bezoekers niet kan worden gewaarborgd;

d.

d.

het gelet op een gebeurtenis van nationale omvang op de dag van het evenement of daags voor het evenement met een dusdanig effect op het gemeenschapsleven niet wenselijk is dat de activiteiten worden voortgezet;

het gelet op een gebeurtenis van nationale omvang op de dag van het evenement of daags voor het evenement met een dusdanig effect op het gemeenschapsleven niet wenselijk is dat de activiteiten worden voortgezet;

e.

de ter handhaving van openbare orde en veiligheid noodzakelijke politiecapaciteit een onevenredig beroep op de beschikbare formatie doet.

6.

Het verbod van het eerste lid geldt niet voor een wedstrijd op of aan de weg, voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994.

7.

De burgemeester kan voor jaarlijks terugkerende Aevenementen een meerjarige vergunning voor de duur van drie jaar verlenen.

8.

Het bepaalde in het tweede en zevende lid is niet van

e.

6.

de ter handhaving van openbare orde en veiligheid noodzakelijke politiecapaciteit een onevenredig beroep op de beschikbare formatie doet. Het verbod van het eerste lid geldt niet voor een wedstrijd op of aan de weg, voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994.

5.

Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de burgemeester de evenementenvergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, intrekken of wijzigen indien naar zijn oordeel:

toepassing op een krachtens artikel 2:24, tweede lid, onder f, aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s. 9.

Artikel 2:27 Begripsomschrijvingen 1.

Deze paragraaf verstaat onder: a.

openbare inrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt en een bij dit bedrijf behorend terras en andere aanhorigheid;

b.

terras: een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt;

c.

d.

Onverminderd het bepaalde in het zesde en zevende lid weigert de burgemeester een vergunning voor een vechtsportwedstrijd, of –gala, dat valt binnen een categorie die krachtens het achtste lid door de burgemeester is aangewezen, indien de organisator van slecht levensgedrag is.

Artikel 2:27 Begripsomschrijvingen 1.

Deze afdeling verstaat onder: a.

openbare inrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt dan wel gelegenheid wordt gegeven anders dan om niet enigerlei eet- of drinkwaar te verkrijgen, af te halen of te verbruiken. Onder een openbare inrichting wordt in ieder geval verstaan: een restaurant, afhaalgelegenheid, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis. Onder openbare inrichting wordt tevens verstaan een bij deze inrichting behorend terras en andere aanhorigheden;

terrasuitstalling: een binnen één meter van de gevel van de openbare inrichting liggend terras, waarbij op het trottoir een vrije doorgang van 1,5 meter in een rechte lijn dient te worden opengelaten;

b.

terras: een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt;

exploitant: de natuurlijke persoon of personen aan wie een exploitatievergunning is verleend of voor wiens rekening en verantwoordelijkheid een openbare inrichting wordt geëxploiteerd;

c.

terrasuitstalling: een binnen één meter van de gevel van de openbare inrichting liggend terras, waarbij op het trottoir een vrije doorgang van 1,5 meter in een rechte lijn dient te worden opengelaten;

Momenteel is niet voldoende duidelijk wat er precies onder een openbare inrichting wordt verstaan. Daarom is de omschrijving van het begrip ‘openbare inrichting’ aangevuld. Een belangrijk verschil is dat in deze omschrijving ook duidelijk staat benoemd dat een afhaalgelegenheid onder het begrip openbare inrichting valt.

e.

beheerder: degene die als zodanig in de vergunning als bedoeld in artikel 2:28, eerste lid is vermeld en naast de exploitant optreedt als leidinggevende;

d.

exploitant: de natuurlijke persoon of personen aan wie een exploitatievergunning is verleend of voor wiens rekening en verantwoordelijkheid een openbare inrichting wordt geëxploiteerd;

f.

horecaconcentratiegebied Pijnacker Centrum: het gebied gelegen tussen de Oost-/Westlaan en de Stationsstraat in Pijnacker bestaande uit: Stationsstraat, Emmapark, Raadhuisplein, Ackershof, Kerkweg, Oostlaan, Westlaan en Noordweg;

e.

beheerder: degene die als zodanig in de vergunning als bedoeld in artikel 2:28, eerste lid is vermeld en naast de exploitant optreedt als leidinggevende;

f.

horecaconcentratiegebied Pijnacker Centrum: het gebied gelegen tussen de Oost-/Westlaan en de Stationsstraat in Pijnacker bestaande uit: Stationsstraat, Emmapark, Raadhuisplein, Ackershof, Kerkweg, Oostlaan, Westlaan en Noordweg;

g.

paracommerciële rechtspersoon: een rechtspersoon niet zijnde een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die zich naast activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaalculturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard richt op de exploitatie in eigen beheer van een horecabedrijf;

h.

paracommerciële inrichting: een inrichting geëxploiteerd door een paracommerciële rechtspersoon.

g.

h.

2.

paracommerciële rechtspersoon: een rechtspersoon niet zijnde een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die zich naast activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaalculturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard richt op de exploitatie in eigen beheer van een horecabedrijf; paracommerciële inrichting: een inrichting geëxploiteerd door een paracommerciële rechtspersoon.

Deze paragraaf verstaat niet onder bezoekers: a.

b.

c.

de gezinsleden van de exploitant en beheerder, alsmede zijn elders wonende bloed- en aanverwanten, in de eerste lijn onbeperkt, in de zijlijn tot en met de derde graad; houders/werknemers/personen in loondienst van het horecabedrijf of een schoonmaakbedrijf, wier aanwezigheid in de inrichting noodzakelijk is in verband met (schoonmaak)werkzaamheden; de personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede personen bedoeld

2.

Deze paragraaf verstaat niet onder bezoekers: a.

de gezinsleden van de exploitant en beheerder, alsmede zijn elders wonende bloed- en aanverwanten, in de eerste lijn onbeperkt, in de zijlijn tot en met de derde graad;

b.

houders/werknemers/personen in loondienst van het horecabedrijf of een schoonmaakbedrijf, wier aanwezigheid in de inrichting noodzakelijk is in verband met (schoonmaak)werkzaamheden;

c.

de personen die voorkomen in het register als bedoeld

in artikel 438, derde lid van het Wetboek van Strafrecht; d.

in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede personen bedoeld in artikel 438, derde lid van het Wetboek van Strafrecht;

de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is.

Artikel 2:28 Exploitatievergunning

d.

de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is.

Artikel 2:28 Exploitatievergunning

1.

Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

1.

Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

2.

De burgemeester weigert de vergunning indien de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.

2.

De burgemeester weigert de vergunning indien de exploitatie in strijd is met het omgevingsplan.

3.

In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.

4.

Het eerste lid geldt niet voor openbare inrichtingen:

3.

4.

In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.

a.

in of behorend bij winkels als bedoeld in de Winkeltijdenwet, alsmede winkelondersteunende horecabedrijven met openingstijden conform de Winkeltijdenwet, waarbij geen alcoholhoudende dranken worden geschonken en een eventueel bijbehorend terras in de directe nabijheid van de winkel is geplaatst en bestaat uit een terrasuitstalling van maximaal twee tafels en vier stoelen/zitplaatsen.

b.

zorginstelling;

c.

museum; of

Het eerste lid geldt niet voor openbare inrichtingen: a.

in het bezit van een geldige vergunning op grond van artikel 3 van de Drank- en Horecawet en met een terrasuitstalling van maximaal twee tafels en vier stoelen/zitplaatsen;

b.

in of behorend bij logiesverstrekkers, kantoren (bedrijfskantines), scholen, musea, verzorging- en verpleegtehuizen, ziekenhuizen, rouwcentra en crematoria, voor zover deze uitsluitend in gebruik zijn of dienen ter ondersteuning van de bedrijfsvoering en dus zijn gericht op personen die

Lid 2 wordt gewijzigd vanwege de inwerktreding van de Omgevingswet per 1-1-2024. Onder lid 4 worden de ‘uitzonderingen’ m.b.t. paracommerciële horeca en openbare inrichtingen met een alcoholvergunning verwijderd om de procedures voor exploitatievergunningen zuiver te houden. Een exploitatievergunning voorziet in vergunningsvoorwaarden m.b.t. de openbare orde en veiligheid en het voorkomen van overlast voor de omgeving. De Alcoholwetvergunning voorziet in regels en voorwaarden m.b.t. de volksgezondheid. Doelen van beide vergunningen zijn dus anders. Zonder exploitatievergunning of alleen met een Alcoholwetvergunning is het lastig om handhavend op te treden tegen misstanden die de openbare orde en veiligheid raken.

d.

van de hoofdfunctie gebruikmaken; c.

d.

e.

in of behorend bij paracommerciële rechtspersonen, voor zover deze uitsluitend in gebruik zijn of dienen ter ondersteuning van de doelstellingen van de betreffende vereniging of stichting en dus zijn gericht op leden, medebeoefenaars van de betreffende discipline en toeschouwers van wedstrijden en overige verenigingsactiviteiten; in of behorend bij commerciële sport- en recreatieclubs, voor zover deze uitsluitend in gebruik zijn of dienen ter ondersteuning van de sport- en recreatieactiviteiten en dus zijn gericht op personen die van de hoofdfunctie gebruikmaken, waarbij geen alcoholhoudende dranken worden geschonken; in of behorend bij winkels als bedoeld in de Winkeltijdenwet, alsmede winkelondersteunende horecabedrijven met openingstijden conform de Winkeltijdenwet, waarbij geen alcoholhoudende dranken worden geschonken en een eventueel bijbehorend terras in de directe nabijheid van de winkel is geplaatst en bestaat uit een terrasuitstalling van maximaal twee tafels en vier stoelen/zitplaatsen.

5.

Indien naar het oordeel van de burgemeester onvoldoende vaststaat of wordt voldaan aan de criteria, gesteld in artikel 2:28, derde lid kan de burgemeester een vergunning afgeven voor een proefperiode van ten hoogste één jaar (voorlopige vergunning).

6.

Indien gedurende de proefperiode als bedoeld in het vijfde lid blijkt dat niet wordt voldaan aan de genoemde criteria kan de burgemeester nadere voorschriften stellen of de

bedrijfskantine of -restaurant.

5.

Indien naar het oordeel van de burgemeester onvoldoende vaststaat of wordt voldaan aan de criteria, gesteld in artikel 2:28, derde lid kan de burgemeester een vergunning afgeven voor een proefperiode van ten hoogste één jaar (voorlopige vergunning).

6.

Indien gedurende de proefperiode als bedoeld in het vijfde lid blijkt dat niet wordt voldaan aan de genoemde criteria kan de burgemeester nadere voorschriften stellen of de voorlopige vergunning intrekken.

7.

Indien tijdens de proefperiode niet van bezwaren is gebleken, deelt de burgemeester de exploitant van de inrichting schriftelijk mede, dat de voorlopige vergunning met ingang van een nader door hem te bepalen datum dient te worden beschouwd als een vergunning, zoals bedoeld in artikel 2:28 eerste lid.

8.

De burgemeester kan nadere regels stellen ten aanzien van toezicht op de exploitatie van een openbare inrichting.

voorlopige vergunning intrekken. 7.

Indien tijdens de proefperiode niet van bezwaren is gebleken, deelt de burgemeester de exploitant van de inrichting schriftelijk mede, dat de voorlopige vergunning met ingang van een nader door hem te bepalen datum dient te worden beschouwd als een vergunning, zoals bedoeld in artikel 2:28 eerste lid.

8.

De burgemeester kan nadere regels te stellen ten aanzien van toezicht op de exploitatie van een openbare inrichting.

Artikel 2:28b Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en/of beheerder Het is verboden een openbare inrichting voor het publiek geopend te houden zonder dat: a.

een op de vergunning of het aanhangsel vermelde exploitant of beheerder aanwezig is; of

b.

een persoon wiens bijschrijving op grond van artikel 2:28, eerste lid onder c, van deze verordening is gevraagd, mits de ontvangst van die aanvraag is bevestigd en zolang nog niet op die aanvraag is beslist, aanwezig is.

c.

De exploitant(en) en de beheerder(s) zijn verplicht er voortdurend op toe te zien dat in de openbare inrichting geen strafbare feiten plaatsvinden.

d.

De burgemeester kan categorieën van openbare inrichtingen of openbare inrichtingen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid gestelde verbod niet geldt.

Het is verstandig om de systematiek van de Alcoholwet (voorheen: Drank- en horecawet) met betrekking tot de aanvraag van een exploitatievergunning te introduceren voor het exploiteren van een openbare inrichting. Het is bekend dat in de horeca veel personele wisselingen plaatsvinden. Op dit moment ontbreekt een procedure met betrekking tot wijziging van leidinggevenden op de exploitatievergunning. Daarom wordt voorgesteld om een procedure bij wijziging van leidinggevenden (overeenkomstig de Alcoholwet) in de APV op te nemen. Ook de plicht tot aanwezigheid van de exploitant en/of leidinggevende wordt in de APV opgenomen. Deze aanvullingen geven meer handvatten voor de beoordeling

van een vergunningaanvraag en het toezicht op een juiste naleving wordt verbeterd.

Artikel 2:28c Weigerings-, intrekkings- en wijzigingsgronden 1.

2.

De burgemeester weigert of trekt de exploitatievergunning in indien a. de vestiging of de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan. b. de exploitant(en) of de beheerder(s) de leeftijd van 21 jaar nog niet bereikt hebben; c. de exploitant(en) of de beheerder(s) onder curatele staan; d. de exploitant(en) of de beheerder(s) in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn. De burgemeester kan de exploitatievergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken of wijzigen, indien: a. onverminderd artikel 1:8 naar zijn oordeel de openbare orde gevaar loopt; b. onverminderd artikel 1:6 de exploitant(en) of de beheerder(s) het bij of krachtens de bepalingen in deze paragraaf geregelde overtreedt; c. aannemelijk is dat de exploitant(en) of de beheerder(s) betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de openbare inrichting, die gevaar kunnen veroorzaken voor de openbare orde; d. de exploitant(en) of de beheerder(s) strafbare feiten plegen in de openbare inrichting, dan wel toestaan of gedogen dat in zijn openbare inrichting strafbare feiten worden gepleegd; e. zich in of vanuit de openbare inrichting

Dit artikel wordt toegevoegd omdat het weigerings- en intrekkingsgronden biedt die aanvullend zijn op artikel 1:8.

anderszins feiten hebben voorgedaan, dan wel dat het aannemelijk is dat het exploiteren van de inrichting de vrees wettigt, dat het geopend blijven van de openbare inrichting gevaar kan veroorzaken voor de openbare orde; f. er sprake is van een gewijzigde exploitatie of een wijziging in de exploitant(en), waarvoor geen nieuwe exploitatievergunning is aangevraagd dan wel verleend; g. er aanwijzingen zijn dat in de openbare inrichting personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000 bepaalde. Artikel 2:28d Wijziging beheer 1. Indien een of meer (van de) beheerder(s) het beheer in de openbare inrichting feitelijk beëindigt, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan de burgemeester. 2. Het beheer kan slechts worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien de exploitant of beheerder kan aantonen dat de nieuwe beheerder op het aanhangsel behorende bij de exploitatievergunning is bijgeschreven. 3. In afwijking van het tweede lid, kan het beheer tot op de aanvraag is beslist, tijdelijk worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien de exploitant of beheerder een bevestiging van de burgemeester kan tonen waaruit blijkt dat die nieuwe beheerder ten behoeve van bijschrijving op aanhangsel bij de exploitatievergunning is aangemeld.

Artikel 2.28e Beëindiging exploitatie 1. De exploitatievergunning vervalt zodra de exploitant of één van de exploitanten de exploitatie van de openbare inrichting heeft of hebben beëindigd. 2.

Uiterlijk binnen een maand na de beëindiging van de

Zie toelichting 2:28b

exploitatie door de exploitant dan wel exploitanten dan wel één van de exploitanten, geeft of geven deze daarvan schriftelijk kennis aan de burgemeester. Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.

Dit artikel is eerder verwijderd omdat het is geregeld in de Drank- en Horecawet/Alcoholwet. Maar openbare inrichtingen zonder Alcoholvergunning vallen buiten de scope van de Alcoholwet.

Afdeling 8 Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Drank- en Horecawet

Afdeling 8 Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Alcoholwet

Inhoud van de titel blijft gelijk, alleen benaming Drank- en Horecawet wijzigt naar Alcoholwet.

Artikel 2:34a Begripsbepaling

Artikel 2:34a Begripsbepaling

In deze afdeling wordt verstaan onder:

In deze afdeling wordt verstaan onder:

Inhoud artikel blijft gelijk, alleen benaming Drank- en Horecawet wijzigt naar Alcoholwet.

alcoholhoudende drank;

alcoholhoudende drank;

horecabedrijf;

horecabedrijf;

horecalocaliteit;

horecalocaliteit;

inrichting;

inrichting;

paracommerciële rechtspersoon;

paracommerciële rechtspersoon;

sterke drank;

sterke drank;

slijtersbedrijf en

slijtersbedrijf en

zwak-alcoholhoudende drank,

zwak-alcoholhoudende drank,

dat wat daaronder wordt verstaan in de Drank- en Horecawet.

dat wat daaronder wordt verstaan in de Alcoholwet.

Artikel 2:34d Proeverijen in slijtlokaliteiten

Artikel 2:39 Speelautomatenhal 1.

In dit artikel wordt verstaan onder:

Slijtersbedrijven zijn vrijgesteld van het in artikel 3, eerste lid, en het in artikel 14, eerste lid, van de Alcoholwet vervatte verbod, ten behoeve van het tegen betaling organiseren van een proeverij in hun slijtlokaliteit.

2.

De vrijstelling geldt buiten de dagen en tijden dat de slijtlokaliteit bij of krachtens de Winkeltijdenwet regulier is opengesteld.

Artikel 2:39 Speelautomatenhal 1.

In dit artikel wordt verstaan onder:

een speelautomatenhal: een inrichting, bestemd om het publiek gelegenheid te geven een spel door middel van speelautomaten te beoefenen, als bedoeld in artikel 30 c, eerste lid onder c, van de Wet op de kansspelen;

a. een speelautomatenhal: een inrichting, bestemd om

b.

een speelautomaat: een toestel, ingericht voor de beoefening van een spel, dat bestaat uit een door de speler in werking gesteld mechanisch, elektrisch of elektronisch proces, waarbij het resultaat kan leiden tot de middellijke of onmiddellijke uitkering van prijzen of premies, daaronder begrepen het recht om gratis verder te spelen;

b.

een speelautomaat: een toestel, ingericht voor de beoefening van een spel, dat bestaat uit een door de speler in werking gesteld mechanisch, elektrisch of elektronisch proces, waarbij het resultaat kan leiden tot de middellijke of onmiddellijke uitkering van prijzen of premies, daaronder begrepen het recht om gratis verder te spelen;

c.

c.

een exploitant: de natuurlijke of rechtspersoon die de speelautomatenhal exploiteert;

een exploitant: de natuurlijke of rechtspersoon die de speelautomatenhal exploiteert;

d.

d.

een beheerder: degene die met het dagelijks toezicht en de onmiddellijke leiding in de speelautomatenhal is belast.

een beheerder: degene die met het dagelijks toezicht en de onmiddellijke leiding in de speelautomatenhal is belast.

a.

2.

1.

Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester

het publiek gelegenheid te geven een spel door middel van speelautomaten te beoefenen, als bedoeld in artikel 30 c, eerste lid onder c, van de Wet op de kansspelen;

2.

Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelautomatenhal te vestigen of te exploiteren.

Artikel 25e van de Alcoholwet maakt het mogelijk om bij verordening vrijstelling te verlenen van de in artikel 3 en 14 neergelegde verboden, zodat betaalde proeverijen in slijtlokaliteiten zijn toegestaan. Deze vrijstelling geldt voor alle slijters in de gemeente.

Het zes lid sub c wordt gewijzigd vanwege de inwerktreding van de Omgevingswet per 1-1-2024.

3.

4.

een speelautomatenhal te vestigen of te exploiteren.

3.

De burgemeester kan voor maximaal één speelautomatenhal een vergunning verlenen.

De burgemeester kan voor maximaal één speelautomatenhal een vergunning verlenen.

4.

Aan de vergunning worden voorschriften en beperkingen verbonden. Deze hebben in elk geval betrekking op:

Aan de vergunning worden voorschriften en beperkingen verbonden. Deze hebben in elk geval betrekking op:

a. de openingstijden van de speelautomatenhal; b. het toezicht in de speelautomatenhal;

a. de openingstijden van de speelautomatenhal; b. het toezicht in de speelautomatenhal;

c. het aantal en type speelautomaten dat mag worden opgesteld;

c. het aantal en type speelautomaten dat mag worden opgesteld;

d. de exploitatie van de hal.

d. de exploitatie van de hal. 5.

6.

De burgemeester kan nadere regels vaststellen ten behoeve van de vergunningsprocedure. De burgemeester weigert de vergunning: a.

b.

indien het maximaal aantal af te geven vergunningen voor speelautomatenhallen is verleend; indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelautomatenhal of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelautomatenhal;

c.

indien de exploitatie van een speelautomatenhal in strijd is met het geldende bestemmingsplan;

d.

indien de beheerder(s) de leeftijd van 25 jaar nog niet heeft (hebben) bereikt;

e.

indien de exploitant of de beheerder van de speelautomatenhal niet voldoet aan de eisen

5.

De burgemeester kan nadere regels vaststellen ten behoeve van de vergunningsprocedure.

6.

De burgemeester weigert de vergunning: a.

indien het maximaal aantal af te geven vergunningen voor speelautomatenhallen is verleend;

b.

indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelautomatenhal of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelautomatenhal;

c. indien de exploitatie van een speelautomatenhal in strijd is met het omgevingsplan; d.

indien de beheerder(s) de leeftijd van 25 jaar nog niet heeft (hebben) bereikt;

e. indien de exploitant of de beheerder van de speelautomatenhal niet voldoet aan de eisen gesteld in artikel 4 van het Speelautomatenbesluit; f.

indien de speelautomatenhal is gelegen in de

gesteld in artikel 4 van het Speelautomatenbesluit; f.

nabijheid van scholen, jeugd-/buurt-/clubhuizen.

indien de speelautomatenhal is gelegen in de nabijheid van scholen, jeugd-/buurt-/clubhuizen.

Artikel 2:42 Plakken en kladden 1. Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.

2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: a. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; b. met kalk, teer of een kleur- of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.

3. Het verbod, bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing voor zover gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.

4. De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht deze aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.

5. Het college wijst aanplakborden aan voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.

6. Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.

Het ongenoegen over diverse maatschappelijke thema’s neemt toe. Dat zien we terug in de vele demonstraties in Den Haag, maar ook zien we in de regio dat men ongenoegen regelmatig uit door middel van plakken en kladden. Door dit artikel terug te plaatsen kunnen we ook weer vanuit het bestuursrecht tegen deze overtreding optreden.

7. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan. Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap en dergelijke

Artikel 2:48 Verboden gebruik drank, drugs en lachgas 1.

2.

3.

1.

Het is verboden op de weg of openbaar water enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfstof of verfgereedschap te vervoeren of bij zich te hebben.

2.

Het verbod is niet van toepassing als de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42.

Artikel 2:48 Verboden drankgebruik

Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.

1.

Het verbod is niet van toepassing op:

2.

a.

een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet; en

b.

een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank en Horecawet.

Het is verboden op een openbare plaats lachgas en/of middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de

Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. Het verbod is niet van toepassing op: a. een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet; b. andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.

Zie toelichting 2:42.

Lachgas staat nu op Lijst II van de Opiumwet en is dus bij wet verboden. Lid 3 en lid 4 van het oorspronkelijke APV artikel zijn daarom overbodig geworden. Daarnaast zijn er technische wijzigingen in lid 2 sub a en lid 2 sub b door de wijziging van Dranken Horecawet naar de Alcoholwet.

Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben als dit gepaard gaat met gedrag dat de openbare orde verstoort, het woon- en leefklimaat aantast of anderszins overlast veroorzaakt. 4.

Het is verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied lachgas en/of middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.

Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen 1. Het is verboden: a. zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden; b. zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen. 2.

Artikel 2:57 Loslopende honden 1.

Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: a.

op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk

Op basis van artikel 2:49 kan tegen vormen van onnodige hinder of overlast bij of in gebouwen worden opgetreden. Het is een aanvulling op artikel 2:47.

Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw.

Artikel 2:57 Loslopende honden 1.

Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: a.

op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk

Vanwege klachten van overlastsituaties veroorzaakt door hondenuitlaatservices met meerdere loslopende honden die onvoldoende onder appel staan, wordt dit vijfde lid toegevoegd

als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;

als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;

b.

buiten de bebouwde kom op een openbare plaats tijdens het broedseizoen (15 maart 15 juli) indien de hond niet is aangelijnd;

b.

buiten de bebouwde kom op een openbare plaats tijdens het broedseizoen (15 maart 15 juli) indien de hond niet is aangelijnd;

c.

binnen de bebouwde kom op een openbare plaats indien de hond niet is aangelijnd, of

c.

binnen de bebouwde kom op een openbare plaats indien de hond niet is aangelijnd, of

d.

op een openbare plaats indien de hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.

d.

op een openbare plaats indien de hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.

2.

Het eerste lid aanhef en onder b en c, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

2.

Het eerste lid aanhef en onder b en c, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

3.

Het college kan, in aanvulling op het gestelde in het eerste lid onder b, plaatsen aanwijzen buiten de bebouwde kom, waar honden ook buiten het broedseizoen aangelijnd dienen te zijn.

3.

Het college kan, in aanvulling op het gestelde in het eerste lid onder b, plaatsen aanwijzen buiten de bebouwde kom, waar honden ook buiten het broedseizoen aangelijnd dienen te zijn.

4.

Het eerste lid aanhef en onder a tot en met c is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond:

4.

Het eerste lid aanhef en onder a tot en met c is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond:

a.

die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden; of

b.

die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.

5.

a.

die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden; of

b.

die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.

Het is de eigenaar, houder of begeleider van een hond verboden om zich met meer dan drie niet-aangelijnde honden te begeven op door het college daartoe aangewezen plaatsen.

aan artikel 2:57. Het college dient per aanwijzingsbesluit de locaties aan te wijzen waar dit verbod geldt.

Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht

Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht

De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:

De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:

a.

b. c.

d.

de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen: 1. dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging; 2. van een verandering van de onder a, sub 1, bedoelde adressen; 3. dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent; 4. dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan; de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven; aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn; een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.

a.

b. c.

d.

de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen: 1. dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging; 2. van een verandering van de onder a, sub 1, bedoelde adressen; 3. dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent; 4. dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan; de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven; aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn; een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste vijf dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.

Artikel 2:71 Begripsbepaling

Artikel 2:71 Begripsbepaling

In deze afdeling wordt verstaan onder:

In deze afdeling wordt verstaan onder:

a.

consumentenvuurwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan

a.

In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk

De bewaartermijn voor een door opkoop verkregen goed wordt aangepast van drie naar vijf dagen. De politie heeft deze (extra) tijd nodig voor het doen van onderzoek na een aangifte. Als uit het onderzoek blijkt dat het gestolen goed aan een opkoper is verkocht, is de kans bij een bewaartermijn van vijf dagen dat het gestolen goed wordt aangetroffen groter. Een nog langere bewaartermijn zou de kans op het terugvinden van gestolen goederen nog groter maken, maar is niet proportioneel voor de ondernemer.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13491223/4