Bijlage 2. MRDH Ontwerpbegroting 2027 Metropoolregio Rotterdam Den Haag
Tekst van het document
Wat gaan we daarvoor doen in 2027? - In samenwerking met stakeholders (gemeenten, RET, HTM, EBS, ProRail, NS) diverse ovknooppunten verbeteren, waaronder: Capelle aan den IJssel-De Terp, Capelsebrug, Capelle Schollevaar, Den Haag Hoornwijck, Den Haag Ypenburg, Den Haag Moerwijk, Pijnacker Zuid, Nootdorp, Schiedam Vijfsluizen, Maassluis Centrum, Maassluis West, Rhoon, Poortugaal, Barendrecht, Zoetermeer Station, Rotterdam Beurs, Rotterdam Alexander, Rotterdam Pernis, Rotterdam Rijnhaven, Rotterdam Melanchthonweg/Franciscus en Rijswijk Station. Hiervoor wordt een startdocument opgesteld en geadviseerd bij de planvorming. - De MRDH verstrekt subsidie voor de verbetering van ov-knooppunten. Concessiemanagement - assets Binnen de railconcessies HTM en RET maken we afspraken over het beheer en onderhoud van de gehele portefeuille voor het financiële langeretermijnperspectief. De basis daarvoor is de door de bestuurscommissie Vervoersautoriteit vastgestelde Beheervisie. De MRDH verleent concessies voor het regionale ov en maakt financiële afspraken met HTM en RET over het benodigd beheer en onderhoud van de assets (inclusief remises en werkplaatsen) op basis van de kaders die de bestuurscommissie Vervoersautoriteit vaststelt. Welke resultaten willen we bereiken? - Een werkend ov-systeem.
Wat gaan we daarvoor doen in 2027? - We verlenen jaarlijks subsidie voor het beheren en onderhouden van de railinfrastructuur en voertuigen. - Ook in 2027 is er extra aandacht voor het beheer en onderhoud van de liften en roltrappen die HTM en RET beheren, waardoor die beter beschikbaar zijn. Dit gebeurt op basis van reguliere inspecties en gemelde incidenten. - We inventariseren de eigendomsgrenzen van RandstadRail voor een overdracht van ProRail naar de regio. Daarbij actualiseren we tegelijkertijd de beheer- en onderhoudsgrenzen. - We vernieuwen het reclamecontract voor abri's. We verkennen in samenspraak met de vervoerder voor welke metrostations een tussentijdse opwaardering nodig is. Dit leidt tot een projectenportfolio tot en met 2030, met prioritering.
27
2.1.2 Wat gaat het kosten? Programma 1: Mobiliteit Lasten: Beleid en programmering Mobiliteit Subsidie CROW-KpVV Subtotaal Beleid en programmering Exploitatie openbaar vervoer Concessies Overig Subtotaal Exploitatie OV Infrastructuur Mobiliteit Verkeersmanagement en wegenstructuur
Voorlopige Jaarrekening 2025
Begroting
Begroting
Begroting
Begroting
Begroting
2026
2027
2028
2029
2030
10.777.343 898.374
11.690.354 900.000
7.790.354 900.000
7.790.354 900.000
7.790.354 900.000
7.790.354 900.000
11.675.717
12.590.354
8.690.354
8.690.354
8.690.354
8.690.354
499.511.350 7.660.749
572.879.972 19.761.252
644.587.656 36.561.252
660.745.938 37.111.252
603.072.980 35.611.252
582.228.931 39.611.252
507.172.099
592.641.224
681.148.908
697.857.190
638.684.232
621.840.183
12.513.728
2.876.652
6.292.283
17.022.048
21.160.815
21.365.445
14.567.430 6.928.707 48.058.196
32.608.570 33.262.919 114.833.311
63.130.022 18.402.967 124.783.157
39.017.318 16.642.723 113.280.683
19.506.428 7.500.000 156.532.231
27.392.751 7.500.000 187.657.982
82.068.061
183.581.452
212.608.429
185.962.772
204.699.474
243.916.178
Apparaatslasten Directe kosten personeel Subtotaal Apparaatslasten
4.356.069
6.272.576
6.534.037
6.534.037
6.534.037
6.534.037
4.356.069
6.272.576
6.534.037
6.534.037
6.534.037
6.534.037
Financiering Rente Subtotaal Financiering
18.365.054
18.727.119
24.502.028
27.564.372
31.230.422
33.017.038
18.365.054
18.727.119
24.502.028
27.564.372
31.230.422
33.017.038
251
400
400
400
400
400
251
400
400
400
400
400
Totaal lasten
623.637.251
813.813.125
933.484.156
926.609.125
889.838.919
913.998.190
Baten: Onttrekking fonds BDU Rente Marktconformiteits-opslag OV-bedrijven Overige inkomsten
574.917.236 18.745.564 7.923.011 26.051.440
775.268.372 18.727.119 8.769.301 15.048.335
889.346.405 24.502.028 6.743.819 12.891.904
875.823.189 27.564.372 11.755.872 11.465.692
839.005.603 31.230.422 11.925.642 7.677.252
861.543.597 33.017.038 11.760.304 7.677.252
Totaal baten
627.637.251
817.813.125
933.484.156
926.609.125
889.838.919
913.998.190
Saldo van baten en lasten
4.000.000
4.000.000
0
0
0
0
Toevoeging risicoreserve financiering
-4.000.000
-4.000.000
0
0
0
0
0
0
0
0
0
0
Fiets- en ketenmobiliteit Verkeersveiligheid Netwerk openbaar vervoer Subtotaal Infrastructuur Mobiliteit
Vennootschapsbelasting Heffing vennootschapsbelasting Subtotaal vennootschapsbelasting
Resultaat
De cijfers voor het jaar 2026 bestaan uit de vastgestelde begroting 2026 en de tot nu toe bekende wijzigingen, die bij de eerste bestuursrapportage 2026 ter besluitvorming worden voorgelegd.
28
Toelichting financiën Beleid en programmering De hogere lasten in 2025 en 2026 hebben voor een groot deel te maken met de incidentele bijdragen van het Rijk via de BDU voor de rijksbijdrage aan de exploitatie van Zuid-Holland Bereikbaar (€ 3,68 miljoen in 2025 en € 4,3 miljoen in 2026). Daarnaast besloot het algemeen bestuur op 11 juli 2025 om de externe inhuur terug te dringen door een toename van 11,07 fte vaste formatie per 1 januari 2026. Omdat het een budgetneutrale wijziging betreft is het budget voor Beleid en programmering Mobiliteit daarom structureel lager met ingang van de begroting 2026. Het KpVV-programma ontwikkelt kennis over mobiliteit voor decentrale overheden en wordt uitgevoerd door CROW. Op basis van de subsidieaanvraag, de bijbehorende begroting en het jaarprogramma van CROW, kende de bestuurscommissie op 28 februari 2024 een subsidie toe van maximaal € 900.000 per jaar voor 2024-2027. Deze subsidie is onder voorbehoud van de begroting voor de jaren 2024-2027. Voor de periode na 2027 moeten nog subsidie-afspraken worden gemaakt. Voor deze afspraken wordt in de begroting een bedrag van € 900.000 per jaar opgenomen, gelijk aan de huidige jaarsubsidie. Exploitatie ov - Concessies Hierna volgt een nadere specificatie van de bus- en railconcessies (€). 2026
2027
2028
2029
2030
Bus: Totaal OV Concessie Bus Rotterdam e.o. Totaal OV Concessie Haaglanden Stad Totaal OV Concessie Voorne Putten Rozenburg Totaal OV Concessie Haaglanden Streek Totaal busconcessies
56.190.783 62.630.378 46.691.911 82.619.558 46.645.348 39.284.229 34.943.579 28.996.074 28.685.178 28.228.944 20.318.892 19.714.674 18.999.635 15.979.605 15.979.605 37.714.560 36.767.217 36.681.302 35.961.043 36.077.125 153.508.464 154.055.847 131.368.923 163.245.384 126.931.022
Rail: Totaal OV Concessie RET Rail Totaal OV Concessie HTM Rail Totaal railconcessies
228.880.959 238.067.176 321.234.923 240.717.233 258.529.925 180.025.158 227.496.344 183.227.804 175.579.590 178.341.211 408.906.117 465.563.520 504.462.727 416.296.823 436.871.136
Overige concessie afspraken Totaal concessies
10.465.390 24.968.289 24.914.289 23.530.773 18.426.773 572.879.972 644.587.656 660.745.938 603.072.980 582.228.931
Bus De fluctuaties van jaarlijkse subsidies voor de busconcessies heeft een aantal oorzaken: De ov-concessie Bus Rotterdam laat vooral in 2027 en 2029 hogere lasten zien. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door de eenmalige meerkosten voor de instroom van ZE‑bussen en de bijbehorende investering in laadinfrastructuur, waarvoor in deze jaren een reservering is opgenomen. Bij de ov-concessie Haaglanden Stad vallen de lasten hoger uit door de inzet van de gereserveerde middelen vanuit de 27,5%-regeling in 2026 en 2027. Voor vrijwel alle busconcessies geldt dat de lasten in 2026 hoger zijn door de compensatie voor de herijking van het Studenten OV-Reisproduct (SOV). Bij Voorne-Putten en Rozenburg liggen de lasten in de eerste drie jaren hoger door aanvullende afspraken binnen de huidige concessieperiode, zoals maatwerkvervoer. Met
29
ingang van de nieuwe concessie in 2029 moeten hierover nieuwe afspraken worden gemaakt. Rail De fluctuaties van jaarlijkse subsidies voor de railconcessies heeft een aantal oorzaken: RET Rail: De piek in 2028 is het gevolg van de geplande investering in de werkplaats Waalhaven. Deze wordt direct gesubsidieerd en niet gekapitaliseerd. In 2030 stijgen de lasten opnieuw door de nieuwe instroom van metro’s, wat leidt tot hogere kapitaallasten. HTM Rail: De piek in 2027 is het gevolg van de geplande investering in de Remise Guldenpad. Deze wordt direct gesubsidieerd en niet gekapitaliseerd. Overige concessieafspraken Deze post omvat onder meer de Parkshuttle, Personenvervoer over water, Regiotaxi, Maatwerkvervoer, de huur van de Telexstraat en de bijdrage in tarieven en chipkaartkosten. Deze posten blijven gedurende de begrotingsjaren relatief constant. Daarnaast bevat deze post de bijdragen aan vervoerders vanuit het Stimuleringsfonds en de groeigelden. De bestedingen stijgen vanaf 2027, omdat de groeigelden vanaf dat jaar in de begroting zijn gereserveerd. Exploitatie openbaar vervoer – Overig In deze post valt onder andere de abriconcessie (circa € 6,7 miljoen per jaar).
Daarnaast zijn enkele maatregelen uit het besluit van de bestuurscommissie Vervoersautoriteit (BcVa) van december 2024 opgenomen, zoals reserveringen vanuit de Bikker-gelden voor investeringen in verduurzaming (uit de Strategische Agenda), het energie/stroomnet, circulair ov, arbeidsmarkt en innovatie en de kwaliteit van het ov (waaronder weesobjecten, liften, modernisering van het Dynamisch Reis Informatie Systeem (DRIS), railveiligheid en brandveiligheid). In deze post zitten ook de reservering voor de compensatie van de herijking van de SOV, voor zover deze nog niet zijn toegedeeld aan specifieke concessies. Infrastructuur Mobiliteit De categorieën Verkeersmanagement en wegenstructuur, Fiets- en ketenmobiliteit, Verkeersveiligheid en Netwerk openbaar vervoer bestaan uit bestedingen voor grote projecten en kleine projecten. Voor de kleine projecten zijn bestedingen opgenomen voor lopende subsidieverleningen, subsidieaanvragen die nog in behandeling zijn (IPVa 2025) en aangemelde kleine projecten voor het IPVa 2026 binnen het subsidieplafond van € 30 miljoen, naar rato van het aantal aanmeldingen per subsidiecategorie. Het subsidieplafond kleine projecten in het IPVa 2027 en verder is evenredig verdeeld over de vier genoemde categorieën, waarbij we ervanuit gaan dat een klein project gemiddeld in drie jaar tot realisatie komt.
Voor een compleet overzicht van de grote projecten verwijzen we naar bijlage 2: Projecten en programma’s meerjarenbeeld BDU. Hierna lichten we per onderdeel de begrotingsbedragen verder toe. Verkeersmanagement en wegenstructuur De begroting binnen deze subsidiecategorie loopt op tijdens de begrotingsperiode. Dit komt door de volgende projecten die naar verwachting in uitvoering gaan: 30
Voor infrastructurele maatregelen op de Algeracorridor wordt in de periode 2027-2030 € 9 miljoen begroot. In de periode 2028-2030 wordt naar verwachting € 28,1 miljoen besteed aan de realisatie van het bovengrondse verstedelijkingsontwerp van de Beatrixlaan en de kruising ErasmuswegLozerlaan. In de periode 2028-2030 wordt naar verwachting € 3,4 miljoen besteed aan de doorstroming op de N57 ter hoogte van Hellevoetsluis (Nieuweweg). Dit is één van de projecten die zijn opgenomen in het regionaal maatregelpakket om als cofinanciering te dienen voor de inzet van restbudget voor weginfrastructuur van het ministerie van IenW. De MRDH-subsidie aan de overige projecten binnen het maatregelpakket gaat vanwege de geringere bedragen onderdeel uitmaken van het programma Kleine projecten.
Fiets- en ketenmobiliteit Er zijn inmiddels voor een totaalbedrag van € 104,7 miljoen reserveringen gemaakt voor de MFR’s Naaldwijk-Rotterdam, Delft-Rotterdam Alexander, Zoetermeer-Rotterdam en Rotterdam-Ridderkerk. In de periode 2026-2030 worden bestedingen geraamd voor in totaal € 56,9 miljoen. Voor de MFR’s als onderdeel van de gebiedsuitwerking Greenport 3.0 Westland (budget € 50 miljoen euro) is in totaal € 36,6 miljoen gereserveerd. Voor de periode 2027-2030 wordt € 21,7 miljoen aan bestedingen verwacht. In de begrotingsperiode wordt daarnaast gewerkt aan de realisatie van de No Regretmaatregelen voor de CID-Binckhorst. Hiervoor is € 16,1 miljoen (rijksbijdrage en MRDHbijdrage) opgenomen gedurende 2026-2028. Voor de gebiedsuitwerking Voorne-Putten en Haven Rotterdam is de verwachting dat de reservering van € 8,8 miljoen in de periode 2027-2029 wordt besteed. Fase 1 van de fietscorridor Spaanse Polder-Merwe-Vierhavens is in 2025 gestart en wordt de komende jaren gerealiseerd. In de periode 2026-2028 wordt € 8,2 miljoen aan bestedingen verwacht. Voor de laatste projecten van de Korte Termijn Aanpak MoVe is subsidie verleend. De laatste projecten zijn de snelfietsroute Algerabrug-Capelsebrug en ontwikkeling van het Entreegebied in Zoetermeer. Het gaat om een bedrag van € 6,7 miljoen in de periode 2026-2028.
Verkeersveiligheid De bestedingen voor verkeersveiligheid bestaan uit lopende projecten en reserveringen voor projecten in het programma Kleine projecten. Daarnaast is in de periode 2026-2028 voor € 29,9 miljoen aan bestedingen begroot voor verkeersveiligheidsmaatregelen uit de specifieke uitkering van het Rijk. Hiervoor heeft het Rijk drie specifieke regelingen ingesteld. Ov-netwerk In de periode 2026-2030 wordt gewerkt aan de uitvoering van meerdere grote programma’s. Het gaat onder meer om de infrastructurele aanpassingen voor het programma Instroom Nieuwe Trams Haagse Regio (INTHR), de maatregelen uit het Plan Toekomstvast Tramnetwerk, en diverse projecten binnen het programma metronet, met een totale investeringsomvang van circa € 234 miljoen. Daarnaast worden in 2026 en 2027 investeringen afgerond in projecten zoals lijn 19 (deel TU), Bus- en Metrostation Spijkenisse Centrum, en R-net Ridderkerk-Rotterdam. Vanaf 2027 starten de werkzaamheden voor gekoppeld rijden met RandstadRail en de vernieuwing van de spoorbeveiliging. De kosten nemen tussen 2027 en 2030 verder toe, voornamelijk door de
31
toename van investeringen richting het einde van deze periode in de projecten Vlietlijn en Stadsbrug Rotterdam. Apparaatslasten Dit zijn de directe salariskosten van de formatie die werkt binnen dit programma, met uitzondering van de overheadfuncties. De stijging die plaatsvindt vanaf begrotingsjaar 2026 ten opzichte van begrotingsjaar 2025 heeft voornamelijk te maken met de toename van de vaste formatie per 1 januari 2026. Het algemeen bestuur besloot op 11 juli 2025 om de externe inhuur terug te dringen door een toename van 11,07 fte vaste formatie per 1 januari 2026. Zie ook de toelichting hierover bij het begrotingsonderdeel Beleid en programmering. De stijging van begrotingsjaar 2026 naar begrotingsjaar 2027 betreft een verwachte cao-aanpassing. In hoofdstuk 4.5 paragraaf Bedrijfsvoering worden de apparaatslasten verder toegelicht. Rente en marktconformiteitsopslag ov-bedrijven De verantwoorde rente en marktconformiteitsopslag voor ov-bedrijven betreft de financiering van railvoertuigen en -infrastructuur van de regionale ov-bedrijven HTM en de RET. Ook de financiering van bussen en laadinfrastructuur aan vervoerders op grond van de Verordening verstrekking leningen voor bussen en stallingen Vervoersautoriteit MRDH maakt hier deel van uit. De marktconformiteitsopslag wordt toegevoegd aan de risicoreserve financiering, totdat deze op het juiste niveau is.
Zie verder hoofdstuk 4.3 paragraaf weerstandsvermogen. Vennootschapsbelasting Eind februari 2022 is er tussen de MRDH en de Belastingdienst een vaststellingsovereenkomst gesloten. Het uitgangspunt voor de berekening is een cost-plus-methode waarbij de treasuryfunctie wordt uitgedrukt in een waarde. Van deze waarde wordt 5% genomen om op een belastbaar resultaat uit te komen. Meerjarig wordt rekening gehouden met een bedrag van € 400. Zie ook hoofdstuk 4.3, onder het kopje Vennootschapsbelasting. Overige inkomsten Er is in 2025 € 14 miljoen opgenomen voor verwachte rente-inkomsten op de liquide middelen. Het resterende bedrag voor 2025 en latere jaren betreft hier voornamelijk de reclameopbrengsten uit haltevoorzieningen (abri’s) en daarnaast de specifieke uitkering van het Rijk voor verkeersveiligheidsmaatregelen (eerste, tweede en derde tranche).
32
2.2 Programma Economisch Vestigingsklimaat De begroting voor het programma Economisch Vestigingsklimaat is opgezet in lijn met de opdrachten uit de Strategische Agenda voor het vernieuwen van de economie. Het gaat voor dit programma om de volgende twee opdrachten: opdracht 2 - Toekomstbestendige economie stimuleren opdracht 4 - Vernieuwen van werklocaties In de Strategische Agenda zijn bij iedere opdracht resultaten geformuleerd, die beschrijven wat we de komende jaren willen bereiken. Aan elk resultaat zijn één of meerdere activiteiten gekoppeld. Deze activiteiten laten zien wat we gaan doen om deze resultaten te bereiken. 2.2.1 Wat willen we bereiken en wat gaan we daarvoor doen? 2.2.1.1 Opdracht 2 – Toekomstbestendige economie stimuleren Algemeen Door de kloof tussen onderwijs en arbeidsmarkt te verkleinen en de productiviteit en bedrijvigheid te vergroten, groeit de welvaart en het welzijn. Meer arbeidsplaatsen en de invulling van die arbeidsplaatsen met geschikt personeel verhogen de arbeidsparticipatie. De extra arbeidsplaatsen en productiviteit dragen bij aan de MRDH-ambitie voor groei van welvaart en welzijn in de regio. Met innovatiecampussen en Leven Lang Ontwikkelen versterken we het toekomstig arbeidspotentieel. Met Innovatie en technologie zorgen we voor extra productiviteit en bedrijvigheid.
Op basis van de Strategische Agenda geven we hierna per aandachtsgebied de doelen aan wat we daarvoor gaan doen in 2027. In de Visie Economisch Vestigingsklimaat staat scherp voor welke sectoren en thema’s de MRDH zich zal inzetten. Dat leidt tot meer focus en kracht waarmee de impact van de activiteiten toeneemt. De sociaaleconomische opgaven maken duidelijk wat noodzakelijk is in onze regio. Versterken van het toekomstbestendig arbeidspotentieel Onderwijs is de sleutel tot een toekomstbestendige economie. We zetten in op een verbeterde aansluiting van onderwijs (mbo, hbo én wo) op de arbeidsmarkt. Zo koppelen we innovatiecampussen en innovatiedistricten aan de regionale economische clusters. Dat doen we in samenwerking met het bedrijfsleven, onderwijs- en kennisinstellingen. Een goed voorbeeld is MICS: een innovatieve campusontwikkeling in Schiedam. Gericht op Mechatronica, een multidisciplinaire technologie die werktuigbouwkunde, elektrotechniek, ICT en meet- en regeltechniek combineert. Relevant voor bedrijven vanwege innovatie- en samenwerkingskansen, voor studenten door praktijkgericht onderwijs en voor stedelijke ontwikkeling door de transformatie van een traditioneel bedrijventerrein naar een moderne campusomgeving. En daarmee relevant voor de versterking van het economisch vestigingsklimaat van de regio met de versterking van deze technologische infrastructuur.
Daarnaast creëren we aandacht voor onderwijsprogramma's die innovatie en ondernemerschap stimuleren en daarmee bijdragen aan vaardigheden van werknemers die aansluiten op de vereisten van werkgevers. Ook Leven Lang Ontwikkelen hoort hierbij.
33
Naast onze aandacht voor opleiden zetten we ons in voor de locaties waar dit plaatsvindt. We leggen waar mogelijk een verbinding met gebieden waar economische uitdagingen en potentie samenkomen. Door juist daar economisch perspectief toe te voegen, dragen we bij aan talentontwikkeling, leefkwaliteit en een robuust regionaal verdienvermogen. Welke resultaten willen we bereiken? - Een verbeterde samenwerking tussen onderwijs, overheid en bedrijfsleven via innovatiecampussen en Leven lang Ontwikkelen. Wat gaan we daarvoor doen in 2027? - Campussen en innovatiedistricten beter verbinden aan economische clusters door bedrijfsleven en onderwijs samen te brengen. - Investeren in een open innovatiecultuur via campussen door middel van projecten en stimuleren ondernemerschap. - Gericht investeren in kansrijke, goed bereikbare plekken en in mensen door actief de economische programmering en gebiedsontwikkeling samen te brengen. - Verdienvermogen en sociale samenhang versterken door in te zetten op werknemers die zich hun leven lang ontwikkelen. Volle inzet op Innovatie en technologie In samenwerking met publieke en private partners versterken we het economisch vestigingsklimaat en verdienvermogen van de regio door innovatie en technologie. Hierbij richten we ons op het bredere mkb.
Ook versterken we netwerken en hotspots, van incubators tot innovatiecampussen en innovatiedistricten, om vernieuwing binnen de regionaal economische clusters aan te jagen. Welke resultaten willen we bereiken? - Innovatie en technologie inzetten voor het economisch toekomstperspectief van de regio. - Het brede mkb bereiken voor praktische innovatie, via versterkte inzet publiek-private samenwerking. - Versterken van locaties die innovatie en technologie bevorderen: van netwerken tot hotspots. Wat gaan we daarvoor doen in 2027? - We versterken regionale sleuteltechnologieprogramma's. Binnen de regionale economische clusters bouwen we voort op bestaande initiatieven in bijvoorbeeld AI, quantum, robotica, biotech en energieopslag door middel van het bijdragen aan projectvoorstellen van gemeenten. Waar regionale samenwerking ontbreekt starten we nieuwe programma’s. - We verbeteren het startup- en scale-up-ecosysteem op basis van de volgende activiteiten: - We versterken netwerken en randvoorwaarden voor startups en scale-ups door bij te dragen aan projectvoorstellen van gemeenten. - We ondersteunen actief de Startup & Scale-up Agenda Zuid-Holland, bijvoorbeeld door bij te dragen aan projectvoorstellen van gemeenten die voortkomen uit deze agenda. - We stimuleren samenwerking tussen ondernemers, kennisinstellingen en overheden.
34
-
-
We zorgen voor voldoende en passende ruimte voor technische startups en scaleups. Deze inzet sluit aan op het bredere programma voor toekomstbestendige werklocaties. Met scherpe en resultaatgerichte afspraken gebaseerd op de Visie Economisch Vestigingsklimaat en het daarbij horende uitvoeringsprogramma, geeft de MRDH met het verlenen van een subsidie aan InnovationQuarter (IQ) uitvoering aan innovatieprogramma’s met projecten en ondersteuning aan het innovatieve mkb bij de versnelde ontwikkeling en de marktintroductie van technologische oplossingen. Hiermee vergroten we het verdienvermogen van de regio. Een deel van de subsidie gaat naar het secretariaat van de Economic Board Zuid-Holland (EBZ) dat bijdraagt aan de uitvoering van de Groeiagenda Zuid-Holland en inzet op (economische) vernieuwing en innovatie. Deze samenwerking tussen publieke en private partijen en de mede daaruit volgende collectieve agenda van de regionale partijen wordt ook benut in gesprekken met het Rijk over de beantwoording van de opgaven in dit gebied. De voorzitter van de bestuurscommissie EV heeft zitting in het dagelijks bestuur van EBZ.
2.2.1.2 Opdracht 4 – Vernieuwen van werklocaties Versterken van ruimte voor werken Het economische en maatschappelijke belang van bedrijventerreinen, winkelgebieden, campuslocaties en kantorenlocaties is groot. Deze locaties bieden werkgelegenheid aan een brede beroepsbevolking. Ook bieden deze locaties ondernemers en bedrijven de ruimte om te produceren, te innoveren en slimme oplossingen te bedenken. Daarmee spelen ze (in potentie) een sleutelrol in grote transities, zoals de energietransitie, circulaire transitie en digitalisering. De MRDH zet actief in op werklocaties die bijdragen aan sterke economische clusters en brede welvaart. Defensie- en veiligheidstechnologie krijgen daarbij extra aandacht. De MRDH organiseert de regionale afstemming tussen de gemeenten om gezamenlijk te sturen op de voorraad van winkels, bedrijventerreinen, innovatiecampussen en kantoren. Welke resultaten willen we bereiken? - Bieden van voldoende werklocaties (bedrijventerreinen, kantoren en winkelgebieden/vitale kerngebieden) voor bedrijven die bijdragen aan de sterke economische clusters van de regio. Wat gaan we daarvoor doen in 2027? - Regionale afstemming en monitoring van ruimtegebruik, en aan de hand van die inzichten inzetten op voldoende werklocaties, door: - inzet op bestaande bedrijventerreinen; - inzet op (voldoende) kantoorruimte; - en inzet op vitale kerngebieden.
- Afspraken maken over hoe nieuwe bedrijventerreinen bijdragen aan de ontwikkeling van economische clusters. - Versnellen van de herstructureringsopgave voor bedrijventerreinen en glastuinbouwgebieden, gericht op toekomstbestendige groei, door nieuwe effectieve instrumenten te onderzoeken en in te zetten.
35
-
Beter benutten van geschikte locaties voor watergebonden bedrijven en voor HMCbedrijven op bestaande bedrijventerreinen, aansluitend op het economisch profiel van de regio.
2.2.2 Wat gaat het kosten? Programma 2: Economisch vestigingsklimaat (euro's)
Voorlopige
Begroting
Begroting
Begroting
Begroting
Begroting
Jaarrekening 2025
2026
2027
2028
2029
2030
Lasten: Subtotaal programmakosten
3.184.988
3.898.349
4.283.710
4.195.245
4.095.245
3.995.245
Subsidie InnovationQuarter
1.007.940
1.022.566
1.061.424
1.061.424
1.061.424
1.061.424
Subsidie YES!Delft
334.571
250.000
0
0
0
0
Subtotaal directe kosten personeel
904.511
1.194.774
1.244.579
1.244.579
1.244.579
1.244.579
5.432.010
6.365.689
6.589.712
6.501.247
6.401.247
6.301.247
5.896.777
6.041.189
6.301.247
6.301.247
6.301.247
6.301.247
52.573
50.000
50.000
0
0
0
5.949.350
6.091.189
6.351.247
6.301.247
6.301.247
6.301.247
Saldo van baten en lasten
517.340
-274.500
-238.465
-200.000
-100.000
0
Onttrekking aan Egalisatiereserve EV
87.035
274.500
238.465
200.000
100.000
0
Toevoeging aan Egalisatiereserve EV
0
0
0
0
0
0
604.375
0
0
0
0
0
Totaal lasten Baten: Inwonerbijdrage Overige bijdragen gemeenten Totaal baten
Resultaat
De cijfers voor het jaar 2026 bestaan uit de vastgestelde begroting 2026 en de tot nu toe bekende wijzigingen, die bij de eerste bestuursrapportage 2026 ter besluitvorming worden voorgelegd.
Toelichting financiën De begroting 2027 omvat € 4.283.710 aan programmakosten en bestaat daarnaast voor € 1.061.424 uit een begrotingspostsubsidie voor InnovationQuarter en voor € 1.244.579 uit directe personeelskosten. Het algemeen bestuur stelt de begroting op deze subtotalen vast. De bestuurscommissie Economisch Vestigingsklimaat voert de begroting binnen deze kaders uit en legt hierover verantwoording af. Programmakosten De programmakosten van € 4.283.710 bestaan uit verschillende onderdelen. - De cofinanciering voor gemeenten van projecten die bijdragen aan de versterking van het economisch vestigingsklimaat. Deze bevoegdheid heeft de bestuurscommissie Economisch Vestigingsklimaat op grond van de herziene Bijdrageregeling Versterking economisch vestigingsklimaat MRDH en binnen de door het algemeen bestuur vastgestelde begroting. - De verstrekking van opdrachten voor verkennend onderzoek en monitoring. Dat kunnen zowel opdrachten aan gemeenten zijn als opdrachten aan externe partijen. - Voor de Versnellingsaanpak is de verwachting dat er in 2027 een budget van € 250.000 nodig is. Dit bedrag komt ten laste van de Egalisatiereserve economisch vestigingsklimaat. In totaal heeft het algemeen bestuur voor de Versnellingsaanpak bij de resultaatbestemming van de jaarrekening 2024 € 900.000 beschikbaar gesteld.
36
Subsidie InnovationQuarter InnovationQuarter is sinds de oprichting van de MRDH een belangrijke partner voor de realisatie van de doelstellingen van MRDH voor de versterking van het Economisch Vestigingsklimaat en het innovatie-ecosysteem. De afgelopen jaren heeft de MRDH jaarlijks subsidie verleend aan InnovationQuarter op de onderwerpen Innoveren, Investor Relations en het Secretariaat van de EBZ. Op 28 februari 2024 heeft de bestuurscommissie Economisch Vestigingsklimaat (BcEV) een meerjarige subsidie verleend aan InnovationQuarter voor de jaren 2024 tot en met 2026 voor de activiteiten die IQ jaarlijks met een activiteitenlijst voor goedkeuring voorlegt aan de bestuurscommissie Economisch Vestigingsklimaat. Vanaf begrotingsjaar 2027 zijn er nog geen subsidieafspraken gemaakt. Voor deze afspraken die we nog maken wordt in de begroting een bedrag van € 1.061.424 per jaar opgenomen. Dat betreft de subsidie voor het jaar 2026, verhoogd met een indexering van 3,8%, gelijk aan de indexering van de inwonerbijdrage EV. Directe kosten personeel Deze post omvat de salariskosten van de formatie die werkt voor het programma Economisch Vestigingsklimaat. Hoofdstuk 4.5 (paragraaf Bedrijfsvoering) licht de totale apparaatslasten toe. Inwonerbijdrage De inwonerbijdrage wordt jaarlijks geïndexeerd op basis van de kaderstelling van de gemeenten.
Het gemeentelijke indexeringsvoorstel bedraagt 3,8% en dit voorstel is verwerkt in de begroting 2027. Voor 2027 bedraagt de totale inwonerbijdrage € 7.775.995. Van deze inwonerbijdrage zal maximaal 40,8% worden ingezet voor de dekking van apparaatslasten Economisch Vestigingsklimaat (in lijn met de kadernota MRDH-begroting 2027). In de begroting 2027 wordt op begrotingsbasis 35% (€ 2.719.327) van de inwonerbijdrage ingezet voor apparaatslasten. Dit betreft directe kosten voor personeel in het programma Economisch Vestigingsklimaat (€ 1.244.579) en de overhead van Economisch Vestigingsklimaat (€ 1.474.748). Van de totale inwonerbijdrage van € 7.775.995, wordt € 1.474.748 ingezet voor overhead (zie hoofdstuk 4.2). Binnen het programma Economisch Vestigingsklimaat wordt de resterende inwonerbijdrage van € 6.301.247 verantwoord door de dekking van de programmakosten, subsidies en de directe kosten van het personeel. Overige bijdragen gemeenten De MRDH heeft in 2025 voor de duur van drie jaar opnieuw een licentieovereenkomst met Locatus gesloten voor het gebruiksrecht van databestanden met detailhandelsgegevens. Verschillende gemeenten maken gebruik van deze licentieovereenkomst en worden voor hun aandeel doorbelast door de MRDH. Dit gemeentelijke aandeel wordt als budget toegevoegd aan de begroting.
Egalisatiereserve EV De geraamde onttrekkingen aan de Egalisatiereserve EV in de begroting 2026 en verder worden gedekt door de bestedingen aan de Versnellingsaanpak. Zie ook de toelichting bij de programmakosten.
37
Hoofdstuk 3
ALGEMENE DEKKINGSMIDDELEN, OVERHEAD EN VENNOOTSCHAPSBELASTING 3.1 Algemene dekkingsmiddelen De MRDH-begroting kent de volgende algemene dekkingsmiddelen: 1. Brede doeluitkering verkeer en vervoer (BDU); 2. inwonerbijdrage Economisch Vestigingsklimaat; 3. financiering. Brede doeluitkering verkeer en vervoer Voor de bekostiging van haar regionaal verkeer- en vervoerbeleid (een wettelijke taak) ontvangt de MRDH jaarlijks een vastgesteld deel van de zogenaamde Brede doeluitkering verkeer en vervoer (BDU). Dit geld komt van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) en is in overeenstemming met de Uitvoeringsregeling BDU verkeer en vervoer. Onderstaande tabel toont de geraamde jaarbedragen die we ontvangen binnen de kaders van deze begroting op prijspeil 2026: 2025
2026
2027
2028
2029
2030
718.331.791
749.534.911
768.207.414
788.609.329
788.642.906
788.633.952
Inwonerbijdrage Economisch Vestigingsklimaat Het programma Economisch Vestigingsklimaat en de bijbehorende overhead wordt bekostigd door een jaarlijkse bijdrage per inwoner, gebaseerd op het inwonertal per gemeente op 1 januari van het voorgaande begrotingsjaar dat door het CBS is vastgesteld. Per inwoner bedraagt deze bijdrage in 2027 € 3,11. De totale bijdrage in 2027 is geraamd op € 7.775.995. In hoofdstuk 7 is een specificatie per gemeente opgenomen. Financiering De financiering van de ov-bedrijven aan wie de MRDH één of meerdere concessies heeft verleend bepalen uitsluitend de opbrengsten van de financieringsfunctie. De ontvangen rente wordt uitsluitend gebruikt voor de bekostiging van de rente die de MRDH in dit kader betaalt aan externe financiers. Daarnaast betalen deze ov-bedrijven een marktconformiteitsopslag, die in eerste instantie wordt gebruikt voor de vorming van een risicoreserve voor financieringen. In tweede instantie is deze opslag uitsluitend beschikbaar voor de bekostiging van de programma’s voor verkeer en openbaar vervoer. Voor een nadere toelichting zie de hoofdstukken 4.1 (Financiering) en 4.3 (Weerstandsvermogen en risico’s). 3.2 Overhead In lijn met het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV) wordt de overhead apart van de programma’s weergegeven.
De aparte weergave maakt de overhead inzichtelijker en maakt het makkelijker om de uitgaven van de organisaties hieraan onderling te vergelijken. In de programma’s wordt alleen het deel van de apparaatslasten opgenomen dat betrekking heeft op het primaire proces. De commissie BBV heeft in december 2023 een nieuwe 38
‘Notitie Overhead 2023’ gepubliceerd. Dit is een actualisatie van de notitie overhead uit 2016. De nieuwe notitie gaat in op de inhoud en reikwijdte van het begrip ‘overhead’, zoals voorgeschreven in artikel 1 van het Besluit begroting en verantwoording (BBV). Deze nota legt de kaders vast voor de bepaling van de (toe te rekenen) overhead volgens de nieuwe BBV-notitie Overhead. De definitie van overhead uit artikel 1 van het BBV duidt de nieuwe notitie van de Commissie BBV als volgt: ‘het geheel van functies gericht op de sturing en ondersteuning van de medewerkers in het primaire proces. Hiertoe behoren ook de systemen en aanverwante lasten die deze functies ondersteunen.’ Volgens het advies van de commissie BBV, heeft de MRDH een aparte beleidsnota opgesteld. Per 1 januari 2026 ondergaat de MRDH-organisatie een doorontwikkeling naar integraal werken, waarbij bepaalde taken en verantwoordelijkheden zullen wijzigen. Dit maakte het noodzakelijk om de Beleidsnota Overhead MRDH 2024, vastgesteld op 6 december 2024, aan te passen. De beleidsnota legt kaders vast voor de bepaling van overhead en de toe te rekenen overhead aan diverse onderdelen. Het algemeen bestuur van de MRDH heeft de Beleidsnota Overhead MRDH 2026 op 12 december 2025 vastgesteld. Hierdoor wordt in de Beleidsbegroting en Jaarstukken volstaan met een overzicht van de doelstellingen en de actuele stand van zaken.
Deze nota is van toepassing met ingang van het begrotingsjaar 2026. Dit betreft zowel de personele als de materiële kosten. Per 1 januari 2026 vallen ook de managers en secretariaat onder de overhead, omdat deze functies sturende c.q. ondersteunende werkzaamheden verrichten voor meerdere taakvelden. Voor de MRDH betekent dit dat de volgende salarislasten als overhead worden geclassificeerd: alle functies binnen de stafafdelingen Bedrijfsvoering en Strategie en Omgeving; alle managers en secretariaat primaire proces; overig management: de secretaris-algemeen directeur. De uitgangspunten in de Beleidsnota Overhead MRDH 2026, voor welke functies en lasten tot de overhead behoren, leiden tot de volgende financiële toerekening:
De directe salariskosten van de medewerkers binnen de taakvelden 2.1 Verkeer en vervoer en 2.5 Openbaar vervoer worden ten laste gebracht van de rijksmiddelen Brede doeluitkering verkeer en vervoer (BDU). De directe salariskosten van de medewerkers Economisch Vestigingsklimaat (taakveld 3.1 Economische ontwikkeling) komen ten laste van de inwonerbijdrage Economisch Vestigingsklimaat. Voor de verdeling van de salariskosten van de medewerkers van de stafafdelingen (waaronder ook het secretariaat voor het primaire proces), inclusief secretaris-algemeen directeur, de materiële bedrijfsvoeringskosten, het overig management en de decentrale formatie voor bestuursondersteuning geldt de verdeelsleutel zoals opgenomen in de kadernota van het betreffende begrotingsjaar. Deze verdeling is gebaseerd op het relatieve formatiebudget voor Economisch Vestigingsklimaat ten opzichte van het formatiebudget voor de medewerkers Mobiliteit.
Zie hoofdstuk 4.5 paragraaf bedrijfsvoering voor een toelichting op de organisatie van de MRDH. Daarnaast worden de materiële bedrijfsvoeringsbudgetten ook tot de overhead gerekend.
39
Het wel of niet beschouwen van kosten als overhead heeft geen invloed op financiële dekking. Het betreft alleen een andere manier van presenteren. De salariskosten van alle medewerkers Mobiliteit worden bijvoorbeeld bekostigd door de rijksmiddelen BDU. De salariskosten van alle medewerkers Economisch Vestigingsklimaat worden bekostigd door de inwonerbijdrage EV. Dit is niet gewijzigd op basis van de nieuwe Notitie Overhead 2023. Het relatieve formatiebudget van het primaire proces wordt, net als in de Begroting 2026, gebruikt om de salariskosten van stafbureaus (inclusief secretaris-algemeen directeur) en overige bedrijfsvoeringskosten door te belasten aan de rijksmiddelen BDU en de inwonerbijdrage EV. Het relatieve formatiebudget is verdeeld in 16% Economisch Vestigingsklimaat en 84% Mobiliteit. 16% van deze kosten wordt bekostigd met de inwonerbijdrage Economisch Vestigingsklimaat en 84% wordt bekostigd met de rijksmiddelen BDU. Bovenstaande uitgangspunten en verdeelsleutels zijn verwerkt in het volgende overzicht van de overhead.
Overhead (euro's)
Voorlopige Jaarrekening 2025
Lasten: Personele overhead Va Materiële overhead Va
Begroting
Begroting
Begroting
Begroting
Begroting
2026
2027
2028
2029
2030
4.198.629 2.296.941 6.495.570
4.680.414 2.803.080 7.483.494
4.875.508 2.866.920 7.742.428
4.875.508 2.866.920 7.742.428
4.875.508 2.866.920 7.742.428
4.875.508 2.866.920 7.742.428
Personele overhead EV Materiële overhead EV
1.128.046 574.235 1.702.281
891.507 533.920 1.425.427
928.668 546.080 1.474.748
928.668 546.080 1.474.748
928.668 546.080 1.474.748
928.668 546.080 1.474.748
Totaal lasten overhead
8.197.851
8.908.921
9.217.176
9.217.176
9.217.176
9.217.176
Dekkingsbronnen overhead (euro's)
Voorlopige Jaarrekening 2025
Begroting
Begroting
Begroting
Begroting
Begroting
2026
2027
2028
2029
2030
Onttrekking fonds BDU Inwonerbijdrage EV
6.495.570 1.702.281
7.483.494 1.425.427
7.742.428 1.474.748
7.742.428 1.474.748
7.742.428 1.474.748
7.742.428 1.474.748
Totaal dekkingsbronnen overhead
8.197.851
8.908.921
9.217.176
9.217.176
9.217.176
9.217.176
Resultaat voor reservemutaties
0
0
0
0
0
0
Toevoeging reserve Onttrekking reserve
0 0
0 0
0 0
0 0
0 0
0 0
Resultaat
0
0
0
0
0
0
De overheadkosten in de begroting 2027 zijn hoger dan in de begroting 2026. Deze stijging wordt veroorzaakt door de (geschatte) cao-loonstijging en de indexatie van de materiële apparaatslasten (zoals huur). De stijging ten opzichte van 2025 heeft te maken met de gewijzigde definitie van overhead, conform de Beleidsnota Overhead MRDH 2026 en de uitbreiding van vaste formatie per 1 januari 2026. De totale apparaatslasten, inclusief overhead en directe personeelslasten, worden toegelicht in de paragraaf bedrijfsvoering (zie hoofdstuk 4.5). 3.3 Vennootschapsbelasting Zie hoofdstuk 4.3 Weerstandsvermogen en risico’s.
40
Hoofdstuk 4
PARAGRAFEN 4.1 Financiering Treasuryfunctie en -beleid De treasuryfunctie richt zich op het sturen, beheersen, verantwoorden en overzien van de financiële vermogenswaarden, geldstromen en posities en bijbehorende risico’s. Dit gebeurt op een manier die risico’s minimaliseert en opbrengsten optimaliseert. De uitvoering van de treasuryfunctie is wettelijke vastgelegd in de Wet financiering decentrale overheden (FIDO) en de bijbehorende ministeriële regelingen: Regeling uitzettingen en derivaten decentrale overheden (RUDDO), Uitvoeringsregeling financiering decentrale overheden (UFDO) en het Besluit leningvoorwaarden decentrale overheden (BLDO). De MRDH heeft haar treasurybeleid vastgelegd in het Treasurystatuut MRDH 2021. Dit statuut beschrijft de beleidsmatige infrastructuur van de treasuryfunctie in de vorm van uitgangspunten, doelstellingen en richtlijnen. De financieringsstructuur van de MRDH wordt grotendeels bepaald door subsidies en projectbijdragen aan gemeenten, bedrijven en instellingen, die eerder voornamelijk afkomstig waren van het Rijk. Omdat we de middelen tot nu toe eerder ontvangen dan dat ze worden doorbetaald, is de liquiditeitspositie qua exploitatie doorgaans goed. Desondanks is er wel sprake van een financieringsbehoefte. Die wordt veroorzaakt door de volgende twee factoren: 1.
de financiering van railvoertuigen en -infrastructuur van de regionale ov-bedrijven HTM en de RET; 2. het verstrekken van leningen voor bussen en laadinfrastructuur aan vervoerders op grond van de Verordening verstrekking leningen voor bussen en stallingen Vervoersautoriteit MRDH. Financiering railinvesteringen De MRDH financiert de activa en nieuwe investeringen voor railvoertuigen en -infrastructuur van HTM en de RET, zolang de MRDH de bijbehorende kapitaallasten via de railconcessie vergoedt. Voorheen financierden de gemeenten Den Haag en Rotterdam deze vervoerders. Dankzij de rechtstreekse financiering door de MRDH blijven er structureel extra middelen beschikbaar voor de verkeer- en vervoeropgave in onze regio na de opbouw van de benodigde risicoreserve. Voor elke verstrekte lening, garantie en borgstelling wordt een toereikende risicoreservering opgebouwd als onderdeel van het eigen vermogen van de MRDH. Hiervoor wordt de in rekening te brengen marktconformiteitsopslag van minimaal zestig basispunten over de uitstaande leningen en garanties ingezet om de risicoreserve op te bouwen. De MRDH financiert uitstaande leningen door voor hetzelfde bedrag en dezelfde looptijd leningen aan te gaan, om zo een renterisico uit te sluiten.
Bussenleningen De MRDH financiert bussen en laadinfrastructuur aan vervoerders volgens de Verordening verstrekking leningen voor bussen en stallingen van de Vervoersautoriteit MRDH. Deze verordening is ingesteld om vervoerbedrijven adequate en goedkopere financieringsmogelijkheden
41
te bieden voor de gewenste transitie naar zero emissie-busvervoer. Net als bij de financiering van de railinvesteringen bouwt de MRDH voor elke verstrekte lening een toereikende risicoreservering op binnen het eigen vermogen. Hiervoor wordt ook hier de in rekening te brengen marktconformiteitsopslag van minimaal zestig basispunten over de uitstaande leningen en garanties ingezet om de risicoreserve op te bouwen. De MRDH financiert ook bussenleningen door voor hetzelfde bedrag en dezelfde looptijd leningen aan te gaan. Meer informatie over de opbouw en het geraamde verloop van de risicoreserve staat in hoofdstuk 4.3, paragraaf Weerstandsvermogen en risico’s. De financieringsbehoefte van de MRDH wordt bepaald door de financiering van de railinvesteringen en de bussen bij de verschillende concessie houdende vervoerders. In deze begrotingsperiode wordt geen overbesteding geraamd en ontstaat daaruit geen financieringsbehoefte. Onderstaand overzicht geeft de geraamde totale financieringsbehoefte per jaar weer. Financieringsbehoefte (euro's) OV-bedrijven Overbesteding Totalen per jaar
Voorlopige Jaarrekening 2025 1.096.742.342 0 1.096.742.342
Begroting 2026
Begroting 2027
Begroting 2028
Begroting 2029
Begroting 2030
1.144.225.064 0 1.144.225.064
1.296.777.673 0 1.296.777.673
1.351.742.105 0 1.351.742.105
1.436.702.503 0 1.436.702.503
1.363.129.667 1.363.129.667
Op basis hiervan zijn de kosten en opbrengsten van de financieringsfunctie per jaar als volgt samen te vatten:
Financieringsfunctie (euro's)
Voorlopige Jaarrekening 2025
Begroting 2026
Begroting 2027
Begroting 2028
Begroting 2029
Begroting 2030
Lasten Rente OV-bedrijven Totaal Baten Rente OV-bedrijven Marktconformiteits-opslag OV-bedrijven Totaal Resultaat voor reservemutaties
18.365.054 18.365.054
18.727.119 18.727.119
24.502.028 24.502.028
27.564.372 27.564.372
31.230.422 31.230.422
33.017.038 33.017.038
18.745.564 7.923.011 26.668.575 -8.303.521
18.727.119 8.769.301 27.496.419 -8.769.301
24.502.028 6.743.819 31.245.846 -6.743.819
27.564.372 11.755.872 39.320.244 -11.755.872
31.230.422 11.925.642 43.156.064 -11.925.642
33.017.038 11.760.304 44.777.341 -11.760.304
Dotatie risicoreserve financieringen
4.000.000
4.000.000
0
0
0
0
Netto resultaat
-4.303.521
-4.769.301
-6.743.819
-11.755.872
-11.925.642
-11.760.304
Alle kosten en opbrengsten van de financieringsfunctie zijn geheel toegerekend aan het programma Mobiliteit. Schatkistbankieren Schatkistbankieren is een wettelijke verplichting voor de MRDH. Concreet betekent dit dat, afgezien van een klein werkkapitaal, alle liquide middelen in de schatkist van het Rijk worden aangehouden. Renterisicobeheer (kasgeldlimiet en renterisiconorm) De MRDH kan het renterisico op haar leningenportefeuille toetsen aan de renterisiconorm. Omdat de MRDH tot nu toe uitsluitend leningen aantrekt die wegens de publieke taak dezelfde omvang hebben en tegen dezelfde rentetypische looptijden worden uitgezet, is deze toetsing aan de renterisiconorm (nog) niet relevant.
42
De renterisiconorm bedraagt voor 2027 20% van de lastenkant van de begroting en bedraagt € 189,9 miljoen. De MRDH voldoet naar verwachting meerjarig aan deze norm. Bedragen x € 1.000
Renterisiconorm en renterisico's 2027-2030 2027
2028
2029
2030
1a. Renteherziening op vaste schuld o/g 1b. Renteherziening op vaste schuld u/g 2. Netto renteherziening op vaste schuld (1a-1b) 3a. Nieuw aangetrokken vaste schuld 3b. Nieuwe verstrekte lange leningen 4. Netto nieuw aangetrokken vaste schuld (3a-3b) 5. Betaalde aflossingen 6. Herfinanciering (laagste van 4 en 5) 7. Renterisico op vaste schuld (2+6)
278.000 278.000 75.400 -
409.000 409.000 89.500 -
586.000 586.000 95.500 -
604.000 604.000 103.500 -
Renterisiconorm 8. Begrotingstotaal 9. Percentage vastgesteld per ministeriele regeling 10. Renterisiconorm (8 x 9)
949.291 20% 189.858
942.328 20% 188.466
905.457 20% 181.091
929.517 20% 185.903
Toets renterisiconorm 10. Renterisiconorm 7. Renterisico op vaste schuld 11. Ruimte(+) Overschrijding (-); (10-7)
189.858 189.858
188.466 188.466
181.091 181.091
185.903 185.903
De maximaal toegestane kasgeldlimiet voor 2027 bedraagt 8,2% van de lastenkant van de begroting en bedraagt € 77,8 miljoen. Naar verwachting wordt in 2027 aan deze norm voldaan. Kasgeldlimiet 2027
berekening kasgeldlimiet
Bedragen x € 1.000
kwartaal 1 kwartaal 2 kwartaal 3 kwartaal 4 Omvang korte schuld Opgenomen gelden < 1 jaar Schuld rekening courant Gestorte gelden door derden < 1 jaar Overige geldleningen niet zijnde vaste schuld Totaal netto vlottende schuld Vlottende middelen Contante gelden in kas Tegoeden in rekening courant Overige uitstaande gelden < 1 jaar Totaal vlottende middelen Toets kasgeldlimiet Totaal netto vlottende schuld Toegestande kasgeldlimiet Ruimte (+) of overschrijding (-) van de limiet Begrotingstotaal Percentage vastgesteld per ministeriele regeling Kasgeldlimiet
-
-
-
-
420.000
416.000
465.847
415.000
420.000
416.000
465.847
415.000
420.000 77.842 497.842
416.000 77.842 493.842
465.847 77.842 543.689
415.000 77.842 492.842
949.291 8,20% 77.842
43
4.2 Verbonden partijen Verbonden partijen zijn privaatrechtelijke of publiekrechtelijke organisaties waarin de MRDH een bestuurlijk én een financieel belang heeft. Het kan gaan om gemeenschappelijke regelingen (publiekrechtelijke organisatie), deelnemingen (vennootschappen), stichtingen en verenigingen (privaatrechtelijke organisaties). Een bestuurlijk belang betekent dat de MRDH een zetel in het bestuur of stemrecht heeft. Er is sprake van een financieel belang als de MRDH: - een ter beschikking gesteld bedrag niet kan verhalen, als de verbonden partij failliet gaat; - aansprakelijk kan worden gesteld door derden, als de verbonden partij haar verplichtingen niet nakomt. Een partij die jaarlijks een subsidie ontvangt, waaraan geen andere financiële verplichtingen met een juridische afdwingbaarheid door derden verbonden zijn, is geen verbonden partij. Verbonden partijen voeren meestal taken uit met een groot publiek belang. Ze leveren een aanzienlijke bijdrage aan de realisatie van maatschappelijke doelen. In het geval van de MRDH zijn er drie verbonden partijen: HTM personenvervoer N.V., de RET N.V. en Zuid-Holland Bereikbaar. De verbonden partijen bestaan uit vennootschappen en coöperaties (HTM en RET) en stichtingen en verenigingen (Zuid-Holland Bereikbaar). Sinds 2022 neemt de MRDH deel aan de samenwerkingsorganisatie Zuid-Holland Bereikbaar.
Hier is een stichting voor opgericht waarin alle deelnemende partijen zijn vertegenwoordigd. Binnen deze nieuwe organisatie wordt gewerkt aan het programma Zuid-Holland Bereikbaar. Het programma is een gezamenlijke en langjarige bereikbaarheidsaanpak van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat/Rijkswaterstaat, provincie Zuid-Holland, de gemeenten Rotterdam en Den Haag, de Metropoolregio Rotterdam Den Haag, ProRail en Havenbedrijf Rotterdam.
44
De volgende tabel bevat de belangrijkste bestuurlijke en financiële gegevens van de drie verbonden partijen: Naam
HTM Personenvervoer N.V.
Vestigingsplaats
Den Haag
Visie
Het waarborgen van goed ov in de regio door middel van zeggenschap in HTM Personenvervoer N.V.
Openbaar behartigd belang
Het beheer van een aandeel in een bedrijf dat het ov in de regio Haaglanden verzorgt.
Deelnemende partijen
De andere aandelen van HTM Personenvervoer N.V. zijn in handen van HTM Beheer BV.
Rechtsvorm
Naamloze vennootschap
Bestuurlijk belang
Houder van 1 aandeel. De MRDH is vertegenwoordigd in de Algemene Vergadering van Aandeelhouders.
Financieel belang
Deelneming in HTM Personenvervoer N.V. van € 1
Eigen vermogen
Per 31-12-2024: € 97.397.000
Vreemd vermogen
Per 31-12-2024: € 557.510.000
Financieel resultaat
Over 2024: € 1.894.000
Risico’s
Zie hoofdstuk 4.3 onder Financiering OV-bedrijven.
Beleidsvoornemens
De uitvoering van OV-concessies in regio Haaglanden.
Monitoring prestaties
Via aandeelhoudersvergaderingen.
Programma
Programma Mobiliteit.
Naam
RET N.V.
Vestigingsplaats
Rotterdam
Visie
Het waarborgen van goed ov in de regio door middel van zeggenschap in de RET N.V..
Openbaar behartigd belang
Het beheer van een aandeel in een bedrijf dat het ov in de regio Rotterdam verzorgt.
Deelnemende partijen
De andere aandelen van de RET N.V. zijn in handen van de gemeente Rotterdam.
Rechtsvorm
Naamloze vennootschap
Bestuurlijk belang
Houder van 1 aandeel. De MRDH is vertegenwoordigd in de Algemene Vergadering van Aandeelhouders.
Financieel belang
Deelneming in de RET van € 1.000
Eigen vermogen
Per 31-12-2024: € 147.898.000
Vreemd vermogen
Per 31-12-2024: € 351.784.000
Financieel resultaat
Over 2024: € 3.728.000
Risico’s
Zie hoofdstuk 4.3 onder Financiering ov-bedrijven.
Beleidsvoornemens
Uitvoeren OV-concessies regio Rotterdam.
Monitoring prestaties
Via aandeelhoudersvergaderingen.
Programma
Programma Mobiliteit.
45
Naam
Zuid-Holland Bereikbaar
Vestigingsplaats
statutair Rotterdam, feitelijk Schiedam
Visie
De samenwerking tussen partijen heeft tot doel de realisatie van het gezamenlijke programma Zuid-Holland Bereikbaar (hierna: 'programma ZHB'). Dit gezamenlijke programma ZHB borgt de bereikbaarheid (acceptabele hinder) en draagt bij aan de mobiliteitstransitie (duurzame gedragsverandering) in de provincie Zuid-Holland. Dit doen we door samen te organiseren wat beter kan en door innovatieve oplossingen toe te passen voor de opgave als de partners dit niet alleen kunnen ontwikkelen of uitvoeren.
Openbaar behartigd belang
Bereikbaarheid van de provincie Zuid-Holland bij (grootschalige) werkzaamheden. Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, Rijkswaterstaat, provincie Zuid-Holland, gemeente Rotterdam, gemeente Den Haag, Metropoolregio Rotterdam Den Haag, ProRail B.V., Havenbedrijf Rotterdam N.V. en de Stichting Zuid-Holland Bereikbaar. Op 16 januari 2026 besloot de stuurgroep tot toetreding van Drechtsteden aan de stichting Zuid-Holland Bereikbaar. De formele stappen (zoals aanpassing SOK met financieringsafspraken), worden de komende tijd uitgewerkt en daarna voor besluitvorming voorgelegd aan de huidige deelnemende partijen.
Deelnemende partijen
Rechtsvorm
Stichting
Bestuurlijk belang
Portefeuillehouder Investeren in bereikbaarheid van de bestuurscommissie Vervoersautoriteit MRDH is permanente vertegenwoordiger in de Stuurgroep.
Financieel belang
De bekostiging van het in het Jaarplan opgenomen programmabudget. Conform afspraken BO MIRT 5 januari 2026 bedraagt het programmabudget totaal € 7.800.000 per jaar exclusief btw voor de periode 2026 en 2027, waarvan 1/6 deel (€ 1.300.000 per jaar) voor de MRDH. De bijdrage aan het programmabudget wordt jaarlijks vastgesteld via het jaarplan van Zuid-Holland Bereikbaar en is onderdeel van de programmabegroting Mobiliteit, onderdeel Beleid en programmering Mobiliteit.
Eigen vermogen
Per 31-12-2024: € 2.477.327 (na bestemming resultaat 2024)
Vreemd vermogen
Per 31-12-2024: € 2.653.065
Financieel resultaat
Over 2024: € 23.835
Risico’s
Er bestaat een risico op overbesteding. Bij zicht op overbesteding wordt overeenkomstig de SOK aan de deelnemende partijen hiervoor toestemming gevraagd. Hierdoor wordt dit risico beperkt.
46
Beleidsvoornemens
Monitoring prestaties
Programma
De beleidsvoornemens staan opgenomen in een Werkplan, dat is momenteel het Strategisch Koersdocument 2026-2030. De beleidsvoornemens worden jaarlijks vertaald in een Jaarplan. Specifiek is er deze periode aandacht voor het rijksprogramma Spitsspreiden en Mijden en hoe Zuid-Holland Bereikbaar daaraan bijdraagt. De financiële rijksbijdrage aan Zuid-Holland Bereikbaar is gekoppeld aan dit rijksprogramma met het Strategisch koersdocument 2026-2030 als basis. Partners hebben samen vastgesteld dat de grootste winst te behalen is door de gebiedsgerichte aanpak te intensiveren. De onderhoudsopgave en de projecten in de gebieden dienen dan als katalysator voor de gebiedspartners (gemeenten maar ook bedrijven/werkgevers) om maatregelen te treffen die bijdragen aan de beleidsdoelstellingen en de opgaven in een gebied. Voor de uitvoering van de werkzaamheden wordt jaarlijks een Jaarplan opgesteld. Jaarlijks levert de stichting uiterlijk in mei van elk jaar een jaarrekening op over het afgelopen boekjaar met een goedkeurende controleverklaring van een externe accountant. Hierna stelt de Raad van Toezicht deze jaarrekening vast. De vastgestelde jaarrekening en accountantsverklaring worden vervolgens uiterlijk op 1 juli van het desbetreffende jaar gedeeld met de deelnemende partijen. Programma Mobiliteit.
4.3 Weerstandsvermogen en risico’s Het begrip ‘weerstandsvermogen’ Het financieel weerstandsvermogen van de MRDH is het vermogen om ‘niet-structurele’ financiële risico’s op te vangen zonder dat de uitvoering van de taken in het gedrang komt. Het weerstandsvermogen is de relatie tussen de weerstandscapaciteit en de bekende risico’s waarvoor geen afdoende stuur- en beheersmaatregelen kunnen worden getroffen of waarvoor geen voorzieningen bestaan. Beleidsnota Het algemeen bestuur stelde op 12 juli 2019 de beleidsnota Risicomanagement en Weerstandsvermogen vast. Relevante onderdelen uit deze beleidsnota zijn verwerkt in deze paragraaf weerstandsvermogen. Risico’s algemeen De mogelijke maatregelen om de risico’s te beheersen of financieel te dekken zijn: - het beheersen van risico’s door stuur- en beheersmaatregelen, bijvoorbeeld door het afsluiten van verzekeringen of het aanscherpen van de regelgeving; - het financieel afdekken van risico’s door het instellen van voorzieningen voor risico’s die kunnen worden gekwantificeerd en het instellen van een weerstandsvermogen voor risico’s die niet financieel kunnen worden gekwantificeerd.
47
Bedrijfsrisico’s komen regelmatig voor en zijn daarom goed voorspelbaar en meetbaar. Hierdoor kun je ze afdekken door beheersmaatregelen of het afsluiten van verzekeringen. Risico’s programma Economisch Vestigingsklimaat De risico’s die samenhangen met de versterking van het economisch vestigingsklimaat kan de MRDH alleen met eigen weerstandscapaciteit afdekken. In een uitgevoerde financiële risicoanalyse uit 2015 is het risico bepaald van het eventueel wegvallen van een deel van de inwonerbijdragen. Dit risico is vervallen door de vaststelling van uittreedregels. Op 12 juli 2019 stelde het algemeen bestuur de Algemene regels voor uittreding uit de Gemeenschappelijke regeling Metropoolregio Rotterdam Den Haag 2014 vast. Daarin staat dat een uittreedsom wordt bepaald bij uittreding. Hierin staat ook het bedrag dat de uittredende deelnemer dient te betalen aan de Gemeenschappelijke Regeling Metropoolregio Rotterdam Den Haag (GR MRDH), dat bestaat uit de schade die de GR MRDH lijdt als gevolg van de uittreding. Het aanhouden van een aparte reserve is daardoor niet meer nodig. Risico’s programma Mobiliteit De risico’s die samenhangen met de activiteiten voor verkeer en vervoer worden allereerst opgevangen met een risicobuffer die binnen de projecten wordt aangehouden. Hierbij worden ook de financiële risico’s geïdentificeerd.
Wanneer deze risicobuffer niet afdoende is, worden de BDUmiddelen aangesproken. Dit heeft tot gevolg dat andere bestedingen vanuit de BDU-middelen lager worden of vertragen. De taken voor verkeer en vervoer worden in hoge mate (meer dan 99%) gefinancierd met rijksmiddelen. De MRDH moet deze middelen beschouwen als vreemd vermogen, als ze nog niet zijn besteed. Daarom bouwt de MRDH voor deze middelen geen risicoreserve op. Brede doeluitkering Verkeer en Vervoer (BDU) Uit de begroting van het ministerie van IenW, die op Prinsjesdag openbaar werd, blijkt dat de voorgenomen korting op de BDU voor het jaar 2026 is geschrapt. Het jaar daarna draagt IenW een derde van het tekort bij, de vervoerregio’s samen ook een derde deel, en voor het resterende deel wordt nog samen gezocht naar een oplossing. De vervoerregio’s zetten het gesprek over de BDUkorting met het Rijk voor herstel van de Rijksfout voort en zetten er op in dat het Rijk ook in 2027 en daarna de volledige BDU-korting compenseert. Daartoe werkt de MRDH intensief samen met de vervoerregio Amsterdam, zowel op ambtelijk als bestuurlijk niveau, om zodoende maximaal resultaat te bereiken bij het Rijk.
Dat gebeurt onder meer door het organiseren van mediamomenten (bijvoorbeeld interviews in landelijke media) en het organiseren van ‘events’ waar Tweede Kamerleden worden geïnformeerd over de noodzaak van een structureel gezonde financiële situatie voor het regionaal ov- en verkeersysteem. Als de korting na medio 2027 doorgaat, dan zal dit direct effect hebben op de exploitatie van het ov en de investeringscapaciteit. De MRDH heeft zich hiertegen uitgesproken en blijft hierover in gesprek met het Rijk. Gegeven de onzekerheid, is deze korting verder niet verwerkt in de begroting. Financiering ov-bedrijven Zoals in hoofdstuk 4.1 (Financiering) staat, financiert de MRDH de investeringen in railvoertuigen en -infrastructuur van de regionale ov-bedrijven. Dat brengt risico’s met zich mee, die nader zijn geanalyseerd in een extern onderzoek uit 2016. Uit dit onderzoek blijkt dat de MRDH een reserve moet vormen om de risico’s af te dekken die de economische waarde van het te financieren 48
materieel direct beïnvloeden. Daarbij is meegewogen dat de MRDH voor de periode 2016-2026 een railconcessie had gegund aan de ov-bedrijven RET en HTM. Ook is meegewogen dat de MRDH een eerste zekerheidsrecht krijgt over de te financieren activa. Het kredietrisico wordt beperkt doordat de afschrijvingen en rente over goedgekeurde railinvesteringen en de verstrekte leningen zijn opgenomen in de concessievergoeding die de MRDH maandelijks betaalt. Uit een referentievergelijking blijkt dat een waardedaling van 35% een verdedigbaar uitgangspunt voor de risicoberekening is. De risico-inschatting voor de beide ov-bedrijven is daarnaast als ‘laag’ geclassificeerd. Daaruit volgt een risicoweging van 8% als uitgangspunt voor de risicoberekening. De MRDH financiert ook op grond van de Verordening verstrekking leningen voor bussen en stallingen Vervoersautoriteit MRDH leningen voor investeringen in bussen en stallingen. Deze verordening is ingesteld om concessiehoudende vervoerbedrijven adequate en betaalbare financieringsmogelijkheden te bieden voor de gewenste transitie naar zero emissie busvervoer. De ondergrens voor de opbouw van de risicoreserve financieringen wordt net als in de begroting 2025 berekend op basis van de maandelijkse concessievergoedingen. De maandelijkse concessievergoedingen voor rail en bus bedragen in de periode 2026-2030 gemiddeld € 48 miljoen.
Bij een worstcasescenario (faillissement) wordt de kans dat maximaal één maand aan concessievergoeding verloren gaat, als hoog (90%) ingeschat. Hierdoor wordt de ondergrens voor risicoreserve vastgesteld op € 43 miljoen. Het verschil tussen de marktconformiteitsopslag en de jaarlijks benodigde toevoeging aan de risicoreserve worden gebruikt als aanvullende dekking voor de lasten van het programma Mobiliteit (hoofdstuk 2.1.2). Hierdoor daalt de daarvoor benodigde BDU-bijdrage. In de volgende tabel is de op te bouwen risicoreserve voor financieringen in cijfers uitgewerkt.