Bijlage 1b - Verkennend bodemonderzoek en verkennend en nader asbestonderzoek voor de Nijverheidsweg 10 door Tritium Advies d.d. 19 oktober 2021
Tekst van het document
documentkenmerk: 2104/008/BU-01 + 2109/193/SF-01, versie A
Verkennend bodem- en verkennend- en nader asbestonderzoek Nijverheidsweg 10 te Pijnacker (2104/008/BU-01 + 2109/193/SF-01, versie A)
documentkenmerk: 2104/008/BU-01 + 2109/193/SF-01, versie A
Verkennend bodem- en verkennend- en nader asbestonderzoek
in opdracht van Gemeente Pijnacker-Nootdorp De heer R. Van der Voort Postbus 1 2640 AA PIJNACKER betreffende locatie Nijverheidsweg 10 te Pijnacker documentkenmerk 2104/008/BU-01 + 2109/193/SF-01 versie A vestiging Arkel datum 19 oktober 2021
opgesteld door:
gecontroleerd door:
B.M. (Bram) Uittenbogaard /
S. (Stan) Francken /
S. (Stan) Francken
A.G.J. (Teun) Martens
Projectleider bodem
Projectleider bodem
Dit document is digitaal gegenereerd en derhalve niet voorzien van een handtekening. De inhoud is aantoonbaar gecontroleerd en vrijgegeven. Het document mag uitsluitend in zijn geheel worden gereproduceerd. Door derden aangebrachte wijzigingen en/of toevoegingen dan wel oneigenlijk gebruik van het document vallen niet onder de verantwoording van Tritium Advies. Op dit rapport is een disclaimer van toepassing; zie https://www.tritium.nl/bodem-disclaimer/
Tritium Advies B.V. Adviseurs in bouwen, milieu en veiligheid
Tritium Advies is gevestigd in:
T.
088 44 02 900
E.
info@tritium.nl
Arkel >> Neer >> Nuenen >>
I.
www.tritium.nl
Prinsenbeek >> Rijkevoort
KvK-nr.
17108024
documentkenmerk: 2104/008/BU-01 + 2109/193/SF-01, versie A
Samenvatting In opdracht van de gemeente Pijnacker heeft Tritium Advies een verkennend bodem- en verkennend- en nader asbestonderzoek uitgevoerd op de locatie Nijverheidsweg 10 te Pijnacker. Aanleiding voor het onderzoek is de voorgenomen grondtransactie. Doel van het onderzoek is meerledig, namelijk het vaststellen; •
van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem om te bepalen of op de locatie sprake is van bodemverontreiniging, welke mogelijk een belemmering vormt voor de voorgenomen grondtransactie;
•
van het gehalte aan PFAS op basis van het Tijdelijk Handelingskader PFAS (versie juli 2020);
• •
van een voorlopige veiligheidsklasse conform de CROW 400; of funderingslagen aanwezig zijn en indien aanwezig het vaststellen van de (indicatieve) hergebruiksmogelijkheden (incl. asbest) van het materiaal;
•
van de eindsituatie.
Naar aanleiding van de analyseresultaten heeft een nader asbestonderzoek plaatsgevonden met als doel het vaststellen van het daadwerkelijke gehalte asbest in de grond. Uit de resultaten van het onderzoek blijkt het volgende. Zintuiglijke waarnemingen Zintuiglijk zijn plaatselijk bijmengingen met puin in de boven- en ondergrond waargenomen. Plaatselijk is een matig koolhoudende laag aanwezig. Ter plaatse van de vermoedelijke ligging van de voormalige watergang (deellocatie D) aan de voorzijde van het pand is een afwijkende laag met puinbijmengingen in de ondergrond aanwezig is. Mogelijk betreft dit dempingsmateriaal. Bij het nader asbestonderzoek is gebleken dat in deze laag asbesthoudend golfplaat aanwezig is dat 1015% chrysotiel en 2-5% crocidoliet bevat. Verkennend bodemonderzoek Uit de analyseresultaten blijkt in de boven- en ondergrond heterogene lichte verontreinigingen met enkele zware metalen, PAK, PCB en plaatselijk minerale olie zijn aangetoond. Het grondwater blijkt plaatselijk licht verontreinigd met 1,2-dichlooretheen en licht tot matig verontreinigd met barium (verhoogde achtergrondconcentratie). Er is ter plaatse van de werkplaats (A), de spuitcabines (B), de wasplaats (C) en de bovengrondse olieopslag (F) alsmede de het overig terreindeel (E) geen bodemverontreiniging aangetoond met de verdachte parameters.
Na vergelijking van de resultaten met de toepassingsnorm boven grondwaterniveau (categorie 4.1.) uit het Tijdelijk handelingskader voor gebruik van PFAS houdende grond en baggerspecie blijkt dat de boven- en ondergrond geclassificeerd worden als ‘landbouw/natuur’. Verkennend- en nader asbestonderzoek Bij het verkennend onderzoek zijn zintuiglijk op het maaiveld en in de grond géén asbestverdachte materialen waargenomen. In de puinhoudende kleiige bovengrond is asbest aangetoond met een indicatief gewogen gehalte van 13 mg/kg d.s. Dit gehalte is beneden de helft van de interventiewaarde. Derhalve is nader onderzoek niet noodzakelijk.
documentkenmerk: 2104/008/BU-01 + 2109/193/SF-01, versie A
In het indicatieve mengmonster van de puinhoudende zandige ondergrond (edelmanboor 12 cm) ter plaatse van de voormalige watergang, is in het traject 0,50 - 1,50 m-mv asbest aangetoond met een indicatief gewogen gehalte van 4 mg/kg d.s. Omdat sprake is van een indicatief monster waarbij asbest is aangetoond, dient deze bodemlaag als verdacht te worden beschouwd op het voorkomen van asbest. Omdat het technisch niet mogelijk is handmatig gaten van 30x30cm te graven tot in de verdachte laag, is direct een nader onderzoek uitgevoerd. Dit om vast te stellen of sprake is van een bodemverontreiniging met asbest. In het uitkomende materiaal is asbesthoudende golfplaat aangetroffen dat 10-15% chrysotiel en 2-5% crocidoliet bevat. Het gewogen asbestgehalte is berekent op 250 mg/kg d.s. In de fijne fractie (<20 mm) is géén asbest aangetoond. De onderliggende zintuiglijk schone laag blijkt eveneens geen asbest te bevatten. Gelet op de mate van verontreiniging waarbij asbest boven de 100 mg/kg d.s. is aangetoond is sprake van geval van ernstige bodemverontreiniging met asbest. Op basis van onderhavig onderzoek wordt verwacht dat de strook aan de voorzijde van het pand over een oppervlakte van circa 100 m2 heterogeen verontreinigd kan zijn met asbest. De gemiddelde laagdikte wordt geraamd op 0,35 meter. De omvang van de verontreiniging wordt derhalve geraamd op 35 m 3.
Uit de risicobeoordeling blijkt dat er geen sprake is van onaanvaardbare risico’s. Veiligheidsklasse bepaling Voor werkzaamheden ter plaatse van het geval van ernstige bodemverontreiniging met asbest is de veiligheidsklasse zwart niet vluchtig van toepassing. Voor werkzaamheden op het overig terreindeel is geen veiligheidsklasse van toepassing (basishygiëne). De definitieve veiligheidsklasse dient te worden bepaald door een veiligheidskundige. Conclusie Middels onderhavig onderzoek is de bodemkwaliteit in het kader van de beoogde aankoop vastgelegd. Door middel van het uitgevoerde onderzoek is voldoende aangetoond dat als gevolg van de uitgevoerde bedrijfsactiviteiten geen verontreiniging aan de bodem is toegevoegd. De onderzoeksresultaten vormen mogelijk een belemmering voor eventuele toekomstige ontwikkelingen. Geadviseerd wordt het geval van ernstige bodemverontreiniging met asbest op een natuurlijk moment (voorafgaand aan eventuele toekomstige herontwikkelingen), te saneren. Hiervoor dient een BUS-melding of een saneringsplan te worden opgesteld. Ook kan in dit stadium reeds met voorliggende rapportage een beschikking ernst en spoed worden aangevraagd bij het bevoegd gezag Wbb. Indien grond wordt afgegraven (bijvoorbeeld bij bouwwerkzaamheden) en van de locatie wordt afgevoerd, dient er rekening mee te worden gehouden dat deze grond elders niet zonder meer toepasbaar is.
Met betrekking tot het elders hergebruiken van grond zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing, die doorgaans een grotere onderzoeksinspanning vereisen. Een indicatie van de hergebruiksmogelijkheden is weergegeven in hoofdstuk 5 van dit rapport.
documentkenmerk: 2104/008/BU-01 + 2109/193/SF-01, versie A
Inhoudsopgave pagina Samenvatting 1.
Inleiding
1
2.
Vooronderzoek
2
2.1
Locatiegegevens
2
2.2
Eerder uitgevoerd onderzoek
4
2.3
Bodemopbouw
8
2.4
Conclusies vooronderzoek
9
3.
Verkennend bodemonderzoek
10
3.1
Onderzoeksstrategie
10
3.2
Uitvoering
11
3.2.1 Kwalibo
11
3.2.2 Plaatsen boringen en peilbuizen
12
3.2.3 Bemonstering grondwater
12
3.2.4 Analyses
13
3.3
Analyseresultaten
15
3.3.1 Toetsingskader(s)
15
3.3.2 Grond
15
3.3.3 Grondwater
17
4.
Verkennend- nader asbestonderzoek
19
4.1
Onderzoeksstrategie verkennend onderzoek
19
4.2
Onderzoeksstrategie nader onderzoek
19
4.3
Uitvoering
20
4.3.1 Kwalibo
20
4.3.2 Maaiveldinspectie
21
4.3.3 Inspectiegaten en boorwerk
21
4.3.4 Analyses
22
4.4
22
Analyseresultaten
4.4.1 Toetsingskader
22
4.4.2 Analyseresultaten
23
4.5
Bespreking afperkende boringen
23
5.
Veiligheidsklasse bepaling
26
5.1
Toetsingskader
26
5.2
Bespreking resultaten
26
6.
Conclusie en aanbevelingen
27
documentkenmerk: 2104/008/BU-01 + 2109/193/SF-01, versie A
Bijlagen Bijlage 1:
Kadastrale kaart
Bijlage 2:
Situatietekening
Bijlage 3:
Profielbeschrijvingen
Bijlage 4:
Analyseresultaten grond
Bijlage 5:
Analyseresultaten grondwater
Bijlage 6:
Analyseresultaten asbest
Bijlage 7:
Toelichting toetsingskader
Bijlage 8:
Toetsingstabellen grond
Bijlage 9:
Toetsingstabellen grondwater
Bijlage 10:
Omrekeningstabel asbest
Bijlage 11:
Veiligheidsklasse bepaling
Bijlage 12:
Foto’s onderzoekslocatie
documentkenmerk: 2104/008/BU-01 + 2109/193/SF-01, versie A
1. Inleiding In opdracht van de gemeente Pijnacker heeft Tritium Advies een verkennend bodem- en verkennend- en nader asbestonderzoek uitgevoerd op de locatie Nijverheidsweg 10 te Pijnacker. Aanleiding voor het onderzoek is de voorgenomen grondtransactie. Doel van het onderzoek is meerledig, namelijk het vaststellen; •
van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem om te bepalen of op de locatie sprake is van bodemverontreiniging, welke mogelijk een belemmering vormt voor de voorgenomen grondtransactie;
•
van het gehalte aan PFAS op basis van het Tijdelijk Handelingskader PFAS (versie juli 2020);
•
van een voorlopige veiligheidsklasse conform de CROW 400;
•
of funderingslagen aanwezig zijn en indien aanwezig het vaststellen van de (indicatieve) hergebruiksmogelijkheden (incl. asbest) van het materiaal;
•
van de eindsituatie.
Naar aanleiding van de analyseresultaten heeft een nader asbestonderzoek plaatsgevonden met als doel het vaststellen van het daadwerkelijke gehalte asbest in de grond. Tritium Advies heeft geen binding met de opdrachtgever en de onderzoekslocatie anders dan als onafhankelijk onderzoeksbureau. Kwalibo Op een deel van de werkzaamheden die in het voorliggende rapport worden beschreven is het Besluit bodemkwaliteit van toepassing. Onder de naam Kwalibo regelt het Besluit de kwaliteitsborging in het bodembeheer. Voor deze kwaliteitsborging zijn onderdelen van het onderzoek onder Kwalibo uitgevoerd. Indien dit het geval is, dan is dit bij het betreffende onderdeel expliciet vermeld. Onderdelen zonder vermelding van Kwalibo, zijn niet onder Kwalibo uitgevoerd.
pagina 1 van 29
documentkenmerk: 2104/008/BU-01 + 2109/193/SF-01, versie A
2. Vooronderzoek Het vooronderzoek is uitgevoerd volgens de NEN 5725 (oktober 2017). De geraadpleegde bronnen zijn weergegeven in de volgende tabel. Tabel 2.1: overzicht geraadpleegde bronnen tijdens vooronderzoek categorie
bron
geraadpleegd datum
contactpersoon
02-04-2021
n.v.t.
opdrachtgever
02-04-2021
Dhr. R. Van der Voort
eigen archief Tritium Advies
02-04-2021
n.v.t.
internet kadastrale gegevens
kadastralekaart.com Kadaster online
actuele terreinsituatie
Google Maps
historische gegevens
Topotijdreis
bodeminformatie
Bodemloket Bodemkwaliteitskaart gemeente Pijnacker-Nootdorp Omgevingsrapportage Pijnacker-Nootdorp
overig locatiegegevens en bodeminformatie bodeminformatie
De terreinverkenning is voorafgaand aan het veldwerk uitgevoerd. De resultaten van de terreinverkenning zijn verwerkt in de navolgende paragrafen.
2.1 Locatiegegevens Op basis van de geraadpleegde bronnen, is een overzicht opgesteld van de locatiegegevens. Het overzicht is weergegeven in de volgende tabel. De ligging van de locatie is weergegeven in figuur 2.1. Tabel 2.2: overzicht onderzoekslocatie actuele locatiegegevens adres straat
Nijverheidsweg
huisnummer
10
plaats
Pijnacker
kadastraal gemeente
Pijnacker
sectie
C
nummers
6078 en 9788
locatie oppervlak
totaal circa 1.521 m2
bebouwd 981 m2
huidig gebruik
Autogarage/schadeherstelbedrijf en opstelplaats voor auto’s.
voormalig gebruik
De locatie kent sinds oudsher een agrarisch gebruik met een kenmerkende slotenstructuur voor het poldergebied. Door de jaren heen is één watergang gedempt. Omstreeks 1965 is de bebouwing op de locatie gerealiseerd. Waarbij de bebouwing in de omgeving door de jaren heen is geïntensiveerd. Het is onbekend welke activiteiten door de jaren heen zijn uitgevoerd. De locatie is vanaf 1987 in gebruik als schadeherstelbedrijf.
toekomstig gebruik
onbekend
pagina 2 van 29
documentkenmerk: 2104/008/BU-01 + 2109/193/SF-01, versie A
Tabel 2.2 (vervolg): overzicht onderzoekslocatie actuele locatiegegevens locatie dempingen, ophogingen,
Er is één voormalige watergang gedempt. De kwaliteit en herkomst van het
bijmengingen met puin
dempingsmateriaal is niet bekend.
bodembedreigende activiteiten
zie tabel 2.3
en calamiteiten PFAS
Op 8 juli 2019 heeft de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat het ‘tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie’ van toepassing verklaard. Door het wijdverbreide gebruik en door emissies en incidenten worden poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS) inmiddels in Nederland (en breder in de wereld), niet alleen bij puntbronnen, maar ook als diffuse verontreinigingen in bodem, grondwater en oppervlaktewater aangetoond. Derhalve zijn de bovengrond (tot 1,0 m-mv) en geroerde bodems verdacht op PFAS.
bodemkwaliteitskaart
•
bron: gemeente Pijnacker-Nootdorp (vastgesteld december 2014);
•
ontgravingskaart boven- en ondergrond: ‘landbouw/natuur’;
•
bodemfunctiekaart: ‘wonen’.
niet gesprongen explosieven
Er is sprake van een locatie waarvan de bodem na de oorlog veelvuldig geroerd is.
(NGE)/ conventionele
Derhalve wordt ervan uitgegaan dat geen aanvullende maatregelen voor de
explosieven (CE)
boorwerkzaamheden noodzakelijk zijn.
asbestaspecten jaartallen
toepassing
opstallen
bouwjaar 1965
terrein
aanleg 1965
Op het dak is tot omstreeks 2015 asbestverdachte dakbedekking aanwezig geweest, zonder goten. De inspoelzone van de asbestverdachte dakbedekking was verhard.
terreinsituatie bebouwing
autogarage
maaiveld
volledig verhard
verhardingen
bebouwing:
vloeistofdichte vloer
overig:
tegels
omgeving gebruik belendende percelen
spoorlijn, openbare weg en wonen met tuin
bodembedreigende activiteiten
zie tabel 2.3
en calamiteiten
De kadastrale gegevens van de onderzoekslocatie zijn weergegeven in bijlage 1. Een situatietekening is weergegeven in bijlage 2. Foto’s van de onderzoekslocatie zijn toegevoegd in bijlage 12. De ligging van de locatie is weergegeven in de volgende figuur.
pagina 3 van 29
documentkenmerk: 2104/008/BU-01 + 2109/193/SF-01, versie A
Figuur 2.1: luchtfoto onderzoekslocatie
Tabel 2.3: bedrijfsactiviteiten locatie
activiteit
beginjaar
eindjaar
bron
autoreparatiebedrijf
1987
heden
bodemloket en
verfspuitinrichting (metaal) (2 spuitcabines)
1987
heden
rapport [1]
opslag van verf, lak, thinner en verdunner in lakkluis
1987
heden
vergunning [5]
wasplaats
onbekend
heden
vergunning [5]
bovengrondse opslag olie en afgewerkte olie
1995
heden
rapport [1]
schildersbedrijf
1990
onbekend
bodemloket
ketel- en radiatorenfabrieken
1987
onbekend
lasinrichting
1987
onbekend
Nijverheidsweg 8
elektrisch onderstation (transformatorolie)
onbekend
onbekend
omgevingsrapport
Nijverheidsweg 3-7 en
olieterminal
onbekend
onbekend
Pijnacker
onderzoekslocatie Nijverheidsweg 10
directe omgeving Nijverheidsweg 5
Emmastraat 163
2.2 Eerder uitgevoerd onderzoek Op de onderzoekslocatie en in de directe omgeving zijn eerder de in de volgende tabel vermelde bodemonderzoeken uitgevoerd of documenten bekend. Tabel 2.4: eerder uitgevoerd onderzoek en overige documenten nr.
titel
locatie
opgesteld door
kenmerk
datum
Nijverheidsweg 10
onderzoekslocatie 1.
basisdocument
Van der Helm
OUDP6480
12-12-1996
2.
inventariserend bodemonderzoek
Van der Helm
OUDP7314
09-05-1997
3.
afvalwateronderzoek
Van der Helm
RYP50010
10-01-2005
4.
inspectierapport en verklaring
ContrAll
CTI17621.00
10-08-2017
beschikking aanvraag
Gemeente
LT/GK/10729
07-09-2004
vergunningen
Pijnacker
vloeistofdichte voorziening 5.
pagina 4 van 29
documentkenmerk: 2104/008/BU-01 + 2109/193/SF-01, versie A
Tabel 2.4 (vervolg): eerder uitgevoerd onderzoek en overige documenten nr.
titel
locatie
opgesteld door
kenmerk
datum
directe omgeving 6.
historisch onderzoek
Emmastraat 145-151
Grondslag
14400148
08-07-2009
7.
verkennend bodemonderzoek
Industrieweg 21
Kuiper en Burger
onbekend
18-11-1997
8.
verkennend bodemonderzoek
Nijverheidsweg 3
Van der Helm
27-02-2001
9.
asbestonderzoek
RPS
18-12-2006
10.
oriënterend bodemonderzoek
BK
18-10-2013
11.
verkennend bodemonderzoek
Mol
26-10-2004
12.
partijkeuring grond
Mol
28-10-2004
13.
saneringsevaluatie
Alex Stewart
20-03-2005
14.
verkennend bodemonderzoek
Nijverheidsweg 3-7 en
Van der Helm
27-02-2001
15.
verkennend bodemonderzoek
Emmastraat 163
Geofox
01-06-2005
16.
verkennend bodemonderzoek
UDM
06-01-2006
17.
aanvullend rapport
Van der Helm
22-12-2006
18.
aanvullend rapport
Van der Helm
21-03-2007
19.
nader onderzoek
UDM
20.
diversen (14 st.)
Nijverheidsweg 8
Klapwijkseweg Rotterdam-
diversen
12-10-2007 diversen
2003-2006
153190GP
07-12-2015
Den Haag spoorbaan 21.
verkennend bodemonderzoek
Nijverheidsweg/Emmastraat Hoste Milieutechniek
De documenten 1 t/m 5 en 20 zijn in het bezit van Tritium. Voor de overige (beknopte) gegevens is gebruik gemaakt van de omgevingsrapportage van de gemeente Pijnacker-Nootdorp. Hieruit blijk samengevat het volgende: Ad 1 en 2 Aanleiding voor het onderzoek [2] was de verplichting in het kader van de Wbb en/of de BSBoperatie. Uit het basisdocument [1] blijkt dat de bedrijfsruimte omstreeks 1966 is gebouwd. Tot 1984 werd de loods gehuurd door de Burgerbescherming, hierbij werden drogere goederen zoals brancards e.d. opgeslagen. In 1984 is de loods gekocht. Voor de koop is de loods enkele maanden verhuurd voor de opslag van old-timers. In de periode 1984-1990 werden auto’s uitgedeukt en was er reeds een spuitafdeling aanwezig. Tot 1990 was een tegelvloer in de loods aanwezig. Vervolgens is 0,5 meter zand aangebracht en de loods voorzien van een nieuwe betonvloer. Vanaf 1995 vind opslag van motorolie en afgewerkte olie plaats. Zintuiglijk werden plaatselijk enkele tot veel puindeeltjes waargenomen. Uit de analyseresultaten bleek dat de grond ter plaatse van de werkplaats licht verontreinigd was met zink en PAK. De grond van het oude maaiveld ter plaatse van de werkplaats bleek niet verontreinigd te zijn. Het grondwater bleek plaatselijk licht verontreinigd met chroom en licht tot matig verontreinigd met arseen.
Geconcludeerd werd dat er geen aanleiding was tot het uitvoeren van nader onderzoek. Ad 3 Op de locatie vinden herstelwerkzaamheden plaats aan auto’s. Tijdens de werkzaamheden komt bedrijfsafvalwater vrij dat niet via een slibvangput en olie-water afscheider in het riool wordt gebracht. Aanleiding voor het onderzoek was de brief van de Gemeente Pijnacker-Nootdorp dat een slibvangput en olie-afscheider geïnstalleerd diende te worden. Doel van het onderzoek was het vaststellen van de kwaliteit van het afvalwater. Uit de resultaten bleek dat het gehalte minerale olie de norm niet overschreed. In overleg met de gemeente diende de noodzaak tot het plaatsen pagina 5 van 29
documentkenmerk: 2104/008/BU-01 + 2109/193/SF-01, versie A
van een slibvangput te worden bepaald. Uit navraag blijkt dat de olie-water afscheider is nooit gerealiseerd. Ad 4 Uit de verklaring bleek dat de vloer vloeistofdicht is. Ad 5 Op de locatie werden personenauto’s en kleine bedrijfswagens hersteld. Hiervoor zijn een werkplaats, wasplaats en twee spuitcabines aanwezig. Op de locatie worden de volgende stoffen opgeslagen: •
thinner max. voorraad 60l (25 l cans) in verfkluis;
•
hi-solid lak max. voorraad 46 l (1-3,5l blikken) in mengruimte;
•
harder max. voorraad 10l (5 l) in verfkluis;
•
grondlak max. voorraad 8l (3,5 l) in verfkluis;
•
verdunning max. voorraad 8l (5 l) in verfkluis.
Gesteld werd dat een nulsituatie bodemonderzoek uitgevoerd dient te worden. Het is echter onbekend of deze is uitgevoerd. Ad 6 De bovengrond bleek licht verontreinigd met PAK, de ondergrond met zware metalen. In de ondergrond werd tevens een verhoging met EOX aangetoond. Het grondwater was licht verontreinigd met xylenen en naftaleen. Er was geen belemmering voor de bouw. Ad 7 De bovengrond bleek niet verontreinigd, de ondergrond licht verontreinigd met PAK en minerale olie. Het grondwater was licht verontreinigd met chroom. Er was geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader onderzoek. Ad 8 Het monster van de vensterbanken en dorpels bevatte chrysotiel asbest. Twee heaters op de begane grond konden niet bemonsterd worden in verband met onbereikbaarheid. Andere plaatsen op de locatie waren niet toegankelijk. Ad 9 Er werd een olie-water reactie waargenomen en een puinverharding aangetroffen. De bovengrond bleek licht verontreinigd met ethylbenzeen. De ondergrond bleek niet verontreinigd en het grondwater was verontreinigd met xylenen en naftaleen. Formeel was een nader onderzoek noodzakelijk omdat sprake was van een nieuw geval, echter werd dit niet kosteneffectief geacht. Ad 10 In de bovengrond werd een verhoging met EOX aangetoond. De ondergrond bleek licht verontreinigd met zink en minerale olie. Het grondwater was licht verontreinigd met arseen, chroom en xylenen.
Er was geen belemmering voor de bouwvergunning. Ad 11 De grond werd geclassificeerd als categorie 1 grond.
pagina 6 van 29
documentkenmerk: 2104/008/BU-01 + 2109/193/SF-01, versie A
Ad 12 Tijdens werkzaamheden werd ca. 3 m3 asbesthoudend materiaal aangetroffen. Het asbest werd verwijderd en er waren 2 controlemonsters genomen. De resultaten zijn niet bekend. Ad 13 en 14 De bovengrond bleek licht verontreinigd met minerale olie en de ondergrond met PAK. Het grondwater was licht verontreinigd met chroom. Er was geen aanleiding voor nader onderzoek. Ad 15 De bovengrond bleek licht verontreinigd met zware metalen, PAK en minerale olie. De ondergrond bleek licht verontreinigd met PAK, tevens werd een verhoogd gehalte EOX aangetoond. Het grondwater was sterk verontreinigd met arseen en licht verontreinigd met chroom, zink en xylenen. Ad 16 De bovengrond bleek licht verontreinigd met minerale olie en PAK. Er werd geen asbest aangetoond. De slakkenfundatie kon worden hergebruikt. Ad 17 De boven- en ondergrond bleken licht verontreinigd met minerale olie en PAK. De ondergrond bleek tevens licht verontreinigd met kwik. Ad 18 In de bovengrond werden zwakke bijmengingen met puin waargenomen. De ondergrond bleek licht verontreinigd met minerale olie en PAK, tevens werd EOX verhoogd aangetoond. Er werd geen asbest aangetroffen. Het grondwater was licht verontreinigd met xylenen. Ad 19 Het betreffen een groot aantal rapporten behorende bij de spoorlijn. Vooralsnog wordt niet verwacht dat deze van invloed zijn op de onderzoekshypothese.
Ad 20 Het onderzoek werd uitgevoerd ten westen van de onderhavige locatie. Aanleiding voor het onderzoek was de voorgenomen herontwikkeling tot wonen met tuin. Doel van het onderzoek was het vaststellen van de algemene chemische kwaliteit van de bodem. Zintuiglijk werden over vrijwel de gehele locatie bijmengingen met puin aangetroffen. Plaatselijk werd koolas waargenomen. Uit de analyseresultaten bleek dat de bovengrond matig tot sterk verontreinigd was met minerale olie en PAK. De overige grondmonsters en het grondwater bleken verder niet tot slechts licht verontreinigd te zijn. Geconcludeerd werd dat de omvang van de verontreiniging nog niet bekend was en dat formeel een nader onderzoek uitgevoerd diende te worden. Voor de percelen 9119 en 9120 was de bodemkwaliteit voldoende in beeld. Opgemerkt wordt dat de aangetoonde verontreiniging direct aan de andere zijde van de Nijverheidsweg werd aangetoond.
pagina 7 van 29
documentkenmerk: 2104/008/BU-01 + 2109/193/SF-01, versie A
2.3 Bodemopbouw In de volgende tabel is een overzicht opgenomen van de regionale bodemopbouw en de geohydrologische situatie. Tabel 2.5: bodemopbouw en geohydrologie bodemopbouw maaiveldhoogte
1,75 m-NAP
deklaag
dikte
14 m
samenstelling
klei en veen
doorlatendheid
slecht
dikte
11 m
samenstelling
matig fijn tot uiterst grof zand
doorlatendheid
goed
stijghoogte
2,35 m-NAP
stromingsrichting
onbekend, niet eenduidig
stijghoogte
onbekend
stromingsrichting
westelijk
1e watervoerende pakket
geohydrologie freatisch grondwater 1e watervoerende pakket
waterhuishouding oppervlaktewater
Ten oosten van de locatie aan de overzijde van de weg is een sloot gelegen.
grondwaterbeschermingsbied /
De locatie is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied of een boringsvrije zone.
boringsvrije zone grondwateronttrekking
Op de onderzoekslocatie en in de directe omgeving vindt zover bekend geen grondwateronttrekking plaats. Van de omgeving zijn geen gegevens bekend.
pagina 8 van 29
documentkenmerk: 2104/008/BU-01 + 2109/193/SF-01, versie A
2.4 Conclusies vooronderzoek Op basis van het vooronderzoek worden de in de volgende tabel vermelde deellocaties onderscheiden. Tabel 2.6: deellocaties deel-
omschrijving
opp./aantal
hypothese
motivatie
verdachte stoffen 1)
locatie 2
A
werkplaats
ca. 800 m
B
spuitcabine (2x)
ca. 200 m2
verdacht
mogelijk morsing/lekkage
NEN-parameters, btexsn NEN-parameters, btexsn, VKF, m.o., p.o., alcoholen, VOCl
< 100 m2
C
wasplaats
D
voormalige watergang
E
overig terreindeel
F
bovengrondse opslag olie en
NEN-parameters en detergenten
1 st. 421 m2
mogelijk verontreinigd
NEN-parameters en
dempingsmateriaal
asbest (bij puin)
(bedrijfs)activiteiten
NEN-parameters, btexsn
9 m2
mogelijk morsing/lekkage
m.o., btexsn
afgewerkte olie (in lekbak) (9 m2) G
1.521 m2
gehele locatie
landelijk beleid
PFAS
Opmerkingen bij de tabel: 1)
verklaring verdachte stoffen: NEN- parameters
:
pakket NEN 5740 voor grondparameters (organische stof en lutum, 9 metalen, PAK, PCB en minerale olie) en NEN 5740 voor grondwaterparameters (9 metalen, vluchtige aromatische koolwaterstoffen en naftaleen, vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen en minerale olie);
m.o.
:
minerale olie;
btexsn
:
aromatische koolwaterstoffen (benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen, styreen) en naftaleen;
detergenten
:
an-, kat-, non ionische detergenten;
p.o.
:
polaire oplosmiddelen (1,4-dioxaan, aceton, acetonitril, diethylether, methylethylketon,
alcoholen
:
butanol, ethanol, iso-butanol, iso-propanol, methanol, n-propanol, sec-butanol, t-butanol.
VKF
:
vluchtige minerale olie (C6-C10);
VOCl
:
vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen.
methylisobutylketon, tetrahydrofuran);
pagina 9 van 29
documentkenmerk: 2104/008/BU-01 + 2109/193/SF-01, versie A
3. Verkennend bodemonderzoek 3.1 Onderzoeksstrategie Het verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5740+A1 (april 2016). De te volgen strategie is weergegeven in de volgende tabel. Tabel 3.1: strategie verkennend bodemonderzoek strategie 1)
boorwerk
asfalt- of
(diepte in m-mv)
betonboringen
boringen 6)
peilbuizen
(diameter)
1
2 x (ø 12 cm) 7)
analyses 2) grond 3)
grondwater
1 x NEN-g
1 x NEN-gw, tsp
2
A. werkplaats (ca. 800 m ) VEP
4 x (0,5)
1 x btexsn, VKF, H B. spuitcabine (2x) (ca. 200 m2) VEP
3 x (0,5)
1
-
1 x NEN-g, btexsn,
1 x tsp, p.o.,
VKF, H
alcoholen
C. wasplaats (<100 m2) VEP
2 x (0,5)
1
-
1 x NEN-g,
1 x tsp,
1 x btexsn
detergenten
D. voormalige watergang (1 st.) MW
3 x (2,0)
-
-
- 5)
-
1
-
5 x NEN-g 4)
1 x NEN-gw
2
E. overig terreindeel (421 m ) VED-HE-NL
3 x (0,5) 1 x (2,0)
F. bovengrondse opslag olie en afgewerkte olie (in lekbak) (9 m 2) VEP
-
1
-
1 x m.o., H
1 x tsp
-
-
2 x PFAS (30), H 7)
-
G. gehele locatie (1.521 m2) maatwerk
comb. A t/m F
gebaseerd op VED-HO-NL Opmerkingen bij de tabel: 1)
verklaring strategie: VEP
:
VED-HE-NL
:
MW
:
onderzoeksstrategie voor een verdachte locatie met een plaatselijke bodembelasting met een duidelijke verontreinigingskern; onderzoeksstrategie voor een verdachte locatie, diffuse bodembelasting, heterogeen verdeelde verontreiniging op schaal van monsterneming, niet lijnvormig; het onderzoek naar de gedempte watergang wordt uitgevoerd op basis van een maatwerkstrategie, waarbij een raai van 3 boringen haaks op een gedempte watergang geplaatst wordt;
VED-HO-NL
:
onderzoeksstrategie voor een verdachte locatie, diffuse bodembelasting, homogeen verdeelde verontreiniging op schaal van monsterneming, niet lijnvormig.
2)
verklaring analyses: NEN-g
:
pakket NEN 5740 voor grondparameters (organische stof en lutum, 9 metalen, PAK, PCB en
NEN-gw
:
m.o.
:
minerale olie;
btexsn
:
aromatische koolwaterstoffen (benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen, styreen) en
VKF
:
vluchtige minerale olie (C6-C10);
detergenten
:
an-, kat-, non ionische detergenten;
minerale olie); pakket NEN 5740 voor grondwaterparameters (9 metalen, vluchtige aromatische koolwaterstoffen en naftaleen, vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen en minerale olie);
naftaleen;
pagina 10 van 29
documentkenmerk: 2104/008/BU-01 + 2109/193/SF-01, versie A
p.o.
:
polaire oplosmiddelen (1,4-dioxaan, aceton, acetonitril, diethylether, methylethylketon,
alcoholen
:
butanol, ethanol, iso-butanol, iso-propanol, methanol, n-propanol, sec-butanol, t-butanol;
PFAS (30)
:
uitgebreid analysepakket met 30 perfluorverbindingen volgens de advieslijst d.d. 12 juli
H
:
methylisobutylketon, tetrahydrofuran);
2019 van het Tijdelijk handelingskader; 3)
humus (organische stof).
vanwege de mogelijke aanwezigheid van vluchtige verbindingen worden van de meest verdachte laag van de grond ongeroerde monsters genomen (steekbussen).
4)
conform de strategie VED-HE-NL dienen drie analyses te worden verricht op de meest verdachte laag. Om ook een uitspraak te kunnen doen over de milieuhygiënische kwaliteit van de (onverdachte) ondergrond zijn voor de gehele locatie twee extra analyses opgenomen.
5)
indien tijdens de veldwerkzaamheden zintuiglijk bijmengingen in de grond worden aangetroffen die duiden op deze gedempte watergang, worden aanvullende analyses uitgevoerd.
6)
bij zintuiglijke waarnemingen worden de boringen tot 0,5 m in de visueel schone grond doorgezet.
7)
in overleg met de opdrachtgever en terreineigenaar is in verband met de aanwezige vloerverwarming besloten om 2 inpandige boringen te verrichten. Indien de zintuiglijke waarnemingen er aanleiding toe geven, wordt mogelijk een derde inpandige boring verricht.
De analyses worden door een geaccrediteerd laboratorium uitgevoerd. De grond- en grondwatermonsters worden conform AS3000 voorbewerkt. Naar aanleiding van de aangetoonde bodemverontreiniging met asbest (hoofdstuk 4), zijn aanvullende boringen geplaatst om vast te stellen wat de verspreiding is van de verdachte laag. De zintuiglijke waarnemingen zijn verwerkt in de volgende paragrafen.
3.2 Uitvoering 3.2.1 Kwalibo Op de veldwerkzaamheden is het Besluit bodemkwaliteit van toepassing. Onder de naam Kwalibo regelt het Besluit de kwaliteitsborging in het bodembeheer. Voor dit onderzoek zijn de werkzaamheden uitgevoerd onder certificaat op grond van BRL SIKB 2000 (versie 6.0, 1 februari 2018) conform protocollen 2001 (versie 6.0, 1 februari 2018) en 2002 (versie 6.0, 1 februari 2018) van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer. In de volgende tabel zijn de namen van de erkende veldwerkers weergegeven, die voor onderhavig onderzoek het veldwerk hebben uitgevoerd. Tabel 3.2: erkende veldwerkers Tritium Advies veldwerker
datum uitvoering
boornummers/peilbuisnummer
boorwerkzaamheden (protocol 2001) Victor Loderus en Joris
7 mei 2021
Mathijssen
A01, A02, A04, A05, B01 t/m B04, C01 t/m C03, D01 t/m D03, E01 t/m E06, F01
Martin Hoskens
17 mei 2021
A06, AGE01, AGE02, AGE05, AGF01
Dorus Straatman
25 juni 2021
100 t/m 105, AG103
monstername grondwater (protocol 2002) Martin Hoskens
17 mei 2021
A01, B01, C01, D01, E01
pagina 11 van 29
documentkenmerk: 2104/008/BU-01 + 2109/193/SF-01, versie A
Conform BRL-SIKB 2000 zijn de veldwerkzaamheden getoetst op partijdigheid. De uitvoerder van het veldwerk voor milieuhygiënisch bodemonderzoek heeft geen binding met de opdrachtgever en de onderzoekslocatie anders dan als dat van een onafhankelijk onderzoeksbureau.
3.2.2 Plaatsen boringen en peilbuizen De locaties van de boringen zijn weergegeven in bijlage 2. Tijdens het plaatsen van de boringen en peilbuizen bleek dat ter plaatse van de inpandige boring A02 een afvoergoot aanwezig is. Deze is doorboord. Verder blijkt dat ter plaatse van de vermoedelijke ligging van de voormalige watergang aan de voorzijde van het pand, een afwijkende laag met puinbijmengingen in de ondergrond aanwezig is. Mogelijk betreft dit dempingsmateriaal. De bij de boringen vrijkomende grond is in het veld zintuiglijk beoordeeld. Hierbij zijn de in de volgende tabel weergegeven waarnemingen gedaan die duiden op een mogelijke bodemverontreiniging. Voor de bodemopbouw wordt verwezen naar de profielbeschrijvingen in bijlage 3. Tabel 3.3: waarnemingen en bijzonderheden boring
traject
waarnemingen en bijzonderheden
einddiepte
(m-mv)
(m-mv)
D. voormalige watergang (1 st.) D02
0,60 - 0,80
zwak puinhoudend
2,00
D03
0,50 - 1,50
sporen puin
2,00
2
E. overig terreindeel (421 m ) E01
0,15 - 0,50
sporen puin
2,50
E02
0,25 - 0,50
sporen puin
1,00
E05
0,40 - 0,70
matig koolhoudend
1,20
E06
0,50 - 1,50
hierna ondoordringbaar, vermoedelijk kabel/leiding of betonplaat
1,50
2
F. bovengrondse opslag olie en afgewerkte olie (in lekbak) (9 m ) F01
0,20 - 0,50
sporen puin
2,20
Aanvullende boringen voor vaststellen omvang asbestverdachte laag 100
0,50 - 0,80
zwak puinhoudend, stukken baksteen
0,80 - 1,20
sporen puin
1,20
102
1,00 - 1,20
sporen puin
1,20
103
0,70 - 0,80
zwak puinhoudend
1,30
AG103
0,60 - 0,80
matig puinhoudend
0,80
Omdat de herkomst en kwaliteit van het puin onbekend is, dient deze als verdacht op het voorkomen van asbest te worden beschouwd. Derhalve is direct een verkennend asbestonderzoek uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn weergegeven in hoofdstuk 4.
3.2.3 Bemonstering grondwater Tijdens de grondwatermonstername zijn in het veld de zuurgraad (pH), de troebelheid en de elektrische geleidbaarheid (Ec) van het grondwater bepaald. De peilbuisspecificaties en meetresultaten zijn weergegeven in de volgende tabel. De plaats van de peilbuizen is weergegeven in bijlage 2.
pagina 12 van 29
documentkenmerk: 2104/008/BU-01 + 2109/193/SF-01, versie A
Tabel 3.4: peilbuisspecificaties peilbuis
datum
filtertraject
grondwaterstand
pH
Ec
troebelheid
bemonstering
(m-mv)
(m-mv)
(-)
(µS/cm)
(ntu)
belucht
1,20 - 2,20
0,62
6,3
1.410
37
ja
1,20 - 2,20
0,45
6,5
1.304
9,8
nee
1,20 - 2,20
0,60
6,4
1.142
9,8
nee
1,50 - 2,50
0,58
6,5
1.392
35
nee
6,6
687
38
ja
A. werkplaats (ca. 800 m2) A01
17-5-2021 2
B. spuitcabine (2x) (ca. 200 m ) B01
17-5-2021 2
C. wasplaats (<100 m ) C01
17-5-2021
E. overig terreindeel (421 m2) E01
17-5-2021
F. bovengrondse opslag olie en afgewerkte olie (in lekbak) (9 m 2) F01
17-5-2021
1,20 - 2,20
0,62
Tijdens de bemonstering van het grondwater hebben zich de volgende afwijkingen op de NEN5744 voorgedaan: •
de troebelheid van het grondwater is in peilbuis A01, E01 en F01 hoger dan 10 ntu. Hierdoor kunnen concentraties van organische parameters hoger uitvallen;
•
peilbuizen A01 en F01 zijn belucht bemonsterd. Hierdoor kunnen concentraties van vluchtige verbindingen lager uitvallen. Concentraties zware metalen kunnen juist hoger uitvallen.
Bij de interpretatie van de analyseresultaten van het grondwater wordt met de afwijkingen rekening gehouden. De betrouwbaarheid van de analyseresultaten wordt in hoofdstuk 5 besproken.
3.2.4
Analyses
De grond- en grondwatermonsters zijn volgens de volgende tabellen geanalyseerd. Tabel 3.5: geanalyseerde monsters (grond) monster-
traject
code
(m-mv)
deelmonsters
analyses 1)
toelichting
A. werkplaats (ca. 800 m2) MMA01
0,05 - 0,50
A01 (0,20 - 0,50), A02 (0,20 - 0,50),
NEN-g
A04 (0,05 - 0,50), A05 (0,05 - 0,25) A01-6
1,10 - 1,30
A01 (1,10 - 1,30)
verdachte laag, zintuiglijk schone bovengrond (zand)
tsp, H
steekbus nabij grondwaterstand, zintuiglijk schone ondergrond (klei)
B. spuitcabine (2x) (ca. 200 m2) MMB01
0,05 - 0,50
B01 (0,05 - 0,40), B02 (0,05 - 0,50),
NEN-g
B03 (0,05 - 0,50), B04 (0,05 - 0,50) B01-6
0,80 - 1,00
B01 (0,80 - 1,00)
verdachte laag, onder afzuiging, zintuiglijk schone bovengrond (zand)
tsp, H
steekbus nabij grondwaterstand, zintuiglijk schone ondergrond (klei)
2
C. wasplaats (<100 m ) MMC01
0,05 - 0,55
C01 (0,05 - 0,55), C02 (0,05 - 0,50),
NEN-g
C03 (0,05 - 0,50) C01-7
1,10 - 1,30
C01 (1,10 - 1,30)
verdachte laag, zintuiglijk schone bovengrond (zand)
tsp, H
steekbus nabij grondwaterstand, zintuiglijk schone ondergrond (zand)
D. voormalige watergang (1 st.) MMD01
0,50 - 1,50
D02 (0,60 - 0,80), D03 (0,50 - 1,00), D03 (1,00 - 1,50)
NEN-g
sporen tot zwak puinhoudende ondergrond (zand)
pagina 13 van 29
documentkenmerk: 2104/008/BU-01 + 2109/193/SF-01, versie A
Tabel 3.5 (vervolg): geanalyseerde monsters (grond) monster-
traject
code
(m-mv)
analyses 1)
deelmonsters
toelichting
E. overig terreindeel (421 m2) MME01
0,15 - 0,50
E01 (0,15 - 0,50), E02 (0,25 - 0,50),
NEN-g
sporen puin, bovengrond (klei)
NEN-g
zintuiglijk schone bovengrond (zand)
NEN-g
zintuiglijk schone ondergrond (veen)
NEN-g
zintuiglijk schone ondergrond (klei)
NEN-g
matig koolhoudende ondergrond (zand)
F01 (0,20 - 0,50) MME02
0,05 - 0,35
E01 (0,05 - 0,15), E02 (0,05 - 0,25), E04 (0,05 - 0,35), E06 (0,08 - 0,35)
MME03
1,70 - 2,20
A01 (2,00 - 2,20), B04 (1,80 - 2,00), E01 (1,70 - 2,20), F01 (2,00 - 2,20)
MME04
0,50 - 1,50
A01 (1,00 - 1,50), A02 (1,00 - 1,50), E01 (0,80 - 1,30), E06 (0,50 - 1,00)
E05-2
0,40 - 0,70
E05 (0,40 - 0,70)
F. bovengrondse opslag olie en afgewerkte olie (in lekbak) (9 m 2) F01-8
1,00 - 1,20
F01 (1,00 - 1,20)
m.o., H
zintuiglijk schone ondergrond (klei)
G. gehele locatie (1.521 m2) MMPFAS01
0,05 - 0,50
A01 (0,20 - 0,50), B01 (0,05 - 0,40),
PFAS (30), H
bovengrond (zand)
PFAS (30), H
ondergrond (klei)
E02 (0,05 - 0,25), E06 (0,08 - 0,35) MMPFAS02
0,50 - 1,50
A01 (1,00 - 1,50), B01 (0,80 - 1,30), E02 (0,50 - 1,00), E06 (0,50 - 1,00)
Aanvullende boringen voor vaststellen omvang asbestverdachte laag 103-4
0,70 - 0,80
103 (0,70 - 0,80)
NEN-g
zwak puinhoudende ondergrond (klei)
Opmerkingen bij de tabel: 1)
verklaring analyses: NEN-g
:
pakket NEN 5740 voor grondparameters (organische stof en lutum, 9 metalen, PAK, PCB en
m.o.
:
minerale olie;
tsp
:
tankstationpakket (aromatische koolwaterstoffen en naftaleen, minerale olie vluchtig (C6-C9) en
PFAS (30)
:
H
:
minerale olie);
minerale olie (C10-C40)); uitgebreid analysepakket met 30 perfluorverbindingen volgens de advieslijst d.d. 12 juli 2019 van het Tijdelijk handelingskader; humus.
Tabel 3.6: geanalyseerde monsters (grondwater) monster-
peilbuis-
filtertraject
code
nummer
(m-mv)
analyses 1)
motivatie
A. werkplaats (ca. 800 m2) A01-1-1
A01
1,20 - 2,20
NEN-gw
onderzoek grondwater
1,20 - 2,20
tsp, p.o., alcoholen
onderzoek grondwater
1,20 - 2,20
tsp, detergenten
onderzoek grondwater
1,50 - 2,50
NEN-gw
onderzoek grondwater
2
B. spuitcabine (2x) (ca. 200 m ) B01-1-1
B01 2
C. wasplaats (<100 m ) C01-1-1
C01
E. overig terreindeel (421 m2) E01-1-1
E01
F. bovengrondse opslag olie en afgewerkte olie (in lekbak) (9 m2) F01-1-1
F01
1,20 - 2,20
tsp
onderzoek grondwater
Opmerkingen bij de tabel: 1)
verklaring analyses: NEN-gw
:
tsp
:
detergenten
:
pakket NEN 5740 voor grondwaterparameters (9 metalen, vluchtige aromatische koolwaterstoffen en naftaleen, vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen en minerale olie); tankstationpakket (aromatische koolwaterstoffen en naftaleen, minerale olie vluchtig (C6-C9) en minerale olie (C10-C40)); an-, kat-, non ionische detergenten;
pagina 14 van 29
documentkenmerk: 2104/008/BU-01 + 2109/193/SF-01, versie A
p.o.
:
alcoholen
:
polaire oplosmiddelen (1,4-dioxaan, aceton, acetonitril, diethylether, methylethylketon, methylisobutylketon, tetrahydrofuran); butanol, ethanol, iso-butanol, iso-propanol, methanol, n-propanol, sec-butanol, t-butanol.
3.3 Analyseresultaten 3.3.1 Toetsingskader(s) De analyseresultaten van de grond en/of grondwatermonsters zijn vergeleken met de momenteel geldende toetsingskader(s). De analyseresultaten voor PFAS wordt tevens getoetst aan het landelijk beleid. Voor een nadere toelichting op de gehanteerde toetsingskaders wordt verwezen naar bijlage 7. In de volgende tabel(len) is weergegeven op welke wijze de mate van verontreiniging na toetsing van de analyseresultaten aan de normen uit de Wet bodembescherming (Wbb) en Besluit bodemkwaliteit (Bbk) in het rapport wordt weergegeven. Tabel 3.7: aanduiding mate van verontreiniging volgens Wbb aanduiding in rapport
betekenis voor grond
-
=
niet verontreinigd
De toetsingswaarden worden niet overschreden.
betekenis voor grondwater
>AW of >S
=
licht verontreinigd
Het aangetoonde gehalte ligt tussen de
Het aangetoonde gehalte ligt tussen de
achtergrond- en tussenwaarde.
streef- en tussenwaarde.
>T
=
matig verontreinigd
Het aangetoonde gehalte ligt tussen de tussen- en interventiewaarde.
>I
=
sterk verontreinigd
Het aangetoonde gehalte ligt boven de interventiewaarde.
Tabel 3.8: aanduiding bodemkwaliteitsklasse volgens Bbk aanduiding in rapport
betekenis
achtergrondwaarde (AW)
Grond kan vrij worden toegepast bij elke bodemfunctie en elke bodemkwaliteit.
wonen (Wo)
Grond kan binnen het algemene generieke toetsingskader worden toegepast bij de bodemfuncties en bodemkwaliteiten "wonen" of "industrie".
industrie (Ind)
Grond kan binnen het algemene generieke toetsingskader enkel worden toegepast bij de bodemfunctie en bodemkwaliteit "industrie".
niet-toepasbaar (NT)
Grond kan elders niet worden toegepast. Indien deze grond vrijkomt moet deze worden afgevoerd naar een erkende verwerker.
3.3.2
Grond
De analyseresultaten van de grondmonsters zijn weergegeven in bijlage 4. De toetsingsresultaten zijn weergegeven in bijlage 8. Een samenvatting is weergegeven in de volgende tabel(len). Tabel 3.9: samenvatting toetsingsresultaten grond monster-
traject
code
(m-mv)
deelmonsters
motivatie
toetsingsresultaten Wbb 1)
indicatie Bbk 2)
> AW
>T
>I
PCB
-
-
A. werkplaats (ca. 800 m2) MMA01
0,05 - 0,50
A01 (0,20 - 0,50),
verdachte laag, zintuiglijk schone
A02 (0,20 - 0,50),
bovengrond (zand)
Ind
A04 (0,05 - 0,50), A05 (0,05 - 0,25)
pagina 15 van 29
documentkenmerk: 2104/008/BU-01 + 2109/193/SF-01, versie A
Tabel 3.9 (vervolg): samenvatting toetsingsresultaten grond monster-
traject
code
(m-mv)
deelmonsters
motivatie
toetsingsresultaten Wbb 1)
indicatie Bbk 2)
> AW
>T
>I
-
-
-
AW
-
-
-
AW
-
-
-
AW
-
-
-
AW
-
-
-
AW
-
-
-
AW
sporen puin, bovengrond (klei)
zink, PAK
-
-
Ind
zintuiglijk schone bovengrond (zand)
-
-
-
AW
zintuiglijk schone ondergrond (veen)
PCB,
-
-
Wo
PCB, nikkel, -
-
Ind
-
-
NT
-
-
-
AW
kwik, lood,
-
-
Ind
A. werkplaats (ca. 800 m2) A01-6
1,10 - 1,30
A01 (1,10 - 1,30)
steekbus nabij grondwaterstand, zintuiglijk schone ondergrond (klei)
B. spuitcabine (2x) (ca. 200 m2) MMB01
0,05 - 0,50
B01 (0,05 - 0,40),
verdachte laag, onder afzuiging,
B02 (0,05 - 0,50),
zintuiglijk schone bovengrond (zand)
B03 (0,05 - 0,50), B04 (0,05 - 0,50) B01-6
0,80 - 1,00
B01 (0,80 - 1,00)
steekbus nabij grondwaterstand, zintuiglijk schone ondergrond (klei)
C. wasplaats (<100 m2) MMC01
0,05 - 0,55
C01 (0,05 - 0,55),
verdachte laag, zintuiglijk schone
C02 (0,05 - 0,50),
bovengrond (zand)
C03 (0,05 - 0,50) C01-7
1,10 - 1,30
C01 (1,10 - 1,30)
steekbus nabij grondwaterstand, zintuiglijk schone ondergrond (zand)
D. voormalige watergang (1 st.) MMD01
0,50 - 1,50
D02 (0,60 - 0,80),
sporen tot zwak puinhoudende
D03 (0,50 - 1,00),
ondergrond (zand)
D03 (1,00 - 1,50) E. overig terreindeel (421 m2) MME01
0,15 - 0,50
E01 (0,15 - 0,50), E02 (0,25 - 0,50), F01 (0,20 - 0,50)
MME02
0,05 - 0,35
E01 (0,05 - 0,15), E02 (0,05 - 0,25), E04 (0,05 - 0,35), E06 (0,08 - 0,35)
MME03
1,70 - 2,20
A01 (2,00 - 2,20), B04 (1,80 - 2,00),
molybdeen
E01 (1,70 - 2,20),
PAK
F01 (2,00 - 2,20) MME04
0,50 - 1,50
A01 (1,00 - 1,50),
zintuiglijk schone ondergrond (klei)
A02 (1,00 - 1,50),
zink,
E01 (0,80 - 1,30),
cadmium
E06 (0,50 - 1,00) E05-2
0,40 - 0,70
E05 (0,40 - 0,70)
matig koolhoudende ondergrond
PCB, m.o.,
(zand)
zink, PAK
F. bovengrondse opslag olie en afgewerkte olie (in lekbak) (9 m 2) F01-8
1,00 - 1,20
F01 (1,00 - 1,20)
zintuiglijk schone ondergrond (klei)
Aanvullende boringen voor vaststellen omvang asbestverdachte laag 103-4
0,70 - 0,80
103 (0,70 - 0,80)
zwak puinhoudende ondergrond (klei)
PAK Opmerkingen bij de tabel: 1)
2)
verklaring afkortingen: m.o.
:
minerale olie;
PAK
:
polycyclische aromatische koolwaterstoffen;
PCB
:
Polychloorbifenylen.
de toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit betreft een indicatie van de hergebruiksmogelijkheden.
pagina 16 van 29
documentkenmerk: 2104/008/BU-01 + 2109/193/SF-01, versie A
Tabel 3.10: samenvatting toetsingsresultaten PFAS (landelijk) meng-
motivatie
monster
traject
analyseresultaten PFAS
(m-mv)
gestandaardiseerd gehalte (μg/kg d.s.) PFOS (som)
classificatie
PFOA (som)
overige PFAS
G. gehele locatie (1.521 m2) MMPFAS01 bovengrond (zand)
0,05 - 0,50
< 0,1
0,21
< 0,1
landbouw/natuur
MMPFAS02
0,50 - 1,50
< 0,1
< 0,1
< 0,1
landbouw/natuur
ondergrond (klei)
Toetsing risico’s PFOA en PFOS Na vergelijking van de analyseresultaten met de risicogrenswaarden van het RIVM blijkt dat in géén van de onderzochte grondmonsters de humane risicogrenzen voor PFOA of PFOS in grond en grondwater (scenario ‘wonen met tuin’) worden overschreden.
3.3.3 Grondwater De analyseresultaten van de grondwatermonsters zijn weergegeven in bijlage 5. De toetsingsresultaten zijn weergegeven in bijlage 9. Een samenvatting is weergegeven in de volgende tabel. Tabel 3.11: samenvatting toetsingsresultaten grondwater peilbuis-
monster-
nummer
code
filtertraject motivatie (m-mv)
toetsingsresultaten Wbb >S
>T
>I
A. werkplaats (ca. 800 m2) A01-1-1
A01
1,20 - 2,20
onderzoek grondwater
cis + trans-1,2-dichlooretheen barium
-
1,20 - 2,20
onderzoek grondwater
- 2)
-
-
1,20 - 2,20
onderzoek grondwater
-
-
-
onderzoek grondwater
barium
-
-
-
-
B. spuitcabine (2x) (ca. 200 m2) B01-1-1
B01 2
C. wasplaats (<100 m ) C01-1-1
C01
2
E. overig terreindeel (421 m ) E01-1-1
E01
1,50 - 2,50
F. bovengrondse opslag olie en afgewerkte olie (in lekbak) (9 m 2) F01-1-1
F01
1,20 - 2,20
onderzoek grondwater
# 1)
Opmerkingen bij de tabel: 1)
# de rapportagegrens voor naftaleen is verhoogd door matrixeffecten, resp. co-elutie waardoor een kwantificering bemoeilijkt wordt, hierdoor wordt deze als licht verontreinigd geclassificeerd. Er is echter geen sprake van een overschrijding van de rapportagegrens.
2)
de rapportagegrens voor hydrafuran is hoger dan de streefwaarde. Er is echter geen hydrafuran of overige alcoholen en oplosmiddelen aangetoond.
Vanwege de verhoogde troebelheid in de peilbuizen A01, E01 en F01 en het belucht bemonsteren van het grondwater van peilbuis A01 en F01, is aan de hand van de verwachtingen volgens het vooronderzoek, de overige waarnemingen tijdens de uitvoering van het veldwerk en de overige analyseresultaten beoordeeld of de resultaten in het totale beeld van het onderzoek passen. Dit is wel het geval. Er is slechts sprake van beperkte verhogingen van de troebelheid, daarbij is er geen relatie tussen de mate van verontreiniging en de mate van troebelheid. Ook zorgt een verhoogde troebelheid voor een overschatting van de organische parameters. De resultaten zijn echter overeenkomstig de verwachting. Derhalve wordt niet verwacht dat de troebelheid dermate van invloed is geweest op de resultaten, dat dit de betrouwbaarheid beïnvloed. Voor de beluchte peilbuizen geldt dat deze het gevolg zijn van de slecht doorlatende laag. In géén van de
pagina 17 van 29
documentkenmerk: 2104/008/BU-01 + 2109/193/SF-01, versie A
grondwatermonsters is minerale olie aangetoond, ook in de grond zijn geen minerale olie of vluchtige aromaten aangetoond. Er is daarmee geen aanleiding vluchtige aromaten in het grondwater te verwachten. Derhalve zijn de resultaten als betrouwbaar beoordeeld.
pagina 18 van 29
documentkenmerk: 2104/008/BU-01 + 2109/193/SF-01, versie A
4. Verkennend- nader asbestonderzoek 4.1 Onderzoeksstrategie verkennend onderzoek Het verkennend asbestonderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5707+C2 (december 2017). De te volgen strategie is weergegeven in de volgende tabel. Tabel 4.1: strategie verkennend asbestonderzoek strategie 1)
veldwerkzaamheden maaiveldinspectie
inspectiegaten
analyses inspectiegaten
(0,3 x 0,3 m,
tot onderzijde
0,5 m-mv)
verdachte laag 2)
3
1
1 x asbest in grond
comb. boringen VO
-
1 x asbest in grond
puinhoudende bovengrond (ca. 420 m2) VED-HE
2 richtingen, stroken 1,5 m
puinhoudende ondergrond VED-HE indicatief
-
Opmerkingen bij de tabel: 1)
verklaring strategie: VED-HE
:
VED-HE
:
onderzoeksstrategie voor een verdachte locatie, diffuse bodembelasting, heterogeen verdeelde verontreiniging op schaal van monsterneming;
indicatief
gezien de diepte van voorkomen (>0,5 m-mv), is het technisch niet mogelijk gaten te graven tot de verdachte laag. Derhalve wordt de puinhoudende ondergrond conform de NEN 5707 indicatief bemonsterd (boordiameter 12 cm). Hierbij wordt gebruik gemaakt van de boorgaten van het verkennend bodemonderzoek.
2)
de gaten worden uitgevoerd tot aan de onderzijde van de verdachte laag met een maximum van 2 meter. Indien blijkt dat vanaf een bepaalde diepte het graven van gaten niet meer mogelijk is, worden boringen uitgevoerd met een diameter van tenminste 12 cm.
De analyses worden door een geaccrediteerd laboratorium uitgevoerd.
4.2 Onderzoeksstrategie nader onderzoek Bij het verkennend onderzoek is in het indicatieve mengmonster van de puinhoudende zandige ondergrond van boring D02 en D03 (ter plaatse van de voormalige watergang), in het traject 0,501,50 m-mv asbest aangetoond met een indicatief gewogen gehalte van 4 mg/kg d.s. Omdat sprake is van een indicatief monster waarbij asbest is aangetoond, dient deze bodemlaag als verdacht te worden beschouwd op het voorkomen van asbest. Omdat het technisch niet mogelijk is handmatig gaten van 30x30cm te graven tot in de verdachte laag, is direct een nader onderzoek uitgevoerd. Dit om vast te stellen of sprake is van een bodemverontreiniging met asbest. Een overzicht van de te verrichten werkzaamheden is weergegeven in de navolgende tabel.
pagina 19 van 29
documentkenmerk: 2104/008/BU-01 + 2109/193/SF-01, versie A
Tabel 4.2: strategie nader asbestonderzoek strategie 1)
aantal
motivatie
te
sleuven
inspectiegaten
onderzoeken
(l x b x d)
incl. betonboring
laag (m-mv)
analyses
(diameter)
nader asbestonderzoek (D02 en D03) per vak
1 vak
vaststellen gehalte in
0,5 - 1,5
1 x (2,0 x 0,3 x 2,0)
-
1 x asbest in grond
de kern
1 x asbest verzamelmonster
verticale afperking
1 x asbest in grond
aanvullend nader asbestonderzoek (AG01 en AG02) per vak
1 vak
vaststellen horizontale
0,5 - 1,0
-
2 x (35 cm) 2)
1 x asbest in grond
verspreiding (onder bebouwing) Opmerkingen bij de tabel: 1)
verklaring strategie: per vak
2)
:
vaststellen van het gehalte van de verontreiniging per homogeen vak van 50 m 2 tot 200 m2.
gezien dit vak inpandig is gelegen is het graven van een sleuf niet mogelijk. Derhalve is deze sleuf, conform de NEN 5707, vervangen voor 2 inspectiegaten.
De analyses worden door een geaccrediteerd laboratorium uitgevoerd. Naar aanleiding van de aangetoonde bodemverontreiniging met asbest zijn aanvullende boringen en gaten geplaatst om vast te stellen wat de verspreiding is van de verdachte laag. De zintuiglijke waarnemingen zijn verwerkt in de volgende paragrafen.
4.3 Uitvoering 4.3.1 Kwalibo Op de veldwerkzaamheden is het Besluit bodemkwaliteit van toepassing. Onder de naam Kwalibo regelt het Besluit de kwaliteitsborging in het bodembeheer. Voor dit onderzoek zijn de werkzaamheden uitgevoerd onder certificaat op grond van BRL SIKB 2000 (versie 6.0, 1 februari 2018) conform protocol 2018 (versie 6.0, 1 februari 2018) van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer. In de navolgende tabel zijn de namen weergegeven van de erkende veldwerkers, die voor onderhavig onderzoek het veldwerk hebben uitgevoerd. Tabel 4.3: erkende veldwerkers Tritium Advies veldwerker
datum uitvoering
nummers
17 mei 2021
maaiveld
Martin Hoskens
17 mei 2021
AGE01, AGE02, AGE05 en AGF01
Bryan Hofman
08juni 2021
Sl01
Dorus Straatman
25 juni 2021
AG103, (AG)D01
maaiveldinspectie Martin Hoskens inspectiegaten en sleuven (protocol 2018)
Victor Loderus
11 oktober 2021
AG01, AG02
pagina 20 van 29
documentkenmerk: 2104/008/BU-01 + 2109/193/SF-01, versie A
Conform BRL-SIKB 2000 zijn de veldwerkzaamheden getoetst op partijdigheid. De uitvoerder van het veldwerk voor milieuhygiënisch bodemonderzoek heeft geen binding met de opdrachtgever en de onderzoekslocatie anders dan als dat van een onafhankelijk onderzoeksbureau.
4.3.2 Maaiveldinspectie Tijdens de maaiveldinspectie zijn geen asbestverdachte materialen waargenomen op het maaiveld. Gezien de conditie van het maaiveld (vrijwel volledig verhard), wordt de inspectie-efficiëntie van de locatie geschat op 90-100%.
4.3.3 Inspectiegaten en boorwerk De locaties van de inspectiegaten en boringen zijn weergegeven in bijlage 2. Tijdens de uitvoering van het veldwerk deden zich geen belemmeringen of bijzonderheden voor. De bij de werkzaamheden vrijkomende grond is in het veld zintuiglijk beoordeeld. Hierbij zijn de in de volgende tabel weergegeven waarnemingen gedaan die duiden op een mogelijke bodemverontreiniging met asbest. De bodemvreemde bijmengingen van het indicatieve onderzoek naar de ondergrond, gecombineerd met de boringen, zijn weergegeven in hoofdstuk 3, tabel 3.4. Voor de bodemopbouw wordt verwezen naar de profielbeschrijvingen in bijlage 3. Tabel 4.4: waarnemingen en bijzonderheden inspectiegat
traject
of boring
(m-mv)
asbestverdacht materiaal 1)
overige waarnemingen en bijzonderheden
einddiepte (m-mv)
puinhoudende bovengrond (ca. 420 m2) AgE01
0,15 - 0,50
-
sporen puin
0,50
AgE02
0,25 - 0,50
-
sporen puin
0,50
AgE05
0,40 - 0,70
-
matig koolhoudend
0,70
AgF01
0,20 - 0,50
-
sporen puin
0,50
uiterst puinhoudend
1,10
nader asbestonderzoek (D02 en D03) SL01
0,50 - 0,85
12st. 334 gram
Opmerkingen bij de tabel: 1)
dit betreft het gewicht van de aangetroffen materialen zoals gemeten in het veld. De gewogen materialen zijn niet gedroogd, waardoor de vermelde gewichten kunnen afwijken van de analysecertificaten.
pagina 21 van 29
documentkenmerk: 2104/008/BU-01 + 2109/193/SF-01, versie A
4.3.4 Analyses De monsters zijn volgens de volgende tabel geanalyseerd. Tabel 4.5: geanalyseerde monsters vindplaats of
monster-
inspectiegat
code
traject
analyses
toelichting
(m-mv) 1)
puinhoudende bovengrond (ca. 420 m2) AgE01, AgE02,
Mmasb02
0,30 - 0,50
asbest in grond
puinhoudende bovengrond (klei)
0,50 - 1,00
asbest in grond
puinhoudende ondergrond (zand)
vaststellen gehalte kern
AgF01 puinhoudende ondergrond D02 en D03
Mmasb01-1
nader asbestonderzoek (D02 en D03) SL01
SL01-1
0,50 - 0,85
asbest in grond
SL01_avm
0,50 - 0,85
asbest verzamelmonster
SL01-2
0,85 - 1,10
asbest in grond
verticale afperking (onderzijde)
asbest in grond
vaststellen horizontale verspreiding (onder
aanvullend nader asbestonderzoek (AG01 en AG02) AG01, AG02
asbmm01
0,50 - 2,00
bebouwing) Opmerkingen bij de tabel: 1)
in geval er sprake is van een monster dat samengesteld is uit deelmonsters, betreft het aangegeven traject de minimale en maximale diepte van de deelmonsters in het betreffende mengmonster.
4.4 Analyseresultaten 4.4.1 Toetsingskader De analyseresultaten van de grond worden vergeleken met de toetsingstabel 'Streefwaarden grondwater en interventiewaarden grond en grondwater' uit de circulaire bodemsanering (Nederlandse Staatscourant, nr. 16675, 27 juni 2013). De interventiewaarde voor asbest is vastgesteld op 100 mg/kg d.s. gewogen asbest. Analyseresultaten van puinmonsters (indien van toepassing) worden vergeleken met bijlage A van de Regeling bodemkwaliteit (Nederlandse Staatscourant, nr. 247, 20 december 2007 en de daaropvolgende wijzigingen). De maximale waarde voor hergebruik van puin met asbest is eveneens vastgesteld op 100 mg/kg d.s. gewogen asbest. Een toelichting op het toetsingskader is weergegeven in bijlage 7.
pagina 22 van 29
documentkenmerk: 2104/008/BU-01 + 2109/193/SF-01, versie A
4.4.2 Analyseresultaten De analyseresultaten zijn weergegeven in bijlage 6. De omrekening van de analyseresultaten van het asbesthoudende materiaal naar een gehalte in de bodem is weergegeven in bijlage 10. De berekening van de totale gewogen gehalte asbest is weergegeven in de volgende tabel. Tabel 4.6: berekening gewogen gehalte vindplaats of
traject
monster-
inspectiegat
(m-mv)
code
omschrijving
gehalte asbest (mg/kg d.s.) fractie
fractie
totaal
< 20 mm
> 20 mm 1)
gewogen 3)
13
n.a.
13 2)
4
n.a.
4 4)
vaststellen gehalte kern
<2
250
250
verticale afperking
<2
n.a.
<2
30
n.a.
30
puinhoudende bovengrond (ca. 420 m2) AgE01, AgE02,
0,30 - 0,50
Mmasb02
AgF01
puinhoudende bovengrond (klei)
puinhoudende ondergrond D02 en D03
0,50 - 1,00
Mmasb01-1
puinhoudende ondergrond (zand)
nader asbestonderzoek (D02 en D03) SL01
0,50 - 0,85
SL01-1 en SL01_avm
0,85 - 1,10
SL01-2
(onderzijde) aanvullend nader asbestonderzoek (AG01 en AG02) AG01, AG02
0,50 - 2,00
asbmm01
vaststellen horizontale verspreiding (onder bebouwing)
Opmerkingen bij de tabel: 1)
gehaltes asbest berekend uit het gehalte in het materiaal en het bemonsterde bodemvolume.
2)
dit gehalte is bepaald op basis van een verkennend onderzoek en betreft derhalve een indicatieve waarde.
3)
de vet weergegeven gehaltes betreffen een overschrijding van de interventiewaarde (>I).
4)
dit gehalte is bepaald op basis van een indicatief onderzoek (edelmanboor ø12cm) met minder dan de voorgeschreven hoeveelheid monstermateriaal. Derhalve wordt alleen een uitspraak gedaan over de verdachtheid van de bodem op het voorkomen van asbest.
n.a.:
niet aangetroffen.
4.5 Bespreking afperkende boringen Naar aanleiding van de aangetoonde bodemverontreiniging met asbest, zijn in overleg met de opdrachtgever aanvullende boringen geplaatst om vast te stellen wat de verspreiding is van de verdachte laag. Dit om risico’s voor de aankoop te verkleinen. De verdachte laag betreft de puin- en baksteenhoudende bodemlaag. Ter plaatse van boring/gat 103 is deze laag aangetroffen. Voor het overige zijn in de boringen geen bijmengingen waargenomen. Ook in de openbare weg (104) en onder de bebouwing (AG01 en AG02) is geen bijmenging met puin of baksteen waargenomen. Ter verificatie van de bijmengingen zoals die zijn aangetroffen in de boringen, zijn enkele boringen ook na gegraven, om er zeker van te zijn dat er niet langs het puin geboord is. De waarnemingen van de boringen werden bevestigd.
pagina 23 van 29
documentkenmerk: 2104/008/BU-01 + 2109/193/SF-01, versie A
4.6 Verontreinigingssituatie Omdat op de locatie meer dan 100 mg/kg d.s. asbest is aangetoond, is er sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging met asbest. De verontreiniging is aanwezig in de puinhoudende laag in het traject 0,50 - 0,85 m-mv en te relateren aan de grove fractie (>20 mm). Op basis van de huidige zintuiglijke waarnemingen wordt verwacht dat de strook aan de voorzijde van het pand over een oppervlakte van circa 100 m 2 heterogeen verontreinigd is met asbest met een laagdikte van 0,35 meter. De omvang van de verontreiniging wordt derhalve geraamd op 35 m3. Door de eigenaar is verder aangegeven dat de strook tegen de gevel een jaar of 8 geleden is opgehoogd (door de gemeente/ of in samenwerking met de gemeente). Dit omdat het water van de straat afliep naar de garage waarbij ze door de plassen de auto’s niet naar buiten konden krijgen. Het lijkt erop dat dit de zintuiglijk schone laag betreft en dat de puinhoudende laag dus eigenlijk het voorgaande maaiveld betreft. Mogelijk betreft het dus een fundatie die aanwezig was onder de oude verharding. Derhalve kan worden aangenomen dat de verontreiniging vóór 1 juli 1993 is veroorzaakt en daarmee ‘historisch’ is in de zin van de Wet Bodembescherming (Wbb).
4.7 Risicobeoordeling In de Circulaire bodemsanering (1 juli 2013) is het criterium uitgewerkt waarmee wordt vastgesteld of een spoedige sanering van een bodemverontreiniging noodzakelijk is. Voor asbest is het criterium alleen van toepassing op verontreinigingen die voor 1 juli 1993 zijn ontstaan. Als een geval van ernstige verontreiniging is vastgesteld dan is er sprake van een potentieel risico dat aanleiding geeft tot een vorm van saneren of beheren. Voor deze gevallen moet bepaald worden of er sprake is van onaanvaardbare risico’s bij het huidige of toekomstig gebruik zodat er spoedig moet worden gesaneerd. Of er sprake is van onaanvaardbare risico’s wordt bepaald volgens het “Milieuhygiënisch Saneringscriterium Bodem, protocol asbest” (bijlage 3 van de Circulaire bodemsanering). Het protocol bestaat uit 3 stappen: •
stap 1 :
vaststellen geval van ernstige verontreiniging;
•
stap 2 :
standaard risicobeoordeling;
•
stap 3 :
locatiespecifieke risicobeoordeling.
De criteria voor de toetsing of er sprake is van onaanvaardbare risico’s en resultaat van de risicobeoordeling zijn weergegeven in de navolgende tabel.
pagina 24 van 29
documentkenmerk: 2104/008/BU-01 + 2109/193/SF-01, versie A
Tabel 4.7: risicobeoordeling asbestverontreiniging. onderdeel
antwoord
motivatie
ja
zie tabel 4.6
nee
de verontreiniging is aanwezig onder het
Stap 1: vaststellen geval van ernstige verontreiniging 1.1
gehalte gewogen asbest in de bodem hoger dan 100 mg/kg d.s. en de zorgplicht is niet van toepassing?
Stap 2: standaard risicobeoordeling 2.1
contact mogelijk met de asbestverontreiniging (afdekking, vegetatie, actuele contactzone)
trottoir vanaf 0,5 m-mv.
2.2
concentratie hechtgebonden asbest >1000 mg/kg d.s.?