Bijlage 1b - Bijlagen bij de Toelichting Voorontwerp Verzamelplan Pijnacker-Nootdorp 2021-2022
Tekst van het document
voorontwerp | bestemmingsplan Verzamelplan Pijnacker-Nootdorp 2021/2022
gemeente Pijnacker-Nootdorp status: voorontwerp datum: 30 maart 2021 IMRO-IDN: NL.IMRO.1926.bp000210132-2001
Opgesteld door: Jessica Ocké (Juust BV)
od205 | bestemmingsplan Verzamelplan Pijnacker-Nootdorp 2021/2022
Inhoudsopgave Bijlagen bij de toelichting
5
Bijlage 1 Nota van Beantwoording inspraak- en overlegreacties voorontwerpbestemmingsplan 'Verzamelplan Pijnacker-Nootdorp 2021/2022
7
Bijlage 2
Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62, Nootdorp
9
Bijlage 3
Quickscan natuur locatie D
59
Bijlage 4
Vleermuisonderzoek locatie D
83
3
gemeente Pijnacker-Nootdorp
4
od205 | bestemmingsplan Verzamelplan Pijnacker-Nootdorp 2021/2022
Bijlagen bij de toelichting
5
gemeente Pijnacker-Nootdorp
6
od205 | bestemmingsplan Verzamelplan Pijnacker-Nootdorp 2021/2022
Bijlage 1 Nota van Beantwoording inspraak- en overlegreacties voorontwerpbestemmingsplan 'Verzamelplan Pijnacker-Nootdorp 2021/2022
7
gemeente Pijnacker-Nootdorp
8
od205 | bestemmingsplan Verzamelplan Pijnacker-Nootdorp 2021/2022
Bijlage 2 Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62, Nootdorp
9
Ruimtelijke onderbouwing
Gemeente xx Oudeweg 62 te Nootdorp
Titel - straat+plaats
0
Colofon
Gemeente
Pijnacker-Nootdorp
Planlocatie
Oudeweg 62 2631 PB Nootdorp
Datum
24-3-2021
Status
Concept
Opgesteld door
Van Dun Ontwerp & Planologie Dorpsstraat 54 5113 TE Ulicoten T. 013 519 94 58 Postel 8 5711 ET Someren T. 0493 745 015 E. info@ontwerp-planologie.nl I. www.ontwerp-planologie.nl
Auteur
Rosa Daamen
Projectleider
Martijn Gerards
Projectnummer
17085.010
Inhoudsopgave 1. Inleiding ........................................................................................................... 5 1.1.
Aanleiding en doel ............................................................................................. 5
1.2.
Ligging plangebied ............................................................................................ 5
1.3.
Geldend planologisch regime .............................................................................. 6
1.4.
Procedure ......................................................................................................... 7
1.5.
Leeswijzer ........................................................................................................ 7
2. Planbeschrijving ............................................................................................... 8 2.1.
Bestaande situatie ............................................................................................. 8
2.2.
Beoogde situatie ............................................................................................. 10
3. Beleidskader ................................................................................................... 12 3.1.
Rijksbeleid ...................................................................................................... 12
3.1.1. 3.1.2. 3.2.
Provinciaal beleid ............................................................................................ 14
3.2.1. 3.2.2. 3.3.
De Nationale Omgevingsvisie ..................................................................... 12 Ladder duurzame verstedelijking ................................................................ 13 Omgevingsvisie en omgevingsverordening Zuid-Holland ............................... 14 Kwaliteitskaarten ...................................................................................... 15
Gemeentelijk beleid ......................................................................................... 18
3.3.1. 3.3.2. 3.3.3.
Structuurvisie ........................................................................................... 18 Toekomstvisie en werkboek Oostland ......................................................... 18 Bestemmingsplan ..................................................................................... 19
4. Milieuhygiënische en planologische aspecten ................................................ 20 4.1.
Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling ...................................... 20
4.2.
Waterhuishouding ........................................................................................... 21
4.2.1. 4.2.2. 4.2.3. 4.3.
Natuur............................................................................................................ 24
4.3.1. 4.3.2. 4.4.
Waterrelevant beleid ................................................................................. 21 Bestaande waterhuishoudkundige situatie ................................................... 23 Beoogde waterhuishoudkundige situatie ..................................................... 23 Natuurnetwerk Nederland (NNN)................................................................ 24 Wet natuurbescherming ............................................................................ 25
Cultuurhistorie, aardkunde en archeologie ......................................................... 28
4.4.1. 4.4.2.
Cultuurhistorie en aardkunde ..................................................................... 28 Archeologie .............................................................................................. 29
4.5.
Ammoniak ...................................................................................................... 29
4.6.
Bodemkwaliteit ............................................................................................... 29
4.7.
Bedrijven en milieuzonering ............................................................................. 30
4.8.
Geur .............................................................................................................. 31
4.9.
Geluid ............................................................................................................ 33
4.10.
Verkeer en parkeren..................................................................................... 33
4.10.1. 4.10.2.
Verkeer .................................................................................................... 33 Parkeren .................................................................................................. 34
4.11.
Luchtkwaliteit .............................................................................................. 34
4.12.
Externe veiligheid......................................................................................... 36
4.12.1. 4.12.2.
Regelgeving ............................................................................................. 36 Toetsing aan beleid................................................................................... 37
4.13.
Technische infrastructuur ............................................................................. 38
4.14.
Volksgezondheid .......................................................................................... 38
5. Juridische planbeschrijving ............................................................................ 39 5.1.
Toelichting verbeelding .................................................................................... 39
5.2.
Toelichting regels ............................................................................................ 39
6. Uitvoerbaarheid .............................................................................................. 40 6.1.
Financiële uitvoerbaarheid................................................................................ 40
6.2.
Planologische afweging .................................................................................... 40
7. Bijlagen .......................................................................................................... 41
1. Inleiding In dit hoofdstuk komen de aanleiding en het doel, de ligging van het plangebied, het geldend planologisch regime en de procedure aan bod. Daarnaast is in dit hoofdstuk een leeswijzer opgenomen. 1.1. Aanleiding en doel Aan de Oudeweg 62 te Nootdorp exploiteren initiatiefnemers sinds 2004 het manegebedrijf Hippisch Centrum Nootdorp (HCN). Op de locatie worden al sinds 1954 manege activiteiten uitgeoefend. Initiatiefnemer is voornemens om het bestaande Hippisch Centrum Nootdorp aan de Oudeweg 62 te Nootdorp uit te breiden. Er zijn verschillende redenen waaruit de noodzaak van de gewenste uitbreiding blijkt: - Er is een grote vraag aan paardrijlessen en momenteel is er een lange wachtlijst voor paardrijlessen; - De huidige voorzieningen zijn overbezet, waardoor vaak de mogelijkheid ontbreekt om de rijbak te gebruiken; - De eisen van klanten en vanuit de maatschappij zijn veranderd. Klanten eisen voldoende mogelijkheden om veel gebruik te kunnen maken van de aanwezige voorzieningen en ze eisen grotere stallen. Vanuit de maatschappij is ook de wens voor een verbetering van het dierenwelzijn gegroeid, waardoor grotere paardenboxen, stapmolens en paddocks gewenst zijn. De gewenste uitbreiding zal bestaan uit een nieuw bedrijfsgebouw (circa 4.920 m²) met daarin een overdekte rijhal, paardenboxen (95 stallen) en opslagruimte.
Daarnaast wil initiatiefnemer 66 paardenboxen, een tweede overdekte stapmolen (doorsnede 15/20m), een longeercirkel (doorsnede 15/20m), paddocks (10 x 15 meter), een buitenrijbaan (wedstrijdpiste springtuin circa 3.000 m²) en een parkeerterrein aanleggen. 1.2. Ligging plangebied Het plangebied is gelegen aan de Oudeweg 62 te Nootdorp, wat is gelegen tegen de rand van Nootdorp aan. Het plangebied is kadastraal bekend als: gemeente Nootdorp, sectie C, nummers 5026, 5652, 2751, 1041 en 5824. Afbeelding 1 geeft de ligging van het plangebied in de omgeving weer.
Afbeelding 1: Ligging plangebied in de omgeving, plangebied rood omcirkeld
Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62 te Nootdorp
5
1.3. Geldend planologisch regime Het huidige planologische regime voor het plangebied is vervat in het bestemmingsplan ‘Duurzame glastuinbouwgebieden’, aldus 24-02-2011 vastgesteld. De regels en toelichting zijn gewijzigd in de bestemmingsplannen ‘1e herziening duurzame glastuinbouwgebieden’ aldus 27-10-2016 vastgesteld en ‘partiële herziening agrarische glastuinbouwbestemming,’ aldus 19-12-2019 vastgesteld. Conform dit bestemmingsplan zijn de bestemmingen en aanduidingen van toepassing op het plangebied zoals weergegeven op Afbeelding 2. Het oostelijke deel van het plangebied is gelegen binnen het bestemmingsplan ‘Verzamelplan 2012’, aldus vastgesteld 12-12-2013. De regels van dit bestemmingsplan zijn gewijzigd in het bestemmingsplan ‘paraplusbestemmingsplan implementatie standaardregels’, aldus vastgesteld d.d. 19-03-2020. Conform het bestemmingsplan ‘Verzamelplan 2012’ zijn de bestemmingen van toepassing op het plangebied zoals weergegeven op Afbeelding 3.
Afbeelding 2: Uitsnede bestemmingsplan ‘Duurzame Glastuinbouwgebieden’, plangebied rood omkaderd
Afbeelding 3: Uitsnede bestemmingsplan ‘Verzamelplan 2012’, plangebied rood omkaderd
Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62 te Nootdorp
6
De beoogde ontwikkeling is niet passend binnen de regels van het vigerende bestemmingsplan. Binnen de bestemming ‘Agrarisch-Glastuinbouw’ is het exploiteren van een manege niet toegestaan. 1.4. Procedure Voor het beoogde initiatief dient een bestemmingsplan te worden vastgesteld, conform artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Voor deze planlocatie wordt de procedure doorlopen die hoort bij het veegplan van de gemeente Pijnacker-Nootdorp. 1.5. Leeswijzer In deze ruimtelijke onderbouwing zijn in het eerste hoofdstuk een inleiding op het initiatief gegeven, waarin de aanleiding, het doel, de ligging van het plangebied, het geldend planologische regime en de te doorlopen procedure zijn beschreven. In hoofdstuk 2 worden de bestaande en beoogde situatie omschreven. Het van toepassing zijnde nationaal, provinciaal en gemeentelijk beleid wordt uiteengezet in hoofdstuk 3. Hierna worden in hoofdstuk 4 de milieuhygiënische en planologische aspecten beschreven. De juridische achtergrond van het bestemmingsplan, een toelichting op de verbeelding en een toelichting op de regels wordt gegeven in hoofdstuk 5. De financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het initiatief wordt verantwoord in hoofdstuk 6.
Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62 te Nootdorp
7
2. Planbeschrijving In dit hoofdstuk worden de bestaande en beoogde situatie beschreven. Hierin komt naar voren welke veranderingen er plaatsvinden binnen de planlocatie. 2.1. Bestaande situatie Aan de Oudeweg 62 te Nootdorp exploiteren initiatiefnemers sinds 2004 het manegebedrijf Hippisch Centrum Nootdorp (HCN). Op de locatie worden al sinds 1954 manege activiteiten uitgeoefend. Initiatiefnemer huurt het manegebedrijf en is eigenaar van diverse omliggende gronden. De manege heeft een groot klantenbestand (circa 600 klanten) en een vergunning d.d. 19 augustus 2009 voor het houden van 50 volwassen paarden, 3 paarden in opfok en 45 pony’s (Thans: melding in het kader van het Activiteitenbesluit + OBM). Daarnaast werken er 6 vaste medewerkers, 4 zzp-ers en zijn er meerdere vrijwilligers. Ongeveer de helft van de klanten komt uit Pijnacker-Nootdorp. Het overige deel komt uit de omgeving Den Haag, Rijswijk, Voorburg. De manege is aangesloten bij de FNRS (Federatie Nederlandse RuiterSport centra, de landelijke branche organisatie van paarden(sport)bedrijven) en KNHS (Koninklijke Nederlandse Hippische Sportfederatie) en beschikt over het veiligheidscertificaat Stichting Veilige Paardensport. De bebouwing die initiatiefnemer huurt is in eigendom van de verhuurder. De omliggende gronden zijn in eigendom van initiatiefnemer.
De eigendomssituatie van het plangebied is weergegeven in Afbeelding 4.
, exclusief bebouwing
Afbeelding 4: Luchtfoto eigendomssituatie plangebied
De volgende bebouwing en voorziening zijn in de huidige situatie aanwezig op de bedrijfslocatie, zie Afbeelding 5: 1. Paardenstal/overdekte uitloop/kleine rijbak/kantine 2. Buitenrijbakken 3. Voormalige bedrijfswoning 4. Buitenrijbak 5. Opslag trailers en parkeervoorzieningen 6. Longeercirkel 7. Paddocks
Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62 te Nootdorp
8
Het bouwvlak heeft in de bestaande situatie een oppervlakte van 14.550 m². De totale oppervlakte aan bedrijfsgebouwen bedraagt 3.416 m².
Afbeelding 5: Aanwezige bebouwing en voorzieningen binnen het plangebied
De bedrijfswoning is gerealiseerd in een bestaand bedrijfsgebouw (gebouw nr. 1 op Afbeelding 5). De voormalige bedrijfswoning is van het bedrijf afgescheiden en heeft een woonbestemming (gebouw nr. 3 op Afbeelding 5). Er worden veel activiteiten georganiseerd door het bedrijf en het bedrijf is derhalve een grote sociale en economische drager in de omgeving. Naast de reguliere paardrijlessen worden er wedstrijden (3x per maand), clinics (1x per maand), ponykampen, pimp my pony en pret met shet (vanaf 6 jaar), carrousel en voltige, oefencross, kinderfeestjes, sinterklaasfeesten en de Nootdorpse dressuurdagen georganiseerd. In de omgeving zijn recreatie- en bosgebieden Dobbeplas, Delftse Hout, Bieslandse Polder en de Balij gelegen, waarvan veelvuldig gebruik wordt gemaakt bij het buitenrijden. Daarnaast is aan de manege gevraagd om als erkend Natuurpoort te gaan dienen. Natuurpoorten zijn startpunten voor een prachtige fiets-, wandel- of ruitertocht in de natuur. Er zal derhalve worden bijgedragen aan een betere verbinding van de stedelijke structuur met de natuurgebieden. Het bedrijf is erg maatschappelijk betrokken. Zo is het bedrijf een professioneel opleidingsbedrijf voor BBL en BOL leerlingen voor maatschappelijke stages. Verder wordt er gewerkt met WIA herintreders, medewerkers vanuit de reclassering (200 taakstraffen per jaar) en asielzoekers.
Ook wordt paardrijles mogelijk gemaakt voor mensen met een beperking en biedt het bedrijf sport aan voor militairen en andere medewerkers van defensie. Hippisch Centrum Nootdorp ondersteunt initiatiefnemers bij lokale evenementen zoals de Nootdorpse draverij. Ook zorgt het bedrijf zo’n 35x per jaar voor een paard bij evenementen, zoals de begeleiding tijdens het sinterklaasfeest. Momenteel is er voor paardrijlessen een wachtlijst van circa 90 personen, die gemiddeld vier maanden moeten wachten. De binnenrijbak is te druk bezet, zo’n 8 uur op maandag, dinsdag en donderdag, zo’n 9 uur op woensdag en vrijdag en op zaterdag zo’n 10 uur per dag. Dit zorgt ervoor dat er
Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62 te Nootdorp
9
beperkte mogelijkheden zijn voor de pensionklanten om binnen te rijden. De eisen van klanten ten aanzien van voorzieningen zijn enorm gegroeid en de hele paardensector wordt professioneler. Klanten eisen voldoende mogelijkheden om binnen te rijden, een goede bodem in de rijbakken, grotere stallen dan gebruikelijk was, veel gebruik van de stapmolen, luxe poets- en was mogelijkheden zoals een solarium, meer wedstrijden voor de manegeruiter en goede parkeer- en losrijvoorzieningen. Ook de eisen vanuit de maatschappij ten aanzien van dierenwelzijn zijn aanzienlijk gegroeid. Zo zijn grotere paardenboxen (3,5 x 3 meter) met buitenluiken ten behoeve van onderling contact onderwerp van gesprek. Net als stapmolens ten behoeve van de noodzakelijke beweging en paddocks (vrije uitloop voor paarden) ten behoeve van sociale contacten tussen paarden onderling. 2.2. Beoogde situatie Gezien de grote vraag aan rijlessen, de overvolle bezetting van de huidige voorzieningen, de veranderende eisen van klanten en de hogere eisen vanuit de maatschappij en dan met name vanuit het oogpunt van dierenwelzijn is initiatiefnemer voornemens om het Hippisch Centrum Nootdorp uit te breiden. In de beoogde situatie wordt een nieuw bedrijfsgebouw (circa 4.920 m²) gerealiseerd met daarin een overdekte rijhal, paardenboxen (95 stallen) en opslagruimte.
Daarnaast wil initiatiefnemer 66 paardenboxen, een tweede overdekte stapmolen (doorsnede 15/20m), een longeercirkel (doorsnede 15/20m), paddocks (10 x 15 meter), een buitenrijbaan (wedstrijdpiste springtuin circa 3.000 m²) en een parkeerterrein aanleggen. De kantine zal uitkijken over de bestaande buitenrijbanen en de springtuin die centraal in het plangebied liggen. In totaal zal de manege 160 paardenboxen in gebruik gaan nemen. Naar verwachting zullen er circa 106 paarden en circa 54 pony’s op de manege gehouden worden. Bij de beoogde ontwikkeling is sprake van toename van het verhard oppervlak van ten hoogste 3.416 m² naar ten hoogste 7.800 m2. Om de beoogde oppervlakte aan bedrijfsgebouwen mogelijk te maken zullen de enkelbestemming en het bouwvlak worden vergroot op de verbeelding van 14.550 m² naar 52.771 m². In Afbeelding 6 is de inrichting van de beoogde bedrijfssituatie weergegeven. Initiatiefnemer wenst een horecagelegenheid welke in principe ondersteunend is aan de manege. De eventuele ontwikkeling van de locatie naar een ‘Natuurpoort’ kan wel voor meer bezoekers zorgen die niet enkel voor de manege komen. Natuurpoorten zijn startpunten voor een prachtige fiets-, wandelof ruitertocht in de natuur. Er zal derhalve worden bijgedragen aan een betere verbinding van de stedelijke structuur met de natuurgebieden.
Het is de wens van initiatiefnemer om met de manege de maatschappelijke betrokkenheid nog meer te vergroten. Naast een kleinschalige ondergeschikte horecagelegenheid wil initiatiefnemer derhalve ook dagopvangactiviteiten plaats laten vinden op de bedrijfslocatie aan de Oudeweg 62 te Nootdorp. De dagopvang zelf is nog in ontwikkeling en zal worden geëxploiteerd op een andere locatie in de nabije omgeving. De dagopvang zal ik elk geval op loopafstand geëxploiteerd gaan worden. Op de manege kunnen vele dagbestedingsactiviteiten worden uitgevoerd rondom het verzorgen van de dieren en het uitvoeren van stalwerkzaamheden. Aan de zuidwestzijde van de bedrijfslocatie zal een directe ontsluiting naar de Braslaan komen. Deze ontsluiting wordt de hoofdingang voor gemotoriseerd verkeer. Langzaam verkeer zal via de ingang aan de Oudeweg het terrein op komen. Het groot verkeer zal enkel in een lus om de 66 boxen heenrijden en niet verder het terrein oprijden om gevaarlijke situaties te voorkomen. De gemeente wil in de toekomst mogelijk een rotonde realiseren in de bocht van de Braslaan. Dit betekent dat de directe ontsluiting aan de Braslaan zal moeten komen te vervallen. Vanaf de rotonde zal dan echter ook een nieuwe afslag in zuidoostelijke richting worden aangelegd. Deze afslag zal aan de overzijde van de sloot grenzend aan het plangebied komen te liggen.
Vanaf deze afslag zal dan een directe ontsluiting van het plangebied over de sloot worden gecreëerd. Op deze manier is dus al rekening gehouden met een eventuele rotonde in de bocht van de Braslaan. Zo worden de plannen van de gemeente niet belemmerd en worden extra hoge kosten vermeden.
Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62 te Nootdorp
10
De landschappelijke inpassing houdt rekening met de kwaliteiten en kenmerken van de omgeving. In Afbeelding 6 is de inrichting van de beoogde bedrijfssituatie inclusief de landschappelijke inpassing weergegeven. Aan de zijde van de Braslaan wordt een houtsingel geplaats om de geparkeerde trailers uit het zicht van de voorbijgangers te houden. Aan de zuidzijde zal eenzelfde houtsingel geplaatst worden die ervoor zorgt dat de longeercirkel, stapmolen, mestplaats en de nieuwe hal nauwelijks zichtbaar zijn van buitenaf. De houtsingel zal er ook voor zorgen dat het plan binnen de groene omgeving past. In Bijlage 1 is het landschappelijke inpassingsplan op schaal opgenomen. De beeldkwaliteitsparagraaf is opgenomen in Bijlage 2. In deze paragraaf wordt de gewenste inrichting van het plangebied omschreven op basis van verschillende elementen.
Afbeelding 6: Situatietekening beoogde situatie
Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62 te Nootdorp
11
3. Beleidskader In dit hoofdstuk wordt het relevante beleid uiteengezet. Het initiatief wordt getoetst aan het ruimtelijke rijksbeleid, het provinciaal en het gemeentelijk beleid. 3.1. Rijksbeleid Het ruimtelijke relevante rijksbeleid is vervat in de Nationale Omgevingsvisie en de Ladder voor duurzame verstedelijking. Hier wordt in de navolgende paragraven achtereenvolgens aan getoetst.
3.1.1. De Nationale Omgevingsvisie
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: - Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; - Duurzaam economisch groeipotentieel; - Sterke en gezonde steden en regio's; - Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen.
Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: - Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; - Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: Wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; - Afwentelen wordt voorkomen: Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in het ontwikkelen van een toekomstbestendige manege, welke is gelegen tussen stedelijk gebied en natuurgebieden. De manege combineert sport- en ontspanning met educatieve, sociale en maatschappelijke functies. Zo is het bedrijf een professioneel opleidingsbedrijf voor BBL en BOL leerlingen voor maatschappelijke stages. Verder wordt er gewerkt met WIA herintreders, medewerkers vanuit de reclassering (200 taakstraffen per jaar) en asielzoekers.
Ook wordt paardrijles mogelijk gemaakt voor mensen met een beperking en biedt het bedrijf sport aan voor militairen en andere medewerkers van defensie. Daarnaast wil initiatiefnemer een kleinschalige ondergeschikte horecagelegenheid realiseren en dagopvangactiviteiten plaats laten vinden op de bedrijfslocatie aan de Oudeweg 62 te Nootdorp. De dagopvang zelf is nog in ontwikkeling en zal worden geëxploiteerd op een andere locatie in de nabije omgeving. De dagopvang zal ik elk geval op loopafstand geëxploiteerd gaan worden. Op de manege kunnen vele dagbestedingsactiviteiten worden uitgevoerd rondom het verzorgen van de dieren en het uitvoeren van stalwerkzaamheden. Het plan past binnen de prioriteiten van de NOVI, aangezien functies gecombineerd worden en de manege past binnen de kenmerken en identiteit van het gebied.
Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62 te Nootdorp
12
3.1.2. Ladder duurzame verstedelijking
De Ladder voor duurzame verstedelijking is van toepassing in geval van een stedelijke ontwikkeling. Dit is wettelijk vastgelegd in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Op 1 juli 2017 is een wijziging van dit artikel in werking getreden. Sindsdien dient een ruimtelijke besluit, waarmee een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt, een verantwoording te bevatten over de behoefte aan die ontwikkeling. Wanneer de ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied plaatsvindt dient daarbij verantwoord te worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De norm voor een stedelijke ontwikkeling is inhoudelijk open voor interpretatie en dient derhalve onder specifieke omstandigheden nader ingevuld te worden. De Raad van State heeft de norm sinds de inwerkingtreding van het artikel echter al veelvuldig ingevuld en daardoor verder begrensd.
Bij het bepalen óf en hoe de Ladder moet worden toegepast zijn de volgende aspecten van belang: - Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling? - Is de stedelijke ontwikkeling 'nieuw'? - Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied? - Is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling? - Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied? - De stedelijke ontwikkeling ligt buiten bestaand stedelijk gebied, wat nu? - Rol van de provincie Wanneer een rechtsvraag positief kan worden beantwoord dient de Ladder verder te worden doorlopen. Wanneer een rechtsvraag negatief wordt beantwoord is de Ladder niet (verder) van toepassing of kan niet aan de Ladder worden voldaan.
a. Voorziet het besluit in een stedelijke ontwikkeling?
Om te kunnen bepalen of sprake is van een stedelijke ontwikkeling spelen de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkeling een belangrijke rol. Beoordeeld dient te worden of een manege valt onder één van de genoemde ‘stedelijke ontwikkelingen’ in de Bro. Verder dient de in een bestemmingsplan voorziene ontwikkeling voldoende substantieel te zijn om als stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt. Een stedelijke ontwikkeling is in het Bro gedefinieerd als ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of ander stedelijke voorzieningen’. Een manege is niet onder een van de categorieën te scharen, behalve mogelijk de categorie ‘andere stedelijke voorzieningen’. Uit de handreiking van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu uit 2013 blijkt dat hieronder wordt verstaan: ‘accommodaties voor onderwijs, zorg, cultuur, bestuur en indoor sport en leisure’. Uit de jurisprudentie blijkt dat een manege aangewezen dient te worden als een accommodatie voor indoor sport, zie ABRvS van 24 februari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:484). Een manege behoort dus tot een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in de Bro.
Wanneer een bestemmingsplan voorziet in kleinschalige bedrijfsbebouwing, het plandeel met de bedrijfsbestemming beperkt van omvang is en beperkte gebruiksmogelijkheden biedt, voorziet dit plan in zoverre niet in een stedelijke ontwikkeling (uitspraak van 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1442 (Wierden)). Zo kan een ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling worden aangemerkt als het bestemmingsplan voorziet in een terrein met een ruimtebeslag van minder dan 500 m2. In de beoogde situatie wordt een nieuw bedrijfsgebouw (circa 4.920 m²) gerealiseerd met daarin een tweede overdekte rijhal, paardenboxen (95 stallen) en opslagruimte. Daarnaast wil initiatiefnemer een tweede overdekte stapmolen (doorsnede 15/20m), longeercirkel (doorsnede 15/20m), 66 paardenboxen (circa 1.580 m²), paddocks, een buitenrijbaan (wedstrijdpiste springtuin circa 45 x 60 meter) en een parkeerterrein aanleggen. Gezien de aard en omvang van het initiatief kan dus worden geconcludeerd dat er hier sprake is van een stedelijke ontwikkeling.
Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62 te Nootdorp
13
b. Voorziet het besluit in een nieuwe stedelijke ontwikkeling?
De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. In het geldende planologische regime kan de aanwezige bestemming ‘Agrarisch-Glastuinbouw’ ter plaatse van het plangebied volledig worden bebouwd met kassen en andere bedrijfsgebouwen, mits aan de bouwregels wordt voldaan. Naar aard en omvang zal de functiewijziging leiden tot een afname van de bebouwingsmogelijkheden. In totaal zal de oppervlakte aan bedrijfsgebouwen ten behoeve van de manege in de beoogde situatie namelijk toenemen met 4.384 m². Ontwikkelingen die geen extra verstedelijking mogelijk maken, maar bebouwing reduceren, worden niet gezien als stedelijke ontwikkeling in de zin van de Ladder. De beoogde ontwikkeling is dan ook in beginsel Laddervrij. Als de Ladder niet van toepassing is, is wel een motivering nodig waaruit blijkt dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Dit wordt uitgebreid uiteengezet in Hoofdstuk 4 van dit bestemmingsplan.
Conclusie Uit de ladder van duurzame ontwikkelingen blijkt dat het niet gaat om een nieuwe stedelijke ontwikkeling, omdat het hierbij gaat om een ontwikkeling waarbij er geen nieuwe beslag op de ruimte wordt gelegd ten opzichte van het geldende planologisch regime. Dit betekent dat verder uitwerking van de ladder van duurzame verstedelijking niet van toepassing is. 3.2. Provinciaal beleid Het geldende ruimtelijk beleid van de provincie Zuid-Holland is vervat in de ‘Omgevingsvisie ZuidHolland, het ‘Programma ruimte’ en de ‘Omgevingsverordening Zuid-Holland’.
3.2.1. Omgevingsvisie en omgevingsverordening Zuid-Holland
De Wet ruimtelijke ordening bepaalt dat de provincie haar planologisch- en juridisch instrumentarium kan inzetten als sprake is van een provinciaal belang. De Omgevingsvisie Zuid-Holland en het Programma ruimte worden gezamenlijk beschouwd als de langetermijnvisie voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het strategisch beleid van de provincie Zuid-Holland wordt beschreven in de Omgevingsverordening. Al het ruimtelijk relevante operationele beleid is vervat in het Programma ruimte. In de Omgevingsverordening Zuid-Holland is het beleid uitgewerkt in ruimtelijke regelgeving. Hierin staat het doel voorop en niet de manier waarop het doel bereikt moet worden. Enkel waar dit noodzakelijk is worden kaders en randvoorwaarden gesteld aan ruimtelijke plannen. Voortdurende bewegingen in samenleving, economie en milieu verminderen de voorspelbaarheid van ontwikkelingen. De rol van de provincie is het belang van het op orde brengen, beter benutten en verder opwaarderen van de bovenlokale netwerken, landschapsstructuren en verstedelijkingspatronen behartigen. De behoefte van de gebruikers staat hierin centraal. Vanuit dit oogpunt wordt het ruimtelijke beleid niet afgestemd op een voorspelling van een ‘eindsituatie 2030’, maar op de ambities van de provincie. De bestaande situatie geldt als vertrekpunt en de maatschappelijke vraag vormt de leidraad voor het handelen.
Het Zuid-Hollandse Deltalandschap wordt gekarakteriseerd door een stedelijk landschap bestaande uit een vooral door het water bepaald netwerk van moderne én historische stedelijke kernen, internationale economische complexen en prachtige open gebieden. Met dergelijke landschapskarakteristieken onderscheid de provincie zich. Hier wil de provincie dan ook op door bouwen. Vier rode draden geven richting aan de gewenste ontwikkeling van het landschap en het handelen van de provincie: 1. Ruimte en publiek investeringskapitaal zijn schaars, daarnaast dienen zich in bestaande investeringsprogramma’s nieuwe opgaven aan. Het heeft dan ook de voorkeur om te benutten wat er al is, eventueel door opwaardering, en niet meteen over te gaan tot stedelijke uitbreidingen of nieuwe natuur- en recreatiegebieden. 2. In Zuid-Holland komt een groot aantal krachtige economische clusters en topsectoren voor. Om de concurrentiepositie te vergroten is het innoverend vermogen van mensen en bedrijven van belang. Zo staan er (agglomeratie)voordelen wanneer talent, bedrijven en banen dicht bij elkaar verkeren. De Zuidelijke Randstad en de grote economische complexen in Zuid-Holland
Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62 te Nootdorp
14
hebben de potentie om één grote agglomeratie te vormen. Dit biedt vele schaal- en clustervoordelen. De ambitie is dan ook om de agglomeratiekracht van de provincie te vergroten. 3. Een evenwicht in samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde resulteert in ruimtelijke kwaliteit. Door in te spelen op aanwezige kwaliteiten in de omgeving en specifieke kwaliteiten toe te voegen die te maken hebben met de hedendaagse samenleving wordt met ruimtelijke ontwikkelingen de ruimtelijke kwaliteit verbeterd. 4. De provincie Zuid-Holland wil maatschappelijke en economische kansen benutten om te transformeren naar een energie- en waterefficiënte samenleving. De ruimtelijke impact van een ontwikkeling is van belang om te bepalen dat een ontwikkeling past in de omgeving. De volgende uitgangspunten worden hiervoor gehanteerd: 1. De aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling passend is. 2. Een ontwikkeling die aansluit bij de aard en schaal van een gebied heeft in beginsel weinig ruimtelijke impact op de gebiedskwaliteiten. 3. Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, hoe groter de ruimtelijke impact en eerder ze provinciale ambities raken. 4. Dit geldt eveneens naarmate de kwaliteit van een gebied bijzonder of kwetsbaar is.
Het provinciale ruimtelijke beleid is er op gericht om richting en ruimte te geven aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit. Een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit is uiteengezet in de ‘kwaliteitskaarten’, behorende bij zowel de Omgevingsvisie als de Omgevingsverordening. Deze kaarten vormen een handreiking voor het gebiedsspecifiek omgaan met ruimtelijke kwaliteit.
3.2.2. Kwaliteitskaarten
Om de gebiedskwaliteiten van de provincie inzichtelijk te maken zijn in samenwerking met decentrale overheden en andere partijen in de regio gebiedsprofielen opgesteld. Een gedeelde opvatting over de uitleg en interpretatie van het kwaliteitsbeleid per concreet gebied is namelijk van gezamenlijk belang. De gebiedsprofielen bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact in specifieke gevallen is. Ze hebben dan ook de status van een handreiking, nadrukkelijk niet van een toetsingskader. De gebiedsprofielen zijn vervat in een viertal kwaliteitskaarten met bijbehorende richtpunten: 1. Laag van de ondergrond: bevat de grondslag van de provincie en de natuurlijke (landschapsvormende) processen. 2. Laag van cultuur- en natuurlandschappen: er worden drie deltalandschappen onderscheiden, het rivierdeltalandschap, het kustlandschap en het veenlandschap. 3. Laag van de stedelijke occupatie: gericht op het behouden of versterken van de identiteit en gebruikswaarde van stads- en dorpsgebied. 4. Laag van de beleving: bij nieuwe ontwikkelingen wordt aandacht gevraagd voor behoud of versterking van de belevingswaarde van de betreffende plek.
Voor de locatie aan de Oudeweg 62 te Nootdorp zijn de kaartlagen ‘Laag van de ondergrond’, ‘Laag van cultuur- en natuurlandschappen’, ‘Laag van de stedelijke occupatie’ en ‘Laag van de beleving’ van belang, zie respectievelijk Afbeelding 7, Afbeelding 8, Afbeelding 9 en Afbeelding 10. Op basis van deze kwaliteitskaarten worden de gebiedskwaliteiten van toepassing op de locatie besproken inclusief bijbehorende richtpunten.
Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62 te Nootdorp
15
Afbeelding 7: Uitsnede kwaliteitskaart ‘Laag van de ondergrond’
Conform de kwaliteitskaart ‘Laag van de ondergrond’ is het plangebied gelegen in ‘Bijzonder reliëf – oude stroomgordels en geulafzettingen’. Binnen het relatief platte Zuid-Holland is nog een aantal bijzondere, natuurlijke hoogteverschillen te vinden. Dit betreffen strandwallen in de kustzone, oude stroomruggen, kreken en geulafzettingen, rivierduinen met donken en oude bovenlanden met restveen. Vanwege de hogere ligging waren deze plekken aantrekkelijk voor (pre)historische bewoning. Het zijn vaak plekken van grote archeologische en aardkundige waarde. Behoud van dit reliëf houdt de leesbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het gebied in stand. Ontwikkelingen houden de onregelmatige patronen en het reliëf in het landschap herkenbaar en in stand. Tevens worden waar mogelijk de archeologische waarden van de structuur meer herkenbaar gemaakt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Nader omschrijven na archeologisch onderzoek
Afbeelding 8: Uitsnede kwaliteitskaart ‘Laag van cultuur- en natuurlandschappen’
Op de kwaliteitskaart ‘Laag van de cultuur- en natuurlandschappen’ is het plangebied gelegen in ‘Droogmakerij (veen)’. Kenmerkend binnen deze droogmakerij zijn het verkavelingspatroon en de lengtesloten. De lengtesloten blijven in de beoogde situatie behouden. Daarna is het behoud van maat en weidsheid van de poldereenheden van belang. Eventuele nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/linten en niet in de veenweidepolders. De beoogde bebouwing wordt gesitueerd binnen de bestaande stedelijke structuur en binnen bestaand glastuinbouwgebied.
Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62 te Nootdorp
16
Afbeelding 9: Uitsnede kwaliteitskaart ‘Laag van de stedelijke occupatie’
Op de kwaliteitskaart ‘Laag van de stedelijke occupatie’ is het plangebied gelegen in ‘Glastuinbouwgebied’ en voor een klein deel in ‘Stads- en dorpsrand’. De provincie wenst nieuwe glastuinbouwgebieden zoveel mogelijk binnen of in aansluiting op bestaande glastuinbouwgebieden te concentreren. Ontwikkelingen aan de rand van een glastuinbouwgebied dienen bij te dragen aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit. Ontwikkelingen aan de stads- of dorpsrand dienen ook bij te dragen aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit. Er wordt met de beoogde ontwikkeling bijgedragen aan een passende overgangskwaliteit door de beoogde ontwikkeling te combineren met een zorgvuldige landschappelijke inpassing. In paragraaf 3.3.2 van deze onderbouwing wordt uiteengezet dat conform recentelijk gemeentelijk beleid ter plaatse van het plangebied geen ontwikkeling van glastuinbouw meer gewenst is, omdat de locatie niet meer als toekomstbestendig voor glastuinbouw wordt gezien. De manege is dus passend als overgangsfunctie tussen het stedelijk gebied en de recreatie-/natuurgebieden.
Afbeelding 10: Uitsnede kwaliteitskaart ‘Laag van de beleving’
Een klein deel ten noordoosten van het plangebied is conform de kwaliteitskaart ’Laag van de beleving’ gelegen binnen ‘Recreatiegebied’. Recreatieterreinen liggen veelal op de overgang van de stedelijke dynamiek naar het luwe buiten. Ontwikkelingen vergroten de diversiteit in ruimtelijke inrichting en programma tussen de verschillende recreatie- en groengebieden. Recreatieve routes dragen bij aan een betere verbinding van de buitenstedelijke groengebieden onderling en met de stedelijke groen- en waterstructuur. Deze beoogde ontwikkeling draagt daaraan bij. Vanuit de manege wordt vaak in de richting van het natuurgebied gegaan om recreatief te rijden. Het uitbreiden van de manege heeft tot gevolg dat de recreatieve functie van het naastgelegen gebied versterkt zal worden, omdat meer ruiters gebruik zullen maken van het recreatiegebied. Daarnaast is aan de manege Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62 te Nootdorp
17
gevraagd om als erkend Natuurpoort te gaan dienen. Natuurpoorten zijn startpunten voor een prachtige fiets-, wandel- of ruitertocht in de natuur. Er zal derhalve worden bijgedragen aan een betere verbinding van recreatieve routes tussen de stedelijke structuur en de natuurgebieden. 3.3. Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk beleid is omschreven in de gemeentelijke structuurvisie, de toekomstvisie en het werkboek Oostlan en het bestemmingsplan. De structuurvisie is het strategisch beleidsdocument voor de ruimtelijke ontwikkelingen in een gemeente en de structuurvisie wordt vertaald in het bestemmingsplan. De toekomstvisie laat zien hoe de gemeente het voor ogen heeft om te ontwikkelen tot 2040. In het bestemmingsplan is geregeld welke bestemmingen reeds geregeld zijn binnen de bedrijfslocatie.
3.3.1. Structuurvisie
Gemeente Pijnacker-Nootdorp schets in de structuurvisie Ruimte maken en Ruimte laten, vastgesteld d.d. 24-01-2014, het ruimtelijk beeld voor 2040. Pijnacker-Nootdorp streeft naar een unieke landstedelijke identiteit in de randstedelijke netwerksamenleving. Waarbij de nabijheid van voorzieningen, werk en vervoer worden gecombineerd met een rustige, ruime, groene en dorpse woonomgeving. Daarbij streeft Pijnacker-Nootdorp naar één groen recreatief buitengebied als een regionaal geheel. Het lint van de Oudeweg zorgt voor een zachte overgang van landelijk gebied naar stedelijk gebied. Het uitbreiden van Hippisch centrum Nootdorp versterkt de recreatieve waarde van de omliggende natuurgebieden. Deze natuurgebieden zoals de Delfste Hout en de Dobbelplas zijn een buffer voor de randstad. De uitbreiding zorgt er ook voor dat het plangebied een nette uitstraling krijgt en dat het een goede overloop geeft van het stedelijk gebied naar het landelijk gebied. De sportgelegenheid is in de nabijheid van de woonomgeving. Daarnaast draagt de landschappelijke inpassing bij aan de groene woonomgeving. De manege zorgt bovendien voor de nodige werkgelegenheid in de omgeving. Zo worden paardrijlessen gegeven, zal een ondergeschikte horecagelegenheid worden geëxploiteerd en is het bedrijf een professioneel opleidingsbedrijf voor BBL en BOL leerlingen voor maatschappelijke stages.
Verder wordt er gewerkt met WIA herintreders, medewerkers vanuit de reclassering (200 taakstraffen per jaar) en asielzoekers.
3.3.2. Toekomstvisie en werkboek Oostland
De gemeente laat doorschemeren hoe ze in 2040 in de metropoolregio Rotterdam-Den Haag willen staan in de Visie op de toekomst van Pijnacker-Nootdorp 2040 (26-06-2012). De gemeente heeft alle kenmerken van wat een “landstedelijk woonmilieu” wordt genoemd: in Pijnacker-Nootdorp wordt de nabijheid van voorzieningen, werk en vervoer gecombineerd met een rustige, ruime, groene, en dorpse woonomgeving waardoor woonconsumenten en ondernemers zich hier graag vestigden of willen vestigen. De centrale ruimtelijke opgave schuift van kwantiteit naar kwaliteit en van groei naar beheer. Binnen de ruimtelijke kaders komen de komende decennia ruimtelijke kwaliteitsverbeteringen tot stand die passen bij de eigenheid van en visie op Pijnacker-Nootdorp. Kwaliteitsverbeteringen in de vorm van modernisering en herstructurering van glastuinbouwgebieden en bedrijvenparken, kleinschalige woningbouw en realisatie van recreatieve functies in het buitengebied. Het beoogde plan draagt bij aan de herstructurering van het glastuinbouwgebied in Nootdorp en is derhalve passend binnen de toekomstvisie. In februari 2020 is het ‘Werkboek Oostland’ door de gemeente Pijnacker-Noordorp vastgesteld.
Dit document legt de basis voor het ontwikkelen van een strategie die de ruimtelijk-economische structuur van het glastuinbouwcluster in Oostland versterkt, in lijn met de toekomstmogelijkheden van het glastuinbouwcluster. Het Werkboek Oostland is een gezamenlijk product van de projectgroep
Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62 te Nootdorp
18
Oostland, waarin de gemeenten Pijnacker-Nootdorp, Lansingerland, Zuidplas en Waddinxveen en Provincie Zuid-Holland hebben samengewerkt. Het plangebied is conform het werkboek gelegen binnen het deelgebied glas ‘Nootdorp Dwarskade’, zie Afbeelding 11. In het werkboek is voor de Dwarskade opgenomen dat dit gebied mag transformeren naar een andere functie. Duurzame glastuinbouw wordt ter plaatse niet langer als toekomstbestendig gezien en functieverandering biedt derhalve kansen voor de ‘Dwarskade’. Het uitbreiden van de manege ter plaatse van de enkelbestemming ‘Agrarisch – Glastuinbouw’ is derhalve passend binnen het gemeentelijk beleid, omdat glastuinbouw conform het werkboek niet meer als toekomstbestendig gezien wordt.
Afbeelding 11: Kansenkaart deelgebieden gemeente Pijnacker-Nootdorp, plangebied geel omcirkeld
3.3.3. Bestemmingsplan
Zoals al in de inleiding van deze onderbouwing beschreven zijn voor de planlocatie de bestemmingsplannen ‘Duurzame Glastuinbouwgebieden’ en ‘Verzamelplan 2012’ geldend. In de bestemmingsplannen is de beoogde ontwikkeling niet rechtstreeks mogelijk. Binnen de bestemmingsplannen worden geen binnenplanse en/of wijzigingsbevoegdheden geboden om het ruimtebeslag van Hippisch Centrum Nootdorp uit te breiden. Derhalve is een ruimtelijke onderbouwing opgesteld. Voor deze planlocatie wordt de procedure doorlopen die hoort bij het veegplan van de gemeente Pijnacker-Nootdorp.
Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62 te Nootdorp
19
4. Milieuhygiënische en planologische aspecten Op grond van het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om inzicht te bieden in de relevante milieuhygiënische en planologische aspecten. In dit hoofdstuk worden deze aspecten beschreven. 4.1. Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming over plannen en projecten. Het gaat hierbij enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waardoor het milieu mogelijk nadelig wordt beïnvloed. Als uitgangspunt gelden voor plannen, waaronder partiële herzieningen, onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: - Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden. - Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten; Ten aanzien van het eerste criterium geldt dat er in deze situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. In paragraaf 4.3.2 is een uitgebreide toelichting opgenomen voor de mogelijke effecten van het plan op de Natura 2000-gebieden.
Op basis van deze paragraaf kan worden geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling geen mogelijk significante effecten zal hebben op de Natura 2000-gebieden. Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. Voor de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren zijn de grenswaarden opgenomen in categorie C14 en D14. Paarden zijn niet opgenomen in categorie C14. In categorie D14 is opgenomen dat een bedrijf m.e.r.-beoordelingsplichtig is indien uitgebreid wordt met meer dan 100 paarden. In de beoogde situatie wordt het aantal paardenboxen uitgebreid van 94 naar 160 paardenboxen. Hiermee blijft de uitbreiding onder de D14 grenswaarde voor de m.e.r.-beoordelingsplicht. Onder de grenzen uit de C- en D-lijst van het Besluit m.e.r. geldt sinds 7 juli 2017 echter ook een m.e.r.-beoordelingsplicht. Dit houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen.
Onder de C- en D-drempelwaarde is voor dit initiatief derhalve een vormvrije MER-beoordeling nodig. Artikel 7.17, tweede en vierde lid, van de Wet milieubeheer geeft aan op basis van welke informatie het bevoegd gezag, in dit geval het college van Burgemeester en Wethouders, een besluit moet nemen op een MER-beoordeling. Door middel van deze ruimtelijke onderbouwing heeft een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsgevonden, waarbij alle relevante planologische en milieuhygiënische aspecten zijn getoetst. Deze ruimtelijke onderbouwing kan dan ook worden beschouwd als vormvrije MER-beoordelingsnotitie. In overeenstemming met artikel 7.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer dient een besluit op een MER-beoordeling genomen te worden in het stadium voorafgaand aan de inzagetermijn van het ontwerpbesluit. Tegen het m.e.r.-beoordelingsbesluit staat geen bezwaar en/of beroep open, maar indirect kan er via een zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan wel op gereageerd worden. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de bijbehorende procedure. Het college kan derhalve op basis van deze ruimtelijke onderbouwing een besluit nemen op de vormvrije MER-beoordeling.
Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62 te Nootdorp
20
4.2. Waterhuishouding Sinds 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Door middel van deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. In het kader van de watertoets dient de gemeente voorafgaand aan de procedure het voornemen van de ruimtelijke ingreep aan het waterschap te verzenden. De gemeente en het waterschap kunnen afspraken maken over de wijze waarop het aspect water in het ruimtelijk plan is opgenomen. In deze waterparagraaf komen de volgende onderdelen aan bod: - Beschrijving waterrelevant beleid; - Bestaande waterhuishoudkundige situatie; - Beoogde waterhuishoudkundige situatie.
4.2.1. Waterrelevant beleid
De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is vanaf 22 december 2000 van kracht. De KRW heeft als doel om te komen tot schone, ecologisch gezonde stroomgebieden, waarin water op een duurzame manier wordt gebruikt. Om dit doel te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. De Nederlandse regering heeft invulling aan de KRW gegeven door middel van de Waterwet, die in werking is getreden op 22 december 2009. De Waterwet regelt het beheer van het oppervlakte- en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. De visies met betrekking tot het waterbeleid worden door de verschillende bestuurslagen in diverse plannen beschreven. Provincie In het Omgevingsbeleid is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie(verwijst naar een andere website) en een Omgevingsverordening(verwijst naar een andere website). Klimaatverandering, toenemende verzilting, inklinking en het veranderend ruimtegebruik (ook in de ondergrond) vergen aanpassingen van en keuzes in het bodem- en watersysteem, die in veel gevallen invloed hebben op de ruimtelijke ordening. Deze keuzes hebben het achterliggende doel dat Zuid-Holland beschermd blijft en dat het mogelijk blijft om water in zijn vele hoedanigheden beter te benutten.
De kwaliteit en functionaliteit van water dienen optimaal te zijn en vragen permanent om verbetering en bescherming. Bij aanpassingen aan het watersysteem gelden twee uitgangspunten: ze zijn klimaatbestendig en de natuurlijke processen krijgen, waar dat kan, meer ruimte of worden beter benut. Waterschap Het plangebied ligt in het gebied van het Hoogheemraadschap van Delfland. Op 19 november 2015 heeft Delfland het Waterbeheerplan 2016-2021 (WBP) vastgesteld. In het WBP wordt de strategie voor de uitvoering van de kerntaken voor de komende jaren beschreven. Het WBP is de leidraad voor het handelen van Delfland in de planperiode 2016-2021 en is tevens een uitnodiging aan private, particuliere en publieke partijen om binnen de uitgezette koers met initiatieven te komen. De werkzaamheden en projecten voor de komende planperiode zijn terug gebracht tot vier speerpunten: - In stand houden: De waterkeringen, het watersysteem, de ecologische structuren en het afvalwatersysteem worden met beheer verder geoptimaliseerd. - Investeren: Natte voeten verkleinen door bij het zoeken naar oplossingen om water langer vast te houden, de waterkeringen op orde te houden met oog voor de multifunctionaliteit, de waterkwaliteit te verbeter en toe te spitsen op de potenties van het gebied en de waterzuiveringen om te bouwen tot zoetwaterfabrieken.
- Samenwerken: Het waterschap kan en doet het niet alleen, de samenwerking in waterbeheer is pluriform van karakter. - Flexibel en duidelijk: Een flexibel waterschap die rol en houding afstemt op basis van vraagstukken die voorliggen. Er worden duidelijke kaders neergezet maar dogma's zijn er niet. In de leggers geeft het waterschap voor elk waterstaatswerk aan waaraan deze moet voldoen, wie welk soort onderhoud doet en waar welke regels gelden, zodat alles op orde blijft. Deze regels staan in de Keur Delfland, de bijbehorende Algemene Regels en de beleidsregels. Ook geeft het waterschap
Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62 te Nootdorp
21
aan waar de beschermingszone en het profiel van vrije ruimte ligt. De leggerkaart is de digitale verbeelding van de legger. Afbeelding 12 weergeeft een uitsnede van de leggerkaart van het waterschap Hoogheemraadschap van Delfland. Binnen het plangebied zijn een aantal secundaire wateren gelegen. Deze water zijn in onderhoud bij de aanliggende eigenaren. Enkele delen van de secundaire wateren zullen worden verhard. Voor het aanleggen van straatmeubilair/bruggen over het water zal een vergunning op grond van artikel 3.1 van de Keur Delfland worden aangevraagd of zal een melding worden gedaan. De erfverharding zal de aan- en afvoer van oppervlaktelichamen niet belemmeren en er zullen geen materialen worden gebruikt die het water kunnen verontreinigen. Tevens is het plangebied voor een klein deel gelegen binnen een beschermingszone. In het vigerende bestemmingsplan is tevens de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ opgenomen. De regels ter bescherming van deze waterzone zijn opgenomen in de regels van dit bestemmingsplan. Tevens zijn geen voorzieningen en zijn geen gebouwen voorzien binnen deze beschermingszone.
Afbeelding 12: Uitsnede Legger Waterschap Hoogheemraadschap van Delfland
Handreiking watertoets
Het Hoogheemraadschap heeft de Handreiking watertoets voor gemeenten vastgesteld. Deze is specifiek geschreven voor ruimtelijke plannen op gemeentelijk niveau. Met deze handreiking wordt inzicht gegeven in de wijze waarop het Hoogheemraadschap van Delfland procedureel en inhoudelijk omgaat met de watertoets. De handreiking is gebaseerd op bestaand beleid van Delfland en sluit aan op de landelijke wet- en regelgeving. Met de watertoets wordt gestreefd naar een goede inpassing van water in ruimtelijke planvorming. Voorkomen moet worden dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen negatieve effecten hebben op het watersysteem. Waar mogelijk moeten kansen worden benut om het watersysteem te verbeteren. In paragraaf 4.2.3 is de inhoudelijke toetsing van de waterhuishoudkundige situatie in de beoogde situatie opgenomen.
Ruimtelijke onderbouwing Oudeweg 62 te Nootdorp
22
Gemeente De gemeenteraad heeft 30 maart 2017 het Waterklimaatplan en de bijbehorende maatregelenkaart vastgesteld. Het Waterklimaatplan is gemaakt samen met het Hoogheemraadschap van Delfland. Met het plan willen ze de gevolgen van klimaatverandering aanpakken: wateroverlast door hevige regenbuien en watertekort door langdurige droogte. In het Waterklimaatplan staan zo’n 50 maatregelen die de gemeente en het hoogheemraadschap de komende jaren nemen of voorbereiden. Het waterklimaatplan heeft geen directe invloed op de locaties. Wel worden de aanbevelingen per locatie meegenomen. In paragraaf 4.2.3 is de inhoudelijke toetsing van de waterhuishoudkundige situatie in de beoogde situatie opgenomen.
4.2.2. Bestaande waterhuishoudkundige situatie
In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige wordt er uit de inrichting enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Gemiddeld valt er jaarlijks 0,8 m3 niet-verontreinigd hemelwater per m2 verhard oppervlak. Dit hemelwater wordt door middel van afschot van daken en erfverharding geloosd op omliggende perceelsloten. Op het bedrijf wordt aandacht besteed aan het schoonhouden van het verhard oppervlak. De erfverharding en de daken worden zo vaak als voor de goede orde noodzakelijk is schoon gehouden. Op het bedrijf vinden geen bijzondere activiteiten plaats die ertoe kunnen leiden dat er stoffen in aanraking kunnen komen met het hemelwater. Het niet-verontreinigde hemelwater kan dus zonder problemen worden geloosd op de omliggende perceelsloten.
4.2.3. Beoogde waterhuishoudkundige situatie
Om te zorgen voor een goede afstemming van water en ruimtelijke ordening is gekeken naar hoe in de beoogde situatie met water dient te worden omgegaan. Er is getoetst aan verschillende wateraspecten:
Veiligheid en waterkeringen
Zoals reeds benoemd zullen de regels omtrent de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ worden opgenomen in het bestemmingsplan. Tevens zijn geen voorzieningen en zijn geen gebouwen voorzien binnen deze beschermingszone.
Waterkwantiteit
In het bestemmingsplan is opgenomen dat ruimtelijke ontwikkelingen geen negatieve invloed mogen hebben op de waterhuishoudkundige situatie. Dit betekent dat een toename van het verhard oppervlak, binnen het gebied moet worden gecompenseerd. Hierbij heeft de gemeente haar voorkeur uitgesproken in het Waterklimaatplan 2017-2020 om het water eerst vast te houden, dan te bergen en dan af te voeren. Bij de beoogde ontwikkeling is sprake van toename van het verhard oppervlak van ten hoogste 3.416 m² naar ten hoogste 7.800 m2. Er zal echter een poel als retentievoorziening worden aangelegd om het water vast te houden binnen het plangebied. Initiatiefnemer zal verantwoordelijk zijn voor het beheer en onderhoud van de waterpoel.
Afvalwater en riolering
Het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard blijft in de beoogde situatie geloosd op het gemeentelijk riool. Hiervoor zal de vereiste rioolheffing worden betaald. De afvoer van hemelwater zal afgekoppeld worden van het afvalwaterstelsel.