CConstaterende datPijnacker Nootdorp
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1a - Toelichting ontwerpbestemmingsplan Hart van Nootdorp

Raad Besluitvorming 24 juni 2021, gemeente Pijnacker NootdorpBij agendapunt: c. Ontwerpbestemmingsplan Hart van Nootdorp22.559 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Om deze kwaliteitsverbeteringen te bereiken zijn een aantal aandachtpunten geformuleerd voor de programmatische uitwerking. Voor bouwen en wonen gelden de volgende aandachtspunten: • ruimtelijke contouren, doelen en kwaliteiten per gebied planologisch vastleggen; • functievermenging mogelijk maken in flexibele bestemmingsplannen; • uitnodigingsplanologie nader definiëren; • afronden eerder geprogrammeerde uitbreidingslocaties woningbouw; • invullen lokale woonwensen en wooncarrières; • regionaal afstemmen woningbouw en woonruimteverdeling. Voor groen, water en recreatie gelden de onderstaande aandachtspunten: • visie op recreatieve functies in het buitengebied uitwerken, participanten uitnodigen; • regionaal afstemmen bereikbaarheid en gebruik en beheer buitengebied; • groenverbinding buitengebied met woongebieden en omliggende gebieden borgen; • groene inpassing glastuinbouw stimuleren en faciliteren. Beoordeling en conclusie De ontwikkeling Hart van Nootdorp betreft een binnenstedelijk herontwikkelingsproject. Het voorliggend bestemmingsplan betreft voornamelijk een globaal bestemmingsplan. 34

Gemeente Pijnacker-Nootdorp

De Gebiedsvisie Hart van Nootdorp met daarin de doelen en kwaliteiten van het gebied vormen de basis van dit bestemmingsplan. Het woningbouwprogramma van de ontwikkeling is afgestemd op de lokale- en regionale behoefte en woonwensen. De beoogde ontwikkeling past binnen de beleidskaders van de Toekomstvisie PijnackerNootdorp 2040.

3.5.2 Ruimtelijke Structuurvisie Pijnacker-Nootdrop 2014 Toetsingskader In de Structuurvisie 'Ruimte maken….. ruimte laten', vastgesteld door de gemeenteraad op 20 februari 2014, schetst de gemeente het ruimtelijk beeld van Pijnacker-Nootdorp in 2040. Niet in de vorm van een blauwdruk voor de toekomst, maar in de vorm van contouren en kaders van een streefbeeld dat gezamenlijk met bewoners en ondernemers ingekleurd dient te worden. Er wordt ruimte geboden en uitgenodigd om te ondernemen, te recreëren, de woonomgeving te verbeteren of sport te beoefenen. De Ruimtelijke structuurvisie kan gelezen worden als een uitnodiging om samen invulling te geven aan de ruimte van Pijnacker-Nootdorp in 2040. Contouren vormen het uitgangspunt van de structuurvisie. Dit zijn contouren van groenen recreatiegebieden, bebouwing, glastuinbouw en bedrijventerreinen. Binnen deze contouren zijn er verschillende functies en mogelijkheden. Hierover doet de structuurvisie voor 2040 op hoofdlijnen kaderstellende uitspraken. Daarnaast geeft de structuurvisie antwoord op verschillende ruimtelijke vraagstukken.

Bestemmingsplan “Hart van Nootdorp” te Nootdorp

35

Uitsnede contourenschets 2040 uit de ruimtelijke structuurvisie. Het plangebied is globaal aangeduid met een gele ster

Beoordeling en conclusie De structuurvisie is opgesteld in een tijd dat naar verwachting de woningbehoefte zou afnemen. Ontwikkelingen in de structuurvisie worden daarom georiënteerd op het beheer en waar nodig herstellen van de karakteristieke structuur van Nootdorp. In 2021 blijkt dat de woningbehoefte alleen maar gegroeid is. De woningmarkt heeft behoefte aan woningen voor starters, sociale huur en seniorenwoningen. De onderhavige ontwikkeling betreft het realiseren van middeldure en sociale huurwoningen waarbij gebouwd wordt binnen de bestaande structuur van het dorp. De beoogde ontwikkeling zoekt nadrukkelijk de verbinding met de bebouwing in de omliggende buurten. Verder wordt de groene en blauwe dooradering waar mogelijk versterkt. Het plan is op deze punten in overeenstemming met de structuurvisie ‘Ruimte maken…..ruimte laten’.

3.5.3 Woonvisie Pijnacker-Nootdorp 2020-2030 Toetsingskader De gemeenteraad heeft op 25 juni 2020 de Woonvisie Pijnacker-Nootdorp 2020-2030 vastgesteld. De Woonvisie is het belangrijkste document van de gemeenteraad op het gebied van wonen en volkshuisvesting. De visie schetst een beeld van de gewenste

36

Gemeente Pijnacker-Nootdorp

woningvoorraad van Pijnacker-Nootdorp op de lange termijn. De woningvoorraad moet aansluiten bij de huidige en toekomstige behoefte van onze inwoners. Uit het woningbehoefteonderzoek, dat is uitgevoerd in het kader van de nieuwe woonvisie, blijkt dat de huidige woningvoorraad onvoldoende kansen biedt voor onze inwoners. Met name voor onze senioren (gelijkvloers) en jongeren is er nu en in de toekomst een grote behoefte aan meer passende woningen. Hierbij gaat het voornamelijk om extra meergezinswoningen zoals appartementen. Rondom de haltes van de Randstadrail zijn kansen voor intensievere bebouwing waarbij ook meer de hoogte (gestapelde bouw) in kan worden gegaan. Omdat de ruimte voor nieuwbouw schaars is in onze gemeente moeten we bij nieuwbouw rekening houden met deze woningbehoefte. In de woonvisie wordt daarom onder andere ingezet op: • De realisatie van meer appartementen, waarbij we rekening houden met de dorpse en groene identiteit van onze gemeente. Dat vraagt extra inzet voor een goede ruimtelijke inpassing. • Het bouwen van rollatortoegankelijke, gelijkvloerse huur- en koopappartementen in alle prijsklassen. Dit betekent dat de gemeente niet wordt volgebouwd met gestapelde woningen. Juist het dorpse karakter en de groene identiteit is erg belangrijk. Wel betekent dit dat bij nieuwbouw wordt gezocht naar locaties die geschikt zijn voor appartementen.

De Woonvisie Pijnacker-Nootdorp 2020-2030 gaat vergezeld met de Woonagenda 2020-2021. In de woonagenda wordt in concreet ingegaan op welk stappen en ontwikkelingen in gang gezet zijn of worden om invulling te geven aan de ambities van de Woonvisie. In het overzicht hieronder is de ontwikkeling Hart van Nootdorp opgenomen. Nog te realiseren woningen in nieuwe projecten. Bron: gemeente Pijnacker-Nootdorp, 2020

Beoordeling en conclusie De gewenste ontwikkeling in het Hart van Nootdorp is reeds verankerd in het gemeentelijk woningbouwprogramma.

Bestemmingsplan “Hart van Nootdorp” te Nootdorp

37

4

PLANOLOGISCH RELEVANTE (MILIEU)ASPECTEN

4.1

Inleiding Toetsing juncto art. 3.1.6 Bro Met betrekking tot een (ontwerp-)bestemmingsplan staat in artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht vermeld: 'bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen'. Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat rekening moet worden gehouden met de uitkomsten van het met toepassing van artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht verrichte onderzoek. Daarnaast moet ook worden getoetst aan het Besluit m.e.r. Ten behoeve van het onderhavige plan heeft onderzoek plaatsgevonden naar een aantal uitvoeringsaspecten. Hieronder wordt verslag gedaan van de uitkomsten van het gepleegde onderzoek. De onderzoeksrapporten zijn als bijlagen gevoegd bij dit bestemmingsplan. Achtereenvolgens worden behandeld: ▪ bodem; ▪ waterhuishouding; ▪ cultuurhistorie; ▪ archeologie; ▪ ecologie; ▪ akoestiek; ▪ bedrijven en milieuzonering; ▪ externe veiligheid; ▪ kabels en leidingen; ▪ luchtkwaliteit; ▪ milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling.

4.2

Bodem Toetsingskader Op basis van art. 3.1.6, lid 1 onder f Bro geldt dat in een toelichting op een ruimtelijk besluit de inzichten over de uitvoerbaarheid van dat besluit worden neergelegd. Ten aanzien van het aspect bodemkwaliteit staat, op basis van vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS), voorop dat de vaststelling van de aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van sanering van verontreinigde locaties en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures. Dat doet er niet aan af dat het bevoegd gezag het ruimtelijk besluit pas kan nemen indien, voor zover redelijkerwijs valt in te zien, een eventuele bodemverontreiniging niet aan de uitvoerbaarheid in de weg staat (22 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO8297, r.o. 2.18.4; 27 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW9569, r.o. 2.10.3). Daarbij geldt als uitgangspunt dat de bodem in principe geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico vormen voor de gebruikers van de bodem.

38

Gemeente Pijnacker-Nootdorp

Beoordeling Door VanderHelm Milieubeheer B.V. is in januari 2021 het historisch (water)bodemonderzoek uitgevoerd. Het rapport is als bijlage 3 bij deze toelichting gevoegd. Hieronder wordt ingegaan op de conclusies van het rapport. Uit het historisch onderzoek blijkt dat er diverse locaties zijn die als verdacht moeten worden aangemerkt. Voor deze locaties wordt geadviseerd een verkennend (asbest) onderzoek uit te voeren. Voor één locatie dient een nader bodemonderzoek uitgevoerd te worden. Het uitvoeren van de verkennend en nadere bodemonderzoek is reeds in uitvoering. Deze onderzoeken worden verwerkt in het bestemmingsplan zodra deze beschikbaar komen. Conclusie De gronden zijn op voorhand nog niet vrijgegeven voor het beoogde grondgebruik als gevolg van mogelijk aanwezige verontreinigingen.

4.3

Waterhuishouding Toetsingskader In ruimtelijke plannen dient aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. De integratie van water in ruimtelijke plannen vindt plaats via de zogenaamde watertoets. Concreet betekent de watertoets, dat een plan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Daarin dient een wateradvies van de waterbeheerder te worden meegenomen. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6 lid 1, sub b Bro. Beleid Hoogheemraadschap van Delfland In het Waterbeheerplan 2016-2021 (WBP5) heeft Delfland de ambities en doelstellingen voor de komende jaren vastgelegd. Voor de zorgplicht voor ‘droge voeten’, ‘stevige dijken’ en ‘schoon water’ zijn meerjarenprogramma’s opgesteld die doorlopen in de planperiode tot 2021. Delfland zet in op integraal waterbeheer in het sterk verstedelijkt deel van Nederland. Samen met de gemeenten en andere partners werkt Delfland aan klimaatadaptatie.

Een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem is vertaald naar zelfvoorzienendheid door het sluiten van kringlopen van water, energie en grondstoffen. Om doelen te bereiken werkt Delfland samen met gebiedspartners. Delfland werkt ook aan het waterbewustzijn om de kosten van het waterbeheer waar mogelijk te verlagen en het draagvlak te vergroten voor het zelf nemen van maatregelen. Standstill-beginsel (thema voorkomen wateroverlast) Conform het standstill-beginsel mag de kans op wateroverlast niet toenemen als gevolg van het ruimtelijk plan. De initiatiefnemer moet ervoor zorgen, dat de negatieve

Bestemmingsplan “Hart van Nootdorp” te Nootdorp

39

gevolgen van het ruimtelijke plan worden gecompenseerd. Compensatie moet worden gerealiseerd door middel van bergen óf in het onderdeel van de trits vasthoudenbergen-afvoeren, waarin de verslechtering optreedt. Ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt, of de vasthoudcapaciteit van een gebied op andere manieren wordt verkleind, zorgen voor een snellere afstroming van hemelwater naar het oppervlaktewater, doordat water niet langer in de bodem kan infiltreren maar oppervlakkig of via (hemelwater) riolering wordt afgevoerd. Dit kan leiden tot wateroverlast, en past dus niet binnen het standstill-beginsel, tenzij ter compensatie extra waterberging wordt gerealiseerd. Beoordeling Handreiking watertoets Het Hoogheemraadschap heeft de Handreiking watertoets voor gemeenten vastgesteld. Deze is specifiek geschreven voor ruimtelijke plannen op gemeentelijk niveau. Met deze handreiking wordt inzicht gegeven in de wijze waarop het Hoogheemraadschap van Delfland procedureel en inhoudelijk omgaat met de watertoets. De handreiking is gebaseerd op bestaand beleid van Delfland en sluit aan op de landelijke wet- en regelgeving. Met de watertoets wordt gestreefd naar een goede inpassing van water in ruimtelijke planvorming. Voorkomen moet worden dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen negatieve effecten hebben op het watersysteem.

Waar mogelijk moeten kansen worden benut om het watersysteem te verbeteren. Huidige situatie Algemeen Het plangebied ligt in de polder van Nootdorp en raakt drie daarin gelegen peilgebieden. Het gaat om de peilgebieden GPG2014PVN II met maatgevend peil 4.54- nap, GPG2014PVN XVIIIa met maatgevend peil 3.93- nap en GPG2014PVN IVb met maatgevend peil 4.00- nap. Peilgebied XVIIIa is met een duiker 800 mm en via een overstort verbonden met peilgebied PVN IVb. Peilgebied XVIIIa heeft het hoogste waterpeil en moet zoveel mogelijk worden ontzien in de afwatering. In peilgebied PVN II is de ontvangstcapaciteit het hoogst. In peilgebied PVN IVb is de wens tot uitbreiding van het wateroppervlak het grootst. In PVN II wateren de aanwezige straat- en dakoppervlakken af op waterriolen en oppervlaktewater. In PVN XVIIIa en PVN IVb worden de straatoppervlakken afgewaterd op de aanwezige gemengde of vuilwaterriolen. Het dak van de bestaande voormalige brandweerkazerne in PVN XVIIIa watert als enige af op een ander peilgebied, namelijk op PVN II. De overige daken binnen deze peilgebieden wateren af op waterriolen en oppervlaktewater binnen PVN IVb. Waterkeringen en primaire watergangen De watergang binnen PVN II, langs de Sportparkweg, betreft een primaire watergang. Er bevinden zich geen waterkeringen binnen het plangebied.

Waterkwantiteit In de nieuwe situatie wordt het hemelwater zoveel mogelijk afgekoppeld. Alle verharde oppervlakken binnen PVN II blijven afwateren binnen dit peilgebied. De wens bestaat

40

Gemeente Pijnacker-Nootdorp

om het gehele ontwikkelgebied aan de noordzijde van de Koningin Julianastraat, gelegen in PVN XVIIIa en PVN IVb, ook af te wateren op PVN II. De capaciteit van het bestaande waterriool gelegen in de “Omloop” is daarbij bepalend, maar kan misschien ondersteund worden met buffering en/of vertraging binnen de nieuwe inrichting. De verharde oppervlakken van de Koningin Julianastraat en het ontwikkelgebied ten zuiden daarvan, gelegen in PVN XVIIIa en PVN IVb, wateren af naar bestaand of aan te leggen wateroppervlak of waterriool binnen PVN IVb. Er wordt zo min mogelijk water van verharde oppervlakken afgevoerd op PVN XVIIIa. Op basis van het vlekkenplan van het plangebied is voor de drie aanwezige peilgebieden de watersleutel ingevuld. Daarbij is uitgegaan van toepassing van halfverharding in parkeerplaatsen. Deze parkeeroppervlakken zijn 50-50 verdeeld over verhard en onverhard ‘stedelijk’. De resultaten van de ingevulde watersleutels zijn als volgt: • GPG2014PVN II 382 m2 of 151 m3 extra te realiseren • GPG2014PVN XVIIIa 161 m2 of 32 m3 extra te realiseren • GPG2014PVN IVb 260 m2 of 82 m3 extra te realiseren Totaal moet er 265 m3 extra waterberging worden gerealiseerd. Op verzoek van het Hoogheemraadschap van Delfland wordt overwogen om zoveel mogelijk wateroppervlak binnen GPG2014PVN IVb te graven. In dit peilgebied wordt in ca. 120 m3 (380 m2) extra waterberging voorzien.

Het tekort van 145 m3 moet worden gevonden in nog meer extra wateroppervlak of in vertragende of bufferende voorzieningen binnen PVN II of PVN IVb. Waterkwaliteit In het bestemmingsplan wordt niet voorzien in maatregelen die direct nadelige gevolgen kunnen hebben voor de waterkwaliteit. Door afstromend water zou de waterkwaliteit kunnen verslechteren. Het afstromend hemelwater wordt waar mogelijk binnen het plangebied geborgen. Indien dit redelijkerwijs niet mogelijk is, kan het hemelwater worden afgevoerd op het hemelwaterriool of het oppervlaktewater. In overleg met het Hoogheemraadschap van Delfland nemen we maatregelen om verontreinigingen tegen te gaan. Dit kan bijvoorbeeld door geen gebruik te maken van uitlogende bouwmaterialen zoals zink, koper of andere uitlogende materialen. Bodem en grondwater De bestaande bodem van het projectgebied Hart van Nootdorp bestaat vooral uit zand met kleilagen. Voor de voorgenomen ontwikkelingen zijn geen voorbelastingen nodig. Er zijn geen problemen met het grondwater binnen het plangebied bekend. Deze hoeven ook anderszins niet te worden verondersteld. Het bestemmingsplan maakt ook geen diepgaande constructies mogelijk die de doorstroming van het grondwater belemmeren. Op basis van milieuhygiënisch historisch waterbodemonderzoek is geconcludeerd dat binnen het plangebied diverse milieuhygiënisch verdachte deellocaties aanwezig.

In de bodem zijn vooral immobiele verontreinigingen aangetoond, maar het grondwater is niet noemenswaardig verontreinigd. Voor de ontwikkelingen moeten naar verwachting

Bestemmingsplan “Hart van Nootdorp” te Nootdorp

41

enkele saneringen worden uitgevoerd. Het bestemmingsplan maakt geen risicovolle activiteiten mogelijk die van invloed zouden kunnen zijn op de grondwaterkwaliteit. Watersysteemkwaliteit en ecologie Bij de inrichting wordt rekening gehouden met het principe dat water van schoon naar vuil stroomt en van voedselarm naar voedselrijk. Het bestemmingsplan maakt geen risicovolle activiteiten mogelijk die van invloed zouden kunnen zijn op de waterkwaliteit. Onderhoud en bagger Onderhoud en baggeren van de watergang is de verantwoordelijkheid van de (aanliggende) grondeigenaren. De bestaande watergangen en oevers blijven onveranderd. Nieuw te graven water is minimaal 3.50 meter breed en goed toegankelijk voor onderhoudswerken. Afvalwater en riolering De bestaande rioleringen binnen het plangebied worden over het algemeen gehandhaafd en waar nodig uitgebreid met verzamelriolen voor hemelwaterafvoeren vanaf verharde oppervlakken. Afkoppeling van regenwater is voor het gehele plangebied wenselijk en haalbaar op basis van bestaande en aan te leggen rioleringen. Waar nodig en redelijkerwijs mogelijk wordt de afvoer van regenwater vertraagd.

Drooglegging Met de bestaande maaiveldhoogtes van circa 3.00- nap ter plaatse van de ontwikkelingen kan met een circa 150 mm hoger liggend vloerpeil aan de minimale drooglegging van 1.00 meter worden voldaan en wordt de gewénste drooglegging van 1.20 meter gehaald of benaderd. Conclusie Op basis van het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect water de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg staat en dat in het bestemmingsplan de waterhuishoudkundige belangen voldoende gewaarborgd worden. Aandachtspunt is de aanvullende en vereiste realisatie van nodige waterberging, welke nu nog niet voldoende in het plan is gewaarborgd, maar waarvoor wel mogelijkheden worden gezien 4.4

Cultuurhistorie Toetsingskader In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden (artikel 3.1.6, lid 5 Bro). De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Beleid provincie Zuid-Holland

42

Gemeente Pijnacker-Nootdorp

De Provincie Zuid-Holland heeft in 2017 haar Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) geactualiseerd. De CHS biedt een integraal overzicht in de vorm van een kaartbeeld op provinciaal niveau van de relevante cultuurhistorische kenmerken en waarden (archeologie, historische stedenbouw en historisch landschap).

Uitsnede cultuurhistorische atlas provincie Zuid-Holland. Het plangebied is globaal aangeduid met een gele ster.

Beoordeling Na raadpleging van de provinciale Cultuurhistorische kaart blijkt in het plangebied geen cultureel erfgoed te liggen of andersoortige cultuurhistorisch waardevolle elementen waar bij de planvorming rekening mee moet worden gehouden. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling.

4.5

Archeologie Toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet, welke in werking is getreden op 1 juli 2016. Ten aanzien van het aspect ‘archeologie’ is in art. 9.1, lid 1 van

Bestemmingsplan “Hart van Nootdorp” te Nootdorp

43

de Erfgoedwet, welk artikel een deel van het overgangsrecht regelt, bepaalt dat tot het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt onder meer Hoofdstuk V, paragraaf 1 van de inmiddels vervallen Monumentenwet 1988 van toepassing blijft. In Hoofdstuk V, paragraaf 1 is vastgelegd dat een gemeente in de ruimtelijke besluitvorming (w.o. bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor planologisch afwijken) rekening dient te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (artt. 38a t/m 41 Monw 1988). Daartoe kan de gemeente in dat besluit regels stellen, bijvoorbeeld tot het doen van archeologisch onderzoek. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie (ECLI:NL:RVS:2011:BU7102, r.o. 2.9.7). Deze informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop archeologische verwachtingswaarden zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld. Beoordeling Voor de gemeente Pijnacker-Nootdorp is in september 2009 een Archeologische Verwachtings- en Beleidskaart opgesteld. De Archeologische Verwachtings- en Beleidskaart geeft op perceelsniveau aan welke archeologisch bekende waarde of welke verwachting van toepassing is.

Op basis daarvan kan in een vroeg stadium van ruimtelijke planvorming gekeken worden of en hoe archeologische waarden beschermd kunnen/moeten worden: middels aanpassing van het plan of het behoud van informatie door opgraven. Bij elke voorgenomen activiteit om de bodem te verstoren in een gebied met archeologische waarde of verwachting moet namelijk in een zo vroeg mogelijk stadium worden bepaald of een nader archeologisch onderzoek noodzakelijk is.

Uitsnede archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Pijnacker-Nootdorp. Het plangebied is globaal aangeduid met een gele ster.

44

Gemeente Pijnacker-Nootdorp

Op basis van de archeologische beleidsadvieskaart ligt het plangebied in een gebied aangeduid met een middelhoge archeologische verwachting. Op basis van het vigerende bestemmingsplan ‘Centrum Nootdorp’ kennen de gronden binnen het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 3’. Deze bestemming is ook opgenomen in het ontwerp bestemmingsplan ‘Ypenburg Nieuwe Veen 2020’. In het vigerend bestemmingsplan ‘Nootdorp-Noord’ is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ opgenomen. In de bestemmingsplannen ‘Centrum Nootdorp’ en het plan ‘Ypenburg Nieuwe Veen 202’ gaat de beleidsmatige vertaling voor dit gebied uit van een archeologische onderzoeksplicht bij bodemverstoringen over een oppervlakte groter dan 200 m2 en dieper dan 30 cm. In het vigerend bestemmingsplan ‘Nootdorp – Noord’ geldt een onderzoeksplicht over een oppervlakte groter dan 100 m2 en dieper dan 30 cm. Voor het plangebied is een bureauondezoek en een verkennend booronderzoek uitgevoerd door Archeologie Delft. Het rapport is als bijlage 4 opgenomen. Uit het booronderzoek is gebleken dat in het grootste deel van de boringen de bodem uit ophogingslagen/verstoorde bovengrond op het Laagcomplex van Delfland bestond. Bij enkele boringen is boven de afzettingen van het Laagcomplex van Delfland nog een veenrestant aangetroffen.

Deze veenlaag is bijna geheel verdwenen dankzij veenontginningen die hebben plaatsgevonden ter hoogte van het plangebied. Daarnaast is uit het booronderzoek gebleken dat er geen aanwijzingen zijn voor archeologische vindplaatsen binnen het plangebied. Er wordt geadviseerd geen verder archeologisch onderzoek uit te voeren binnen het plangebied.

Conclusie De archeologische dubbelbestemming kan komen te vervallen. Het uitgevoerde onderzoek toont aan dat de archeologische belangen niet in het geding zijn.

4.6

Ecologie

4.6.1 Natuurgebieden Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb.

Bestemmingsplan “Hart van Nootdorp” te Nootdorp

45

Beoordeling Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied betreft ‘Meijendel & Berkheide’, welke is gelegen op een afstand van circa 8 km. Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. In onderhavige situatie is er sprake van de sloop van bestaande bebouwing en de realisatie van 110 appartementen, een kindcentrum en een sporthal. Van directe verstoring binnen Natura 2000-gebieden is geen sprake. De afstand tot de beschermde gebieden is dermate groot dat overige effecten dan stikstofdeposities op de beschermde natuurgebieden zijn uitgesloten. Voor het bepalen van eventuele stikstofdeposities op Natura 2000-gebieden is door Econsultancy een ‘Onderzoek stikstofdepositie, Koning Julianastraat 1, 12A, 12B en Sportparkweg 34 te Nootdorp’ uitgevoerd. Het onderzoek is als bijlage 5 bij deze toelichting gevoegd. De berekening van het projecteffect van zowel de aanleg- als de gebruiksfase met respectievelijk peiljaar 2021 en 2022 is verricht met behulp van het programma AERIUS Calculator (versie oktober 2020). Het projecteffect op de Natura 2000-gebieden is kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar.

Bij een dergelijke projecteffect zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Op basis van het onderzoek blijkt dat er geen vergunning benodigd is voor het aspect stikstof.

46

Gemeente Pijnacker-Nootdorp

Conclusie Onderhavig initiatief voldoet aan de vereisten van de Wet natuurbescherming voor wat betreft gebiedsbescherming.

4.6.2 Flora en fauna Toetsingskader Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten. Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Beoordeling Door VanderHelm Milieubeheer is in augustus 2019 een ecologische quickscan uitgevoerd ter plaatse van het plangebied. Rapportage daarvan is als bijlage 6 gevoegd bij deze toelichting.

Het onderzoek heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Uit de bevindingen van het veldonderzoek, het literatuur en bronnenonderzoek en toetsing van de resultaten van dit onderzoek aan de Wet natuurbescherming, blijkt dat nader onderzoek nodig is naar de volgende beschermde soorten: • diverse soorten vleermuizen; • huismus; • gierzwaluw; • ransuil en sperwer; • oeverzwaluw. PM Aanvullend onderzoek Conclusie PM

4.7

Wegverkeerslawaai Toetsingskader Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan als bedoeld in art. 3.6 lid 1 van

Bestemmingsplan “Hart van Nootdorp” te Nootdorp

47

de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: • de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); • de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg; • functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid). De onderzoekszone voor wegen zoals bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh is afhankelijk van de hoeveelheid rijbanen. Onderstaande tabel geeft hier een overzicht van: Stedelijk

Buitenstedelijk

Aantal rijstroken

Aantal meter aan weerszijden van de weg

5 of meer

350 m

600 m

3 of 4

350 m

400 m

1 of 2

200 m

250 m

Artikel 74 lid 2 Wgh regelt dat indien de bovengenoemde ontwikkelingen zijn gelegen binnen een als 'woonerf' aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen. Beoordeling Door SurroundConsult is in februari 2021 onderzoek verricht naar de effecten van het wegverkeerslawaai. Het rapport is opgenomen als bijlage 8 bij deze toelichting. Voor het volledige onderzoek met bijbehorende onderbouwing wordt verwezen naar de bijlage. Het plangebied is niet gelegen in de zones van wegen. Alle omliggende wegen zijn aangewezen als behorende tot een 30 km/uur zone. In het kader van het onderhavig bestemmingsplan dient aangetoond te worden dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In het kader van het akoestisch milieu vertaald zich dit in de beantwoording van de vraag of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het onderzoek toont aan dat de cumulatieve geluidbelasting in het plangebied maximaal 59 dB zonder aftrek conform artikel 110g Wet geluidhinder. De Hagelaan levert een geluidbelasting van 52 dB, de Koningin Julianastraat van 58 dB en de Meidoornlaan van 55 dB. De voorkeursgrenswaarde wordt op meerdere plekken overschreden maar de maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt niet overschreden.

48

Gemeente Pijnacker-Nootdorp

In het kader van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan gesteld worden dat deze voor de meeste gevels als ‘goed’ beoordeelt kan worden en op enkele gevels (geluidbelasting hoger dan 53 dB) als ‘matig’ beoordeeld moet worden.

Conclusie Het akoestisch leefmilieu vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.8

Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Milieuzonering is het ruimtelijk scheiden van milieubelastende activiteiten en milieugevoelige bestemmingen bij nieuwe ontwikkelingen. Met de term “milieubelastende activiteiten” worden binnen de VNG-methodiek alle milieubelastende activiteiten bedoeld: niet alleen bedrijven maar ook bijvoorbeeld recreatie, detailhandel, horeca, dienstverlening en maatschappelijke voorzieningen. Met de term “milieugevoelige functies” worden onder meer woningen, ziekenhuizen, scholen en verblijfrecreatie bedoeld. Milieuzonering, van het ruimtelijk scheiden van milieubelastende activiteiten en milieugevoelige bestemmingen, dient twee doelen: • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. De VNG doet in de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ (editie 2009) een handreiking ten behoeve van de afstemming tussen ruimtelijke ordening en milieu op lokaal niveau. Deze VNG-publicatie legt niet vast wat wel en niet is toegestaan. Een gemeente beslist zelf of ze op een bepaalde locatie bedrijven of woningen mogelijk wil maken (gemeentelijke beleidsvrijheid). De gemeente dient dit wel op een zorgvuldige wijze af te wegen en te verantwoorden.

De publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen milieubelastende activiteiten en milieugevoelige bestemmingen concreet voor een locatie in te vullen (maatwerk). Het bestemmingsplan is het juridisch-planologisch instrument waarin de gekozen strategie moet worden verklaard. Volgens jurisprudentie dient de plantoelichting ten minste aannemelijk te maken dat ten aanzien van het milieu geen onoverkomelijke problemen te verwachten zijn. Bouwstenen van milieuzonering Lijst van bedrijfsactiviteiten (richtafstandenlijst) De lijst van bedrijfsactiviteiten is een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De lijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. De lijst is algemeen aanvaard als uitgangspunt bij het opstellen van bestemmingsplannen en ruimtelijke onderbouwingen, zoals onder meer Bestemmingsplan “Hart van Nootdorp” te Nootdorp

49

blijkt uit jurisprudentie van de Raad van State. Er moet gemotiveerd worden welke Staat van bedrijfsactiviteiten wordt gebruikt en de toegelaten milieubelastende activiteiten dienen in de juridische regeling van het bestemmingsplan (kaart en regels) te worden vastgelegd. Omgevingstype De VNG-publicatie kent twee omgevingstypen, 1) een rustige woonwijk/rustig buitengebied en 2) een gemengd gebied . Een rustige woonwijk is een woonwijk, ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied. Naast deze omgevingstypen kent de VNG-publicatie ook het omgevingstype gemengd gebied. Dit is een gebied met matige tot sterke functiemenging. Hieronder vallen ook de lintbebouwing in het buitengebied (met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid) en gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen. De aan de milieucategorie gerelateerde richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk/rustig buitengebied. Bij het omgevingstype gemengd gebied kunnen de richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd. In de volgende tabel zijn de milieucategorieën met bijbehorende indicatieve afstand weergegeven.

Beoordeling De VNG-publicatie onderscheidt twee omgevingstypen: rustige woonwijk/rustig buitengebied en gemengd gebied. Het plangebied kan worden aangemerkt als gemengd gebied door de ligging in het centrum en de mening van maatschappelijke, centrum en woonfuncties in de omgeving. Richtafstanden kunnen derhalve met één afstandstrap verkleind worden. Onderhavig bestemmingsplan maakt de realisatie van 110 appartementen alsmede een bassischool met kinderopvang (kindcentrum) mogelijk, waardoor ter plaatse gevoelige functies worden toegevoegd. Bij de beoordeling van een project voor de realisatie van een gevoelige functie moet enerzijds beoordeeld worden of de ontwikkeling geen gevolgen heeft voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijvigheid. Anderzijds moet getoetst worden of ten aanzien van de milieubelasting van deze bedrijvigheid een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. De sporthal en het kindcentrum zijn zelf functies die hinder kunnen veroorzaken voor andere gevoelige functies zoals wonen. Ook dat wordt hier bekeken. 50

Gemeente Pijnacker-Nootdorp

De geprojecteerde gevoelige functies binnen het plangebied bevindt zich nabij de richtafstand van enkele omliggende bedrijven. In onderstaande tabel is hier een overzicht van gegeven: Bestemmingsplan “Hart van Nootdorp” Bestemming

Locatie en functie

Milieucategorie

Bestemming Maatschappelijk

Meidoornlaan 2, woonzorgcentrum Veenhage Mercato-complex: detailhandel, publieke dienstverlening, kantoren en praktijkruimten. Voetbalveld

Bestemming ‘Centrum 2’

Bestemming ‘Sport’

2

Richtwaarde VNG Gemengd gebied 10 meter

Afstand tot gevoelige functie Ca. 10,5 meter

1

0 meter

Ca. 13 meter

3.1

30 meter

0 meter

Zoals blijkt uit de tabel kan het plangebied niet aan alle richtafstanden uit de VNGbrochure voldoen. Ten behoeve van de ontwikkeling is door M+P een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de nieuwe ontwikkelingen in relatie tot de omgeving. Het rapport is als bijlage 9 bij deze toelichting gevoegd. In het onderzoeksrapport is het volgende beschouwd: • De geluidsbelasting vanwege verzorgingstehuis Veenhage ter plaatse van de beoogde nieuwbouwwoningen op de locatie Konining Julianastraat 1. • De geluidsbelasting vanwege de Jan Janssenhal ter plaatse van beoogde en relevante bestaande woningen indien deze op een nieuwe locatie wordt gerealiseerd. • De geluidsbelasting vanwege het nieuwe kindcentrum op beoogde en relevante bestaande woningen. • De geluidsbelasting vanwege de voetbalveldenvan RK DEO ter plaatse van de beoogde woningen en de relevante bestaande woningen. • De geluidsbelasting vanwege nieuwe oefenvelden op de locatie van de huidige Jan Janssenhal op bestaande woningen. In het akoestisch onderzoek worden twee varianten berekend. Variant 1 voorziet in de nieuwbouw van de Jan Janssenhal op de locatie van de voormalige brandweer en de peuterspeelzaal. Variant 2 voorziet in de herbouw van de Jan Janssenhal op de huidige locatie. Inmiddels is gekozen voor variant 2.

Aan de hand van de berekeningen kunnen de volgende conclusies worden getrokken: • In de onderzochte situaties blijkt dat er sprake is van goed akoestisch woon-en leefklimaat vanwege de geluidsbelasting van het verzorgingstehuis Veenhage op de beoogde nieuwbouwlocatie woningen aan de Koningin Julianastraat 1. Bestemmingsplan “Hart van Nootdorp” te Nootdorp

51

• • •

De geluidbelasting ter plaatse van de bestaande woningen aan de Meidoornlaan bedraagt maximaal 55 dB(A). Ter plaatse van de Markt is het geluidsniveau ten gevolge van het kindcentrum overal lager dan 45 dB(A). Door rekening te houden met de maatregelen in hoofdstuk 11.1 tot en met 11.3 is het mogelijk om een acceptabel akoestisch woon-en leefklimaat te realiseren op en rondom de locatie Koningin Julianastraat 12A en -B voor variant 2. Hierbij is het met name van belang dat het plein van het kindcentrum richting de voetbalvelden wordt georiënteerd.

De maatregelen uit hoofdstuk 11.1 en 11.3 bestaan uit het volgende: Ad 11.1 Voetbalvelden nabij Koningin Julianastraat 12A en -B (locatie ca 55 woningen en kindcentrum). Een geluidsscherm geplaatst tussen het voetbalveld en het kindcentrum dient zo hoog te zijn als de bebouwing van de school. Gezien de maximale bouwhoogte met drie bouwlagen is dit geen acceptabele oplossing. Met de voetbalvereniging RKDEO dient afgesproken te worden dat bij de trainingen geen gebruik gemaakt wordt van een fluitje. Ad 11.2 De geluidsoverschrijding als gevolg van het kindcentrum wordt veroorzaakt door het zogenaamde ‘talent uurtje’ bestaande uit sport en dans veelal onder begeleiding van muziek. Door het ‘talent uurtje’ zonder muziek of indien met muziek inpandig te houden is er sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat. Ad 11.3 Bij het ontwerp van het gebied Koningin Julianastraat 12A en -B dient rekening te houden met het verkrijgen van een acceptabele geluidbelasting. Dit kan door de schoolpleinen bij het kindcentrum richting de voetbalvelden te oriënteren. Hierdoor wordt de geluidsbelasting richting de bestaande en nieuwe woningen zoveel mogelijk gereduceerd. Een tweede maatregel kan bestaan door het kindcentrum evenveel of meer bouwlagen mee te geven als bij de woningbouw.

Deze laatste maatregel is stedenbouwkundig niet gewenst gezien de wens tot een goede inpassing in de omgeving aan de Meidoornlaan. Het M+P onderzoek heeft verder niet gekeken naar de effecten van het Mercatocomplex op de nieuw te bouwn woningen op de Koningin Julianastraat 12A- en B. Op grond van het bestemmingsplan zijn in het Mercatocomplex de volgende functies toegestaan: • Detailhandel; • publieke dienstverlening • kantoren; • praktijkruimten; • wonen. Alle niet woonfuncties zijn volgens de VNG-brochure aan te merken als milieucategorie 1. Ten opzichte van de ligging in een gemengd gebied mag de aan te houden richtafstand met één trap verminderd worden. Normaal dient bij categorie 1 een afstand aangehouden te worden van 10 meter tussen een milieubelastende activiteit en een milieugevoelige activiteit. Door de ligging in een gemengd gebied bedraagt de richtafstand 0 meter. De feitelijke afstand is ca. 13 meter waardoor voldaan wordt aan

52

Gemeente Pijnacker-Nootdorp

de VNG-brochure aan te houden afstand. Hierdoor is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Binnen het plangebied is met betrekking tot milieuzonering een goed woon- en leefklimaat verzekerd. Onderhavig initiatief belemmert omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsvoering. De sporthal en kindcentrum vormen zelf geen belemmering voor omliggende gevoelige functies.

4.9

Externe veiligheid

4.9.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt aangegeven op welke wijze de externe veiligheid in beschouwing is genomen bij dit wijzigingsplan. De externe veiligheid gaat over de beoordeling van de risico’s die verband houden met het gebruik van gevaarlijke stoffen. Tijdens de productie, de opslag, het gebruik en het transport kunnen er zich calamiteiten voordoen, waar door de veiligheid van de omgeving in het geding is. Dit houdt daarom een risico in voor de omgeving van dergelijke activiteiten. Externe veiligheid heeft geen betrekking op mogelijke gezondheidsschade door langdurige blootstelling aan gevaarlijke of schadelijke stoffen. Het gaat om plotseling optredende schadelijke effecten en de directe gevolgen van die effecten.

4.9.2 Normstelling en beleid Twee sleutelbegrippen: plaatsgebonden risico en groepsrisico De risico’s bij de externe veiligheid worden uitgedrukt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Waarom worden er twee begrippen gebruikt? Het rijksoverheidsbeleid maakt onderscheid tussen het risico waaraan het individu is blootgesteld en het risico waaraan een groep mensen is blootgesteld. Het gaat om het risico op overlijden. Voor de beoordeling van het risico waaraan het individu is blootgesteld gebruikt men het plaatsgebonden risico. Dit is de maatstaf voor de persoonlijke veiligheid. De maatstaf voor de kans dat een groep van mensen in een keer overlijdt, is het groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) is de overlijdenskans per jaar die op een bepaalde afstand aanwezig is door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Hierbij wordt voor de berekening uitgegaan van een fictieve burger. Deze burger is 24 uur per dag gedurende een heel jaar, onbeschermd op de plaats aanwezig waarvoor het plaatsgebonden risico wordt berekend. Verder zal de burger geen aanstalten maken zich in veiligheid te brengen (vlucht- of schuilgedrag) gedurende de maximaal 30 minuten blootstelling aan het optredende effect. Het plaatsgebonden risico kan worden weergegeven door een lijn op een kaart die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt (de zogeheten risicocontour).

Groepsrisico Het groepsrisico (GR) is de kans op het overlijden in één keer van een groep mensen (juridisch is de minimum omvang gesteld op 10 doden om van een groepsrisico te

Bestemmingsplan “Hart van Nootdorp” te Nootdorp

53

kunnen spreken) als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting, transportroute gevaarlijke stoffen of buisleiding en als gevolg van een ongewoon voorval in dit invloedsgebied waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het invloedsgebied is het gebied waarin personen nog worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico. Dit gebied wordt bepaald door de berekening van het grootst mogelijke ongeval waar nog bij 1% van de blootgestelde personen dodelijk letsel optreedt. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Het groepsrisico geeft aan hoe groot de kans is dat bij een ongeval bij een risicolocatie 10, 100 of 1.000 slachtoffers tegelijk vallen. Bij transportrisico’s geldt dat de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico overeen komt met de kans op 10 slachtoffers gelijk aan één op de tienduizend (10-4). De kans op 100 slachtoffers gelijk aan één op de miljoen (10-6) enzovoorts. Bij stationaire risicobronnen geldt dat de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico een factor 10 kleiner ligt.

De oriëntatiewaarde voor het groepsrisico is geen wettelijke norm, het is bedoeld als een ijkpunt. Er kunnen redenen zijn dat een gemeente meer of juist minder risico’s accepteert. De gemeente is verplicht om voor iedere situatie een belangenafweging te maken (verantwoording groepsrisico). Daarbij spelen onder anderen de zelfredzaamheid van bewoners, vluchtwegen, economische en maatschappelijke belangen een rol. Beperkt kwetsbare objecten, kwetsbare objecten en zeer kwetsbare objecten Beperkt Kwetsbare objecten Onder beperkt kwetsbare objecten worden onder andere verstaan woningen, hotels, restaurants, kantoren, winkels en sport- en kampeerterreinen, voor zover deze objecten niet tot de kwetsbare objecten behoren. In artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen is een definitie opgenomen van een beperkt kwetsbaar object. Kwetsbare objecten Kwetsbare objecten zijn onder ander woningen (met uitzondering van verspreid liggende woningen met een dichtheid van maximaal twee per hectare en dienst- of bedrijfswoningen), kantoren met meer dan 1.500 m² bruto vloeroppervlak en andere objecten waar zich gedurende een groot deel van de dag grote groepen mensen bevinden of (een deel van de dag) kwetsbare groepen mensen. De kwetsbare objecten staan gedefinieerd in Bevi artikel 1 sub l. Na inwerkingtreding van het Bevi is de definitie van kwetsbare objecten nog verduidelijkt.

Zeer kwetsbare objecten Zeer kwetsbare objecten zijn tevens kwetsbare objecten, ze vormen een subcategorie van de categorie kwetsbare objecten uit het Bevi. Zeer kwetsbare objecten zijn objecten waarin mensen verblijven die zichzelf niet goed in veiligheid kunnen brengen, bijvoorbeeld door een geestelijke of lichamelijke beperking. Voorbeelden hiervan zijn: verzorgingstehuizen, ziekenhuizen en kinderdagverblijven. Waarom onderscheid?

54

Gemeente Pijnacker-Nootdorp

Het onderscheid tussen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten is van belang om te bepalen of de PR 10-6 een grenswaarde is of een richtwaarde. De zeer kwetsbare objecten vormen een nieuwe categorie ten opzichte van het Bevi en spelen een rol in de modernisering van het Omgevingsveiligheidsbeleid (Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations voor besluiten met gevolgen voor de externe veiligheid). Besluit externe veiligheid inrichtingen Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen, al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) verplicht het bevoegde gezag bij ruimtelijke plannen vanuit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en Wet ruimtelijke ordening (Wro) afstanden aan te houden tussen gevoelige objecten en risicovolle bedrijven. Het Bevi heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. Voor de toepassing van het Bevi wordt een nieuw ruimtelijk besluit (waaronder ook een conserverend bestemmingsplan) gezien als een nieuwe situatie. De Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) geeft uitvoering aan het Bevi.

Plaatsgebonden risico Het BEVI gaat bij het plaatsgebonden risico uit van: • Het in acht nemen van een grenswaarde van 10-6 voor kwetsbare objecten. Dit betekent dat altijd moet worden voldaan aan deze grenswaarde. • Rekening houden met een richtwaarde van 10-6 voor beperkt kwetsbare objecten. Dit betekent dat om gewichtige redenen mag worden afgeweken van de richtwaarde. Groepsrisico Bij inrichtingen geldt dat de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico overeen komt met de kans op een ongeval met 10 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-5 per jaar, met de kans op een ongeval met 100 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-7 per jaar en met de kans op een ongeval met 1.000 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-9 per jaar; Wanneer verantwoording groepsrisico Alleen bij een toename van het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht.

De verantwoordingsplicht is van toepassing op: • De vaststelling van een bestemmingsplan (artikel 3.1 Wro); • Inpassingsplan van een project met een provinciaal belang (artikel 3.26, lid 1Wro); • Inpassingsplan van een project met een landelijk belang (artikel 3.28, lid 1 Wro); • Ontheffing van een voorschrift uit de bouwverordening (artikel 11 Woningwet); • Omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 2.1, lid, onder c, Wabo, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2 of 3, of tweede lid, van de Wabo van het bestemmingsplan of de beheerverordening wordt afgeweken. De omgevingsvergunning vervangt het projectbesluit uit artikel 3.10 van de Wro.

Bestemmingsplan “Hart van Nootdorp” te Nootdorp

55

Basisnet Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het Basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen (snelwegen), hoofdwaterwegen (binnenwateren) en hoofdspoorwegen (enkele uitzonderingen daargelaten). Aangezien er in Pijnacker-Nootdorp geen sprake is van transport van gevaarlijke stoffen via hoofdwaterwegen en hoofdspoorwegen zal in het planspecifieke deel alleen aandacht worden besteed aan transport van gevaarlijke stoffen via de hoofdwegen. Het Basisnet heeft als doel een evenwicht voor de lange termijn te creëren tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen, de bebouwde omgeving en de veiligheid van mensen die wonen of verblijven dicht in de buurt van de infrastructuur waar dit vervoer plaatsvindt. Het Basisnet stelt regels aan het vaststellen en beheersen van de risico's voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (vervoerskant) en om mensen die dicht bij deze hoofdwegen wonen of verblijven minimaal een bepaald beschermingsniveau te bieden. Het Basisnet is een heel stelsel van wetten en regels dat op verschillende gebieden haar oorsprong heeft liggen. Vanuit de vervoerskant is er de Wet Vervoer Gevaarlijke Stoffen (Wvgs). De Wvgs is in de afgelopen tijd al aangepast aan het Basisnet. De gewijzigde Wvgs (Stb. 2013, nr. 307) is per 1 april 2015 in werking getreden.

Voor de ruimtelijke ordeningskant is er het Besluit Externe Veiligheid Transportroutes. Dit besluit vindt haar grondslag in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet milieubeheer. Dit besluit vervangt de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen en vindt haar grondslag in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet milieubeheer. Het Bevt is per 1 april 2015 in werking getreden. In de Regeling Basisnet (Stcrt. 2014, nr. 8242, sinds 1 april 2015 in werking) wordt aangegeven waar risicoplafonds liggen langs transportroutes en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkeling. Het Bevt is ook van toepassing op transportassen die niet onder het basisnet vallen. Het plaatsgebonden risico kan worden berekend of worden bepaald met toepassing van de vuistregels uit de Handleiding risicoanalyse transport (Hart). In het Basisnet zijn grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico, richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het Basisnet, kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de basisafstanden in bijlage I, II en III van de Regeling basisnet.

De basisnetafstanden vormen een veiligheidszone hierbinnen mag het plaatsgebonden risico door het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10-6 per jaar. Het gewijzigde Bouwbesluit (Stcrt. 2014, nr. 4057, sinds 1 april 2015 in werking) bevat regels rondom bouwen binnen Plasbrandaandachtsgebieden (PAG). Een PAG is een gebied tot 30 meter vanaf de rechterrand van de rechterrijstrook (excl. vluchtstrook) waarin, bij realisatie van kwetsbare objecten, rekening dient te worden gehouden met de effecten van een plasbrand.

56

Gemeente Pijnacker-Nootdorp

Aan het bouwen van een kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object in een veiligheidszone of een PAG zijn eisen gesteld op grond van artikel 2.3 eerste respectievelijk tweede lid van de Regeling Bouwbesluit 2012. Paragraaf 2.3 van deze regeling is eveneens op 1 april 2015 in werking getreden (Stb. 2015, 92). In beide gevallen moet zijn voldaan aan de artikelen 2.5 t/m 2.9 van voornoemde regeling. Aanvullend moet het mechanisch ventilatiesysteem van een, als beperkt kwetsbare object aan te merken, bouwwerk binnen een veiligheidszone zijn uitgerust met een voorziening waarmee dat systeem bij een calamiteit handmatig kan worden uitgeschakeld (artikel 2.10 van de regeling). Deze bepalingen gelden niet voor bouwwerken met een hoge infrastructurele waarde als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (bijvoorbeeld telefoon- of elektriciteitscentrale). Plaatsgebonden risico Het Bevt gaat bij het plaatsgebonden risico uit van: • Het in acht nemen van een grenswaarde van 10-6 voor kwetsbare objecten. Dit betekent dat altijd moet worden voldaan aan deze grenswaarde. • Rekening houden met een richtwaarde van 10-6 voor beperkt kwetsbare objecten. Dit betekent dat om gewichtige redenen mag worden afgeweken van de richtwaarde.

Groepsrisico Bij transportroutes geldt vanuit het Bevt dat de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico overeen komt met de kans op een ongeval met 10 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-4 per jaar, met de kans op een ongeval met 100 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-6 per jaar en met de kans op een ongeval met 1.000 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-8 per jaar. Wanneer verantwoording groepsrisico? Verantwoording is van toepassing op de volgende besluiten: • De vaststelling van een bestemmingsplan (artikel 3.1 Wro); • Inpassingsplan van een project met een provinciaal belang (artikel 3.26, lid 1Wro); • Inpassingsplan van een project met een landelijk belang (artikel 3.28, lid 1 Wro); • Omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 2.1, lid, onder c, Wabo, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2 of 3, of tweede lid, van de Wabo van het bestemmingsplan of de beheerverordening wordt afgeweken. Het Bevt schrijft voor dat voor alle bovenstaande ruimtelijke plannen binnen het invloedsgebied van een transportroute in ieder geval aandacht moet worden geschonken aan: 1. Mogelijkheden tot voorbereiding van het bestrijden en het beperken van de omvang van een ramp of zwaar ongeval; 2. Zelfredzaamheid ten aanzien van nog niet gerealiseerde (beperkt) kwetsbare objecten.

Hierbij dient niet alleen het invloedsgebied van de maatgevende vervoersklasse (GF3: brandbaar gas) te worden beschouwd, maar ook van overige stoffen die over het wegvak worden vervoerd. Een ruimtelijke ontwikkeling op een afstand groter dan 200 meter levert echter een geringe bijdrage aan de hoogte van het groepsrisico. Daarom

Bestemmingsplan “Hart van Nootdorp” te Nootdorp

57

is het niet effectief om in het gebied op een grotere afstand dan 200 meter van een transportroute uitgebreid de mogelijkheden voor ruimtelijke maatregelen te onderzoeken om het groepsrisico te verkleinen. Alleen wanneer een ruimtelijk plan binnen 200 meter van een transportroute gelegen is, dient een volledige verantwoording afgelegd te worden waarin ook de volgende aspecten worden behandeld: 3. Dichtheid van personen en de verwachte veranderingen; 4. Hoogte van het groepsrisico; 5. Maatregelen ter beperking van het groepsrisico (zowel bronmaatregelen als ruimtelijke maatregelen); 6. Mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen (alternatieve locaties) met een lager groepsrisico en de voor- en nadelen daarvan. Een volledige verantwoording mag ook achterwege blijven indien kan worden aangetoond dat: a. het groepsrisico, niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico, of; b. het groepsrisico, gelet op de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen, met niet meer dan 10% toeneemt en; c. de oriëntatiewaarde, gelet op de dichtheid van personen, niet wordt overschreden.

Besluit externe veiligheid buisleidingen Sinds 1984 wordt er getoetst aan circulaire Zonering langs hoge druk aardgastransportleidingen (1984) en vanaf 1991 ook aan de circulaire Bekendmaking van beleid ten behoeve van de zonering langs transportleidingen voor brandbare vloeistoffen van de K1-, K2- en K3-categorie. Sinds 1 januari 2011 zijn beide circulaires vervangen door het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende regeling. Vanaf 1 juli 2014 vallen ook de chemicaliënleidingen onder dit besluit. Het Bevb regelt onder meer de externe veiligheidsaspecten van buisleidingen. Het Bevb is gebaseerd op de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening. Het externe veiligheidsbeleid voor buisleidingen is in lijn gebracht met het beleid voor inrichtingen en transport. Ook bij buisleidingen geldt dat de hoogte van het groepsrisico en de mate van toename van het groepsrisico bepalen of een volledige verantwoording moet worden opgesteld of dat een beperkte verantwoording volstaat. Plaatsgebonden risico Het Bevb gaat bij het plaatsgebonden risico uit van: • Het in acht nemen van een grenswaarde van 10-6 voor kwetsbare objecten. Dit betekent dat altijd moet worden voldaan aan deze grenswaarde. • Rekening houden met een richtwaarde van 10-6 voor beperkt kwetsbare objecten. Dit betekent dat om gewichtige redenen mag worden afgeweken van de richtwaarde.

Groepsrisico Bij buisleidingen geldt dat de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico overeen komt met de kans op een ongeval met 10 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-4 per jaar, met de kans op een ongeval met 100 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-6 per jaar en met de kans op een ongeval met 1000 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-8 per jaar;

58

Gemeente Pijnacker-Nootdorp

Wanneer verantwoording groepsrisico? De verantwoordingsplicht van het groepsrisico is van toepassing bij de vaststelling van een bestemmingsplan (mede inbegrepen een inpassingsplan), op grond waarvan de aanleg van een buisleiding of de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar of een beperkt kwetsbaar object wordt toegelaten. Echter, ook als de verantwoordingsplicht niet van toepassing is kan in het kader van goede ruimtelijke ordening (artikel 10 Wro) een verantwoording noodzakelijk zijn. Een volledige verantwoording mag buiten toepassing blijven indien kan worden aangetoond dat: a. het groepsrisico, niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico, of; b. het groepsrisico, gelet op de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen, met niet meer dan 10% toeneemt en; c. de oriëntatiewaarde, gelet op de dichtheid van personen, niet wordt overschreden. De beperkte verantwoording dient in ieder geval in te gaan op de volgende onderdelen: I. de aanwezige en de te verwachten dichtheid van personen in het invloedsgebied van de buisleiding; II. de omvang van het groepsrisico; III. de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval; IV. de mogelijkheden van personen die zich bevinden in het invloedsgebied van de risicobron om zichzelf in veiligheid te brengen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10152073/1