bijlage 1a - Participatieverslag ontwerp Omgevingsvisie en planMER, oktober 2021 (1)
Tekst van het document
Beantwoording Wij delen het standpunt van het waterschap dat groen en water met elkaar zijn verbonden. Om dat tot uitdrukking te laten komen zal een tekst met een dergelijke strekking worden toegevoegd aan paragraaf 1.4 waarin een gezond ecosysteem met een hoge biodiversiteit centraal staat.
Conclusie De ontvangen zienswijze leidt tot een aanpassing van de Omgevingsvisie. In paragraaf 1.4 wordt toegevoegd dat ecologie en water sterk met elkaar verbonden zijn en ambities elkaar kunnen versterken.
Pagina 36
5.3 Een beweegvriendelijke groene ruimte In 2050 bewegen we op verschillende manieren. Daarom is zowel binnen als buiten de kernen een divers aanbod van voorzieningen aanwezig om sporten en bewegen te stimuleren. De één kiest er voor om lid te worden van een sportvereniging en de ander gaat zelf op pad in het groen. 5.3.1 Uitbreidingsruimte voor sport In zienswijze 13 wordt aandacht gevraagd voor de sport in Pijnacker. Door de betreffende sportvereniging wordt het bestaande gronddepot gezien als een uitbreidingsmogelijkheid voor het bestaande sportpark De Groene Wijdte. Bij groei van het aantal inwoners zal ook het aantal leden van de sportverenigingen en dus de ruimtebehoefte toenemen. Dat is positief, want sport draagt bij de mentale en fysieke gezondheid van inwoners en voorkomt rondhangende jeugd. Daarnaast bestaan er zorgen over de verkeersveiligheid op de Sportlaan. De afgelopen jaren is er door de gemeente flink geïnvesteerd in bijvoorbeeld het draaien van het hoofdveld en het toevoegen van meer parkeerplaatsen. Eventuele woonbebouwing betekent dat de Sportlaan een verkeersader wordt die de verkeersveiligheid ondermijnd wat voor niemand wenselijk is. Verzocht wordt dan ook om de aanduiding onderzoekslocatie te verwijderen. NMP pleit ervoor om deze locatie toe te voegen aan het groene buitengebied (zienswijze 17).
Mochten locaties voor woningbouw nodig zijn dan gaat de voorkeur uit naar het gebruik van deze locatie en niet het opofferen van andere groene gebieden.
In zienswijze 23 staat een andere suggestie voor uitbreiding van de sportmogelijkheden in Pijnacker. Daarbij wordt voorgesteld om een strook grond te reserveren in het transformatiegebied Rijskade. Daar kunnen de verenigingen dan uitbreiden als de vraag naar sport toeneemt als gevolg van een verdere groei van de gemeente. In zienswijze 58 wordt eveneens gewezen op het belang van het tijdig reserveren en investeren in extra sportvoorzieningen in verband met de groei van het aantal inwoners. Dat geldt zowel voor de georganiseerde als voor de ongeorganiseerde sport(ers). Er worden in deze zienswijze daarvoor verschillende suggesties gedaan. Voor de ongeorganiseerde sporter, die vaker buiten in het groen beweegt, geldt dat deze gebieden goed bereikbaar moeten zijn, voldoende ruimte moeten bieden voor de verschillende gebruikers (aparte ruiterpaden, fietspaden, wandelpaden) en het aanbod gevarieerd moet zijn. Met een gevarieerd aanbod wordt niet alleen verwezen naar de eerder genoemde paden, maar ook naar buitenfitness, ruimte voor bootcamp en niveauverschillen. Dat laatste kan in de vorm van trappetjes en verhogingen die ook de inwoners uitdagen tot meer beweging. Voor de georganiseerde sport wordt aangevuld dat het vestigingsklimaat voor de sportondernemers goed moet zijn.
De provincie Zuid-Holland (zienswijze 296) constateert dat de in de Omgevingsvisie opgenomen onderzoekslocaties gelegen zijn op plekken waar nu sportvelden zijn. Bij transformatie dient voldoende ruimte te blijven voor sport in de gemeente. Daarbij merkt de provincie op dat ook nieuwe sportvelden binnen het bestaand stads- en dorpsgebied een plek moeten krijgen.
Beantwoording Er dient voldoende ruimte te blijven voor sport in de gemeente. In paragraaf 1.3 komt dit tot uitdrukking in de beschrijving dat om aan de lokale behoefte voor sportverenigingen te voldoen er voldoende sportterreinen aangelegd moeten zijn. Hier kan je allerlei georganiseerde (team)sporten beoefenen van tennissen, voetballen, hockeyen en handballen tot korfballen of volleyballen. Deze sporthallen en parken liggen binnen of aansluitend aan de bebouwde kom”. Het door de provincie aangehaalde uitgangspunt is dus al onderdeel van de Omgevingsvisie. Voor het verzoek om het gronddepot te reserveren voor een toekomstige ruimtebehoefte aan sportvelden- en accommodaties zien wij dan ook geen aanleiding.
Pagina 37
De verwachting is dat het gronddepot aan de Sportlaan in de toekomst niet meer als zodanig zal worden gebruikt. Dat betekent dat een nieuwe functie aan dit gebied kan worden gegeven. Het onderzoek is erop gericht om het gebied een functie te geven die aansluit bij de ambities benoemd in de Omgevingsvisie. Daarbij willen en kunnen we nu niet vooruit lopen op de uitkomsten van dit onderzoek. Het onderzoek heeft tot doel om te komen tot een goed gemotiveerde keuze voor de toekomstige invulling, rekening houdend met de beperkingen van de locatie en de kansen om bij te dragen aan één of meerdere ambities met behulp van het kompas. Voorbeelden van mogelijke functies zijn: maatschappelijke voorzieningen (in relatie tot de Groene Wijdte), biodiversiteit, klimaatadaptatie, woningbouw en energietransitie. Uiteraard wordt daarbij rekening gehouden met de kenmerken van de omgeving zoals de verkeersveiligheid, milieuzoneringen en andere planologische afwegingen. Overigens hebben wij bij het in ontwikkeling zijnde Fietsplan ook zorgen gehoord over de huidige verkeersveiligheid op de Sportlaan. Graag gaan we in gesprek met de sportverenigingen, het Stanislascollege, de Viergang en eventuele andere betrokkenen over hoe de veiligheid(sbeleving) kan worden verbeterd.
De suggestie om een deel van het transformatiegebied Rijskade te reserveren voor sport ondersteunen wij niet. Niet alleen omdat er, zoals hierboven is beargumenteerd, geen aanleiding is voor een dergelijke reservering. We willen met de transformatie van dit gebied bijdragen aan het realiseren van onze woningbouwopgave. Deze opgave is nodig om de lokale woningbehoefte op (lange) termijn in te vullen. De suggesties voor voorzieningen voor ongeorganiseerde sporters ervaren wij als waardevolle input voor de uitwerking van de Omgevingsvisie in omgevingsprogramma’s. Hier zullen we maatregelen opnemen voor de ongeorganiseerde sport zowel binnen als buiten de woonkernen.
Conclusie: De ontvangen zienswijzen leiden niet tot een aanpassing van de Omgevingsvisie.
5.3.2 Ruimte voor wandelen en fietsen Het is soms erg druk in de groene buitengebieden met wandelaars, fietsers, mountainbikers en wielrenners. Afgelopen lente struinden recreanten door de natuurgebieden en veroorzaakten daarmee onrust bij broedende vogels. Wanneer er voldoende ruimte is voor recreatie dan zouden de natuurgebieden tijdelijk afgesloten kunnen worden, om de dieren rust te geven. In zienswijze 25 wordt daarnaast aandacht gevraagd voor de behoefte van mountainbikers aan trails en voor meer routes voor wielrenners. NMP heeft daarentegen grote reserves tegen de aanleg van
mountainbikeroutes in het algemeen en in natuurgebieden in het bijzonder. Voorkomen moet worden dat extra paden leiden tot meer versnippering van smalle, groene zones (zienswijze 17). Het komt nog te vaak voor dat je over de weg of een fietspad moet lopen wanneer je tussen de kernen en richting de Delftse Hout loopt. Dat is niet veilig, terwijl het juist zo goed is dat mensen een wandeling maken (zienswijze 213). Om die reden zou er ook een voetpad moeten lopen van Delfgauw naar het tuincentrum Ranzijn. De GGD (zienswijze 208) benadrukt dat het belangrijke is dat groenblauwe structureren aantrekkelijk en bruikbaar zijn voor meerdere doeleinden. Door (gecombineerde) natuurspeeltuinen en paden die uitnodigen voor een ommetje. Herinrichting van de openbare ruimte is het moment om meer ruimte te maken voor groen, bewegen en ontmoeten en minder voor de auto. Daarbij is het belangrijk om aandacht te houden voor het voorkomen van onveilige situaties, allergieën of dierplagen.
Pagina 38
Beantwoording Wij herkennen de ervaring van betrokkene dat de recreatiedruk in de natuur- en recreatiegebieden toeneemt. Dat kan natuurwaarden, zoals broedende vogels, onder druk zetten en geeft soms ook spanningen tussen de verschillende soorten recreanten. Deels vloeit dit ook voort uit het gedrag van recreanten. Dit aandachtspunt voegen wij toe aan paragraaf 1.3 en zal verder worden uitgewerkt in een omgevingsprogramma. Een goede zonering van de gebieden kan een bijdrage leveren aan de omgang met deze problematiek. Hierbij zijn de terreinbeheerders als Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten en de Groenzoom belangrijke partners. Dit geldt ook voor de wens om een voetpad te realiseren naar het tuincentrum bij Delfgauw. Deze wens past overigens ook goed bij het onderzoek naar de mogelijkheden om aan een deel van de onderzoekslocatie langs de A13 in Emerald (het meest noordelijke, rond het tuincentrum) woningen voor doelgroepen toe te voegen, waarbij rekening wordt gehouden met de algemene waardering voor het groen en de mede daaruit voortvloeiende waarde die het gebied nu heeft voor ontmoeten, bewegen, honden uitlaten, wandelen en spelen (het meest zuidelijke deel). Het belang van groenblauwe structureren voor de gezondheid van mensen onderschrijven wij. Op diverse plekken in de Omgevingsvisie besteden we hier aandacht aan, bijvoorbeeld in paragraaf 2.5.
De Omgevingsvisie geeft uitgangspunten en voorwaarden mee voor de afweging over de realisatie van nieuwe voorzieningen.
Zo zijn mountainbikeroutes alleen mogelijk als deze aansluiten bij deze uitgangspunten en ambities. De afweging en uitvoering van dergelijke voorzieningen gebeurt in overleg met de beheerders en de gebruikersplatforms in de verschillende natuur- en recreatiegebieden.
Conclusie De ontvangen zienswijzen leiden tot aanpassing van de Omgevingsvisie. Aan paragraaf 1.3 wordt de volgende tekst toegevoegd: “Daarbij hebben we aandacht voor de toegenomen recreatiedruk op het groene buitengebied door een diversiteit aan recreanten. Een goede zonering van recreatie draagt bij aan de omgang met de recreatiedruk op de groene gebieden.
5.3.3 Toegankelijkheid voor ouderen KBO-PCOB onderschrijft het belang van een beweegvriendelijke openbare ruimte in zienswijze 295. Daarbij vragen ze extra aandacht voor ouderen, omdat een openbare ruimte met aantrekkelijke en veilige wandelroutes uitnodigt tot bewegen en het leggen van sociale contacten. Bij bestaande en nieuw te realiseren woonruimtes voor ouderen moet dan ook gezorgd worden voor omgeving die uitnodigt tot bewegen en contact. Daar wordt in zienswijze 23 aan toegevoegd dat de openbare ruimte op dit moment slecht toegankelijk is voor ouderen omdat er geen sanitaire voorzieningen zijn, bijvoorbeeld rondom de Ackerdijkse Plassen.
Beantwoording Wij onderschrijven het belang van een beweegvriendelijke openbare ruimte die uitnodigt tot bewegen en ontmoeten, ook voor ouderen. In de Omgevingsvisie is dit terug te vinden in bijvoorbeeld paragraaf 1.3, waar benoemd wordt dat dit niet alleen in grote ruimtelijke ingrepen zit maar ook in kleine aandachtspunten zoals herkenningstegels voor ouderen of ommetjes door de wijk. Dit is een vervolg op paragraaf 1.2 waarin beschreven wordt dat bankjes op verschillende plekken informele ontmoeting vergemakkelijken. Dit moet uiteraard samengaan met een ervaring van veiligheid door middel van een overzichtelijke, voorspelbare, nette en ordelijke openbare ruimte. Dat is beschreven in paragraaf 2.5. Wij zijn van mening dat daarmee in de Omgevingsvisie voldoende aandacht is gegeven aan een beweegvriendelijke openbare ruimte in het algemeen en voor ouderen in het bijzonder. De plaatsing van sanitaire voorzieningen is een onderwerp dat voor de Omgevingsvisie van een te groot detailniveau is.
Conclusie De ontvangen zienswijze leiden niet tot een aanpassing van de Omgevingsvisie.
5.4 Een gezond ecosysteem met een hoge biodiversiteit In 2050 bestaat het lokale natuurnetwerk uit de groene buitengebieden samen met de daarop aangesloten groenstructuren in de kernen, de (glas)tuinbouwgebieden en de bedrijventerreinen. Dit netwerk van leefgebieden en ecologische Pagina 39
verbindingszones is de basis voor het behoud en de vergroting van de biodiversiteit in de gemeente. 5.4.1 Netto versterking van ecologie en biodiversiteit NMP stelt (in zienswijze 17) dat de Omgevingsvisie moet resulteren in een netto versterking van ecologie en biodiversiteit in zowel de groene buitengebieden als het groen in de kernen. Zonder concrete doelen kan de natuur onvoldoende tegenwicht bieden aan de voor de mens urgenter en belangrijker lijkende ambities als wonen, verkeer, energie en economie. In het licht van deze concrete en hogere ambitie vraagt NMP om met voorrang een omgevingsprogramma natuur en biodiversiteit uit te werken. Hierin moeten alle aspecten worden meegenomen: fysieke ruimte, aanleg, onderhoud en beheer van al het groen binnen en buiten de bebouwde kom. Dit zal zorgen voor een sterkere verankering van het beleid en internalisatie in andere gemeentelijke beleidsterreinen. Daardoor wordt ecologie niet langer beschouwd als een facultatieve sluitpost, maar een integraal onderdeel van ontwerp, uitvoering en beheer. De oproep om te stoppen met klepelen en in plaats daarvan bermen en oevers ecologisch te beheren door maaien en afvoeren is hier een goed voorbeeld van. Net als het voorstel om als voorwaarde op te nemen dat natuurwaarden die verloren gaan door ruimtelijke ingrepen gecompenseerd moeten worden.
Op pagina 13 tot en met 18 van de zienswijze worden concrete aanbevelingen gedaan voor het omgevingsprogramma. Deze oproep wordt,
weliswaar met een iets andere opzet, gesteund door het Milieuplatform (zienswijze 186) en aangevuld met de oproep om niet alleen te kijken naar de kwantiteit (75 m2 groen per woning), maar ook naar de kwaliteit. Ontzie de natuur en haal achterstanden in om de toenemende woning- en recreatiedruk vanuit de stedelijke omgeving op te kunnen vangen. Verder doet de NMP de suggestie om een bedrijfslocatie in de Groenzoom te ontwikkelen als ecologische verbinding (genoemd de Sideron-locatie).
Beantwoording Wij zijn inderdaad voornemens om een omgevingsprogramma te maken. Daar zullen veel van de door NMP aangedragen onderwerpen in worden opgenomen. Voorbeeld daarvan is de wijze waarop (het groen in) de openbare ruimte wordt beheerd. De suggesties over de inhoud van het omgevingsprogramma nemen we mee bij het opstellen hiervan. Ten aanzien van biodiversiteit merken we op dat wij streven naar een diversiteit aan gebieden. Deze gebieden worden zo ingericht dat ze aantrekkelijk zijn voor doelsoorten (planten en dieren). Het groen in en om de kernen heeft daarnaast ook een recreatieve doelstelling. Een goede zonering van meer beschermde, rustige gebieden versus meer recreatieve gebieden biedt de mogelijkheid om beide ambities een plek te geven.
Het is altijd de bedoeling geweest om de Sideronlocatie toe te voegen aan de Groenzoom, daarom is er ook een wijzigingsbevoegdheid daartoe opgenomen in het bestemmingsplan. Indien zich de kans voordoet om dit te realiseren dan zullen wij ons zeker inspannen om de Groenzoom daar uit te breiden. Wij kiezen ervoor om geen (kwalitatief dan wel kwantitatief) compensatiebeginsel op te nemen, zoals door de indieners wordt voorgesteld. De Omgevingsvisie bevat volgens ons voldoende waarborgen om de groene contour te handhaven en wordt (mede) naar aanleiding van deze en andere zienswijzen (zie paragraaf 2.3.1) nog eens extra scherp opgenomen in zowel de inleidende tekst van ontwikkelingslijn 1 als in paragraaf 1.1.
Conclusie De ontvangen zienswijzen leidt niet tot een aanpassing van de Omgevingsvisie.
Beantwoording
Beantwoording
Op verschillende manieren kan er sprake zijn van overlast of beleving van overlast door dieren. Voorbeelden zijn de bestrijding van exoten, ganzenpoep op de openbare weg, en de schade van predatoren voor weidevogels. Aangezien we niet weten of er zich overlast gaat voordoen en wat hier dan de oorzaak van is, nemen wij geen algemene ambitie op in de Omgevingsvisie. De Omgevingsvisie bevat op verschillende plekken relevante doelstellingen en uitgangspunten die voldoende aanknopingspunten bieden voor eventuele maatregelen in het reguliere beheer en onderhoud van de openbare ruimte. Daarbij wijzen wij onder andere op paragraaf 1.2: Een aantrekkelijke, groene (openbare) ruimte, paragraaf 1.4: Een gezond ecosysteem met een hoge biodiversiteit, paragraaf 2.5: Een gezonde en veilige leefomgeving en paragraaf. 4.3: Een goede omgevingskwaliteit.
In de Omgevingsvisie is de ambitie opgenomen voor een samenhangend ecologisch netwerk. Wij ondersteunen het grote belang hiervan. Aangezien de Omgevingsvisie een lange termijnvisie op hoofdlijnen is, zijn de ecologische verbindingen op eenzelfde globaal niveau opgenomen. De concrete uitwerking daarvan vindt plaats in een omgevingsprogramma. Naar aanleiding van deze (en andere zienswijzen) passen we de kaart op pagina 23 aan door duidelijker aan te geven hoe het ecologische netwerk er op een hoger abstractieniveau uit ziet. In paragraaf 3.1.1 van dit Participatieverslag is hierover meer te lezen.
Conclusie 5.4.2 Overlast van dieren Er zijn naast zienswijzen die oproepen tot een ambitieuzere inzet voor de biodiversiteit ook zienswijzen ontvangen die vragen (zienswijze 21) om aandacht voor de negatieve gevolgen van de dieren die in deze leefgebieden wonen. Daarbij gaat het met name om de vraag hoe wordt voorkomen dat er overlast ontstaat van de vogels die aangetrokken worden door de groene leefgebieden.
Pagina 40
De ontvangen zienswijze leidt niet tot een aanpassing van de Omgevingsvisie.
5.4.3. Ecologische verbindingen concreet aangeven Ecologische verbindingen zijn van groot belang voor een robuust ecosysteem. Daarom verzoeken zowel NMP (zienswijze 17) als het Milieuplatform (zienswijze 186) om in de Omgevingsvisie in zowel de teksten als op de kaarten concreet aan te geven waar verbindingen worden gerealiseerd. Bijzondere aandacht wordt gevraagd voor de ecologische verbinding tussen de Noord- en Zuidpolder.
Conclusie De ontvangen zienswijze leidt tot een aanpassing van de Omgevingsvisie. Op de kaart behorende bij ontwikkelingslijn 1 (pagina 23) wordt het ecologisch netwerk duidelijker aangegeven door onder andere ecologische pijlen toe te voegen bij de Katwijkerlaan (Groenzoom-De Balij), bij de Laan van Floris V, bij de locatie Ridderspoor /Lobelia, en ter hoogte van de groenstrook tussen Delfgauw en de A13. Ook voegen we twee ecologische pijlen toe die een verbinding maken met ons groengebied en de groengebieden over de A12 en de A13 heen.
5.4.4 Groene verbindingen, ecologie en glastuinbouw In het ontwerp van de Omgevingsvisie wordt ingegaan op het verbinden en vervlechten van functie. Voorbeelden daarvan zijn verbindingen voor langzaam verkeer, groen en ecologie door het glastuinbouwgebied. Glastuinbouw Nederland (zienswijze 241) onderschrijft dit, maar ziet vooral risico’s. In zienswijze 241 uiten ze dan ook de voorkeur om vanwege de verkeersveiligheid geen langzaam verkeersroutes door de glastuinbouwgebieden, maar juist langs de glastuinbouwgebieden te realiseren. Voor wat betreft de kansen voor biodiversiteit in de glastuinbouw vindt Glastuinbouw Nederland dat eerst onderzoek moet worden gedaan naar het effect van verhoogde biodiversiteit nabij de kassen op de gewassen in de kas. Gezien de afnemende mogelijkheden om met gewasbestrijdingsmiddelen in te grijpen bij plagen en aantastingen, moet eerst worden gekeken naar de mogelijke economische schade, voordat tot uitbreiding van de biodiversiteit kan worden overgegaan. Dit onderzoek vindt momenteel plaats en kan tot positieve, maar ook negatieve uitkomsten leiden.
Pagina 41
Beantwoording Wij zijn blij dat Glastuinbouw Nederland de meerwaarde ziet van verbinding en dan in het bijzonder verbindingen in en met de glastuinbouw. Wij begrijpen ook dat dit tot zorgen leidt. Bij de afweging voor de realisatie van routes voor langzaam verkeer en biodiversiteit in de duurzame glastuinbouwgebieden komen verschillende belangen samen. Uiteraard mag de wens tot verbinding niet onevenredig ten koste gaan van de glastuinbouwbedrijven. Wij hebben er vertrouwen in dat er een goede oplossing kan worden gevonden. Maatschappelijke voorzieningen in de glastuinbouwgebieden dragen ook bij aan een stevigere positie van de glastuinbouwsector in de samenleving. Fietsroutes kunnen bijvoorbeeld bijdragen aan de beleving van inwoners van de glastuinbouwgebieden. De afweging om dergelijke voorzieningen daadwerkelijk te realiseren, zien wij als onderdeel van de herstructureringsopgave. Het onderzoek waar de indiener op wijst is bij deze afweging waardevolle input.
Conclusie De ontvangen zienswijze leidt niet tot een aanpassing van de Omgevingsvisie.
6. Zienswijzen ontwikkelingslijn 2: karakteristieke woon- en leefomgeving 6.1 Een herkenbare woonomgeving Ook in 2050 Is Pijnacker-Nootdorp nog steeds een herkenbare, landelijke gemeente. De woonomgeving heeft een eigen identiteit en kwaliteit. Die is niet in één woord te vangen, maar het resultaat van allerlei factoren die samen dat gevoel van geborgenheid en eigenheid aan onze gemeente geven.
en landelijke woonervaring en ervoor zorgt dat de uitbreidingen bijdragen aan de herkenbaarheid en identiteit van de gemeente. De provincie verzoekt om tegen deze achtergrond nog eens kritisch te bezien wat de gemeente kan betekenen in verdere verdichting.
Beantwoording 6.1.1 Identiteit van Pijnacker-Nootdorp De provincie Zuid-Holland uit in zienswijze 296 haar waardering voor de aandacht die de Omgevingsvisie heeft voor cultuurhistorische structuren en de wijze waarop deze aandacht in de ontwikkelingslijnen terugkomt. In zienswijze 186 benadrukt het Milieuplatform het belang van cultuurhistorische lijnen en elementen en gebiedseigen bebouwingskarakteristieken. De linten in het buitengebied vragen daarbij bijzondere aandacht. Niet alleen bieden die kansen voor ecologische verbindingen, maar ze lopen ook een risico op verrommeling door toepassing van de regeling ruimte voor ruimte. De provincie overweegt om verdichting van nieuwe wijken vast te leggen in beleid. Daarmee wil zij een bijdrage leveren aan de grote woningbehoefte. Deze verdichting naar 30 tot 45 woningen per hectare sluit niet aan bij de in de Omgevingsvisie opgenomen ambities en woonmilieus. Hier staat namelijk dat de gemeente zich richt op een dorpse Pagina 42
Pijnacker-Nootdorp is een landelijke gemeente tussen de grote steden. Dit zorgt voor een unieke combinatie van wonen in kleinere, groene en dorpse gemeenschappen terwijl de stad door de goede verbindingen dichtbij is. Met de voorliggende Omgevingsvisie wordt ruimte geboden om de woningvoorraad uit te breiden en daarmee een bijdrage te leveren aan de grote woningbehoefte. We hebben daarbij een balans gezocht tussen de behoefte aan woningen enerzijds en het behouden van de waardevolle dorpse- en landelijke woonervaring. In zowel de Woonvisie Woningmarktregio Haaglanden (2017-2021) als de provinciale Woningbehoefteverkenning ZuidHolland 2019 wordt het belang en de behoefte aan meer dorps- en landelijke woonmilieus vastgesteld. Ruimte voor meer woningen dan we in de Omgevingsvisie hebben opgenomen zien we daarbij niet. Dat komt ook door de aandacht voor cultuurhistorische lijnen en elementen en gebiedseigen bebouwingskarakteristieken.
Onze Lintenvisie is daarbij een instrument om op karakteristieke plekken verrommeling te voorkomen. De randvoorwaarden die hierin zijn opgenomen gelden als uitgangpunt voor nieuwe ontwikkelingen op deze plekken, maar vormen tegelijkertijd een beperking voor verdere verdichting. Hiermee zorgen we ervoor dat de huidige kwaliteiten en kenmerken geborgd blijven die voor zowel de gemeente als de regio belangrijk zijn. Een generieke, vastgestelde woningdichtheid van 30 tot 45 woningen per hectare past hier niet bij. Wij zijn van mening dat er per gemeente en zelfs per locatie onderzocht moet worden wat de mogelijkheden zijn met betrekking tot verdichting.
Conclusie De ontvangen zienswijze leidt niet tot een aanpassing van de Omgevingsvisie
6.2 Een hechte gemeenschap Pijnacker-Nootdorp is in 2050 een inclusieve gemeente. Dat betekent dat iedereen op zijn of haar eigen wijze mee doet in de samenleving. De eigen kracht van inwoners en het omzien naar elkaar is de basis voor de gemeenschap. De fysieke leefomgeving creëert de randvoorwaarden voor ontmoeting, ontplooiing en leren wat de betrokkenheid van inwoners naar elkaar versterkt. 6.2.1 Levendige centra In de zienswijzen wordt gevraagd naar het plan voor horeca in Nootdorp. Nu is deze vooral geconcentreerd in de Dorpsstraat (zienswijze 5).
Beantwoording In de Omgevingsvisie zijn gebiedsprofielen opgenomen die een beeld schetsen van verschillende gebiedstypes in Pijnacker-Nootdorp. Eén van die profielen is het profiel voor ‘levendige ontmoetingscentra’. Dit profiel is van toepassing op het gebied rondom De Parade in Nootdorp. Deze gebieden vormen nu en in de toekomst een plek voor inwoners om elkaar te ontmoeten. Een horecafunctie past hier bij. We bieden in en rondom de centra dan ook de ruimte voor horecagelegenheden. In aanvulling op de Dorpsstraat zijn er ook in de Parade mogelijkheden voor horeca. De precieze mogelijkheden en locaties zijn vastgelegd in het Bestemmingplan ‘Centrum Nootdorp’. De uiteindelijke invulling hiervan wordt bepaald door ondernemers die op een passende locatie een horecagelegenheid willen openen.
Pagina 43
Conclusie
Beantwoording
De ontvangen zienswijze leidt niet tot een aanpassing van de Omgevingsvisie.
In de Omgevingsvisie houden we rekening met een groei van het aantal inwoners en de gevolgen die dit heeft voor de druk op maatschappelijke voorzieningen. We hebben daarover opgenomen dat we de voorzieningen afstemmen op de behoefte van de inwoners. Dit betekent dat wanneer we als gemeente groeien of bepaalde doelgroepen binnen de gemeente groeien we hier de voorzieningen op willen aansluiten. Dit geld voor zowel onderwijs- als woon-, welzijns- en zorgvoorzieningen voor onze ouderen. Voor de woon-zorgbehoefte wordt momenteel een onderzoek uitgevoerd. Hierin wordt in concrete cijfers op kernniveau inzichtelijk welke behoefte er verwacht wordt tot 2050. De uitkomsten hiervan gebruiken we voor het bepalen van de (woningbouw)programma op de in de Omgevingsvisie opgenomen transformatielocaties en bij eventuele verdichtingen binnen de woonkernen. Dit doen we in overleg met het zorgkantoor en de zorgaanbieders in onze gemeente.
6.2.2 Maatschappelijke voorzieningen De komende jaren zal Pijnacker-Nootdorp nog flink groeien naar 100.000 inwoners. Dat heeft ook effect op de maatschappelijke voorzieningen. Zo is het op Stanislas nu al heel druk. In de Omgevingsvisie moet hier ook aandacht voor zijn (zienswijze 12). KBO-PCOB voegt daar in zienswijze 295 aan toe dat de toename van het aandeel 75+huishoudens effecten zal hebben op de woon-, welzijns- en zorgvoorzieningen. De vraag is op welke wijze de gemeente daar tijdig en adequaat op in gaat spelen. Het KBO-PCOB vraagt om alle mogelijke maatregelen te nemen die de ontwikkeling van nieuwe woonzorgvormen voor ouderen stimuleren en daarmee de lacune tussen zelfstandig wonen en wonen in een verpleeghuis opvullen. Passende locaties voor woningen voor senioren ziet KBO-PCOB in de huidige sportvelden van RKDEO in Nootdorp en de Nootdorpseweg/Europalaan in Pijnacker.
Conclusie De ontvangen zienswijzen leiden niet tot een aanpassing van de Omgevingsvisie.
6.3 Een goede lokale en regionale bereikbaarheid Ook in 2050 is Pijnacker-Nootdorp lokaal en regionaal goed bereikbaar. Dit doen we door in te zetten op duurzame vervoersvormen zoals lopen, fietsen en openbaar vervoer. 6.3.1 Drukke wegen Er worden zorgen geuit over verkeersdrukte. Zo is het verkeer vanuit Ypenburg naar Nootdorp erg druk. Zijn er plannen om meer auto’s te gaan weren (zienswijze 5). Een andere inwoner merkt op dat de verbinding tussen Pijnacker en Nootdorp kwetsbaar is en filegevoelig. Zeker omdat er vanuit Nootdorp geen directe aansluitingen zijn op de N470. De Omgevingsvisie moet beschrijven op welke wijze hier actie op zal worden ondernomen (zienswijze 12). De bewonersvereniging Bos van ’sGravenhout (zienswijze 286) is van mening dat een deugdelijke analyse van de te verwachten intensivering van het verkeer ontbreekt. Meer inwoners betekent meer verkeer. Daarbij gaat het de bewonersvereniging vooral om de autobewegingen op de Hofweg. Zij zijn van mening dat de huidige situatie al onacceptabel is voor wat betreft geluid, luchtkwaliteit en leefbaarheid. Daarom moet een onderzoek gedaan worden naar de gevolgen voor de verkeerssituatie in Nootdorp en de noodzakelijke aanpassingen aan de Hofweg.
Pagina 44
Beantwoording Mede ten behoeve van de Omgevingsvisie is een verkeersstudie uitgevoerd waarin is onderzocht wat de invloed is van de ambities uit de Omgevingsvisie op het verkeersnetwerk. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage van het planMER dat hoort bij de Omgevingsvisie. De conclusie die daaruit volgt is dat er geen of een beperkte invloed is op de kwaliteit van het gehele verkeersnetwerk. Enerzijds zien we dat de Omgevingsvisie naar verwachting een positief effect heeft op het netwerk van lopen, fietsen en openbaar vervoer. Deze duurzame vervoerstypen zullen door de bredere fietspaden, metropolitane fietsroutes, aangename loopvoorzieningen, verbeterde first en lastmile oplossingen, deelmobiliteit en frequentie verhoging van de E-lijn vaker gebruikt worden. Tegelijkertijd verwachten we een autonome groei van het aantal bewegingen door de ambities met betrekking tot wonen en economie. Per saldo zorgt dit ervoor dat er verwacht wordt dat de invloed op het verkeersnetwerk beperkt zal zijn. Er zijn geen plannen om auto’s te weren ten behoeve van de verkeerssituatie. Uit de reacties van onze inwoners tijdens het participatietraject voor opstelling van de Omgevingsvisie is gebleken dat veel inwoners de auto voor de deur erg waarderen en dit als onderdeel zien van de dorpse beleving van onze gemeente. Wel zetten we in op een toename in het gebruik van de duurzamere vervoerswijzen.
Door voldoende alternatieve mogelijkheden te bieden die in reistijd even snel of zelfs sneller zijn hopen we weggebruikers te verleiden om voor een andere, duurzamere vervoerswijze te kiezen.
Dit doen we om de druk op het wegennet te beperken bij verdere groei, maar ook voor de positieve gevolgen die dit heeft voor de omgevingskwaliteit (geluid, lucht, leefbaarheid). Uiteraard blijven we anticiperen op nieuwe ontwikkelingen en blijven we het wegennet monitoren, zodat we kunnen inspelen op (te verwachten) knelpunten. Conclusie De ontvangen zienswijzen leiden niet tot een aanpassing van de Omgevingsvisie.
6.3.2 Openbaar vervoer Geconstateerd wordt (in zienswijze 23) dat er een fout zit in paragraaf 2.3 Daarin staat dat er ook richting Den Haag een hogere frequentie komt, maar dat is niet geval. Daarvoor is de keerlus op de verkeerde locatie gelegd.
gemeente dit voor zich ziet? In zienswijze 216 wordt gevraagd naar de mogelijkheden om in de straat parkeren voor een elektrische auto op eigen terrein te realiseren. Daarmee wordt het aantal parkeerplekken verhoogd en blijven algemene laadpalen beschikbaar.
Beantwoording In paragraaf 2.3. van de Omgevingsvisie schetsen we een toekomstbeeld voor Pijnacker-Nootdorp als het gaat om mobiliteit. De inzet is hierbij een hogere frequentie van het openbaar vervoer, onder andere om het gebruik hiervan te stimuleren. Met de genoemde keerlus is de frequentie richting Rotterdam nu al verhoogd, maar ook richting Den Haag is frequentieverhoging gewenst. Op dit moment voert de MRDH een studie uit naar capaciteitsverhoging van het gehele metronetwerk. Deze studie gaat voor lijn E uit van een frequentieverhoging naar 12 metro's per uur. De uitkomsten van deze studie worden eind 2021 verwacht.
Conclusie De ontvangen zienswijze leidt niet tot een aanpassing van de Omgevingsvisie.
Beantwoording Het inpassen van de laadinfrastructuur in de openbare ruimte is een opgave waar we als gemeente aandacht voor hebben. We hebben hier al beleid voor. Zo is het uitgangspunt nu dat alleen openbare laadpalen geplaatst worden wanneer inwoners geen parkeerplaats op eigen terrein hebben. We proberen de laadbehoefte daarmee zoveel mogelijk op privaat terrein op te vangen en de druk op de openbare ruimte te verlagen. Tegelijkertijd realiseren we ons dat deze opgave de komende jaren, met de toename in het gebruik van elektrische voertuigen, groter zal worden. We werken momenteel dan ook aan het actualiseren van ons beleid voor laadpalen met een visie op laadinfrastructuur. Deze geeft meer duidelijkheid over wat er mogelijk is en waar het mogelijk is. Deze visie wordt naar verwachting medio december 2021 vastgesteld door de raad.
Conclusie 6.3.3 Elektrisch rijden en laadpalen In zienswijze 23 worden zorgen geuit over de laadpalen die nodig zijn voor het elektrisch rijden. Een oerwoud aan laadpalen is een ongewenst toekomstbeeld. De vraag is dan ook hoe de
Pagina 45
De ontvangen zienswijzen leiden niet tot een aanpassing van de Omgevingsvisie.
6.3.4 Autoluwe straten Als bewoners van het (oude) centrum van Pijnacker, bepleiten de indieners van zienswijze 265, 266, 269, het autoluw maken van straten zoals de Willem de Zwijgerlaan, Korteweg, Julianalaan, Emmastraat en Stationsstraat. Deze zijn sinds de herinrichting de enige straten om het centrum in en uit te rijden. De straten zijn ontworpen als wegen voor doorgaand en vaak zwaar verkeer. Om het woongenot en de verkeersveiligheid te verbeteren wordt voorgesteld om de wegen om te zetten naar een woonerf of gebied waarin de auto te gast is met veel ruimte voor groen. Daarmee wordt de openbare ruimte weer voor alle bewoners en overige weggebruikers in plaats van voor de auto.
Beantwoording De straten in het (oude) centrum van Pijnacker zijn ontworpen als veilige 30 kilometer per uur erftoegangswegen. Hiervoor zijn er onder andere snelheidsremmende maatregelen genomen en is er een trottoir voor voetgangers. Er maken voornamelijk wijkbewoners gebruik van de straten, maar er is ook vrachtverkeer uit de wijk. Buiten het centrum zijn er ook bedrijven en winkels die bevoorraad moeten worden. Ook bewoners willen graag hun spullen thuisbezorgd krijgen. Sommige straten hebben een wijkverzamelfunctie voor andere straten. Op wijkniveau is er dus altijd sprake van doorgaand verkeer. In deze situatie is het inrichten van erftoegangswegen als woonerf niet wenselijk. Een woonerf werkt alleen goed in korte, doodlopende woonstraten. De erftoegangswegen zouden er niet autoluw door worden en ook niet veiliger. Het zou (wettelijk) betekenen dat alle trottoirs verdwijnen en de voetganger en spelende kinderen zich tussen het rijdend verkeer moeten begeven. Iedere automobilist zou in het hele gebied alleen nog maar stapvoets mogen rijden. Dit is voor de automobilist alleen op heel korte afstand vol te houden. Op de langere afstand zal niet meer stapvoets gereden worden, met alle risico’s van dien.
Conclusie De ontvangen zienswijzen leiden niet tot een aanpassing van de Omgevingsvisie.
Pagina 46
6.4 Een evenwichtige woningvoorraad In de Omgevingsvisie beschrijven we de ambitie om in 2050 vraag naar en aanbod van woningen te hebben verbeterd door uitbreiding van de woningvoorraad op plekken waar dit de identiteit en herkenbaarheid van Pijnacker-Nootdorp kan versterken. In dat kader hebben we over de volgende onderwerpen zienswijzen ontvangen. 6.4.1 Uitbreiding van de woningvoorraad Er zijn verschillende zienswijzen ontvangen over de in de Omgevingsvisie voorgestelde transformatielocaties. Heel concreet wordt (in zienswijze 5) gevraagd naar het aantal woningen dat er in de komende tien tot twintig jaar zal worden gebouwd in Nootdorp en waar die woningen gebouwd zullen gaan worden. Het Milieuplatform (zienswijze 186) kan zich vinden in de nu voorgestelde uitbreidingen, maar is wel van mening dat er daarna geen ruimte meer is voor extra bouwopgaven. Daarom wordt geadviseerd om tijdig strategische argumenten (zoals de rol van Pijnacker-Nootdorp als aanbieder van rust en ontspanning in het groen) op te stellen om tegengas te geven bij eventuele toekomstige nieuwe externe druk om nog meer woningen te bouwen. Ook worden er randvoorwaarden genoemd die meegenomen kunnen worden bij ontwikkeling van locaties.
Bij transformatie van Balijade verzoekt NMP (zienswijze 17) om een deel van het gebied te benutten voor uitbreiding van de Balij of minimaal een groene bufferzone ter afscheiding. De indieners van zienswijze 299 willen
vier woningen bouwen in het groengebied achter het perceel Vlielandseweg 8 (zie kaartje).
Er zijn ook zienswijzen ontvangen waarin zorgen worden geuit over nieuwe woningen. Zo hoopt een aantal mensen dat er niet meer bijgebouwd zal worden (zienswijze 18). De afgelopen 30 jaar zijn er al zoveel woningen bijgebouwd en zo snel dat de vrees is dat de visie niet realistisch is en er nog veel meer wordt gebouwd. Uit het kaartje blijkt niet zo duidelijk waar er nu precies wordt gebouwd. Ook in zienswijze 111 wordt een oproep gedaan om in Pijnacker niet verder te bouwen zodat het dorpse en de rust nog een beetje behouden blijven. Pijnacker is nu wel groot en vol genoeg. De bestaande natuur moet echt behouden blijven, zonder zijn we nergens meer.
De indiener van zienswijzen 213 vraagt om zuinig om te gaan met de beperkte openbare ruimte die we nog hebben. De afgelopen tijd is iedereen dat steeds meer gaan waarderen. Verdichting zou daarom wellicht beter kunnen door een bestaand gebouw te vervangen door een nieuw en hoger gebouw. Dan blijft er evenveel openbare ruimte beschikbaar. In zienswijze 195 wordt eveneens bezwaar gemaakt tegen uitbreiding van de woningvoorraad zowel binnen als buiten de kernen. Er heeft geen zichtbare en integrale afweging plaatsgevonden tussen woningbouw en het huidige gebruik van de ruimte. Het is onevenwichtig dat er steeds meer verdichting en uitbreiding komt, terwijl het opkopen van woningen als investering (dus niet om zelf in te wonen) niet kan worden tegengegaan. Dit doet zich inmiddels ook in Pijnacker-Nootdorp voor aldus de indiener van zienswijze 195. Het Milieuplatform is eveneens van mening dat met afdoende maatregelen moet worden voorkomen dat exploitanten koopwoningen aan de voorraad onttrekken waardoor ze niet meer beschikbaar zijn voor reguliere bewoning (zienswijze 186).
Pagina 47
Beantwoording Bij het opstellen van de Omgevingsvisie is een zorgvuldige afweging gemaakt van alle belangen. De ontwikkelingslijnen in de Omgevingsvisie laten zien wat we hierin belangrijk vinden. Binnen de kaders van de ontwikkelingslijnen is onderzocht wat we kunnen doen om in de behoefte aan nieuwe woningen te voorzien. Dus hebben we onszelf de vraag gesteld: Waar kunnen we woningen toevoegen zonder te breken met onze kernwaarden (bijvoorbeeld de waarde van onze groene buitengebieden)? Het resultaat is een viertal transformatielocaties waar we nieuwe woningen willen toevoegen (locaties zijn in rood gearceerd op de kaart hiernaast: Dwarskade, Rijskade, Overgauw en Balijade). Maximaal bouwen we nog 3.000 tot 4.000 nieuwe woningen in aanvulling op de geplande uitbreidingen (grijs gearceerde locaties op de kaart hiernaast). Er zijn in de Omgevingsvisie geen uitgangspunten voor de ontwikkeling/inrichting van deze locaties opgenomen. Het aantal woningen dat we op een transformatielocatie willen bouwen staat niet vast, evenals het type woning of de inrichting van de openbare ruimte. Wel schetst de Omgevingsvisie het gewenste gemeentebrede toekomstbeeld. Alle ambities in de Omgevingsvisie nemen we mee in nieuwe ontwikkelingen.
Om te bepalen hoe dit er concreet komt uit te zien is een uitgebreid vervolgproces nodig waarin zal worden bepaald wat er mogelijk is op een locatie en welke specifieke wensen er zijn.
Hier worden ook omwonenden en andere betrokken in meegenomen. Deze uitwerking zal per locatie plaatsvinden voordat gestart wordt met de transformatie.
Conclusie De ontvangen zienswijze leiden niet tot een aanpassing van de Omgevingsvisie.
6.4.2 Bouwtempo en ontwikkelvolgorde Rondom Wonen, Staedion en De Goede Woning (zienswijze 293) pleiten voor een verhoging van het bouwtempo van 200 woningen per jaar, naar 300 woningen per jaar. Daarmee wordt recht gedaan aan de huidige grote behoefte aan woningen in de regio. De woningcorporaties kunnen en willen meer sociale huurwoningen bouwen en hun investeringscapaciteit inzetten in Pijnacker-Nootdorp, maar dan moet wel duidelijk zijn op welke locaties dat kan en wanneer. Alleen dan kan deze capaciteit worden gereserveerd in de investeringsraming. Momenteel (in 2021) ligt het bouwtempo veel hoger en verlaging zou betekenen dat de slaagkans voor woningzoekenden fors zou afnemen. In lijn daarmee vragen de drie woningcorporaties om niet met één locatie te beginnen, maar met twee. Hoewel de woningcorporaties ondersteunen dat Dwarskade prioriteit verdient, vinden zij het riskant voor de bouwproductie om op één paard te wedden. Voorgesteld wordt om parallel aan een andere locatie te beginnen, bijvoorbeeld Balijade. AAB bepleit in zienswijze 292 namens de eigenaren van de gronden in de Balijade eveneens voor een wijziging van de volgorde van te ontwikkelen woongebieden. Ook zij zijn van mening dat Balijade als eerste moet worden herontwikkeld voor woningbouw. Nieuwbouw van kassen is door de vestiging van de WVG niet meer opportuun.
Bedrijven willen niet meer investeren op de korte en middellange termijn, hierdoor ontstaat een achterstand in aspecten als duurzaamheid en Pagina 48
circulariteit. De verwachting van stijgende grondprijzen (na wijziging van het bestemmingsplan) maakt dat bedrijven ook niet meer aan elkaar willen verkopen. AAB noemt diverse voordelen waaronder het feit dat er één vertegenwoordiger is namens alle grondeigenaren, er een gezamenlijk perspectief tot voorspoedige herontwikkeling en verplaatsing is, de locatie dicht bij het centrum en station ligt en prima kan worden ontsloten op de Katwijkerlaan met kansen voor verbetering van de verkeersveiligheid. Aanwijzing van Balijade als eerste gebied voor woningbouw is een belangrijke stap in de realisatie van de Omgevingsvisie, aldus ABB. De Ontwikkelingscombinatie Tuindershof (OCT, zienswijze 264) is van mening dat de woningbehoefte groter is dan nu is opgenomen in het ontwerp van de Omgevingsvisie. Zij baseren zich daarbij op eigen onderzoek (dat in de zienswijze wordt toegelicht) en de ervaring met het aantal inschrijvingen voor de woningen in Tuindershof. Daarbij wijst de OCT erop dat de provincie Zuid-Holland een overprogrammering toestaat van 130%. Dit omdat er altijd woningen afvallen, zo ervaart de OCT. Bovendien verzoekt de OCT om de volgordelijkheid van locaties los te laten en derhalve op meerdere plekken tegelijk te gaan bouwen.
Meer concreet dringt de OCT er op aan om niet alleen te starten met Dwarskade, maar ook direct te beginnen met de ontwikkeling van het deelgebied Overgauw waar zij de benodigde grondposities heeft verworven. In tegenstelling tot in het versnipperde gebied in Nootdorp kan met
het gebied waarvan betrokkene eigenaar is, binnen een termijn van één tot twee jaar worden begonnen. Zo kan de voorspelde dip in de lokale woningproductie in 2023-2025 worden voorkomen. In de zienswijze schetst de OCT al een beeld van de mogelijke invulling van het gebied, waarbij het een uitbreiding dan wel vervolg wordt op Tuindershof (zie kaartje). De OCT gaat vervolgens in op de factoren die bepalend zijn voor de slagingskans van een gebiedsontwikkeling en stelt dat alle hier aanwezig zijn. Daarom is de OCT van mening dat de gemeentelijke ambities beter waargemaakt kunnen worden als Overgauw tegelijkertijd met Dwarskade wordt ontwikkeld.
Beantwoording
Conclusie
In de Omgevingsvisie is geen concrete volgorde opgenomen voor het transformeren van locaties naar nieuwe woonwijken. Wel is aangegeven dat het Dwarskadegebied een logische eerste stap lijkt. Het opgenomen bouwtempo van 200 woningen per jaar is gebaseerd op de door de gemeenteraad vastgestelde Woonvisie 2020-2030 en de behoefteonderzoeken die daaraan ten grondslag liggen. De onderzoeken laten zien dat er tot 2040 behoefte is aan circa 4.000 nieuwbouwwoningen, aanvullend aan de bestaande bouwplannen. Door deze geleidelijk toe te voegen geven we onze inwoners nu en in de toekomst mogelijkheden voor het vinden van een geschikte woning en maken we een lokale wooncarrière mogelijk. We realiseren ons dat het niet mogelijk is (en ook niet altijd wenselijk is) om jaarlijks precies 200 woningen toe te voegen. Als uitwerking van de Omgevingsvisie wordt dan ook een woningbouwplanning voor de komende jaren opgesteld. Hierin worden alle genoemde (soms tegengestelde) belangen meegewogen. De volgorde van de te ontwikkelen locaties en het (jaarlijks) aantal te bouwen woningen per locatie wordt nader uitgewerkt in een woningbouwplanning. We houden rekening met de (grote) behoefte aan woningen, met de toekomstige behoefte en ook alle andere waarden die we belangrijk vinden voor Pijnacker-Nootdorp. Deze waarden staan in de ontwikkelingslijnen van de Omgevingsvisie.
De ontvangen zienswijzen leiden tot een aanpassing van de Omgevingsvisie. De volgorde van de te ontwikkelen locaties en het (jaarlijks) aantal te bouwen woningen per locatie wordt nader uitgewerkt in een woningbouwplanning.
Pagina 49
6.4.3 Woningtypes In de zienswijzen wordt gevraagd naar het type woningen dat gerealiseerd zal worden. Komt er bijvoorbeeld hoogbouw en wat wordt de verhouding tussen villa’s en betaalbare woningen (zienswijze 5). Uitbreiding van de woningvoorraad is met name hard nodig voor jongeren en alleenstaanden die nu al in onze gemeente wonen (zienswijze 6). Zij zijn door de hoge huizenprijzen gedwongen om te vertrekken, terwijl er vanuit de steden om ons heen steeds meer mensen hier komen wonen. Gevraagd wordt om aan te geven op welke plekken betaalbare woningen (tot 250.000 euro) worden gebouwd voor de huidige inwoners. Het gebrek aan betaalbare woningen leidt ertoe dat jongeren wegtrekken (zienswijze 74). Dat draagt niet bij aan de leefbaarheid in de gemeente op de lange termijn. Daarom wordt in zienswijzen 245 voorgesteld om kleiner te bouwen. De huizen worden steeds groter en er is steeds minder ruimte. Door kleiner te bouwen kunnen we ook de natuur meer beschermen. Meer algemeen wordt ook gevraagd naar een verduidelijking van de behoefte aan woningen (zienswijze 23).
In zienswijze 15 wordt aandacht gevraagd voor de woonwensen van senioren en dan met name voor een divers aanbod aan woningen voor senioren. Het lijkt nu alsof het aanbod voor senioren zich gaat beperken tot appartementen of groepswonen. Er zijn echter ook senioren die graag een (koop)woning zouden willen met een tuin en een slaapkamer op de begane grond. Daar wordt in de Omgevingsvisie onvoldoende rekening mee gehouden. In dat kader vraagt ook KBO-PCOB (zienswijze 295) aandacht voor het belang van een passend woningaanbod voor senioren. Nu wonen zij vaak in een woning die te groot is en niet aansluit bij hun wensen. Een passende woning stimuleert de doorstroming. Ouderen verhuizen en de bestaande woning komt vrij voor starters of gezinnen. De provincie Zuid-Holland (zienswijze 296) vindt een minimaal percentage van 30% sociale woningen een mooi streven, maar mist een uitspraak over betaalbare woningbouw en vraagt om dit toe te voegen. Rondom Wonen, Staedion en De Goede Woning benadrukken in zienswijze 293 dat het noodzakelijk is om een inhaalslag te maken en sociale woningen toe te voegen. Niet alleen is er sprake van een tekort, er komen steeds meer kwetsbare en zorgvragende groepen die een beroep doen op zelfstandige woonruimte. Daarom verzoeken de woningcorporaties om bij nieuwbouw te streven naar minimaal 40% sociale huur.
De drie corporaties constateren verder dat in de Woonvisie staat dat minimaal 30% sociale (huur)woningen moeten worden gerealiseerd. Het ontwerp van de Omgevingsvisie formuleert dit echter net anders, namelijk minimaal 30% (sociale) huurwoningen. Graag zien de corporaties een eenduidige omschrijving en uiten daarbij de voorkeur voor het begrip sociale huurwoningen.
Beantwoording In de Omgevingsvisie worden de ruimtelijke gevolgen van de ambities uit de gemeentelijke Woonvisie 2020-2030 (vastgesteld juni 2020) uitgewerkt. Er is geen aanleiding om inhoudelijk van de woonvisie af te wijken en de Omgevingsvisie sluit dan ook aan bij de Woonvisie ook als het gaat om te realiseren woningtypes. In de woonvisie hebben we meerdere aandachtsgebieden benoemd met een focus op woningen voor starters en senioren. Inzet is onder andere het werken aan betaalbare koop- en huurwoningen, het behouden van voldoende sociale voorraad, een toekomstbestendig woningvoorraad voor senioren (door realisatie van meer appartementen, maar ook met meerdere kleinschalige voorzieningen) en het stimuleren van doorstroming in de woningvoorraad. Deze inzet wordt meegenomen in de planvorming en opstelling van het (woningbouw)programma van de in de Omgevingsvisie opgenomen transformatielocaties en eventuele andere verdichtingen binnen de kernen.
Pagina 50
Per locatie zal moeten worden bepaald wat een passende programmering is en of bijvoorbeeld een hoger percentage sociaal tot de mogelijkheden behoort. Dit zal gebeuren in samenspraak met onze partners in het woonbeleid.
Conclusie De ontvangen zienswijzen leiden tot een aanpassing van de Omgevingsvisie. Op pagina 28 wordt de tekst overeenkomstig de woonvisie 2020-2030 aangepast naar ‘Minimaal 30% van de woningen is een sociale (huur)woning.’
6.4.4 De Dokter W. van der Horstlaan De eigenaren van de woningen aan de Dokter W. van der Horstlaan hebben verzocht (zienswijzen 162) om hun woongebied niet aan te duiden als een dorpse gemengde woonwijk, maar als een rustige woonwijk. Dit past beter bij het huidig karakter dat de eigenaren ook graag willen behouden. Zij gaan er, gelet op de in de Omgevingsvisie beschreven ambities, vanuit dat bij de ontwikkeling van een eventuele woonwijk ten zuiden van hun bestaande woningen rekening wordt gehouden met het karakter van de laan. Dat kan bijvoorbeeld door het creëren van een brede groenstrook met een behoorlijke en brede watergang, hoge beplanting en vergelijkbare woningen. De ambitie voor het aantal woningen in de eventuele woonwijk en voor de transformatielocaties ligt in het algemeen te hoog ligt. Dit gaat ten koste van ambities op het gebied van een groene en leefbare omgeving. De
bewoners merken op dat zij ernstig bezwaar hebben tegen de komst van flatgebouwen of een muur aan woningen grenzend aan hun achtertuin. Wanneer de plannen voor een nieuwe wijk concreet worden, dan willen de bewoners graag tijdig geïnformeerd worden zodat zij en de vereniging via een participatietraject bij de bouwplannen worden betrokken.
Beantwoording De Omgevingsvisie Pijnacker-Nootdorp zet in op verbinding. In het geval van de Dokter W. van der Horstlaan betekent dit het zorgen voor en behouden van een gepaste aansluiting op de bestaande wijken en nieuw te realiseren wijken. Het woongebied rondom de Dokter W. van der Horstlaan krijgt daarom eenzelfde profiel als de nabijgelegen kern van Pijnacker en de nieuw te realiseren wijken op de in de Omgevingsvisie aangeduide transformatielocaties. De aanduiding als dorpse gemengde woonwijk is gebaseerd op de ligging nabij het centrum van Pijnacker en de relatie die omliggende gebieden daardoor hebben met de kern. De Omgevingsvisie doet geen uitspraken over de concrete inrichting van de transformatielocaties. Wel geeft de Omgevingsvisie hier handvatten voor (de ontwikkelingslijnen laten zien wat we belangrijk vinden) die bij de planvorming van een gebied uitgewerkt worden. Uiteraard worden betrokkenen en dus omwonenden meegenomen in de planvorming voor de transformatie van een gebied.
Conclusie De ontvangen zienswijze leidt niet tot een aanpassing van de Omgevingsvisie
6.5 Een gezonde en veilige leefomgeving Door ook in 2050 een gezond woon- en leefklimaat te bieden, ondersteunen we de gezondheid en vitaliteit van onze inwoners. Ook willen we dat onze inwoners zich prettig en veilig (blijven) voelen in hun leefomgeving. 6.5.1 Veiligheid Pijnacker-Nootdorp is een gastvrije gemeente, waar mensen en hun spullen veilig zijn (zienswijze 146). De wijkbeveiliging zou daarom hoog moeten zijn met camera’s en inzet van politie. Ook de gezamenlijke bedrijvenparken vragen in hun zienswijze (172) aandacht voor een aanscherping van de teksten over veiligheid in de Omgevingsvisie. Voorgesteld wordt om in paragraaf 3.1 van het ontwerp van de Omgevingsvisie niet alleen aandacht te besteden aan ondermijnende criminaliteit maar ook aan criminele/overlastgevende activiteiten in het algemeen en ondermijnende criminaliteit in het bijzonder. De Veiligheidsregio Haaglanden (VRH, zienswijze 239) doet diverse voorstellen voor het beter verankeren van de fysieke veiligheid in de Omgevingsvisie. Dat advies bevat onder andere een omschrijving van fysieke veiligheid zijnde de bescherming tegen risicobronnen en brandveiligheid van de bebouwde omgeving. Een Pagina 51
helder onderscheid tussen sociale en fysieke veiligheid voorkomt verwarring. Dat betekent ook dat de laatste alinea van paragraaf 2.5 aangepast zou moeten worden. In aansluiting daarop doet de VRH een tekstsuggestie om bij de inrichting van de fysieke leefomgeving aandacht te hebben voor de bereikbaarheid en bluswatervoorziening. Dit is belangrijk voor een effectief optreden bij incidenten en zou daarom bij het ontwerp van gebieden voldoende aandacht moeten krijgen. Verder constateert de VRH dat er sprake is van een toenemende vergrijzing. In de nieuwe rijksregelgeving wordt geen rekening gehouden met wie er in gebouwen woont. Ouderen zijn doorgaans minder snel in staat te vluchten bij een calamiteit. Daarom benadrukt de VRH het belang van brandveilige woon-zorgcombinaties. Tot slot beveelt de VRH aan om de nieuwe begrippen ‘aandachtsgebieden’ en ‘voorschriftengebieden’ te benoemen in de Omgevingsvisie en daarvoor een ambitie te formuleren. Dit mede gezien de mogelijke verslechtering die voor deze indicator in de planMER staat.
Beantwoording In paragraaf 2.5 is al een onderscheid gemaakt tussen fysieke veiligheid en sociale veiligheid. Onder fysieke veiligheid verstaan we bijvoorbeeld dat er zo min mogelijk inbraken zijn, gestolen wordt, maar ook bescherming tegen risicobronnen.
Sociale veiligheid heeft betrekking op de ambitie dat niemand wordt uitgesloten en inwoners een gevoel van gemeenschappelijkheid ervaren. Preventie is een instrument dat kan worden gebruikt bij fysieke veiligheid (denk aan inbraakpreventie), maar niet bij sociale veiligheid. Daarnaast zullen we ook de bereikbaarheid en bluswatervoorziening toevoegen, net als bijzondere aandacht voor brandveiligheid rondom complexen met ouderen. In paragraaf 4.3 besteden we extra aandacht aan onze ambities op het gebied van externe veiligheid. Aan de wens om in paragraaf 3.1 van de Omgevingsvisie aandacht te besteden aan andere aspecten van veiligheid, willen we tegemoetkomen door een expliciete verwijzing naar paragraaf 2.5 op te nemen. Zo is zowel fysieke als sociale veiligheid gekoppeld aan de ‘Vitale bedrijven, complementair aan de regio’. Conclusie De ontvangen zienswijzen leiden tot aanpassingen van de Omgevingsvisie: 1. Toevoegen zin: De bereikbaarheid voor hulpdiensten en de beschikbaarheid van bluswater is op orde. Door een goed ontwerp en goede inrichting van de openbare ruimte maakt dit een vanzelfsprekend en onopvallend onderdeel uit van de fysieke leefomgeving. Nabij complexen waar veel ouderen wonen, is extra aandacht besteed aan de inrichting van de ruimte. Zo kunnen ook minder zelfredzame mensen bij een calamiteit toch een veilige plek vinden.
2.
3.
4.
Wijzigen zin: Criminaliteit, inbraak en diefstal zijn risico’s voor de fysieke veiligheid die grotendeels buiten de invloedssfeer van de fysieke leefomgeving liggen. Daar wordt vooral ingezet op preventie en repressie. Toevoegen paragraaf 4.3: Daarnaast overwegen we in een omgevingsprogramma of en waar we het ambitieniveau voor een voorschriftgebied kunnen verhogen. Denk dan bijvoorbeeld niet alleen aan de verplichte afstanden tot zeer kwetsbare locaties en gebouwen, maar ook tot kwetsbare locaties en gebouwen. Zeker bij nieuwe ontwikkelingen is onze ambitie dat we door een zorgvuldige keuze van functies ten opzichte van risicobronnen voorkomen dat nieuwe voorschriftgebieden moeten worden aangewezen. In het omgevingsplan wijzen we, waar nodig, voorschriftgebieden, aan voor zeer kwetsbare gebouwen. Toevoegen paragraaf 3.1: De aspecten rond fysieke veiligheid zoals beschreven in paragraaf 2.5 (denk aan criminaliteit, maar ook bescherming tegen risicobronnen) zijn een onderdeel van een aantrekkelijk economisch vestigingsklimaat. In aanvulling daarop zijn we bovendien alert op ondermijnende criminaliteit en treden daar direct tegen op.
Pagina 52
6.5.2 Gezond en inclusief De GGD (zienswijze 208) ondersteunt de keuze voor duurzame en gezonde mobiliteit, maar adviseert om dit niet alleen met positieve prikkels te doen. Juist vanwege de hoge druk op de ruimte is het goed om expliciet te benoemen dat er in de toekomst minder ruimte is voor de auto in de openbare ruimte. De ruimte is nodig om voorzieningen in de openbare ruimte te realiseren die ontmoeting mogelijk maken, eenzaamheid verminderen en bewegen stimuleren. Het is belangrijk om daarbij aandacht te blijven houden voor alle doelgroepen dus jongeren, volwassenen en ouderen. Verder vraagt de GGD aandacht voor de positieve effecten op de mentale gezondheid van een groen-blauwe leefomgeving. Een concreet voorbeeld is het groen-blauwe schoolplein. Opgroeien in een rookvrije omgeving is een belangrijk aspect van een gezonde leefomgeving. Daarom wordt geadviseerd om zoveel mogelijk plekken rookvrij te maken en te houden.
Beantwoording In de openbare ruimte komt een groot aantal verschillende belangen bij elkaar of het nu gaat om mobiliteit, ontmoetingsruimte, groen of maatregelen voor klimaatbestendigheid, er zal iedere keer een afweging moeten worden gemaakt om te bepalen wat een geschikte inrichting van de openbare ruimte is en waar (meer) prioriteit aan wordt gegeven. Om dit op een goede manier te kunnen doen werken we de ambities (die ook voor een groot deel staan in paragraaf 1.2 van de Omgevingsvisie) uit in een omgevingsprogramma. In dit omgevingsprogramma werken we uit wat een passende inrichting is voor verschillende (type) locaties binnen onze gemeente.
Conclusie De ontvangen zienswijze leidt niet tot een aanpassing van de Omgevingsvisie
7. Zienswijzen ontwikkelingslijn 3: aantrekkelijk economisch vestigingsklimaat Voor een aantrekkelijk economisch vestigingsklimaat zijn in het ontwerp van de Omgevingsvisie de volgende drie ambities geformuleerd: 1. Vitale bedrijven, complementair aan de regio 2. Een gezonde arbeidsmarkt en voldoende regionale werkgelegenheid 3. Duurzaam en circulair ondernemen Het ontwerp van de visie beschrijft de economische gezondheid van onze inwoners en ondernemers als een bouwsteen voor een hechte samenleving. De bruisende centra waar de hechte gemeenschap wordt gevormd, is de thuisbasis van veel ondernemingen. In onze fysieke leefomgeving is de economie in het algemeen en de (glas)tuinbouw in het bijzonder mede bepalend
voor onze ruimtelijke identiteit. De bedrijventerreinen en (glas)tuinbouwgebieden grenzen aan of maken deel uit van de kernen. Deze relatie willen we richting 2050 versterken. 7.1 Vitale bedrijven, complementair aan de regio Volgens het ontwerp van de Omgevingsvisie zijn detailhandel, (glas)tuinbouw en zakelijke dienstverlening ook in 2050 nog altijd de grootste sectoren en pijlers van onze economie. In het ontwerp kiezen we er voor om vanuit de eigenheid van een groene wooneconomie met de regio samen te werken en het aantal en de omvang van de bedrijventerreinen en (glas)tuinbouwgebieden in Pijnacker-Nootdorp niet verder uit te breiden, maar ons vooral te richten op kwalitatieve versterking van de bestaande bedrijventerreinen en de (glas)tuinbouw. Die kwaliteitsverbetering willen we bereiken door herstructurering, modernisering en optimale benutting. Ook zetten we ons in voor revitalisering en herpositionering van onze centra, banen in of verwant aan de digitale economie en woon-gerelateerde werkgelegenheid. De zienswijzen richten zich vooral op de kansen en de contouren van de glastuinbouwgebieden en de mogelijke (andere) functies daarbinnen. De beelden bij de indieners lopen daarbij uiteen van ruimere contouren met meer hectaren beschikbaar