CConstaterende datPijnacker Nootdorp
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 1a - Participatieverslag ontwerp Omgevingsvisie en planMER, oktober 2021 (1)

Raad Beeldvorming 16 november 2021, gemeente Pijnacker NootdorpBij agendapunt: Vaststelling Omgevingsvisie met bijbehorende Plan MER53.153 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 6

Of andersom, als er meer ruimte wordt gezien voor duurzame energieopwekking in de Omgevingsvisie, dan kan de ambitie in het Energietransitieplan naar boven worden bijgesteld. Zo voorkomen we dat de ambities in beide stukken in conflict met elkaar komen en dus onhaalbaar worden. Beide documenten hebben daardoor een gedeeld beeld van de lange termijn, waarbij we een groot deel van de duurzame energie lokaal opwekken maar ook een deel uit de regio (of daarbuiten) halen.

5. Natuur in de verdrukking Hoewel groen vele belangrijke functies heeft, is volgens indiener in de afgelopen 20 jaar het voor natuur beschikbare en geschikte groenoppervlak afgenomen, zijn beoogde ecologische verbindingen niet of onvoldoende aangelegd en zijn weides niet natuurvriendelijk geworden. Indiener is van mening dat de ambitie onvoldoende was en dat de praktijk al helemaal onvoldoende is ingevuld. Bij de afweging van prioriteiten delft natuur veelal het onderspit en is onvoldoende (planologisch) beschermd. De belangen van de glastuinbouw wegen zwaarder dan die van de bewoners en de natuur. Betrokkene stelt dan ook voor om in de Omgevingsvisie heldere en meetbare doelen te formuleren op tal van gebieden, inclusief een evaluatie. Bijvoorbeeld in de vorm van omgevingswaarden. Deze doelen kunnen vervolgens vertaald worden naar een thematisch programma dat het uitgangspunt vormt voor omgevingsplannen. Daarbij horen ook verplichtingen voor ondernemers op het gebied

van maatschappelijk verantwoord ondernemen in woningbouw, op bedrijventerreinen en in glastuinbouwgebieden. Genoemde voorbeelden zijn het op bedrijfskosten voorzien in ruim voldoende natuurvriendelijke condities op het terrein en ecologische doorkoppeling naar andere percelen en groene buffers.

Beantwoording We zijn het met betrokkene eens dat het groen vele belangrijke functies heeft. Daarom heeft de gemeente zich, in samenwerking met andere overheden zoals de provincie Zuid-Holland en het Hoogheemraadschap van Delfland, de afgelopen 20 jaar ingezet voor het groen. In die periode zijn daarin grote stappen gezet. Hieronder noemen we een paar van de grote projecten: • Realisatie van de Groenzoom (circa 560 ha) waarmee de verbinding tussen het Groene Hart en Midden-Delfland is gerealiseerd (gereed 2016); • Realisatie van de bergboezem Recreatiegebied Ruyven (circa 30 ha) geschikt voor waterberging en recreatie (gereed 2018); • Realisatie van het wandelbos Balij (circa 54 ha) voor mens, dier en plant (gereed 2017); • Realisatie van de Boezemzoom (circa 6,5 ha) waar spelen, water en groen worden gecombineerd (gereed 2018); • Realisatie van het weidevogelkerngebied (circa 110 ha) in de Zuidpolder van Delfgauw (planning gereed 2022).

Pagina 21

De stelling dat het voor natuur beschikbare en geschikte groenoppervlak is afgenomen, dan wel dat ecologische verbindingen niet of onvoldoende zijn aangelegd en weides niet natuurvriendelijk zijn geworden, vinden we dan ook geen recht doen aan alle inspanningen en resultaten die zijn geboekt, zowel kwalitatief als kwantitatief. Natuurlijk zijn er wensen en ambities om het nog beter te doen. Die (h)erkennen wij ook en de Omgevingsvisie besteed hier ruim aandacht aan. Dat is echter iets anders dan dat de natuur bij afwegingen veelal het onderspit delft. Daarbij is het wel belangrijk om op te merken dat de Omgevingsvisie een strategisch beleidsdocument is voor de lange termijn, concrete maatregelen of kaarten op perceelsniveau horen hier niet in thuis. Dat werken we uit in een omgevingsprogramma en waar nodig leggen we regels en omgevingswaarden vast in het omgevingsplan.

6. Wonen in Pijnacker-Nootdorp In hoofdstuk 3 van het reflectiedocument wordt gesteld dat uit de Omgevingsvisie onvoldoende duidelijk blijkt of de uitbreidingen aansluiten bij de behoefte nu en later. Het is vooral een ruimtelijke afweging die niet uit lijkt te gaan van het wenselijke ruimtelijke eindplaatje, maar gekoppeld lijkt aan de locaties waar op afzienbare termijn de glastuinbouw geen bedrijfseconomisch bestaan meer heeft. Daarnaast zijn er ook voorzieningen nodig zoals winkels, gezondheidscentra en groen in de eigen omgeving en het buitengebied. Er dient aandacht te zijn voor het behoud van sociale coherentie, veiligheid en bescherming van

belangen. Hier dient het bestuur van de gemeente in bestendige oplossingen te voorzien.

Beantwoording De Omgevingsvisie is een integrale visie op de fysieke leefomgeving en beoogt de verschillende functies met elkaar in balans in te brengen. Dat is met het oog op de beperkte beschikbare ruimte en de grote hoeveelheid aan wensen niet gemakkelijk. De uitbreiding van de woningvoorraad is gericht op het beter in evenwicht brengen van de woningmarkt. De behoefte aan woningen (zowel aantallen, type woningen als doelgroepen) is onderzocht in de Woonvisie die in 2020 is vastgesteld. We hebben onderzocht waar het mogelijk zou kunnen zijn om de woningvoorraad uit te breiden, zonder te bouwen in de groene buitengebieden. Daarbij is uiteraard gekeken naar het huidige gebruik van de gronden, maar ook naar de wijze waarop de mogelijke woningbouwlocaties aansluiten op de kernen waardoor goede verbindingen kunnen worden gemaakt naar bijvoorbeeld voorzieningen. Ook bieden enkele van deze locaties (bijvoorbeeld Dwarskade) goede kansen om het groene buitengebied dichter bij te brengen en goed bereikbaar vanuit de kern te maken. Er heeft dus wel degelijk een brede (ruimtelijke) afweging plaatsgevonden, die niet enkel gebaseerd is op het toekomstperspectief van de glastuinbouwsector.

Vanzelfsprekend zal bij het toekomstig ontwerp van een wijk rekening worden gehouden met aspecten als een groene openbare ruimte, de hechte gemeenschap, voorzieningen en alle andere aspecten en ambities die in de Omgevingsvisie worden genoemd (zie het kompas).

7. Energietransitie Hoofdstuk 4 van het reflectiedocument is gewijd aan energietransitie. Beargumenteerd wordt dat niet zomaar de ideeën over de uitvoering van de energietransitie en de ruimtelijke inbedding daarvan, letterlijk vertaald moeten worden naar de Omgevingsvisie. Daarbij stelt indiener de vraag of het, met oog op de daarvoor noodzakelijke en schaarse energie, acceptabel is dat in de glastuinbouw een niet noodzakelijk product zoals snijbloemen wordt geproduceerd. Ook de rol van een energieboekhouding of het beprijzen van energie voor grootverbruikers wordt naar voren gebracht. Deze bespiegelingen zijn tot verbazing van indiener niet terug te vinden in de Omgevingsvisie (en het Energietransitieplan). Eveneens verbazingwekkend vindt betrokkene de focus op de energietransitie bij inwoners en het ontbreken van feiten over de energietransitie in de glastuinbouw. Het afzien van windenergie en het benutten van daken voor zonnepanelen wordt door indiener ondersteund.

Beantwoording Zoals eerder opgemerkt (aandachtspunt 4 van deze zienswijze) zijn de Omgevingsvisie en het Energietransitieplan steeds in samenhang met elkaar bekeken en besproken. Het klopt dat beide documenten dezelfde uitgangspunten, doelstellingen en oplossingen beschrijven. Anders is er ook geen sprake van een integrale oplossing.

Pagina 22

Dat betekent niet dat er vanuit de energietransitie een directe opdracht is gekomen voor inpassing. Steeds is afgewogen of de energievorm in te passen is in de ruimtelijke structuur van onze gemeente. De keuze om geen windmolens toe te staan is daarvan een voorbeeld. Dat is wellicht vanuit energietransitie gewenst, maar wordt ruimtelijk nu niet inpasbaar geacht. In het kader van de energietransitie kijken we naar alle verbruikers van energie. Van inwoners tot bedrijven en glastuinbouw. Onze aandacht richt zich al jaren op de grootverbruikers, zoals de glastuinbouw. Hier zijn ook al grote slagen gemaakt in de reductie van het energieverbruik en het toepassen van onder andere geothermie. De komende jaren gaan we verder met deze brede inzet.

8. Economie en glastuinbouw Indiener heeft uit het ontwerp van de Omgevingsvisie opgemaakt dat de bedrijvigheid wordt gelaten zoals het is en dat daarover niet meer moet worden gezeurd. Deze benadering wordt beschreven als een onacceptabele en onwaardige aanpak waarin ervan uitgegaan wordt dat de ervaren overlast eenvoudigweg kan worden omgezet in begrip en waardering. Dat geldt zowel voor bedrijventerreinen als voor glastuinbouwgebieden. Betrokkene is bovendien van mening dat bij het maken van keuzes de glastuinbouw vrijwel per definitie steeds zwaarder heeft gewogen dan overige algemene belangen, zoals natuur en mens. Opgeroepen wordt tot een maatschappelijk redelijker evenwicht. Inzicht in de

noodzakelijke structurele aanpassingen in de glastuinbouw binnen en buiten onze gemeente ontbreekt in de Omgevingsvisie. De toekomst ligt niet in schaalvergroting, maar in kleinere, innovatievere bedrijven die meer waarde toevoegen. Betrokkene gaat er dan ook vanuit dat 50% van het huidige glastuinbouwgebied kan transformeren naar functies die beter aansluiten bij de wensen van de gemeenschap met als doel een nog aantrekkelijkere leefomgeving haalbaar maken (inclusief meer kansen voor wonen en werken en meer ruimte voor natuur en recreatie).

Beantwoording Wij betreuren het dat indiener dit beeld heeft gekregen vanuit het ontwerp van de Omgevingsvisie. Onze inzet is juist gericht op het versterken van de verbinding tussen gebieden (en functies van gebieden) binnen en buiten de gemeente. Hierdoor werkt de gemeente in toenemende mate als een samenwerkend geheel waarbij functies elkaar aanvullen en geen belemmeringen creëren voor elkaar. Daarmee worden sociale structuren versterkt en (regionale) economische ontwikkeling geoptimaliseerd. Het feit dat we in druk bevolkte omgeving wonen betekent dat elke vierkante meter ruimte een functie heeft en een waarde vertegenwoordigt voor iets of iemand. Dit maakt het moeilijker om functies aan te passen. Een afgewogen beslissing over het gebruik van de ruimte is steeds belangrijker.

Met deze Omgevingsvisie geven we richting aan alle aspecten van leefomgeving en hiermee maken we integrale keuzes mogelijk. De glastuinbouw en de bedrijventerreinen vormen de economische pijlers onder onze gemeente. Ze bieden werkgelegenheid en dragen bij aan de regionale, provinciale en landelijk economie. Het hebben van werk is belangrijk voor de (mentale) gezondheid. Dit belang weegt niet zwaarder, maar heeft wel, net als belangen als bijvoorbeeld groen, wonen en gezondheid, een volwaardige plek bij het maken van keuzes. Dat leidt er ook toe dat wij, in tegenstelling tot betrokkene, niet van mening zijn dat 50% van het glastuinbouwgebied kan transformeren. Dat impliceert niet dat wij meer gewicht toekennen aan het belang van glastuinbouw en/of bedrijventerreinen ten opzichte van andere belangen zoals natuur en mens, noch is het tegenovergestelde waar. Alle aspecten zijn belangrijk en moeten met elkaar in evenwicht worden gebracht. Dat betekent ook dat we wat moeten accepteren van een ander of van een bedrijf. Natuur heeft rust en ruimte nodig, mensen hebben werk en ontspanning nodig, bedrijven maken soms herrie en geven licht. Samen vormen ze een herkenbare gemeente waar het goed wonen is, fijn recreëren en prima ondernemen.

Pagina 23

4.3 Burgerinitiatief Visie op groen Zienswijze 224 is opgesteld namens de indieners van het burgerinitiatief ‘Visie op groen in het buitengebied’. De zienswijze bevat 25 punten waarin de aandacht en beleidsuitspraken over de groene buitengebieden tekort schieten. Deze 25 punten worden vooraf gegaan, elk ingeleid door en uiteindelijk afgesloten met harde woorden over het proces, de inzet van de gemeente. Betrokkenen rekenen op een dialoog in plaats van een snelle afdoening in wollig taalgebruik met niets zeggende schemaatjes. 4.3.1 Zienswijze namens het burgerinitiatief De indieners van het burgerinitiatief hebben 25 punten naar voren gebracht. Deze zijn, in lijn met de doelstelling van betrokkenen, zo concreet mogelijk samengevat en beantwoord. 1.

2.

3.

4.

Kan de begrenzing van de groene contouren letterlijk worden genomen? Zo nee, dan wordt ervoor gepleit om alsnog een hoge hardheid toe te kennen aan de grenzen; Er zijn sterke en zwakke (discutabele) onderdelen van de contourlijnen. Men is tevreden met de contouren ter hoogte van de Hofweg, maar wil controleren of deze pal naast de bestaande bebouwing loopt; De contour ter hoogte van de Veldleeuweriklande krijgt de goedkeuring van betrokkene. Dit zien zij graag ook bij punt 6 en 7 toegepast; De pijl ter hoogte van de bocht in de Katwijkerlaan dient niet alleen te wijzen op

Pagina 24

5.

6.

7.

8.

een recreatieve verbinding, maar ook op een ecologische verbinding. Een analyse van de ecologische en recreatieve situatie ter plekke (inclusief oplossingsrichtingen) ontbreekt. Door het ontbreken van een gemeentelijke visie op groen kunnen betrokkenen niet beoordelen of de pijl op de juiste plaats staat en of nog een afweging van belangen nodig is. Voor het verkrijgen van meer inzicht in de wijze waarop de afweging van belangen plaatsvindt, vernemen betrokkenen graag hoe dit is overgebracht naar het bureau dat werkt aan de voorbereiding van de reconstructie van de Katwijkerlaan; Ter hoogte van de Nieuwkoopseweg dient met een symbool te worden aangegeven dat een verbindingszone moet worden versterkt. Bovendien vinden betrokkenen dat daar geen aardwarmtebron kan worden gerealiseerd omdat dit het ecologisch functioneren van de verbindingszone belemmert. De bestemming glastuinbouw ten noorden van het Balijpad moet omgezet worden naar groen; Ten oosten van de Laan van Floris V moet het dunne pijltje worden vervangen door een forse/stevige uitstulping; Het groen en de waterpartijen ter hoogte van het Ridderspoor en Lobelia verdienen een opwaardering naar een forse/stevige uitstulping; Betrokkenen pleiten ervoor om ten oosten van de spoorbaan tenminste één grotere natuurkern aan te wijzen door middel van een symbool op de kaart van de Omgevingsvisie;

9.

Betrokkenen pleiten ervoor om tussen de spoorbaan en de Oudeweg/Noordweg een kleinere natuurkern aan te wijzen door middel van een symbool op de kaart van de Omgevingsvisie; 10. Betrokkenen pleiten ervoor om (in overleg met de gemeente Lansingerland) een natuurkern aan te wijzen in de Groenzoom; 11. Betrokkenen pleiten ervoor om een symbool voor beschermende zones rond de natuurkernen op de kaarten van de Omgevingsvisie te zetten, met name bij het Krekengebied en het gebied ten oosten van de spoorbaan (zie punt 8); 12. Betrokkene denkt dat voor de natuurkern tussen de spoorbaan de Oudeweg/Noordweg een ontwerpopgave aan de orde is, in samenhang met een mogelijk groene uitstulping in Pijnacker-Noord (zie punt 9). Daarmee krijgt deze beschermende zone mogelijk een andere invulling dan de onder 11 genoemde gebieden; 13. In de Omgevingsvisie moet een algemene bepaling worden opgenomen tegen lichthinder en voor donkertebescherming met een vermelding dat in het omgevingsplan een belangenafweging wordt gemaakt. Dit geldt in het bijzonder voor de natuurkernen en de beschermende zones daar omheen; 14. In de Omgevingsvisie moet een algemene bepaling worden opgenomen tegen geluidhinder en voor stilteregimes met een vermelding dat in het omgevingsplan een belangenafweging wordt gemaakt. Dit geldt in

het bijzonder voor de natuurkernen en de beschermende zones daar omheen; 15. Betrokkenen pleiten voor een symbool voor een ecologische verbindingszone ter hoogte van de kruising N470/471 met de Groenzoom. Daarnaast is nodig om data te verzamelen over het functioneren van deze verbindingszone en het analyseren welke verbeteringen nodig zijn; 16. Bij de renovatie van de Oudeweg moet een ecologische en recreatieve verbinding worden gerealiseerd aangezien de weg nu een barrière vormt. Dit inclusief een verwijzing in de tekst dat bij het opstellen van het omgevingsplan nog een nadere afweging van belangen aan de orde is; 17. Betrokkenen pleiten voor een symbool voor een ecologische verbindingszone bij de spoorbaan, de A12 en de A13, aangezien deze nu een barrière vormen. Dit inclusief een verwijzing in de tekst dat bij het opstellen van het omgevingsplan nog een nadere afweging van belangen aan de orde is; 18. Betrokkenen pleiten voor een compensatiebeginsel, bijvoorbeeld een 15voudige compensatie waarbij voor elke m² 15 m² nieuw groen moet worden gerealiseerd, als harde voorwaarde op te nemen in de Omgevingsvisie; 19. Betrokkenen pleiten ervoor om de groene zone langs de A13 in Delfgauw niet als onderzoekslocatie aan te wijzen; 20. Betrokkenen pleiten ervoor om de groene zone langs de A13 op te nemen als uitstulping Pagina 25

van de grote groengebieden en daar de verbinding tussen de Noordpolder en de Zuidpolder te realiseren; 21. Betrokkenen pleiten ervoor om het gronddepot aan het eind van de Sportlaan in Pijnacker niet als onderzoekslocatie aan te wijzen vanwege de nadelen voor de nabijgelegen natuurkern; 22. Betrokkenen pleiten ervoor om het gronddepot aan het eind van de Sportlaan in Pijnacker op te nemen in de groene contour als compensatie voor al het geknabbel aan het groen in de afgelopen jaren; 23. Betrokkenen pleiten ervoor om drie alternatieven op te stellen voor de Balijade, (groen, glas en buurtschap) inclusief de bepaling van de natuureffecten en vervolgens de belangen af te wegen voor de vaststelling van de Omgevingsvisie 24. Betrokkenen pleinen ervoor om in de tekst van de Omgevingsvisie de kleuren en symbolen te voorzien van definities en regels, zodat deze eenduidig worden voor politici en inwoners; 25. Betrokkenen pleiten ervoor om de Omgevingsvisie pas vast te stellen nadat een visie op het groen is vastgesteld door de raad. Hiervoor is voldoende tijd omdat de Omgevingswet op 1 juli 2022 in werking treedt.

Beantwoording Het eerste burgerinitiatief in Pijnacker-Nootdorp is een feit en gaat over een zo belangrijk en gewaardeerd onderwerp als het groen in het buitengebied. Wij danken alle betrokkenen voor het initiatief dat ongetwijfeld veel tijd, energie en toewijding heeft gevraagd. We waarderen de betrokkenheid van de initiatiefnemers bij het groene buitengebied. We betreuren dat de indieners negatief zijn over het proces van de Omgevingsvisie tot dusver. De uitspraken over de inzet van de gemeente en de wijze waarop we omgaan met reacties herkennen wij niet. Wij hebben onze uiterste best gedaan om een ieder te betrekken bij het opstellen van de Omgevingsvisie en ieders ideeën en standpunten daarbij op te halen en mee te wegen in het uiteindelijke document. Hoewel we hierover van mening kunnen verschillen, gaan wij graag op een constructieve en transparante manier in op de verschillende aspecten die in het burgerinitiatief aan de orde worden gesteld. Het burgerinitiatief is een voorstel aan de raad om een ‘Visie op het Groen in het buitengebied’ op te stellen, inclusief een aantal concrete aanbevelingen voor een dergelijke visie. De op de Omgevingsvisie ingediende zienswijze ligt in het verlengde hiervan.

In de zienswijze wordt gevraagd om de Omgevingsvisie niet vast te stellen en in plaats daarvan eerst een aparte visie op het groen in het buitengebied te maken en vast te stellen. De achtergrond van dit verzoek is de wens van het burgerinitiatief om het belang van het groen een steviger plek te geven bij de integrale afweging van ruimtelijke ontwikkelingen. Wij zijn van mening dat een aparte visie niet noodzakelijk is. In het ontwerp van de Omgevingsvisie heeft het groen (natuur, recreatie, open landschap) een duidelijke en herkenbare plek. Daarbij gaat de Omgevingsvisie niet alleen in op het groen in het

buitengebied, maar ook op het groen in de kernen en de groene verbindingen. Daarnaast bevat de zienswijze diverse voorstellen gericht op het strakker en gedetailleerder vastleggen van het belang van natuur in de Omgevingsvisie. Wij verschillen van mening met de indieners over de vraag of deze opmerkingen thuis horen in de Omgevingsvisie. Dit heeft te maken met hoe wij aankijken tegen het nieuwe instrumentarium van de Omgevingswet. De Omgevingsvisie gaat over het strategische beleid voor de lange termijn, met een samenhangende benadering van thema’s en gebieden. Dit instrument is niet bedoeld om zaken gedetailleerd, op kavelniveau, vast te leggen. Hiervoor gaan wij het nieuwe instrument omgevingsprogramma benutten. Het omgevingsprogramma is het instrument waarin de doelstellingen uit de Omgevingsvisie uitgewerkt worden in tactisch beleid en maatregelen gericht op ontwikkeling, gebruik, beheer, bescherming en behoud van de fysieke leefomgeving. In aansluiting daarop kunnen in het omgevingsplan regels worden opgenomen. Het ontwerp van de Omgevingsvisie bevat volgens ons voldoende waarborgen en haakjes om het belang van groen te verankeren in omgevingsprogramma’s en het omgevingsplan. Om het belang van groen te onderstrepen stellen we rondom dit onderwerp een omgevingsprogramma op. Hiermee geven we invulling aan de door de indieners gewenste gedetailleerde uitwerking.

Dit biedt ook ruimte voor een verdere dialoog met het burgerinitiatief en alle andere belanghebbende partijen in de gemeente. Aanvullend geven we per punt reactie: 1.

De kwaliteit van het groene buitengebied beschermen we met het vastleggen van een vaste groene contour in de Omgevingsvisie. Ontwikkeling van woningbouwlocaties en bedrijventerreinen

Pagina 26

2.

3. 4.

5.

6.

binnen deze contouren sluiten we hiermee uit. Ruimtelijke ontwikkelingen die passen bij de kwaliteiten van het groene buitengebied en deze juist versterken zijn wel mogelijk. De Omgevingsvisie wordt vertaald in een omgevingsprogramma en waar nodig in het omgevingsplan. In het omgevingsplan zullen wij de groene contour ook juridisch bindend vastleggen. Bij de Hofweg ligt de groene contour op de weg. De contour volgt de huidige scheiding tussen het groene buitengebied en de woonkern Nootdorp. Hiervan nemen wij kennis. Dat klopt, we zijn voornemens hier ook een ecologische verbinding te realiseren. Op de kaart visualiseren we dit, en voegen hier een ecologische pijl toe. De locatie van de recreatieve pijl is ingegeven door een bestaand gemeentelijk project voor de ecologische en recreatieve verbinding tussen de Groenzoom en De Balij over de Katwijkerlaan. Verder merken we op dat, in aansluiting op het karakter van de Omgevingsvisie ook de kaarten en daarop aangegeven pijlen en netwerkverbindingen op visieniveau zijn. Het bepalen van de exacte locatie wordt gedaan in een omgevingsprogramma. Het is ons niet duidelijk op welke verbindingszone de indieners hier doelen. Bij de Nieuwkoopseweg is in het groen aangeduide deel geen aardwarmtebron voorzien. De aardwarmtebron komt binnen de contouren van het duurzaam glastuinbouwgebied Noukoop te liggen.

De locatie ten oosten van de Laan van Floris V ligt binnen de kern van Nootdorp en nemen wij niet op in de contour van het groene buitengebied. Wel geven wij op de kaart duidelijker het ecologische netwerk aan binnen de kernen. Op de locatie aan de Laan van Floris V komt een extra ecologische pijl.

7.

Net als bij punt 6 ligt ook de locatie bij Ridderspoor /Lobelia binnen de kern van Nootdorp. Op grond van dezelfde argumenten voegen we ook op deze locatie een extra ecologische pijl toe. 8. De aanduiding van natuurkernen in de Omgevingsvisie volgt de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het gebied ten oosten van de spoorbaan (Randstadrail) valt niet binnen de begrenzing van het NNN (zie hiervoor ook de beantwoording bij paragraaf 5.1.1). Dit wil niet zeggen dat de natuurwaarden hier niet worden beschermd of verder ontwikkeld. Ook voor dit gebied en de andere natuur- en recreatiegebieden die geen deel uitmaken van het NNN geldt de ambitie van een gezond ecosysteem met een hoge biodiversiteit als onderdeel van het lokale natuurnetwerk. In een omgevingsprogramma werken we deze ambitie verder uit. 9. Hiervoor geldt hetzelfde als bij de beantwoording bij punt 8. 10. Hiervoor geldt hetzelfde als bij de beantwoording bij punt 8. 11. De wijze waarop de natuurkernen beschermd worden, werken wij uit in een omgevingsprogramma en vertalen we waar nodig in regels in het omgevingsplan. De Omgevingsvisie bevat hiervoor veel handvatten, zowel bij de natuuren recreatiegebieden zelf, als in andere gebieden van de gemeente. 12. De ontwikkeling van dit betreffende gebied werken wij uit in een omgevingsprogramma.

Dit doen wij in samenwerking met de eigenaar en beheerder van het gebied (Staatsbosbeheer). Het verbeteren van de kwaliteiten van het gebied, zowel voor natuur als voor recreatie en beleving is hierbij uitgangspunt. Wij kijken daarbij ook naar de aansluiting op de omgeving.

13. Voor de beantwoording over het punt van lichthinder verwijzen wij naar de beantwoording in paragraaf. 8.3.1. 14. Voor de beantwoording over het punt van geluidshinder verwijzen wij naar de beantwoording in paragraaf. 8.3.2 15. Het gedetailleerder uitwerken van de verbindingszone is onderdeel van het nog op te stellen omgevingsprogramma. Onderdeel is het functioneren van het ecologische netwerk, inclusief de Groenzoom. 16. Een toekomstige aanpak van de Oudeweg kan inderdaad kansen bieden voor de verbetering van het ecologisch netwerk. Een omgevingsprogramma zien wij als mogelijkheid om de relatie met het beheer van wegen te verbeteren. Het ecologisch functioneren van De Balij-Bieslandsebos is ook onderdeel van dit omgevingsprogramma. Verder geldt dat de Omgevingsvisie overeenkomstig de systematiek van de Omgevingswet kaderstellend is voor het omgevingsplan. Een expliciete verwijzing hiernaar is dus niet nodig. 17. Er is inderdaad ook een relatie van het ecologisch netwerk met de groengebieden buiten de gemeente. Op enkele punten is dit al aangegeven. Op de kaart voegen we daaraan nog een verbinding toe over de A12 en A13. 18. Het groene buitengebied is in de Omgevingsvisie beschermd met een vaste groene contour (zie ook het antwoord onder punt 1). Wij kiezen er niet voor hierbij een compensatiebeginsel op te nemen, zoals door de indieners voorgesteld.

De Omgevingsvisie bevat volgens ons voldoende waarborgen om de groene contour te handhaven. (Mede) naar aanleiding van deze zienswijze wordt de tekst over de groene contour nog eens extra aangescherpt door in zowel de inleidende tekst van deze ontwikkelingslijn als in paragraaf 1.1 de volgende Pagina 27

19.

20.

21.

22.

passage op te nemen: Binnen deze contour is geen ruimte voor verstedelijking zoals woningbouw en/of bedrijventerreinen. Dat geldt ook voor grootschalige zonnevelden en windmolens. Dit betekent dat het oppervlakte van het groene buitengebied gelijk blijft in de visie. Ontwikkelingen die de kwaliteit van natuur en landschap versterken, zijn wel mogelijk Wij hechten eraan deze locatie te onderzoeken, maar hebben de tekst en kaart wel aangepast. In de thematische beantwoording onder paragraaf 2.1 wordt hier uitgebreid op ingegaan. De locatie waarop de indieners wijzen ligt binnen de woonkern van Delfgauw, en nemen wij niet op binnen de groene contour van het groene buitengebied. Wel geven wij op de kaart duidelijker het ecologische netwerk aan binnen de kernen. De betreffende groene zone langs de A13 is hiervan onderdeel. De verwachting is dat het gronddepot aan de Sportlaan in de toekomst niet meer als zodanig zal worden gebruikt. Dat betekent dat een nieuwe functie aan dit gebied kan worden gegeven. Het onderzoek is erop gericht om het gebied een functie te geven die aansluit bij de ambities benoemd in de Omgevingsvisie. Daarbij willen en kunnen we nu niet vooruit lopen op de uitkomsten van dit onderzoek.

Het onderzoek heeft tot doel om te komen tot een goed gemotiveerde keuze voor de toekomstige invulling, rekening houdend met de beperkingen van de locatie en de kansen om bij te dragen aan één of meerdere ambities met behulp van het kompas. Voorbeelden van mogelijke functies zijn: maatschappelijke voorzieningen (in relatie tot de Groene Wijdte), biodiversiteit, klimaatadaptatie, woningbouw en energietransitie. Zoals onder punt 21 toegelicht zal de toekomstige functie van het gronddepot het resultaat zijn van een nog uit te voeren. In het onderzoek naar deze

invulling nemen we wel de kansen mee die de locatie biedt voor natuurwaarden in aansluiting op het groene buitengebied. 23. De suggestie om eerst alternatieven voor de Balijade als transformatiegebied te ontwikkelen, voor de vaststelling van de Omgevingsvisie, nemen wij niet over. De Balijade is opgenomen als transformatiegebied omdat de locatie niet toekomstbestendig is voor de glastuinbouwfunctie. Deze analyse wordt gedeeld door de provincie ZuidHolland. Balijade biedt de kans om een deel van de woningbehoefte in te vullen. Op de kaart op pagina 44 van het ontwerp van de Omgevingsvisie is zichtbaar dat wij hier het gebiedsprofiel Buurtschappen hebben opgenomen. Naast een hechte gemeenschap die woont en werkt in een landelijke omgeving is in een nieuw buurtschap sprake van een groen woonmilieu aan de rand van de kern waarmee de verbinding tussen de buitengebieden en de kernen verder wordt versterkt. De buurtschappen vormen een natuurlijke afronding van de kernen. Bij de keuze voor het gebiedsprofiel is dus al rekening gehouden met de bijzondere ligging nabij zowel de kern als het buitengebied en is bijzondere aandacht voor de verbinding tussen het groen en de kern. 24. De gebruikte termen, symbolen en andere aanduidingen op de kaarten zijn toegelicht in de tekst van de Omgevingsvisie. Daarbij merken wij op dat de Omgevingsvisie een visie op hoofdlijnen is.

Dat betekent dat het inderdaad minder concreet is dan bijvoorbeeld de juridisch bindende regels die straks in het omgevingsplan worden opgenomen. 25. In de inleiding van onze beantwoording van deze zienswijze hebben we beargumenteerd waarom wij van mening zijn dat een aparte visie niet noodzakelijk is. In het ontwerp van de Omgevingsvisie heeft het groen (natuur, recreatie,

open landschap) een duidelijke en herkenbare plek. Daarbij gaat de Omgevingsvisie niet alleen in op het groen in het buitengebied, maar ook op het groen in de kernen en de groene verbindingen. De visie op het groen (in het buitengebied, maar ook in en door de kernen) is namelijk al een onderdeel van de Omgevingsvisie. Met de tekstuele aanvulling dat dit nader wordt uitgewerkt in een omgevingsprogramma wordt (deels) tegemoet gekomen aan de wensen om meer concrete uitwerking. De Omgevingsvisie is het resultaat van een proces van bijna twee jaar. In 2019 is de startnotitie vastgesteld. Daarin is het proces beschreven. Wij zijn van mening dat we, door deze periode van twee jaar te gebruiken, een balans hebben gevonden tussen het zorgvuldig voorbereiden, bespreken en delen van (tussen)producten enerzijds en een zekere

Pagina 28

voortgang anderzijds. Het nu stoppen van dit proces achten wij gezien de vraagstelling niet nodig en bovendien ongewenst voor andere in dit proces betrokken inwoners en ondernemers.

2.

Conclusie De ontvangen zienswijze leidt tot verschillende aanpassingen van de Omgevingsvisie: 1. Op de kaart die hoort bij ontwikkelingslijn 1 (pagina 23) wordt het ecologisch netwerk duidelijker aangegeven door onder andere ecologische pijlen toe te voegen bij de Katwijkerlaan (Groenzoom-De Balij), bij de Laan van Floris V, bij de locatie Ridderspoor /Lobelia, en ter hoogte van de groenstrook tussen Delfgauw en de A13. Ook voegen we twee ecologische pijlen toe die een

3.

verbinding maken met ons groengebied en de groengebieden over de A12 en de A13 heen. Daarnaast wordt in de tekst opgenomen dat dit nader wordt uitgewerkt in een omgevingsprogramma waarin concrete maatregelen zijn opgenomen waarmee we de ambities voor het groen willen realiseren Op pagina 18 en 19 (zijnde de inleiding op de ontwikkelingslijn en paragraaf 1.1) wordt ter verduidelijking en aanscherping de volgende tekst opgenomen: ‘Binnen deze contour is geen ruimte voor verstedelijking zoals woningbouw en/of bedrijventerreinen. Dat geldt ook voor grootschalige zonnevelden en windmolens. Dit betekent dat het oppervlakte van het groene buitengebied gelijk blijft in de visie. Ontwikkelingen die de kwaliteit van natuur en landschap versterken, zijn wel mogelijk’.

4.3.2 Ondersteuning van het burgerinitiatief Natuurlijk Delfland is blij met de aandacht en plek voor het groen in het ontwerp van de Omgevingsvisie (zienswijze 147). Daarnaast steunt zij ook het burgerinitiatief en ziet ze dit als een kans om het groen beter op de kaart te zetten en zowel de omvang, structuur als kwaliteit naar de toekomst toe gedegen te veranderen met als belangrijkste aandachtspunten: 1. Realiseren robuuste ecologische verbindingen tussen de grote groene gebieden; 2. Fijnmazig groen netwerk waarbij groene gebieden, woonwijken, bedrijventerreinen en

glastuinbouwgebieden beter met elkaar worden verbonden; 3. Biodiversiteit vergroten door kwalitatieve en kwantitatieve beoordeling van de huidige situatie en autonome ontwikkeling om daarmee de kansen voor de biodiversiteit te vergroten en te benutten; 4. Tegengaan van negatieve invloeden op de natuur- en groene gebieden zoals lichthinder, geluidshinder, luchtkwaliteit, waterkwaliteit en recreatiedruk. De indieners van zienswijze 265, 266 en 269 ondersteunen het burgerinitiatief op het punt dat

zij pleiten voor 50% minder ruimte voor glastuinbouw om zo meer ruimte te houden en maken voor groen. Zienswijze 283 sluit zich geheel aan bij de zienswijze die is ingediend door het burgerinitiatief. Het groen kan niet zelf voor zijn eigen belangen opkomen en sneeuwt daardoor makkelijk onder. Een goed doordachte meerjarenvisie op het behoud en de versterking van onze natuur moet daarom zo snel mogelijk worden vastgesteld. In aanvulling op het burgerinitiatief komen nog diverse argumenten aan de orde in deze zienswijze. Deze komen elders in dit participatieverslag aan de orde.

Beantwoording per aandachtspunt 1. 2. 3. 4.

Het realiseren van robuuste ecologische verbindingen is onderdeel van de Omgevingsvisie. De pijlen en aanduidingen hiervan zijn op kaart nog verder verduidelijkt. De gedetailleerde uitwerking van deze verbindingen is onderdeel van een nog op te stellen omgevingsprogramma. Ook deze uitwerking is onderdeel van een omgevingsprogramma. Daarvoor levert ook het bestaande beleidskader Natuur op de kaart Pijnacker-Nootdorp input. Deze aanbeveling nemen wij mee bij het omgevingsprogramma. Wel merken wij op dat wij eerder denken aan het in beeld brengen en monitoren van gebieden die een habitat zijn voor planten en dieren en niet aan het kwantitatief monitoren van het aantal en de diversiteit van specifieke planten en dieren. De Omgevingsvisie staat voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. De relatie tussen de natuur en door indiener aangegeven aspecten hoort daar zeker bij. De uitwerking in maatregelen en regels is iets voor het omgevingsprogramma en het omgevingsplan. Voor de relatie met lichthinder en geluidshinder verwijzen wij verder naar de beantwoording hierover bij de paragrafen 8.3.1 en 8.3.2. 4. Voor de relatie met waterkwaliteit zie de beantwoording hierover bij paragraaf 8.3.3. Voor de relatie met recreatiedruk verwijzen wij naar de beantwoording onder paragraaf 5.3.2.

Conclusie De ontvangen zienswijze leidt tot verschillende, met de vorige zienswijze vergelijkbare aanpassingen van de Omgevingsvisie: 1. Op de kaart behorende bij ontwikkelingslijn 1 (pagina 23) wordt het ecologisch netwerk duidelijker aangegeven door onder andere ecologische pijlen toe te voegen bij de Katwijkerlaan (Groenzoom-De Balij), bij de Laan van Floris V, bij de locatie Ridderspoor /Lobelia, en ter hoogte van de groenstrook tussen Delfgauw en de A13. Ook voegen we twee ecologische pijlen toe die een verbinding maken met ons groengebied en de groengebieden over de A12 en de A13 heen. 2. Daarnaast wordt in de tekst opgenomen dat dit nader wordt uitgewerkt in een omgevingsprogramma dat concrete maatregelen bevat waarmee we de ambities voor het groen willen realiseren 3. Op pagina 18 en 19 (zijnde de inleiding op de ontwikkelingslijn en paragraaf 1.1) wordt ter verduidelijking en aanscherping de volgende tekst opgenomen: “Binnen deze contour is geen Pagina 29 ruimte voor verstedelijking zoals woningbouw en/of bedrijventerreinen. Dat geldt ook voor grootschalige zonnevelden en windmolens. Dit betekent dat het oppervlakte van het groene buitengebied gelijk blijft in de visie. Ontwikkelingen die de kwaliteit van natuur en landschap versterken, zijn wel mogelijk”.

5. Zienswijzen ontwikkelingslijn 1: onderscheidend groen 5.1 Een aantrekkelijk groen landschap In het ontwerp van de Omgevingsvisie staat dat in 2050 het groene buitengebied nog steeds een unieke en onderscheidende kwaliteit van Pijnacker-Nootdorp is. In de steeds drukker geworden Randstad is het een oase van rust die we beschermen met een vaste groene contour. De onderstaande zienswijzen gaan over deze ambitie. 5.1.1 Beschermen van en niet bouwen in het groen In vele zienswijzen zien we terug dat een groene omgeving door inwoners gewaardeerd wordt. In aantal zienswijzen klinken zorgen door. Zo wordt gevraagd naar de plannen voor de Bieslandse polder tussen Pijnacker-Nootdorp en de Delftse Hout. Blijft dit groen of zijn er plannen voor woningbouw (zienswijze 5)? In zienswijze 283 wordt gevraagd om meer gebieden aan te wijzen als onderdeel van het natuurnetwerk. Nu staat in het ontwerp van de Omgevingsvisie dat alleen de Ackerdijkse Plassen, het Krekengebied en het weidevogelkerngebied deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Grote delen van Buytenhout en de Groenzoom zouden daar ook deel van uit kunnen maken. In zienswijze 74 staat een oproep om het groen en de natuurgebieden zoveel mogelijk groen te laten.

Dat het groen niet alleen belangrijk is voor inwoners uit PijnackerNootdorp wordt onderstreept in zienswijze 154 waarin een inwoner uit Delft benadrukt dat het Pagina 30

belangrijk is dat voor de leefkwaliteit de huidige hoeveelheid groen behouden blijft. Door Natuurlijk Delfland wordt daar (in zienswijze 147) aan toegevoegd dat de natuurgebieden en gebieden met landschappelijke en natuurwaarden tot nu toe nog onvoldoende worden ontzien. De oproep is dan ook om ze beter te beschermen en te zorgen voor verbindingen tussen en met de grotere natuur- en recreatiegebieden. De historische linten bieden kansen tot kwaliteitsverbetering en meer ecologische samenhang. In lijn daarmee constateert Natuurlijk Delfland dat het huidige beleidskader Natuur op de kaart van het begin af aan onvoldoende ambitieus was en zonder eigen budget en strakke regie nauwelijks concreet handen en voeten heeft gekregen. Bovendien zijn de groene gebieden door het ontbreken van harde grenzen kwetsbaar. Er wordt steeds geknaagd en geknabbeld aan de randen van het gebieden en medewerking verleend aan activiteiten die het gebied van binnenuit uithollen. NMP doet in het verlengde daarvan (in zienswijze 17) de aanbeveling om in de Omgevingsvisie op te nemen dat het oppervlak aan groene gebieden ten minste gelijk moet blijven. Groene gebieden betekenen in deze context het groen met de bestemmingen natuur, recreatie en/of agrarisch buiten de bebouwde kom. De formulering van zinnen op pagina 19 van het ontwerp van de Omgevingsvisie (inzake bouwen in het groene buitengebied en de

begrenzing van het Oude Leedegebied) moet daarom verduidelijkt en aangescherpt worden. De bewonersvereniging Bos van ’s-Gravenhout (zienswijze 286) voegt daar aan toe dat het groen te veel als een homogeniteit wordt beschouwd, waarbij voorbij gegaan wordt aan de zwakke punten in de ecologische verbindingen en de verschillen in kwaliteit. Daarom beveelt de bewonersvereniging aan om daar goed onderzoek naar te doen. Nu ontbreekt in het ontwerp van de Omgevingsvisie namelijk een toekomstgerichte ambitie voor de groenstructuur. Een tweede zorg van de bewonersvereniging (zienswijze 286) is dat niet duidelijk is in hoeverre de leefkwaliteit en het belang van het groen zijn meegenomen in de ontwikkeling van de energietransitie. Zo is de bewonersvereniging van mening dat de Balij en het wandelbos Laakweg niet mogen worden aangetast door ontwikkelingen in het kader van energietransitie. In zienswijze 283 wordt bovendien gesteld dat nieuwe woningen alleen mogen worden gebouwd op plekken waar nu kassen staan. Onbebouwde percelen in de glastuinbouwgebieden moeten groen blijven. In lijn daarmee is betrokkene van mening dat dus niet gebouwd mag worden ten zuiden van de Braslaan of ten zuiden van het Sportpark De Groene Wijdte.

Beantwoording In de Omgevingsvisie heeft het groen (in de vorm van bijvoorbeeld natuur, recreatie, open landschap) een duidelijke en herkenbare plek. De ambitie is om de waardevolle groene omgeving te behouden en de groene kwaliteit verder te ontwikkelen. Voor het groene buitengebied hebben we, mede daarom, een vaste groene contour opgenomen. Binnen deze contour is geen ruimte voor verstedelijking zoals woningbouw en/of bedrijventerreinen. Er komen dus geen woningen of bedrijfsgebouwen in de Bieslandse Polder. Sterker nog, dit betekent dat het oppervlakte van het groene buitengebied gelijk blijft in de visie. Wel laten we ruimte voor ontwikkelingen die de kwaliteit van natuur en landschap versterken. Gelet op de vele vragen over het behoud van het groen, en de zorg hierover, scherpen wij de tekst aan betreffende het ‘bouwen in het buitengebied’ in zowel de inleidende tekst van ontwikkelingslijn 1 (pagina 18) als in paragraaf 1.1. De aanduiding van natuurkernen in de Omgevingsvisie volgt de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het is de Provincie Zuid-Holland die deze begrenzing vastlegt. Aan de begrenzing van het NNN is ook een systeem van natuursubsidies gekoppeld. De provincie heeft het voornemen ook het weidevogelkerngebied in de Zuidpolder toe te voegen, waardoor provinciale gelden beschikbaar komen voor dit gebied.

Hierdoor kunnen de natuurwaarden in de Zuidpolder flink verbeterd worden. Dat de overige delen van het groene buitengebied niet onder het NNN vallen,

Pagina 31

wil niet zeggen dat de natuurwaarden hier niet worden beschermd of verder ontwikkeld. Ook in deze gebieden zijn de natuur- en landschapswaarden belangrijk, zoals ook in de Omgevingsvisie aangeduid. Een groot deel wordt beheerd door Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten en de gemeente, die deze waarden beschermen en versterken. We zien een duidelijke wens om de waarden van de groene kwaliteiten verder uit te werken. Voorbeelden daarvan zijn de ecologische kwaliteit, de verbindingen tussen gebieden en de relatie met de historische bebouwingslinten Wij onderschrijven dat het groene buitengebied geen homogeen gebied is, maar per gebied verschilt in functie, uitstraling en kwaliteit. Ook binnen de kernen is sprake van diversiteit van groen en bijbehorende beplanting. In de Omgevingsvisie staan ambities om de kwaliteit van het groen verder te ontwikkelen. Dat doen we niet in de Omgevingsvisie omdat dat een globale, strategische visie op hoofdlijnen is, maar in het omgevingsprogramma. Met dit nieuwe instrument uit de Omgevingswet werken we de doelstellingen uit de Omgevingsvisie uit in tactisch beleid en maatregelen gericht op ontwikkeling, gebruik, beheer, bescherming en behoud van de fysieke leefomgeving.

We benoemen in de Omgevingsvisie dat we in een omgevingsprogramma onderwerpen als zonering van gebieden, maatregelen voor natuurverbetering en het vastleggen van het ecologisch netwerk verder uitwerken. In antwoord op de zorgen over het ecologisch en recreatieve netwerk, zullen wij de kaart op pagina 23 aanvullen met diverse pijlen die de ecologische verbinding op visieniveau weergeven.

Ten aanzien van de geuite zorgen over de relatie tussen de energietransitie enerzijds en de leefkwaliteit en het belang van het groen anderzijds (inclusief het concrete voorbeeld van het wandelbos nabij de Laakweg) merken we het volgende op. De Omgevingsvisie stelt duidelijk dat bijvoorbeeld grootschalige zonnevelden niet in de groene gebieden gerealiseerd mogen worden. Voor windmolens is op dit moment helemaal geen ruimte in onze gemeente. Ruimte voor zon op dak is er overal en specifiek in de duurzame glastuinbouwgebieden zijn er meer mogelijkheden. Deze keuzes zijn (deels) ingegeven door de afweging tussen leefkwaliteit enerzijds en de noodzaak om over te stappen op niet-fossiele energiebronnen anderzijds. Het pleidooi om de onbebouwde percelen in de glastuinbouwgebieden onbebouwd te laten, wijzen wij af. Dit moet bezien worden in de totale opgave van herstructurering en transformatie van deze gebieden. Deze ruimte is nu beschikbaar voor de glastuinbouwsector en blijft dat ook in de toekomst. Wel is in de Omgevingsvisie opgenomen dat ook natuur, recreatie en landschapswaarden onderdeel zijn van deze ruimtelijke opgave. De uitwerking hiervan doen wij in omgevingsprogramma’s en vertalen we waar nodig naar regels in het omgevingsplan.

Conclusie De ontvangen zienswijze leidt tot verschillende, met de vorige zienswijze vergelijkbare aanpassingen van de Omgevingsvisie: 1. Op pagina 18 en 19 (zijnde de inleiding op de ontwikkelingslijn en paragraaf 1.1) wordt ter verduidelijking en aanscherping de volgende tekst opgenomen: “Binnen deze contour is geen ruimte voor verstedelijking zoals woningbouw en/of bedrijventerreinen. Dat geldt ook voor grootschalige zonnevelden en windmolens. Dit betekent dat het oppervlakte van het groene buitengebied gelijk blijft in de visie. Ontwikkelingen die de kwaliteit van natuur en landschap versterken, zijn wel mogelijk”. 2. Op de kaart behorende bij ontwikkelingslijn 1 (pagina 23) wordt het ecologisch netwerk duidelijker aangegeven door onder andere ecologische pijlen toe te voegen bij de Katwijkerlaan (Groenzoom-De Balij), bij de Laan van Floris V, bij de locatie Ridderspoor /Lobelia, en ter hoogte van de groenstrook tussen Delfgauw en de A13. Ook voegen we twee ecologische pijlen toe die een verbinding maken met ons groengebied en de groengebieden over de A12 en de A13 heen. 3. Daarnaast wordt in de tekst opgenomen dat dit nader wordt uitgewerkt in een omgevingsprogramma waarin concrete maatregelen zijn opgenomen waarmee we de ambities voor het groen willen realiseren.

Pagina 32

5.1.2 Ruimte voor ruimte NMP stelt in zienswijze 17 dat door toepassing van de regeling ruimte voor ruimte de bebouwing op veel plekken toch beetje bij beetje de groene gebieden in sluit. Daarom is NMP van mening dat de regeling met meer terughoudendheid moet worden toegepast en op afzienbare termijn moet worden beëindigd. Glastuinbouw Nederland (zienswijze 241) vraagt juist aandacht voor het verspreid liggend glas en kijkt naar mogelijkheden en regelingen om het (ook financieel) mogelijk te maken dat bedrijven verplaatsen van een minder geschikte locatie (bijvoorbeeld in RuyvenZuidpolder of een te transformeren glastuinbouwgebied). Een optie die zij met de provincie willen verkennen is het opstellen van een verplaatsregeling inclusief sanering vergelijkbaar met de regelingen die in Noord-Holland en Gelderland al bestaan. Een andere optie, wanneer het om een geïsoleerde locatie gaat, is het realiseren van zonnepanelen op de grond. Wanneer verspreid liggende glastuinbouw niet kan of wil verplaatsen dan verwacht Glastuinbouw Nederland dat de gemeente zorgt voor een ongestoorde bedrijfsvoering die niet door regelgeving wordt beperkt.

Beantwoording De Ruimte voor Ruimteregeling, zoals eerder in de gemeente toegepast, heeft twee doelstellingen. Ten eerste kunnen tuinbouwbedrijven die in sommige gebieden geen uitbreidingsruimte meer hebben op een financieel haalbare wijze stoppen met hun bedrijf. De trend in de glastuinbouwsector is een steeds grotere schaalvergroting. De gemeente en ook de provincie voeren hiervoor een beleid om dergelijke bedrijvigheid te concentreren in duurzame glastuinbouwgebieden. Buiten deze concentratiegebieden zijn er geen of beperkte ontwikkelingsmogelijkheden. Ten tweede draagt de regeling bij aan een aantrekkelijk landschap doordat grotere oppervlaktes aan kassen en bebouwing wordt gesloopt, terwijl daarvoor hooguit enkele woningen worden terug geplaatst. De Ruimte voor Ruimte regeling betekent een win-win situatie die zich in het Oude Leedegebied en de Katwijkerbuurt heeft bewezen. Bij beide gebieden is gebruik gemaakt van een stedenbouwkundige en landschappelijke visie voor een goede inpassing van de compensatiewoningen. Het saneren van kassen en overige (voormalige) bedrijfsbebouwing zonder de Ruimte voor Ruimte regeling, is tot dusver niet realistisch gebleken. Vooralsnog behouden we daarom de mogelijkheid van de Ruimte voor Ruimteregeling.

Hoewel er inderdaad op enkele plekken woningen zijn teruggekomen, zijn er ook waardevolle doorzichten ontstaan en is op vele plekken het veenweidelandschap daardoor weer beleefbaar geworden. Wanneer de Provincie Zuid-Holland komt met een geschikte verplaatsregeling kunnen wij dit heroverwegen. De Ruimte voor Ruimteregeling is een vrijwillige regeling. Bedrijven die hieraan niet mee willen doen, kunnen hun huidige bedrijf voortzetten conform de bestaande afspraken. Dat betekent dat er geen nieuwe uitbreidingsmogelijkheden worden geboden.

5.1.3 Uitbreiden van het groen De Dobbeplas wordt goed bezocht en de Omgevingsvisie benoemt dat er af en toe evenementen en intensievere recreatie plaats kunnen vinden. NMP (zienswijze 17) vindt dat hieraan wel voorwaarden moeten worden verbonden. De evenementen mogen niet plaatsvinden in het broedseizoen en buiten het broedseizoen moet de organisator voldoende maatregelen nemen om de schade aan de ecologie te beperken en waar nodig te beschermen. Ondanks de problemen met de blauwalg is het een populaire plek voor jongeren, sportscholen en gezinnen. Wanneer het aantal inwoners groeit dan is het gebied echter onvoldoende groot. Voorgesteld (zienswijze 25) wordt dan ook om nog een gebied aan te wijzen voor recreatie, bijvoorbeeld ten zuidoosten van Pijnacker. Dit gebied kan dan ook functioneren als een extra waterberging. Daarmee kunnen we droge voeten houden en, even belangrijk, water vasthouden. Zo zijn we beter bestand tegen extremere weersomstandigheden. In zienswijze 17 wordt door NMP gevraagd waarom uitbreiding van groen zich vooral richt op wijken tussen 2025 en 2050? In Tuindershof en de Scheg zien ze nu al goede ontwikkelingen. Door monitoring kan worden gekeken of deze groene plannen ook echt werken en welke lessen we kunnen leren voor nog betere plannen na 2025.

Bovendien zou uitbreiding van groen en versterking van de ecologische waarde daarvan ook de norm moeten zijn bij herinrichting van bestaande wijken (zoals Klapwijk).

Pagina 33

Beantwoording Wij herkennen de ervaring van betrokkene dat de recreatiedruk in de natuur- en recreatiegebieden, waaronder de Dobbeplas, toeneemt. Dat kan natuurwaarden onder druk zetten en geeft soms ook spanningen tussen de verschillende soorten recreanten. Het houden van evenementen is daar een onderdeel van. Dit aandachtspunt voegen wij toe aan paragraaf 1.3. De Dobbeplas is een recreatieve poort, met ruimte voor intensievere vormen van recreatie. De locatie is goed bereikbaar, ook voor auto’s met parkeervoorzieningen. Wij nemen de suggestie niet over om elders in de gemeente een vergelijkbare poort te creëren. Dat vraagt teveel aanpassingen in de verkeersstructuur. De geleiding van recreatiestromen, met bijvoorbeeld het beter aanbrengen van een zonering zien wij wel als een belangrijke uitwerking van de Omgevingsvisie. Hoewel we dus geen mogelijkheden zien voor een nieuwe zwemplas ten zuidoosten van Pijnacker, biedt de Groenzoom (als nieuwste grote groengebied) aan de randen ook enkele plekken waar kansen voor intensievere vormen van recreatie kunnen worden verkend. Dit nemen we mee in een omgevingsprogramma voor natuur en recreatie. Partijen als Staatsbosbeheer, de beheerder van de Groenzoom, en Natuurmonumenten zijn hierbij belangrijke partners.

Dat de uitbreiding van groen zich vooral richt zich op nieuw te ontwikkelen wijken, heeft te maken met de mogelijkheden hiervoor. De door betrokkene genoemde in ontwikkeling zijnde wijken Tuindershof en de Scheg zijn goede voorbeelden van onze inzet. In bestaande woonwijken is minder ruimte voor nieuw groen door de aanwezige bebouwing en andere functies als parkeren. Dat laat onverlet dat we ons in willen spannen om bestaande wijken te vergroenen en klimaatadaptiever te maken. Op dit vlak benutten we kansen voor deze

wijken, maar door de bestaande context zijn de mogelijkheden beperkter dan in de nog te realiseren woonwijken.

Conclusie De ontvangen zienswijzen leiden tot aanpassing van de Omgevingsvisie. Aan paragraaf 1.3 wordt de volgende tekst toegevoegd: ‘Daarbij hebben we aandacht voor de toegenomen recreatiedruk op het groene buitengebied door een diversiteit aan recreanten. Een goede zonering van recreatie draagt bij aan de omgang met de recreatiedruk op de groene gebieden. Wanneer evenementen in het groene buitengebied plaatsvinden, dan moet rekening worden gehouden met natuur – en landschapswaarden’.

5.1.4 Natuurbegraafplaats in recreatiegebied Ruyven De eigenaar van de gronden ten zuiden van het bedrijventerrein Ruyven doet het voorstel om van dit deel van het groene buitengebied een natuurbegraafplaats voor 200 tot 500 graven te maken. Een natuurbegraafplaats is gebaseerd op de filosofie dat ook het begraven van dierbaren onderdeel is van een natuurlijke kringloop en bij kan dragen aan natuurbehoud en -ontwikkeling. Het terrein wordt ter plaatse van de hoger liggende patronen in het landschap (Gantellaag) opgehoogd, wat bijdraagt aan het zicht- en beleefbaar maken van de geschiedenis van het landschap. De lager gelegen delen van het gebied kunnen vernat worden zodat er een extra plas-dras gebied ontstaat voor weide- en oevervogels. Het gebied blijft openbaar toegankelijk per fiets en te voet. De bezoekers kunnen via de Zuideindseweg met de auto komen, waarvoor een parkeerplaats wordt aangelegd. Mogelijke aanvullingen zijn een route naar het archeologisch rijksmonument het Kasteel van Ruijven en een samenwerking met de zorgboerderij Buitengewoon.

Pagina 34

Beantwoording: Onder voorwaarden zien wij mogelijkheden voor de realisatie van een natuurbegraafplaats binnen de uitgangspunten en ambities van de Omgevingsvisie. De locatie is nu onderdeel van het agrarisch veenweidelandschap, maar de toekomstwaarde voor de landbouw is hier beperkt. De Omgevingsvisie maakt ontwikkeling naar natuur- en recreatielandschap mogelijk. Daarbinnen kan een natuurbegraafplaats kwaliteit toevoegen, wanneer ook sprake is van een maatschappelijke behoefte. De locatie sluit daarbij aan bij het recreatiegebied Ruyven, dat een inrichting kent met bosschages, waterpartijen en recreatieve paden. De mogelijkheden voor het eventueel toevoegen van nieuwe bebouwing aan het gebied zijn overigens zeer beperkt. Voor een definitieve afweging van dit ruimtelijke initiatief is verdere uitwerking nodig. Wij nodigen de initiatiefnemer bij deze graag uit om een uitgewerkt initiatief op te stellen waarin aangetoond wordt dat er positieve ecologische effecten zijn zowel op de locatie zelf als op de omgeving. Ook de aansluiting van het landschap op de omgeving vraagt nadere onderbouwing. Verder is onderzoek nodig naar de verkeerseffecten en de bereikbaarheid van de voorziening. Ook de toegankelijkheid voor recreanten is een belangrijk

aandachtspunt. Het toevoegen van nieuwe (functionele) bebouwing vraagt een nadere afweginging. Het uitgewerkte initiatief kan worden ingediend via het Omgevingsloket Online, zodat wij hierover concreet met elkaar in gesprek kunnen treden en vervolgens een besluit kunnen nemen.

Conclusie De ontvangen zienswijze leidt niet tot een aanpassing van de Omgevingsvisie. Graag nodigen we de initiatiefnemer uit om het voorstel verder uit te werken en in te dienen via het Omgevingsloket Online, zodat wij hierover concreet met elkaar in gesprek kunnen treden en om vervolgens een besluit te kunnen nemen.

5.1.5 Beleven van het landschap Pijnacker-Nootdorp is een aantrekkelijke plek om te wonen voor mensen met een landelijke levensstijl. Om te kunnen genieten van het landschap en ter bevordering van het sociale karakter is een kleinschalige bed & breakfast of een terras waar men met een kop koffie kan uitkijken over de weilanden een waardevolle aanvulling die niet beperkt moet worden (zienswijzen 146). Zienswijze 17 ondersteunt de waarde van het beleven van het landschap, maar vraagt wel om expliciet op te nemen dat er geen wandel- en fietspaden door de Zuidpolder worden aangelegd. Dit om verstoring van landschap en de weidevogels aldaar te voorkomen.

Beantwoording Kleinschalige horeca in bestaande bebouwing in het buitengebied, zoals een bed & breakfast, past inderdaad goed binnen de uitgangspunten van de Omgevingsvisie. Daarbij zal in de vergunningverlening altijd rekening gehouden moeten worden met de specifieke kenmerken van de plek en aspecten als verkeer en milieu. Hoewel de Omgevingsvisie een visie op hoofdlijnen is (en de kaarten dus geen precieze locaties van wandel- en fietspaden bevatten), ligt het gelet op de uitgangspunten en ambities voor de Zuidpolder van Delfgauw niet voor de hand om hier nieuwe paden doorheen te leggen. Dit omdat de waarden van natuur, landschap en de agrarische bedrijfsvoering hier voorop staan.

Pagina 35

Conclusie De ontvangen zienswijzen leiden niet tot een aanpassing van de Omgevingsvisie.

5.1.6 Groen in de kernen Pijnacker-Nootdorp is door het vele groen in de buitengebieden en in de wijken een unieke plek om te wonen (zienswijze 275). Het groen bevordert de vitaliteit, biedt plek voor ontmoeting en beweging, is belangrijk voor de biodiversiteit en speelt een toenemende rol in het opvangen van de gevolgen van klimaatverandering. De ambitie om het groen, ook in de kernen, verder te versterken wordt dan ook onderschreven. Juist om die reden wordt verzocht om de verkoop van snippergroen te beëindigen. Dit groen, zelfs als het soms beperkt is in omvang, draagt bij aan een groene beleving en is van grote waarde voor de leefbaarheid in de wijken. Herwaardeer daarom het snippergoen, koester deze groene diamantjes van het openbaar gebied en stop met de verkoop. Wanneer het beheer voor de gemeente bezwaarlijk is, dan wordt in de zienswijze geopperd om inwoners erbij te betrekken. Gezien de waardering van inwoners voor het groen is hiervoor vast voldoende animo aanwezig. In zienswijze 213 wordt de suggestie gedaan om ook het groen in de kernen op een kaart te zetten. Zo wordt duidelijk wat groen is en groen moet blijven. Als voorbeeld wordt het gebied tussen de Hollandse Tuynen, Zuideindseweg en N470 genoemd. Ter aanvulling wordt in zienswijze 154 benadrukt dat het van

belang is dat groen in de nabije omgeving aanwezig is, dat betekent dus ook in de wijk zelf. De oudere wijken als Koningshof en Klapwijk zijn veel groener dan nieuwe wijken als Keijzershof. Wanneer er wordt gebouwd, dan moet er zoveel mogelijk groen worden gerealiseerd.

Beantwoording De verkoop van snippergroen kan inderdaad ten koste gaan van de ambitie om in iedere woonwijk voldoende groen van een passende kwaliteit te hebben. Daarom zullen we de raad binnenkort een apart voorstel voorleggen om het huidige snippergroenbeleid te beëindigen. In een omgevingsprogramma overwegen we daarna of, het in het licht van de ambities zoals beschreven in deze Omgevingsvisie, nodig is om hiervoor nieuwe regels op te stellen. De kaart op pagina 23 wordt op onderdelen aangepast om de groene (en ecologische) verbindingen beter in beeld te brengen. Dat past, vanwege het globale karakter, niet bij de Omgevingsvisie. In een nog op te stellen omgevingsprogramma werken we, onder andere, de groenstructuur in de kernen verder uit.

Conclusie De ontvangen zienswijzen leiden niet alleen tot een aanpassing van de Omgevingsvisie. Binnenkort zal een apart voorstel aan de raad worden voorgelegd om het huidige snippergroenbeleid te beëindigen. De aanpassing in de Omgevingsvisie ziet toe op het verduidelijken van het ecologisch netwerk op de kaart op pagina 23.

5.1.7 Water in de Omgevingsvisie Het Hoogheemraadschap van Delfland (zienswijze 297) ziet tot zijn plezier dat de thema’s water en klimaatadaptatie herkenbaar zijn opgenomen. Om dit te versterken vraagt het Hoogheemraadschap om bij meervoudig ruimtegebruik ook te denken aan combinaties met water en klimaatadaptatie en dat in de Omgevingsvisie te noemen. Groen en water zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het groen komt veelvuldig terug in de Omgevingsvisie, maar dat geldt minder voor water, waterketen en waterkwaliteit. Daarom wordt verzocht om dit ook expliciet te noemen in de Omgevingsvisie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10673161/1