Bijlage 1a - OBP Ruimte voor Ruimte 2023 Toelichting (aangepaste versie 16 januari 2023)
Tekst van het document
Verzamelplan Ruimte-voorRuimte-ontwikkelingen 2023
Gemeente Pijnacker-Nootdorp
datum projectnummer
16 januari 2023 222036
Bestemmingsplan Ruimte-voor-Ruimte-ontwikkelingen 2023 Pijnacker-Nootdorp
Aveco de Bondt BV Holten - Amstelveen - Breda Eindhoven - Nieuwegein Postbus 64, 7450 AB Holten
Gemeente Pijnacker-Nootdorp
T +31 548 85 33 33 info@avecodebondt.nl avecodebondt.nl
Toelichting
Bestemmingsplan Ruimte-voor-Ruimte-ontwikkelingen 2023 222036 projectleider Marcel Volbeda project
datum
projectnummer
referentie
opdrachtgever
status versie
Gemeente Pijnacker-Nootdorp
Concept 3.1
paraaf gecontroleerd
Marcel Volbeda
16 januari 2023 222036_AdB_RAP_0001_v3.1
datum referentie
16 januari 2023 222036_AdB_RAP_0001_v3.1
Inhoudsopgave 1 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6
Inleiding Aanleiding en doel Ligging en begrenzing plangebied Vigerend plangebied Planvorm Planproces Leeswijzer
1 1 1 3 3 4 4
2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8
Planbeschrijving Onderweg 3 Pijnacker (A) Onderweg achter 5 Pijnacker (B) Molendijk 3 Pijnacker (C) Oude Leedeweg 159 Pijnacker (D) Zuideindseweg achter 66 Delfgauw (E) Bovenmolenweg 6 Pijnacker (F) Keulseweg 47 Pijnacker (G) Onderweg 0 Pijnacker (H)
5 5 6 6 7 9 10 11 13
3 3.1 3.2 3.3
Juridische Planbeschrijving Verantwoording planvorm Systematiek bestemmingen Planregels
15 15 15 15
4 4.1
Beleidskader Rijksbeleid 4.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 4.1.2 Besluit en ministeriële regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, Rarro), 2012 4.1.3 Ladder van duurzame verstedelijking Provinciaal beleid 4.2.1 Omgevingsvisie Zuid Holland 4.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Gemeentelijk beleid 4.3.1 Omgevingsvisie Pijnacker Nootdorp 2050, Verbonden met elkaar 4.3.2 Nota uitnodigende ruimtelijke ordening
19 19 19 19 20 21 21 23 28 28 28
Planologisch relevante (milieu)aspecten Inleiding Milieueffectrapportage Bodem Waterhuishouding Archeologie en cultuurhistorie Ecologie 5.6.1 Natuurgebieden 5.6.2 Flora en fauna Geluid Bedrijven en milieuzonering
31 31 31 31 32 36 37 37 38 39 40
4.2
4.3
5 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6
5.7 5.8
datum referentie
16 januari 2023 222036_AdB_RAP_0001_v3.1
5.9 5.10 5.11
Externe veiligheid Luchtkwaliteit Verkeer en parkeren
40 52 53
6 6.1 6.2 6.3
Uitvoerbaarheid Algemeen Maatschappelijke uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid
55 55 55 55
Bijlagen Bijlage 1 Watersleutel HHD Bijlage 2 Quickscan Wet natuurbescherming Bijlage 3 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai (P.M.)
datum referentie
16 januari 2023 222036_AdB_RAP_0001_v3.1
1
Inleiding
1.1
Aanleiding en doel
De gemeente Pijnacker-Nootdorp is voornemens om voor acht locaties een bestemmingsplan op te stellen waarin diverse zogenaamde Ruimte-voor-Ruimte-ontwikkelingen juridisch-planologisch mogelijk worden gemaakt. Hierbij staat het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit centraal. Daartoe worden agrarische opstallen gesloopt en worden enkele woonbestemmingen toegevoegd. Het plangebied van het op te stellen bestemmingsplan bevindt zich verspreid over het grondgebied van de gemeente. Het betreffen op zichzelf staande ontwikkelingen. Het doel van voorliggend bestemmingsplan is de bestemmingsregelingen voor navolgende locaties aan te passen aan de gewenste situatie: A. B. C. D. E. F. G. H.
Onderweg 3 (Pijnacker) Onderweg achter 5 (Pijnacker) Molendijk 3 (Pijnacker) Oude Leedeweg 159 (Pijnacker) Zuideindseweg achter 66 (Delfgauw) Bovenmolenweg 6 (Pijnacker) Keulseweg 47 (Pijnacker) Onderweg 0 (Pijnacker)
Met het nieuwe bestemmingsplan ontstaat de situatie, dat het bestemmingsplan een actueel en correct beeld geeft van de functies en een kader vormt waardoor (toekomstige) aanvragen voor een omgevingsvergunning kunnen worden getoetst. Het bestemmingsplan sluit aan bij de actuele juridische en planologische situatie en bij regelingen voor vergelijkbare situaties waar Ruimte-voor-Ruimte is toegepast en voldoet aan de vormvereisten van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). 1.2
Ligging en begrenzing plangebied
Het plangebied bestaat uit 8 verschillende op zichzelf staande deelgebieden. Op navolgende afbeeldingen is een overzicht van al deze locaties weergegeven, waarbij de belettering correspondeert met de nummering zoals gehanteerd in paragraaf 1.1 en 1.3.
datum referentie
16 januari 2023 222036_AdB_RAP_0001_v3.1
P 1/55
Figuur 1: Situering plangebied binnen Pijnacker-Nootdorp
datum referentie
16 januari 2023 222036_AdB_RAP_0001_v3.1
P 2/55
Figuur 2: Situering locaties A, B, C, D, F en H binnen Pijnacker-Nootdorp
1.3
Vigerend plangebied
Toetsingskader Voor de locaties zijn momenteel diverse bestemmingsplanning van kracht. In onderstaande tabel is voor elke locatie zichtbaar welk bestemmingsplan vigerend is.
A B
Locatie Onderweg 3 (Pijnacker) Onderweg achter 5 (Pijnacker)
Vigerend bestemmingsplan Lint Oude Leede 2 Lint Oude Leede 2
Vastgesteld 17-03-2016 17-03-2016
C D E F G H
Molendijk 3 (Pijnacker) Oude Leedeweg 159 (Pijnacker) Zuideindseweg achter 66 (Delfgauw) Bovenmolenweg 6 (Pijnacker) Keulseweg 47 (Pijnacker) Onderweg 0 (Pijnacker)
Lint Oude Leede 2 Lint Oude Leede 2 Emerald Lint Oude Leede 2 Katwijkerbuurt, deelgebied Berkelse Lint Lint Oude Leede 2
17-03-2016 17-03-2016 30-05-2016 17-03-2016 29-10-2015 17-03-2016
Onderhavig bestemmingsplan vervangt deze plannen voor de in het plangebied gelegen locaties. 1.4
Planvorm
Dit bestemmingsplan is gedetailleerd van karakter. Het plan vormt hierdoor een eenduidig toetsingskader voor de beoordeling van aanvragen van omgevingsvergunningen en voor een adequate handhaving van de regels.
datum referentie
16 januari 2023 222036_AdB_RAP_0001_v3.1
P 3/55
1.5
Planproces
Het vooroverleg op grond van art. 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening zal gelijktijdig met de terinzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan gevoerd worden. De resultaten daarvan worden verwerkt zodra deze beschikbaar zijn. Het ontwerpbestemmingsplan wordt ter inzage gelegd. Tijdens deze formele termijn van terinzagelegging van zes weken kunnen zienswijzen naar voren worden gebracht bij de gemeenteraad. De gemeenteraad zal deze zienswijzen beoordelen en kan eventueel daarin aanleiding vinden om het ontwerpbestemmingsplan aan te passen. De raad zal vervolgens het - al dan niet aangepaste - bestemmingsplan vaststellen. 1.6
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van de huidige en de nieuwe situatie. Hoofdstuk 3 beschrijft de relevante beleidsdocumenten die door de te onderscheiden overheden zijn gepubliceerd. In hoofdstuk 4 komen de planologisch relevante milieuaspecten (zoals bodem, water, flora en fauna en milieuzonering) aan de orde. In hoofdstuk 5 wordt de juridische vormgeving van het plan toegelicht. Hierna komen in hoofdstuk 6 en 7 de economische uitvoerbaarheid en de maatschappelijke toetsing/overleg aan de orde.
datum referentie
16 januari 2023 222036_AdB_RAP_0001_v3.1
P 4/55
2
Planbeschrijving
Inleiding Voor het opstellen van het bestemmingsplan is het van belang dat de uitgangspunten en de huidige situatie van het plangebied goed in beeld wordt gebracht. Het plangebied is om deze reden geïnventariseerd en geanalyseerd. In dit hoofdstuk wordt de huidige en beoogde situatie binnen het plangebied beschreven. 2.1
Onderweg 3 Pijnacker (A)
Beschrijving Het plan omvat het slopen van bestaande bedrijfsbebouwing en glasopstanden van het glastuinbouwbedrijf en het omzetten van de bedrijfswoning en terugbouwen van één nieuwe woning (in de tweede lijn). Vigerend bestemmingsplan De onderliggende gronden kennen op basis van het bestemmingsplan ‘Lint Oude Leede 2’ de bestemming ‘Agrarisch - Glastuinbouw’ met een bedrijfswoning. Beoogde bestemmingsregeling De bestaande bedrijfswoning wordt een burgerwoning met een woonbestemming. Ter plaatse van de locatie waar de extra woning gerealiseerd wordt krijgen de gronden een woonbestemming met een bouwvlak en gevellijn. Overige gronden verkrijgen de bestemming ‘Agrarisch-Weide’. De goothoogte mag maximaal 5 meter bedragen, de woningbreedte maximaal 12 meter en de woning dient voorzien te worden van een kap met hellingsgraad van minimaal 30o.
datum referentie
16 januari 2023 222036_AdB_RAP_0001_v3.1
P 5/55
2.2
Onderweg achter 5 Pijnacker (B)
Beschrijving Het plan omvat het slopen van bestaande bedrijfsbebouwing en glasopstanden van het glastuinbouwbedrijf en het omzetten van de bedrijfswoning en terugbouwen van vijf nieuwe woningen. Vigerend bestemmingsplan De onderliggende gronden kennen op basis van het bestemmingsplan ‘Lint Oude Leede 2’ de bestemming ‘Agrarisch - Glastuinbouw’ met een bedrijfswoning. Beoogde bestemmingsregeling De bestaande bedrijfswoning wordt een burgerwoning met een woonbestemming. Ter plaatse van de locatie waar de extra woningen gerealiseerd worden, krijgen de gronden een woonbestemming met een bouwvlak en gevellijn - overige gronden verkrijgen de bestemming ‘Agrarisch-Weide’. Ter ontsluiting van de woningen wordt langs de percelen een verkeersbestemming opgenomen. De goothoogte mag maximaal 5 meter bedragen, de woningbreedte maximaal 12 meter en de woning dient voorzien te worden van een kap met hellingsgraad van minimaal 30o.
2.3
Molendijk 3 Pijnacker (C)
datum referentie
16 januari 2023 222036_AdB_RAP_0001_v3.1
P 6/55
Beschrijving Het plan omvat het slopen van bestaande bedrijfsbebouwing en glasopstanden van het glastuinbouwbedrijf (m.u.v. de bedrijfswoning) en het omzetten van de bedrijfswoning en terugbouwen van zes nieuwe woningen. Vigerend bestemmingsplan De onderliggende gronden kennen op basis van het bestemmingsplan ‘Lint Oude Leede 2’ hoofdzakelijk de bestemming ‘Agrarisch - Glastuinbouw’ met een bedrijfswoning en de bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschaps- en natuurwaarden’ (ter plaatse van de westelijke percelen). Beoogde bestemmingsregeling De bestaande bedrijfswoning wordt een burgerwoning met een woonbestemming. Ter plaatse van de locatie waar de extra woningen gerealiseerd worden, krijgen de gronden een woonbestemming met een bouwvlak en gevellijn - overige gronden verkrijgen bestemming ‘Agrarisch-Weide’. Om de woningen te ontsluiten wordt een weg gerealiseerd. Deze weg kan op termijn worden gebruikt als fietspad dat de Onderweg met de Ackerdijkseweg verbindt. De goothoogte mag maximaal 5 meter bedragen, de woningbreedte maximaal 12 meter en de woning dient voorzien te worden van een kap met hellingsgraad van minimaal 30 o.
Bij de meest westelijke woning wordt een aanduiding opgenomen voor de achterste 15 meter van het kavel waarmee het niet is toegestaan hier bouwwerken en/of gebouwen te realiseren, om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor het aangrenzende perceel (woning westzijde) te kunnen waarborgen.
2.4
Oude Leedeweg 159 Pijnacker (D)
datum referentie
16 januari 2023 222036_AdB_RAP_0001_v3.1
P 7/55
Beschrijving Het plan omvat het slopen van bestaande bedrijfsbebouwing en glasopstanden van het glastuinbouwbedrijf (m.u.v. de bedrijfswoning) en het omzetten van de bedrijfswoning en terugbouwen van twee nieuwe woningen. Vigerend bestemmingsplan De onderliggende gronden kennen op basis van het bestemmingsplan ‘Lint Oude Leede 2’ de bestemming ‘Agrarisch - Glastuinbouw’ met een bedrijfswoning. Beoogde bestemmingsregeling De bestaande bedrijfswoning wordt een burgerwoning met een woonbestemming. Ter plaatse van de locatie waar de extra woningen gerealiseerd worden, krijgen de gronden een woonbestemming met een bouwvlak en gevellijn - overige gronden verkrijgen bestemming ‘Agrarisch-Weide’. Om deze woningen te ontsluiten wordt een weg gerealiseerd. De goothoogte mag maximaal 5 meter bedragen, de woningbreedte maximaal 12 meter en de woning dient voorzien te worden van een kap met hellingsgraad van minimaal 30 o.
datum referentie
16 januari 2023 222036_AdB_RAP_0001_v3.1
P 8/55
2.5
Zuideindseweg achter 66 Delfgauw (E)
Beschrijving Het plan omvat het slopen van de bestaande kas en het terugbouwen van één nieuwe woning. Vigerend bestemmingsplan De onderliggende gronden kennen op basis van het bestemmingsplan ‘Emerald’ de bestemming ‘Wonen-2’ met de functieaanduiding ‘ kas’. Beoogde bestemmingsregeling Zuideindseweg 66 is bestemd als wonen. Ter plaatse is echter nog een kas aanwezig. De inzet is om ter plaatse van de kas een woning te realiseren. De gronden krijgen deels een woonbestemming met bouwvlak en gevellijn. De resterende gronden krijgen de bestemming ‘Agrarisch-Weide’.
datum referentie
16 januari 2023 222036_AdB_RAP_0001_v3.1
P 9/55
2.6
Bovenmolenweg 6 Pijnacker (F)
Beschrijving Het plan omvat het slopen van bestaande bedrijfsbebouwing en glasopstanden van het glastuinbouwbedrijf (m.u.v. de bedrijfswoning) en het omzetten van de bedrijfswoning en terugbouwen van drie nieuwe woningen. Vigerend bestemmingsplan De onderliggende gronden kennen op basis van het bestemmingsplan ‘Lint Oude Leede 2’ de bestemming ‘Agrarisch - Glastuinbouw’ met een bedrijfswoning en een functieaanduiding ‘detailhandel’. Beoogde bestemmingsregeling De bestaande bedrijfswoning wordt een burgerwoning met een woonbestemming. Ter plaatse van de locatie waar de extra woningen gerealiseerd worden, krijgen de gronden een woonbestemming met een bouwvlak en gevellijn - overige gronden verkrijgen bestemming ‘Agrarisch-Weide’. Om de woningen te ontsluiten wordt een weg gerealiseerd. Deze weg kan op termijn worden gebruikt als fietspad dat de Onderweg met de Ackerdijkseweg verbindt. De goothoogte mag maximaal 5 meter bedragen, de woningbreedte maximaal 12 meter en de woning dient voorzien te worden van een kap met hellingsgraad van minimaal 30o.
datum referentie
16 januari 2023 222036_AdB_RAP_0001_v3.1
P 10/55
2.7
Keulseweg 47 Pijnacker (G)
Beschrijving Het plan omvat het slopen van bestaande agrarische bedrijfsbebouwing (m.u.v. de bedrijfswoning) en het terugbouwen van drie nieuwe woningen. Vigerend bestemmingsplan De onderliggende gronden kennen op basis van het bestemmingsplan ‘Katwijkerbuurt’ de bestemming ‘Agrarisch’ met een bedrijfswoning. Beoogde bestemmingsregeling De bestaande bedrijfswoning wordt een burgerwoning met een woonbestemming. Ter plaatse van de locatie waar de extra woningen gerealiseerd worden, krijgen de gronden een woonbestemming met een bouwvlak en gevellijn - overige gronden verkrijgen bestemming ‘Agrarisch-Weide’. De goot- en nokhoogte mag maximaal resp. 6 en 10 meter bedragen, de woningbreedte maximaal 12 meter en de woning dient voorzien te worden van een kap met hellingsgraad van minimaal 30o. Deze locatie daarnaast de mogelijkheid voor bouw van een (schapen)schuur in de weidebestemming met een maximale omvang van 100 m2 en maximale goot- en nokhoogte van resp. 3 en 5 meter.
datum referentie
16 januari 2023 222036_AdB_RAP_0001_v3.1
P 11/55
datum referentie
16 januari 2023 222036_AdB_RAP_0001_v3.1
P 12/55
2.8
Onderweg 0 Pijnacker (H)
Beschrijving Het plan omvat het realiseren van één woning op gronden waar de gemeente haar RvR-rechten in zet. Er zijn geen te slopen glasopstanden aanwezig op het perceel. Vigerend bestemmingsplan De onderliggende gronden kennen op basis van het bestemmingsplan ‘Lint Oude Leede 2’ de bestemming ‘Agrarisch - Glastuinbouw’. Beoogde bestemmingsregeling Ter plaatse van de nieuwe woning krijgen de gronden een woonbestemming met een bouwvlak en gevellijn, georiënteerd op de Bovenmolenweg - overige gronden verkrijgen de bestemming ‘Agrarisch-Weide’. De goothoogte mag maximaal 5 meter bedragen, de woningbreedte maximaal 12 meter en de woning dient voorzien te worden van een kap met hellingsgraad van minimaal 30o.
datum referentie
16 januari 2023 222036_AdB_RAP_0001_v3.1
P 13/55
datum referentie
16 januari 2023 222036_AdB_RAP_0001_v3.1
P 14/55
3
Juridische planbeschrijving
Het onderhavige bestemmingsplan heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen voor het bouwen en het gebruik van gronden en gebouwen binnen het plangebied. In dit hoofdstuk is een toelichting op de systematiek en de inhoud van de verschillende toegekende bestemmingen van het bestemmingsplan gegeven. 3.1
Verantwoording planvorm
Voor onderhavig bestemmingsplan ‘Verzamelplan Ruimte-voor-Ruimte-ontwikkelingen 2023' is gekozen voor de planfiguur van een gedetailleerd plan. De voorziene ontwikkelingen worden hierdoor mogelijk gemaakt, zonder dat ruimte wordt gecreëerd voor andersoortige (niet gewenste) ontwikkelingen. Er ontstaat zo tevens een adequaat toetsingskader voor de toekomst. Aan de opzet van de juridische systematiek worden hoge eisen gesteld, te weten: • De regeling moet praktisch en hanteerbaar zijn. Hanteerbaar voor iedereen die ermee moet werken; • De regeling moet helder en eenduidig zijn. Discussies over interpretatievraagstukken moeten niet aan de orde zijn; • Daarbij dient ook te worden gekeken naar relevantie: 'niet meer regelen dan nodig is'; • De regeling moet ook voor de burger toegankelijk zijn; • De regeling moet handhaafbaar zijn. Naarmate het juridische systeem logischer en meer doelgericht is, zullen de toegankelijkheid en uitvoerbaarheid beter zijn. Daarmee worden ook controle en handhaving bevorderd. 3.2
Systematiek bestemmingen
Het bestemmingsplan ‘Verzamelplan Ruimte-voor-Ruimte-ontwikkelingen 2023' is opgezet volgens de Wet ruimtelijke ordening die vanaf 1 juli 2008 van kracht is. De opbouw van het bestemmingsplan is conform de SVBP2012 (Standaard voor Vergelijkbare Bestemmingsplannen). De planregels bij het bestemmingsplan zijn als volgt opgebouwd. In hoofdstuk 1 komen de Inleidende regels aan bod. Het betreft hier de Begrippen (artikel 1) en de Wijze van meten (artikel 2). In hoofdstuk 2 ‘Bestemmingen’ zijn de planregels, behorende bij de verschillende bestemmingen en dubbelbestemmingen opgenomen. Hoofdstuk 3 ‘Algemene regels’ bevat verschillende algemene bepalingen die van toepassing zijn. Tot slot zijn de Overgangs- en slotregels opgenomen in hoofdstuk 4. 3.3
Planregels
Inleidende regels Begrippen In de begripsbepalingen worden omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Alleen die begripsbepalingen zijn opgenomen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan en hoe gemeten dient te worden. Bestemmingsregels Detailbestemmingen De detailbestemmingen zijn gebaseerd op vigerende juridische regelingen en op regelingen die in eerdere Ruimtevoor-Ruimte ontwikkelingen zijn opgenomen. Deze bestemmingen zijn aangepast conform de beoogde ontwikkeling. Op deze wijze worden bestaande rechten en plichten in stand gelaten.
datum referentie
16 januari 2023 222036_AdB_RAP_0001_v3.1
P 15/55
Dubbelbestemmingen De verschillende bestemmingen ‘Waarde – Archeologie 2’, ‘Waarde – Archeologie 3’, ‘Leiding – Brandstof’, ‘Leiding – CO2’ en 'Waterstaat - Waterkering' betreffen dubbelbestemmingen waarin de bescherming van de aanwezige archeologische waarden, de belangen van leidingbeheerders en waterkeringen worden geregeld. Deze zijn conform de standaardregels. Algemene regels Anti-dubbeltelbepaling Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meegeteld mogen worden bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels In de algemene bouwregels is een bepaling opgenomen om bestaande, legaal gerealiseerde bebouwing die bijvoorbeeld qua afmetingen buiten de bepalingen van dit bestemmingsplan valt, planologisch-juridisch te borgen. Algemene gebruiksregels In dit artikel is een algemeen gebruiksverbod gegeven voor gebruik in strijd met de bestemming. Algemene aanduidingsregels Ter plaatse van de locatie Onderweg 5 te Pijnacker is een beschermingszone ten behoeve van de waterkering van toepassing. Hiervoor is de aanduiding ‘Overige zone - beschermingszone waterkering’ in het plan opgenomen.
Ter plaatse van deze aanduiding zijn de gronden primair bestemd voor de waterkering en waterhuishouding. Bouwen ter plaatse van de aanduiding is niet toegestaan, tenzij door het bevoegd gezag een omgevingsvergunning is verleend en advies hiervoor is gevraagd aan het Hoogheemraadschap. Algemene afwijkingsregels In deze bepaling wordt aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om bij omgevingsvergunning af te wijken ten behoeve van niet-ingrijpende bouwactiviteiten. Algemene wijzigingsregels In deze bepalingen wordt aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven de in het plan opgenomen bestemmingen in geringe mate te wijzigen, indien dit van belang is voor een betere realisering of in verband met een afwijkende toestand van het terrein. Algemene procedureregels In deze bepalingen wordt aangegeven welke procedure gevolgd dient te worden in daarvoor aangewezen gevallen. Overgangs- en slotregels Overgangsregels In deze bepalingen wordt inhoud gegeven aan het overgangsrecht betreffende bouwwerken en het gebruik, met de inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Slotregel Als laatste is de slotregel opgenomen. Deze bepaling bevat de titel van het plan. Toelichting op de verbeelding Op de verbeelding zijn de binnen het plangebied gelegen percelen voorzien van een passende bestemming, conform de in de regels gehanteerde indeling.
Daarnaast zijn middels dubbelbestemmingen de archeologische
datum referentie
16 januari 2023 222036_AdB_RAP_0001_v3.1
P 16/55
zones, zones rondom leidingen en de zones langs waterkeringen weergegeven, waarbinnen een bijzondere beschermingsregeling geldt. De aanduidingen geven, daar waar noodzakelijk, een specifieke bepaling per (bouw)perceel weer. In de regels worden, zoals bovenstaand toegelicht, bestemmingen, dubbelbestemmingen en aanduidingen van een juridische bepaling voorzien.
datum referentie
16 januari 2023 222036_AdB_RAP_0001_v3.1
P 17/55
datum referentie
16 januari 2023 222036_AdB_RAP_0001_v3.1
P 18/55
4
Beleidskader
De voorgenomen ontwikkelingen binnen het plangebied moeten passen binnen het vigerend beleid op zowel nationaal, provinciaal, regionaal als gemeentelijk niveau. Voor de ontwikkelingen binnen het plangebied zijn verschillende beleidsstukken relevant. Hierna zijn kort de belangrijkste bevindingen uit het beleid beschreven en wordt aangegeven hoe de ontwikkelingen binnen het plangebied zich verhouden tot dit beleid. 4.1
Rijksbeleid
4.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
Toetsingskader Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. De Nationale Omgevingsvisie vervangt integraal de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Tegelijkertijd met het vervallen van de SVIR vervalt ook het Nationaal Milieubeleidsplan. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Hiermee wordt ingespeeld op de grote uitdagingen in de komende jaren. Allerlei trends en ontwikkelingen hebben invloed op de leefomgeving. Veranderende en groeiende steden, de overgang naar een duurzame en circulaire economie en het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering vormen slechts een deel van de opgave. Dit biedt kansen, maar vraagt wel om zorgvuldige keuzes. Want de ruimte, zowel boven-, als ondergronds, is een schaars goed. Het combineren van al die opgaven vraagt een nieuwe manier van werken. Niet van bovenaf opgelegd, maar in goede samenwerking tussen overheden, bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en burgers. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; • Duurzaam economisch groeipotentieel; • Sterke en gezonde steden en regio's; • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Beoordeling De NOVI dient op regionaal niveau uitgewerkt te worden zodat een gebiedsgerichte aanpak en maatwerk mogelijk is. Deze uitwerking heeft nog niet plaatsgevonden en is bovendien op een schaalniveau die het onderhavig plangebied overstijgt. Conclusie Het planvoornemen is passend binnen de Nationale Omgevingsvisie. 4.1.2
Besluit en ministeriële regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, Rarro), 2012
Toetsingskader Op 30 december 2011 is het Barro in werking getreden met daarin een regeling voor een beperkt aantal onderwerpen. Op 1 oktober 2012 is het besluit aangevuld met regels voor de andere beleidskaders uit de SVIR en tevens uit het Nationaal Waterplan en het Derde Structuurschema Elektriciteitsvoorziening. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Een aantal onderwerpen is geregeld in de bij het Barro behorende Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro).
datum referentie
16 januari 2023 222036_AdB_RAP_0001_v3.1
P 19/55
Beoordeling Voorliggend plangebied is gelegen binnen het radarverstoringsgebied van radarstation Herwijnen. Rondom dit radarstation mogen geen bestemmingen opgenomen worden die het oprichten van bouwwerken mogelijk maken die door hun hoogte onaanvaardbare gevolgen kunnen hebben voor de werking van de radar. In het radarverstoringsgebied van Herwijnen is de maximale hoogte van windturbines gesteld op 90 meter ten opzichte van NAP. In het onderhavige plan wordt geen bebouwing mogelijk gemaakt boven de genoemde hoogte. Het initiatief heeft daarmee geen gevolgen voor het radarstation. Voor het overige zijn er ten aanzien van het onderhavige plangebied geen regels uit het Barro en het Rarro van toepassing, aangezien er bij de onderhavige ontwikkeling geen nationale belangen of nationaal aangewezen gebieden zijn gemoeid.
Ligging van het plangebied binnen het radarverstoringsgebied van vliegbasis Woensdrecht en Herwijnen. Met de rode aanwijzer wordt Pijnacker aangeduid. Bron: ruimtelijkeplannen.nl, 2022.
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de onderhavige ontwikkelingen passend zijn binnen de regels zoals gesteld in het Barro en de Rarro. 4.1.3
Ladder van duurzame verstedelijking
Toetsingskader Op 1 oktober 2012 is art. 3.1.6, lid 2 toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro); dit artikel bevat de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’. Met de toevoeging van dit artikel in het Bro is beoogd vanuit een oogpunt van ruimtelijke ordening ongewenste leegstand te vermijden en zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren (ECLI:NL:RVS:2017:353, r.o. 18.5). Op 1 juli 2017 is een wijziging van art. 3.1.6, lid 2 Bro in werking getreden. Het Bro regelt thans dat ‘de verantwoording van een juridisch verbindend ruimtelijk besluit van een decentrale overheid dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving dient te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling. Tevens is geregeld dat indien het ruimtelijk besluit die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, de verantwoording een motivering dient te bevatten waarom niet binnen
datum referentie
16 januari 2023 222036_AdB_RAP_0001_v3.1
P 20/55
het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien’. De definiëring van enkele van de in het artikel genoemde begrippen in art. 1.1.1 Bro laat onverlet dat de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ als een ‘open norm’ is te kwalificeren. Dit houdt in dat de norm inhoudelijk open is en onder verschillende omstandigheden nader ingevuld moet worden. Sinds de inwerkingtreding van het artikel heeft de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS) in haar jurisprudentie de norm veelvuldig ingevuld en daardoor verder begrensd. Op 28 juni 2017 heeft de ABRvS een zogenoemde ‘overzichtsuitspraak’ gedaan (ECLI:NL:RVS:2017:1724, r.o. 2 t/m 12.8), waarin de dan geldende en op basis van de voornoemde wijziging te behouden jurisprudentielijnen nader uiteen worden gezet. Op basis van deze jurisprudentielijnen kan de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ concreet worden toegepast. Beoordeling Toepassing van de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ houdt een antwoord op de volgende rechtsvragen in. Indien een rechtsvraag positief kan worden beantwoord, dient de ‘ladder’ verder te worden doorlopen. Indien een rechtsvraag negatief wordt beantwoord, dan is de ‘ladder’ niet (verder) van toepassing dan wel kan niet aan de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ worden voldaan. a. Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling? b.
Voorziet het onderhavige besluit in een nieuwe stedelijke ontwikkeling? c. Is er sprake van een behoefte aan de voorziene ontwikkeling? d. Is de voorziene ontwikkeling gelegen buiten bestaand stedelijk gebied? e. Is het mogelijk om de voorziene ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren? a. Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling? Uit de ‘overzichtsuitspraak’ van de ABRvS blijkt dat wanneer een ruimtelijk besluit voorziet in méér dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie zijn aan te merken, deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt. Ten aanzien van andere vormen van gebruik van gronden dan ten behoeve van het wonen geldt dat indien het ruimtelijk besluit voorziet in een terrein met een ruimtebeslag van meer dan 500 m² of in een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte groter dan 500 m², deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt. Onderhavig ruimtelijk besluit voorziet in totaal in de realisatie van méér dan 11 woningen. Echter gelet op hun onderlinge afstand is het niet aan te merken als één woningbouwlocatie. Op geen enkele afzonderlijke locatie wordt voorzien in méér dan 11 woningen.
Derhalve wordt deze ontwikkeling niet als ‘stedelijke ontwikkeling’ geclassificeerd en behoeft de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ niet verder doorlopen te worden. 4.2
Provinciaal beleid
4.2.1
Omgevingsvisie Zuid Holland
Toetsingskader Op 1 april 2019 is de Omgevingsvisie Zuid-Holland in werking getreden. De Omgevingsvisie maakt deel uit van het nieuwe Omgevingsbeleid, waarin de provincie voorsorteert op de Omgevingswet. In het Omgevingsbeleid is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie en een Omgevingsverordening. Ten opzichte van de Visie ruimte en mobiliteit (dat van toepassing was tot 1 april 2019) is het beleid alleen redactioneel gewijzigd. De beleidsinhoud in het nieuwe Omgevingsbeleid is niet veranderd. De provincie formuleert zes ambities voor de fysieke leefomgeving, namelijk: • naar een klimaatbestendige delta; • naar een nieuwe economie: the next level; • naar een levendige meerkernige metropool;
datum referentie
16 januari 2023 222036_AdB_RAP_0001_v3.1
P 21/55
• • •
energievernieuwing; beste bereikbare provincie; gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.
Het centrale doel van het provinciale omgevingsbeleid is het verbeteren van de omgevingskwaliteit. Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt verstaan het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. Hierbij gaat het om een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). De provincie geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit. In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een ‘ja, mits-beleid’: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit (waarborg ruimtelijke kwaliteit). Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening (‘handelingskader ruimtelijke kwaliteit’). Dit beleid maakt naar zijn aard meerdere uitleg mogelijk. Vanuit de nieuwe sturingsfilosofie is dit een kans en geen bedreiging. Gelet op het gezamenlijke belang is een gedeelde opvatting over de uitleg en interpretatie van het kwaliteitsbeleid per concreet gebied wenselijk. Daarmee ontstaat ruimte voor maatwerk.
De kwaliteitskaart en de richtpunten gevenrichting aan de interpretatie van ruimtelijke kwaliteit. Stedelijke ontwikkelingen buiten bestaand stads- en dorpsgebied Niet alle vraag naar wonen en werken kan en hoeft te worden opgevangen binnen bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Een deel van die vraag past qua kwaliteit niet daarbinnen. Daarnaast kunnen er kwantitatieve beperkingen zijn. Een randvoorwaarde bij beter benutten is namelijk dat de leefkwaliteit in de bebouwde ruimte behouden blijft en waar mogelijk wordt versterkt. Ook kan de kwaliteit van de groene ruimte aanleiding zijn om een kwaliteitsverbetering te realiseren door middel van het toevoegen van stedelijke functies. Stedelijke ontwikkelingen die niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied gerealiseerd kunnen worden en kleinschalige stedelijke ontwikkelingen, kunnen in het landelijk gebied plaatsvinden in aansluiting op bestaand stads- en dorpsgebied of in bebouwingslinten. Kwaliteitskaarten Bij nieuwe ontwikkelingen wordt aandacht gevraagd voor aardkundige en archeologische waarden, (het gebruiken van) de bestaande bodem, reliëf en het watersysteem, de natuurlijke dynamiek en landschapsvormende processen, mede met het oog op het versterken van de toekomstwaarde van Zuid-Holland. Deze aandacht betaalt zich terug in een duurzame, veerkrachtige en robuuste provincie.
Beoordeling Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen de volgende uitgangspunten: • De aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meer of mindere mate passend is. In een agrarisch gebied passen stedelijke functies als woonwijken of bedrijventerreinen niet bij de aard en zijn daarmee gebiedsvreemd. De schaal van een gebied (‘korrelgrootte’) bepaalt of een ontwikkeling al dan niet past bij die schaal. Het ‘laadvermogen’ van een coulisselandschap is immers anders dan dat vaneen open veenweidepolder. • Een ontwikkeling die past bij de schaal en aard van een gebied heeft in beginsel weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid.
datum referentie
16 januari 2023 222036_AdB_RAP_0001_v3.1
P 22/55
• •
•
Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact van nieuwe ontwikkelingen en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen. Dit geldt eveneens naarmate de kwaliteit van een gebied bijzonderder of kwetsbaarder is. De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact in specifieke gevallen is. In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie. Bij inpassen gaat het om een ontwikkeling die sterk aansluit bij de bestaande identiteit en structuur van het landschap, dorp of stad. De impact op het gebied is klein. Een aanpassing betreft een wijziging in de structuur van een gebied die aansluit bij de huidige gebiedsidentiteit. De impact op het gebied is groter. Bij transformatie gaat het om een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat een nieuwe gebiedsidentiteit ontstaat. De impact van dit type ontwikkeling op een gebied is enorm. Bij transformatie is het dan ook belangrijk om goed vorm te geven aan de ontwikkeling van een nieuwe ruimtelijke kwaliteit, met vaak ook een nieuwe identiteit.
Het onderhavige initiatief voorziet in acht Ruimte-voor-Ruimte-ontwikkelingen verspreid over het grondgebied van de gemeente Pijnacker-Nootdorp. De provinciale regeling ‘Ruimte voor Ruimte in Zuid-Holland’ draagt bij aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het landelijke gebied en wordt gebruikt als indicatie voor de ruimtelijke kwaliteitswinst. Op elke locatie is gekeken naar aansluiting bij en versterking van bestaande landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteiten. Primair vindt ruimtelijke kwaliteitswinst voor het landschap plaats door sloop van bestaande (agrarische) bedrijfsbebouwing en glasopstanden van glastuinbouwbedrijven ten behoeve van de bouw van woningen, zonder daarbij afbreuk te doen aan de huidige gebiedsidentiteit. Er is immers sprake van relatief kleine ontwikkelingen, die goed aansluiten bij de bestaande identiteit en structuur van het landschap. In navolgende paragraaf wordt aangetoond dat deze ontwikkeling aanvaardbaar is vanuit het provinciale beleid. Conclusie Het planvoornemen is passend binnen de Omgevingsvisie Zuid-Holland. Nadere toetsing vindt plaats aan de hand van de Omgevingsverordening Zuid-Holland. 4.2.2
Omgevingsverordening Zuid-Holland
Toetsingskader De Omgevingsverordening Zuid-Holland is samen met de Omgevingsvisie op 1 april 2019 in werking getreden. De verordening bevat juridische doorwerking van het visiedeel van het Omgevingsbeleid en bevat regels voor bestemmingsplannen en daarmee gelijkgestelde ruimtelijke plannen. Voor de toetsing in het kader van het onderhavige bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de geconsolideerde versie van 15 maart 2022. Voor de onderhavige locatie zijn de volgende artikelen relevant. Ruimtelijke kwaliteit De Omgevingsverordening hanteert een regeling voor ruimtelijke kwaliteit waaraan een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling moet voldoen. Artikel 6.9 van de Omgevingsverordening stelt daaromtrent het volgende: Lid 1: Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, mits is aangetoond dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. Lid 2:
datum referentie
16 januari 2023 222036_AdB_RAP_0001_v3.1
P 23/55
Om de ruimtelijke kwaliteit te waarborgen wordt in het bestemmingsplan rekening gehouden met de beschermingscategorie, het gebiedstype en de relevante richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit, zoals vermeld op kaart 14 in bijlage II en beschreven in de omgevingsvisie beleidskeuze landschap. Lid 3: Bij het beantwoorden van de vraag of bij een beoogde ruimtelijke ontwikkeling de ruimtelijke kwaliteit gewaarborgd kan blijven, wordt de schaalverdeling inpassen, aanpassen en transformeren gehanteerd als bedoeld in het vijfde lid. Lid 4: Een bestemmingsplan kan een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maken, mits een zorgvuldige afweging is gemaakt over de locatiekeuze. De motivering gaat in op de beschreven kenmerken en waarden van het gebied en de effecten van de ontwikkeling daarop. Deze vereisten gelden voor zover het gaat om een ruimtelijke ontwikkeling waarbij: a. een of meer richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit in het geding zijn zoals beschreven in de omgevingsvisie beleidskeuze landschap; of b. sprake is van aanpassen of transformatie als bedoeld in het vijfde lid. Lid 5: Een bestemmingsplan kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling onder de volgende voorwaarden: a.
de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, waardoor de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen; b. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau. Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van aanpassen; c. de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van transformeren. Lid 6: Specifieke regels voor de gebiedstypen als bedoeld in de artikelen 6.9a, 6.9b, 6.9c, 6.9d.
6.9e, 6.9f en 6.9g, worden in acht genomen tenzij een zwaarwegend openbaar belang hieraan in de weg staat. Lid 7: Om de ruimtelijke kwaliteit per saldo gelijk te houden of te waarborgen kan het nodig zijn om aanvullende maatregelen te nemen bij aanpassen en transformeren. Aanvullende ruimtelijke maatregelen kunnen bestaan uit een combinatie van: a. duurzame sanering van bestaande bebouwing, kassen en boom- en sierteelt; b. wegnemen van verharding; c. toevoegen of herstellen van kenmerkende landschapselementen; d. andere maatregelen waardoor de ruimtelijke kwaliteit verbetert, waarbij aanvullende maatregelen worden getroffen binnen het plangebied van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling, tenzij kan worden
datum referentie
16 januari 2023 222036_AdB_RAP_0001_v3.1
P 24/55
e.
gemotiveerd dat dat onmogelijk is. In dat geval kunnen ook ruimtelijke maatregelen buiten het plangebied worden betrokken in de motivering; indien aanvullende maatregelen niet volstaan, financiële compensatie wordt toegepast.
Lid 8: Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 3, zijnde Buitengebied, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II, kan ontwikkelingen mogelijk maken die kunnen vallen onder noemer inpassen, aanpassen of transformeren en die in overeenstemming zijn met artikel 6.9a. Lid 9: Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 2, zijnde Recreatiegebied, Belangrijk weidevogelgebied of Groene buffer, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II, kan in beginsel slechts ontwikkelingen mogelijk maken die vallen onder de noemer inpassen of aanpassen en die in overeenstemming zijn met de artikelen 6.9b, 6.9c of 6.9d. Lid 10: Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 1, zijnde Kroonjuweel cultureel erfgoed, Natuur Netwerk Nederland of Beschermd grasland in de Bollenstreek, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II, kan slechts ontwikkelingen mogelijk maken die vallen onder de noemer inpassen en die in overeenstemming zijn met de artikelen 6.9e, 6.9f of 6.9g. Lid 11: Transformatie is mogelijk in de beschermingscategorieën bedoeld in het negende en tiende lid voor de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur- en recreatiegebieden of van grote buitenstedelijke bouwlocaties bedoeld in artikel 6.10.
De voorwaarden als bedoeld in het vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing. Lid 12: Voor zover een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid een significante aantasting tot gevolg heeft van de wezenlijke kenmerken en waarden van belangrijke weidevogelgebieden, recreatiegebieden rond de stad, of karakteristieke landschapselementen, wordt deze aantasting gecompenseerd. Gedeputeerde staten leggen de vereisten betreffende de aard en omvang van de compensatie en het moment waarop de compensatie gerealiseerd moet zijn, vast in een beleidsregel over de compensatie bij nieuwe ontwikkelingen. De motivering bij het omgevingsplan bevat een verantwoording over de wijze van compensatie. Stedelijke ontwikkelingen De Omgevingsverordening hanteert een regeling voor stedelijke ontwikkelingen. Artikel 6.10 van de Omgevingsverordening stelt daaromtrent het volgende: 1. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoetaan de volgende eisen: a. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b.
indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is wordt gebruik gemaakt van grote buitenstedelijke bouwlocaties waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 19 in bijlage II (Omgevingsverordening) en wordt rekening gehouden met de voor deze locaties opgenomen gegevens en criteria in bijlage X (Omgevingsverordening).
datum referentie
16 januari 2023 222036_AdB_RAP_0001_v3.1
P 25/55
2.
3.
4.
Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling met de functie wonen mogelijk maakt voorziet in voldoende sociale huurwoningen. Onder voldoende wordt in ieder geval verstaan wat hierover is vastgelegd in de geldende door Gedeputeerde Staten aanvaarde regionale woonvisie. Gedeputeerde staten kunnen bij de aanvaarding van een regionale visie aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen. In de toelichting van het bestemmingsplan kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie bij de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Gedeputeerde staten kunnen een regionale visie voor wonen of bedrijventerreinen vaststellen. Een bestemmingsplan bevat geen bestemmingen die in strijd zijn met de door gedeputeerde staten vastgestelde regionale visie.
Risico’s van klimaatverandering De Omgevingsverordening vraagt ook aandacht voor klimaatverandering. Hierop ziet artikel 6.35a toe: In een bestemmingsplan wordt rekening gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a. wateroverlast door overvloedige neerslag; b. overstroming; c. hitte; d. droogte; alsmede de effecten van de bovengenoemde risico’s op het risico van bodemdaling. Voor zover risico’s zich voordoen wordt rekening gehouden met het zo veel mogelijk voorkomen en beperken, via maatregelen of voorzieningen, dan wel het gericht aanvaarden van deze risico’s. Beoordeling Wanneer de beoogde ontwikkelingen afgezet wordt tegen het regels van de Omgevingsverordening Zuid-Holland dan is er sprake van inpassen binnen het gebied zoals bedoeld in artikel 6.9 lid 5 sub b. In hoofdstuk 2 is per locatie de stedenbouwkundige verkavelingsstudie opgenomen. Hieruit volgt dat de ruimtelijke ontwikkelingen passend zijn binnen de bestaande gebiedsidentiteit, geen wijzigingen op structuurniveau worden voorzien, passend zijn bij de aard en schaal van het gebied en voldoen aan de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, waardoor de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft.
Voor locaties A, B, C, D, F en H is artikel 6.9a Beschermingscategorie 3 Buitengebied van toepassing: Een bestemmingsplan voor een locatie binnen buitengebied waarvan de plaats geometrisch is verbeeld op kaart 14 in bijlage II kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling mits de openheid en het groene karakter van het landschap niet onevenredig wordt aangetast, blijkens een afdoende motivering die tevens ingaat op de keuze voor een locatie buiten bestaand stads- en dorps gebied. In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken: a. de openheid en de structuur van het landschap en de vergezichten daarin; b. de relatie tussen stad en buitengebied en het onderscheid daartussen; c. het groene karakter, het type functies en de kenmerkende verschijningsvormen van het landschap; d. de herkenbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het landschap. Als gevolg van onderhavige Ruimte-voor-ruimte ontwikkelingen wordt door middel van het slopen van bedrijfsbebouwing en glasopstanden van de glastuinbouwbedrijven openheid in het landschap gecreëerd wat ten goede komt aan de vergezichten. Hierbij vindt primair ruimtelijke kwaliteitswinst plaats, zonder daarbij afbreuk te doen aan de huidige gebiedsidentiteit. Er is immers sprake van relatief kleine ontwikkelingen, die goed aansluiten bij de bestaande identiteit en structuur van het landschap. Door naast de nieuwe woonbestemmingen de
datum referentie
16 januari 2023 222036_AdB_RAP_0001_v3.1
P 26/55
bestemming ‘Agrarisch – Weide’ op te nemen in het bestemmingsplan worden het groene karakter en de structuren van het landschap gewaarborgd. Voor locaties A, B, C, D, F en H is artikel 6.9d Beschermingscategorie 2 Groene buffers van toepassing: Een bestemmingsplan voor een locatie binnen groene buffers waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling voor zover dit geen grootschalige ontwikkelingen behelzen en de bufferfunctie blijkens een afdoende motivering niet onevenredig wordt verstoord. In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken: a. de functie van het gebied als tegenhanger van de stedelijke verdichting en stedelijke dynamiek; b. de identiteit die het gebied verleent aan de nabij gelegen stedelijke omgeving; c. de bescherming die het gebied biedt tegen grootschalige stedelijke ontwikkeling; d. de recreatieve gebruiks- en belevingswaarde en de contrastkwaliteit met het stedelijk gebied. Als gevolg van onderhavige Ruimte-voor-ruimte ontwikkelingen wordt door middel van het slopen van bedrijfsbebouwing en glasopstanden openheid in het landschap gecreëerd als tegenhanger van stedelijke verdichting. Er is sprake van relatief kleine ontwikkelingen, die goed aansluiten bij de bestaande identiteit en structuur van het landschap.
Onderhavig bestemmingsplan maakt enkel het aantal woningen mogelijk dat door gebruikmaking van de Ruimte-voor-ruimte regeling is verkregen. Door naast de nieuwe woonbestemmingen de bestemming ‘Agrarisch – Weide’ op te nemen in het bestemmingsplan worden het groene karakter en de structuren van het landschap gewaarborgd. De beoogde ontwikkelingen kunnen gekenmerkt worden als een stedelijke ontwikkeling waardoor tevens voldaan moet worden aan artikel 6.10 van de Omgevingsverordening. Het bestemmingsplan die de stedelijke ontwikkeling toestaat moet toepassing geven aan artikel 3.1.6 lid 2, 3 en 4 van het Besluit ruimtelijke ordening, de ladder voor duurzame verstedelijking. In paragraaf 4.1.3 wordt de ladder behandeld. In deze paragraaf wordt aangetoond dat voldaan wordt aan de ladder. Hiermee is voldaan aan de voorwaarde van artikel 6.10 van de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Klimaatverandering is een belangrijk onderwerp en iedere ruimtelijke ontwikkeling zal daar aandacht voor moeten hebben. Bij het realiseren van een stedelijke ontwikkelingen spelen de onderwerpen wateroverlast, hittestress en droogte een rol. Door het realiseren van gebouwen en verharding kan water niet langer de bodem infiltreren en indien het niet afgevoerd kan worden kan wateroverlast ontstaan.
Echter, wanneer water te snel wordt afgevoerd kan droogte een probleem worden omdat te weinig water ter plaatse infiltreert. Hittestress ontstaat ook door bebouwing en verharding. Stenen houden warmte vast waardoor de temperatuur in stedelijk gebied kan oplopen. De wijze waarop de onderhavige ontwikkeling omgaat met het water wordt behandeld in paragraaf 5.4. In zijn algemeenheid geldt echter dat door de sloop van agrarische bebouwing en glasopstanden het totale oppervlak aan verharding en bebouwing zal afnemen, waardoor meer ruimte voor infiltratie ontstaat en de kans op wateroverlast gereduceerd wordt. In relatie tot de omvang van het groen in verhouding tot de omvang van de toekomstige gebouwen en verharding zal hittestress tot slot geen factor zijn. Conclusie Binnen het voorliggende bestemmingsplan is geen sprake van strijdigheid met de doelen en uitgangspunten zoals omschreven in het provinciale beleid. Voorzien wordt in diverse kleinschalige ontwikkelingen, die conform jurisprudentie niet onder artikel 3.1.6 lid 2 Bro vallen.
datum referentie
16 januari 2023 222036_AdB_RAP_0001_v3.1
P 27/55
4.3
Gemeentelijk beleid
4.3.1
Omgevingsvisie Pijnacker Nootdorp 2050, Verbonden met elkaar
Toetsingskader De gemeente Pijnacker-Nootdorp heeft een omgevingsvisie opgesteld waarin wordt beschreven hoe PijnackerNootdorp er in 2050 uit zou kunnen zien. Deze visie is op 25 november 2021 vastgesteld. Met de nieuwe Omgevingsvisie bereidt de gemeente zich voor op de Omgevingswet die in de nabije toekomst in werking treedt. De omgevingsvisie is binnen deze wet een nieuw instrument waarin de gemeenteraad zijn integrale visie op fysieke leefomgeving voor de lange termijn geeft. De omgevingsvisie gaat over de hele fysieke leefomgeving en is breder dan zijn voorganger: de ruimtelijke structuurvisie. Het gaat niet alleen om thema's als wonen, ruimtelijke ordening, mobiliteit, economie en groen, maar ook om onderwerpen als gezondheid, omgevingsfactoren (milieu), duurzaamheid en veiligheid. De gemeente onderscheidt vier ontwikkelingslijnen die gezamenlijk richting geven aan de toekomst van de fysieke leefomgeving van Pijnacker-Nootdorp: 1. Ontwikkelingslijn 1: Onderscheidend groen 2. Ontwikkelingslijn 2: Karakteristieke woon- en leefomgeving 3. Ontwikkelingslijn 3: Aantrekkelijk economische vestigingsklimaat voor inwoners en ondernemers 4. Ontwikkelingslijn 4: Een veerkrachtige leefomgeving voor mensen, planten en dieren De ontwikkelingslijnen zijn geen keuzemogelijkheden, ze zijn allen even belangrijk en versterken elkaar.
Samen geven ze een integraal beeld en richting voor de toekomst voor het gehele grondgebied van de gemeente. Beoordeling Het onderhavig plan draagt bij aan verschillende ontwikkelingslijnen. Zo wordt een directe bijdrage geleverd aan het verbeteren van de leefomgeving van de huidige locaties waar agrarische bedrijfsbewoning en glasopstanden worden gesloopt, waardoor kwaliteitswinst voor de gehele fysieke leefomgeving plaatsvindt. Ook wordt door middel van het opnemen van een agrarische bestemming rondom de woningen bijgedragen aan het groene en open karakter van het landschap. Conclusie Onderhavige ontwikkelingen dragen bij aan het realiseren van de doelstellingen van de omgevingsvisie. 4.3.2
Nota uitnodigende ruimtelijke ordening
Toetsingskader De Nota Uitnodigende Ruimtelijke Ordening is een uitwerking van de Ruimtelijke Structuurvisie die in 2014 door de gemeenteraad is vastgesteld. De Ruimtelijke Structuurvisie benoemt de kwaliteiten van onze gemeente. De nota vervangt het bestaande ruimtelijk beleid en geeft inwoners of ondernemers handvatten bij het opstellen van plannen door duidelijk aan te geven welke ruimtelijke ontwikkelingen in de gemeente passen, maar ook wat er niet kan en waarom. De Beleidsnota Uitnodigende Ruimtelijke Ordening vormt een integraal beleidskader dat al het bestaande ruimtelijk beleid op uitvoeringsniveau vervangt. Daarmee krijgt de filosofie van de structuurvisie handen en voeten ten behoeve van de uitvoering. Beoordeling Met betrekking tot onderhavige ruimtelijke ontwikkelingen zijn de bepalingen ten aanzien van de ruimte-voor ruimte regeling relevant. Dit betreft paragraaf 7.3 ‘Wonen in het buitengebied’ en paragraaf 7.4 ‘Kwaliteitsverbetering door sanering en hergebruik van bebouwing’. Hierin staan de voorwaarden voor medewerking aan de ruimte-voor ruimte regeling.
datum referentie
16 januari 2023 222036_AdB_RAP_0001_v3.1
P 28/55
Wonen in het buitengebied De gemeente gaat terughoudend om met het toevoegen van nieuwe woningen in het buitengebied. Dit is alleen mogelijk na toepassing van de regeling ruimte voor ruimte. De linten hebben bijzondere kwaliteiten, deze willen we behouden en versterken. Daarom wordt bij inpassing of verandering van een hoofdgebouw (woning) altijd gekeken naar de Lintenvisie. Deze geeft handvatten over de vormgeving, afmeting en plaatsing van een hoofdgebouw. Juist omdat zoveel waarde wordt gehecht aan de ruimtelijke kwaliteit wordt hier altijd een stedenbouwkundig advies voor opgesteld. Voor het wonen in het buitengebied gelden daarbij de volgende normstellingen: 1. Een woning is bestemd voor de huisvesting van één huishouden, dat betekent dat studenteneenheden, huisvesting van buitenlandse werknemers en mantelzorgeenheden alleen bij uitzondering mogelijk zijn. 2. De inhoud van de woning bij nieuwbouw of herbouw van een woning mag maximaal 750 m³ bedragen, tenzij de bestaande woning al groter was. Dan geldt de inhoud van de bestaande woning als maximum. Hierbij telt de vergunningsvrije bebouwing niet mee voor de bepaling van de inhoud. 3. Een aan huis gebonden beroep of bedrijf is toegestaan wanneer de activiteiten vallen in milieucategorie 1 en de woonfunctie overwegend behouden blijft. 4.
Pijnacker-Nootdorp heeft geen specifieke regeling voor bijbehorende bouwwerken, maar sluit aan bij de mogelijkheden van het vergunningsvrij bouwen. Alleen bij hoeksituaties gelegen aan openbaar gebied is, wanneer blijkt dat de mogelijkheden voor vergunningsvrije bijbehorende bouwwerken onevenredig beperkt worden, maatwerk mogelijk. 5. Bij realisatie van één of meerdere nieuwe woningen wordt stedenbouwkundig advies ingewonnen over de vormgeving, afmeting en plaatsing van de bebouwing ten opzichte van de specifieke kenmerken van de locatie. Hierbij vormt de Lintenvisie de basis. 6. Bij realisatie van één of meerdere nieuwe woningen wordt landschappelijk advies ingewonnen over de vormgeving van het erf, de verbinding met de openbare weg en het type beplanting ten opzichte van de specifieke kenmerken van de locatie. Hierbij vormt de Lintenvisie de basis. 7. Bij nieuwe ontwikkelingen of functieveranderingen moet worden voldaan aan de nota Parkeernormen. Kwaliteitsverbetering door sanering en hergebruik van bebouwing De ruimte voor ruimte regeling is van oorsprong een provinciale regeling gericht op het slopen van kassen en bedrijfsgebouwen buiten de duurzame glastuinbouwgebieden. Deze verspreid liggende glastuinbouw is vaak onvoldoende economisch toekomstbestendig en ligt langs cultuurhistorische linten in het buitengebied.
De regeling maakt het mogelijk om voor iedere 5000 m² kas en/of 1000 m² bedrijfsgebouw een compensatiewoning te bouwen. Daarbij moet het hele bedrijf (en alle bebouwing met uitzondering van een eventuele bedrijfswoning) gesloopt worden. Zo wordt het financieel mogelijk om het bedrijf te saneren en, bij een zorgvuldige stedenbouwkundige en landschappelijke inpassing van de compensatiewoningen, verbetert de ruimtelijke kwaliteit. In Pijnacker-Nootdorp is deze regeling met succes toegepast en ook in de toekomst blijven we met deze regeling de mogelijkheid bieden voor sanering van bebouwing. Hierbij gelden de volgende normstellingen: 1. Bij beëindiging en sloop van een (agrarisch) bedrijf buiten de duurzame glastuinbouwgebieden mag in ruil voor de sloop van 5000 m² kas en/of 1000 m² bedrijfsgebouw één compensatiewoning worden gebouwd, conform de regeling ruimte voor ruimte. 2. Indien ruimte voor ruimte aantoonbaar geen mogelijkheden biedt, dan bestaat de mogelijkheid om de voormalige agrarische bebouwing een nieuwe functie te geven. Hierbij moet de initiatiefnemer aantonen dat de nieuwe functie past bij en een aanvulling is voor het gebied. Industriële bedrijvigheid, detailhandel en agrarische hulp- en nevenbedrijven zijn niet toegestaan. 3.
Indien ruimte voor ruimte aantoonbaar geen mogelijkheden biedt, dan bestaat de mogelijkheid om de voormalige agrarische bebouwing voor een nieuwe functie te herbouwen. Daarbij mag tot 75% van de
datum referentie
16 januari 2023 222036_AdB_RAP_0001_v3.1
P 29/55
4.
5.
6.
bestaande bebouwing in zowel oppervlakte als inhoud worden teruggebouwd met een maximale oppervlakte van 800 m². Hierbij moet de initiatiefnemer aantonen dat de nieuwe functie past bij en een aanvulling is voor het gebied. Industriële bedrijvigheid, detailhandel en agrarische hulp- en nevenbedrijven zijn niet toegestaan. Bij realisatie van één of meerdere nieuwe woningen of bij hergebruik van bestaande bebouwing wordt stedenbouwkundig advies ingewonnen over de vormgeving, afmeting en plaatsing ten opzichte van de specifieke kenmerken van de locatie. Hierbij vormt de Lintenvisie de basis. Bij realisatie van één of meerdere nieuwe woningen of bij hergebruik van bestaande bebouwing wordt landschappelijk advies ingewonnen over de vormgeving van het erf, de verbinding met de openbare weg en het type beplanting ten opzichte van de specifieke kenmerken van de locatie. Hierbij vormt de Lintenvisie de basis. Bij nieuwe ontwikkelingen of functieveranderingen moet worden voldaan aan de nota Parkeernormen.