Bijlage 1 - Voorontwerpbestemmingsplan Vrijenban II - Toelichting + regels
Tekst van het document
Bestemmingsplan Vrijenban II gemeente Pijnacker-Nootdorp status: voorontwerp datum:
23 september 2021
IMRO-IDN: NL.IMRO.1926.bp000 210135-2001
Opgesteld door:
Janita van Gastel (Juust B.V.)
od205 | bestemmingsplan Vrijenban II
Inhoudsopgave Toelichting
Hoofdstuk 1 1.1 1.2 1.3 1.4
Beschrijving project Juridische regeling
7 9
Beleidskader
Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid Kwaliteit van de leefomgeving
Inleiding Archeologie en cultuurhistorie Bedrijven en milieuzonering Bodem Externe veiligheid Geluid Kabels en leidingen Luchtkwaliteit Natuur Verkeer en parkeren Water Milieu Effect Rapportage Conclusie
Hoofdstuk 5 5.1 5.2
5 5 6 6 7
Hoofdstuk 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13
5
Het project
Hoofdstuk 3 3.1 3.2 3.3
Inleiding
Algemeen Plangebied Doel Leeswijzer
Hoofdstuk 2 2.1 2.2
5
13 13 13 17 21 21 21 23 25 26 36 36 36 37 38 39 41 41
Uitvoerbaarheid
43
Financiële uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid
43 43
Bijlagen toelichting
Bijlage 1
45
Akoestisch onderzoek
Regels
47 117
Hoofdstuk 1
Inleidende regels
117
Artikel 1 Artikel 2
Begrippen Wijze van meten
117 122
Hoofdstuk 2
Bestemmingsregels
123
Artikel 3
Groen
123
3
gemeente Pijnacker-Nootdorp
Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7
Verkeer - Verblijfsgebied Water Wonen Waarde - Archeologie 1, 2, 3 en 4
124 125 126 128
Hoofdstuk 3
Algemene regels
131
Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13
Antidubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Algemene procedureregels
131 132 133 134 135 136
Hoofdstuk 4
Overgangs- en slotregels
137
Artikel 14 Artikel 15
Overgangsrecht Slotregel
137 138
Bijlagen regels
139
Bijlage 1
Nota Parkeernormen
141
Bijlage 2
Staat van bedrijfsactiviteiten
153
4
od205 | bestemmingsplan Vrijenban II
Toelichting
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Algemeen
Nabij de Noordeindseweg te Delfgauw is een gebied gelegen dat is aangewezen als ontwikkellocatie. Dit gebied is bekend onder de naam 'Vrijenban II' en ligt ten noorden van de wijk Vrijenban. Het voornemen is om in het gebied 40 woningen te realiseren. De woningen bestaan uit een grote variatie aan woningtypen. De huidige bedrijfsbebouwing in het gebied zal worden gesloopt en de verhardingen worden verwijderd. Het Bart Dekkerveld wordt verplaatst naar een andere locatie binnen het plangebied. De ontwikkeling past niet binnen de mogelijkheden van de geldende bestemmingsplannen. Daarom is besloten om voor de ontwikkeling een nieuw bestemmingsplan op te stellen. Het aanwezige stedenbouwkundig plan voor de locatie vormt hiervoor het uitgangspunt.
1.2
Plangebied
Het plangebied ligt aan het oostelijke deel van de Noordeindseweg aan de noordzijde van de kern Delfgauw. Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door de Kooltuin, aan de oostzijde door het kassengebied, aan de zuidzijde door de woningbouw in de wijk Vrijenban en aan de westzijde door de huidige (woon)percelen aan de Noordeindseweg. Het plangebied bestaat uit verschillende kadastrale percelen.
Afbeelding 1 | Luchtfoto met plangrens (bron: PDOK, bewerking Juust B.V. )
5
gemeente Pijnacker-Nootdorp
1.3
Doel
Het doel van dit bestemmingsplan is het voorgenomen plan planologisch mogelijk te maken. Het vaststellen van dit bestemmingsplan vormt de basis om met één of meer omgevingsvergunningen de uitvoering van het plan mogelijk te maken.
1.4
Leeswijzer
Dit bestemmingsplan bestaat uit deze toelichting, regels en een verbeelding. Deze toelichting bestaat naast dit inleidende hoofdstuk uit zes hoofdstukken. In hoofdstuk 2 wordt het initiatief toegelicht en de daarbij horende juridische regeling. Hoofdstuk 3 beschrijft het geldende beleidskader. Vervolgens worden in hoofdstuk 4 de verschillende omgevingsaspecten beoordeeld. In hoofdstuk 5 wordt tot slot de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid beschreven.
6
od205 | bestemmingsplan Vrijenban II
Hoofdstuk 2 2.1
Beschrijving project
2.1.1
Huidige situatie
Het project
Noordeindseweg De Noordeindseweg bestaat uit een bestaand bebouwingslint vanaf de kern Delfgauw naar het groene buitengebied. Aan dit lint zijn diverse functies gelegen en de bebouwing is enigszins verrommeld, onder andere doordat achter de eerstelijnsbebouwing allerlei (bedrijfs)gebouwen staan. Het plangebied Het plangebied bestaat uit agrarische gronden, bedrijfsbebouwing en een trapveld dat tijdens Koningsdag wordt gebruikt voor evenementen, ook wel bekend onder de naam 'Bart Dekkerveld'. Tevens zijn in het gebied watergangen aanwezig. De agrarische gronden zijn aan de noordzijde van het plangebied gelegen en bestaan uit weiland (paardenweide). De bedrijfsgebouwen bestaan uit een kapschuur en loods. Directe omgeving Aan de noordwestkant van het plangebied is Buitengoed Leeuwenburg gelegen. Dit betreft een vergaderlocatie met meerdere vergaderruimtes die geboekt kunnen worden voor zakelijke ontmoetingen. Aan de Noordeindseweg zijn daarnaast twee woonpercelen aanwezig: Noordeindseweg 38 en 38c. De oostkant van het plangebied grenst aan het glastuinbouwgebied Pijnacker-West. Grenzend aan het plangebied zijn tuinbouwkassen aanwezig. Aan de zuidkant is de woonwijk Vrijenban gelegen. Hier zijn grondgebonden woningen aanwezig bestaande uit rijwoningen en twee-onder-één-kapwoningen met variërende bouwhoogtes.
7
gemeente Pijnacker-Nootdorp
Afbeelding 2 | Huidige situatie plangebied (bron: PDOK, bewerking Juust B.V.)
2.1.2
Toekomstige situatie
De transformatie van het plangebied ziet toe op het afronden van de kern Delfgauw en het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit van het lint door de oude bebouwing te saneren en in plaats daarvan woningen te realiseren. De oude structuur van het historische lint vormt hierbij het uitgangspunt. In het plangebied worden 40 woningen gerealiseerd. Aan de noordkant worden twee-onder-één-kapwoningen gerealiseerd. In het overige deel worden rijwoningen en een kleinschalig appartementengebouw gebouwd. Vanaf de noordzijde wordt voorzien in een geleidelijke overgang naar een lagere bebouwingsdichtheid. In het plan worden naast koopwoningen ook sociale huurwoningen gerealiseerd. Hiermee wordt met het plan voorzien in diverse behoeftes op de woningmarkt. Het Bart Dekkerveld wordt verplaatst naar de oostzijde van het plangebied. Ten zuiden van het evenemententerrein zijn parkeerplaatsen voorzien. Aan de noordoostzijde wordt een waterpartij aangelegd aansluitend aan de bestaande watergang aan de oostzijde van het plangebied. Langs de huidige watergang aan de zuidzijde wordt een groenstrook aangelegd. De bouwhoogte van de woningen bedraagt 11,5 meter voor de grondgebonden woningen.
Het appartementengebouw wordt iets lager en heeft een hoogte van maximaal 11 meter, waarmee wordt aangesloten op de twee-onder-één-kapwoningen in het plangebied en de bestaande twee-onder-één-kapwoningen aan de Vrijenban. Alle grondgebonden woningen worden voorzien van een kap. Hiertoe is een maximale goothoogte van 6 meter toegestaan. Aan de zuidzijde van het plangebied is ten zuiden van de bestaande watergang een locatie als 'Groen' bestemd. Dit betreft het bestaande speelveldje ten noorden van Vrijenban 21. Op basis van het geldende bestemmingsplan was hier nog de mogelijkheid om rijwoningen te realiseren. Ten behoeve van een groene zone tussen de huidige woonwijk en toekomstige woonwijk en openheid is ervoor gekozen hier geen woningen meer te bouwen en deze locatie als openbaar groen te bestemmen. Ook de woonbestemming in de zuidoosthoek ten noorden van de watergang is komen te vervallen, nu hier parkeerplaatsen en een groenvoorziening worden gerealiseerd. De ontsluiting van het plangebied vindt plaats op de Vrijenban. Ten tijde van de ontwikkeling van de bestaande wijk Vrijenban is hier reeds op geanticipeerd door een straat aan te leggen richting het plangebied. Deze straat is nu nog doodlopend, maar de straat in het plangebied zal hierop worden aangesloten. Richting de Noordeindseweg zal een calamiteitenroute worden aangelegd.
8
od205 | bestemmingsplan Vrijenban II
Afbeelding 3 | Toekomstige situatie plangebied (bron: gemeente Pijnacker-Nootdorp)
2.2
Juridische regeling
2.2.1
Geldend bestemmingsplan
Ter plaatse van het plangebied gelden de volgende bestemmingsplannen: 'Historische kern Delfgauw', vastgesteld op 5 september 2019; 'Duurzame Glastuinbouwgebieden', vastgesteld op 7 november 2012. De gronden zijn in deze bestemmingsplannen bestemd voor 'Agrarisch', 'Groen', 'Bedrijf', 'Water', 'Verkeer - Verblijfsgebied', 'Wonen' en 'Tuin' grotendeels conform de huidige situatie. Het huidige evenemententerrein heeft de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' met de aanduiding 'evenemententerrein'. Tevens zijn ter plaatse van het plangebied de dubbelbestemmingen 'Waarde Archeologie' en 'Waarde - Archeologie 3' opgenomen ten behoeve van de bescherming van eventuele archeologische waarden.
9
gemeente Pijnacker-Nootdorp
Afbeelding 4 | Uitsnede geldend bestemmingsplan (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
2.2.2
Planuitwerking
Dit bestemmingsplan heeft tot doel om het gebied te transformeren tot een woongebied met diverse type woningen. Het Bart Dekkerveld dat nu in het gebied aanwezig is, krijgt een andere locatie binnen het plangebied. Voor de plansystematiek is gekozen voor enerzijds een gedetailleerde systematiek waarbij de begrenzingen van de verschillende bestemmingen, zoals 'Wonen', 'Groen' en 'Verkeer' zijn overgenomen uit het stedenbouwkundig plan. Anderzijds is binnen deze bestemmingen gekozen voor een globalere systematiek zodat er voldoende flexibiliteit is voor de uitwerking van de bouwplannen en inrichting van de openbare ruime. Binnen de woonbestemming zijn de locaties van de verschillende woningtypes vastgelegd door middel van de aanduidingen 'twee-aaneen', 'aaneengesloten' en 'gestapeld' op de verbeelding. Daarbij zijn ook de maximale goot- en bouwhoogtes en bebouwingspercentage vastgelegd. Per woningtype is ook het maximum aantal woningen met een aanduiding op de verbeelding weergegeven.
2.2.3
Juridische planbeschrijving
In de Wet ruimtelijke ordening met bijbehorende Besluit ruimtelijke ordening heeft het bestemmingsplan een belangrijke rol als normstellend instrument voor het ruimtelijk beleid van de gemeente, provincies en het rijk,. In de ministeriële 'Regeling standaarden ruimtelijke ordening' hierna (Rsro) is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (hierna SVBP 2012) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen, die tot doel heeft om te komen tot een geüniformeerde en gestandaardiseerde opzet van bestemmingsplannen in Nederland. Deze methodiek is onverkort gevolgd. Het bestemmingsplan is daarbij tevens digitaal vervaardigd en is daarom ook digitaal raadpleegbaar via internet. Naast het feit dat de bestemmingen, aanduidingen en weergave van de verbeelding gestandaardiseerd zijn, vloeit de redactie van de regels ten aanzien van het overgangsrecht en de anti dubbeltelbepaling rechtstreeks voort uit het Besluit ruimtelijke ordening. De beleidsmatige inhoud van het bestemmingsplan is niet gestandaardiseerd. De gemeente behoudt haar vrijheid ten aanzien van de inhoud en vormgeving aangaande de toelichting.
10
od205 | bestemmingsplan Vrijenban II
Verbeelding De verbeelding geeft de bestemmingen weer. Binnen de bestemmingsvlakken kunnen bouwvlakken, bouw-, gebieds-, functie-, en maatvoeringsaanduidingen aangegeven worden, waarbinnen een aantal specifieke bouwregels en functies kunnen worden aangegeven. Deze hebben juridische betekenis, omdat daar in de regels naar wordt verwezen. De topografische ondergrond die gebruikt is als basis voor de verbeelding heeft geen juridische status.
Regels Algemeen De regels bevatten bepalingen over het gebruik van de gronden, over de toegelaten bebouwing en bepalingen betreffende het gebruik van op te richten bouwwerken. De regels zijn, conform de wettelijk verplicht gestelde SVBP 2012, onderverdeeld in vier hoofdstukken: - Hoofdstuk 1 Inleidende regels - Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels - Hoofdstuk 3 Algemene regels - Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Voor de inhoud van de regels zijn de 'Standaardregels Stedelijk gebied' van de gemeente gehanteerd waarbij tevens de inhoud van het paraplubestemmingsplan 'Implementatie standaardregels' is verwerkt. Inleidende regels Begripsbepalingen en Wijze van meten De inleidende regels omvatten de begripsbepalingen en de bepalingen omtrent de wijze van meten. De begripsbepalingen geven de definities over de in de regels gehanteerde begrippen met betrekking tot bouwen en functies. De wijze van meten geeft uitsluitsel over de wijze waarop afstanden, hoogtes, oppervlakte etc. moeten worden gemeten.
Bestemmingsregels Groen Binnen het plangebied is de groenhoofdstructuur bestemd tot 'Groen'. Behalve voor beplantingen zijn de gronden ook bestemd voor groen- en speelvoorzieningen, watergangen en -partijen, fiets- en voetpaden, in- en uitritten en andere, ondergeschikte verhardingen. Verkeer - Verblijfsgebied De voor 'Verkeer - Verblijfsgebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor verhardingen voor woonstraten, pleinen, parkeerstroken en -voorzieningen, fiets- en voetpaden, bermen, groen- en speelvoorzieningen, watergangen en duikers en bij een en ander behorende andere voorzieningen, zoals nutsvoorzieningen, met uitzondering van verkooppunten voor motorbrandstoffen. Op de gronden mogen ondergeschikte gebouwen, andere bouwwerken voor nutsvoorzieningen en bij de bestemming behorende andere bouwwerken gebouwd worden. Hiervoor zijn regels opgenomen. Water De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor water met daarbij behorende taluds en oevers. Op de gronden mogen uitsluitend bij de bestemming behorende andere bouwwerken, zoals duikers, bruggen, kademuren en beschoeiingen worden gebouwd. Bij aangrenzende wegen behorende andere bouwwerken zoals overkluizingen ten behoeve van in- en uitritten en paden zijn tevens toegestaan. Wonen De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, met inbegrip van beroep en/of bedrijf aan huis, parkeren en water.
Binnen de globale bouwvlakken dienen de hoofgebouwen met de voorgevel
11
gemeente Pijnacker-Nootdorp
ter plaatse van de op de verbeelding aangegeven gevellijn te worden gebouwd. Het bebouwingspercentage per bestemmingsvlak geldt voor de oppervlakte van de hoofdgebouwen en mag niet worden overschreden. De maximale goot- en bouwhoogte zijn opgenomen op de verbeelding. Ten aanzien van het bouwen van aan- en uitbouwen en bijgebouwen wordt aangesloten bij de regelingen van het vergunningsvrij bouwen. Waarde - Archeologie 1, 2, 3 en 4 Binnen het plangebied is een archeologische verwachtingswaarde aanwezig. Hiertoe is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' opgenomen. Het artikel Waarde - Archeologie omvat de juridische regeling ter bescherming van de mogelijk aanwezige archeologische waarden. In dit artikel is onder andere per beschermingscategorie (1 t/m 4) de vrijstellingsgrens voor het uitvoeren van onderzoek aangegeven. Algemene regels Anti-dubbeltelregel Deze bepaling is ingevolge artikel 3.2.4 van het Besluit ruimtelijke ordening vast voorgeschreven. Doel van deze bepaling is te voorkomen, dat er meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogd, bijv. ingeval (onderdelen van) percelen van eigenaar wisselen. Algemene bouwregels Dit artikel bevat een aantal algemene bepalingen ten aanzien van het overschrijden van de bouwgrenzen van verschillende bij gebouwen horende elementen zoals galerijen, afdaken en erkers.
Algemene gebruiksregels In dit artikel zijn algemene regels opgenomen ten aanzien van het gebruik van gronden en bouwwerken. Algemene afwijkingsregels In deze regels wordt aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om bij omgevingsvergunning af te wijken voor het aanbrengen van wijzigingen in de plaats, richting en/of afmetingen van bouwgrenzen voor zover dit voor een praktische uitvoering van het plan noodzakelijk is. Tevens is er een afwijkingsmogelijkheid opgenomen voor kleine nutsgebouwtjes en het plaatsen van geluidwerende voorzieningen. Tot slot is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen om onder voorwaarden bestaande woningen te splitsen. Algemene wijzigingsregels In dit artikel is een aantal algemene wijzigingsregels opgenomen. Het betreft een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan mogelijk te maken die niet met een omgevingsvergunning voor afwijken geregeld kunnen worden, zoals het overschrijden van bestemmingsgrenzen. Daarnaast is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de Staat van Bedrijfsactiviteiten te wijzigen. Algemene procedureregels In dit artikel is opgenomen welke wettelijke procedures gelden bij afwijking of wijziging van het plan. Overgangs- en slotregels In deze regels is het overgangsrecht vastgelegd in de vorm zoals in het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven.
Als laatste is de slotbepaling opgenomen, welke bepaling zowel de titel van het plan als de regels bevat.
12
od205 | bestemmingsplan Vrijenban II
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskader
Rijksbeleid
Structuurvisie Infrastructuur & Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur & Ruimte vastgesteld (SVIR). Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Hiernaar wordt gestreefd middels een krachtige aanpak die gaat voor een excellent internationaal vestigingsklimaat, ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Belangrijk thema in deze structuurvisie is de ladder voor duurzame verstedelijking. De ladder voor duurzame verstedelijking is ingericht voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten waardoor de ruimte in stedelijke gebieden optimaal benut wordt. De ladder is verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening en luidt als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. In welke gevallen er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling is niet concreet vastgelegd.
De jurisprudentie geeft op het gebied van woningbouw wel een constante lijn aan. Bouwplannen met minder dan 11 woningen zijn geen stedelijke ontwikkeling. In dit geval is er sprake van de ontwikkeling van 40 woningen en daarmee dus een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Het plan voorziet in een actuele behoefte aan woningen. Binnen de regio Haaglanden is grote vraag naar extra woningen. Het plan omvat diverse woningtypes: twee-onder-één-kapwoningen en rijwoningen in de koopsector en appartementen in de sociale huursector. Hiermee wordt voorzien in diverse behoeftes op de woningmarkt. Daarnaast is sinds lange tijd geen nieuwbouw meer gepleegd als uitbreiding van de oude kern Delfgauw. Daarbij dient opgemerkt te worden dat de wijk Emmerald in de praktijk een zelfstandige woonwijk is met een minimale binding met de historische kern van Delfgauw. Het plangebied is niet binnen het bestaand stedelijk gebied / bestaand stads- en dorpsgebied (BSD) gelegen. In de behoefte kan niet worden voorzien binnen het bestaand stedelijk gebied. Binnen de kernen van de gemeente Pijnacker-Nootdorp zijn namelijk beperkte mogelijkheden tot uitbreiding. In de oude kern van Delfgauw zijn aan aantal kleinere inbreidingslocaties. Deze locaties bieden echter onvoldoende ruimte om geheel aan de lokale behoefte tegemoet te komen.
De provincie Zuid-Holland heeft dit tevens bevestigd in de ontheffing van de Verordening ruimte 2014 (brief 09-03-2017, kenmerk PZH-2016-572841420 DOS-2016-0005843). Zie ook paragraaf 3.2. Voor het overige zijn in de Structuurvisie Infrastructuur & Ruimte geen regels opgenomen die specifiek op deze situatie van toepassing zijn. Het project is lokaal en kleinschalig. Het rijksbeleid verzet zich niet tegen de ontwikkeling.
3.2
Provinciaal beleid
Omgevingsvisie Zuid-Holland / Omgevingsverordening Zuid-Holland De provincie stuurt op (boven)regionaal niveau op de inrichting van de ruimte in Zuid-Holland. De omgevingsvisie (geconsolideerde versie 7 augustus 2021) geeft op hoofdlijnen sturing aan de ruimtelijke ordening en maatregelen op het gebied van verkeer en vervoer. Met het omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkeling en een goede leefomgevingskwaliteit. De provincie zet in de Omgevingsvisie in op veel
13
gemeente Pijnacker-Nootdorp
thema`s die niet allemaal relevant zijn in het kader van dit bestemmingsplan. De volgende thema`s zijn relevant: Verstedelijking De provincie streeft naar een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied en wil de bebouwde ruimte daarom beter benutten. De provincie zet ten eerste in op verdichting, concentratie, diversiteit en specialisatie binnen het bestaand stads- en dorpsgebied, en ten tweede op een hiërarchie van complementaire knooppunten en centra met een goede onderlinge bereikbaarheid. De provincie hanteert de volgende uitgangspunten voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen: Bouw naar behoefte; Bouw binnen bestaand stads- en dorpsgebied; Bouw georiënteerd op hoogwaardig openbaar vervoer; versterk de langzaam vervoersrelaties Benut het netwerk van stedelijke centra en knooppunten; Bouw toekomstbestendig; houd rekening met energietransitie, natuurinclusiviteit, klimaatadaptie en een gezonde leefomgeving. Als een gemeente een ruimtelijke ontwikkeling wil realiseren, wordt op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ doorlopen. Toepassing is ook van provinciaal belang. Stedelijke ontwikkelingen die niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied gerealiseerd kunnen worden, kunnen in het landelijk gebied plaatsvinden in aansluiting op bestaand stads- en dorpsgebied of in bebouwingslinten.
Het eindoordeel over stedelijke ontwikkelingen groter dan 3 hectare buiten bestaand stads- en dorpsgebied ligt bij de provincie. Deze worden door de provincie afgewogen en afhankelijk daarvan opgenomen op de 3 hectare kaart. Toekomstbestendig bouwen De provincie wil zorgen voor een toekomstbestendig ingericht bebouwd gebied dat zorgt voor een prettige, gezonde en veilige leefomgeving. Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling dient (in toenemende mate): energieneutraal te zijn, door optimaal in te zetten op besparing van elektriciteits- en warmte/koeltevraag, het benutten van rest- en aardwarmte en zoveel mogelijk in eigen (lokale) hernieuwbaar opgewekte elektriciteit te voorzien. klimaatbestendig en waterrobuust te zijn ook op slappe ondergrond. Daarmee wordt bedoeld dat het nieuw ingerichte gebied en de omgeving goed blijft functioneren in extreme weersomstandigheden. Klimaatadaptief bouwen is daarom de norm in Zuid-Holland. uit te gaan van natuurinclusief bouwen om daarmee de biodiversiteiten variatie aan biotopen voor de stedelijke soorten in het bebouwde gebied duurzaam te behouden en te versterken. circulaire oplossingen te bieden bij realisatie en beheer door een verantwoord materiaalgebruik en het hanteren van de ontwerpprincipes modulariteit en losmaakbaarheid, zodat er kan worden ingespeeld op een veranderde behoefte in de toekomst.
gezonde en veilige leefomgeving te bevorderen; die een gezonde leefstijl ondersteunt, met een beweegvriendelijke leefomgeving voor sport en beweging stimuleert en waarin een goede milieukwaliteit wordt beschermd en bevorderd. In ruimtelijke visies en plannen wordt opgenomen hoe ruimtelijke ontwikkelingen zijn toegerust op de gevolgen van klimaatverandering en invulling wordt gegeven aan energieneutraliteit, natuurinclusiviteit, circulariteit en een gezonde bebouwde leefomgeving. Tevens zet de provincie via diverse provinciale programma’s in op (versnelling van) de realisatie naar een energieneutrale, klimaatbestendige, natuurinclusieve, circulaire, gezond en veilige bebouwde leefomgeving, alsmede een robuuste groenblauwe hoofdstructuur in Zuid-Holland. Dit doet de provincie vanuit verschillende rollen in samenwerking met verschillende partners. Ruimtelijke kwaliteit De provincie geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit: een evenwicht en samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde. Ruimtelijke kwaliteit speelt op verschillende niveaus: veelal plek gebonden, maar ook
14
od205 | bestemmingsplan Vrijenban II
op het niveau van de gehele provincie en soms daarbuiten. In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een ‘ja, mits-beleid’: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit (waarborg ruimtelijke kwaliteit). Om te kunnen bepalen of een ontwikkeling past bij de gebiedskwaliteit, onderscheidt de provincie de kwaliteit van gebieden in categorieën en onderscheidt de ruimtelijke ontwikkelingen naar hun mate van impact op de omgeving. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in drie categorieën ruimtelijke ontwikkelingen: Inpassen Aanpassen Transformeren Onderhavige ontwikkeling valt in de categorie 'transformeren'. De ruimtelijke ontwikkeling past niet bij de bestaande gebiedsidentiteit. De ontwikkeling is toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart en door het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen. De ontwikkeling is kleiner dan 3 hectare en is gelegen aansluitend aan het bestaand stedelijk en dorpsgebied van Delfgauw.
In het stedenbouwkundig ontwerp is rekening gehouden met de bestaande bebouwing langs de Noordeindseweg. Tevens wordt voorzien in een geleidelijke overgang van het buitengebied naar de kern Delfgauw. De bestaande bebouwing en verhardingen worden gesaneerd. Tussen het kassengebied en de woningbouw wordt voorzien in een groene buffer. Kwaliteitskaart Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening (‘handelingskader ruimtelijke kwaliteit’). Dit beleid maakt maatwerk mogelijk. Laag 1 - De ondergrond Rivierdelta complex Zoals overal in Zuid-Holland heeft het water en het menselijk handelen grote invloed gehad op de geomorfologie van dit deel van de provincie. Het land in de delta is vergroot door aanleg van dijken rond droogvallende gronden. Jonge zeeklei De gronden in het deltacomplex bestaan overwegend uit kleigronden. Dit zijn voedselrijke, draagkrachtige gronden. De deltawateren zijn onderdeel van het deltacomplex. De estuariene dynamiek is een belangrijk natuurlijk gegeven. Nauw verbonden met de deltawateren zijn de niet ingepolderde, buitendijkse kleigronden. Dit betreft de slikken, (bekade) gorzen, grienden, wilgenbossen en de uiterwaarden langs de rivieren. Het zijn natuurlijke landschappen waar ruimte is voor dynamische processen.
Richtpunt: Ontwikkelingen dragen bij aan behoud of vergroting van ruimte voor dynamische natuurlijke processen en zoet-zoutovergangen in de Deltawateren en natuurlijke buitendijkse gebieden. Laag 2 - De cultuur- en natuurlandschappen Veenlandschappen De structuur in de veengebieden is sterk bepaald door de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsbasissen. Loodrecht daarop staan de (regelmatige) verkavelingspatronen. Het landschap is tussen deze structuren weids met lange zichtlijnen. Andere kenmerken zijn de smalle kavels, vele sloten met hoog waterpeil en overwegend grasland als bodemgebruik. Het agrarisch gebruik overheerst. Belangrijke kenmerken van het veenweidegebied zijn het contrast tussen (meer verdichte) hooggelegen boezems, linten en bovenlanden en het uitgestrekte, ingeklonken veen (open gebied). Veenstromen, dijken en kades vormen landschappelijke structuurdragers en begrenzen de (open) poldereenheden. Het gebruik richt zich op
15
gemeente Pijnacker-Nootdorp
behoud van de maat van de poldereenheden, het verkavelingspatroon, de beplanting, de kades en dijken en de zichtbaarheid van water in de vorm van sloten, weteringen en boezems. Een duurzaam gebruik en eigenaarschap van het veen(weide)gebied is van belang. Het maken van nieuwe (agrarische) natuurlandschappen met een (extensieve) recreatieve functie behoort daarbij tot de mogelijkheid. Richtpunten: Bewaren diversiteit aan verkavelingspatronen. Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden. Ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen Ontwikkelingen dragen bij aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/ linten en niet in de veenweidepolders. Nieuwe agrarische bedrijven liggen aan bestaande ruilverkavelingslinten of op een zeer goed bereikbare locatie voor zwaar verkeer. Ze vormen visuele eilanden in het veenweidelandschap door stevige, passende beplanting en een ligging op ruime afstand van elkaar. Laag 3 - De stedelijke occupatie Stads- en dorpsranden De stads- en dorpsrand is de zone op de grens van bebouwd gebied en landschap.
Het is het deel van stad of dorp met potentie voor een hoogwaardig en geliefd woonmilieu, doordat hier de genoegens van stedelijk en buiten wonen bij elkaar komen; de nabijheid van voorzieningen gecombineerd met het vrije zicht en het directe contact met het buitengebied. De relatie tussen bebouwd gebied en landschap is afhankelijk van de karakteristieken van de bebouwingsrand en die van het aangrenzende landschap. Daarbij onderscheiden we drie typen ‘overgangskwaliteiten’. Het front, het contact en de overlap. Op kaart vinden we de hoogwaardige en bijzondere fronten terug. Daar waar recreatiegebieden voorkomen langs stads- of dorpsrand is veelal sprake van overlap. Uitgangspunt bij ontwikkelingen aan dorpsranden is de contactkwaliteit. Richtpunt: Ontwikkelingen aan de stads- of dorpsrand dragen bij aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit (front, contact of overlap). Glastuinbouwgebieden Concentratiegebieden voor glastuinbouw kunnen qua belevingswaarde worden beschouwd als bedrijventerrein. Ontwikkelingen in de glastuinbouw dienen bij voorkeur bij te dragen aan een grootschalig, geconcentreerd, modern uiterlijk en functioneren. Gericht op zoveel mogelijk meervoudig ruimtegebruik en collectieve voorzieningen, met aandacht voor aansluiting op bestaande landschappelijke structuren. Een dooradering van het gebied met water en recreatieve routes is gewenst.
Richtpunten: Nieuwe glastuinbouwgebieden worden zoveel mogelijk binnen of in aansluiting op bestaande glastuinbouwgebieden geconcentreerd. Nieuwe ontwikkelingen in de glastuinbouw sluiten aan bij bestaande landschappelijk structuren en dragen waar mogelijk bij aan versterking van de groenblauwe structuur. Ontwikkelingen aan de rand van een glastuinbouwgebied dragen bij aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit (front, contact of overlap). Bouwwerken voor energie-opwekking Nieuwe vormen van energie zullen steeds meer het landschap beïnvloeden. Diverse nieuwe energiedragers zijn bouwwerken die, afhankelijk van locatie, vorm en grootte, matige tot grote invloed op het landschap kunnen hebben. Vooral grote windturbines hebben verreikende invloed. Ook biovergistingsinstallaties en zonnevelden zijn bouwwerken die niet vanzelf en niet altijd passen bij de kenmerken van het gebied. Anderzijds kunnen bouwwerken voor energie-opwekking bijdragen aan nieuwe landschappelijke kwaliteit. Bij bouwwerken voor energie-opwekking is altijd een zorgvuldige locatiekeuze en/of inpassing van belang. Richtpunt: Bij de plaatsing van nieuwe bouwwerken voor energie-opwekking zal een beeldkwaliteitsparagraaf
16
od205 | bestemmingsplan Vrijenban II
inzicht moeten geven in de effecten, invloed en aanvaardbaarheid van deze bouwwerken op de (wijde) omgeving. Laag 4- Laag van de beleving Niet van toepassing Ontheffing verordening Op de kwaliteitskaart is het noordelijke deel van het plangebied aangewezen als glastuinbouwgebied. Op 9 maart 2017 heeft Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland in een brief aangegeven dat hiervan vrijstelling wordt verleend (brief 09-03-2017, kenmerk PZH-2016-572841420 DOS-2016-0005843). Minder ruimte voor de ontwikkeling van het glastuinbouwcluster vinden zij in dit geval aanvaardbaar, gezien feitelijk de hele strook niet geschikt is om ruimtelijke invulling te geven of beschikbaar te houden voor glastuinbouw. In de geconsolideerde versie van de provinciale verordening (2021) is het gebied daarom niet meer aangewezen als glastuinbouwgebied/Greenport. Toetsing provinciaal beleid Zoals reeds in paragraaf 3.1 is aangegeven, voorziet het plan in een actuele behoefte binnen de regio Haaglanden. Binnen deze regio is er een grote vraag naar extra woningen. Binnen het bestaand stedelijk en dorpsgebied is geen ruimte voor de voorgestane ontwikkeling. In de oude kern van Delfgauw zijn een aantal kleinere inbreidingslocaties aanwezig. Deze locaties bieden echter onvoldoende ruimte om geheel aan de lokale behoefte tegemoet te komen.
Tevens wordt met de ontwikkeling een passende overgang gerealiseerd van het glasgebied naar het lint en het recreatiegebied. De ontwikkeling voorziet aan de noordzijde in de afronding van de kern Delfgauw. Door sanering van de bedrijfsgebouwen en de ruimtelijke inpassing van het plan, blijft de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk. De ontwikkeling past binnen het provinciaal beleid.
3.3
Gemeentelijk beleid
Omgevingsvisie Pijnacker Nootdorp 2050 - Verbonden met elkaar (ontwerp) De gemeente Pijnacker-Nootdorp heeft een omgevingsvisie opgesteld waarin wordt beschreven hoe Pijnacker-Nootdorp er in 2050 uit zou kunnen zien. Met de nieuwe Omgevingsvisie bereiden ze zich voor op de Omgevingswet die naar verwachting 1 juli 2022 in werking treedt. De omgevingsvisie is binnen deze wet een nieuw instrument waarin de gemeenteraad zijn integrale visie op fysieke leefomgeving voor de lange termijn geeft. De omgevingsvisie gaat over de hele fysieke leefomgeving en is breder dan zijn voorganger: de ruimtelijke structuurvisie. Het gaat niet alleen om thema's als wonen, ruimtelijke ordening, mobiliteit, economie en groen, maar ook om onderwerpen als gezondheid, omgevingsfactoren (milieu), duurzaamheid en veiligheid. Het ontwerp van de omgevingsvisie heeft tot en met 14 juli 2021 ter inzage gelegen. De verwachting is dat de visie eind 2021 wordt vastgesteld. De gemeente onderscheidt vier ontwikkelingslijnen die gezamenlijk richting geven aan de toekomst van de fysieke leefomgeving van Pijnacker-Nootdorp: 1. Ontwikkelingslijn 1: Onderscheidend groen 2. Ontwikkelingslijn 2: Karakteristieke woon- en leefomgeving 3. Ontwikkelingslijn 3: Aantrekkelijk economische vestigingsklimaat voor inwoners en ondernemers 4.
Ontwikkelingslijn 4: Een veerkrachtige leefomgeving voor mensen, planten en dieren De ontwikkelingslijnen zijn geen keuzemogelijkheden, ze zijn allen even belangrijk en versterken elkaar. Samen geven ze een integraal beeld en richting voor de toekomst voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dit plan sluit met name aan op ontwikkelingslijn 'Karakteristieke woon- en leefomgeving'. De ontwikkeling wordt zodanig ingepast dat deze bijdraagt aan de identiteit, herkenbaarheid en de samenhang van de kern en de wijk. De woningen sluiten aan bij het dorpse woonmilieu in de kern Delfgauw en de karakteristieken van het cultuurhistorische lint Noordeindseweg.
17
gemeente Pijnacker-Nootdorp
Toekomstvisie 2040 (2012) In de Toekomstvisie 'Visie op de toekomst van Pijnacker-Nootdorp', vastgesteld door de gemeenteraad op 26 juni 2012, wordt een eenduidige en consistente koers voor Pijnacker-Nootdorp uitgezet met oog voor de omgeving en de rol van de gemeente. De toekomstvisie laat zien wat voor gemeente Pijnacker-Nootdorp wil zijn, waar zij met haar ontwikkeling heen wil en welke rol zij daarbij pakt. Pijnacker-Nootdorp wil, conform haar visie, een herkenbare gemeente zijn in een landelijke omgeving waar de stad nooit ver weg is. Zij ziet het als haar missie in de regio een uniek woonmilieu te bieden, met het groene buitengebied meerwaarde te geven en met duurzame en innovatieve bedrijven, waaronder de glastuinbouw, de economie versterken.
Ruimtelijke structuurvisie Pijnacker-Nootdorp 2040 (2014) In de Structuurvisie 'Ruimte maken….. ruimte laten' (vastgesteld door de gemeenteraad op 20 februari 2014) schetst de gemeente het ruimtelijk beeld van Pijnacker-Nootdorp in 2040. Niet in de vorm van een blauwdruk voor de toekomst, maar in de vorm van contouren en kaders van een streefbeeld dat gezamenlijk met bewoners en ondernemers ingekleurd dient te worden. Er wordt ruimte geboden en uitgenodigd om te ondernemen, te recreëren, de woonomgeving te verbeteren of sport te beoefenen. De Ruimtelijke structuurvisie kan gelezen worden als een uitnodiging om samen invulling te geven aan de ruimte van Pijnacker-Nootdorp in 2040 (uitnodigingsplanologie). Contouren vormen het uitgangspunt van de structuurvisie. Dit zijn contouren van groen- en recreatiegebieden, bebouwing, glastuinbouw en bedrijventerreinen. Binnen deze contouren zijn er verschillende functies en mogelijkheden. Hierover doet de structuurvisie voor 2040 op hoofdlijnen kaderstellende uitspraken. Daarnaast geeft de structuurvisie antwoord op verschillende ruimtelijke vraagstukken. Het zijn de contouren en de kaders van een streefbeeld, waarbij de gemeente de belangrijkste basisvoorzieningen garandeert en de regie neemt over projecten die niet door particulier initiatief tot stand komen.
De ruimte die vervolgens ontstaat, is vooral voor de eigenaren, beheerders en gebruikers om in te vullen en vorm te geven. Pijnacker-Nootdorp wil in de regio een uniek woonmilieu bieden. In de Toekomstvisie is er daarom voor gekozen om de woonkernen na de afronding van de geplande uitbreidingen niet verder uit te breiden en in iedere woonkern in te zetten op een basisniveau van voorzieningen. Het beoogde resultaat in de Toekomstvisie en opgave voor de Structuurvisie zijn drie herkenbare kernen met een hoge woonkwaliteit als aantrekkelijke vestigingsplaats waar de dorps- annex metropoolbewoner een eigen plek en baken voor continuïteit vindt. Een aantal kwaliteiten van Delfgauw: de vorming vanuit de ontginning is herkenbaar in de linten en de vooroorlogse en vroeg-naoorlogse uitbreidingen tegen de oude kern aan, een ontspannen woonmilieu nabij de stad, hoge kwaliteit van de openbare ruimte functioneert als drager van de wijk, het woonmilieuaanbod is grotendeels rustig en functioneel, met op kleine schaal variaties langs de linten. Op de contourenschets van de Structuurvisie is de locatie aangeduid als onderdeel van de kern Delfgauw.
Woonvisie 2020-2030 Op 25 juni 2020 is de Woonvisie Pijnacker-Nootdorp 2020-2030 vastgesteld. De woonvisie bestaat uit vier pijlers: 1. Mooi wonen, prettig leven: a. Identiteit en kwaliteiten van woonkernen behouden. b. Bijsturen van kwetsbare woongebieden. 2. Passende woningen voor onze inwoners: a. Werken aan betaalbare koop- en huurwoningen. b. Sturen op het behoud van de sociale voorraad. c. De doorstroming stimuleren. d. Een toekomstbestendige woningvoorraad voor senioren. e. Uitbreiding van de bestaande voorraad.
18
od205 | bestemmingsplan Vrijenban II
3. Duurzaam wonen: a. Meewerken aan het ontwikkelen van de Regionale Energie Strategie (RES). b. Het maken van een Energietransitieplan voor Pijnacker-Nootdorp. 4. Een thuis voor alle doelgroepen: a. Voor vijf doelgroepen is extra aandacht nodig: vergunninghouders woonwagenbewoners spoedzoekers arbeidsmigranten uitstroom uit de zorg Pijnacker-Nootdorp biedt ten opzichte van de regio een uniek woonmilieu en werkt daarvoor aan drie kernen met een hoogwaardige woonkwaliteit. Pijnacker, Nootdorp en Delfgauw verschillen onderling van elkaar en er zijn dan ook verschillende woonmilieus te vinden, die voor verschillende woonconsumenten aantrekkelijk zijn. Het huidige koopaanbod biedt veel mogelijkheden voor huishoudens (vooral gezinnen) met een relatief hoog inkomen. Voor huishoudens met een laag tot middeninkomen zijn de mogelijkheden (met name in Delfgauw en Nootdorp) beperkter. Met onderhavig plan wordt voorzien in een variatie aan woningtypen in verschillende prijsklassen. Zo wordt er voorzien in twee-onder-één-kapwoningen en rijwoningen in de koopsector en appartementen in de sociale huursector. Daarmee wordt ook voorzien in mogelijkheden voor huishoudens met een laag tot middeninkomen.
Nota Uitnodigende Ruimtelijke Ordening (2018) Op 23 februari 2018 heeft de gemeenteraad integrale ruimtelijke beleidsregels vastgesteld. Deze nota bevat de integrale ruimtelijke beleidsregels voor Pijnacker-Nootdorp. Het is kaderstellend bij het opstellen van bestemmingsplannen. De beleidsregels gaan onder andere over wonen in de kernen en groen en openbare ruimte in de kernen. Pijnacker-Nootdorp wil in de regio een uniek woonmilieu bieden door in de drie herkenbare kernen een hoge woonkwaliteit te behouden en te versterken. De ligging van iedere kern en de wijze waarop deze is opgezet is en moet onderscheidend ten opzichte van elkaar blijven. Binnen de gemeente wordt gestreefd naar het mogelijk maken van een lokale wooncarrière. Dat betekent dat er voor iedere doelgroep en in iedere prijsklasse woningen beschikbaar zijn. In onderhavig plan voor Vrijenban II wordt voorzien in een variatie aan woningtypen in verschillende prijsklassen waarbij het mogelijk is om een lokale wooncarrière te maken door onder andere de realisatie van twee-onder-één-kapwoningen. Daarnaast voorziet het plan in rijwoningen in de koopsector en appartementen in de sociale huursector. In de wijze van bestemmen is aangesloten op de uitgangspunten die in de Nota staan vermeld.
19
gemeente Pijnacker-Nootdorp
20
od205 | bestemmingsplan Vrijenban II
Hoofdstuk 4 4.1
Kwaliteit van de leefomgeving
Inleiding
Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid en ruimtelijke ordening. De laatste decennia groeien deze beleidsvelden dan ook naar elkaar toe. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling wordt dan ook onderzocht welke omgevingsaspecten daarbij een rol (kunnen) spelen. Het is van belang om milieubelastende functies (zoals bepaalde bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies zoals woningen. Andersom moet in de ruimtelijke ordening nadrukkelijk rekening gehouden worden met de gevolgen van ruimtelijke ingrepen voor het milieu. Milieubelastende situaties moeten voorkomen worden.
4.2
Archeologie en cultuurhistorie
Archeologie In Europees verband is het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. In juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Deze wet vervangt diverse wetten en regels voor behoud en beheer van cultureel erfgoed in Nederland. In de Erfgoedwet staat wat cultureel erfgoed is, hoe Nederland omgaat met roerend cultureel erfgoed, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe Nederland daar toezicht op houdt. Vanuit de landelijke wetgeving geldt dat ingrepen tot een oppervlakte van 100 m2 op voorhand worden vrijgesteld van de verplichting tot archeologisch onderzoek. Op basis van dezelfde wetgeving mogen gemeentes echter, mits goed onderbouwd, naar boven en naar beneden afwijken van deze grens. De gemeente Pijnacker-Nootdorp maakt van deze mogelijkheid tot afwijken gebruik. Daartoe heeft zij in 2009 een archeologische beleidskaart vastgesteld voor het gemeentelijk grondgebied. Op die kaart zijn gebieden met een hoge verwachting, middelhoge verwachting en middelhoge/lage verwachting voor het aantreffen van archeologische waarden toegekend. De verschillende verwachtingszones kennen verschillende daaraan gekoppelde vrijstellingsgrenzen.
21
gemeente Pijnacker-Nootdorp
Afbeelding 5 | Medebestemmingen archeologie in het plangebied (bron: Verwachtingskaart, Erfgoed Delft)
Binnen het gehele plangebied is er sprake van een archeologische verwachting. Er geldt één archeologische verwachtingswaarde, namelijk een middelhoge verwachting (lichtgele kleur op afbeelding 5). Hiertoe is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' opgenomen. Binnen dit gebied zijn bodemingrepen tot 200 m2 en 1,0 m beneden maaiveld op voorhand vrijgesteld van archeologisch onderzoek. Voor bodemingrepen met een grotere oppervlakte en diepte dient in het kader van de omgevingsvergunning archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. In dit bestemmingsplan is dit door middel van het opnemen van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' dit gewaarborgd. Het uitvoeren van onderzoek in het kader van het bestemmingsplan is niet nodig. Tot slot is te allen tijden, binnen het gehele bestemmingsplangebied, de algemene meldingsplicht bij het aantreffen van oudheden van toepassing. Op basis van paragraaf 5.4 van de Erfgoedwet moet iedereen die, anders dan bij het doen van archeologisch onderzoek, iets vindt waarvan hij/zij weet of kan vermoeden dat het een (roerend of onroerend) monument betreft, dit melden bij de minister van OCW (of in deze, bij de gemeente Pijnacker-Nootdorp). Het niet melden van het aantreffen van oudheden is een overtreding van de Erfgoedwet en daarmee een strafbaar feit.
Cultuurhistorie Met de Erfgoedwet beschermt de overheid het cultureel erfgoed in Nederland. De Erfgoedwet heeft zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed vervangen waaronder de Monumentenwet 1988. Op basis van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het wettelijk verplicht om in de toelichting van een bestemmingsplan een beschrijving op te nemen van de wijze waarop met in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden of monumenten rekening is gehouden. De Noordeindseweg is op de provinciale cultuurhistorische atlas aangewezen als een historisch landschappelijke lijn met een hoge waarde. De Noordeindseweg vormt samen met de Zuideindseweg en de Delftsestraatweg de historische en landschappelijke structuur van Delfgauw. De kruising van deze wegen vormt het oude hart van Delfgauw. Op een kaart uit 1850 is te zien dat langs de Noordeindseweg bebouwing is ontstaan. Destijds was er nog sprake van een slagenlandschap. Door de ontwikkeling van het glastuinbouwgebied is dit landschap grotendeels verdwenen. De watergang achter het lint, aan de oostzijde van het plangebied heeft in de
22
od205 | bestemmingsplan Vrijenban II
loop van de jaren een andere inrichting gekregen, maar is nog wel steeds zichtbaar. De historie is nog steeds zichtbaar in de huidige kwaliteiten van het lint van de Noordeindseweg. Duidelijk is ook dat op enkele plaatsen deze kwaliteiten verloren zijn gegaan. De open structuur biedt vaak doorzicht op het achterliggende gebied en de smalle weg benadrukt het landelijk karakter. De verkeersdruk en het verlies aan beplanting zetten dit landelijk karakter echter onder druk. De herkenbaarheid van het lint boet in door grootschalige bebouwing die afwijkt van de oorspronkelijke korrel en niet altijd goed is ingepast. Onderhavig plan voorziet in het slopen van verschillende grote opstanden en het daarvoor in de plaats realiseren van woningen in een groene omgeving. Bovendien wordt met het plan de kern van Delfgauw ruimtelijk afgerond en een groene buffer ten opzichte van het glas gerealiseerd. Het plan leidt daarmee tot een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in het lint en een zachte overgang van het dorp naar het buitengebied. (bron: Notitie transformatie Noordeindseweg, Gemeente Pijnacker-Nootdorp, mei 2016)
4.3
Bedrijven en milieuzonering
Een goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Sommige activiteiten die planologisch mogelijk worden gemaakt, veroorzaken milieubelasting voor de omgeving. Andere (gevoelige) functies moeten juist beschermd worden tegen milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Het doel van milieuzonering is om te komen tot een optimale kwaliteit van de leefomgeving. Milieuzonering is het ruimtelijk scheiden van milieubelastende activiteiten en milieugevoelige bestemmingen bij nieuwe ontwikkelingen. Met de term “milieubelastende activiteiten” worden binnen de VNG-methodiek alle milieubelastende activiteiten bedoeld: niet alleen bedrijven maar ook bijvoorbeeld detailhandel, horeca en maatschappelijke voorzieningen. Met de term “milieugevoelige functies” worden onder meer woningen, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie bedoeld.
Milieuzonering dient twee doelen: Het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; Het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. De VNG doet in de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009) een handreiking ten behoeve van de afstemming tussen ruimtelijke ordening en milieu op lokaal niveau. Deze VNG-publicatie legt niet vast wat wel en niet is toegestaan. De publicatie is een hulpmiddel om de afstanden tussen milieubelastende activiteiten en milieugevoelige bestemmingen concreet voor een locatie in te vullen (maatwerk). Het bestemmingsplan is het juridisch-planologisch instrument waarin de gekozen strategie moet worden verklaard. Volgens jurisprudentie dient de plantoelichting ten minste aannemelijk te maken dat ten aanzien van het milieu geen onoverkomelijke problemen te verwachten zijn. Bouwstenen van milieuzonering Lijst van bedrijfsactiviteiten (richtafstandenlijst) De lijst van bedrijfsactiviteiten is een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.
De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De lijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Er moet gemotiveerd worden welke Staat van bedrijfsactiviteiten wordt gebruikt en de toegelaten milieubelastende activiteiten dienen in de juridische regeling van het bestemmingsplan te worden vastgelegd.
23
gemeente Pijnacker-Nootdorp
Omgevingstype De VNG-publicatie kent twee omgevingstypen, 1) een rustige woonwijk/rustig buitengebied en 2) een gemengd gebied. Een rustige woonwijk is een woonwijk, ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied. Naast deze omgevingstypen kent de VNG-publicatie ook het omgevingstype gemengd gebied. Dit is een gebied met matige tot sterke functiemenging. Hieronder vallen ook de lintbebouwing in het buitengebied (met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid) en gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen. De aan de milieucategorie gerelateerde richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk/rustig buitengebied. Bij het omgevingstype gemengd gebied kunnen de richtafstanden met één afstandsstap worden verlaagd. Zie tabel 1.
Categorie
Richtafstand woonwijk/ buitengebied
tot
rustige Richtafstand tot gemengd rustig gebied
1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m 5.3 1000 m 700 m 6 1500 m 1000 m Tabel 1 - Milieucategorieën en bijbehorende richtafstanden ten opzichte van de verschillende omgevingstypen De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan (dus inclusief vergunningvrij aanbouwen) mogelijk is. Functiemenging De term 'gebied met functiemenging' heeft betrekking op een milieuzonering binnen een gebied waar functiemenging voorkomt of wordt beoogd. Zoals in de VNG-publicatie is aangegeven kan hier niet worden gewerkt met een systematiek van richtafstanden en afstandsstappen vanwege de zeer korte afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. De Staat van Bedrijven 'functiemenging' hanteert drie categorieën A, B en C met specifieke criteria: Categorie A Activiteiten zodanig weinig milieubelastend dat deze aanpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit het Bouwbesluit voor scheiding tussen woning en bedrijf zijn daarbij toereikend. Categorie B Activiteiten kunnen worden uitgeoefend, echter bouwkundig gescheiden van woning en andere gevoelige functies.
Categorie C Activiteiten uit categorie B waarbij vanwege de relatief grote verkeersaantrekkende werking een directe ontsluiting op hoofdinfrastructuur gewenst is. De 'bedrijvenlijst - functiemenging' is niet uitputtend. In de planregels wordt geregeld dat ook bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan, die niet in de lijst zijn opgenomen, maar die naar aard en invloed met
24
od205 | bestemmingsplan Vrijenban II
bedrijven uit desbetreffende categorie gelijkgesteld kunnen worden. Dit moet wel worden aangetoond met milieutechnisch onderzoek. Milieuzonering in het plangebied In het plangebied is een (voormalig) aannemersbedrijf aanwezig. Deze wordt met onderhavig bestemmingsplan wegbestemd. De aangrenzende percelen Noordeindseweg 38 en 38c hebben een woonbestemming en vormen daarmee geen belemmering voor het plan. Op het achterperceel van Noordeindseweg 38 wordt regelmatig een vrachtwagen en bus geparkeerd. De vrachtwagen betreft geen koelvrachtwagen of wordt 's-nachts niet gekoeld waardoor deze geen geluidsbron vormt voor de omgeving. Op het perceel Noordeindseweg 40 is conform het geldende bestemmingsplan een maatschappelijke bestemming aanwezig ten behoeve van een zorgboerderij. De activiteit zorgboerderij is niet opgenomen in de VNG-brochure. De richtafstand wordt doorgaans bepaald door de aanwezigheid van dieren of bijvoorbeeld een paardenbak. Omdat de boerderij niet in gebruik is als zorgboerderij en geen dieren aanwezig zijn, wordt dit vooralsnog buiten beschouwing gelaten. Op het perceel wordt de boerderij gebruikt als vergaderlocatie. Conform de VNG-brochure is de richtafstand van een conferentieoord en congrescentrum 10 meter. Hierbij is geen omvang van het conferentieoord en congrescentrum aangegeven.
De vergaderlocatie op het perceel Noordeindseweg betreft een kleinschalige variant voor maximaal 25 bezoekers. Doorgaans zijn conferentieoorden en congrescentra, zoals bedoeld in de VNG-brochure groter. Tevens vindt de ontsluiting van het perceel op de Noordeindseweg plaats en niet aan de zijde van het plangebied. Om die redenen kan afgeweken worden van de richtafstand en is ondanks dat de maatschappelijke bestemming direct aan de woonbestemming grenst, sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Tussen de percelen Noordeindseweg 40 en 38 c, blijft na realisering van het plan nog een stukje agrarisch gebied over. Dit stukje is te klein voor de uitvoering van volwaardige agrarische activiteiten. Wellicht gaat dit stukje hobbymatig gebruikt worden voor bijvoorbeeld het weiden van dieren. Omdat er geen sprake is van een bedrijfsvoering, is dit niet relevant in het kader van bedrijven en milieuzonering. Ten oosten van het plangebied is glastuinbouw aanwezig. Conform de VNG-brochure is de richtafstand voor tuinbouw met kassen met gasverwarming 30 meter tot een rustige woonwijk. De kortste afstand tussen de agrarische bestemming en de woonbestemming bedraagt circa 30 meter en de afstand tot de kassen bedraagt circa 31,5 meter. Daarmee wordt voldaan aan de richtafstand en zijn nadere maatregelen niet noodzakelijk.
De toekomstige bewoners van de woningen zullen zich er wel bewust van moeten zijn dat er sprake kan zijn van enige lichthinder van de aangrenzende kassen. Aan de oostzijde van het plangebied wordt grotendeels een groenzone aangelegd met het evenemententerrein en een parkeerterrein. Daarmee is nabij de kassen geen bebouwing voorzien of hoge bomen die kunnen zorgen voor schaduwwerking op de kassen. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het plan.
4.4
Bodem
Om het risico uit te sluiten, dat mensen gezondheidsproblemen krijgen als gevolg van een langdurig verblijf op verontreinigde grond, dient aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie. Om de bodem voor langere tijd te willen gebruiken, moeten we de bodem op de juiste manier benutten en beschermen. Naast het beschermen van de milieuhygiënische bodemkwaliteit hecht de gemeente waarde aan de overige functionele bodemkwaliteiten. Onder functionele bodemkwaliteiten wordt verstaan de draagkwaliteit, informatiekwaliteit, regulatiekwaliteit en productiekwaliteit. Deze kwaliteiten hebben onder andere betrekking op cultuurhistorische betekenis, levende bodem, ondergronds bouwen en bodemenergie inclusief geothermie. Om het gebruik van de ruimte beneden maaiveld duurzaam en optimaal te benutten zal bij ontwikkelingen of activiteiten in de onder- en/of bovengrond rekening moeten worden gehouden met de ruimtelijk ordening van de ondergrond in relatie tot de bovengrond, en vice versa. Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en aantasting van de kwaliteit van
25
gemeente Pijnacker-Nootdorp
het natuurlijk leefmilieu. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming, Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Tevens is bij de realisatie van ruimtelijke plannen vaak grondverzet noodzakelijk. Het tijdelijke opslaan en toepassen van grond en/of baggerspecie en het toepassen van steenachtige bouwstoffen is middels het Besluit bodemkwaliteit aan regels gebonden. Opgemerkt wordt dat op dit moment de wet- en regelgeving in ontwikkeling zijn en binnen de toekomstige omgevingswet zullen worden vormgegeven. De pijlers hierbij zullen gericht zijn op de zorgplicht en het omgevingsplan. Het toekomstige omgevingsplan heeft betrekking op twee soorten regels: algemene regels die gevolgen hebben voor de fysieke leefomgeving (bouwwerken, infrastructuur, bodem, lucht en dergelijke) en regels die: 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' inhouden. In het kader van de omgevingswet is de gemeente bevoegd gezag bodem.
Onderzoek en sanerende maatregelen bij toekomstige (her)inrichting of bestemmingswijziging: Bij de (her)inrichting of bestemmingswijziging van een locatie en/of bij grondverzet inclusief het verwijderen van grondgebonden objecten, dient een historisch (bodem)onderzoek conform de vastgestelde norm te worden uitgevoerd om mogelijk bodembedreigende activiteiten te achterhalen (huidige norm: NEN-5725). In het kader van het historisch onderzoek zal minimaal een terreininspectie moeten worden uitgevoerd, een gesprek met de (voormalige) eigenaar/beheerder van de locatie moet plaatsvinden, het raadplegen van historische kaarten, luchtfoto's en landelijk bodemloket, en een bezoek aan het gemeentearchief moet worden gebracht (tenzij geen relevante informatie van de onderzoekslocatie bij de gemeente aanwezig is). Op basis van de beschikbare historische en/of milieuhygiënische (bodemkwaliteits)gegevens wordt bepaald of asbest-, water- en/of bodemonderzoek dient te worden uitgevoerd conform de geldende vastgestelde onderzoeknormen. Momenteel wordt een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Zodra de resultaten van dit onderzoek bekend zijn, worden deze opgenomen in het bestemmingsplan.