Bijlage 1 - Toelichting VOBP Verzamelplan Pijnacker-Nootdorp 2022-2023
Tekst van het document
Beoordeling Alle locaties liggen buiten de begrenzing van het NNN. De locaties zijn op een dergelijke afstand gelegen, dat er van een negatief effect op het dichtstbijzijnde NNN-gebied geen sprake is. Tevens betreft het relatief beperkte ingrepen. Het meest nabijgelegen Natura2000-gebied Meijendel & Berkheide is met ruim 8 kilometer op relatief grote afstand gelegen. Gezien deze afstand en de beperkte aard van de ingrepen valt een significant negatief effect niet te verwachten. Mede hierdoor is het ook niet noodzakelijk om een stikstofberekening uit te voeren. Conclusie Onderhavig initiatief voldoet aan de vereisten van de Wet natuurbescherming ten aanzien van gebiedsbescherming.
datum referentie
4 mei 2022 220763_AdB_RAP_0001_v2.0
P 26/35
5.6.2
Flora en fauna
Toetsingskader Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten. Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Beoordeling Boezemweg 18 Door EcologieWerkt is ter hoogte van het plangebied ecologisch onderzoek uitgevoerd. De onderzoeksrapportage is opgenomen in de bijlage. Uit bureaustudie en biotooptoets is naar voren gekomen dat het onwaarschijnlijk is dat met de plannen vaste rust- en verblijfplaatsen worden aangetast van de in de Wet natuurbescherming beschermde soorten. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.
Een ontheffing van de Wet natuurbescherming evenmin. Wilgenweg 82 Onderhavig planvoornemen voorziet in het legaliseren en herbestemmen van de verschillende functies en opstallen die aanwezig zijn ter hoogte van het plangebied. Hierbij worden geen nieuwe gebouwen gebouwd en wordt er ook niet gesloopt. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Een ontheffing van de Wet natuurbescherming evenmin. Zuideindseweg 78 Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is een ecologisch onderzoek uitgevoerd. Daaruit blijkt dat de ontwikkeling mogelijk is, mits voorkomen wordt dat de rugstreeppad het gebied waarbinnen deze ontwikkeling plaatsvindt, koloniseert. Daartoe worden aanbevelingen gedaan. De initiatiefnemer zal de aanbevolen maatregelen moeten treffen of in de fasering rekening moeten houden met dit aspect. Geerweg 13,19,21 Voor deze drie locaties zal – alvorens tot vaststelling van het bestemmingsplan en/of alvorens ontheffing kan worden verleend – inzicht verschaft moeten zijn in de ter plaatse aanwezige en eventueel in het geding zijnde ecologische waarden. Industrieweg 12 De aanpassing van de bestemming heeft geen gevolgen voor de ter plaatse eventueel aanwezige ecologische waarden. Onderzoek is derhalve niet noodzakelijk Conclusie Onderhavig initiatief voldoet aan de vereisten van de Wet natuurbescherming ten aanzien van flora en fauna.
datum referentie
4 mei 2022 220763_AdB_RAP_0001_v2.0
P 27/35
5.7
Akoestiek
Toetsingskader Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan als bedoeld in art. 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: • de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); • de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg; • functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid). De onderzoekszone voor wegen zoals bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh is afhankelijk van de hoeveelheid rijbanen. Onderstaande tabel geeft hier een overzicht van: Stedelijk
Buitenstedelijk
Aantal rijstroken
Aantal meter aan weerszijden van de weg
5 of meer
350 m
600 m
3 of 4
350 m
400 m
1 of 2
200 m
250 m
Tabel 4: onderzoekszone wegen artikel 74 lid 1 Wet geluidhinder.
Artikel 74 lid 2 Wgh regelt dat indien de bovengenoemde ontwikkelingen zijn gelegen binnen een als 'woonerf' aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen. Uit een akoestisch onderzoek moet blijken of, indien sprake is van een van de bovengenoemde ontwikkelingen binnen een zone als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh, deze binnen de waarden valt zoals deze voor diverse typen ontwikkelingen is vastgelegd in de Wgh. De grenswaarde voor de toelaatbare etmaalwaarde van de equivalente geluidbelasting van wegen binnen zones langs wegen is voor woningen 48 dB. In bijzondere gevallen is een hogere waarde mogelijk; Burgemeester en Wethouders zijn binnen de grenzen van de gemeente en onder voorwaarden bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting. Voor gebieden binnen of in de nabijheid van natuurgebieden gelden aanvullende regels. In het geval van onderhavige ontwikkeling geldt dat de zorgvoorziening niet vergunnings- of meldingplichtig is volgens wet- en regelgeving omtrent geluid. Wel is het plan pal naast het Natuurnetwerk Brabant gelegen. In de regel dient het Natuurnet-werk Brabant gecompenseerd te worden bij een geluidsbelasting hoger dan 45 dB(A).
Beoordeling Boezemweg 18 Voor de locatie Boezemweg 18 te Pijnacker geldt dat er geen sprake is van een nieuwe geluidgevoelige bestemming. Er worden enkele gronden toegevoegd aan het bedrijfskavel waardoor er geen extra geluidgevoelige functie mogelijk wordt gemaakt. In het kader van de Wgh is derhalve geen onderzoek noodzakelijk.
datum referentie
4 mei 2022 220763_AdB_RAP_0001_v2.0
P 28/35
Wilgenweg 82 Voor de locatie Wilgenweg 82 te Pijnacker geldt dat er geen sprake is van een nieuwe geluidgevoelige bestemming. Er worden enkele functies en opstallen gelegaliseerd waardoor er geen extra geluidgevoelige functie mogelijk wordt gemaakt. In het kader van de Wgh is derhalve geen onderzoek noodzakelijk. Zuideindseweg 78 Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Daaruit blijkt dat met gebruikmaking van de wettelijke mogelijkheid hogere grenswaarden vast te stellen, dit aspect de uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling en daarmee het bestemmingsplan niet in de weg staat. De rapportage van het akoestisch onderzoek is opgenomen in de bijlage. Geerweg 13,19,21 Om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken is een onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom, waar de hoogst toelaatbare geluidbelasting 63 dB bedraagt. Uit het onderzoekt blijkt dat de geluidbelasting vanwege de Molenaar Blonkweg op zijn hoogst 53 dB bedraagt ter plaatse van de achtergevel van de op één na oostelijke woning (1e verdieping). De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt op zes beoordelingspunten overschreden (alleen de 1e verdieping). De hoogst toelaatbare geluidbelasting van 63 dB wordt nergens overschreden.
De Geluidbelasting van de Oudeweg bedraagt op zijn hoogst 44 dB waardoor er nergens overschrijding plaatsvindt. Een hogere waarde zal nodig zijn voor alle te realiseren woningen vanwege het geluid afkomstig van de Molenaar Blonkweg. Het verlenen van hogere waarden wordt, op basis van de gehanteerde uitgangspunten in het akoestisch onderzoek, mogelijk geacht. Hier dient bij de planuitwerking nader invulling aan te worden gegeven. De gecumuleerde geluidbelasting bij de geplande woningen bedraagt ten hoogste 58 dB ter plaatse van de achtergevel van de op één na oostelijke woning (1e verdieping). De vereiste karakteristieke geluidwering Ga;k bedraagt dan maximaal 58 – 33 = 25 dB. Het bevoegd gezag zal bepalen of er nader onderzoek naar de gevelwering dient te worden gedaan. Industrieweg 12 Uit akoestisch onderzoek zal moeten blijken wat de akoestische situatie ter plaatse is en of eventueel hogere grenswaarden vastgesteld dienen te worden. Conclusie Uit de akoestische onderzoeken blijkt dat er ter hoogte van de plangebieden geen belemmeringen ontstaan. Het aspect ‘Geluid’ vormt dan ook geen belemmering voor beoogde ontwikkelingen. 5.8
Bedrijven en milieuzonering
Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals zorgvoorzieningen) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-brochure) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen).
datum referentie
4 mei 2022 220763_AdB_RAP_0001_v2.0
P 29/35
Beoordeling Boezemweg 18 Onderhavig planvoornemen voorziet in het opnemen van het bedrijfsperceel en enkele gronden aan de zuidzijde. Hierbij wordt een recreatieve functie omgezet in een bedrijfsfunctie. De bedrijfsfunctie is in het huidige bestemmingsplan toegestaan en de bedrijfsvoering zal niet veranderen. Milieuzonering speelt derhalve geen rol voor deze locaties. Wilgenweg 82 Onderhavig planvoornemen voorziet in het legaliseren van de functies en opstallen binnen het plangebied. Er vindt geen verandering in de bedrijfsvoering plaats. Het bedrijfsperceel zal niet verder uitbreiden. Aan de oostzijde van Wilgenweg 82 staan meerdere woningen. Vergroten van het bedrijfsperceel zal invloed hebben op de milieucirkel van het bedrijf richting deze woningen. De afstand wordt kleiner dan planologisch aanvaardbaar. De gronden zullen worden voorzien van een passende bestemming waarbinnen de verschillende functies als toegestaan gebruik zullen worden aangeduid. Milieuzonering speelt derhalve geen rol voor deze locaties. Zuideindseweg 78 De woning schuift op in noordelijke richting. Hierdoor komt de nieuwe woning iets dichter bij het agrarisch bouwvlak van Zuideindseweg 55. Op dit bedrijf worden paarden en melkrundvee gehouden. Het agrarische bedrijf dient in de huidige situatie te voldoen aan de normen uit het activiteiten besluit. Het plangebied is gelegen buiten de bebouwde kom.
Voor zowel de paarden als het rundvee zijn geen geurnormen vastgesteld waardoor de vaste afstanden vanuit het activiteitenbesluit gelden. De aan te houden afstand voor de paarden en rundvee bedraagt 50 meter vanaf de stal en de mestplaat. Het plangebied ligt nu op 68 meter van het agrarisch bedrijf (vanaf agrarisch bouwvlak naar de noordelijke punt van de woonbestemming). De nieuwe woonbestemming blijft buiten de vaste afstand van 50 meter. Hiermee blijft de woning op voldoende afstand van het agrarisch bedrijf. Tevens wordt de woning straks tenminste 15 meter van de weg gebouwd. Geerweg 13,19,21 Onderhavig planvoornemen maakt de bouw van nieuwe woningen mogelijk. Ter plaatse van de locaties waar de nieuwe woningen gebouwd zouden moeten worden, worden bouwvlakken opgenomen waardoor de bouw van de woningen mogelijk wordt. De bestaande woonbestemming blijft behouden. Verder zijn er in de omgeving enkel woonbestemmingen en speelt milieuzonering derhalve geen rol. Industrieweg 12 De ontwikkeling betreft de aanpassing van de bestemming van bedrijfswoning naar burgerwoning. Hiermee vinden er geen fysieke veranderingen plaats ten opzichte van de huidige situatie. Hiermee is er geen nader onderzoek benodigd naar bedrijf en milieuzonering. Conclusie Het aspect ‘bedrijf en milieuzonering’ vormt geen belemmering voor beoogde ontwikkelingen.
5.9
Externe veiligheid
Toetsingskader Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische
datum referentie
4 mei 2022 220763_AdB_RAP_0001_v2.0
P 30/35
bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) gehanteerd. Het plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10 -6 (één op de miljoen) bedraagt. Het groepsrisico Het groepsrisico is een maat voor de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied ,gelijktijdig, overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen.
De orientatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Het groepsrisico is niet ruimtelijk weer te geven met contouren, maar wordt uitgedrukt in een grafiek waarin de groepsgrootte van aantallen slachtoffers wordt uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval: de Fn-curve. Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving risicobronnen zijn gelegen waarop het Bevi van toepassing is, is de signaleringskaart geraadpleegd. Boezemweg 18 Ter hoogte van het plangebied is 1 risicobron gelegen, te weten een vuurwerkopslag aan de Boezemweg. Het betreft Haokan Fireworks. Het planvoornemen betreft opnemen van het huidige bedrijfsperceel en de gronden gelegen aan de zuidzijde van de Boezemweg. Hiermee vindt er geen verandering in de bedrijfsvoering plaats en zal het risico ten opzichte van de huidige situatie niet veranderen. Wilgenweg 82 Het plangebied aan de Wilgenweg 82 is gelegen binnen de effectzone van een buisleiding, zoals weergeven op onderstaande figuur. Het betreft een pijpleiding van defensie. Het planvoornemen voorziet in het legaliseren van de huidige functies en opstallen.
Het betreffen geen gevoelige functies en het risico neemt niet toe met onderhavige wijziging. Het groepsrisico hoeft daarom niet verantwoord te worden.
datum referentie
4 mei 2022 220763_AdB_RAP_0001_v2.0
P 31/35
Figuur 8: Uitsnede signaleringskaart EV. Het plangebied wordt bij benadering met de gele ster aangeduid
Zuideindseweg 78 Het planvoornemen betreft de herbouw van een woning en het verleggen van de woonbestemming. Hiermee vindt er geen wijziging in het risico plaats. Tevens zijn er in de omgeving geen risicobronnen aanwezig. Externe veiligheid vormt hiermee geen belemmering. Geerweg 13, 19, 21 Het planvoornemen betreft de realisatie van nieuwe woningen. Hiervoor worden er nieuwe bouwvlakken ter hoogte van het plangebied. Ter hoogte van het plangebied ligt 1 risicobron te weten een buisleiding (W-539-05). Echter, het plangebied ligt op ca. 850 meter en daarmee vormt de buisleiding geen risico. Industrieweg 12 Het planvoornemen betreft het omzetten van een bedrijfswoning naar een woonbestemming. Hiermee wordt er een gevoelige functie toegevoegd. In de omgeving liggen 2 risicobronnen, te weten een vuurwerkopslag (300 meter) en buisleiding W-539-05 (480 meter). De risicobronnen liggen op voldoende afstand en vormen daarmee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Conclusie Het aspect ‘externe veiligheid’ vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 5.10 Luchtkwaliteit Toetsingskader Op basis van hoofdstuk 5, titel 5.2 ‘Luchtkwaliteitseisen’ van de Wet milieubeheer dient onderzoek naar luchtkwaliteit te worden uitgevoerd. De titel 5.2 ‘Luchtkwaliteitseisen’ is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit
datum referentie
4 mei 2022 220763_AdB_RAP_0001_v2.0
P 32/35
(Wlk). De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren en waarin alle ruimtelijke ontwikkelingen/projecten zijn opgenomen die de luchtkwaliteit in belangrijke mate verslechteren. Op grond van de Wet mogen nieuwe ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de normen (grenswaarden) die aan een aantal verontreinigende stoffen zijn gesteld. Met betrekking tot luchtkwaliteit moet rekening worden gehouden met het gestelde in de Wet milieubeheer (Wm), hoofdstuk 5, titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen en de bijbehorende bijlagen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: • • •
•
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een plan leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een plan draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging (meer dan 3%) ten opzichte van de grenswaarde (een grenswaarde van 3% staat gelijk aan de bouw van circa 1.500 woningen of 100.000 m2 kantoorruimte met één ontsluitingsweg); een plan past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL), of binnen een regionaal programma van maatregelen.
Naast de effecten van de voorgenomen ontwikkeling op de luchtkwaliteit, moet worden bezien of er voor de te realiseren woningen voldaan kan worden aan een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit. Om te bepalen of de plaatselijke luchtkwaliteit voldoet aan de normen voor een goed woon- en leefklimaat is gebruik gemaakt van de RIVM kaarten welke weergeven staan op www.atlasleefomgeving.nl. Indien uit de monitoring blijkt dat de doelstellingen van het NSL niet worden gehaald, kunnen extra maatregelen worden getroffen. Beoordeling De ontwikkelingen, waarbij onder andere een vijftal woningen worden mogelijk gemaakt, zijn dusdanig beperkt van omvang dat er ruimschoots onder de aantallen gebleven wordt zoals genoemd in de 'Regeling niet in betekende mate bijdragen' (NIBM). Via de NSL-Monitoringstool zijn de concentraties ter plaatse van het plangebied voor de jaren 2018, 2020 en 2030 afgelezen. In de verkeersmodellen die gebruikt worden bij de NSL-monitoringstool is de verkeersgeneratie in de omgeving reeds opgenomen in het model voor de jaren 2020 en 2030. Er zijn derhalve geen aanpassingen doorgevoerd aan de data afkomstig uit de NSL-rekentool. NO2 Uit de resultaten blijkt dat de concentraties voor NO2 in alle gevallen ver onder de grenswaarden zitten voor 2020 en 2030. In geen van de gevallen wordt de jaargemiddelde grenswaarde overschreden.
De waarde is het hoogste ter plaatse van de Stationsstraat in Pijnacker en bedraagt in 2020 18,9 µg/m3. Hiermee wordt de grenswaarde van 40 µg/m3 niet overschreden. PM10 Uit de resultaten blijkt dat de concentraties voor PM10 in 2020 en 2030 ver onder de grenswaarden blijven. Ter plaatse van de plangebieden is de concentratie PM10 in 2030 kleiner dan de concentratie in 2018. De hoogste waarde in 2020 is ter plaatse van de Stationsstraat in Pijnacker en bedraagt 17 µg/m3. Er wordt voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 (40 µg/m3). De wereldgezondsheidsorganisatie (WHO) beoogt een advieswaarde van een jaargemiddelde waarde van 20 µg/m3. In 2020 en 2030 nemen de concentraties af tot ver onder de advieswaarde.
datum referentie
4 mei 2022 220763_AdB_RAP_0001_v2.0
P 33/35
PM2,5 Uit de resultaten blijkt dat dat de concentraties PM2,5 licht afnemen. De hoogste waarde is ter plaatse van de Stationsstraat in Pijnacker en bedraagt 9,1 µg/m3. De jaargemiddelde grenswaarde (25 µg/m3) wordt in geen geval overschreden. Ook de jaargemiddelde richtwaarde voor 2020 (20 µg/m3) wordt in geen geval overschreden. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling. Binnen het besluitgebied is sprake van een goed woon- en leefklimaat. 5.11 Verkeer en parkeren De voorgenomen ontwikkelingen betreffen kleinschalige ontwikkelingen, die in een enkel geval betrekking hebben op de realisatie van een beperkt aantal woningen. Deze ontwikkelingen brengen geen noemenswaardige toename van het aantal verkeersbewegingen met zich mee. Parkeren wordt in beginsel overal op eigen terrein opgevangen. Met betrekking tot de aspecten verkeer en parkeren zijn geen problemen te verwachten.
datum referentie
4 mei 2022 220763_AdB_RAP_0001_v2.0
P 34/35
6
Uitvoerbaarheid
6.1
Algemeen
De gemeente Pijnacker-Nootdorp wil middels haar beleid ruimte bieden en uitnodigen om te ondernemen en de woonomgeving te verbeteren, om zodoende samen invulling te geven aan de ruimte binnen de gemeente. Door ruimte te bieden voor de ontwikkelingen die dit verzamelplan mogelijk maakt, wordt hieraan concreet invulling gegeven 6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De aanvraag om een omgevingsvergunning ziet op het opheffen van het strijdig planologisch gebruik. Op de onderhavige aanvraag is ex artikel 3.10 lid 1, onder a Wabo de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing. Dit houdt in dat de omgevingsvergunning overeenkomstig de Algemene wet bestuursrecht (afdeling 3.4) gedurende zes weken ter inzage zal liggen en worden toegestuurd aan overleginstanties. Tijdens deze periode wordt de mogelijkheid geboden voor het indienen van zienswijzen. 6.3
Economische uitvoerbaarheid
Er wordt een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer gesloten waarin afspraken worden gemaakt over de voorgenomen ontwikkeling, alsmede alle financiële kaders waaronder mogelijke planschade, de exploitatiebijdrage en de daadwerkelijke investeringskosten van de beoogde ontwikkelingen. Op basis van deze overeenkomst wordt het voorliggende bestemmingsplan economisch uitvoerbaar geacht. Het kostenverhaal zal geen belemmering vormen voor uitvoerbaarheid van het voorliggende bestemmingsplan.
datum referentie
4 mei 2022 220763_AdB_RAP_0001_v2.0
P 35/35
Bijlage 1 Bodemonderzoek locatie A
datum referentie
4 mei 2022 220763_AdB_RAP_0001_v2.0
P 37/7
Boezemweg 18 te Pijnacker Milieuhygiënisch vooronderzoek Verkennend milieukundig bodemonderzoek
Kenmerk Datum
: :
A1951-06/IDI/rap1 20 januari 2022
Opdrachtgever
: : :
De heer F. van Wijk Boezemweg 18 2641 KH Pijnacker
Goedkeuring
Functie
Datum
De heer I. Dijkstra (Adviseur milieu)
Opsteller, auteur
20 januari 2022
De heer C. Brouwer (Projectleider)
2e lezerschap en vrijgave
20 januari 2022
Handtekening
BRL SIKB 2000 protocol 2001
INHOUDSOPGAVE INHOUDSOPGAVE ................................................................................................................................ 2 1.1 2
3
4
INLEIDING............................................................................................................................. 4
MILIEUHYGIËNISCH VOORONDERZOEK..................................................................................... 6 2.1
AANLEIDING VOORONDERZOEK......................................................................................... 6
2.2
AFBAKENING ONDERZOEKSGEBIED .................................................................................. 7
2.3
POTENTIËLE BRONNEN VAN BODEMVERONTREINIGING ................................................. 8
2.4
BODEMKWALITEIT EN ASBEST ........................................................................................... 9
2.5
BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE ........................................................................... 10
2.6
BEÏNVLOEDING .................................................................................................................. 11
2.7
BODEMVERONTREINIGING ............................................................................................... 11
2.8
TERREINVERKENNING ...................................................................................................... 12
2.9
BEOORDELING ................................................................................................................... 13
2.10
CONCLUSIE EN HYPOTHESESTELLING ............................................................................ 13
VERKENNEND BODEMONDERZOEK ......................................................................................... 15 3.1
ONDERZOEKSSTRATEGIE................................................................................................. 15
3.2
UITVOERING VELDONDERZOEK ....................................................................................... 15
3.3
UITVOERING LABORATORIUMONDERZOEK ..................................................................... 17
3.4
TOETSINGSKADER ............................................................................................................ 18
3.5
INTERPRETATIE ................................................................................................................. 19
3.6
TOETSING HYPOTHESE .................................................................................................... 20
3.7
CONCLUSIES...................................................................................................................... 20
3.8
AANBEVELINGEN ............................................................................................................... 21
BETROUWBAARHEID................................................................................................................. 22
Milieuhygiënisch vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek Locatie: Boezemweg 18 te Pijnacker Kenmerk rapportage: A1951-06/IDI/rap1
Pagina 2 van 22
BIJLAGEN
1. 1.1 1.2
Kaarten en tekeningen Topografische kaart Situatietekening
2. 2.1 2.2
Vooronderzoek Samenvatting geschiedenis onderzoekslocatie Rapportage Bodemloket
3. 3.1 3.2
Veldonderzoek Formulieren veldonderzoek Boorstaten en legenda
4. 4.1 4.2
Laboratoriumonderzoek Certificaten grond Certificaten grondwater
5. 5.1 5.2
Toetsingstabellen Toetsingstabellen grond Toetsingstabellen grondwater
Milieuhygiënisch vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek Locatie: Boezemweg 18 te Pijnacker Kenmerk rapportage: A1951-06/IDI/rap1
Pagina 3 van 22
1.1
INLEIDING
In opdracht van de heer F. van Wijk zijn door IDDS een milieuhygiënisch vooronderzoek en een verkennend milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd. De onderzoekslocatie is gelegen aan de Boezemweg 18 te Pijnacker (afbeelding 1).
Afbeelding 1: Onderzoeksgebied, gelegen aan de Boezemweg 18 te Pijnacker (bron: OpenTopo)
Aanleiding en doelstelling Het onderzoek is uitgevoerd in verband met het opstellen van een bestemmingsplanwijziging en/of de daaruit (voortvloeiende) aanvraag van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen). In het kader van de Woningwet/Gemeentelijke Bouwverordening dient een omgevingsvergunningaanvraag (activiteit bouwen) vergezeld te gaan van een rapportage inzake de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. De doelstelling van het onderzoek is het bepalen van de milieuhygiënische kwaliteit van de landbodem (grond en grondwater) ter plaatse van de onderzoekslocatie. Verklaring onafhankelijkheid IDDS verklaart hierbij onafhankelijk te zijn van de opdrachtgever en geen belang te hebben bij de resultaten van het uitgevoerde onderzoek. Milieuhygiënisch vooronderzoek Voorafgaand aan een verkennend bodemonderzoek conform de onderzoeknorm NEN 5740+A1;2016 dient een milieuhygiënisch vooronderzoek te worden uitgevoerd conform de onderzoeknorm NEN 5725;2017. Op basis van de informatie uit het vooronderzoek wordt een onderzoekshypothese geformuleerd. Het doel van het vooronderzoek is inzicht te verkrijgen in de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen ter plaatse van de onderzoekslocatie. Hierbij wordt een inschatting gemaakt van de aard, mate, oorzaak en ligging van mogelijke verontreinigingen.
Ook kunnen de resultaten van het vooronderzoek worden gebruikt bij de interpretatie van de resultaten van het bodemonderzoek.
Milieuhygiënisch vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek Locatie: Boezemweg 18 te Pijnacker Kenmerk rapportage: A1951-06/IDI/rap1
Pagina 4 van 22
Om dit doel te bereiken wordt relevante informatie over de onderzoekslocatie en eventueel de beïnvloeding vanuit de directe omgeving verzameld, geanalyseerd en geïnterpreteerd. De te verzamelen informatie is afhankelijk van de aanleiding en het doel van het vooronderzoek en heeft betrekking op locatiegegevens, bodemopbouw, geohydrologie, te verwachten bodemkwaliteit en potentieel bodembedreigende activiteiten op de locatie waar het vooronderzoek betrekking op heeft. Verkennend bodemonderzoek Ter bepaling van de milieuhygiënische bodemkwaliteit binnen de begrenzing van de onderzoekslocatie, is de onderzoeknorm NEN 5740;2009+A1;2016 gehanteerd. Deze norm beschrijft de werkwijze voor het opstellen van de onderzoeksstrategie bij een verkennend bodemonderzoek naar de (mogelijke) aanwezigheid van bodemverontreiniging en de werkwijze voor het bepalen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en eventueel vrijkomende grond. Op basis van de informatie uit het milieuhygiënisch vooronderzoek wordt een onderzoekshypothese geformuleerd. Elke uit het milieuhygiënisch vooronderzoek resulterende onderzoekshypothese over de aan- of afwezigheid van bepaalde verontreinigende stoffen en de wijze van verspreiding wordt getoetst met een locatiespecifieke onderzoeksstrategie. Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt het milieuhygiënisch vooronderzoek stapsgewijs besproken.
Het milieuhygiënisch vooronderzoek bestaat achtereenvolgens uit het vaststellen van de aanleiding en de afbakening van het onderzoeksgebied. Vervolgens wordt informatie verzameld van de voorgeschreven onderzoekaspecten en worden de onderzoeksvragen beantwoord. Op basis hiervan worden conclusies getrokken en wordt de hypothese voor de onderzoekslocatie vastgesteld. In hoofdstuk 3 wordt het verkennend bodemonderzoek stapsgewijs besproken. Als eerste stap wordt, op basis van de bij het milieuhygiënisch vooronderzoek voor de locatie vastgestelde hypothese, de onderzoeksstrategie vastgesteld. Vervolgens worden de uitvoering en resultaten van het veld- en laboratoriumonderzoek apart besproken. Op basis van de onderzoekresultaten wordt de vastgestelde hypothese getoetst en worden indien van toepassing, aanbevelingen gedaan met betrekking tot eventueel te nemen vervolgstappen. In hoofdstuk 4 wordt de betrouwbaarheid van het uitgevoerde onderzoek toegelicht.
Milieuhygiënisch vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek Locatie: Boezemweg 18 te Pijnacker Kenmerk rapportage: A1951-06/IDI/rap1
Pagina 5 van 22
2 2.1
MILIEUHYGIËNISCH VOORONDERZOEK AANLEIDING VOORONDERZOEK
Afhankelijk van de aanleiding voor het verrichten van het vooronderzoek moet antwoord worden verkregen op een aantal onderzoeksvragen. Als eerste stap in het vooronderzoek dient derhalve de aanleiding te worden vastgesteld. In de NEN 5725;2017 zijn zeven aanleidingen tot vooronderzoek naar landbodems geformuleerd. Opgemerkt wordt dat er sprake kan zijn van een combinatie van meerdere aanleidingen. In dat geval dienen de onderzoeksvragen voor elke afzonderlijke aanleiding te worden beantwoord. Voor onderhavig onderzoek is de volgende aanleiding vastgesteld: A. opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek. De onderzoeksvragen, behorende bij de vastgestelde aanleiding, zijn in de navolgende paragrafen in tabelvorm aangegeven. Per onderzoeksvraag is, direct onder de betreffende vraag, het antwoord opgenomen.
Milieuhygiënisch vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek Locatie: Boezemweg 18 te Pijnacker Kenmerk rapportage: A1951-06/IDI/rap1
Pagina 6 van 22
2.2
AFBAKENING ONDERZOEKSGEBIED
TABEL 2.2.1: Afbakening onderzoeksgebied Onderzoeksvraag Wat is de afbakening van de onderzoekslocatie en is deze voldoende? Uitwerking
Bronnen
Situering
Globale ligging: zie overzichtskaart 1.1 in bijlage 1. Begrenzing onderzoekslocatie: zie situatietekening 1.2 in bijlage 1.
Adres
Boezemweg 18
Postcode / Plaats
2641 KH Pijnacker
Gemeente
Pijnacker
Provincie
Zuid-Holland
RD-coördinaten
Omschrijving
Globaal middelpunt onderzoekslocatie
X
89948
Y
448841
Hoogte maaiveld
Z
Circa 4,7 m-NAP
Kadastraal
Gemeente
Pijnacker
Gemeentecode
PAK00
Sectie
B
Nummer
4994 (gedeeltelijk)
Totaal
2.114 m2
Bebouwd
-
Verharding
Repac ca. 2.000 m2
Belendingen
Alle richtingen
De onderzoekslocatie is gelegen op bedrijvenpark BoezemWest. Rondom de locatie is sprake van enkele bedrijfspanden en weilanden.
Afbakening VO
25 meter buiten onderzoeksgrenzen
Oppervlaktes (m²)
#1 / #2
-
Conclusie Afbakening voldoende #1: Gemeente Pijnacker #2: KadViewer / Pdok-viewer / IDDS Projectenkaart
Milieuhygiënisch vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek Locatie: Boezemweg 18 te Pijnacker Kenmerk rapportage: A1951-06/IDI/rap1
Pagina 7 van 22
2.3
POTENTIËLE BRONNEN VAN BODEMVERONTREINIGING
TABEL 2.3.1: Potentiële bronnen van bodemverontreiniging Onderzoeksvraag Is sprake van potentiële bronnen van bodemverontreiniging, zowel vanuit het verleden als het heden? Zo ja, wat zijn de potentiële bronnen van bodemverontreiniging, waar liggen ze en wat zijn de verdachte parameters? Uitwerking Voormalig gebruik
Bronnen Door de opdrachtgever is een uittreksel aangeleverd met de volledige geschiedenis van de onderzoekslocatie. Betreffend uittreksel is opgenomen in bijlage 2.1. Hieronder is in het kort de gebruiksgeschiedenis samengevat:
#1 / #2
De onderzoekslocatie is tussen 1900-1950 in gebruik geweest als weiland. In deze periode is een pad, waarvan een deel nu nog aanwezig is, aangelegd. Het pad is tussen 1940-1975 meermaals opgehoogd; de kwaliteit van de ophoogmaterialen is niet bekend. Vanaf 1975 is deze weg verhard met beton. Binnen de onderzoeksgrenzen zijn op twee locaties mogelijk nog delen van deze oude weg aanwezig. Het terrein is rond 1950 eigendom geworden van de familie van de opdrachtgever. Vanaf deze periode is het terrein tot het heden in gebruik geweest als bedrijventerrein. Op basis van historisch kaartmateriaal van de periode 1900-heden is te zien dat in de jaren ’50 een kavelsloot ter plaatse van de onderzoekslocatie gedempt is. In 2006 is over vrijwel de gehele locatie een repaclaag aangebracht met een gemiddelde dikte van 0,7 meter. De repaclaag betreft geen bodem en valt buiten de invloedssfeer van de Wet bodembescherming. Potentiële bronnen
Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn mogelijk plaatselijk resten van een voormalige weg, welke meermaals is opgehoogd aanwezig. Ook is in het verleden een watergang (kavelsloot) gedempt. De kwaliteit en samenstelling van het ophogings- en dempingsmateriaal is niet bekend. Mogelijk bestaat dit materiaal uit puin of slib, hetgeen verdacht is ten aanzien van de kritische parameters zware metalen, PAK en asbest.. Op basis van het voormalig gebruik is op de rest van het terrein geen sprake van specifiek verdachte locaties en/of parameters.
Huidig gebruik
Bedrijventerrein
Potentiële bronnen
In de huidige situatie zijn geen potentiële bronnen van bodemverontreiniging bekend.
Toekomstig gebruik
De onderzoekslocatie wordt heringericht, waarbij o.a. een nieuwe stal zal worden gebouwd.
-
Conclusie Ter plaatse van delen van de onderzoekslocatie zijn mogelijk resten van een voormalige weg aanwezig en is een watergang gedempt. Het ophogingsmateriaal en/of dempingsmateriaal bestaat mogelijk uit puin, hetgeen verdacht is ten aanzien van de kritieke parameters zware metalen en PAK. Op basis van het voormalig gebruik is op de rest van het terrein geen sprake van specifiek verdachte locaties en/of parameters. #1: Historisch kaartmateriaal periode 1901-heden (TopoTijdreis) #2: Geschiedenis onderzoekslocatie (informatie verstrekt door opdrachtgever)
Milieuhygiënisch vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek Locatie: Boezemweg 18 te Pijnacker Kenmerk rapportage: A1951-06/IDI/rap1
Pagina 8 van 22
2.4
BODEMKWALITEIT EN ASBEST
TABEL 2.4.1: Bodemkwaliteit en asbest Onderzoeksvraag Is de bodem asbestverdacht? Welke kwaliteitsklasse is toegekend aan de bodem in de bodemkwaliteitskaart en welke lagen zijn daarbij onderscheiden? Uitwerking Asbest
Bronnen Er is geen informatie beschikbaar omtrent een eventuele verdenking op de aanwezigheid van asbest in de bodem. De voormalige weg en de gedempte watergang zijn potentieel verdacht ten aanzien van asbest, indien bodemvreemd materiaal aanwezig is.
#1
Van de locatie is bekend dat er een repaclaag aanwezig is. Het repac is aangebracht in 2006 en is naar niet verontreinigd met asbest. De repaclaag betreft geen bodem en wordt niet onderzocht. Bodemkwaliteit
Bodemfunctieklasse
Industrie
Bodemkwaliteitszone
(B/O)1 – Historische bebouwing en kassen
Ontgravingskaart bovenen ondergrond
Bovengrond (0,0 - 0,5 m-mv) : Industrie Ondergrond (0,5 - 2,0 m-mv) : Wonen
Toepassingskaart bovenen ondergrond
Bovengrond (0,0 - 0,5 m-mv) : Industrie Ondergrond (0,5 - 2,0 m-mv) : Wonen
#2
Conclusie De voormalige weg en het dempingsmateriaal van de sloot zijn potentieel verdacht ten aanzien van asbest, mits bodemvreemd materiaal aanwezig is. In de Nota Bodembeheer van de Gemeente Pijnacker zijn diverse bodemkwaliteitskaarten opgenomen. Op basis van betreffend kaartmateriaal wordt de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie geclassificeerd als zijnde functieklasse industrie. De verwachte ontgravingskwaliteit van de bovengrond is klasse industrie en de ondergrond is klasse wonen. #1: Geschiedenis onderzoekslocatie (informatie verstrekt door opdrachtgever) #2: Nota Bodembeheer Gemeente Pijnacker, opgesteld door CSO (kenmerk: 11K140, d.d. 15 december 2014)
Milieuhygiënisch vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek Locatie: Boezemweg 18 te Pijnacker Kenmerk rapportage: A1951-06/IDI/rap1
Pagina 9 van 22
2.5
BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE
TABEL 2.5.1: Bodemopbouw en geohydrologie Onderzoeksvraag Wat is de bodemopbouw en geohydrologie en is er binnen het onderzoeksgebied sprake van verschillende fysische kwaliteiten en/of bodemvreemde lagen? Zo ja, welke fysische kwaliteiten en/of bodemvreemde lagen zijn er en waar bevinden deze zich? Uitwerking
Bronnen
Bodemopbouw (lokaal)
0,0 - 2,0 m-mv
Hoofdzakelijk klei met plaatselijk zand. In de ondergrond kunnen plaatslijk veenlagen aanwezig.
Grondwater (lokaal)
Grondwaterstand freatisch
Circa 0,5 m-mv
#1
Een eenduidige stromingsrichting van het grondwater is niet bekend. Verwacht wordt dat het grondwater vanaf de onderzoekslocatie naar nabijgelegen wateroppervlakken en lager gelegen gebieden zal stromen en derhalve zuidoostelijk gericht is. Voor zover bekend wordt het grondwater op en in de nabijheid van de onderzoekslocatie niet beïnvloed door menselijk handelen (drainage, bemalingen, etc.).
Geohydrologie
Deklaag In het algemeen wordt de slecht doorlatende deklaag gevormd door voornamelijk klei en zandige kleien met ingeschakelde veenafzettingen van holocene ouderdom (Westlandformatie). De dikte van de deklaag op de onderzoekslocatie is circa 10 meter. 1e watervoerende pakket Het eerste watervoerende pakket wordt globaal gevormd door goed doorlatende afzettingen tussen de slecht doorlatende deklaag en de scheidende laag. Het eerste watervoerende pakket bestaat met name uit uiterst grove tot middel grove zanden (Formatie van Kreftenheye). In de nabijheid van de onderzoekslocatie bevindt dit pakket zich op een diepte van circa 10 meter en bedraagt de dikte van dit pakket ongeveer 30 meter. Het doorlaatvermogen (kD-waarde), zijnde het product van de doorlaatbaarheidscoëfficiënt (k) en de dikte (D) van het eerste watervoerende pakket wordt geschat op 750 m2/d. De grondwater¬stroming in het eerste watervoerende pakket is noordnoordwestelijk gericht. 1e scheidende laag Het eerste en tweede watervoerende pakket worden gescheiden door afgewisselde klei en zandlagen (Formatie van Kedechem). De top van de scheidende laag in de nabijheid van de onderzoekslocatie ligt op een diepte van circa 40 m-NAP. De dikte van de eerste scheidende laag bedraagt circa 13 m.
Verwacht wordt dat de verticale hydraulische weerstand van de slecht doorlatende laag over het algemeen enkele honderden dagen zal bedragen.
Bodemvreemde lagen
De reeds genoemde repaclaag, welke over vrijwel de gehele onderzoekslocatie aanwezig is, en de voormalige weg en watergang (kavelsloot).
Conclusie Ter plaatse van een groot gedeelte van de onderzoekslocatie kan sprake zijn van bodemvreemde lagen ten gevolge van het aanbrengen van een repaclaag, de aanwezigheid van een voormalige weg en het dempen van een watergang (kavelsloot) #1: DINOloket / Bodematlas provincie Zuid-Holland / Archief IDDS
Milieuhygiënisch vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek Locatie: Boezemweg 18 te Pijnacker Kenmerk rapportage: A1951-06/IDI/rap1
Pagina 10 van 22
2.6
BEÏNVLOEDING
TABEL 2.6.1: Beïnvloeding Onderzoeksvraag Is sprake van beïnvloeding vanuit de omgeving van de bodemkwaliteit of de kwaliteit van het grondwater? Zo ja, welke beïnvloeding en waar? Uitwerking Beïnvloeding
Bronnen Er wordt op basis van de beschikbare informatie geen beïnvloeding vanuit de omgeving verwacht.
#1
Conclusie Er is voor zover bekend geen sprake van beïnvloeding vanuit de omgeving van de bodemkwaliteit en/of de kwaliteit van het grondwater. #1: Bodemloket.nl, Omgevingsrapportage (opgenomen in bijlage 2.2)
2.7
BODEMVERONTREINIGING
TABEL 2.7.1: Bodemverontreiniging Onderzoeksvraag Wordt op de locatie of een deel daarvan (een geval van ernstige) bodemverontreiniging vermoed? Zo ja, waar bevindt deze zich? Uitwerking
Bronnen
Onderzoek ter plaatse van de locatie Verwachting o.b.v. eerder bodemonderzoek
Er is geen informatie beschikbaar/bekend. Voor zover bekend is er ter plaatse van onderzoekslocatie tot op heden geen milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd.
#1 / #2
Onderzoek nabij de locatie Verwachting o.b.v. eerder bodemonderzoek
Er is geen informatie beschikbaar/bekend. Voor zover bekend is er in de directe omgeving van de onderzoekslocatie tot op heden geen milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd.
#1 / #2
Conclusie Onbekend is in hoeverre op de locatie of een deel daarvan (een geval van ernstige) bodemverontreiniging is te verwachten. Vooralsnog worden op basis van het voormalig gebruik in de bodem geen noemenswaardige bijzonderheden verwacht. #1: Bodemloket.nl, Omgevingsrapportage (opgenomen in bijlage 2.2) #2: Archief IDDS
Milieuhygiënisch vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek Locatie: Boezemweg 18 te Pijnacker Kenmerk rapportage: A1951-06/IDI/rap1
Pagina 11 van 22
2.8
TERREINVERKENNING
De terreinverkenning heeft tot doel om te controleren of de gedocumenteerde informatie overeenkomt met de daadwerkelijke situatie ter plaatse en deze aan te vullen met relevante waarnemingen. De terreinverkenning is op 6 januari uitgevoerd. Op basis van de terreinverkenning blijkt geen sprake te zijn van aanvullende bijzonderheden en hebben zich geen wijzigingen voorgedaan ten opzichte van de reeds verkregen gegevens. De navolgende afbeeldingen geven een beeld van de onderzoekslocatie en de directe omgeving.
Foto 1: Overzichtsfoto van de onderzoekslocatie
Foto 2: Overzichtsfoto van de onderzoekslocatie
Milieuhygiënisch vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek Locatie: Boezemweg 18 te Pijnacker Kenmerk rapportage: A1951-06/IDI/rap1
Pagina 12 van 22
2.9
BEOORDELING
Het vooronderzoek is beoordeeld op afwijkingen ten opzichte van de NEN 5725;2017. Indien er sprake is van afwijkingen zijn deze omschreven en is de reden van afwijking aangegeven. Beoordeeld is in hoeverre de afwijking gevolgen heeft op de betrouwbaarheid en in hoeverre er sprake is van beperkingen in relatie tot de onderzoeksvragen. Vervolgens is beoordeeld in hoeverre de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem, op basis van de resultaten van het vooronderzoek, afdoende bekend is, of in hoeverre bodemonderzoek noodzakelijk is. In tabel 2.9.1 is de uitwerking met betrekking tot voornoemde onderzoeksvraag opgenomen. TABEL 2.9.1: Beoordeling Onderzoeksvraag Is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem afdoende bekend of is bodemonderzoek noodzakelijk? Beantwoording Omschrijving
Reden afwijking
Afwijking
Geen
-
Gevolgen betrouwbaarheid
-
-
Beperkingen in relatie tot de onderzoeksvragen
-
-
Conclusie De milieuhygiënische bodemkwaliteit is niet afdoende bekend. Er is geen (actuele) informatie beschikbaar omtrent de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie.
2.10 CONCLUSIE EN HYPOTHESESTELLING Op basis van de resultaten van het vooronderzoek zijn conclusies getrokken over de verwachting van de milieuhygiënische bodemkwaliteit en de aanwezige verontreinigende stoffen. Op basis van de getrokken conclusie is een hypothese geformuleerd. De hypothese betreft voor elke (deel)locatie, in zowel het horizontale als het verticale vlak, de verwachting met betrekking tot de aanwezigheid van bodemverontreiniging. Bij eventueel bodemonderzoek dient de hypothesestelling als basis voor de onderzoeksstrategieën uit de desbetreffende normdocumenten. De hypothese en strategie zijn complementair aan elkaar.
Milieuhygiënisch vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek Locatie: Boezemweg 18 te Pijnacker Kenmerk rapportage: A1951-06/IDI/rap1
Pagina 13 van 22
TABEL 2.10.1: Conclusie en hypothese Hypothese Algemeen Locatie
Gehele onderzoekslocatie behoudens de ondergenoemde aandachtgebieden
Conclusie
Er is geen informatie beschikbaar omtrent de actuele milieuhygiënische bodemkwaliteit van de locatie. Op basis van de resultaten van het milieuhygiënisch vooronderzoek worden in de bodem noemenswaardige verontreinigingen verwacht.
Hypothese
Onverdacht
Aandachtgebieden Locatie
Voormalige weg en kavelsloot
Conclusie
Ter plaatse van de onderzoekslocatie heeft in het verleden een weg gelopen. Ook is een kavelsloot gedempt. De aard en samenstelling van de voormalige weg en het dempingsmateriaal van de voormalige sloot is niet bekend.
Hypothese
Verdacht Kritische parameters: zware metalen, PAK en asbest.
Opmerking
Het in de vraag in hoeverre resten van de voormalige weg en kavelsloot nog zijn terug te vinden. Indien bodemvreemde materialen worden aangetroffen in de voormalige weg of de demping van de sloot dient een verkennend asbestonderzoek te worden uitgevoerd.
Milieuhygiënisch vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek Locatie: Boezemweg 18 te Pijnacker Kenmerk rapportage: A1951-06/IDI/rap1
Pagina 14 van 22
3
VERKENNEND BODEMONDERZOEK
3.1
ONDERZOEKSSTRATEGIE
De onderzoeksstrategie is gebaseerd op de hypothese zoals deze is vastgesteld op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek, zie hoofdstuk 2. De onderzoeksstrategie is aangegeven in tabel 3.1.1. TABEL 3.1.1: Onderzoeksstrategie Locatie Onderzoeksstrategie Gehele terrein
NEN 5740;2009+A1;2016; Onderzoeksstrategie voor een onverdachte locatie.
Opmerking
Omdat de onderzoekslocatie vrijwel volledig verhard is met repac tot maximaal 1,0 mmv, worden alle boringen doorgezet tot 2,0 m-mv.
Voormalige weg en gedempte kavelsloot
Het onderzoek ter plaatse van de voormalige weg en gedempte kavelsloot heeft als doel om na te gaan in hoeverre de resten van de weg en de demping visueel nog zijn terug te vinden (afwijkend bodem(vreemd)materiaal, slib- en rietresten). Dit wordt gecombineerd met het onderzoek van het gehele terrein. Bij het plaatsen van de boringen is rekening gehouden met de ligging van de gedempte kavelsloot binnen de grenzen van de onderzoekslocatie. Tevens zijn twee aanvullende boringen geplaatst ter plaatse van de voormalige weg.
3.2
UITVOERING VELDONDERZOEK
Een samenvatting van de tijdens het veldonderzoek uitgevoerde werkzaamheden is opgenomen in de navolgende tabel. De posities van de genoemde meetpunten zijn weergegeven op situatietekening 1.2 die in bijlage 1 is opgenomen. Tevens is op betreffend kaartmateriaal de verwachte ligging van de voormalige weg en gedempte kavelsloot opgenomen. TABEL 3.2.1: Samenvatting veldonderzoek Uitvoerende partij D. Rietveld Milieutechniek
IDDS VeldXpert
BRL SIKB / protocol
BRL SIKB 2000 Protocol 2001
BRL SIKB 2000 Protocol 2002
Uitvoeringsperiode
6 januari 2022
13 januari 2022
Onderzoeksaspect
Meetpunten
Codering
Bijzonderheden
11
01 t/m 06, 09 t/m 13
1
07
Boring 05 en 14 gestaakt op obstakels
2
08, 14
-
Type
Diepte [m-mv]
Aantal
Verkennend bodemonderzoek incl. gedempte kavelsloot
Boring
2,0
Peilbuis
2,0
Voormalige weg
Boring
2,0
Uitvoeringswijze Tijdens het veldonderzoek is niet afgeweken van de beoordelingsrichtlijn van het protocol 2001. Door de slechte toestroming van het grondwater in de klei, is het niet mogelijk geweest om de grondwatermonstername conform de richtlijnen van het protocol 2002 uit te voeren. Er is onvoldoende grondwater afgepompt en de buis is belucht geraakt. Voor de overige werkzaamheden zijn de richtlijnen van het protocol gevolgd. Derhalve wordt niet verwacht dat de afwijking invloed heeft op de onderzoeksresultaten.
Milieuhygiënisch vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek Locatie: Boezemweg 18 te Pijnacker Kenmerk rapportage: A1951-06/IDI/rap1
Pagina 15 van 22
Het veldverslag met daarin de gegevens van het veldwerkbureau en de namen van de veldwerkers is opgenomen in bijlage 3. Het procescertificaat en het hierbij behorende keurmerk zijn van toepassing op de activiteiten met betrekking tot het veldonderzoek en de overdracht van de monsters, inclusief de daarbij behorende veldwerkregistratie aan een erkend laboratorium of aan de opdrachtgever. Tijdens het verrichten van het veldonderzoek is de bodem zintuiglijk beoordeeld op de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen en is de bodemopbouw beschreven. Bodemopbouw Per meetpunt is de texturele, minerale en organische samenstelling van de bodem nauwkeurig beschreven. Op basis van deze beschrijving is per meetpunt een boorstaat vervaardigd. De boorstaten zijn opgenomen in bijlage 3. De globale opbouw van de bodem ter plaatse van de gehele onderzoekslocatie, gebaseerd op de boorstaten, wordt als volgt omschreven: -
-
De onderzoekslocatie is vrijwel volledig verhard met repac. De repaclaag heeft een dikte van ca. 0,5 – 1,0 meter. De repaclaag betreft geen bodem en wordt derhalve niet onderzocht. Op de onverharde terreindelen bestaat de bovengrond uit sterk zandige klei. De ondergrond bestaat hoofzakelijk uit zandige of siltige klei. Plaatselijk is sprake van matig fijn zand.
Zintuiglijk waargenomen bijzonderheden Het opgeboorde bodemmateriaal is visueel geïnspecteerd op afwijkingen en op het voorkomen van bodemvreemde bijmengingen die kunnen duiden op een mogelijke verontreiniging van de bodem. Het materiaal is met name beoordeeld op de aard, grootte en gradatie van voorkomen. Sommige verontreinigingen die in de bodem aanwezig zijn, kunnen aan de geur herkend worden. Benadrukt dient te worden dat, indien tijdens de veldwerkzaamheden passieve geurwaarnemingen worden gedaan, deze gekarakteriseerd worden en per boorpunt worden beschreven. Indien er sprake is van afwijkingen en/of bijmengingen zijn deze, per meetpunt en per bodemlaag, aangegeven in de boorstaten die zijn opgenomen in bijlage 3. Op basis van de boorstaten blijkt in hoofdlijnen het navolgende: -
-
Ter plaatse van boring 06 is sprake van een matige bijmenging met repac in de bovengrond. Ter plaatse van boring 08 en 14 is onder de repacverharding sprake van een zwakke tot matige bijmenging met grind. Beide boringen zijn gestaakt op resp. 1,0 en 1,5 m-mv. Vermoedelijk zijn betreffende boringen gestaakt in delen van de voormalige weg. Bij boring 08 is tevens sprake van een zwakke bijmenging met slib. Vermoedelijk zijn dit resten van de gedempte kavelsloot.
Omdat er geen bodemvreemde bijmengingen zijn aangetroffen in de voormalige weg en gedempte kavelsloot, wordt een verkennend asbestonderzoek naar de aanwezigheid van asbest niet doelmatig geacht. Asbest Het veldonderzoek is uitgevoerd door veldwerkers welke zijn opgeleid voor het herkennen van asbestverdachte materialen. Tijdens de uitvoering van het bodemonderzoek is het maaiveld van de onderzoekslocatie, evenals het opgeboorde en vrijgegraven bodemmateriaal visueel beoordeeld op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen (fractie > 20 mm).
Milieuhygiënisch vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek Locatie: Boezemweg 18 te Pijnacker Kenmerk rapportage: A1951-06/IDI/rap1
Pagina 16 van 22
Indien asbestverdacht materiaal is aangetroffen is dit, per boorpunt en per bodemlaag, aangegeven in de boorstaten die zijn opgenomen in bijlage 3. Op basis van de visuele inspectie op asbest blijkt het navolgende: -
Op het maaiveld en in de opgeboorde grond is visueel geen asbestverdacht materiaal (fractie > 20 mm) aangetroffen.
Grondwater Voorafgaand aan de bemonstering van het grondwater is de actuele grondwaterstand opgenomen ten opzichte van het maaiveld. Van het bemonsterde grondwater is in het veld de zuurgraad (pH), het elektrisch geleidingsvermogen (EC) en de mate van troebelheid (NTU) gemeten. Het bemonsterde grondwater is zintuiglijk beoordeeld op eventuele afwijkingen die kunnen duiden op een bodemverontreiniging. In de navolgende tabel zijn de resultaten opgenomen van de uitgevoerde metingen en verrichtte waarnemingen. TABEL 3.2.2: Metingen uitgevoerd aan het grondwater Peilbuis
07
Filterstelling
Grondwaterstand
pH
EC
Troebelheid
Monstername
[m-mv]
[m-mv]
[–]
[S/cm]
[NTU]
d.d.
1,00 - 2,00
0,35
7,11
1.150
25,4
13-01-2022
Zintuiglijke afwijkingen / overige bijzonderheden Geen bijzonderheden
Op basis van de veldwaarnemingen en metingen blijkt het navolgende: -
3.3
Aan het bemonsterde grondwater zijn geen afwijkingen waargenomen die kunnen duiden op een eventuele bodemverontreiniging. De gemeten waarden voor de zuurgraad en het elektrisch geleidingsvermogen duiden niet op een eventuele verontreiniging van het grondwater. Opgemerkt wordt dat de gemeten waarde voor de troebelheid enigszins verhoogd is. Vermoedelijk is dit een gevolg van in suspensie zijnde vaste (grond)deeltjes in het grondwater, doordat er onvoldoende water is kunnen afpompen.
UITVOERING LABORATORIUMONDERZOEK
Voor de verrichting van het chemisch onderzoek zijn de monsters overgebracht naar een (RvA) geaccrediteerd en AS3000 erkend laboratorium. De naam en contactgegevens van het betreffende laboratorium, alsmede de data waarop de monstervoorbehandeling en het analytisch onderzoek is uitgevoerd, zijn aangegeven op de analysecertificaten die in bijlage 4 zijn opgenomen. Analysestrategie Bij de selectie van de grond(meng)monsters is, voor het verkrijgen van een representatief beeld van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem, rekening gehouden met de bodemopbouw en eventuele zintuiglijk waargenomen afwijkingen. Voor het verkrijgen van een ruimtedekkend beeld is eveneens rekening gehouden met de situering van de boringen. In tabel 3.4.1 is een overzicht gegeven van de monsters, waar van toepassing de monstersamenstelling, de monstertrajecten en de uitgevoerde analyses.
Milieuhygiënisch vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek Locatie: Boezemweg 18 te Pijnacker Kenmerk rapportage: A1951-06/IDI/rap1
Pagina 17 van 22
Omdat de onderzoekslocatie vrijwel volledig verhard is met repac tot maximaal 1,0 m-mv, en delen van het terrein bij het aanbrengen van de repac weggegraven zijn, verschilt de diepte van de bovengrond plaatselijk. Om meer representatievere analyses te krijgen is derhalve afgeweken van de analysestrategie uit de NEN 5740 voor een onverdachte locatie. Omdat met deze samengesteld mengmonsters, onzes inziens, een beter beeld van de bodemkwaliteit verkregen wordt, heeft de afwijking op de norm geen invloed op de algehele representativiteit van het onderzoek. Samenstelling analysepakketten In het standaardpakket voor grond zijn de volgende analyses opgenomen: -
Zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink). PAK (polycyclische aromatische koolwaterstoffen). Minerale olie (GC). PCB (PolyChloorBifenylen).
Ten behoeve van de toetsing van de analyseresultaten zijn van alle grondmonsters de percentages lutum en/of organische stof bepaald. In het standaardpakket voor grondwater zijn de volgende analyses opgenomen: 3.4
Zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink). BTEXNS (benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen, naftaleen en styreen). VOCl (vluchtige organochloorverbindingen). Minerale olie. TOETSINGSKADER
De resultaten van de chemische analyses zijn weergegeven op de analysecertificaten, die in bijlage 4 zijn opgenomen. De analyseresultaten zijn, waar van toepassing, getoetst middels de Bodem Toets en Validatieservice (BoToVa). De toetsingstabellen zijn opgenomen in bijlage 5. Wet bodembescherming (Wbb) Voor de interpretatie van de resultaten van de chemische analyses van de grondmonsters zijn de meetwaarden, conform bijlage G van de Regeling bodemkwaliteit, gecorrigeerd voor de gemeten percentages lutum en/of organische stof. De gecorrigeerde meetwaarden zijn vergeleken met het toetsingskader van de Wet bodembescherming. Dit toetsingskader bestaat uit de achtergrondwaarden, zoals opgenomen in bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit, en de interventiewaarden, zoals opgenomen in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 (Staatscourant nr. 16675, 27 juni 2013). Naast het wettelijk kader zijn de gecorrigeerde meetwaarden getoetst aan de tussenwaarden, zijnde het rekenkundig gemiddelde van de achtergrond- en interventiewaarden voor de betreffende stof. Indien de gecorrigeerde meetwaarde voor één of meerdere stoffen de tussenwaarde overschrijdt kan in potentie sprake zijn van een geval van ernstige bodemverontreiniging (Handhavingsuitvoeringsmethode Wbb, versie 7.5 van het SIKB) en is het uitvoeren van nader bodemonderzoek in veel gevallen noodzakelijk.
In tabel 3.4.1 zijn de resultaten van het veld- en laboratoriumonderzoek opgenomen alsmede de resultaten van de uitgevoerde toetsingen.
Milieuhygiënisch vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek Locatie: Boezemweg 18 te Pijnacker Kenmerk rapportage: A1951-06/IDI/rap1
Pagina 18 van 22
<AW / <S niet verontreinigd: het gehalte / de concentratie is lager dan of gelijk aan de achtergrondwaarde (grond) of streefwaarde (grondwater), dan wel de rapportagegrens; >AW / >S licht verontreinigd: het gehalte overschrijdt de achtergrondwaarde (grond) of streefwaarde (grondwater) en is lager dan of gelijk aan de tussenwaarde, zijnde licht verontreinigd; >T matig verontreinigd: het gehalte overschrijdt de tussenwaarde en is lager dan of gelijk aan de interventiewaarde; >I sterk verontreinigd: het gehalte overschrijdt de interventiewaarde. TABEL 3.4.1: Overzicht monsters, monstersamenstelling, analyses en toetsingsresultaten Monstercodes, deelmonsters en bodemlagen (bodemlagen in cm-mv)
Matrix en eventuele bijzonderheden
Analyse
Toetsingsresultaten
Wbb (index) > AW / > S (licht verhoogd)
>T (matig verhoogd)
>I (sterk verhoogd)
Grond MM01: 08 (1,00 - 1,50) + 14 (0,50 - 1,00)
Zand; zwak- tot matig grindhouden, matig slibhoudend, zwak repachoudend
#1