CConstaterende datPijnacker Nootdorp
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Startnotitie visie op het sociaal domein

Raad Beeldvorming 6 april 2023, gemeente Pijnacker NootdorpBij agendapunt: Startnotitie ‘Visie op sociaal domein’5.113 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Startnotitie visie op het sociaal domein ‘Verder bouwen aan de toekomst in het sociaal domein’

1

Inhoud 1. Inleiding........................................................................................................................................... 3 2.

Wat verstaan we onder het sociaal domein? ................................................................................. 3

3.

Waarom doen we dit? .................................................................................................................... 4

4.

Waar staan we nu? ......................................................................................................................... 5

5.

Welke ontwikkelingen zien we? ..................................................................................................... 6

6.

5.1

Demografische ontwikkeling................................................................................................... 6

5.2

Kostenontwikkeling in het sociaal domein ............................................................................. 6

5.3

Meer taken voor gemeenten .................................................................................................. 7

5.4

Veranderende samenleving .................................................................................................... 7

Welke producten gaan we opleveren? ........................................................................................... 8 6.1

Visie op het sociaal domein ................................................................................................ 8

6.2

Uitvoeringsagenda .............................................................................................................. 8

7.

Met welke kaders houden we rekening? ........................................................................................ 9

8.

Participatieplan ............................................................................................................................... 9 8.1

Participatiescan ....................................................................................................................... 9

8.1.1

Wie zijn de belanghebbenden?....................................................................................... 9

8.1.2

Welke impact heeft de beleidsontwikkeling? ............................................................... 10

8.1.3

Welke rollen hebben het college en de raad? .............................................................. 10

8.1.4

Wat hebben we nodig? ................................................................................................. 10

8.2

Participatieplan ..................................................................................................................... 10

8.2.1

Wat is het doel van de participatie? ............................................................................. 10

8.2.2

Met wie gaan we in gesprek? ....................................................................................... 11

8.2.3

Waarover gaan we in gesprek? ..................................................................................... 11

8.2.4

Participatieniveau ......................................................................................................... 12

8.2.5

Aanpak en planning....................................................................................................... 12

Bijlage 1: Netwerkpartners ................................................................................................................... 13

2

1.

Inleiding

In het raadsakkoord op hoofdlijnen 2022-2026 Pijnacker-Nootdorp ‘Bouwen aan de toekomst’ hebben wij de opdracht gekregen om voor het hele sociaal beleid over de volle breedte van het sociaal domein een nieuwe stip op de horizon zetten. De directe aanleiding voor deze opdracht betreft het succes van het interventieplan ‘Grip op het sociaal domein’. Met de actualisatie van de visie willen we nog meer in samenhang antwoord geven op (toekomstige) maatschappelijke vraagstukken en opgaven, zoals de demografische ontwikkeling, de kostenontwikkeling, extra taken voor de gemeente en de veranderingen in onze samenleving. Mede door de corona- en energiecrisis is duidelijk geworden dat er grote verschillen bestaan in de samenleving en dat deze verschillen groeien. Het gaat hierbij niet alleen om sociaaleconomische ongelijkheid maar ook om een toenemende kansenongelijkheid, zeker ook wat betreft gezondheid, levensverwachting en gezonde levensjaren. De urgentie is dan ook groot om deze maatschappelijke uitdagingen met elkaar én met verve aan te gaan. De visie op het sociaal domein ontwikkelen we met input van onze inwoners, medewerkers, (maatschappelijke) partners en aanbieders. Met hen verkennen we wat behoeften, toekomstbeelden, kansen en prioriteiten zijn.

We schetsen een gedeeld toekomstperspectief en een gezamenlijk beeld voor de toekomstige inclusieve inrichting van het sociaal domein. De nieuwe visie op het sociaal domein markeert een volgende fase in de transformatie, waarbij we ‘verder bouwen aan de toekomst in het sociaal domein’. De voorliggende startnotitie is de eerste stap in dit proces. Een startnotitie is bedoeld om aan het begin van een (besluitvormings-)proces procedureafspraken vast te leggen. Deze startnotitie beschrijft daarom de opdracht, de op te leveren resultaten, de tijdlijn, de rol van inwoners, medewerkers en onze (maatschappelijke) partners bij het ontwikkelen van de nieuwe visie en de momenten van besluitvorming. De startnotitie bevat nog geen inhoudelijke kaders. Deze worden uitgewerkt in de nieuwe visie op het sociaal domein. Leeswijzer In hoofdstuk 2 gaan we in op wat we verstaan onder het sociaal domein. In hoofdstuk 3 blikken we terug op de voorliggende periode en leggen we uit waarom een nieuwe visie nodig is. Hoofdstuk 4 schetst de huidige stand van zaken, waarna we in hoofdstuk 5 ingaan op de ontwikkelingen. In de hoofdstukken 6 en 7 beschrijven we welke producten we aan het eind van dit proces opleveren en met welke kaders we rekening houden. Hoofdstuk 8 bevat de planning en de wijze waarop we inwoners en partners betrekken bij de visievorming (het participatieplan).

2.

Wat verstaan we onder het sociaal domein?

Het sociaal domein wordt traditioneel benaderd vanuit de gedecentraliseerde wetten. Hieronder vallen de: ▪ Jeugdwet ▪ Wet maatschappelijke ondersteuning ▪ Participatiewet, inclusief armoedebeleid ▪ Wet schuldhulpverlening ▪ Wet inburgering Ook het brede welzijnswerk behoort traditioneel gezien tot het sociaal domein. Onze gemeente is namelijk vanuit de hierboven genoemde wetten opdrachtgever voor het brede welzijnswerk. We zijn ons er echter steeds meer van bewust dat we het sociaal domein niet meer op deze manier kunnen benaderen. Het sociaal domein staat immers niet op zichzelf. Wonen, werken, leren, leven, ontmoeten, bewegen, zorgen (voor) en recreëren beïnvloeden het welzijn van inwoners. Anders gezegd: inwoners gaan door alle domeinen heen. Hetzelfde geldt voor de opgaven die we op ons af zien komen. Een meer integrale benadering draagt niet alleen bij aan preventie en welbevinden, maar ook aan een gezond onderwijsklimaat en een prettige en veilige plek om te wonen en op te groeien. We zien daarmee een sterke verbondenheid

3

met de domeinen onderwijs, economie, ruimtelijke ontwikkeling en openbare orde en veiligheid. Om deze reden plaatsen we op voorhand geen nieuw ‘hek’ om het sociaal domein.

3.

Waarom doen we dit?

Sinds 2015 hebben we, door overheveling van taken vanuit de rijksoverheid, een grote(re) verantwoordelijkheid gekregen op het gebied van ondersteuning en hulp voor inwoners in een kwetsbare situatie, van jong tot oud. Het ging om een grote stelselwijziging: de decentralisaties binnen het sociaal domein. Door meer taken op het gebied van werken, meedoen, welzijn, opgroeien en opvoeden bij de gemeente neer te leggen, zouden inwoners in een vroeger stadium, beter en dichter bij huis geholpen kunnen worden. Zeven beleidsuitgangspunten In 2013 is (vooruitlopend op de decentralisatie) de huidige visie op het huidige visie sociaal domein: sociaal domein ‘een notitie voor een samenhangende maatschappelijke 1. Eigen kracht vormt de agenda’ vastgesteld. Deze visie bevat de koers en de kaders voor de basis. 2. Iedereen kan en mag ‘herinrichting’ van het sociaal domein. De uitgangspunten zijn sindsdien meedoen. de leidraad voor het maken van beleidskeuzes in het sociaal domein. 3. Eén gezin, één plan, één Om de overgang voor inwoners, aanbieders en onze gemeente soepel te regisseur. laten verlopen, is de energie in eerste instantie gericht op het uitvoeren 4. De gemeente stuurt op resultaat. van de gedecentraliseerde taken. Het blijven bieden van de gebruikelijke 5. Uitvoering lokaal, tenzij.... zorg, niemand tussen wal en schip laten vallen en een nieuwe balans 6.

Het budget(plafond) is zoeken in de samenwerking met ketenpartners stond centraal. leidend. Nadat de eerste stof van de transitie was neergedaald kwam de fase van 7. Integrale middeleninzet en sturingsmethoden. transformatie. Met aandacht en door middel van innovaties is gewerkt aan het effectief organiseren van ondersteuning en zorg. Voorbeelden hiervan zijn de vorming van de afdeling sociaal domein, aanpassing van de organisatievorm waarbij medewerkers van (subsidie)partners in dienst van onze gemeente zijn gekomen, multidisciplinair werken en de versterking van de samenwerking met het voorliggend veld. Daarnaast is onder andere op het gebied van schulden(preventie), opgroei- en opvoedproblematiek, dementie en mantelzorgondersteuning ingezet op de beweging van curatief naar preventief. Voorbeelden hiervan zijn de praktijkondersteuners jeugd, voorschools-/ schoolmaatschappelijk werk, en het programma ‘vroeg erop af’ bij betalingsproblemen. Om ook regionale voorzieningen voor onze inwoners optimaal bereikbaar en toegankelijk te laten zijn, wordt in diverse gremia (regionaal) samengewerkt met andere gemeenten, aanbieders en (wettelijke) samenwerkingspartners. Dit is een complex speelveld met veel dynamiek en verschillende belangen. In 2021 is de netwerkstrategie sociaal domein vastgesteld.

Deze strategie is een instrument dat ons focus en handvatten geeft om te handelen in netwerken, zowel lokaal als regionaal. Zie bijlage 1 voor een gedetailleerd overzicht

In 2020 is het interventieplan ‘Grip op het sociaal domein’ vastgesteld. Dit is een belangrijk document gebleken waarmee een scherpe focus is gelegd op normaliseren, preventie, integraal samenwerken en innoveren. Hierdoor is het gelukt de kwaliteit van onze dienstverlening te verhogen en de stijgende kostenontwikkeling in het sociaal domein af te vlakken.

Er gaat veel goed en er is veel bereikt. Waarom is dan een nieuwe visie nodig? Het vertrekpunt voor de transformatie in het sociaal domein is nog actueel. Wel zien we dat de context waarbinnen we de transformatie vormgeven veranderd: de ontwikkelingen en opgaven waar onze samenleving en organisatie voor staan zijn immers anders dan tien jaar geleden (in hoofdstuk 5 gaan we

4

verder in op de ontwikkelingen en opgaven). Ook is in de tussentijd veel ervaring opgedaan, zijn we tegen vraagstukken aangelopen en hebben accentverschuivingen plaatsgevonden. Dit is het moment om deze inzichten, ervaringen en accentverschuivingen tegen het licht te houden en de huidige visie te herijken met de kennis van nu waarbij we ‘verder bouwen aan de toekomst in het sociaal domein’.

4. Waar staan we nu? Vanuit de huidige visie onderscheiden we inwoners in vier groepen. Het grootste deel van de inwoners is zelfredzaam en zelfwerkzaam en redt het zonder directe overheidssteun. Zij nemen initiatief en onderhouden hun eigen netwerk. Slechts een klein deel is kwetsbaar of potentieel kwetsbaar. Het professioneel en informeel vangnet is beschikbaar voor deze inwoners. Deze zijn ondersteunend om de eigen kracht en het eigen netwerk weer op te bouwen. De zelfredzaamheid en zelfwerkzaamheid van inwoners heeft geleid tot veel vrijwilligerswerk, een bloeiend verenigingsleven en vele maatschappelijke activiteiten op het gebied van sport, cultuur, jeugd en welzijn. In aanvulling op de eigen kracht van inwoners wordt de samenleving verder gestimuleerd en gefaciliteerd met een breed aanbod aan direct bereikbare (basis)voorzieningen, zoals basisgezondheidszorg en integrale kindcentra waar kinderen van 0 tot 12 leren en spelen. Uit het onderstaande beeld blijkt dat het goed gaat met onze inwoners. De ondersteuning vanuit de Participatiewet, Jeugdwet en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 is lager dan gemiddeld in Nederland. Het opleidingsniveau van onze inwoners is relatief hoog. Ook is de ervaren gezondheid hoger dan het landelijk gemiddelde. Meer inwoners zijn aangesloten bij een sportvereniging.

Onze inwoners geven meer mantelzorgondersteuning, maar doen minder aan vrijwilligerswerk dan gemiddeld in Nederland.

Bronnen: Waarstaatjegemeente, CBS, Gezondheidsmeter, ABF - Primos, NOC NSF U kunt bij deze bronnen onze data vergelijken met andere gemeenten

5

5.

Welke ontwikkelingen zien we?

5.1

Demografische ontwikkeling Net als in de rest van Nederland verandert ook de bevolkingsopbouw in onze gemeente. Er is sprake van een lichte afname van het aandeel jongeren en een substantiële toename van het aandeel ouderen. De vergrijzing van de bevolking gaat in een sneller tempo dan de vergroening. Op de lange(re) termijn betekent dit dat de beroepsbevolking krimpt. Er gaan dan elke dag meer mensen met pensioen dan dat er van school komen. Ook het vrijwilligers-/ mantelzorgpotentieel neemt hierdoor af.

De vergrijzing zal leiden tot een grotere vraag naar ondersteuning en hulp binnen het sociaal domein. Vooral bij de Wmo zal dit goed voelbaar zijn. Deze ontwikkeling vraagt ons (opnieuw) na te denken over het voorliggend veld, preventie, samenwerking in de wijk en sociale veerkracht. Maar ook over de samenwerking in de arbeidsmarktregio Zuid-Holland Centraal omtrent vraagstukken die gaan over ‘een leven lang ontwikkelen’, onbenut arbeidspotentieel en integrale arbeidsmarkttoeleiding.

5.2

Kostenontwikkeling in het sociaal domein Door de decentralisaties zijn niet alleen de taken maar is ook het financiële risico bij gemeenten neergelegd. Het idee achter de decentralisaties is dat het beter en ook goedkoper kan. Het budget voor de uitvoering is daarom aanzienlijk verkleind. Tegenover deze zogenoemde efficiencykorting hebben we de vraag naar ondersteuning in de Wmo en jeugdhulp juist zien stijgen. Vanaf 2021 is de kostenstijging afgevlakt, door inzet van het interventieplan ‘Grip op het sociaal domein Pijnacker-Nootdorp’.

kostenverloop Sociaal domein 30,0 20,0 10,0

Jeugdzorg

Wmo

2021

2020

2019

2018

2017

2016

2015

0,0

Er bestaat geen volledig beeld van de financiële ontwikkeling naar de toekomst toe (inkomsten versus uitgaven). Drie belangrijke ontwikkelingen hierbij zijn:

Participatie

De herverdeling van het gemeentefonds. Tot en met 2025 zijn de inkomsten uit het gemeentefonds redelijk voorspelbaar. Na 2026 is dit onzeker. De (landelijke) Hervormingsagenda Jeugd 2022-2028 moet leiden tot verbetering van de hulpverlening en een financieel beheersbaar en duurzaam jeugdstelsel. Deze gaat gepaard met een bezuiniging die oploopt tot ruim € 800.000 vanaf 2025. Ook zal de hervormingsagenda een inhoudelijke opgave met zich mee kunnen brengen. De groei van het aandeel ouderen is de komende vijftien jaar in onze gemeente hoger dan de landelijke trend. Ook regionaal gezien groeit het aandeel ouderen in onze gemeente sterker dan bij de regiogemeenten (alleen in MiddenDelfland is deze groei sterker). Hoe zich dit financieel vertaalt is op dit moment nog niet bekend.

Aandeel 65+ers ten opzichte van de totale bevolking

6

5.3

Meer taken voor gemeenten

De taken waar de gemeenten voor staan nemen toe, worden steeds belangrijker en ook ingewikkelder. Na de decentralisaties van de Jeugdwet, de Wmo en de Participatiewet zijn ook de Wet inburgering en beschermd wonen en beschermd thuis (verder) gedecentraliseerd. Daarnaast weet de rijksoverheid de infrastructuur van gemeenten en regio’s steeds meer te vinden voor ad hoc vraagstukken1. De verwachting is dat gemeenten in het komende decennium nog meer taken op hun bordje gaan krijgen. Een actueel voorbeeld is de hoge instroom van vluchtelingen in Nederland. De rijksoverheid is momenteel bezig met de zogenaamde spreidingswet om het structurele en nijpende tekort aan opvangplekken voor asielzoekers in Nederland op te lossen. Gemeenten zullen hierdoor mogelijk ook taken gaan krijgen voor asielopvang. Op de lange termijn zal de toename van het aantal ouderen en de krimp van de beroepsbevolking vragen om fundamentele hervormingen in systemen (zoals Wet langdurige zorg, Zorgverzekeringswet, onderwijs, arbeidsmarkt etc.). Bij het werken aan deze complexe (lokaal overstijgende) maatschappelijke vraagstukken wordt de beïnvloeding (gedragsverandering) van de zorgsector als grote uitdaging gezien. Dit maakt dat een visie en sturing op de samenwerking in (regionale) netwerken steeds belangrijker wordt.

Dit vraagt ons (opnieuw) na te denken over onze positie en strategie in (regionale) samenwerkingsverbanden.

5.4

Veranderende samenleving

In de afgelopen decennia is autonomie van het individu steeds belangrijker geworden. Ontwikkelingen als individualisering, technologie, globalisering, digitalisering en social media hebben hieraan bijgedragen. Dit heeft ons wereldbeeld en de manier van omgaan met elkaar veranderd. We zien een paradox ontstaan: enerzijds zijn we gelukkiger dan ooit, is de welvaart hoger, de rijkdom groter en levenskwaliteit verbeterd. Anderzijds is de norm voor wat we als een ‘normale’ ontwikkeling zien steeds kleiner geworden, we tolereren problemen in mindere mate en wordt er meer waarde gehecht aan (individuele) prestaties2. Momenteel ervaren vier op de tien mensen in Nederland mentale problemen gedurende het leven, en dit aantal neemt nog steeds toe. Lezing van Damiaan Denys aan de medewerkers van SD Ook is de kijk naar de rol van de overheid bij het oplossen van problemen veranderd. De overheid heeft dit (in het verleden) mede gefaciliteerd en gestimuleerd door financiering, het introduceren van het ‘recht op zorg’ en de nadruk op laagdrempelige toegang. De betaalbaarheid van zorg en capaciteitsproblemen baren zorgen. Dit vraagt ons na te denken over meer collectieve oplossingen en het verbreden van normaliseren (naar volwassenen en ouderen).

Daarnaast zien we dat er grote verschillen bestaan in de samenleving en dat deze verschillen groeien. Het gaat hierbij niet alleen om sociaaleconomische ongelijkheid maar ook om een toenemende kansenongelijkheid, zeker ook wat betreft gezondheid, gezonde leefstijl, levensverwachting en gezonde levensjaren. We zien een toename van het aantal chronische zieken en een groter wordende groep mensen die minder toegerust is op basisvaardigheden (lezen, schrijven en digitale vaardigheden). Ook wordt het voor sommige inwoners steeds moeilijker de verschillen te overbruggen. Ook landelijk wordt deze problematiek gesignaleerd. Deze thema’s met ambities zijn verwoord in het Integraal Zorgakkoord (IZA) en het Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA). Het GALA bevat afspraken over het bereiken van een gezonde generatie in 2040: weerbare, gezonde mensen die opgroeien, leven, werken en wonen in een gezonde leefomgeving met een sterke sociale basis. Dit biedt het fundament voor samenhangend (lokaal) gezondheidsbeleid.

1 Denk hierbij aan kindertoeslagenaffaire, de inkomensondersteuning aan ondernemers gedurende de coronapandemie, de uitbetaling

van de energietoeslag aan huishoudens met een laag inkomen, de opvang van vluchtelingen uit Oekraïne, dienstverlening aan werkzoekenden via de arbeidsmarktregio’s en de spreiding van asielzoekers ter ontlasting van de asielketen. 2 Bron: Damiaan Denys, het tekort van het teveel – de paradox van de mentale zorg.

7

6.

Welke producten gaan we opleveren?

6.1

Visie op het sociaal domein

De nieuwe visie op het sociaal domein biedt een gedeeld toekomstperspectief waarin de richting en de keuzen voor het sociaal domein op strategisch niveau (bij raad, college en directie), op tactisch niveau (bij teamleiders en beleidsadviseurs), op uitvoerend niveau (bij in- en externe uitvoerders) en voor onze partners en inwoners te begrijpen zijn. De visie moet enthousiasmeren en houvast bieden. De visie is een leidraad voor ons handelen, die aansluit bij de veranderende samenleving en passend is bij de toekomstige ontwikkelingen in Pijnacker-Nootdorp. De visie gaat over de ambitie en de gewenste maatschappelijke effecten. Hoe we deze gaan bereiken en welke activiteiten hiervoor nodig zijn wordt vertaald in een uitvoeringsagenda en vervolgens uitgewerkt in diverse acties, projecten en beleidsproducten (denk hierbij aan beleidsplannen, verordeningen, beleidsregels, contracten en subsidieafspraken). De afgelopen jaren hebben laten zien dat onvoorziene gebeurtenissen vragen om aanpassingsvermogen en flexibiliteit. Gebeurtenissen als een covidpandemie, inkomens die wegvallen, dreigende onderwijsachterstanden, overbelasting van zorg, energiecrisis, toestroom van vluchtelingen, stilvallen van woningbouw etc. vragen om een visie die voldoende robuust en flexibel is om mee te bewegen in de continue dynamiek van onze maatschappij.

De visie dient als kompas waarmee we in staat zijn om het oog op onze bestemming te houden, om het ‘veld’ te overzien en om gaandeweg het optimale pad te vinden.

6.2

Uitvoeringsagenda

De implementatie van de nieuwe visie kost tijd en vraagt energie en aandacht van medewerkers, het management, maatschappelijke partners en aanbieders. Dit is niet zomaar van de ene op de andere dag gerealiseerd. Zeker niet in de huidige tijd waarin de vraag van inwoners groeit, hoge eisen worden gesteld aan de dienstverlening, sprake is van een krappe arbeidsmarkt en veel ad hoc vragen3 worden gesteld. De implementatie vraagt dan ook om een realistische planning en prioritering van acties, projecten en beleidsproducten. Hiervoor stellen we een meerjarige uitvoeringsagenda op. Met de uitvoeringsagenda: (1.) agenderen we de acties, projecten en beleidsproducten (denk hierbij aan beleidsplannen, verordeningen, beleidsregels, contracten en subsidieafspraken), (2.) maken we een meerjarige planning op basis van prioriteiten en (3.) zorgen we voor richting en brengen we samenhang aan in de uitwerking. In de uitvoeringsagenda is aandacht voor de uitvoerbaarheid van beleid (waaronder de beschikbaarheid van financiën en de inzet van personeel) en de menselijke maat daarin.

Een drietal zaken die in ieder geval vanuit de uitvoeringsagenda worden uitgewerkt zijn (1.) een onderzoek naar de verbetermogelijkheden met betrekking tot de informatievoorziening richting de raad, (2.) herijking van de netwerkstrategie uit 2019 en (3.) de wijze waarop de visie op het sociaal domein input kan geven voor de uitwerking van de omgevingsprogramma’s vanuit de Omgevingswet.

3 De opvang van de Oekraïense vluchtelingen, afwikkeling van de Kinderopvang toeslag affaire, toestroom van extra vluchtelingen en de

uitkering van energietoeslag

8

7.

Met welke kaders houden we rekening?

Bij het ontwikkelen van de nieuwe visie op het sociaal domein houden we rekening met de kaders in: De omgevingsvisie In de omgevingsvisie is opgenomen dat Pijnacker-Nootdorp in 2050 een inclusieve gemeente is. Dat betekent dat iedereen op zijn of haar eigen wijze meedoet in de samenleving. Door ieders talenten naar vermogen aan te spreken staat er niemand aan de kant. De eigen kracht van inwoners en het omzien naar elkaar is de basis voor de gemeenschap en wordt gestimuleerd en gefaciliteerd in zowel de fysieke als sociale leefomgeving.

Het raadsakkoord op hoofdlijnen 2022-2026 De zorg en ondersteuning dienen zich in het nieuwe visiedocument met name te richten op mensen met psychische problemen, jongeren, ouderen, mantelzorgers, vrijwilligers en mensen uit de LHBTIQ+ gemeenschap. Belangrijke (nieuwe) thema’s die daarbij aan de orde moeten komen zijn in ieder geval het vergroten van bestaanszekerheid, (kinder-)armoedebeleid, sociale cohesie, kansengelijkheid, inclusie, antidiscriminatie, vluchtelingenbeleid, ondersteuning van gezinnen (één plan, één gezin), dementie, normaliseren, respijtzorg en positieve gezondheid. In dit concept wordt gezondheid niet meer gezien als de af- of aanwezigheid van ziekte, maar als het vermogen van mensen om met de fysieke, emotionele en sociale levensuitdagingen om te gaan en zoveel mogelijk eigen regie te voeren.

In het hoofdlijnenakkoord zijn door de raad drie belangrijke nieuwe thema’s meegegeven die in de visie aan de orde moeten komen. Dit zijn: (1.) het versterken van de bestaanszekerheid, (2.) het vergroten van de kansengelijkheid en (3.) het stimuleren van positieve gezondheid. Bestaanszekerheid is niet alleen de zekerheid van voldoende en voorspelbaar inkomen. Ook zekerheid om betaalbaar te wonen, toegang tot betaalbare zorg en de mogelijkheid om een financiële buffer op te bouwen voor onverwachte uitgaven zijn noodzakelijke voorwaarden om de rust en ruimte te vinden die nodig is om je als mens te ontwikkelen en mee te doen in de samenleving. Kansengelijkheid is dat iedereen met dezelfde talenten evenveel kans moet kunnen maken op de ontwikkeling hiervan, onafhankelijk van sekse, sociaaleconomische status, etnische achtergrond en gezondheid. Positieve gezondheid is een benadering waarbij gezondheid niet meer alleen wordt gezien als de af- of aanwezigheid van ziekte, maar als het vermogen van mensen om met de fysieke, emotionele en sociale levensuitdagingen om te gaan en zoveel mogelijk eigen regie te voeren.

8.

Participatieplan

In dit hoofdstuk is uitgewerkt hoe wij tot de nieuwe visie komen en hoe wij vorm geven aan de participatie. Dit hoofdstuk is uitgewerkt volgens de richtlijnen van het concept participatiebeleid van de gemeente PijnackerNootdorp.

8.1

Participatiescan

8.1.1

Wie zijn de belanghebbenden?

De nieuwe visie op het sociaal domein is van invloed op inwoners, cliënten, subsidiepartners, overige partners, aanbieders en onze interne organisatie. De visie op het sociaal domein ontwikkelen we dan ook samen met inwoners (belangenverenigingen), medewerkers, (maatschappelijke)partners en aanbieders. Welke doelgroepen en partijen we hiervoor uitnodigen leest u in paragraaf 8.2.2.

Participatie is het betrekken van inwoners en stakeholders bij beleidsontwikkeling

9

8.1.2

Welke impact heeft de beleidsontwikkeling?

De nieuwe visie richt zich met name op de strategische ambities en doelen. Het betreft beleid op gemeentelijk schaalniveau en heeft een breed/ groot maatschappelijk belang. Het betreft daarom een groot participatietraject. In deze fase, waarin de strategische visie wordt ontwikkeld, is de impact voor inwoners, cliënten, subsidiepartners, overige partners en aanbieders nog relatief klein tot gemiddeld. In de volgende fase, waarin de visie verder wordt geconcretiseerd in diverse beleidsproducten, zal deze impact gro(o)t(er) zijn.

8.1.3

Welke rollen hebben het college en de raad?

De nieuwe visie op het sociaal domein bevat straks een met-in-door de raad gemaakte afspraken over de gewenste toekomstrichting voor het sociaal domein. Het college is verantwoordelijk voor de uitvoering hiervan. De visie geeft raadsleden houvast bij het nemen van allerlei beslissingen. De nieuwe visie is geen verordening of wet. Er staan geen voorschriften, geen verboden of geboden in waar men zich juridisch aan moet houden. De visie maakt aan iedereen de gekozen richting duidelijk, zodat we van elkaar weten welke kant we op willen. Mochten we in de toekomst van die richting af willen wijken, dan mag dat.

Drie bekende rollen voor raadsleden Uiteindelijk stelt de raad (als beslisser) de nieuwe visie vast. Er is ongeveer een jaar nodig om deze op te stellen. Gedurende dat (participatie-)proces hebben raadsleden de bekende drie rollen: volksvertegenwoordiger, kadersteller, controleur. Cruciaal voor de visie is dat alles wat ertoe doet ook wordt afgewogen in het visieproces. Luisteren, rondkijken, lezen zijn voor een raadslid dus uiterst belangrijk. Daar ligt de mogelijkheid om invulling te geven aan de rol van volksvertegenwoordiger van de Pijnacker-Nootdorpse samenleving. Er wordt een themabijeenkomst georganiseerd waarbij de raadsleden zelf kunnen participeren en zij ontvangen een uitnodiging om als toehoorder aanwezig te zijn bij een conferentie in het najaar van 2023. Met de vaststelling van deze bestuurlijke startnotitie geeft de raad kaders mee aan het college voor de uitvoering van het visieproces. De vastgestelde kaders vormen ook de criteria op basis waarvan de raad kan controleren of het visieproces goed verloopt of dat bijsturing nodig is. Daar ligt de controlerende rol tijdens het visieproces. Maar ook na vaststelling van de visie is er een controlerende rol voor de raad. Het gaat dan om de beoordeling of toekomstige raadsbesluiten in lijn zijn met de vastgestelde visie.

8.1.4

Wat hebben we nodig?

Benodigd incidenteel budget Projectondersteuning € 40.000 Organisatie bijeenkomsten en conferentie € 15.000 Communicatie € 10.000 Post onvoorziene kosten € 10.000 Totaal € 75.000

8.2

Participatieplan

8.2.1

Wat is het doel van de participatie?

De ontwikkeling van de nieuwe visie wordt zoveel mogelijk uitgevoerd binnen bestaande capaciteit. Voor het uitvoeren van het participatieplan vragen we incidenteel budget voor projectondersteuning, het organiseren van themabijeenkomsten en de conferentie, communicatie en een post onvoorziene kosten.

Participatie is een belangrijk onderdeel bij beleidsontwikkeling. Participatie zorgt voor verbinding tussen de gemeente en de samenleving. Met de kennis, kunde en kracht van inwoners, cliënten, subsidiepartners, (maatschappelijke-)partners, ketenpartners, aanbieders en onze eigen uitvoeringsorganisatie krijgen we beter zicht op de ideeën, behoeften, toekomstbeelden, kansen en prioriteiten van de diverse doelgroepen en partijen binnen de gemeente. Hierdoor ontstaat er een gedragen beeld voor de richting en de keuzen in het sociaal domein en kunnen belangen integraal worden afgewogen.

10

8.2.2 Doelgroep Organisaties

Met wie gaan we in gesprek?

Inwoners ▪ Inwoners ▪ Cliënten ▪ Wijkverenigingen ▪ Adviesraad SD ▪ Sportplatform ▪ Sportverenigingen ▪ KBO – PCOB (ouderenbonden) ▪ Alzheimer DWO ▪ Kerkenzorg ▪ JONGdoetmee ▪ Oudersraad ▪ Pleegouderraad Jeugdformaat ▪ Gezinshuisouders ▪ COC Haaglanden ▪ Stichting IDB

Subsidiepartners ▪ SBJ samen sterk ▪ SWOP ▪ Bibliotheek Oostland ▪ Gro-up ▪ Team for talent ▪ Humanitas ▪ Schuldhulpmaatj e ▪ GGD ▪ JGZ ▪ Young connection ▪ MEE ▪ Jong perspectief ▪ Bureau HALT

Overige partners ▪ Scholen ▪ Kinderopvang ▪ Woningbouwcorporaties ▪ Huisartsen ▪ Regiogemeenten ▪ Servicebureau Jeugdhulp Haaglanden ▪ PPO Delflanden ▪ VO Delflanden ▪ Veiligheidshuis\ OM ▪ Politie ▪ DSW ▪ Voedselbank ▪ Stichting leergeld

Aanbieders* ▪ Ipse de Bruggen ▪ Pieter van Foreest ▪ GGZ Delfland ▪ Ellen Titre ▪ Mentaal Beter ▪ Pluk de dag ▪ Huis van Rie ▪ Verder in je leven ▪ SW bedrijf Werkse! ▪ SW bedrijf de Binnenbaan

Intern ▪ Kernteams ▪ Team Wmo ▪ Team Participatie ▪ Team SHV ▪ Team leerplicht ▪ Wijkmanagers ▪ Team maatschappelijk beleid ▪ Team ruimtelijk beleid ▪ Gemeentelijk management team ▪ Het college ▪ De raad

* Per domein is gekozen voor de drie grootste aanbieders

**

De stakeholders verhouden zich op verschillende manieren tot de gemeente. Denk hierbij aan rollen als (toekomstige) zorggebruiker, opdrachtnemer, subsidieontvanger, samenwerkings-/ ketenpartner en leverancier. Ook verhoudt de gemeente zich op verschillende manieren tot de stakeholders. Denk hierbij aan opdrachtgever (eindverantwoordelijke), subsidieverstrekker, inkoper, financier, controleur, samenwerkings-/ ketenpartner, regisseur, toegangspoort en huisvester (bijvoorbeeld onderwijshuisvesting). Hierdoor kunnen de belangen conflicterend zijn. We hebben oog voor deze verschillende petten. Dit vraagt om transparantie over wie met welke rol aan tafel zit. De ervaring leert dat de participatie van inwoners bij de beleidsontwikkeling in het sociaal domein lastig te organiseren is. De Adviesraad Sociaal Domein is het formele adviesorgaan. Vanuit een wettelijk kader adviseert zij het college en de raad bij (voorgenomen) beleidsontwikkelingen. Dit doet zij vanuit het perspectief van onze inwoners. Om een nog beter beeld te krijgen van de behoeften, wensen en verwachtingen van inwoners kiezen we voor een participatietraject waarbij we de participatie van inwoners toepassen via consultatie van belangenverenigingen en het voeren van gesprekken met inwoners en cliënten. Samen met de adviesraad sociaal domein gaan we de wijken in om input op te halen bij inwoners.

Daarnaast vindt via de overige stakeholders ‘getrapte participatie’ van inwoners plaats. Onze stakeholders hebben immers dagelijks contact met onze inwoners.

8.2.3

Waarover gaan we in gesprek?

Aan de hand van de onderstaande vragen blikken we terug op de huidige visie (evalueren) en gaan we het gesprek aan over de toekomstige visie. Dit doen we aan de hand van de thema’s bestaanszekerheid, kansengelijkheid en positieve gezondheid. ➢ ➢ ➢ ➢ ➢ ➢ ➢ ➢ ➢ ➢

Wat betekenen de toekomstige ontwikkelingen voor onze samenleving? Wat zijn de belangrijkste veranderingen en opgaven? Wat gaat goed en nemen we mee? Wat is aanvullend nodig als antwoord op veranderingen en opgaven? Welke prioriteiten zien we hierbij? Welke verbindingen moeten we verstevigen of nog leggen? Wat vraagt dit voor de rollen en verantwoordelijkheden van de gemeente, aanbieders, maatschappelijke partners en inwoners? Wat vraagt dit van onze positie en strategie in de regio? Hoe kijken we naar preventie, mantelzorg en het voorliggend veld? Welke groepen zijn kwetsbaar of hebben risico op kwetsbaarheid?

11

➢ ➢ ➢

Wat verstaan we onder zelfredzaamheid? Welke informatie is nodig om te kunnen sturen? Wat mag het kosten? Wat hebben we ervoor over?

8.2.4

Participatieniveau

Hieronder geven we het participatieniveau aan voor de verschillende doelgroepen. Dit geeft aan in hoeverre er ruimte is om mee te weten, mee te denken of mee te werken aan de visie op het sociaal domein. Doelgroep Inwoners

Participatieniveau mee-weten en meedenken

Subsidiepartners

mee-weten, meedenken

Overige partners

mee-weten en meedenken

Aanbieders

mee-weten, meedenken

Intern

mee-weten, meedenken en meewerken

8.2.5

▪ Ophalen van clientervaringen: ▪ Horen wat inwoners en hun belangenorganisaties belangrijk vinden (belangen, wensen en behoeften ophalen) en dit meenemen in de afweging van belangen. ▪ Aanspreken van de kennis en expertise van subsidiepartners; ▪ Horen wat zij belangrijk vinden (belangen, wensen en behoeften ophalen) en meenemen in de afweging van belangen. ▪ Aanspreken van de kennis en expertise van subsidiepartners; ▪ Horen wat de overige partners belangrijk vinden (belangen, wensen en behoeften ophalen) en dit meenemen in de afweging van belangen. ▪ Aanspreken van de kennis en expertise van aanbieders; ▪ Horen wat zij belangrijk vinden (belangen, wensen en behoeften ophalen) en dit meenemen in de afweging van belangen. ▪ Aanspreken van de kennis en expertise van de interne organisatie; ▪ Horen wat zij belangrijk vinden (belangen, wensen en behoeften ophalen). Het (integraal) afwegen van belangen; ▪ Het maken van integrale keuzes.

Aanpak en planning

Participatietraject Fase 1: Ontwerpfase 1. 2. 3.

Januari Maart April

: Intakegesprek college : Besluitvorming college startnotitie : Besluitvorming raad startnotitie

Fase 2: Waardecreatie 4. 5. 6. 7.

April – juli Juni Juli September

: Diepte-interviews stakeholders : Themasessie afd. Sociaal Domein : Themasessie raad : Conferentie sociaal domein

Fase 3: 8.

Oktober- november

9. December 10. Januari - Februari 11. Maart - April

: Opstellen visie sociaal domein + uitvoeringsagenda : Toets stakeholders : Adviesraad Sociaal Domein : Besluitvorming college en raad

De eerste fase is de huidige fase. In deze fase wordt het proces richting de nieuwe visie voorbereid. Het resultaat betreft de voorliggende startnotitie. De tweede fase betreft de fase waarin we onze stakeholders informeren over het proces voor het opstellen van de nieuwe visie. We gaan aan de hand van een gesprekleidraad met hen in gesprek over de ideeën, behoeften, toekomstbeelden, kansen en prioriteiten in het sociaal domein. Dit doen we aan de hand van de thema’s bestaanszekerheid, kansengelijkheid en positieve gezondheid. Voor de raad wordt in juli een themasessie georganiseerd.

Aan de hand van de rode draden en prioriteiten uit deze gesprekken maken we een eerste ruwe schets van de nieuwe visie op het sociaal domein. Deze toetsen we bij de stakeholders via een conferentie in september. De input uit de conferentie gebruiken we om de visie op het sociaal domein verder aan te scherpen. In de derde fase stellen we de nieuwe visie op het sociaal domein op. We streven ernaar om de nieuwe visie op het sociaal domein in april 2024 ter besluitvorming aan de raad voor te leggen.

12

Bijlage 1: Netwerkpartners

13

14

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12527208/1