CConstaterende datPijnacker Nootdorp
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Oplegnotitie Ontwerp-wijziging ODH na Algemeen Bestuur.pdf

Raad Besluitvorming 27 juni 2024, gemeente Pijnacker NootdorpBij agendapunt: 15155599.480 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

OPLEGNOTITIE Aan

Omgevingsdienst Haaglanden

Datum

21 februari 2024

Betreft

Toelichting op Ontwerp-wijziging regeling Omgevingsdienst Haaglanden (versie 21 februari 2024)

Inleiding Het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Delft, Den Haag, Leidschendam-Voorburg, Midden-Delfland, Pijnacker-Nootdorp, Rijswijk, Wassenaar, Westland en Zoetermeer zijn deelnemers in de Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Haaglanden (hierna: Omgevingsdienst Haaglanden). De basis voor de publiekrechtelijke samenwerkingsvorm is de Wet gemeenschappelijke regelingen (hierna: Wgr). Op 1 juli 2022 is een wijziging van de Wgr in werking getreden. Deze wijziging heeft als voornaamste doelstelling de democratische legitimatie van gemeenschappelijke regelingen te versterken. Dit geschiedt via een versterking van de kaderstellende en controlerende rollen van de gemeenteraden, provinciale staten en algemene besturen van waterschappen. Een aantal van deze wijzigingen is op 1 juli 2022 direct in werking getreden, maar een ander deel zal binnen twee jaar na inwerkingtreding verwerkt moeten worden in alle gemeenschappelijke regelingen, waaronder in de gemeenschappelijke regeling van Omgevingsdienst Haaglanden. Dit vergt een besluit van de deelnemers in de regeling. Zij hebben daarvoor toestemming nodig van hun vertegenwoordigende organen. In dit geval: provinciale staten en de gemeenteraden.

In dit wijzigingsbesluit is verder een aantal technische verbeteringen doorgevoerd en een aantal wijzigingen naar aanleiding van de op 1 januari 2024 in werking getreden Omgevingswet. Deze oplegnotitie bevat een toelichting op de wijzigingen die in de gemeenschappelijke regeling van Omgevingsdienst Haaglanden nodig zijn en worden voorgesteld aan de deelnemers. De juridische vertaling is weergegeven in een ontwerpwijziging van de regeling (bijlage). Voorgesteld wordt om de tekst van de gemeenschappelijke regeling integraal te herzien. Aan het einde van deze oplegnotitie is een was-wordt tabel opgenomen. 1. Proces wijziging gemeenschappelijke regeling Het dagelijks bestuur legt de wijziging eerst voor aan het algemeen bestuur in mei 2024. Vervolgens worden provinciale staten en de gemeenteraden in de gelegenheid gesteld om binnen 8 weken zienswijzen over de ontwerpwijziging van de gemeenschappelijke regeling in te brengen bij gedeputeerde staten en de colleges. Indien provinciale staten en de gemeenteraden geen zienswijze naar voren wensen te brengen stellen zij gedeputeerde staten en de colleges van hier zo spoedig mogelijk van op de hoogte. 1

Na ontvangst en verwerking van de zienswijzen, besluit het algemeen bestuur tot een definitief wijzigingsvoorstel dat vervolgens (wederom) aan provinciale staten en de gemeenteraden zal worden voorgelegd, ditmaal om toestemming te verlenen. Dit betekent dat zij twee keer in het proces tot wijziging van de gemeenschappelijke regeling worden betrokken. De regeling van Omgevingsdienst Haaglanden kan worden gewijzigd indien tweederde van het aantal deelnemers daartoe besluit. Nadat provincie staten en de raden hebben besloten over de toestemming, moet dit besluit worden toegezonden aan gedeputeerde staten respectievelijk de colleges. Gedeputeerde staten en de colleges nemen ten slotte het definitieve besluit tot wijziging van de gemeenschappelijke regeling. Nadat gedeputeerde staten en alle colleges besloten hebben is de gemeenschappelijke regeling tot stand gekomen. De besluiten moeten worden bekendgemaakt alvorens zij in werking treden. 2. Wijzigingen van de Wet gemeenschappelijke regelingen De belangrijkste wijzigingen zijn: 1. Het versterken van de positie van provinciale staten en gemeenteraden bij besluitvorming; a. Invoeren zienswijzeprocedure bij treffen (en wijzigen) regeling b. Mogelijkheid zienswijzeprocedure bij andere besluiten dan de ontwerpbegroting c.

Regionale gemeenschappelijke adviescommissie

d. Afspraken over participatie in de gemeenschappelijke regeling e. Actieve informatieplicht van het bestuur van de regeling 2. Het invoeren/verduidelijken van controle-instrumenten; a. Recht van enquête b. Verduidelijking onderzoeksbevoegdheid lokale rekenkamers 3. Het verbeteren van de positie van provinciale staten en gemeenteraden met betrekking tot het functioneren van de regeling; a. Afspraken over evaluatie b. Betere aansluiting begrotingscyclus op gemeentelijke cyclus c.

Aanscherping afspraken uittreding

3. Gevolgen voor de gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Haaglanden 1a. Invoeren zienswijzeprocedure bij treffen (en wijzigen) regeling Om de positie van de besturen van de deelnemers te verbeteren wordt aan de Provinciale staten en de gemeenteraden het recht toegekend om bij het treffen of wijzigen van een gemeenschappelijke regeling een zienswijze naar voren te brengen. Zij kunnen hun opvattingen over een ontwerpregeling binnen acht weken kenbaar maken bij hun college of gedeputeerde staten. Gevolgen voor Omgevingsdienst Haaglanden: geen aanpassing verplicht, wel duidelijk. Deze wijziging volgt rechtstreeks uit de Wgr. De bepaling (opgenomen in artikel 51 van de Wgr) is op 1 juli 2022 direct in werking getreden. Vanwege deze bepaling wordt nu eerst een 2

ontwerpwijziging van de regeling aan provinciale staten en de gemeenteraden voorgelegd voor zienswijzen (zie paragraaf 1). Voor de duidelijkheid van de procedure van wijziging van de gemeenschappelijk regeling is ervoor gekozen om in artikel 31 (nieuw) een lid toe te voegen (lid 4) waarin staat dat provinciale staten en gemeenteraden bij het dagelijks bestuur hun zienswijzen binnen acht weken na ontvangst van de ontwerpregeling naar voren kunnen brengen. 1b. Zienswijzeprocedure bij andere besluiten dan de ontwerpbegroting De mogelijkheid om bepaalde besluiten van het samenwerkingsverband aan zienswijzen te onderwerpen bestond al. Nieuw is dat het nu een verplichting is hieromtrent een afweging te maken in de gemeenschappelijke regeling. Ook wanneer géén zienswijzen worden gebruikt, moet dit in de gemeenschappelijke regeling geregeld worden (artikel 52, eerste lid jo. artikel 10, vijfde en zesde lid Wgr). Gevolgen voor Omgevingsdienst Haaglanden: voorstel wijziging artikel 32 (nieuw) Het wijzigingsvoorstel bevat hiertoe een nieuw lid in artikel 32 (nieuw) van de regeling. Voorgesteld wordt dat een besluit tot opheffing niet wordt genomen voordat provinciale staten en de gemeenteraden gedurende twaalf weken in de gelegenheid zijn gesteld om schriftelijk op de voorgestelde opheffing hun zienswijze ter kennis te brengen. 1c.

Regionale gemeenschappelijke adviescommissie Provinciale staten en gemeenteraden krijgen de mogelijkheid om een regionale gemeenschappelijke adviescommissie in te laten stellen bestaande uit leden van de betreffende bestuursorganen. Een eventuele gemeenschappelijke adviescommissie is onderdeel van de gemeenschappelijke regeling en wordt daarom ingesteld door het algemeen bestuur. De adviescommissie kan het algemeen bestuur adviseren, de besluitvorming voorbereiden en provinciale staten en gemeenteraden van advies voorzien. Het algemeen bestuur van een gemeenschappelijke regeling (openbaar lichaam) is verplicht om de commissie in te stellen als hier unaniem om gevraagd wordt (artikel 52, eerste lid jo. artikel 24a Wgr). Alleen leden van de betreffende bestuursorganen kunnen in de commissie zitting hebben. Gevolgen voor Omgevingsdienst Haaglanden: Geen aanpassing nodig Deze wijziging volgt rechtstreeks uit de Wgr. De bepaling is op 1 juli 2022 direct in werking getreden. 1d. Afspraken over burgerparticipatie Participatie bij beleid wordt steeds belangrijker gevonden in Nederland. In elke GR moet daarom worden opgenomen op welke wijze ingezetenen én belanghebbenden de mogelijkheid krijgen tot inspraak over beleidsmatige onderwerpen die bij de gemeenschappelijke regeling zijn belegd (artikel 52, eerste lid jo. artikel 10, zevende lid Wgr).

Gevolgen voor Omgevingsdienst Haaglanden: aanpassing nodig. Het bestuur van Omgevingsdienst Haaglanden stelt zelf geen beleid of verordeningen vast die ingezetenen binden. Omgevingsdienst Haaglanden is vooral een uitvoeringsgerichte gemeenschappelijke regeling. De uiteindelijke (extern werkende) beleidskeuzes liggen bij de 3

vertegenwoordigende organen. Burgerparticipatie verloopt primair via deze vertegenwoordigende organen, maar het algemeen bestuur kan overwegen om in bepaalde gevallen toch burgerparticipatie toe passen. Omdat het bestuur van de Omgevingsdienst Haaglanden geen beleid of verordeningen vaststelt die zich lenen voor burgerparticipatie, wordt aan artikel 10 een derde lid toegevoegd dat bij besluiten van het algemeen bestuur de reguliere procedures via de deelnemers kunnen worden doorlopen. 1e. Actieve informatieplicht Het bestuur van de gemeenschappelijke regeling heeft een actieve informatieplicht over wat er binnen de regeling speelt. Deze informatieplicht komt overeen met de informatieplicht die het college van gedeputeerde staten heeft ten opzichte van provinciale staten en het college heeft ten opzichte van de gemeenteraad. In de gemeenschappelijke regeling moeten afspraken worden gemaakt over welke informatie moet worden aangeleverd en de wijze waarop dat moet gebeuren (artikel 52, eerste lid jo. artikel 17 Wgr). Gevolgen voor Omgevingsdienst Haaglanden: geen directe aanpassing nodig. De regeling van Omgevingsdienst Haaglanden kende in artikel 16, 17 en 18 al de informatie- en verantwoordingsmogelijkheden. Er wordt bij de informatieverstrekking geen onderscheid gemaakt tussen het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter.

De regeling kende zowel een actieve als een passieve informatieplicht. In de regeling is opgenomen dat het reglement van orde bepaalt op welke wijze uitvoering wordt gegeven aan de informatieplicht. In het tweede en in het derde lid is verduidelijkt dat de inlichtingen ‘schriftelijk’ verstrekt worden. Aan artikel 16 is verder toegevoegd dat enkele stukken actief openbaar worden gemaakt overeenkomstig de Wet open overheid. Hoewel dit onderdeel van de Woo nog wel in werking moet treden, is het goed dit alvast te regelen. En hoewel er in juridisch opzicht voor gekozen kan worden voor uitgestelde inwerkingtreding van deze bepalingen tot inwerkingtreding van de Woo, adviseren wij toch om alle informatie die gereed en geschikt is voor actieve openbaarmaking, ook actief openbaar te maken. Er is geen praktisch verschil met juridische gevolgen als dat nu wordt gedaan of als daarmee wordt gewacht tot de inspanningsverplichting een ‘echte’ verplichting wordt. Er kan dan ook worden gekozen voor directe inwerkingtreding van deze bepalingen. 2a. Recht van enquête Op grond van artikel 155g van de Gemeentewet en artikel 151g van de Provinciewet krijgen gemeenteraden respectievelijk provinciale staten de mogelijkheid om een enquête uit te voeren naar de bestuursvoering van een gemeenschappelijke regeling. Dat kan door zelf een regionale onderzoekscommissie in te stellen.

Daarvoor is een unaniem besluit nodig van alle raden en provinciale staten. Gevolgen voor Omgevingsdienst Haaglanden: geen aanpassing nodig. Deze bevoegdheid volgt rechtstreeks uit de Gemeentewet en Provinciewet. Aanpassing van de regeling is dus niet nodig. 2b. Verduidelijking onderzoeksbevoegdheid lokale rekenkamers Rekenkamers zijn al bevoegd onderzoek te verrichten bij gemeenschappelijke regelingen, inlichtingen in te winnen, documenten te vorderen en indien nodig bij de betrokken instelling 4

een onderzoek in te stellen. In de Wgr wordt verduidelijkt dat de lokale rekenkamers, waaronder gezamenlijke rekenkamers, de mogelijkheid hebben om onderzoek te doen naar het gevoerde bestuur van een gemeenschappelijke regeling waaraan provincies, gemeenten en waterschappen deelnemen. Gevolgen voor Omgevingsdienst Haaglanden: Geen aanpassing nodig. Deze bevoegdheid volgt rechtstreeks uit de Wgr. 3a. Afspraken over evaluatie Het wordt verplicht om afspraken te maken over evaluatie van de gemeenschappelijke regeling om op die manier stil te staan bij het functioneren van de regeling. Er kan ook worden gekozen voor de afspraak om de regeling niet te evalueren (artikel 52, eerste lid jo. artikel 11a Wgr). Gevolgen voor Omgevingsdienst Haaglanden: aanpassing nodig. De gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Haaglanden bevat nog geen bepaling over evaluatie van de regeling. Daarom wordt daarover nu in artikel 35 (nieuw) een lid toegevoegd die een evaluatie van de regeling mogelijk maakt. 3b. Aanpassing van de begrotingscyclus Bijdragen aan een gemeenschappelijke regeling zijn verplichte uitgaven voor de deelnemers die moeten worden verwerkt in de eigen begroting.

Om provinciale staten en gemeenteraden meer positie te geven in de begrotingscyclus van een gemeenschappelijke regeling is ervoor gekozen de termijnen voor de indiening van de kadernota, ontwerpbegroting en begroting aan te passen. De cyclus start met de kadernota. Deze moet nu uiterlijk 30 april door het dagelijks bestuur naar provinciale staten en de raden worden verzonden (dat was voorheen 15 april). De volgende stap is het door het dagelijks bestuur toezenden van de ontwerpbegroting aan provinciale staten en de gemeenteraden. Dit moet twaalf weken voordat zij aan het algemeen bestuur wordt aangeboden. Dat was voorheen acht weken. Nieuw is verder dat het voortaan verplicht is te reageren op de ingediende zienswijzen. Het dagelijks bestuur moet schriftelijk én gemotiveerd terugkoppelen wat het van de zienswijzen vindt en tot welke conclusie dat heeft geleid. De procedure gaat dan verder met de vaststelling van de ontwerpbegroting. Daarin verandert niets. Wat wel nog verandert, is dat de inzending van de vastgestelde begroting aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voortaan niet meer vóór 1 augustus hoeft te geschieden, maar vóór 15 september. Gevolgen voor Omgevingsdienst Haaglanden: aanpassing nodig. De gemeenschappelijke regeling dient te worden aangepast aan de nieuwe termijnen uit de Wgr.

Dit is terug te vinden in artikel 24, 25 en 26 (nieuw) van de regeling. 3c. Aanscherping afspraken uittreding In iedere gemeenschappelijke regeling moeten afspraken worden gemaakt over de gevolgen van uittreden van een deelnemer voor het vermogen voor de rechtspersoon en de overige deelnemers (artikel 52, eerste lid jo. artikel 9, eerste lid Wgr). Daarbij moet in ieder geval worden gedacht aan afspraken over personeel, contracten, huisvesting en investeringen (alle directe kosten). Er kan niet meer worden volstaan met een algemene bepaling dat het algemeen bestuur de uittredingsvoorwaarden bepaalt. 5

Gevolgen voor Omgevingsdienst Haaglanden: aanpassing nodig. Het huidige artikel over uittreding is samengevoegd met het artikel over toetreding. Dit wordt opgesplitst. Het uittredingsartikel bevatte al enkele bepalingen over de financiële en organisatorische gevolgen. Om te voldoen aan de nieuwe Wgr, is artikel 30 (nieuw) slechts licht gewijzigd. Uittreding begint met een unaniem voorstel vanuit het algemeen bestuur, met instemming van alle bevoegde bestuursorganen van de deelnemers (dus zowel gedeputeerde staten, provinciale staten, colleges van burgemeester en wethouders en gemeenteraden). Er is een bepaling toegevoegd dat het dagelijks bestuur de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaarden voor uittreding inventariseert. Het algemeen bestuur stelt uiterlijk zes maanden na moment van uittreding het uittredingsplan vast. De financiële en organisatorische gevolgen stonden al in de regeling en blijven dan ook. 4. Overige wijzigingen Naast bovenstaande wijzigingen en enkele technische wijzigingen is het volgende aangepast in de regeling. Algemene wijzigingen De naam van de gemeenschappelijke regeling en de intitulé worden gewijzigd. Er is immers geen sprake meer van een instellingsbesluit, maar van een (integrale) wijziging. Op verschillende plekken in de regeling staan opsommingen.

Waar deze opsommingen voorkomen, is vaker gebruik gemaakt van een puntkomma (“;”) in plaats van een punt. Wijzigingen in het kader van de Omgevingswet Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. De Omgevingswet bundelt verschillende omgevingsrechtelijke wetten in één wet. Artikel 4 van de regeling is gewijzigd. Daarbij is zoveel mogelijk aangesloten bij het Aanwijsbesluit toezichthouders. Artikel 7 In dit artikel staat aangegeven hoeveel stemmen elke deelnemer heeft. Voorgesteld wordt om voor elke plaatsnaam het woord “Gemeente” te zetten. Dit houdt niet in dat de rechtspersoon “Gemeente” stemmen heeft. Aangezien in de aanhef van het eerste lid al wordt verwezen naar “deelnemer” duidt het op het aantal stemmen van elke deelnemer behorende bij de betreffende gemeente. Ook is in dit artikel de volgorde gewijzigd; eerst op volgorde van aantal stemmen, daarna op alfabetische volgorde. Artikel 25 Om volledig te voldoen aan alle bepalingen over de begrotingscyclus is artikel 25 over de jaarrekening aangevuld met enkele leden. Artikel 29 en 30 (nieuw) De artikelen over toetreding en uittreding zijn gesplitst. Uittreding is hierboven al aan de orde gekomen. In het artikel (artikel 29) over toetreding is een verwijzing naar artikel 51, tweede lid, van de Wgr opgenomen. 6

In het artikel over uittreding (het nieuwe artikel 30) is toegevoegd dat het dagelijks bestuur de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaarden voor uittreding inventariseert. Deze gevolgen dienen uiterlijk zes maanden na het moment van uittreding te worden vastgelegd in een door het algemeen bestuur vast te stellen uittredingsplan. Artikel 31 en 32 (nieuw) De artikelen over wijziging en opheffing zijn gesplitst. Over het wijzigen van de regeling is hierboven al het een en ander besproken. In het artikel over opheffing is de zienswijze opgenomen en zijn bepalingen opgenomen over een liquidatieplan. Artikel 34 (nieuw) De slotbepalingen zijn aangevuld met, naast een bepaling over de evaluatie, bepalingen over de wijze waarop gedeputeerde staten de regeling bekendmaakt. Artikel 35 (nieuw) De citeertitel is verplaats naar een apart artikel.

7

5. Was-wordt-tabel wijziging gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Haaglanden Leeswijzer In de ‘bestaande tekst’ zijn de woorden en leestekens waaraan iets verandert, cursief gezet en onderstreept. In de ‘nieuwe tekst’ zijn de nieuwe woorden en leestekens vet gedrukt. Onder bestaande tekst wordt verstaan de versie van 1 januari 2020 inclusief de wijzigingen uit de vierde wijziging.

De naam van de gemeenschappelijke regeling en de intitulé worden als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Instellingsbesluit van Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Delft, Den Haag, Leidschendam- Voorburg, Midden-Delfland, Pijnacker-Nootdorp, Rijswijk, Wassenaar, Westland en Zoetermeer houdende regels omtrent Omgevingsdienst Haaglanden (Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Haaglanden)

Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Haaglanden

Intitulé Instellingsbesluit van Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Delft, Den Haag, Leidschendam- Voorburg, Midden-Delfland, Pijnacker-Nootdorp, Rijswijk, Wassenaar, Westland en Zoetermeer houdende regels omtrent Omgevingsdienst Haaglanden (Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Haaglanden) Door de Stuurgroep voorgedragen voor besluitvorming in de Colleges Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Delft, Den Haag, LeidschendamVoorburg, Midden-Delfland, Pijnacker-Nootdorp, Rijswijk, Wassenaar, Westland en Zoetermeer, ieder voor zover bevoegd,

Intitulé Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Delft, Den Haag, LeidschendamVoorburg, Midden-Delfland, Pijnacker-Nootdorp, Rijswijk, Wassenaar, Westland en Zoetermeer, ieder voor zover bevoegd, Gelet op hoofdstuk IV van de Wet gemeenschappelijke regelingen, Overwegende dat de gemeenschappelijke regeling is geactualiseerd in verband met de wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen per 1 juli 2022, BESLUITEN: De Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Haaglanden als volgt gewijzigd vast te stellen:

Overwegende dat: • het Rijk, het Interprovinciaal Overleg en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten afspraken hebben gemaakt over de vorming van regionale uitvoeringsdiensten, het takenpakket dat deze diensten in ieder geval moeten gaan uitvoeren en de kwaliteitsnormering van vergunningverlening en handhaving; • de provincie Zuid-Holland en de deelnemende gemeenten op 3 februari 2010 de overeenkomst hebben ondertekend waarin de

8

intentie is uitgesproken om te komen tot de oprichting van een omgevingsdienst in de regio Haaglanden; • de Omgevingsdienst Haaglanden namens de provincie en de deelnemende gemeenten vergunningverlenende, toezichthoudende en handhavingstaken gaat uitvoeren op het gebied van het milieu- en omgevingsdomein; • de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten en gedeputeerde staten van de provincie ZuidHolland zijn overeengekomen een gemeenschappelijke regeling te treffen voor het vormen van een omgevingsdienst. Gelet op: de Wet gemeenschappelijke regelingen, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Provinciewet, de Gemeentewet en de Algemene wet bestuursrecht; de toestemming van provinciale staten van ZuidHolland van 28 maart 2012 de toestemmingen van de gemeenteraden. BESLUITEN: de volgende gemeenschappelijke regeling te treffen onder de naam “Gemeenschappelijke Regeling Omgevingsdienst Haaglanden”:

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

9

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 1. Algemene bepalingen In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder: a. algemeen bestuur: het algemeen bestuur van de omgevingsdienst. b. college: colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten, te weten Delft, Den Haag, Leidschendam-Voorburg, MiddenDelfland, Pijnacker-Nootdorp, Rijswijk, Wassenaar, Westland en Zoetermeer. c. dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van de omgevingsdienst. d. gemeenten: de rechtspersonen waartoe de colleges van burgemeester en wethouders behoren; e. deelnemers: de aan deze gemeenschappelijke regeling deelnemende colleges van burgemeester wethouders en gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holland; f. gedeputeerde staten: gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holland. g. omgevingsdienst: het rechtspersoonlijkheid bezittend openbaar lichaam als bedoeld in artikel 3 van de regeling. h. provinciale staten: provinciale staten van ZuidHolland. i. raden: de raden van de gemeenten. j. regeling: de Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Haaglanden. k. wet: de Wet gemeenschappelijke regelingen.

Artikel 1. Algemene bepalingen In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder: a. algemeen bestuur: het algemeen bestuur van de omgevingsdienst; b. college: de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Delft, Den Haag, Leidschendam-Voorburg, Midden-Delfland, Pijnacker-Nootdorp, Rijswijk, Wassenaar, Westland en Zoetermeer; c. dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van de omgevingsdienst; d. deelnemers: de aan deze gemeenschappelijke regeling deelnemende colleges van burgemeester wethouders en gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holland; e. gedeputeerde staten: het college van gedeputeerde staten van de provincie ZuidHolland; f. gemeenten: de rechtspersonen waartoe de colleges van burgemeester en wethouders behoren; g. omgevingsdienst: het rechtspersoonlijkheid bezittend openbaar lichaam Omgevingsdienst Haaglanden als bedoeld in artikel 3 van de regeling; h. provinciale staten: de provinciale staten van Zuid- Holland; i. raden: de raden van de gemeenten; j. regeling: de Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Haaglanden; k. wet: de Wet gemeenschappelijke regelingen.

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 2. Doelstelling Deze regeling heeft ten doel het ondersteunen van de deelnemers bij de uitvoering van hun taken op het gebied van het omgevingsrecht in het algemeen en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in het bijzonder, alsmede de taken op het terrein van vergunningverlening, handhaving en toezicht op grond van de in artikel 5.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht genoemde wetten.

Artikel 2. Doelstelling Deze regeling heeft ten doel het ondersteunen van de deelnemers bij de uitvoering van hun taken op het gebied van het omgevingsrecht en andere opgedragen taken.

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 3. Instelling 1. Er is een openbaar lichaam, genaamd Omgevingsdienst Haaglanden. 2. De omgevingsdienst is gevestigd op het grondgebied van één van de deelnemende gemeenten.

Artikel 3. Instelling 1. Er is een openbaar lichaam, genaamd Omgevingsdienst Haaglanden, gevestigd in Den Haag. 2. Het openbaar lichaam heeft rechtspersoonlijkheid.

10

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 4. Taken 1. Het verrichten van adviserende, ondersteunende en voorbereidende werkzaamheden op het gebied van de zorg voor het milieu, bouw en RO, één en ander afhankelijk van de per deelnemer af te nemen taken, en de uitvoering van programma’s en projecten voor de deelnemers, waaronder begrepen het voor de gemeenten ontwikkelen en handhaven van een gemeenschappelijk beleid, het aan gedeputeerde staten leveren van technische inbreng, zoals in milieueffectrapporten c.q. door gedeputeerde staten vast te stellen richtlijnen ten behoeve van milieueffectrapportages, het uitvoeren van onderzoek en metingen en het leveren van een bijdrage aan beleidsontwikkeling. 2. Het verrichten van werkzaamheden voor de colleges van de gemeenten, voor zover daartoe mandaat is verleend en met inachtneming van het door de diverse colleges vastgestelde beleid op het gebied van: a. De Omgevingswet b. De Wet milieubeheer, met uitzondering van de titels 10.4 en 10.5. c. De Wet geluidhinder. d. De Wet bodembescherming. e. De handhavings- en toezichtstaken bij of krachtens de onder a tot en met d genoemde wetten. f. Alsmede milieu-, handhavings- en toezichtstaken op grond van andere wet- en regelgeving dan genoemd in onder a tot en met e. 3.

Het verrichten van werkzaamheden voor de colleges van de gemeenten, voor zover daartoe mandaat is verleend en met inachtneming van de van toepassing zijnde provinciale en gemeentelijke regelgeving en het vastgestelde gemeentelijk beleid op het gebied van: a. De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht b. De handhavings- en toezichtstaken bij of krachtens de onder a genoemde wet. c. Alsmede handhavings- en toezichtstaken op grond van andere wet- en regelgeving dan genoemd onder a 4. Het verrichten van werkzaamheden voor gedeputeerde staten, voor zover daartoe mandaat is verleend en met inachtneming van de van toepassing zijnde provinciale en gemeentelijke regelgeving en het vastgestelde gemeentelijk beleid op het gebied van in elk geval: a. De in het tweede lid, onder a tot en met d, en de in het derde lid onder a en b genoemde weten regelgeving, voor zover gedeputeerde staten het bevoegd gezag zijn. b. De provinciale milieuverordening en de omgevingsverordening Zuid-Holland.

Artikel 4. Taken 1. De omgevingsdienst verricht adviserende, ondersteunende en voorbereidende werkzaamheden op het gebied van de fysieke leefomgeving, één en ander afhankelijk van de per deelnemer af te nemen taken, en de uitvoering van programma’s en projecten voor de deelnemers, waaronder begrepen het voor de gemeenten ontwikkelen en handhaven van een gemeenschappelijk beleid, het aan gedeputeerde staten leveren van technische inbreng, zoals in milieueffectrapporten c.q. door gedeputeerde staten vast te stellen richtlijnen ten behoeve van milieueffectrapportages, het uitvoeren van onderzoek en metingen en het leveren van een bijdrage aan beleidsontwikkeling. 2. De omgevingsdienst verricht werkzaamheden voor de deelnemers, voor zover daartoe mandaat is verleend en met inachtneming van het door de deelnemers vastgestelde beleid op het gebied van: a. de Omgevingswet en de op die wet gebaseerde regels; b. de Wet milieubeheer; c. de Natuurschoonwet 1928; d. de Wet vervoer gevaarlijke stoffen; e. de Wet explosieven voor civiel gebruik; f. het Vuurwerkbesluit; g. het Asbestverwijderingsbesluit; h. het Besluit geluidsproductie sportmotoren; i. de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening; j.

de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet bodembescherming, de Wet geluidhinder, de Waterwet, de Woningwet, voor zover deze (op grond van het overgangsrecht van de Omgevingswet) van toepassing blijven; k. de handhavings- en toezichtstaken bij of krachtens de onder a tot en met j genoemde wetten; alsmede l. milieu-, handhavings- en toezichtstaken op grond van andere wet- en regelgeving dan genoemd in onder a tot en met i. 3. De omgevingsdienst verricht werkzaamheden ten behoeve van de eigen bedrijfsvoering zoals: a. het opstellen en vaststellen van een bedrijfsplan en beleidsplannen van de omgevingsdienst;

11

c. De Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden d. De Waterwet. e. De Wet natuurbescherming en de Natuurschoonwet. f. De Ontgrondingenwet. g. De handhavings- en toezichtstaken bij of krachtens de onder a tot en met f genoemde wetten. h. Alsmede milieu-, handhavings- en toezichtstaken op grond van andere wet- en regelgeving dan onder a tot en met f genoemd. 5. Het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van de eigen bedrijfsvoering zoals: a. Het opstellen en vaststellen van een bedrijfsplan en beleidsplannen van de omgevingsdienst. b. Het jaarlijks vaststellen van een jaarverslag. 6. Voor zover bij de mandaatverlening niet anders is bepaald kan ten aanzien van de aan de omgevingsdienst in mandaat toekomende taken en bevoegdheden ondermandaat worden verleend. 7. Indien ten gevolge van wijziging van wettelijke regelingen ter bescherming van het milieu, de uitvoering van werkzaamheden als bedoeld in het tweede tot en met vijfde lid gaan strekken ter uitvoering van een andere regeling dan ter uitvoering waarvan zij ten tijde van het van kracht worden van deze regeling strekten, dan welindien in deze werkzaamheden ten gevolge van een dergelijke wijziging veranderingen optreden, blijven zij, voor zover hun strekking en omvang door hun wijziging niet wezenlijk veranderen, behoren tot de taken die in de genoemde artikelleden aan de omgevingsdienst zijn opgedragen.

8. De omgevingsdienst kan op verzoek van derden, niet deelnemers aan deze regeling, adviserende, ondersteunende en uitvoerende werkzaamheden verrichten op het gebied van de zorg voor het milieu. 9. Op een verzoek zoals bedoeld in het achtste lid, beslist het dagelijks bestuur in incidentele gevallen en het algemeen bestuur in de overige gevallen.

b. 4.

5.

6.

7.

het jaarlijks vaststellen van een jaarverslag. Voor zover bij de mandaatverlening niet anders is bepaald kan ten aanzien van de aan de omgevingsdienst in mandaat toekomende taken en bevoegdheden ondermandaat worden verleend. Indien ten gevolge van wijziging van wettelijke regelingen ter bescherming van het milieu, de uitvoering van werkzaamheden als bedoeld in het tweede lid gaan strekken ter uitvoering van een andere regeling dan ter uitvoering waarvan zij ten tijde van het van kracht worden van deze regeling strekten, dan welindien in deze werkzaamheden ten gevolge van een dergelijke wijziging veranderingen optreden, blijven zij, voor zover hun strekking en omvang door hun wijziging niet wezenlijk veranderen, behoren tot de taken die in de genoemde artikelleden aan de omgevingsdienst zijn opgedragen. De omgevingsdienst kan op verzoek van derden, niet-deelnemers aan deze regeling, adviserende, ondersteunende en uitvoerende werkzaamheden verrichten op het gebied van de zorg voor het milieu. Op een verzoek zoals bedoeld in het zesde lid, beslist het dagelijks bestuur in incidentele gevallen en het algemeen bestuur in de overige gevallen.

Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 5. Het bestuur

Artikel 5. Het bestuur

Het bestuur van de omgevingsdienst bestaat uit:

Het bestuur van de omgevingsdienst bestaat uit:

a. Het algemeen bestuur.

a. het algemeen bestuur;

b. Het dagelijks bestuur.

b. het dagelijks bestuur;

c. De voorzitter.

c. de voorzitter.

Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd: 12

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 6. Samenstelling algemeen bestuur 1. Het algemeen bestuur bestaat uit dertien leden. 2. Gedeputeerde staten wijzen uit hun midden twee leden van het algemeen bestuur aan. 3. Het college van de gemeente Den Haag benoemt uit zijn midden twee leden van het algemeen bestuur. Het college van de gemeente Westland benoemt uit zijn midden twee leden van het algemeen bestuur. 4. De overige colleges benoemen uit hun midden elk één lid van het algemeen bestuur. 5. De colleges en gedeputeerde staten kunnen voor de door hen benoemde leden van het algemeen bestuur plaatsvervangende leden aanwijzen, die de door hen benoemde leden bij ontstentenis of verhindering vervangen. Het bepaalde in deze regeling ten aanzien van de leden van het algemeen bestuur is op de plaatsvervangende leden van overeenkomstige toepassing. 6. De aanwijzing van de leden van het algemeen bestuur zoals bedoeld in het tweede, derde en vierde lid geschiedt voor dezelfde periode als waarvoor het betreffende college of gedeputeerde staten worden benoemd en vindt plaats in de eerste vergadering van het betreffende college of gedeputeerde staten in nieuwe samenstelling. 7. De leden van het algemeen bestuur treden af op de dag waarop de nieuw aangewezen leden van het algemeen bestuur in functie treden. 8.

Wanneer een lid van het algemeen bestuur ophoudt lid te zijn van het college of gedeputeerde staten dat hem heeft benoemd, dan houdt hij tevens op lid te zijn van het algemeen bestuur. Het college of gedeputeerde staten dat hem heeft benoemd, voorziet zo spoedig mogelijk in de vacature. 9. De leden van het algemeen bestuur kunnen te allen tijde ontslag nemen. 10. Bij tussentijds ontslag voorziet het betreffende college of gedeputeerde staten zo spoedig mogelijk in de aanwijzing van een nieuw lid van het algemeen bestuur. 11. Leden van het algemeen bestuur, die ontslag hebben genomen, behouden hun lidmaatschap totdat onherroepelijk in hun opvolging is voorzien. 12. De colleges en gedeputeerde staten kunnen een door hem aangewezen lid in het algemeen bestuur ontslaan bij gebrek aan vertrouwen. Het college of gedeputeerde staten dat hem heeft benoemd, voorziet zo

Artikel 6. Samenstelling algemeen bestuur 1. Het algemeen bestuur bestaat, de voorzitter inbegrepen, uit dertien leden. 2. Gedeputeerde staten wijzen uit hun midden twee leden van het algemeen bestuur aan. 3. Het college van de gemeente Den Haag wijst uit zijn midden twee leden van het algemeen bestuur aan. Het college van de gemeente Westland wijst uit zijn midden twee leden van het algemeen bestuur aan. 4. De overige colleges wijzen uit hun midden ieder één lid van het algemeen bestuur aan. 5. De colleges en gedeputeerde staten kunnen voor de door hen aangewezen leden van het algemeen bestuur plaatsvervangende leden aanwijzen, die de door hen aangewezen leden bij ontstentenis of verhindering vervangen. Het bepaalde in deze regeling ten aanzien van de leden van het algemeen bestuur is op de plaatsvervangende leden van overeenkomstige toepassing. 6. De aanwijzing van de leden van het algemeen bestuur, als bedoeld in het tweede, derde en vierde lid, geschiedt voor dezelfde periode als waarvoor het betreffende college of gedeputeerde staten worden benoemd en vindt plaats in de eerste vergadering van het betreffende college of gedeputeerde staten in nieuwe samenstelling. 7. De leden van het algemeen bestuur treden af op de dag waarop de nieuw aangewezen leden van het algemeen bestuur in functie treden. 8.

Wanneer een lid van het algemeen bestuur ophoudt lid te zijn van het college of gedeputeerde staten dat hem heeft aangewezen, dan houdt hij tevens op lid te zijn van het algemeen bestuur. Het college of gedeputeerde staten dat hem heeft aangewezen, voorziet zo spoedig mogelijk in opvulling van de vacature. 9. De leden van het algemeen bestuur kunnen te allen tijde ontslag nemen. 10. Bij tussentijds ontslag voorziet het betreffende college of gedeputeerde staten zo spoedig mogelijk in de aanwijzing van een nieuw lid van het algemeen bestuur. 11. Leden van het algemeen bestuur, die ontslag hebben genomen, behouden hun lidmaatschap totdat in hun opvolging is voorzien. 12. De colleges en gedeputeerde staten kunnen een door hen aangewezen lid in het algemeen bestuur ontslaan bij gebrek aan vertrouwen. Het college of gedeputeerde staten dat het lid heeft benoemd, voorziet zo

13

spoedig mogelijk in de aanwijzing van een nieuw lid.

spoedig mogelijk in de aanwijzing van een nieuw lid.

Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 7. Stemverdeling 1. Het aantal stemmen per deelnemer is als volgt: a. Provincie Zuid-Holland 29 stemmen per lid. b. Den Haag 27 stemmen per lid. c. Westland 14 stemmen per lid. d. Zoetermeer 16 stemmen per lid. e. Delft 16 stemmen per lid. f. Rijswijk 8 stemmen per lid. g. Pijnacker-Nootdorp 8 stemmen per lid. h. Leidschendam-Voorburg 4 stemmen per lid. i. Midden-Delfland 4 stemmen per lid. j. Wassenaar 4 stemmen per lid. 2. De stemverhouding wordt eens in de vier jaar geëvalueerd of op een eerder moment indien de financiële bijdragen van de deelnemers en de begroting behorende bij het moment dat de geldende stemverdeling werd vastgesteld, substantieel ten opzichte van elkaar wijzigen. Het algemeen bestuur doet in dat geval voorstellen aan de deelnemers om met toepassing van artikel 30 de stemverhouding als gegeven in het eerste lid te wijzigen. 3. Een stemming is alleen geldig als meer dan de helft van het aantal leden dat zitting heeft, en zich niet van deelneming aan de stemming moet onthouden, daaraan heeft deelgenomen. 4. Voor het tot stand komen van een besluit bij stemming wordt de meerderheid vereist van het aantal uitgebrachte stemmen, die tot stand wordt gebracht door minimaal drie deelnemers. 5. Een lid neemt niet deel aan de stemming over: a.

Een aangelegenheid die hem rechtstreeks of middellijk persoonlijk aangaat of waarbij hij als vertegenwoordiger is betrokken; b. De vaststelling of goedkeuring van de rekening van een lichaam waaraan hij rekenplichtig is of tot welk bestuur hij behoort; c. Een benoeming die hem zelf aangaat, wanneer hij behoort tot de personen tot wie de keuze door voordracht of stemming is beperkt.

Artikel 7. Stemverdeling 1. Het aantal stemmen per deelnemer en per lid is als volgt: a. Provincie Zuid-Holland: 29; b. Gemeente Den Haag: 27; c. Gemeente Delft:; d. Gemeente Zoetermeer:; e. Gemeente Westland: 14; f. Gemeente Pijnacker-Nootdorp: 8; g. Gemeente Rijswijk: 8; h. Gemeente Leidschendam-Voorburg: 4; i. Gemeente Midden-Delfland: 4; j. Gemeente Wassenaar: 4. 2. De stemverhouding wordt eens in de vier jaar geëvalueerd of op een eerder moment indien de financiële bijdragen van de deelnemers en de begroting behorende bij het moment dat de geldende stemverdeling werd vastgesteld, substantieel ten opzichte van elkaar wijzigen. Het algemeen bestuur doet in dat geval voorstellen aan de deelnemers om met toepassing van artikel 32 de stemverhouding als gegeven in het eerste lid te wijzigen. 3. Een stemming is alleen geldig als meer dan de helft van het aantal leden dat zitting heeft, en zich niet van deelneming aan de stemming moet onthouden, daaraan heeft deelgenomen. 4. Voor het tot stand komen van een besluit bij stemming wordt de meerderheid vereist van het aantal uitgebrachte stemmen, die tot stand wordt gebracht door minimaal drie deelnemers. 5. Een lid neemt niet deel aan de stemming over: a. een aangelegenheid die hem rechtstreeks of middellijk persoonlijk aangaat of waarbij hij als vertegenwoordiger is betrokken; b.

de vaststelling of goedkeuring van de rekening van een lichaam waaraan hij rekenplichtig is of tot welk bestuur hij behoort; c. een benoeming die hem zelf aangaat, wanneer hij behoort tot de personen tot wie de keuze door voordracht of stemming is beperkt.

Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd: 14

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 10. Bevoegdheden algemeen bestuur 1. Alle bevoegdheden in het kader van de regeling, die niet aan een ander orgaan zijn opgedragen, behoren aan het algemeen bestuur. 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 57a van de Wet en naast de uitoefening van taken en bevoegdheden op grond van het elders in deze regeling bepaalde, is het algemeen bestuur in ieder geval bevoegd tot het besluiten tot het oprichten van en deelnemen in stichtingen, maatschappijen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen, indien dit bijdraagt aan de behartiging van het belang als genoemd in artikel 2 dan wel aan de uitvoering van de taken als genoemd in artikel 4.

Artikel 10. Bevoegdheden algemeen bestuur 1. Alle bevoegdheden in het kader van de regeling, die niet aan een ander orgaan zijn opgedragen, behoren aan het algemeen bestuur. 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 57a van de wet en naast de uitoefening van taken en bevoegdheden op grond van het elders in deze regeling bepaalde, is het algemeen bestuur in ieder geval bevoegd tot het besluiten tot het oprichten van en deelnemen in stichtingen, maatschappijen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen, indien dit bijdraagt aan de behartiging van het doel als genoemd in artikel 2 dan wel aan de uitvoering van de taken als genoemd in artikel 4. 3. Ingezetenen van de deelnemers en andere belanghebbenden kunnen via de reguliere procedures bij de deelnemers worden betrokken bij besluiten van het algemeen bestuur. 4. In aanvulling op lid 3 kan het algemeen bestuur ertoe besluiten om ingezetenen van de deelnemers of andere belanghebbenden te betrekken bij de besluiten die het neemt, en de manier waarop dat gebeurt.

Artikel 11 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 11. Samenstelling dagelijks bestuur 1. Het dagelijks bestuur bestaat, de voorzitter inbegrepen, uit een oneven aantal en maximaal vijf leden welke door en uit het algemeen bestuur worden aangewezen. 2. Het dagelijks bestuur bestaat in ieder geval uit één lid van de provincie, één lid van Den Haag en één lid van Westland. 3. De leden van het dagelijks bestuur worden aangewezen in de eerste vergadering van het algemeen bestuur in nieuwe samenstelling. 4. De leden van het dagelijks bestuur treden af op de dag waarop zij ophouden lid van het algemeen bestuur te zijn. 5. De leden van het dagelijks bestuur kunnen te allen tijde ontslag nemen. 6. Het ontslag in het vijfde lid gaat in met ingang van de dag, gelegen een maand na de dag waarop hij zijn ontslag heeft genomen of zoveel eerder als zijn opvolger de benoeming heeft aangenomen. 7. Het algemeen bestuur kan een of meer leden van het dagelijks bestuur, de voorzitter inbegrepen, ontslag verlenen indien deze(n)

Artikel 11. Samenstelling dagelijks bestuur 1. Het dagelijks bestuur bestaat, de voorzitter inbegrepen, uit een oneven aantal en maximaal vijf leden welke door en uit het algemeen bestuur worden aangewezen. 2. Het dagelijks bestuur bestaat in ieder geval uit één lid van de provincie, één lid van de gemeente Den Haag en één lid van de gemeente Westland. 3. De leden van het dagelijks bestuur worden aangewezen in de eerste vergadering van het algemeen bestuur in nieuwe samenstelling. 4. De leden van het dagelijks bestuur treden af op de dag waarop zij ophouden lid van het algemeen bestuur te zijn. 5. De leden van het dagelijks bestuur kunnen te allen tijde ontslag nemen. 6. Het ontslag in het vijfde lid gaat in met ingang van de dag, gelegen een maand na de dag waarop hij zijn ontslag heeft genomen of zoveel eerder als zijn opvolger de benoeming heeft aangenomen. 7. Het algemeen bestuur kan een lid van het dagelijks bestuur, de voorzitter inbegrepen,

15

8.

het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit(ten). Indien een plaats in het dagelijks bestuur beschikbaar komt, het algemeen bestuur zo spoedig mogelijk een nieuw lid.

8.

ontslag verlenen indien hij het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit. Indien een plaats in het dagelijks bestuur beschikbaar komt, wijst het algemeen bestuur zo spoedig mogelijk een nieuw lid aan.

Artikel 13 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 13. Bevoegdheden dagelijks bestuur Het dagelijks bestuur is naast het uitoefenen van de taken en bevoegdheden genoemd in hoofdstuk IV afdeling 3 paragraaf 5 van de Wgr belast met : a. [vervallen]; b. vervallen]; c. Het beheer van de financiële administratie; d. De zorg, voor zover niet aan anderen opgedragen, voor de controle op het geldelijk beheer en de boekhouding; e. Het stimuleren en coördineren van overleg tussen de deelnemers; f. Het behartigen van de belangen van de omgevingsdienst bij andere overheden, instellingen, diensten of personen, waarmee contact voor de omgevingsdienst van belang is; g. vervallen]; h. Het houden van toezicht op al hetgeen de omgevingsdienst aangaat; i. [vervallen]; j. [vervallen]; k. [vervallen]; l. Het conform artikel 10:4 eerste lid Awb instemmen met een mandaat verleend aan de directeur.

Artikel 13. Bevoegdheden dagelijks bestuur Het dagelijks bestuur is naast het uitoefenen van de taken en bevoegdheden genoemd in artikel 57b van de wet belast met: a. het beheer van de financiële administratie; b. de zorg, voor zover niet aan anderen opgedragen, voor de controle op het geldelijk beheer en de boekhouding; c. het stimuleren en coördineren van overleg tussen de deelnemers; d. het behartigen van de belangen van de omgevingsdienst bij andere overheden, instellingen, diensten of personen, waarmee contact voor de omgevingsdienst van belang is; e. het houden van toezicht op al hetgeen de omgevingsdienst aangaat; f. het conform artikel 10:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, instemmen met een mandaat verleend aan de secretaris.

Artikel 16 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 16. Informatie van het bestuur aan raad of provinciale staten 1. Het algemeen bestuur, dagelijks bestuur en de voorzitter verstrekken de raden en provinciale staten ongevraagd alle inlichtingen die voor een juiste beoordeling van het door het bestuur van de omgevingsdienst gevoerde en te voeren beleid nodig is. 2. Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter verstrekken aan de raden en provinciale staten alle inlichtingen die door één of meer leden van die bestuursorganen worden verlangd. 3. Het reglement van orde van het betreffende bestuur regelt de wijze waarop uitvoering

Artikel 16. Informatie van het bestuur aan raad of provinciale staten 1. Het algemeen bestuur, dagelijks bestuur en de voorzitter verstrekken de raden en provinciale staten schriftelijk ongevraagd alle inlichtingen die voor een juiste beoordeling van het door het bestuur van de omgevingsdienst gevoerde en te voeren beleid nodig is. 2. Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter verstrekken aan de raden en provinciale staten schriftelijk alle inlichtingen die door één of meer leden van die bestuursorganen worden verlangd. 3. Het reglement van orde van het betreffende bestuur regelt de wijze waarop uitvoering

16

wordt gegeven aan het in de vorige leden bepaalde. 4.

5.

wordt gegeven aan het bepaalde in het eerste en tweede lid. De vergaderstukken en verslagen van het algemeen bestuur worden actief openbaar gemaakt overeenkomstig het bepaalde in de Wet open overheid. Besluitenlijsten en andere documenten van het dagelijks bestuur worden actief openbaar gemaakt overeenkomstig het bepaalde in de Wet open overheid.

In artikel 21, tweede lid, wordt aan het einde ingevoegd: “van de regeling”. In artikel 23, tweede lid, worden de woorden “algemeen bestuur, dagelijks bestuur, secretaris” gewijzigd in: “algemeen bestuur, dagelijks bestuur en secretaris. Artikel 24 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 24. Begroting 1. Het dagelijks bestuur zendt de ontwerpbegroting acht weken voordat zij aan het algemeen bestuur wordt aangeboden, toe aan de raden en provinciale staten. 2. De ontwerpbegroting wordt door de zorg van de deelnemers voor een ieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld. 3. De raden en provinciale staten kunnen hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de ontwerpbegroting, zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden. 4. Het algemeen bestuur stelt de begroting vast, op uiterlijk 1 juli in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient. 5. Het dagelijks bestuur zendt de vastgestelde begroting toe aan de raden en provinciale staten. 6. Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen twee weken na vaststelling, in ieder geval vóór1 augustus van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. 7. Het bepaalde in het eerste, derde en vijfde lid is mede van toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting. 8. Het dagelijks bestuur biedt voorgenomen begrotingswijzigingen aan de deelnemers aan voor een zienswijze tenzij: a. De wijzigingen minder bedragen dan 5% van de totale begrotingsomvang (baten); b.

De wijzigingen voortkomen uit extra opdracht(en) van een of meerdere

Artikel 24. Begroting 1. Het dagelijks bestuur zendt uiterlijk 30 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders aan de raden en provinciale staten. 2. Het dagelijks bestuur zendt de ontwerpbegroting ten minste twaalf weken voordat zij aan het algemeen bestuur wordt aangeboden toe aan de raden en provinciale staten. 3. De ontwerpbegroting wordt door de zorg van de deelnemers voor een ieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld. 4. De raden en provinciale staten kunnen gedurende twaalf weken na aanbieding door het dagelijks bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de ontwerpbegroting, zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden. 5. Het algemeen bestuur stelt de begroting vast, op uiterlijk 1 september in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient. 6. Het dagelijks bestuur zendt de vastgestelde begroting toe aan de raden en provinciale staten. 7. Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen twee weken na vaststelling, in ieder geval vóór 15 september van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

17

c.

opdrachtgevers met bijbehorende financiële dekking; De wijzigingen voortkomen uit overige taken al dan niet bij of krachtens wet opgedragen door derden/deelnemers met bijbehorende financiële dekking.

8.

9.

Het bepaalde in het eerste, derde en vijfde lid is mede van toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting. Het dagelijks bestuur biedt voorgenomen begrotingswijzigingen aan de deelnemers aan voor een zienswijze tenzij: a. de wijzigingen minder bedragen dan 5% van de totale begrotingsomvang (baten); b. de wijzigingen voortkomen uit extra opdracht(en) van een of meerdere opdrachtgevers met bijbehorende financiële dekking; c. de wijzigingen voortkomen uit overige taken al dan niet bij of krachtens wet opgedragen door derden of deelnemers met bijbehorende financiële dekking.

Artikel 25 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 25. Jaarrekening 1. Het algemeen bestuur stelt de jaarrekening vast op uiterlijk 1 juli in het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft. 2. Het dagelijks bestuur zendt de vastgestelde jaarrekening ter kennisneming aan de raden en provinciale staten. 3. Het dagelijks bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na vaststelling, vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Artikel 25. Jaarrekening 1. Op de voorlopige jaarrekening is artikel 58b van de wet van toepassing. 2. Het algemeen bestuur stelt de jaarrekening vast op uiterlijk 1 juli in het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft. 3. Het dagelijks bestuur zendt de vastgestelde jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 juli ter kennisneming aan de raden en provinciale staten. 4. Het dagelijks bestuur stelt de in het eerste, tweede en derde lid bedoelde stukken algemeen verkrijgbaar. 5. Het dagelijks bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na vaststelling, vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Artikel 28 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 28. Archief 1. Het dagelijks bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden van de organen ingesteld bij de gemeenschappelijke regeling overeenkomstig een door het algemeen bestuur vast te stellen regeling, die aan Gedeputeerde Staten wordt medegedeeld. 2. Gedeputeerde Staten oefenen toezicht uit op de aan het dagelijks bestuur opgedragen zorg voor de archiefbescheiden

Artikel 28. Archief 1. Het dagelijks bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden van de organen ingesteld bij de gemeenschappelijke regeling overeenkomstig een door het algemeen bestuur vast te stellen regeling, die aan gedeputeerde staten wordt medegedeeld. 2. Gedeputeerde staten oefenen toezicht uit op de aan het dagelijks bestuur opgedragen zorg voor de archiefbescheiden. 3. […]

18

3.

overeenkomstig artikel 33, lid 1 van de Archiefwet 1995. […]

De titel van Hoofdstuk 10 (Toe- en uittreding), wordt gewijzigd in “Toetreding, uittreding, wijziging en opheffing” Artikel 29 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 29. Toe- en uittreding 1. Het algemeen bestuur doet een unaniem voorstel tot toetreding. 2. Toetreding vindt plaats bij daartoe strekkende besluiten van de bevoegde bestuursorganen van alle deelnemers. 3. Toetreding is mogelijk per 1 januari van het volgende kalenderjaar. 4. Het algemeen bestuur regelt de gevolgen van de toetreding. 5. Het algemeen bestuur doet een unaniem voorstel tot uittreding. 6. Uittreding vindt plaats indien de bevoegde bestuursorganen van alle deelnemers instemmen met de afwikkeling van de financiële en organisatorische gevolgen daarvan. 7. Indien een deelnemer uit de regeling wenst te treden, zal in het kader van de in het zesde lid bedoelde afwikkeling van de financiële gevolgen daarvan een toewijzing van personeel aan deze deelnemer plaatsvinden en zal er een compensatie verschuldigd zijn voor de overige rechten en verplichtingen. 8. De hoeveelheid toe te wijzen personeel wordt bepaald op basis van de begroting over het jaar voorafgaand aan het jaar van uittreding en betreft zowel het directe als het indirecte personeel. 9. De hoeveelheid toe te wijzen indirect personeel en de overige rechten en verplichten worden bepaald op basis van de kostenverdelingen, welke zijn opgenomen in de begroting over het jaar voorafgaand aan het jaar van uittreding. 10.

Compensatie voor de overige rechten en verplichtingen zal in een bijdrage ineens worden voldaan. Deze bijdrage is gelijk aan driemaal de op de in het negende lid aangegeven wijze bepaalde hoeveelheid overige rechten en verplichtingen. 11. De feitelijke uittreding kan eerst plaatsvinden per 1 januari van het tweede jaar volgend op

Artikel 29. Toetreding 1. Het algemeen bestuur doet een unaniem voorstel tot toetreding. 2. Toetreding vindt plaats bij een daartoe strekkend besluit van het bestuursorgaan dat wenst toe te treden, na goedkeuring van de raden en provinciale staten, met inachtneming van artikel 51, tweede lid, van de wet. 3. Toetreding is mogelijk per 1 januari van het volgende kalenderjaar. 4. Het algemeen bestuur regelt de gevolgen van de toetreding en kan hieraan voorwaarden verbinden. Artikel 30. Uittreding 1. Het algemeen bestuur doet een unaniem voorstel tot uittreding. 2. Uittreding vindt plaats indien de bevoegde bestuursorganen van alle deelnemers instemmen met de afwikkeling van de financiële en organisatorische gevolgen daarvan. 3. De uittreding kan eerst plaatsvinden per 1 januari van het tweede jaar volgend op het jaar waarin het algemeen bestuur heeft ingestemd met de uittreding, tenzij het algemeen bestuur een andere datum heeft bepaald. 4. Het dagelijks bestuur inventariseert de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaarden voor uittreding, welke uiterlijk zes maanden na het moment van uittreding worden vastgelegd in een door het algemeen bestuur vast te stellen uittredingsplan. 5.

Indien een deelnemer uit de regeling wenst te treden, zal in het kader van de afwikkeling van de financiële gevolgen daarvan een toewijzing van personeel aan deze deelnemer plaatsvinden en zal er een compensatie

19

het jaar waarin het algemeen bestuur heeft ingestemd met de uittreding, tenzij het algemeen bestuur een andere datum heeft bepaald. 12. Het algemeen bestuur regelt de gevolgen van uittreding.

6.

7.

8.

verschuldigd zijn voor de overige rechten en verplichtingen. De hoeveelheid toe te wijzen personeel wordt bepaald op basis van de begroting over het jaar voorafgaand aan het jaar van uittreding en betreft zowel het directe als het indirecte personeel. De hoeveelheid toe te wijzen indirect personeel en de overige rechten en verplichten worden bepaald op basis van de kostenverdelingen, welke zijn opgenomen in de begroting over het jaar voorafgaand aan het jaar van uittreding. Compensatie voor de overige rechten en verplichtingen zal in een bijdrage ineens worden voldaan. Deze bijdrage is gelijk aan driemaal de op de in het zevende lid aangegeven wijze bepaalde hoeveelheid overige rechten en verplichtingen.

Artikel 30 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Artikel 30. Wijziging of opheffing 1. De colleges en gedeputeerde staten, het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur kunnen voorstellen doen tot wijziging van de regeling. Alleen het algemeen bestuur kan, op grond van artikel 7, lid 2, een voorstel doen tot wijziging van de stemverhouding. 2. Deze regeling kan worden gewijzigd indien de bevoegde bestuursorganen van meer dan tweederde van het aantal deelnemers daarmee heeft ingestemd. 3. De artikelen 2, 4, 6, leden 1 tot en met 4, 7, 11, leden 1 en 2, 29 en 30 van deze regeling kunnen alleen worden gewijzigd indien de bevoegde bestuursorganen van alle deelnemers daarmee instemmen. 4. De regeling kan worden opgeheven bij daartoe strekkende besluiten van alle colleges en gedeputeerde staten. 5. De deelnemende partijen verbinden zich in geval van opheffing van het openbaar lichaam een liquidatieplan op te stellen dat voorziet in de verdeling van de rechten en verplichtingen van het openbaar lichaam over de deelnemende partijen op een in dat plan te bepalen wijze.

Artikel 31. Wijziging 1. De colleges en gedeputeerde staten, het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur kunnen voorstellen doen tot wijziging van de regeling. Alleen het algemeen bestuur kan, op grond van artikel 7, tweede lid, van de regeling, een voorstel doen tot wijziging van de stemverhouding. 2. Deze regeling kan worden gewijzigd indien tweederde van het aantal deelnemers daarmee heeft ingestemd. 3. De artikelen 2, 4, 6 eerste tot en met het vierde lid, 7, 11 eerste en tweede lid, 29, 30, 31 en 32 van deze regeling kunnen alleen worden gewijzigd indien de bevoegde bestuursorganen van alle deelnemers daarmee instemmen. 4. De raden en provinciale staten kunnen bij het dagelijks bestuur hun zienswijzen binnen acht weken na ontvangst van de ontwerpregeling naar voren brengen. Artikel 32. Opheffing 1. De regeling kan worden opgeheven bij daartoe strekkende besluiten van alle colleges en gedeputeerde staten. 2. Het besluit tot opheffing wordt niet genomen voordat de raden en provinciale staten gedurende twaalf weken in de gelegenheid zijn gesteld om schriftelijk op de voorgestelde opheffing hun zienswijze ter kennis te brengen. 3. De deelnemers verbinden zich in geval van opheffing van het openbaar lichaam een liquidatieplan op te stellen dat voorziet in de

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14304219/1